Geloven en weten

advertisement
Geschiedeniswerkplaats – 1h/v – 3.3
Geloven en weten
Begrippen
Athena: godin van de krijgskunst en wijsheid
Barbaar: vreemdelingen die geen Grieks spraken
Beschaving: cultuur
Epos: lang verhalend gedicht, bijvoorbeeld de verhalen van Homerus.
Filosofie: wijsbegeerte
Hades: deze god heerste over het dodenrijk
Herodotus: historicus
Hippocrates: arts die vond dat ziektes geen goddelijke oorzaak hadden.
Legende: wonderlijk verhaal, vaak over een held
Mythe: godenverhaal
Orakel: plaats waar goddelijke uitspraken gedaan worden
Poseidon: deze god waakte over de zee
Sage: heldenverhaal
Zeus: oppergod
Samenvatting
Ondanks de vele stadstaten en de vele oorlogen voelden de Grieken zich één volk.
 Ze spraken dezelfde taal
 Hadden hetzelfde schrift
 Zelfde mythen, sagen en legenden.
Homerus – dichter/ schrijver
 Schreef de Ilias en Odyssee
 Ging over goden met menselijke trekjes.
 Lange verhalen zoals dit worden een Epos genoemd.
Alle Grieken vereerden dezelfde goden.
Zeus  oppergod  heerste over hemel en aarde  woonde op de berg Olympus.
Poseidon  broer van Zeus  waakte over de zeeën
Hades  broer van Zeus  heerste over het dodenrijk
Hera  zus van Zeus  Hier kreeg Zeus verschillende kinderen mee.
Kinderen van Zeus:
Athena  godin van de krijgskunst en wijsheid
Aphrodite  godin van de liefde
Helios  zonnegod, dat de zon iedere dag opkwam hadden we aan hem te danken.
Goden veroorzaakten goede dingen  goede oogst bijvoorbeeld.
Maar ook slechte dingen  bijvoorbeeld ziekte.
De Grieken wilden de goden gunstig stemmen.  Daarom waren er tempels en brachten ze
offers. Als ze raad nodig hadden  konden ze naar een orakel. Bijvoorbeeld in Delphi.
www.maaikezijm.com
De Griekse mythen gaven bovennatuurlijke verklaringen voor verschijnselen in de natuur en
maatschappij.
- vanaf de 6e eeuw v.C. namen Griekse filosofen hier geen genoegen meer mee.
Ze wilden met hun verstand (ratio) begrijpen hoe dingen in elkaar zaten.
Hippocrates  arts
 Hij vond dat ziektes geen goddelijke oorzaak hadden.
 Hij stichtte een onderzoekscentrum
 Hij stelde gedragsregels op voor artsen
 Eeuwenlang werd ‘de eed van Hippocrates’ afgelegd  respect voor het leven en de
geneeskunde zo goed mogelijk uitoefenen.
Herodotus  historicus
Pythagoras en Archimedes  wiskundige en natuurkundige wetten.
Plato
 Hij vroeg zich af hoe je tot ware kennis kon komen: door diep nadenken of door kijken/
beleven. Hij dacht zelf door diep na te denken
Aristoteles  hij vond juist dat wetenschappers moesten beginnen met kijken en daarna pas
conclusies eraan verbinden.
www.maaikezijm.com
Download