Beschrijvingen coniferen

advertisement
Abies – den
De naalden van een Abies zijn als geheel min of meer kruidachtig en zitten op
de scheuten/twijgen door middel van een ‘zuigmond’; als regel voelen de
naalden niet scherp/stekend aan.
Na het afvallen van de naalden blijft een rond litteken achter; de takken
voelen ‘glad’ aan.
De kegels zijn staand en vallen na rijping uit elkaar; alleen de spil blijft staan.
In de Abies zijn twee groepen: boven- en onderzijde verschillend van kleur
(nordmanniana-groep) en boven- en onderzijde met dezelfde kleur
(concolor-groep).
(nordmanniana – groep)
Abies balsamea ‘Nana’
Dwergconifeer voor rotstuinen en grafbeplanting; hoogte 0.80 – 1.00 m. en
de breedte tot 2.00 m.
Deze dwergconifeer heeft donkergroene naalden tot 1 cm. en op de
onderzijde twee blauw-witte strepen.
De naalden zijn kamvormig geplaatst.
De kleine knoppen zijn bruin; alleenstaand of in groepen van drie.
De soort wordt in Nederland nooit toegepast, omdat ons klimaat ongeschikt
is.
Abies grandis
Boom (conifeer); geregeld toegepast in parken en grote tuinen als solitair en
in groepen.
Deze conifeer behoort tot de nordmanniana-groep; de bovenzijde van de
naalden zijn donkergroen en de onderzijde met twee blauw-witte strepen.
De naalden zijn afwisselend kort – lang en takken zijn plat van vorm met een
duidelijk zichtbare scheut/twijg; naalden tweezijdige geplaatst.
De wrijving hebben de naalden sinaasappelschil-geur.
Kleine bruine eindknoppen.
Abies koreana
Deze conifeer krijgt een hoogte van 6.00 tot 8.00 m. en een breedte van 3.00
tot 4.00 m.
De naalden zijn glimmend donkergroen en tot 2 cm. lang; de onderzijde is
opvallend kalkwit met een dunne middennerf.
De staan dicht opeen en min of meer rond de gelige twijgen.
De knoppen zijn opvallend wit beharst.
Deze conifeer draagt op jeugdige leeftijd al volop kegels; 4 – 7 cm.; eerst
groen later violet-purper met harsdruppels.
Van de soort zijn verschillende cultivars in de handel.
Abies nordmanniana
Boom (conifeer); geregeld toegepast in parken en grote tuinen als solitair en
in groepen; veel aangeplant voor de verkoop als kerstboom.
Deze conifeer behoort tot de nordmanniana-groep; de bovenzijde van de
naalden zijn donkergroen en de onderzijde met twee blauw-witte strepen.
De naalden staan deels gekromd naar voren en vormen een halve cirkel; de
scheut/twijg is niet zichtbaar.
Forse bruine eindknoppen.
(concolor – groep)
Abies concolor
Boom (conifeer); toegepast in parken en grote tuinen als solitair en in
groepen; snelle groeier.
De naalden zijn opvallend lang (4 – 6 (8) cm. en sikkelvormig naar boven
gebogen.
Beide zijden van de naalden zijn grijs- tot blauwgroen.
De naalden op de takken hebben een open structuur.
De knoppen zijn grijs bruin.
Abies lasiocarpa ‘Compacta’
Dichte kegelvormige conifeer; hoogte tot 3.00 – 4.00 m. en de breedte tot
2.50 m.
De naalden zijn dicht geplaatst en blauwwit van kleur; de naalden zijn
opwaarts naar voren gericht.
De lengte van de naalden is 2½ tot 4 cm.
De eivormige knoppen zijn sterk wit beharst.
Abies pinsapo ‘Glauca’
Een vlot groeiende conifeer voor grotere tuinen en parken; de hoogte tot
15.00/20.00 m. en tot 7.00 m. breed.
De naalden 2 – 3 cm. stug en staan rondom de takken; de naalden staan
rondom de takken.
De kleur van de naalden is blauwgroen.
De knoppen zijn bruingekleurd.
Abies procera ‘Glauca’
Geen snelle groeier, maar op den duur een forse solitaire conifeer tot 10.00 –
15.00 m. en tot 6.00 m. breed; vaak tot op de grond betakt.
Heeft een mooie, sierlijke groeiwijze
Zeer mooie vorm voor kerstboom.
De naalden zijn opvallend blauwwit gekleurd, omhoog gekromd en dicht
geplaatst.
De knoppen zitten verborgen tussen de naalden en wat beharst.
De kegels zijn fors (14 – 20 cm. lang); eerst groen later purperbruin.
Door de gewicht gaan de kegels soms hangen.
Araucaria araucana – Slangenden/Apenboom
Zeer opvallende solitaire conifeer.
De takken staan in kransen (5-tallig) en horizontaal afstaand; een tak lijkt op
een slang.
De dikke, stugge, glanzend groene schubben (tot 5 cm.) hebben een scherp
gepunte top.
Als jonge plant vorstgevoelig.
In de jeugd langzaam groeiend; meestal één krans per 2 – 3 jaar.
Calocedrus decurrens
Een hoge, smal zuilvormige conifeer; hoogte tot 15 – 25 meter.
De donkergroene schubben zijn gemakkelijk te herkennen: de toppen van de
voor- en kantblaadjes staan op gelijke hoogte.
Ze voelen wat scherp aan als je de schubben van boven naar beneden
bevoelt.
De bruine bast is afschilferend.
Vroeg in de winter zijn de gele mannelijke bloeiwijzen zichtbaar.
Cedrus deodara
Een vlot groeiende conifeer voor grotere tuinen en parken; de hoogte tot
15.00/20.00 m. en tot 8.00 m. breed.
Een mooie doorgaande stam met afstaande takken, die licht doorbuigen.
De naalden alleenstaand aan de langloten, maar vaak in bundels van tot 20
stuks of meer op de kortloten.
De kleur is blauwgroen tot grijsgroen.
De naalden hebben een lengte tot 3 – 5 cm.
De kegels zijn ei- tot tonvormig; 7 – 10 cm. lang en 5 – 6 cm. breed.
In de jeugd in strenge winters gevoelig.
Cedrus libani ‘Glauca’
Een hoge brede boom; vroeger een veel aangeplante solitair.
De blauwgrijze naalden staan in bundels op de kortloten; op de scheuten zie
je ook alleenstaande naalden.
De naalden zijn vrij kort; tot 2½ cm.
De kegels zijn opstaand, cilindrisch/eivormig en 5 – 7 cm. groot.
De takken zijn vrij bros; vaak stormschade.
Cephalotaxus harringtonia ‘Fastigiata’
In de jeugd een zuilvormige conifer; later meer trechtervormig; tot 3 meter
hoog.
De opgaande takken zijn weinig vertakt.
De donkergroene naalden staan spiraalvormig rondom de takken; de naalden
zijn duidelijk forser als Taxus baccata ‘Fastigiata’.
De onderzijde van de naalden 2 groen-grijze huidmondstrepen.
De naalden zijn 4 – 7 cm. lang en tot 5 mm. breed; de toppen licht
overhangend.
Aan de takken is de jaarlijkse groei goed zichtbaar.
Chamaecyparis lawsoniana ‘Columnaris’
De soort wordt zelden gekweekt; soms als onderstam toegepast.
Bij wrijving heeft Chamaecyparis lawsoniana een frisse geur.
Een slanke, dichte, zuilvormige schubconifeer; veel toegepast als solitair en
om een afscheiding te vormen.
De zijtakken van deze cultivar zijn stijf opgaand en het loof heeft een
opvallende
staalblauw tot zilver kleurig; later meer blauwgroen.
Chamaecyparis lawsoniana ‘Ellwoodii’
Een jeugdvorm.
Een dichte zuilvormige groeiwijze tot 2.00 – 3.50 m.; top niet overhangend.
Dit is geen schubvorm; het loof is naaldvormig en ze voelen zacht aan.
De kleur van de naalden is blauwgroen; in de herfst meer staalblauw van
kleur.
Chamaecyparis lawsoniana ‘Stardust’
In de jeugd een slanke zuilvormige conifeer; later meer kegelvormig.
Hoogte tot 7 m. hoog en 3 m. breed.
Het loof is schubvormig.
De toppen van de takken helder geel tot geel-groen; in de conifeer groenig
van kleur.
Chamaecyparis nootkatensis ‘Pendula’
Een opvallende zuilvormige conifeer tot 10 – 15 meter.
De top is sterk overhangend; de zijtakken doorgaans horizontaal afstaand
met lange, vaak loodrecht afhangende twijgen.
De schubben zijn donkergroen.
De ronde kegels van ongeveer 1 cm. vallen op door 4 (6) doornige schubben.
Chamaecyparis obtusa ‘Nana Gracilis’
Langzaam groeiende, dichte kegelvormige conifer; zelden hoger dan 2.50 m.
Een vrij veel toegepaste solitaire conifeer voor grafbeplanting.
De schubben zijn glimmend donkergroen met op de onderzijde opvallende
blauwwitte huidmond streepjes.
De takjes zijn schelpvormig gebogen.
Chamaecyparis pisifera ‘Boulevard’
Een jeugdvorm.
In de jeugd een dichte kegelvorm ; latere een meer open structuur; hoogte
tot 6 meter.
Het loof is naaldvormig met een toegespitste top; topjes wat overhangend.
’s Zomers zilverblauw, ’s winters meer grijsblauw.
In de struik veel dode takjes.
Chamaecyparis pisifera ‘Filifera Aurea’
Een brede kegelvormige groeiwijze tot 4.00 – 5.00 m. met een overhangende
top.
De twijgen deels uit onvertakte hangende draadvormige twijgen en deels
onregelmatig vertakte kortere hangende twijgen.
De takken hebben een open structuur.
Scheuten, jonge twijgen en schubben zijn goudgeel, later meer geelgroen van
kleur.
Cryptomeria japonica ‘Cristata’
Een vlot groeiende conifeer voor grotere tuinen en parken; de hoogte tot
8.00/10.00 m., eerst smalle groeiwijze later tot 3.00 - 4.00 m. breed.
Als de soort, maar met opvallende hanekamachtige twijgen (bandvormig).
Cryptomeria japonica ‘Globosa Nana’
Dichte, wat kogelvormige groeiwijze 1.00 – 2.00 m. hoog en breed.
De naald zijn 10 – 15 mm. en zeer dicht geplaatst; de takjes lijken op
‘dreadlocks’.
De kleur is ’s zomers meer geel-groen en ’s winters licht groen
Cryptomeria japonica ‘Jindai’
Een brede kegelvorm tot 2.00 m en een breedte van 1.50 m.
De twijgen deels rechtop en deels wat afhangend; op de toppen korte
zijtakjes.
De naalden zijn 2 – 3 mm. lang en groen van kleur.
Cryptomeria japonica ‘Lobbii’
Een vlot groeiende conifeer voor grotere tuinen en parken; de hoogte tot
10.00/15.00 m. en tot 5.00 m. breed.
Deze cultivar heeft veel gelijkenis met de soort, maar de kroon is dichter met
wat doorhangende takken en een doorgaande stam.
De priemvormige naalden zijn groen tot donkergroen en 10 – 15 mm. lang en
staan in spiraalvormige rijen; de naalden staan naar binnen gekromd.
De kegels zijn bolvormig tot 3 cm. en bij rijping bruin van kleur.
Cryptomeria japonica ‘Vilmoriniana’
Een zeer dichte kogelvormige dwergvorm tot 0.80 – 1.00 m. hoog en breed.
De talrijke takjes zijn kort (3 – 5 cm. lang) en wat overhangende topjes.
De naaldjes zijn ongeveer 5 mm. en heldergroen van kleur; ’s winters
bruinachtig
Cupressocyparis leylandii
Een snelgroeiende (lengtegroei tot 1.00 m. per jaar) conifeer; veel toegepast
om een afscheiding te vormen.
De schubben zijn groen, maar door de grijze huidmond streep langs de
schubben, krijgt de gehele conifeer een wat groen/grijze gloed.
De scheuten zijn eerst groen, maar worden vrij snel bruin tot donkerbruin.
In zachte winters blijft deze conifeer doorgroeien.
In de jeugdfase wil deze conifeer nogal eens scheef waaien; aanbinden of
tegen een hekwerk planten.
Ephedra gerardiana var. sikkimensis
Een heermoesachtig gewas met tegenoverstaande of kransvormig geplaatste
zijtakken.
De twijgen zijn heldergroen en gegroefd; later verhouten de takken.
Blaadjes zelden aanwezig; de fotosynthese geschiedt via de groene
scheuten/twijgen/takken.
Ze vormen een dichte massa met een hoogte tot 0.50 m. en breedte is 1.00
m.
Toepasbaar als bodembedekker.
Ginkgo biloba
Boom en conifeer met bladeren
De langgesteelde bladeren zijn waaiervormig en een waaiervormige
nervatuur; aan de langloten zijn de bladeren twee- of meerlobbig.
De bladkleur is zachtgroen; herfstkleur goudgeel.
De talrijke kortloten van 1 – 3 cm., die zeer langzaam verlengen.
Zelden vruchten.
Juniperus chinensis ‘Keteleeri’
Een slanke zuilvormige conifeer met kleine, dicht schubvormige loof; hoogte
tot 10 meter.
De schubben zijn groen met een grijsblauwe waas.
De conifeer is vrouwelijk en tot in de winter zeer geregeld talrijke ronde
groene kegels, die blauw berijpt zijn.
Juniperus chinensis ‘Plumosa Aurea’
Een wat brede conifeer met schuin opgaande zijtakken waarvan de toppen
wat overhangen.
Hoogte en breedte tot 3.00 – 4.00 m.
De zijtakjes zijn kort en pluimvormig.
Het loof is schubvormig en goudgeel van kleur; ’s winters bronsgeel tot
geelbruin.
Juniperus communis ‘Repanda’
Een platgroeiende conifeer met een hoogte tot 0.50 m. en een breedte tot 2.00
– 2.50 m.
De takken wijzen naar alle kanten en zijn dicht geplaatst.
het naaldvormige loof is donkergroen van kleur en voelen niet scherp aan;
’s winters vaak een bruingroene verkleuring.
Aan de toppen van de takjes zijn de naalden met de punten naar elkaar
gebogen.
Juniperus communis ‘Suecica’
Een zuilvormige conifeer; op oudere leeftijd kan deze zuilvorm helemaal uit
elkaar vallen en dit uit elkaar vallen gebeurt meestal onder invloed van
sneeuw en ijzel.
De scherpe naalden zijn 1 - 1½ cm. en staan in kransen van drie.
De priemvormige naalden hebben een opvallende witte middennerf en een
grijsgroen onderzijde.
De vrucht is ter grootte van een erwt en blauwzwart van kleur.
Juniperus pfitzeriana ‘Old Gold’
Langzaam groeiend, compacte struikvorm; hoogte tot 1.00 – 1.25 m. en een
breedte tot 2.50 – 3.00 m.
Het loof is schub- en naaldvormig en de toppen zijn goudgeel tot geelbrons
van kleur.
Synonieme naam is J. media ‘Old Gold’
Juniperus sabina ‘Tam no Blight’
Een lage, meer kruipende conifeer; de takken vormen etages.
De talrijke zijtakjes van de liggende takken zijn sterk opstijgend.
Hoogte tot 0.70 m. en een breedte tot 2.00 – 2.50 m.
Het loof is schub- en naaldvormig; in de jeugd meer naaldvormig.
Bij wrijving hebben de schubben/naalden een scherpe geur; de kleur is groen
tot grijsgroen.
Deze cultivar heeft aanmerkelijk minder last van taksterfte als de
‘Tamariscifolia’.
Juniperus scopulorum ‘Skyrocket’
Een zeer smalle zuilvorm; 6.00 – 8.00 m. hoog en 0.80 – 1.00 m. breed.
Het loof is schubvormig, soms wat naaldvormig; blauwgrijs van kleur.
Sneeuw en ijzel kan er voor zorgen, dat takken uithangen; een gerichte snoei
is gewenst.
Juniperus squamata ‘Blue Star’
Een sierlijke bolvormige groeiwijze; tot 1.00 m. hoog en tot 2.00 m. breed.
Het loof is naaldvormig en zilverblauw van kleur; 6 – 10 mm. lang en 1.5 mm.
breed.
De naalden staan dicht opeen en zijn scherp toegespitst.
Larix kaempferi
Een naaldverliezende boom (conifeer).
Geregeld toegepast voor de houtproductie of in parken.
Deze conifeer heeft oranje-bruine twijgen met veel kortloten; de twijgen zijn
schuin omhoog gericht.
De zachte naalden hebben een blauw-groene kleur; de herfstkleur is
opvallend goudgeel.
De meeste naalden staan in bundels op de takken; de kegels zijn bijna
bolrond.
Metasequoia glyptostroboides
Een vlot groeiende conifeer voor grotere tuinen en parken; de hoogte tot
25.00/35.00 m. en tot 10.00 m. breed.
Naaldverliezend.
Deze conifeer is in 1941 in China ontdekt en vanaf 1947 verspreid.
’s Winters is deze conifeer te herkennen aan de bruine twijgen en
afschilferende takken.
De lichtbruine knoppen zijn tegenoverstaand en staan op steeltjes.
De naalden staan op eenjarige scheutjes; de scheutjes vallen in de herfst, in
z’n geheel af.
De zachte naalden zijn tweerijig geplaatst, tot 15 mm. lang en heldergroen;
in de herfst geel tot roodbruin van kleur.
Microbiota decussata
Het is een vlak groeiend gewas met een fijn en dicht vetakte groeiwijze;
hoogte 0.30 – 0.40 (0.60) m. en een breedte tot 2.00 – 2.50 m.
Het loof lijkt op dat van een Thuja.
Het loof is schubvormig; ’s zomers frisgroen en ’s winters een warm
koperbruine kleur.
De toppen van de takken wat overhangend.
Zeer winterhard en geschikt voor een grotere vakbeplanting.
Platycladus orientalis ‘Aurea Nana’
Een zwakgroeiende kegelvormige conifeer; de takken zijn kort, dicht en
vrijwel loodrecht geplaatst.
Hoogte tot 1.00 m.
De schubben zijn fijn en geelgroen tot lichtgeel van kleur; ’s winters meer
bronsgeel.
De schubben ruiken na wrijving niet of nauwelijks.
Een echte dwergvorm.
Synonieme naam is Thuja orientalis ‘Aurea Nana’.
Picea – spar
De naalden van een Picea staan op een houtig steeltje; als regel voelen de
naalden scherp/stekend aan.
Na het afvallen van de naalden blijft een klein houtig steeltje achter; de
takken voelen ruw aan.
Als je de naalden van de van de scheut/twijg plukt, dan trek je een stukje
bast mee.
De kegels hangend en vallen na rijping als geheel af.
In de Picea zijn twee groepen: boven- en onderzijde verschillend van kleur
(omorika-groep) en boven- en onderzijde met dezelfde kleur (abies-groep).
Picea abies
Boom (conifeer); veel toegepast voor houtproductie en veel aangeplant voor
de verkoop als kerstboom.
Deze conifeer behoort tot de abies-groep; de bovenzijde en onderzijde
glimmend groen; de naalden zijn kantig.
De naalden voelen scherp aan.
De scheuten en twijgen zijn opvallend oranje-bruin van kleur.
Picea abies ‘Inversa’
Van deze conifeer bestand twee groeivormen, een kruipende vorm (enthout
gehaald van de zijtakken) en een opgaande treurvorm (enthout van de
top(pen) gehaald).
De opvallendste vorm is de opgaande treurvorm.
Hoogte tot 6.00 – 8.00 m. met een diameter van 2.00 – 2.50 m.; een smalle,
bijna zuilvormige conifeer.
Sterk naar beneden hangende zijtakken; de toppen soms wat opgericht.
De naalden zijn glanzend donkergroen.
Picea abies ‘Nidiformis’
Een vlakke ronde groeiwijze met een typische nestvormige verdieping.
Hoogte 1.00 – 1.50 m. en een breedte tot 2.00 – 2.50 m.
De dicht geplaatste naaldjes zijn 7 – 10 mm. en heldergroen van kleur.
Picea abies ‘Ohlendorffii’
In de jeugd een meer ronde groeiwijze, op oudere leeftijd krijgt deze cultivar
een brede kegelvormige vorm.
Op den duur bereikt deze cultivar een hoogte van 6.00 m. en een breedte van
2.50 – 3.00 m.
De dicht geplaatste naalden zijn tot 10 mm. lang en heldergroen van kleur.
Opvallend zijn de dicht opeen geplaatste knoppen aan het eind van de
twijgen.
Picea breweriana
Een redelijk groeiende solitaire conifeer voor grotere tuinen en parken met
een mooie groeiwijze; de hoogte tot 10.00/15.00 m. en tot 5.00 m. breed.
De hoofdtakken staan horizontaal af en de zijtwijgen loodrecht afhangend; de
Nederlandse naam is gordijnspar.
De meer vlakke naalden staan rondom de twijgen en zijn wat naar buiten
gekromd; 2 – 3 cm. lang.
De kleur is donkergroen en aan de onderzijde twee smalle grijswitte
huidmondstreepjes.
Picea glauca ‘Conica’
Een langzaam groeiende spitse, dichte kegelvormige conifeer; hoogte 3.00 –
4.00 m. en 2.00 m. breed.
De dunne naalden zijn vrij zacht en haaks afstaand; tot 10 mm. lang.
De kleur van de naalden is helder groen.
Gevoelig voor spint; verliest veel naalden.
Picea omorika
Boom (conifeer); geregeld toegepast in parken en grote tuinen als solitair en
in groepen;
veel aangeplant voor de verkoop als kerstboom.
Deze conifeer behoort tot de omorika-groep; de bovenzijde van de naalden
zijn donkergroen en de onderzijde met twee blauw-witte strepen; meer platte
naalden.
De jonge naalden voelen scherp aan, later stomp.
Indien soortecht dan moet deze conifeer een slanke vorm bezitten met sierlijk
afhangende zijtakken en opstaande toppen.
Picea orientalis
Een redelijk groeiende solitaire conifeer voor grotere tuinen en parken; de
hoogte tot 20.00/30.00 m. en tot 8.00 m. breed.
Als solitair zijtakken tot op de grond; de zijtakken sierlijk doorhangend.
De korte naalden hebben een lengte tot 6 – 8 mm. en ze zijn glanzend donker
groen van kleur.
De naalden staan dicht opeen en voelen niet scherp aan.
Picea pungens ‘Koster’
Een redelijk groeiende solitaire conifeer voor grotere tuinen en parken; de
hoogte tot 10.00/15.00 m. en tot 4.00 tot 5.00 m. breed.
In de jeugd een langzame groeier en één van de bekendste blauwsparren.
In de jeugd een wat onregelmatige groei, later een dichte, regelmatige
kegelvormige groeiwijze.
De stevige, scherpgepunte naalden staan rondom de twijgen; de twijg is meer
oranje kleurig.
De naalden zijn aan beide kanten zilverblauw van kleur.
Gevoelig voor luizen; verliest veel naalden.
Pinus – pijnboom
De naalden van een Pinus staan in bundels van 2 – 3 of 5 naalden en zijn
geheel min of meer kruidachtig; de naalden zacht of scherp/stekend
(afhankelijk van de soort).
De kegels hangend en vallen na rijping als geheel af.
Bij de Pinus worden groepen gevormd door het aantal naalden in een bundel.
Pinus heldereichii ‘Satellit’
Een redelijk groeiende solitaire conifeer met een smalle kegelvormige
groeiwijze.
De hoogte wordt 8.00 – 10.00 m. en een breedte van 3.00 – 4.00 m.
De twee, stijve, donkergroene naald hebben een lengte van 6 – 8 cm.; voelen
scherp aan.
De naalden aan de top van de twijgen/takken vormen als het ware een kwast.
De bast van de scheuten en twijgen zijn grijswit.
Eén van sterkste Pinus; kan uitstekend tegen koude, hitte, droogte en sterke
wind.
Pinus mugo var. mughus
Deze bossig groeiende naaldconifeer kan een hoogte bereiken van 2 – 3 m.
en wordt breder dan hoog; vaak verkocht als dwergvorm.
De takken zijn knievormig gebogen en opstijgend.
De naalden staan in bundels van twee en donkergroen; lengte van de naalden
tot 4 - 7 cm.
De naalden staan dicht op elkaar.
Pinus nigra subsp. nigra
Boom (conifeer); toegepast voor de houtproductie en als parkboom in
stedelijke gebieden en langs de zeekust.
Deze conifeer heeft de naalden in bundels van twee staan.
De naalden zijn opvallend donkergroen, stijf en stekend; lengte 8 – 16 cm.
Pinus parviflora ‘Glauca’
Een mooie solitaire conifeer met in de jeugd een kegelvormige groeiwijze,
later breeder met een schilderachtig losse kroon.
Hoogte 6.00 – 8.00 m. en een breedte van 5.00 – 6.00 m.
De vijftallige naalden vormen een kwast; sterk gekromd en gedraaid.
De naalden hebben op de onderzijde opvallend blauwwit.
De lengte van de naalden is 5 – 7 cm.
Draagt op jonge leeftijd al kegels.
Pinus strobus
Boom (conifeer); geregeld toepast in parken en grote tuinen als solitair en in
groepen.
Deze conifeer heeft de naalden in bundels van vijf staan.
De naalden zijn dun, zacht en blauwgroen; tot 10 cm. lang.
Pinus sylvestris
Boom (conifeer); veel toegepast voor de houtproductie en als ongewenste
zaailing op open vlaktes.
Deze conifeer heeft de naalden in bundels van twee staan.
De naalden zijn gedraaid, grijsgroen, stijf en scherp; 4 – 7 cm. lang.
Pinus sylvestris ‘Watereri’
Een compact groeiende solitaire conifeer; in de jeugd een kegelvorm, later
meer onregelmatig, op oudere leeftijd meer een losse, schermvormige
groeiwijze.
Hoogte 4.00 – 5.00 m. en de breedte 5.00 – 6.00 m.
De twee grijsblauwe tot staalblauwe naalden zijn gedraaid; lengte tot 4 – 5
cm.
De naalden staan dicht opeen.
Pinus wallichiana
Een snel groeiende solitaire conifeer voor grotere tuinen en parken; de hoogte
tot 15.00/25.00 m. en tot 8.00 – 15.00 m.breed.
De vijftallige naalden zijn opvallend lang en dun; lengte tot 20 cm.
De naalden zijn geregeld geknikt.
De kleur van de naalden is blauwgroen met wittige huidmondstrepen aan de
onderzijde.
Sciadopitys verticillata
Een opvallende conifeer met een smalle dichte kegelvormige groeiwijze; de
takken staan in kransen.
Hoogte tot 10.00 – 12.00 m. en een breedte van 2.50 – 4.00 m.
De naalden staan in kransen van 10 tot 20 stuks; de naalden zijn leerachtig
met een stompe punt.
De lengte is 8 – 12 cm. en 5 – 7 mm. breed; ze zijn glanzend diepgroen van
kleur.
Sequoiadendron giganteum
De mammout boom; qua hoogte alleen toepasbaar in grote tuinen en parken.
Hoogte tot 30.00 – 40.00 m., een breedte van 8.00 tot 10.00 m. en een
stamdoorsnede van 6.00 – 7.00 m.
De bast is zacht - sponsachtig; aanpassing aan bosbranden.
Door zijn hoogte af en toe getroffen door bliksem inslag.
De naalden zijn priemvormig en voelen scherp en stekelig aan; de kleur is
blauwgroen.
Taxodium distichum
Een redelijk groeiende conifeer voor grotere tuinen en parken; de hoogte tot
25.00/35.00 m. en tot 10.00 m. breed.
Naaldverliezend.
Op moerassige plaatsen vormt deze conifeer ademwortels met een hoogte tot
1.00 m. en een diameter van 0.30 m.
’s Winters zijn bij deze conifeer de knoppen klein en afwisselend geplaatst op
bruine twijgen.
De naalden staan op eenjarige scheutjes;de naalden worden bruin en de
scheutjes vallen in de herfst, in z’n geheel af.
De zachte naalden zijn tweerijig geplaatst, tot 15 mm. lang en groen.
Taxus baccata
Een brede struikachtige boom (conifeer); een veel toegepaste haagplant,
volgens veel hoveniers de beste haagplant.
De overige toepassingen zijn losse groepsbeplanting; ook in de schaduw.
Deze conifeer heeft lange, platte en brede naalden op een kort steeltje, die
geleidelijk spits toelopend; de scheuten zijn groen en de twijgen verhouten.
De bovenzijde van de naalden glanzend donkergroen; onderzijde lichtgroen.
De naalden zijn tweezijdige geplaatst.
De scheuten zijn donkergroen; de twijgen verhouten geleidelijk.
De vruchten zijn rood met een olijfgroen tot bruin zaadje.
Let op de gehele plant is giftig voor vee.
Taxus baccata ‘Adpressa’
Deze cultivar kan 3.00 m. hoog en breed worden; groeivorm als een struik en
onregelmatig.
De zijtakken zijn kort en de naalden staan tweerijig.
De naalden donkergroen met een blauwgroen onderkant.
De lengte van de naalden tot 10 mm. en tot 4 mm. breed; top afgerond met
een korte spitse punt.
Taxus baccata ‘Amersfoort’
Een breed opgaande tot 3.00 m. hoog en 2.00 – 2.50 m. breed; langzame
groeier.
De zijtakken zijn kort en de naalden staan rondom de takken.
De naalden zijn donkergroen met een blauwgroene onderkant.
De lengte van de naalden tot 10 mm. en tot 4 mm. breed; top afgerond met
een korte spitse punt.
Taxus baccata ‘Fastigiata’
Een sterk opgaande groeiwijze; in de jeugd een smalle zuilvorm, later breder.
De hoofdtakken steil opgaand en dicht bezet met korte, sterk aanliggende
zijtakken.
De hoogte van 4.00 – 6.00 m. en tot 2.50 m. breed.
De naalden zijn zwartgroen en staan rondom de takken; naar beneden
gekromd.
De lengte van de naalden tot 3 cm.
Taxus baccata ‘Fastigiata Aureomarginata’
Een sterk opgaande groeiwijze; in de jeugd een smalle zuilvorm, later breder.
De hoofdtakken steil opgaand en dicht bezet met korte, sterk aanliggende
zijtakken.
De hoogte van 3.00 – 5.00 m. en tot 2.00 m. breed.
De naalden zijn donkergroen met een goudgele rand; in de loop van het jaar
worden de naalden heldergroen.
De naalden staan rondom de takken; de lengte van de naalden tot 3 cm.
Taxus baccata ‘Repandens’
Een liggende groeivorm met een hoogte tot 0.60 – 0. 80 m. en een breedte
tot 3.00 m.
Liggende takken met overhangende toppen.
De naalden zijn donkergroen en 2 – 3 cm. lang en ongeveer 3 mm. breed.
De naalden zijn sikkelvormig naar voren en naar boven gebogen.
Taxus baccata ‘Semperaurea’
Een dichte, breed opgaande, bossige groeiwijze; hoogte en breedte tot 3.00 –
4.00 m.
De takken zijn dicht bezet met korte afstaande zijtakjes.
De naalden zijn 1 – 2½ cm. lang; naar de top van de takken worden de
naalden korter.
De naalden zijn wat sikkelvormig gebogen.
De kleur van de naalden is bij het uitlopen geheel goudgeel, later meer
geelgroen.
Deze cultivar blijft ’s winters goed op kleur.
Taxus cuspidata f. nana
Een breed uitgroeiende vorm; hoogte tot 2.00 en een breedte van 3.00 –
4.00 m.
De takken zijn dicht met korte zijtakjes bezet.
De naalden tot 2½ cm. en een breedte van 4 mm.; plotseling toegespitst
De kleur van de naalden is dofgroen.
De meeste naalden staan rondom de takken en dicht opeen.
Taxus media ‘Hicksii’
Een sterk opgaande groeivorm; op oudere leeftijd losser en meer vaasvormig.
Hoogte tot 3.00 – 5.00 m. en een breedte van 2.00 – 3.00 m.
Minder geschikt voor geknipte hagen; uitstekend toepasbaar als solitair en
voor losgroeiende hagen.
Taxus media is ontstaan uit een kruising van T. baccata X T. cuspidata.
De naalden zijn glimmend donkergroen; 2½ - 3 cm. lang en snel toegespitst.
De naalden staan rondom aan de opgaande takken, terwijl aan de zijtakken
de naalden meer tweerijig staan.
Aan de opbouw van de takken kun je ook T. media herkennen; bij goed
groeiende takken zie je een kaal stuk en vervolgens een aantal langere
zijtakjes dicht opeen en vervolgens weer een stuk zonder langere zijtakjes.
Thuja occidentalis ‘Brabant’
De soort wordt nog steeds volop gekweekt en veel toegepast als haagplant.
Bij wrijving heeft Thuja occidentalis een sterke, doordringende (terpetijn)
geur.
Het is een vrij slanke, dichte, zuilvormige groeiwijze.
Deze cultivar is een betere groeier dan de soort.
Het loof is dof groen; ’s winters vaak een bruin verkleurig.
Deze Thuja maakt gemakkelijke meerdere toppen en bij sneeuw en/of ijzel
valt de zuilvorm uit elkaar.
Thuja occidentalis ‘Rheingold’
In de jeugd een gedrongen bolvormige groeiwijze; later een meer
kegelvormige groeiwijze; bepaald geen dwergvorm.
De hoogte tot 2.00 – 4.00 m. met een breedte tot 1.50 – 3.00 m.
Het loof is naald- en schubvormig; later meer schubvormig en bezit bij
wrijving een sterke geur.
De kleur is goudgeel tot oranje - geel; ’s winters meer bronskleurig.
In de jeugd wat vorstgevoelig; later beter winterhard.
Thuja occidentalis ‘Smaragd’
Een dichte en wat stijf slank kegelvormig gewas; dichte groeiwijze met
loodrecht geplaatste takken.
Hoogte 4.00 – 6.00 m. en een breedte van 1.00 – 1.50 m.
De schubben zijn glimmend donkergroen en bruine twijgen.
Bij wrijving geurend; geen sterk geur.
Een smaragd is een groene edelsteen.
Thuja plicata ‘Atrovirens’
De soort wordt zo goed als niet gekweekt.
Thuja plicata ‘Atrovirens’ wordt toegepast als solitair in parken en grote
tuinen; vaak als haagplant.
Op goed vochthoudende gronden is deze Thuja plicata een vlotte groeier;
wordt breder als de Thuja occidentalis.
Bij wrijving heeft het loof een sterke, aromatische geur
Het loof is glimmend donkergroen; Thuja plicata behoudt ’s winters zijn
glimmende donkergroene kleur.
Op de onderzijde van het loof zijn de wittige huidmondjes zichtbaar.
Thujopsis dolabrata
In de jeugd een min of meer gedrongen struikvorm, latere en doorgaande
hoofdtak ; vaak meerstammig.
Deze conifeer kan 6.00 – 10.00 m. hoog worden en tot 4.00 – 5.00 m. breed.
De twijgen zijn opvallend breed en plat.
De grove schubben zijn stug en glimmend donkergroen; op de onderzijde een
grote opvallend witte huidmondvlek.
Een te weinig toegepaste conifeer.
Tsuga
Kenmerkend van Tsuga zijn de brede, platte naalden.
De naalden staan op een steeltje, maar dit steeltje is kruidachtig en tegen de
scheut/twijg aangedrukt.
Na het afvallen van de naalden voelt de tak ruw aan.
De kegels zijn klein, hangend en vallen in zijn geheel af.
Tsuga canadensis
Een struikachtige, grote conifeer met afstaande takken; soms ontstaat een
boomvorm.
Deze conifeer heeft naalden met verwisselende lengtes; kenmerkend zijn de
kleine naalden op de scheuten/twijgen die 180° zijn gedraaid en tegen de
scheuten/twijgen zijn aangedrukt.
De naalden lopen iets taps toe en met een stompe top.
De naalden zijn donkergroen aan de bovenzijde; onderzijde met twee blauwwitte strepen.
Tsuga canadensis ‘Jeddeloh’
Een dwergvorm met een halve, kogelronde groeiwijze; in het midden
trechtervormig verdiept.
Hoogte tot 1.00 m. en een breedte tot 1.50 m.
De compacte, sterk vertakte takjes hebben 10 – 15 mm. lange naalden; de
kleur is dofgroen.
Midden op de takjes zijn de naalden geheel omgedraaid en dan kan men de
witte huidmondstrepen zien.
Download