Docenthandleiding veldwerk omgeving Heerde Inleiding

advertisement
Docenthandleiding veldwerk omgeving Heerde
Inleiding
Het onderwerp van deze lessenserie is twee landschappen nabij Heerde. Dit landschap is
herkenbaar voor de leerlingen die uit de buurt van Heerde, Vaassen, Epe, Hattem en
Wapenveld komen. Zij zijn er allemaal wel een keer geweest en weten hoe het eruit ziet.
Maar de leerlingen staan er niet bij stil hoe het landschap is ontstaan en hoe het daar
gekomen is. In deze lessenserie word het bekende onbekend gemaakt. Dat wil ik duidelijk
maken met veldwerk in dat landschap, want ik vind veldwerk een van de belangrijkste
onderdelen van de aardrijkskunde les.
Leerdoelen:
Bij de lessenreeks leren de leerlingen hoe zij veldwerk voorbereiden en uitvoeren. Bij
veldwerk wordt eerst bepaald welke rol veldwerk speelt in het leerproces van de leerlingen.
Dit kan bepaald worden als er bekend is welke leerdoelen er worden nagestreefd. Bij het
bepalen van de leerdoelen zijn er volgens Bosschaart vijf doelen om uit elkaar te houden
(2009, p. 242):
1. Leren kijken/waarnemen en je ergens een voorstelling van maken;
2. Leren kaartlezen;
3. Leren wat het is om gegevens te verzamelen en die te analyseren;
4. Het verbinden van theorie en praktijk;
5. Leerlingen in de gelegenheid brengen zich te verwonderen en vragen te stellen over
de diversiteit in de wereld om hen heen.
Bij het opstellen van de leerdoelen is er rekening gehouden met deze vijf doelen en wordt er
onderscheid gemaakt in de verschillende leerdoelen. In de bovenstaande doelen zitten ook
verbanden.
Door deze doelstellingen zijn de volgende leerdoelen tot stand gekomen voor de
lessenreeks:
1. De leerling kan aan het eind van de lessenserie het ontstaan van het landschap in
midden Nederland uitleggen.
2. De leerling kan het ontstaan van het zandlandschap Sprengen uitleggen van het Krijt
tot nu.
3. De leerling kan de processen stuwwal, Saalien, Holoceen, sanders, kameterras,
stuifzandgebied, verstuiving, heide en schaapskooi uitleggen die zich afspelen binnen
het zandlandschap.
4. De leerling kan de processen meander, overwal, komgrond, buitendijks gebied,
binnendijks gebied, overloopgebied, uiterwaard en debiet uitleggen die zich afspelen
binnen het rivierkleilandschap.
5. De leerling analyseert tijdens de voorbereiding de techniek om een grondboring te
doen in het rivierkleilandschap.
6. De leerling kan in het rivierkleilandschap de geleerde techniek van een grondboring
toepassen en een boorprofiel maken van het rivierkleilandschap.
7. De leerling kan de verschillende landschapsvormen herkennen tijdens het
voorbereiden van het veldwerk doormiddel van foto’s.
8. De leerling kan de verschillende landschapsvormen herkennen tijdens het veldwerk
in het zandlandschap.
9. De leerling kan de verschillende landschapsvormen herkennen tijdens het veldwerk
in het rivierkleilandschap.
10. De leerling maakt foto’s van de verschillende landschapsvormen, processen en het
boring profiel en geeft dit weer op de poster van het veldwerk.
11. De leerling kan de verschillende landschapsvormen en processen uitleggen op de
presentatie.
12. De leerling kan de verschillende landschapsvormen en processen weergeven op de
poster van het veldwerk.
13. De leerling verzamelt verschillende vegetatie wat kenmerkend is voor het
zandlandschap en rivierkleilandschap en geeft dit weer op de poster van het
veldwerk.
14. De leerling maakt drie filmpjes met daarin de processen van het rivierkleilandschap,
zandlandschap en het doen van een grondboring.
15. De leerling kan aan het eind van de lessenreeks een poster vormgeven en invullen
met informatie.
De bovenstaande leerdoelen zorgen ervoor dat de leerlingen de theorie toetsen in de
praktijk. Ook wat er uitgelegd wordt door de docent zien zij daadwerkelijk terug in het veld.
Theorie wordt gekoppeld aan de praktijk. Daarnaast leren de leerlingen om een boring te
verrichten in het rivierkleilandschap en te kijken wat er te vinden is onder de grond. De
leerlingen voeren de boringen uit om meer ervaring te krijgen in het doen van een
grondboring en het handiger ermee worden.
Toetsing:
Aan het eind van deze lessenreeks zit er ook een toetsmoment. De toetsing vindt plaats in
de vorm van een poster over het veldwerk. De leerlingen maken een poster waarop de
informatie staat van de verschillende landschappen en processen. De informatie op de
poster moet gaan over het ontstaan van het zandlandschap in Midden-Nederland met de
daarbij horende processen. Als tweede hoe het zandlandschap bij de Sprengen is ontstaan.
Dit gaat van het Krijt tot nu. Als derde leggen zij de verschillende begrippen uit bij het
rivierkleilandschap (meanderen, debiet, binnendijks gebied, buitendijks gebied, uiterwaard,
komgrond, overloopgebied en stroomgebied). Als laatste punt geven de leerlingen
informatie over de rivierkleibodem die aanwezig is in het rivierkleilandschap.
De filmpjes die gemaakt worden tijdens de verschillende locaties van de excursie worden
ingeleverd op een usb-stick aan de docent.
Leerinhoud:
De lessenreeks is er op gericht om leerlingen te laten zien wat veldwerk is en hoe theorie en
praktijk liggen bij aardrijkskunde, maar ook de leerlingen te laten zien dat in hun eigen
omgeving hele mooie plekken en plaatsen zijn.
In de lessenreeks leren de leerlingen nieuwe vakinhoud, herhalen vakinhoud, maar ook
vakvaardigheden zoals het doen van een boring.
De leerlingen werken samen met elkaar aan deze lessenreeks. De vragen worden gesteld op
de manier dat er overlegd moet worden, maar vooral samengewerkt moet worden (Ebbens
& Ettekoven, 2009).
In de lessenreeks komt in de theorie veel informatie aanbod, maar ook in het landschap zelf.
Daarom werken de leerlingen samen in groepen van drie.
Uit onderzoek van Ebbens en Ettekoven komt ook naar voren dat bij samenwerkend leren
vier soorten leerdoelen zijn (2009, p. 134):
1. Het vergroten van de conventionele cognitieve leerwinst (onthouden en begrijpen
van concepten, feiten of regels en gebruik van standaard manieren van werken, zoals
toepassing van grammaticaregels of formules).
2. Het verbeteren van het conceptuele en hogere orde leren en denken.
3. Het realiseren van gelijkwaardigheid tussen leerlingen (gelijke deelname van
verschillende seksen, rassen, status, … binnen de groep).
4. Het realiseren van ineter-etnische or –raciale gelijkwaardigheid binnen de groepen
(positieve groepsrelaties tussen leden van de groep).
Door samenwerkend leren, leren de leerlingen om effectiever te leren. De docent zorgt voor
de kaders waarbinnen de leerlingen werken, de leerlingen zorgen zelf voor de invulling van
de samenwerking. Wel krijgen de leerlingen meer zelfvertrouwen en ook de sociale
vaardigheden worden geleerd. Zij moeten met elkaar communiceren. Door de
samenwerking en communicatie, leveren zij als eindproduct een poster in met daarop alle
informatie van de twee landschappen en het doen van een grondboring.
Tijdens de lessenreeks leren de leerlingen het volgende:
 Samen te werken in een groep van drie personen.
 Te overleggen, te delen van informatie en elkaar helpen met een poster te maken.
 Theorie van te voren eigen te maken en dit te controleren in het veld.
 Gegevens verzamelen in het veld.
 Het maken van een poster, met daarop alle belangrijke informatie.
 Presenteren van de informatie tijdens een filmpje in het landschap.
Rollen van de docent
Voor deze lessenreeks en excursie zijn er op verschillende momenten docenten nodig. Ten
tijde van de voorbereiding is de vakdocent genoeg.
Tijdens de dag van de excursie zijn meerdere docenten nodig. Het hangt van de hoeveelheid
leerlingen af hoeveel docenten er mee moeten ter begeleiding. Per 15 leerlingen is een
docent nodig. Het ligt aan de klassen hoeveel docenten er mee moeten tijdens de excursie.
Tijdens de excursie hebben de docenten een begeleidende rol en doen zij een stap terug wat
betreft het geven van informatie.
Volgens Bosschaart zijn er drie fasen noodzakelijk om leerlingen een zinvol leerproces te
laten doorlopen (2009). De drie fasen zijn voorbereiding, veldwerk en als laatst de
uitwerking. In de figuur hieronder zijn de stappen te zien en wat er moet gebeuren wanneer.
Fasen
Veldwerk in stappen
A
Voorbereidin
g
1 Inhoudelijke
voorbereiding
2 Kaartanalyse
3 Afspraken
4 Oriënteren
5 Waarnemen
6 Vastleggen
(karteren/turven/schrijven
)
7 Analyse (bewerken van
gegevens)
8 Interpretatie
9 Presentatie
10 Reflectie
B
Veldwerk
C
Uitwerking
Trajectmode Terreinmode
l
l fieldwork
fieldteaching
X
X
Objectmode
l
fieldresearc
h
X
(X)
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
x
X
X
X
(Bosschaart, 2009, p. 249)
In onderdeel A komen de praktische zaken aan bod en worden kaarten geïnterpreteerd. Het
interpreteren van de kaarten zorgt ervoor dat de omgeving duidelijk wordt en dat de
leerlingen er een beeld bij krijgen. Voor de excursie zelf wordt ook de theorie geleerd die
nodig is.
Ten tijde van de voorbereiding komen de praktische zaken aan bod zoals de theorie, de
locatie en de vaardigheden die nodig zijn om een boring te verrichten. Er zal veel overleg
plaatsvinden binnen de verschillende groepen. Hierbinnen wordt aandacht besteed aan
analyseren en reflectie.
In onderdeel B vindt de uitvoering van het veldwerk plaats. Alles wat nodig is bij het
uitvoeren van het veldwerk komt hier naar voren. De leerlingen passen de geleerde kennis
toe in de praktijk en zij controleren of wat in de theorie staat ook daadwerkelijk klopt.
Als laatste is er onderdeel C. Hier ligt de nadruk op uitwerken en analyseren van de
gegevens. De gegevens zijn terug te zien een poster over de verschillende landschappen.
Leermiddelen:
Bij deze lessenreeks wordt er gebruik gemaakt van de wikiwijs. Hierop staat alle informatie
die nodig is voor de voorbereiding van het veldwerk. De extra informatie wordt geleverd
door het boek Landschappelijk Nederland van H. Berendsen uit 2008.
Tijdens de voorbereiding wordt er gebruik gemaakt van de laptopkar met daarin laptoppen
voor de leerlingen. Voor de lessenreeks helpt het tekstboek voor extra informatie.
Tijdens de excursie moeten de leerlingen een boring doen in het rivierkleilandschap.
Daarnaast moeten zij verschillende facetten vastleggen tijdens het veldwerk. De foto’s
moeten verwerkt worden op de poster. De foto’s kunnen vastgelegd worden met behulp van
een camera, maar ook doormiddel van een telefoon. Het filmpje mag gemaakt worden met
de camera van een mobiele telefoon.
Benodigdheden voorbereidingslessen:
 Tekstboek BuiteNLand havo/vwo 2.
 Landschappelijk Nederland van H. Berendsen uit 2008.
 Laptopkar.
 Digitaal lesmateriaal via wikiwijs (open de onderstaande link voor de wikiwijs)
Tijdens de excursie:
 Twee Grondboren.
 Foto- en/of filmcamera.
 Poster voor de presentatie.
 Presentatietekst en aantekeningen.
Plaats en tijd:
Voor deze lessenreeks zijn zes lessen nodig. Drie voorbereidingslessen, een dagdeel voor het
veldwerk en een afrondende les. Alles vindt plaats in de omgeving van Heerde. In les een
worden de groepen gemaakt en beginnen de leerlingen met oriënteren. In les twee en drie
kunnen de leerlingen alle informatie opzoeken en verwerken. Ook kunnen zij overleggen
met de expertgroepen. De expertgroepen zijn verantwoordelijk voor een type landschap,
bijvoorbeeld het zandlandschap. De basisgroep is de groep waarmee zij alles samendoen. De
basisgroep levert de poster in. De verschillende informatie wordt geleverd door de experts
van de landschappen. In de vierde les zijn de leerlingen een dag op pad met het veldwerk.
Les vijf en zes zijn er om alles af te ronden en de poster te maken.
De route is in totaal 15 kilometer lang. Tussendoor wordt er gestopt bij ieder landschap en
een pauze plaats bij het Heerderstrand.
De route:
(Bron: Google earth)
Toetsing:
De toets die gegeven wordt bij het veldwerk is het inleveren van een A2 poster met daarop
alle facetten van de verschillende landschappen. Ook moet er een film ingeleverd worden
met daarop alle presentaties in het landschap. Het beoordelingsformulier voor de poster is
weergegeven op de bladzijde hieronder.
Beoordelingsformulier poster.
Omschrijving
Leerdoel
De informatie op de poster is
overzichtelijk ingedeeld en te lezen
De leerling kan aan het eind van de lessenserie het ontstaan van
het landschap in midden Nederland uitleggen.
Aantal
punten
20
De leerling kan het ontstaan van het zandlandschap Sprengen
uitleggen van het Krijt tot nu.
De verschillende facetten worden goed
en helder uitgelegd met behulp van
duidelijke tekst en foto’s. Minimaal drie
zelfgemaakte foto’s op de poster. (een
voor ieder landschap).
De leerling kan de verschillende landschapsvormen en processen
op de poster uitleggen. Dit voor zowel het zandlandschap als het
rivierkleilandschap.
De leerling kan de processen stuwwal, Saalien, Holoceen,
sanders, kameterras, stuifzandgebied, verstuiving, heide en
schaapskooi uitleggen die zich afspelen binnen het
zandlandschap.
20
De leerling kan de processen meander, overwal, komgrond,
buitendijks gebied, binnendijks gebied, overloopgebied,
uiterwaard en debiet uitleggen die zich afspelen binnen het
rivierkleilandschap
De leerling kan de verschillende landschapsvormen en processen
weergeven op de poster van het veldwerk
Bij de poster wordt a.d.h.v. een eigen
filmpje goed uitgelegd hoe een
grondboring plaatsvindt in het
rivierkleilandschap. Aangeleverd op een
usb-stick.
De leerling maakt foto’s van de verschillende landschapsvormen,
processen en het boring profiel en geeft dit weer op de poster
van het veldwerk.
De leerling analyseert tijdens de voorbereiding de techniek om
een grondboring te doen in het rivierkleilandschap .
20
De leerling kan in het rivierkleilandschap de geleerde techniek
van een grondboring toepassen en een boorprofiel maken van
het rivierkleilandschap.
De leerling maakt foto’s van de verschillende landschapsvormen,
processen en het boring profiel en geeft dit weer op de poster
van het veldwerk.
Op de poster wordt de verschillende
vegetatietypes weergeven.
Er is een eigen gemaakte film waarin alle
presentaties staan en waarin alle
processen uitgelegd worden.
De leerling maakt drie filmpjes met daarin de processen van het
rivierkleilandschap, zandlandschap en het doen van een
grondboring.
De leerling verzamelt verschillende vegetatie wat kenmerkend is
voor het zandlandschap en rivierkleilandschap en geeft dit weer
op de poster van het veldwerk.
De leerling kan de verschillende landschapsvormen herkennen
tijdens het voorbereiden van het veldwerk doormiddel van
foto’s.
10
20
De leerling maakt drie filmpjes met daarin de processen van het
rivierkleilandschap, zandlandschap en het doen van een
grondboring.
De poster is overzichtelijk, aantrekkelijk
en goed vormgegeven.
De leerling kan de verschillende landschapsvormen en processen
weergeven op de poster van het veldwerk.
De leerling kan aan het eind van de lessenreeks een poster
vormgeven en invullen met informatie.
Totaal aantal punten:
10
100
Behaalde
punten
Literatuurlijst
Wikiwijss:
Naturalis (2012). Rivierkleibodem, kenmerkende bodem van het riverkleilandschap.
Geraadpleegd op 2 december 2016 via
http://www.geologievannederland.nl/ondergrond/bodems/rivierkleibodemrivierkleilandschap
Literatuur:
Berendsen, H. J. A. (2008). Landschappelijk Nederland (4de dr.). Assen: Van Gorcum.
Berendsen, H. J. A. (2011) De vorming van het land (6de dr.). Assen: Van Gorcum.
Berg, G. van den, Bosschaart, A., Kolkman, R., Pauw, I., Schee, J. van der, & Vankan, L. (2009).
Handboek vakdidactiek aardrijkskunde (1ste dr.). Enschede: Ipskamp Drukkers B.V.
Download