B - Plantyn

advertisement
2 . Enkele toetsen tussendoor
Het is niet de bedoeling dat leerkrachten deze
toetsvoorbeelden letterlijk en integraal overnemen. Ze zijn
vooral bedoeld als inspiratiebron voor het opstellen van
inzichtsvragen bij de thema’s en hoofdstukken uit OWMC .
De vragen moeten eventueel aangepast worden aan de
betreffende leerlingenpopulatie en de concrete toetsdoelen.
Desgewenst kunnen de vragen ook aantrekkelijker gemaakt
worden voor de leerlingen door toevoeging van illustratief
materiaal.
Thematoetsen
Toets T1 : Aggregatietoestanden en scheidingstechnieken
1. Welke verandering van aggregatietoestand grijpt plaats in de volgende verschijnselen?
Teken telkens ook een structuurmodel van deze verandering.
A. het vervliegen van ether
D. het oplossen van mist
B. het bewasemen van een ruit
E. het geuren van specerijen
C. het bevriezen van een vijver
F. het smelten van suiker een koffie
2. Welke scheidingsmethode(n) komt/komen voor in de volgende verschijnselen?
A. het zuiveren van door benzine vervuild water
B. de bodem zorgt voor de zuivering van grondwater
C. het ontvlekken van kledingstukken
D. het verwijderen van zand uit zout
3. Antwoord bondig en schematisch.
A. Welk is het verband tussen decanteren en filtreren?
B. Hoe kan men het mengsel: water, zand, krijt en benzine scheiden?
C. Noem de verschillende scheidingsmethoden die plaatsgrijpen bij koffie zetten.
D. Bij het verwarmen zetten vaste stoffen (meestal) uit. Is dit een gevolg van de uitzetting
van moleculen? Leg uit.
E. De suiker bekomt men uit suikerwater door kristalliseren en/of destilleren. Welke
methode verkies je? Leg uit.
4. Tien verschijnselen of stoffensystemen (de nummers 1 tot en met10)
Welk van de gegevens (van A tot en met J) horen er telkens bij?
Door een juiste selectie is er telkens slechts een goed antwoord.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
residu
dooien
de geur van rotte eieren
decanteren
kristalliseren
"bereiden" van alcohol
wijn
thee zetten
oplossen
gedestilleerd water
A.
B.
C.
D.
E.
F.
G.
H.
I.
J.
aanlengen van wijn
bereiden van zout uit zeewater
component
extraheren
gas
afgieten van gekookte spaghetti
oplossing
smelten
destilleren
zuivere stof
5 . Noem 3 heterogene mengsels van twee stoffen die telkens op een verschillende wijze
gescheiden moeten/kunnen worden. Noem ook telkens de scheidingsmethode.
OPLOSSING TOETS T1
1.
A. verdampen B. condenseren C. stollen D. Verdampen E. Sublimeren F. Geen
C
E
A en D
B
2. A. decanteren.
Het bekomen water wordt door adsorberen (en filtreren) volledig ontgeurd.
B. adsorberen
C. extraheren
D. extraheren met water, filtreren gevolgd door kristalliseren of uitdampen
3. A. Beide scheidingsmethoden worden gebruikt voor heterogene mengsels.
B. filtreren (men bekomt zand), decanteren (men bekomt benzine), en tenslotte
destilleren waardoor het water en het zout gescheiden worden.
(indien men begint met decanteren zou de scheitrechter verstroppen)
C. extraheren, destilleren, en filtreren
D. De moleculen verwijderen zich meer van elkaar waardoor de stof uitzet.
De moleculen zelf zetten niet uit.
E. Kristalliseren is de gepaste methode om suiker te bekomen.
Door destilleren zou men ook het water bekomen en dat was niet de bedoeling.
4.
5.
1
C
2
H
3
E
4
F
5
B
6
I
7
G
8
D
9
A
10
J
Zand en water: filtreren.
Olie en water : decanteren.
Zand en zout : extraheren met water, filtreren gevolgd door kristalliseren of uitdampen.
(je moet voorbeelden van mengsels zoeken van:
- een vaste stof en een vaste stof
- een vaste stof en een vloeistof
- een vloeistof en een vloeistof)
Toets T2 :
Chemische elementen en hun symbolen ;reactievergelijkingen ; reactiesoorten
1. Noteer de naam voor Cu en Hg en het symbool voor calcium en aluminium.
2. Noteer 8 verschillende chemische symbolen en de bijbehorende naam te vormen met de
letters uit: 1.“fysische”
2. “boekenplank”
3. Vervolledig de volgende reactievergelijkingen door de juiste reactiecoëfficiënten te
plaatsen. (het cijfer “1” ook vermelden)
1 ... P2O5
+ ... Al
... P
+ ... Al2O3
2 ... HNO3
+ ... Cu
... Cu2O
+ ... N2O3 ↑ + ... H2O
3 ... Al2O3
... Al
+ ... O2↑
4 ... H3PO4
+ ... CaCl2
... Ca3(PO4)2 + ... HCl
5 ... (NH4)2Cr2O7
... Cr2O3
+ ... N2↑
+ ... H2O↑
4. Gegeven de volgende reactievergelijking:
8 HNO3
+ 3 Cu
3 Cu(NO3)2 + 2 NO↑
+
1. Wat geeft het cijfer “3” aan bij de reactieproducten (in beide gevallen) ?
2. Noteer het totale aantal:
1. moleculen bij de reagentia en ook bij de reactieproducten.
2. zuurstof- en stikstofatomen in de reactieproducten.
3. atomen in één deeltje van de samengestelde stof bij de reagentia.
4. soorten atomen.
5. soorten moleculen bij de reactieproducten.
4 H2 O
5. Geef met cijfers aan welke van de volgende “karakteristieken” toepasselijk zijn op de
volgende verschijnselen (telkens zijn er meerdere mogelijk/nodig):
A. analyse
B. synthese
C. uitwisselingsreactie
D. chemisch
E. fysisch
F. endotherm
G. exotherm
1. elektrolyse van water
5. fotosynthese
2. verbranden van een enkelvoudige stof
6. roesten
3. rotten van bladeren
7. CuO + Zn
Cu + ZnO + energie
4. verdampen van water
6. Plaats de juiste letters bij de cijfers.
Er zijn soms meerdere juiste antwoorden, maar je mag elke letter slechts eenmaal gebruiken.
1. zoutwater scheiden
2. zuivere samengestelde stof
3. suikerwater
4. water analyseren
5. molecuulmodel
6. Dalton-atoommodel
7. P4
8. H2O
9. S
10. 4 Al + 3 O2↑
2 Al2O3
A. reactievergelijking
B. brutoformule
C. endotherm fysisch verschijnsel
D. endotherm chemisch verschijnsel
E. enkelvoudige stof
F. symbool van een element
G.verklaart fysische en chemisch verschijnselen
H.verklaart alleen fysische verschijnselen
I. bevat 1 molecuulsoort maar meerdere atoom soorten
J. bestaat uit meerdere soorten moleculen
OPLOSSING TOETS T 2
1.
koper, kwik, Ca, Al
2.
1. F, S, I, C, H, He, Si, Fe
2. O, K, N, P, Na, Ne, Pb, Ba
3.1.
3, 10, 6, 5
3.2.
2, 4, 2, 1, 1
3.3.
2, 4, 3
3.4.
2, 3, 1, 6
3.5.
1, 1, 1, 4
4.1 3 Cu(NO3)2 d.w.z. 3 moleculen Cu(NO3)2 met 3 zuurstofatomen per NO3-groep
4.2. 1: 11/9; 2: 24/8; 3: 5; 4: 4; 5: 3.
5.
6.
respectievelijk.: A,D,F/ B,D,G/ A of C,D,G/ E,F/ B,D,F/ B,D,G/ C,D,G
respectievelijk.: C, I, J, D, H, G, E, B, F, A
T OETS T3
Atoombouw ; metalen, niet-metalen ,edelgassen,
periodiek systeem van de elementen; elektronegativiteit, ionen
Voor deze test mag je geen P.S.E. gebruiken!!!
(De tussen haakjes gegeven cijfers zijn de atoomnummers).
1. Meerkeuzevragen.
Wijs het juiste antwoord aan en motiveer je keuze.
Welk van de volgende deeltjes :
1. is chemisch het meest verwant met het element met het atoomnummer 4?
A. (2)
B. (5)
C. (10)
D. (12)
E. (18)
2. is (bijna) chemisch inert en niet reactief?
A. (11)
B. (12)
C. (17)
D. (18 )
E. (19)
3. heeft het grootste aantal elektronen?
A. Al3+ (13) B. Si4+ (14) C. P (15)
D. S2- (16)
E. Cl (17)
4. heeft het grootste aantal protonen?
A. O2- (8)
B. Ne (10)
C. Na (11)
D. Al3+ (13)
E. Si (14)
5. heeft de grootste neiging om elektronen los te laten?
A. Li (3)
B. Na1+ (11) C. S2- (16)
D. Cl1- (17)
E. Ar (18)
6. zal, om de edelgasstructuur te bereiken, het grootst aantal elektronen afstaan?
A. Al (13)
B. Na1+ (11) C. Cl (17)
D. Ar (18)
E. Cl1- (17)
7.heeft niet hetzelfde aantal elektronen als het magnesiumion, nl. Mg2+ (12)?
A. O2- (8)
B. Ne (10)
C. Na (11)
D. Al3+ (13)
E. Si4+ (14)
8.heeft de grootste EN-waarde?
A. Li (3)
B. Ne (10)
C. S (16)
D. Ar (18)
E. K (19)
9. heeft het meest uitgesproken metaalkarakter?
A. O (8)
B. Ne (10)
C. H (1)
D. Na (11)
E. Cl (17)
10. heeft een neiging om zich te binden aan magnesium (12)?
A. Li (3)
B. F (9)
C. Na (11)
D. Al (13)
E. Ar (18)
2. Welke van de volgende karakteristieken (van A tot J) zijn toepasbaar zijn op ALLE
deeltjes (uit de reeks 1 tot 10)?
Noteer de antwoorden in de onderstaande tabel.
Let op: één of meerdere karakteristieken kunnen juist zijn!
KARAKTERISTIEKEN
A. zijn ontstaan door elektronenopname
B. hebben de neiging om elektronen af te geven
C. hebben een relatief grote EN-waarde
D. zijn geladen, hebben 8 elektronen op de laatste schil
E. binden zich met elementen met een kleine EN-waarde
F. hebben hetzelfde aantal “buiten” elektronen
G. hebben eenzelfde aantal banen met elektronen bezet
H. hebben 2 elektronen, zijn stabiel en neutraal
I. hebben 1, 2, 3, of 4 elektronen op de laatste schil
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
ALLE DEELTJES VAN
de metalen
de niet metalen
ionen (Z > 6)*
positieve ionen (Z > 6)*
negatieve ionen (Z > 6)*
de edelgassen (Z > 6)
een groep
een periode
elektropositieve elementen
J. zijn geladen, hebben evenveel elektronen als Ne(10)
*: met een edelgasstructuur
1.
2.
3.
4.
5.
6.
10. F1-(9), Na1+(11) en Al3+(13)
7.
8.
9.
10.
3. Vul op de stippellijnen één gepast woord of cijfer in.
1. Mg (Z=12) is chemisch verwant met het element met Z= ----, want ook de atomen van dit
element willen ---------- elektronen ----------. Hierdoor ontstaat een ---------- -waardig
---------- ion.
2. Door wrijving worden ----------* overgedragen van de ene naar de andere stof.
( *: iets anders als “ladingen of geladen deeltjes “ invullen a.j.b.)
3. Uit het experiment van ---------- bleek dat atomen een kern hebben.
4. Helium (Z=2) komt in het P.S.E. voor in groep ----------.
5. Links in de derde periode treft men ---------- aan, rechts staan --------- - elementen.
4. Vervolledig de volgende tabel.
Nr.
1.
2.
3.
4.
5.
Atoomnummer
Aantal elektronen
Aantal protonen
Aantal elektronen van de laatste schil
Nummer van de periode
Deeltjes
Al
Mg2+ Cl112
18
3
3
OPLOSSING TOETS T3
1.
1. D (ook 2 e- op de laatste schil)
6. A: nl. 3 (ADE hebben 8 valentie-e-, C neemt e- op)
2. D: edelgas, configuratie 2 8 8
7. C: nl. 11 (de anderen hebben 10 e - )
3. D: 18 (A: 10; B: 10; C: 15; E: 17) 8. C: niet metaal (de andere zijn metaal of edelgas)
4. E: 14 (A: 8; B: 10; C: 11; D: 13) 9. D: staat het meest links beneden (dus niet C)
5. A: Li wil 1 e- afgeven
10. B: het enige niet metaal (Al is een metaal)
2
1: BI;
3.
1: 4 of 20 / 2 / afstaan / tweewaardig / positief;
3: Rutherford;
4: nul;
4.
tabel: 13 12 17;
2: CE;
3,4 en 5: DF;
6: F;
13 10 18;
7: FEBC;
8: G;
9: BI;
10: DFGJ.
2: elektronen;
5: metalen / elektropositieve.
3
8 8;
3
3 3.
TOETS T4 : Chemische bindingen; edelgastructuur; brutoformules,
elektronenformules
Voor deze test mag je een P.S.E. gebruiken!!!
1 Beschouw de vorming van de verbinding AB uit de atomen A en B:
Het bindingstype wordt bepaald door het verschil in ...(1) tussen de bindingspartners.
Een ionbinding ontstaat als ...(2) van het elektropositieve element elektronen ...(3).
Hierdoor ontstaan ...(4:cijfer/woord/on-) geladen ...(5).
Deze laatste deeltjes vormen (een) binding(en) met ...(6) ... (7).
Atomen van een element uit de 6de groep in het P.S.E. kunnen ... (8) (normale)
atoombindingen vormen. Hierbij worden er elektronen ... (9).
2 Stel in een vergelijking voor hoe de volgende elementen de edelgasstructuur bereiken.
(soms is het best mogelijk dat er slechts aan één zijde van de vergelijking wat ingevuld dient te worden)
2.1 Mg
2.2 F
2.3 Al
2.4 O
2.5 Li
+ ...........
+ ...........
+ ...........
+ ...........
+ ...........
...................................................................
...................................................................
...................................................................
...................................................................
...................................................................
3 Noteer, met de gevormde “stoffen” uit vraag 2., vier brutoformules maar ze moeten steeds
een index > 1 bevatten. Noteer eveneens de bijbehorende elektronenformules.
4 Noteer de brutoformule en de bijbehorende elektronenformule van een verbinding tussen:
4.1. chloor en calcium
4.2. chloor en koolstof
5 Plaats indices na bepaalde van de volgende chemische symbolen zodat juiste brutoformules
gevormd worden.
5.1. Ba Br
5.2. Al O
5.3. Si S
5.4. Fe*F
5.5. P H
(*: een ijzeratoom heeft twee valentie-elektronen)
6 Noteer uit de vragen 3. tot 5. de brutoformules van alle:
6.1. ionverbindingen
6.2. atoomverbindingen
Bewijs telkens de keuze van het bindingstype a.h.v. de elektronegativiteit van de bindingspartners.
OPLOSSING TOETS T4
1.
1. verschil in EN-waarde (of elektronegativiteit) 2. atomen
5. ionen
6. negatieve
7. (niet metaal-) ionen
9. gemeenschappelijk gebruikt
2.
1. Mg
2. F + 1 e3. Al
3.
1: brutoformules:
MgF2
AlF3
Al2O3
Li2O
2: elektronenformules: Mg2+ F1-2
Al3+ F1-3
Al3+2 O2-3
Li1+2 O2- aangevuld met*
vier vrije elektronenparen rond de fluor- en zuurstofionen.
4.
1: brutoformules:
CaCl2
CCl4
2: elektronenformules: Ca2+ Cl1-2*
Cl
Mg2+ + 2 eF1Al 3+ + 3 e-
3. afgeven
8. twee
4. O + 2 e5. Li
4. positief
O2Li1+ + 1 e-
Cl
C
Cl
Cl
5.
BaBr2
Na2O
SiS2
6.
1: ionverbindingen:
MgF2
2: ∆ EN-waarde : 4,0-1,2
3: atoomverbindingen: CCl4
4: ∆ EN-waarde : 3,0-2,5
FeF2
AlF3
4,0-1,5
SiS2
2,5-1,8
Al2O3
3,5-1,5
PH3
2,1-2,1
PH3
Li2O
3,5-1,0
CaCl2
3,0-1,0
Na2O
3,5-0,9
FeF2
4,0-1,8
Hoofdstuktoetsen
Toets H1 OWMC Hoofdstuk 1
1. Antwoord met juist of fout (J/F)
Koken is verdampen.
Tussen de deeltjes van een vaste stof zijn er geen vrije ruimten meer.
Bij het smelten neemt de cohesiekracht(aantrekkingskracht tussen de deeltjes) toe.
Een geldstuk van een EURO is een zuivere stof.
Oplossen is smelten.
Verdampen is koken.
Zwaar, lang, groot zijn wezenlijke stofeigenschappen.
Suikerwater is een mengsel van water en suiker.
Een verzameling van korreltjes kristalsuiker is geen mengsel.
Een stof is een zuivere stof als ze kookt op één welbepaalde temperatuur
(bij een welbepaalde druk)
2. Noteer met de gepaste letter welke verandering van aggregatietoestand zich voordoet
bij onderstaande verschijnselen.
A smelten; B stollen; C verdampen; D condenseren; E desublimeren;
F sublimeren; G geen verandering van aggregatietoestand.
2.1. ‘Oplossen’ van mist.
2.2. Opdrogen van regen.
2.3. Bewasemen van bv een brilglas.
2.4. ‘Smelten’ van suiker in koffie.
2.5. Vervliegen van mottenbollen.
2.6. Geuren van fruit.
2.7. Vorming van sneeuw in de lucht.
2.8. Opdrogen van inkt.
2.9. Stollen van bloed.
2.10. Vorming van hagel.
Oplossingen toets H1 OWMC hoofdstuk 1
1.Antwoord met juist of fout (J/F)
J
F
F
F
F
F
F
J
J
J
Koken is verdampen.
Tussen de deeltjes van een vaste stof zijn er geen vrije ruimten meer.
Bij het smelten neemt de cohesiekracht(aantrekkingskracht tussen de deeltjes) toe.
Een geldstuk van een EURO is een zuivere stof.
Oplossen is smelten.
Verdampen is koken.
Zwaar, lang, groot zijn wezenlijke stofeigenschappen.
Suikerwater is een mengsel van water en suiker.
Een verzameling van korreltjes kristalsuiker is geen mengsel.
Een stof is een zuivere stof als ze kookt op één welbepaalde
temperatuur (bij een welbepaalde druk)
2. Noteer met de gepaste letter welke verandering van aggregatietoestand zich voordoet
bij onderstaande verschijnselen.
A smelten; B stollen; C verdampen; D condenseren; E desublimeren;
F sublimeren; G geen verandering van aggregatietoestand.
2.1. C
2.2. D
2.3. D
2.4. G
2.5. C
2.6. F
2.7. B
2.8. C
2.9. G
2.10. B
‘Oplossen’ van mist.
Opdrogen van regen.
Bewasemen van bv een brilglas.
‘Smelten’ van suiker in koffie.
Vervliegen van mottenbollen.
Geuren van fruit.
Vorming van sneeuw in de lucht.
Opdrogen van inkt.
Stollen van bloed.
Vorming van hagel.
Toets H2 OWMC hoofdstuk 2
1. Geef met een letter aan welk soort sof of stoffensysteem er gegeven is. Kies deze
letter uit onderstaande lijst.
A zuivere stof
B homogeen mengsel
C heterogeen mengsel
D homogeen mengsel van een vaste stof en een vloeistof
E homogeen mengsel van vloeistoffen
F heterogeen mengsel van een vaste stof en een vloeistof
G heterogeen mengsel van vloeistoffen
H colloïdaal mengsel
I heterogeen mengsel vaste stof en een gas
1.1 Legering
1.2.Water
1.3.Waterstofgas
1.4 Melk
1.5 Koffie
1.6. Zand en water
1.7. Lucht
1.8. Jenever
1.9. ‘Zilverpapier’
1.10. Azijn (10 %)
2. Geef aan welk van de volgende mengselsoorten (a tot j) toepasbaar is
Op volgende voorbeelden van mengsels (noteer de passende letter)
a. legering b. gasmengsel c. oplossing. d. colloïdaal mengsel
e. grof mengsel f. rook g. suspensie h. emulsie i. nevel
j. geen van vorige gevallen.
2.1. soldeersel :
2.5. marmer:
2.8. schuim:
2.2. benzine: 2.3. aardgas: 2.4. mist:
2.6. schoorsteenrook: 2.7. vers geperst fruitsap:
2.9. mayonaise:
2.10. lucht
Oplossingen toets H2 OWMC hoofdstuk 2
1. Geef met een letter aan welk soort sof of stoffensysteem er gegeven is.
Kies deze letter uit onderstaande lijst :
A zuivere stof
B homogeen mengsel
C heterogeen mengsel
D homogeen mengsel van een vaste stof en een vloeistof
E homogeen mengsel van vloeistoffen
F heterogeen mengsel van een vaste stof en een vloeistof
G heterogeen mengsel van vloeistoffen
H colloïdaal mengsel
I heterogeen mengsel vaste stof en een gas
1.1.
1.2.
1.3.
1.4.
1.5
B
A
A
I
F
Legering
Water
Waterstofgas
Melk
Koffie
1.6. F Zand en water
1.7. B Lucht
1.8. E Jenever
1.9. A ‘Zilverpapier’
1.10. E Azijn (10 %)
2. Geef aan welk van de volgende mengselsoorten (a tot j) toepasbaar is
Op volgende voorbeelden van mengsels (noteer de passende letter)
b. legering b. gasmengsel c. oplossing. d. colloïdaal mengsel
e. grof mengsel f. rook g. suspensie h. emulsie i. nevel
j. geen van vorige gevallen.
2.1. A soldeersel :
2.5. E marmer:
2.8. I schuim:
2.2. C benzine: 2.3. B aardgas: 2.4. I mist:
2.6. F schoorsteenrook: 2.7. G vers geperst fruitsap:
2.9. D mayonaise:
2.10. B lucht
Toets H3 OWMC Hoofdstuk 3
1. Antwoord met juist of fout (J/F)
Bij het scheiden van mengsels verdwijnen er stoffen.
Koken is destilleren.
Een mengsel van water en olie kan men scheiden door filtratie.
Decanteren is een scheidingsmethode voor homogene mengsels.
Een zuivere stof is een stof die niet meer kan gescheiden worden.
Mist is een zuivere stof.
Suiker smelt in koffie.
Bij het scheiden van mengsels ontstaan nieuwe moleculen.
Tafelolie kan worden verkregen uit zonnebloempitten.
Gedeeltelijk oplossen is een andere naam voor extraheren..
2. Geef met een letter aan welk van de onderstaande scheidingsmethode kan
gebruikt worden voor de gegeven mengsels.
A destilleren:
B filtreren: C decanteren: D adsorberen:
E decanteren, destilleren: F. filtreren, destilleren:
G extraheren, filtreren, kristalliseren : H uitdampen: I geen van vorige.
2.1. Water en alcohol
2.2. Water, suiker en zand.
2.3. Olie, benzine, ether(homogeen mengsel)
2.4. Roet en suiker.
2.5. Suikerwater.
2.6. Azijn(8% oplossing)
2.7. Wijn.
2.8. Water, zout, benzine en alcohol.
2.9. Een heterogeen mengsel van twee vaste stoffen.
2.10. Een oplossing van een vaste stof en twee vloeistoffen.
3.
Denk na over de volgende verschijnselen of stoffensystemen
(de nummers 1 tot en met 10)
Welk van de gegevens (van A tot en met J) horen er telkens bij?
Door een juiste selectie is er telkens maar één goed antwoord.
1
residu
A aanlengen van wijn
2
dooien
B bereiden van zout uit zeewater
3
de geur van rotte eieren
C component
4
decanteren
D extraheren
5
kristalliseren
E gas
6
“bereiden” van alcohol
F afgieten van gekookte spaghetti
7
wijn
G oplossing
8
thee zetten
H smelten
9
oplossen
I destilleren
10 gedestilleerd water
J zuivere stof
Oplossingen toets H3 OWMC hoofdstuk 3
1. Antwoord met juist of fout (J/F)
F Bij het scheiden van mengsels verdwijnen er stoffen.
F Koken is destilleren.
F Een mengsel van water en olie kan men scheiden door filtratie.
F Decanteren is een scheidingsmethode voor homogene mengsels.
J Een zuivere stof is een stof die niet meer kan gescheiden worden.
F Mist is een zuivere stof.
F Suiker smelt in koffie.
F Bij het scheiden van mengsels ontstaan nieuwe moleculen.
J Tafelolie kan worden verkregen uit zonnebloempitten.
J Gedeeltelijk oplossen is een andere naam voor extraheren..
2. Geef met een letter aan welk van de onderstaande scheidingsmethode kan
gebruikt worden voor de gegeven mengsels.
A destilleren:
B filtreren: C decanteren: D adsorberen:
E decanteren, destilleren: F. filtreren, destilleren:
G extraheren, filtreren, kristalliseren : H uitdampen: I geen van vorige.
2.1. A Water en alcohol
2.2. F Water, suiker en zand.
2.3. A Olie, benzine, ether(homogeen mengsel)
2.4. G Roet en suiker.
2.5. A Suikerwater.
2.6. A Azijn(8% oplossing)
2.7. A Wijn.
2.8. E Water, zout, benzine en alcohol.
2.9. G Een heterogeen mengsel van twee vaste stoffen.
2.10. A Een oplossing van een vaste stof en twee vloeistoffen.
3. Denk na over de volgende verschijnselen of stoffensystemen (de nummers 1 tot en met 10).
Welk van de gegevens (van A tot en met J) horen er telkens bij?
Door een juiste selectie is er telkens maar één goed antwoord.
1
residu
A aanlengen van wijn
2
dooien
B bereiden van zout uit zeewater
3
de geur van rotte eieren
C component
4
decanteren
D extraheren
5
kristalliseren
E gas
6
“bereiden” van alcohol
F afgieten van gekookte spaghetti
7
wijn
G oplossing
8
thee zetten
H smelten
9
oplossen
I destilleren
10 gedestilleerd water
1
C
2
H
3
E
4 5
F B
6
I
J zuivere stof
7 8 9 10
G D A J
Toets H4 OWMC Hoofdstuk 4
1. Antwoord met juist of fout (J/F)
Bij het scheiden van een mengsel worden moleculen ontbonden.
Een molecule is het kleinste deeltje van een stof dat alle chemische
eigenschappen van die stof bezit.
Water is een verbinding van atomen van twee verschillende elementen.
Bij een synthese ontstaan er atomen.
Moleculen hebben een bolvorm.
Bij enkelvoudige stoffen komen geen moleculen voor.
De bolvorm van een atoom is een modelvoorstelling.
Tijdens het uitzetten van vaste stoffen (o.i.v. een temperatuursverhoging) zetten
moleculen uit.
In een gasfase komen geen moleculen meer voor.
Met het atoommodel van Dalton kan men een chemische reactie beter begrijpen.
2. Gegeven zijn volgende interactiemogelijkheden:
A
B
C
D
E
F
verandering van aggregatietoestand
een chemisch verschijnsel
vorming van een heterogeen of homogeen mengsel.
vorming van een homogeen mengsel.
alleen een temperatuursverandering .
geen van de vorige mogelijkheden.
4.1.
4.2.
4.3.
4.4.
4.5.
4.6.
4.7.
4.8.
4.9.
4.10.
Rotten van bladeren.
Koken van een ei.
Rode verf + gele verf + blauwe verf.
Groeien.
Branden van een kachel.
Bereiden van een koude schotel.
Je handen verwarmen aan een kachel.
Geuren van een stuk toiletzeep.
Koken van spaghetti.
Schrijven met een potlood.
3. Welk van de onderstaande beweringen over een glucosemolecule(C6H12O6)
zijn correct?
Een glucosemolecule:
3.1. bevat watermoleculen;
3.2. bevat C-, H- en O-moleculen;
3.3. bevat koolstofatomen;
3.4. bevat bindingen;
3.5. bevat atomen van drie verschillende elementen;
3.6. kan ontleed worden;
3.7. bezit alle eigenschappen van glucose;
3.8. is opgebouwd uit andere moleculen;
3.9. is een mengsel van koolstofatomen en watermoleculen;
3.10. is bolvormig.
4. Wat hoort waar thuis?
Plaats de juiste letters bij de cijfers. Er zijn soms meerdere juiste
antwoorden mogelijk, maar je mag elke letter slechts éénmaal gebruiken.
1
aanbranden van de aardappelpuree
A mengsel
2
het ontleden van water
B enkelvoudige stof
3
verschijnsel waarbij moleculen niet
behouden blijven
C brutoformule van een
samengestelde stof
4
de bereiding van benzine uit petroleum D electrolyse
5
een index
6
“bestaat” uit één soort moleculen
7
“bestaat” uit één soort atomen
8
suikerwater
9
H2SO4
10
O3
E geeft het aantal atomen in
één molecule
F chemische reactie
G analyse
H brutoformule van een
enkelvoudige stof
I destillatie
H zuivere stof
Oplossingen toets H4 OWMC hoofdstuk 4
1.
Antwoord met juist of fout (J/F)
F Bij het scheiden van een mengsel worden moleculen ontbonden.
F Een molecule is het kleinste deeltje van een stof dat alle chemische
eigenschappen van die stof bezit.
J Water is een verbinding van atomen van twee verschillende elementen.
F Bij een synthese ontstaan er atomen.
J Moleculen hebben een bolvorm.
F Bij enkelvoudige stoffen komen geen moleculen voor.
J De bolvorm van een atoom is een modelvoorstelling.
F Tijdens het uitzetten van vaste stoffen (o.i.v. een temperatuursverhoging) zetten
moleculen uit.
F In een gasfase komen geen moleculen meer voor.
J Met het atoommodel van Dalton kan men een chemische reactie beter
begrijpen.
2. Gegeven zijn volgende interactiemogelijkheden:
A
B
C
D
E
F
verandering van aggregatietoestand
een chemisch verschijnsel
vorming van een heterogeen of homogeen mengsel.
vorming van een homogeen mengsel.
alleen een temperatuursverandering .
geen van de vorige mogelijkheden.
4.11.
4.12.
4.13.
4.14.
4.15.
4.16.
4.17.
4.18.
4.19.
4.20.
B Rotten van bladeren.
B Koken van een ei.
B Rode verf + gele verf + blauwe verf.
B Groeien.
B Branden van een kachel.
C Bereiden van een koude schotel.
E Je handen verwarmen aan een kachel.
A Geuren van een stuk toiletzeep.
B Koken van spaghetti.
C Schrijven met een potlood.
3. .
Welk van de onderstaande beweringen over een glucosemolecule(C6H12O6)
zijn correct?
Een glucosemolecule:
3.1. F bevat watermoleculen;
3.2. F bevat C-, H- en O-moleculen;
3.3. J bevat koolstofatomen;
3.4. J bevat bindingen;
3.5. J bevat atomen van drie verschillende elementen;
3.6. J kan ontleed worden;
3.7. F bezit alle eigenschappen van glucose;
3.8. F is opgebouwd uit andere moleculen;
3.9. J is een mengsel van koolstofatomen en watermoleculen;
3.10.F is bolvormig.
4. Wat hoort waar thuis?
Plaats de juiste letters bij de cijfers. Er zijn soms meerdere juiste antwoorden mogelijk,
maar je mag elke letter slechts éénmaal gebruiken.
11
aanbranden van de aardappelpuree
A mengsel
12
het ontleden van water
B enkelvoudige stof
13
verschijnsel waarbij moleculen niet
behouden blijven
C brutoformule van een
samengestelde stof
14
de bereiding van benzine uit petroleum D electrolyse
15
een index
16
E geeft het aantal atomen in
één molecule
“bestaat” uit één soort moleculen
F chemische reactie
17
“bestaat” uit één soort atomen
18
suikerwater
G analyse
H brutoformule van een
enkelvoudige stof
19
H2SO4
I destillatie
20
O3
H zuivere stof
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
G
D
F
I
E
J
B
A
C
H
Toets H5 OWMC Hoofdstuk 5
1. Antwoord met juist of fout (J/F)
Destilleren is een endotherm fysisch verschijnsel.
Een index geeft het aantal moleculen van eens tof aan in een
reactievergelijking.
In de voorstelling 2 AlCl3 is 2 een coëfficiënt.
Het reagens van een thermolyse is steeds een samengestelde stof.
Uit de wet van Proust volgt dat b.v. water een constante samenstelling heeft.
Bij een chemische reactie hebben de reactieproducten dezelfde samenstelling als de
reagentia.
De wet van Lavoisier kan verklaard worden door het behoud van de atomen tijdens een
chemische reactie.
H2O is een modelvoorstelling van een waterdeeltje.
Atomen combineren onderling in welbepaalde aantalverhoudingen tot moleculen.
Er bestaan geen brutoformules voor mengsels.
2. Duid met de juiste letters aan welk van de volgende begrippen (A-F)
past
bij de volgende verschijnselen.
A chemisch;
D exotherm
B fysisch
E synthese
C endotherm
F ontledingsreactie
2.1. De ontbinding van een watermolecule.
2.2. Droogdampen van zoutwater.
2.3. Sublimeren.
2.4. 2 SO3 ----------- 2 S + 3 O2
2.5.
2.6. Mengsel van N2 en H2 -------- NH3-moleculen.
2.7. Groeien.
2.8. Oplossen onder energietoevoer.
2.9. Molecule -------- atomen.
2.10. Vorming van H2S uit waterstof- en zuurstofatomen.
3. Vul in onderstaande tekst de ontbrekende woorden in. Kies deze
woorden
Uit de volgende lijst.
samengestelde stof(fen)
enkelvoudige stof(fen)
molecule(n)
atoom/atomen
synthese
ontledingsreactie
binding(en)
water
waterstof
zuurstof
‘Wanneer een chemische reatie plaatsheeft tussen enkelvoudige
stoffen,dan ontstaat er een………………..(1). Op deze wijze worden er
andere ………………(2) gevormd. Deze reactie is een voorbeeld van
een…………….(3). Water-…………..(4) b.v. kunnen gevormd
wworden uit ……………….(5) atomen en ………………(6) atomen.
Hierbij blijven de ……………..(7)behouden. Dit alles kan men
verklaren met het ………………….(8)-model’.
4. Vervolledig de volgende reactievergelijkingen door de juiste
reactiecoëfficiënten te plaatsen .(het cijfer “1” ook vermelden).
1
P2O5
+
Al
→
2
HNO3
+
Cu
→
Cu2O + N2O3 + H2O
3
Al2O3
→
Al
4
H3PO4
5
(NH4)2Cr2O7
+
CaCl2
P
+ Al2O3
+ O2
→
Ca3(PO4)2
→
Cr2O3 + N2 + H2O
+
HCl
5. Geef met de overeenkomstdige letter aan welk verschijnsel of stoffenSysteem uit onderstaande reeks hiermee overeenstemt.
A ontledingsreactie;
B synthese ;
C mengen;
D scheiden;
E samengestelde stof; F mengsel;
G enkelvoudige stof; H geen van vorige.
5.1. Een stof die niet ontleed kan worden.
5.2 .CaCO3
→
CaO + CO2
5.3. Het roesten van ijzer.
5.4. Natrium + zwavel →een zuivere stof
5.5. Atoom A + atoom B → 1 molecule
5.6. Kleurstof + oplosmiddel
5.7. Bier → water + alcohol + vaste stiffen
5.8. Papier → C + H2O + CO2
5.9. Een stoffensysteem dan niet gescheiden, maar wel ontleed kan
worden.
5.10. Likeur.
6.
Gegeven is : 4 Cu + O2
→ 2 Cu2O
De massaverhouding in Cu2O : massa Cu
8
------------ = --massa O
1
Vul in onderstaande tabel de juiste getallen in bij de letters (a) tot (j)
Aantal CuAtomen
massaCu/g
aantal Oatomen
(a)
massa O2/g aantal Cu2O- massa
moleculen
Cu2O/g
10
(b)
VV 20
20
(c)
VV (d)
20
10
8
(e)
(f)
VV
16
16
(g)
VV
(h )
16
18
(i)
(j)
144
Oplossingen toets H5 OWMC hoofdstuk 5
1.
Antwoord met juist of fout (J/F)
J Destilleren is een endotherm fysisch verschijnsel.
F Een index geeft het aantal moleculen van eens tof aan in een
reactievergelijking.
J In de voorstelling 2 AlCl3 is 2 een coëfficiënt.
J Het reagens van een thermolyse is steeds een samengestelde stof.
J Uit de wet van Proust volgt dat b.v. water een constante samenstelling heeft.
F Bij een chemische reactie hebben de reactieproducten dezelfde
samenstelling als de reagentia.
J De wet van Lavoisier kan verklaard worden door het behoud van de atomen
tijdens een chemische reactie.
J H2O is een modelvoorstelling van een waterdeeltje.
J Atomen combineren onderling in welbepaalde aantalverhoudingen tot
moleculen.
J Er bestaan geen brutoformules voor mengsels.
2. Duid met de juiste letters aan welk van de volgende begrippen (A-F) past
bij de volgende verschijnselen.
A chemisch;
D exotherm
B fysisch
E synthese
C endotherm
F ontledingsreactie
2.1. A C F De ontbinding van een watermolecule.
2.2. B C Droogdampen van zoutwater.
2.3. B C Sublimeren.
2.4. A C F 2 SO3 ----------→- 2 S + 3 O2
2.5. B D TEKENING VORMING VAN HAGEL
2.6. A D E Mengsel van N2 en H2 --------→ NH3-moleculen.
2.7. A C E Groeien.
2.8.A C F Oplossen onder energietoevoer.
2.9.A C F Molecule --------→ atomen.
2.10. A D E Vorming van H2S uit waterstof- en zuurstofatomen.
2.
Vul in onderstaande tekst de ontbrekende woorden in. Kies deze woorden
Uit de volgende lijst.
Samengestelde stof(fen)
enkelvoudige stof(fen)
molecule(n)
atoom/atomen
synthese
ontledingsreactie
binding(en)
water
waterstof
zuurstof
‘Wanneer een chemische reactie plaatsheeft tussen enkelvoudige stoffen,dan ontstaat
er een samengestelde stof ..(1). Op deze wijze worden er andere moleculen(2)
gevormd. Deze reactie is een voorbeeld van een synthese…(3). Water-moleculen.(4)
b.v. kunnen gevormd worden uit waterstof.(5) atomen en zuurstof…(6) atomen.
Hierbij blijven de …atomen…..(7)behouden. Dit alles kan men verklaren met het
…atoom.(8)-model’.
4. Vervolledig de volgende reactievergelijkingen door de juiste reactiecoëfficiënten te plaatsen .(het cijfer “1” ook vermelden).
1
3 P2O5
+ 10 Al
2
2 HNO3
+ 4
3
2Al2O3
4
2H3PO4
5
1 (NH4)2Cr2O7
+
3
→ 6
Cu
CaCl2
→
P
+ 5 Al2O3
2 Cu2O + 1 N2O3 + 1 H2O
→
4 Al
→
1 Ca3(PO4)2
→ 1 Cr2O3
+ 3 O2
+
+ 1 N2
6 HCl
+ 4 H 2O
5. Geef met de overeenkomstige letter aan welk verschijnsel of stoffensysteem uit onderstaande reeks hiermee overeenstemt.
A ontledingsreactie;
B synthese ;
C mengen;
D scheiden;
E samengestelde stof; F mengsel;
G enkelvoudige stof; H geen van vorige.
5.1. G Een stof die niet ontleed kan worden.
5.2 .A CaCO3
→
CaO + CO2
5.3. B Het roesten van ijzer.
5.4.B Natrium + zwavel →een zuivere stof
5.5. B Atoom A + atoom B → 1 molecule
5.6. C Kleurstof + oplosmiddel
5.7. D Bier → water + alcohol + vaste stiffen
5.8. A Papier → C + H2O + CO2
5.9. E Een stoffensysteem dan niet gescheiden, maar wel ontleed kan worden.
5.10. FLikeur.
6. Gegeven is : 4 Cu + O2
→
2 Cu2O
De massaverhouding in Cu2O :
massa Cu
8
------------ = --massa O
1
Vul in onderstaande tabel de juiste getallen in bij de letters (a) tot (j)
Aantal CuAtomen
(a) 40
VV 20
massaCu/g
------------
aantal Oatomen
massa O2/g
aantal Cu2Omoleculen
massa
Cu 2O/g
10
-------
(b)20
---------------
------------
20
-------
( c )10
VV (d)20
----------
20
--------
10
------
-------
8
---------
(e) 1
-------
( f )9
VV
16
--------
16
--------
VV
( h )16
---------
16
-------
18
-------
( i ) 128
---------
( j )16
-------
144
( g )18
Toets H6 OWMC Hoofdstuk 6
1.
Antwoord met juist of fout (J/F)
1.1.
1.2.
1.3.
1.4.
1.5.
1.6.
1.7.
1.8.
1.9.
1.10.
Sedert Rutherford hebben atomen een atoomkern.
Uit het atoomnummer kan men het aantal energieniveaus
van de elektronen afleiden.
De elektronen van een He-atoom ( Z = 2) bewegen op
dezelfde
afstand van de kern.
Een neutraal atoom bevat toch ladingen.
Een positief geladen elementair deeltje bestaat niet.
In een atoom met 16 protonen zijn de elektronen verspreid
over
drie energieniveaus.
De elektronen bewegen op cirkelvormige banen om de
atoomkern.
Wegens het Thomson-atoommodel moet men aannemen dat
er
nog kleinere deeltjes dan atomen bestaan.
De elektronenbezetting bij een Cl-atoom is 2/8/7.
Een Cl-atoom (1.9.) is zwaarder dan een atoom met 16
protonen.
2. Vul in de tekst de ontbrekende woorden in. Kies deze woorden
uit
onderstaande lijst. Een woord kan meerdere malen voorkomen.
A klein(er)
D negatief/negatiever
G neutron
J energie
M toenemen
Q eenzelfde of gelijk
B groot/groter
E proton
H afstand
K lading
N afnemen
R atoomkern
C positief/positiever
F elektron
I aantal
L mantel
P atoom
S atoomnummer.
Een positieve lading trekt een ………….(1)lading aan. De aantrekkingskracht is des te groter naarmate beide …………..(2)
en hun onderlinge ………….(3)……………….(4) zijn.
In een atoom bewegende ………………(5)………………….(6)
op relatief …………………….(7) afstanden rond de …..........(8).
De grootte van de ……………………(9) kernlading is steeds
gelijk aan het ……………(10). In de elektronenmantel van
een atoom neemt de …………….(11) van de elektronen toe met
de …………………(12) tot de …………………….(13).
3.
Plaats in onderstaande vragen één van volgende wiskundige tekens
tussen beide leden:
A≥
B>
C=
D<
E≤
3.1. Massa van één elektron …..massa van één proton.
3.2. Absolute lading van één elektron... absolute lading van één proton.
3.3. Aantal elektronen in een atoom….. aantal protonen in een atoom.
3.4. Absolute lading van de elektronenmantel….. absolute lading van
de atoomkern.
3.5. Massa van de elektronenmantel….. massa atoomkern.
3.6. Diameter van een atoom met Z = 11 ……diameter van een
atoomkern met 11 protonen.
3.7. Massa van een atoom met Z = 11 ……massa van een atoomkern
met 11 protonen.
3.8. Lading van een atoomkern met Z = 11 ……lading van een
atoomkern met 10 protonen.
3.9. Aantal energieniveaus in de elektronenmantel …..aantal schillen.
3.10. Energie van een elektron op de eerste elektronenschil ( n = 1)
……..energie van een elektron op de 3de schil (n = 3).
4.
Vul onderstaande tabel in door bij de letters russen haakjes telkens het
gepaste getal in te vullen.
*Indien nodig ook het getal 0 vermelden.
*Plaats een kruisje indien het gevraagde niet van
toepassing is.
aantal e- op
laatste schil
aantal
p+
aantal
e-
atoom X
(a)
(b)
(c)
atoom Y
(f)
(g)
7
atoomkern
van atoom Z
(j)
(k)
(l)
(o)
18
(p)
elektronenmantel van
atoom Q
aantal totale lading
energieniveaus
(d)
(e)
3
Z
15
(h)
(i)
(m)
+ 17
(n)
(q)
(r)
(s )
Oplossingen toets H6 OWMC hoofdstuk 6
1. Antwoord met juist of fout (J/F)
1.11.
1.12.
1.13.
1.14.
1.15.
1.16.
1.17.
1.18.
1.19.
1.20.
F Sedert Rutherford hebben atomen een atoomkern.
J Uit het atoomnummer kan men het aantal energieniveaus
van de elektronen afleiden.
J De elektronen van een He-atoom ( Z = 2) bewegen op dezelfde
afstand van de kern.
J Een neutraal atoom bevat toch ladingen.
F Een positief geladen elementair deeltje bestaat niet.
J In een atoom met 16 protonen zijn de elektronen verspreid over
drie energieniveaus.
F De elektronen bewegen op cirkelvormige banen om de atoomkern.
J Wegens het Thomson-atoommodel moet men aannemen dat er
nog kleinere deeltjes dan atomen bestaan.
J De elektronenbezetting bij een Cl-atoom is 2/8/7.
J Een Cl-atoom (1.9.) is zwaarder dan een atoom met 16 protonen.
2. Vul in de tekst de ontbrekende woorden in. Kies deze woorden uit
onderstaande lijst. Een woord kan meerdere malen voorkomen.
A klein(er)
D negatief/negatiever
G neutron
J energie
M toenemen
Q eenzelfde of gelijk
B groot/groter
E proton
H afstand
K lading
N afnemen
R atoomkern
C positief/positiever
F elektron
I aantal
L mantel
P atoom
S atoomnummer.
Een positieve lading trekt een …D…….(1)lading aan. De aantrekkingskracht is des te groter naarmate beide …M………..(2)
en hun onderlinge …H ……….(3)…A…….(4) zijn.
In een atoom bewegende D………………(5)……F…………….(6)
op relatief ……B……………….(7) afstanden rond de .R.........(8).
De grootte van de …C…………………(9) kernlading is steeds
gelijk aan het …S…………(10). In de elektronenmantel van
een atoom neemt de ……J……….(11) van de elektronen toe met
de ………H…………(12) tot de ………R…………….(13).
3. Plaats in onderstaande vragen één van volgende wiskundige tekens
tussen beide leden:
A≥
B>
C=
D<
E≤
D
C
C
C
D
B
B
B
C
D
3.1. Massa van één elektron …<..massa van één proton.
3.2. Absolute lading van één elektron.=..absolute lading vanéén proton.
3.3. Aantal elektronen in een atoom =….. aantal protonen in eenatoom.
3.4. Absolute lading van de elektronenmantel =….. absolute ladingvan
de atoomkern.
3.5. Massa van de elektronenmantel <….. massa atoomkern.
3.6. Diameter van een atoom met Z = 11 >……diameter van een
atoomkern met 11 protonen.
3.7. Massa van een atoom met Z = 11 …>…massa van een atoomkern
met 11 protonen.
3.8. Lading van een atoomkern met Z = 11 >……lading van een
atoomkern met 10 protonen.
3.9. Aantal energieniveaus in de elektronenmantel +…..aantalschillen.
3.10. Energie van een elektron op de eerste elektronenschil ( n = 1)
…<…..energie van een elektron op de 3de schil (n = 3).
4. Vul onderstaande tabel in door bij de letters russen haakjes telkens het
gepaste getal in te vullen.
*Indien nodig ook het getal 0 vermelden.
*Plaats een kruisje indien het gevraagde niet van toepassing is.
aantal
p+
aantal
e-
aantal e- op
laatste schil
atoom X
( a )15
( b )15
( c )5
atoom Y
( f )17
( g )17
7
atoomkern
van atoom Z
( j )17
(k)-
elektronenmantel van
atoom Q
(o)-
18
(l)-
( p )8
aantal totale lading
energieniveaus
( d )3
( e )0
3
( m )-
( q )3
Z
15
( h )0
( i )17
+ 17
( n )17
( r )-18
( s ) 18
Download