thema 2 ecologie

advertisement
THEMA 2 ECOLOGIE
Bs.1 organisatieniveau van de ecologie
Biotische factoren: invloeden op een organisme door de levende natuur.
Predatoren: roofdieren
Abiotische factoren: invloeden op een organisme door het klimaat (wind, temp., licht, lucht)
Ecologie: ‘studie’ over de relaties tussen organismen en hun milieu/populatie en hun milieu.
Organisatieniveau: studie op de betrekking tussen een individu en het milieu.
Individu  populatie  levensgemeenschap  ecosysteem  biosfeer
Populatie: groep individuen van een bepaalde soort, in een gebied, die onderling vruchtbare
nakomelingen kunnen krijgen.
Levensgemeenschap: populaties in een gebied samen.
Ecosysteem: gebied waarin de levensgemeenschap samen met de abiotische factoren een
eenheid vormen. ( levensgemeenschap + abiotische factoren)
Biosfeer:
 alle ecosystemen op aarde samen
 gedeelte van de aarde en de atmosfeer dat door organismen wordt bewoond.
Bs.2 voedselrelaties
Voedselketen: reeks soorten, waarbij elke soort voedselbron is voor de volgende soort.
Voedselweb/net: geheel van voedselrelaties in een levensgemeenschap.
Reproductie: nakomelingen binnen de biologie.
Autotroof: organismen die van anorganische organische stoffen kunnen maken. (soorten aan
het begin van het voedselketen)
Consumenten: organismen vanaf de 2e schakel binnen het voedselketen.
Detritus: organisch afval.
Organisch afval: dode resten van organismen uit elke schakel.
Detrivoren: eters van detritus. (afvaleters)
Reducenten: breken de dode resten af tot anorganische stoffen. (CO2, H2O, zouten)
Mineralisatie: afbreken van dode resten tot anorganische stoffen.
Vrijgekomen anorganische stoffen kunnen weer door producenten worden opgenomen.
Reducenten: maken de kringloop van stoffen in een ecosysteem sluitend.
Ecologische piramides
Producenten  consumenten 1e orde  consumenten 2e orde  consumenten 3e orde  enz.
Piramide van aantallen: elke hogere schakel telt minder individuen dan de vorige schakel.
In een ecosysteem vindt in producenten fotosynthese plaats. Hierbij wordt zonne-energie
vastgelegd in glucosemoleculen. Uit glucosemoleculen worden andere organische stoffen
gevormd.
Biomassa: totale gewicht van alle organische stoffen in een organisme of in een groep
organismen.
Productiviteit: hiervoor is de hoeveelheid biomassa een maat van het ecosysteem.
In een ecosysteem met een hoge productiviteit wordt een relatief groot deel van de zonneenergie benut voor de vorming van biomassa.
Piramide van biomassa: biomassa van elke schakel van een voedselketen wordt grafisch
weergegeven.
Chemische energie: de hoeveelheid vastgelegde energie in de moleculen van de organische
stoffen in organismen.
Piramide van energie: geeft van elke schakel van een voedselketen weer hoeveel energie in
deze schakel is vastgelegd in moleculen van organische stoffen. (de energie inhoud)
* Een deel van de chemische energie wordt doorgegeven aan de volgende schakel  zo
ontstaat er een energie stroom door het ecosysteem.
BLZ 64!!!!
Bs.3 Populaties
Populatiedichtheid: gemiddeld aantal individuen per oppervlakte- of per volume-eenheid.
4 manieren op de dichtheid te bepalen:
1. Kwadrantemethode: Het aantal organismen wordt geteld op meerder plaatsen in een
bepaald gebied. Uit het aangetroffen aantal wordt berekend hoeveel individuen in het
ecosysteem voorkomen.
2. Transetmethode: Er wordt een deel klein gebied gekozen wat ongeveer een afspiegeling
is van de rest van de omgeving. Aan de hand van dit gebied wordt de dichtheid bepaald.
3. Lijntransectmethode: Er wordt een route door/langs alle soorten vegetatie gemaakt. De
vegetatie moet langs de route ongeveer in dezelfde verhouding voorkomen als in de
rest van het ecosysteem.
4. Merken en terugvangen: Dieren worden gevangen en gemerkt. Later wordt er op
dezelfde plaats weer dieren gevangen. Uit het percentage gemerkte dieren van de 2e
vangst wordt de populatiedichtheid bepaald. (ook voor leeftijd/migratie onderzoek.)
Verandering van de populatiedichtheid
Beperkende factor: hierdoor wordt de populatiedichtheid bepaald.
 Biotische beperkende factor: hoeveelheid beschikbaar voedsel
 Abiotische beperkende factor: temperatuur en licht
Biologisch evenwicht: een toestand waarin de populatiedichtheid van elke soort in een
ecosysteem schommelt om een bepaalde waarde.
Negatieve terugkoppeling: toename van organisme soort 1 lijdt tot toename organisme soort 2
(als soort 1 voedsel is voor soort 2). Waardoor soort 1 in aantal zal afnemen, wat lijdt tot
afname van soort 2.
Geboortecijfer: hoeveel individuen er per tijdseenheid door voortplanting ontstaan.
Sterftecijfer: hoeveel individuen er per tijdseenheid sterven.
Immigratie: vestiging van een ander in eigen land.
Emigratie: vertrek van eigen land naar een ander land.
Populatiegroei
Door immigratie kan een nieuwe soort zich vestigen in het ecosysteem. Ze kunnen verdwijnen of
blijven door natuurlijke selectie. In het begin zullen de omstandigheden gunstig zijn. De nieuwe
populatie is klein waardoor er genoeg voedsel zal zijn. Wanneer de populatie gaat groeien zullen
er beperkende factoren optreden.
Als hulpbronnen onbeperkt zijn, kan populatiegroei vergeleken worden met de groei van een
kolonie bacteriën op een voedingsbodem.
Exponentiële groei: evenredige groei.
J-vormige groeicurve: continu een stijgende lijn. Afb.17
S-vormige groeicurve: toenemend stijgend – afnemend stijgend – toenemend dalend… Afb.18.
Draagkracht: maximale populatiegrootte die over langere tijd in een ecosysteem kan worden
gehandhaafd.
Blz 70
Bs.4 Ecosystemen in verandering
Verwering: Het uiteenvallen van hard gesteente onder invloed van atmosferische processen.
Pionierecosyteem: ecosysteem dat als eerste ontstaat in een onbegroeid gebied.
Humus: mengsel van organische en anorganische stoffen en micro-organismen (reducenten).
Bodemvorming: treedt op door humusvorming in de bovenste bodem laag.
Successie: de verandering van de soortensamenstelling van een levensgemeenschap, zodat deze
geleidelijk in een andere overgaat.
Climaxecosysteem: laatste stadium in de successie. Soortenrijkdom bereikt maximale waarde en
is o.a. afhankelijk van het klimaat.
Secundaire successie: successie hoeft niet van voren af aan te beginnen. Als er genoeg humus in
de bodem aanwezig is zal de successie verdergaan vanaf het punt dat het weer mogelijk is.
Openkringloop: vegetatie gaat gelaagdheid vertonen: laag bij de bodem groeien o.a. mossen en
kruidachtige zaadplanten, daarboven struiken en bomen.
Er kan gemakkelijk bodemmateriaal worden afgevoerd, maar er kunnen ook gemakkelijk
populaties immigreren.  de successie naar climaxecosysteem.
 verscheidenheid aan soorten neemt toe.
Hoe meer water en zonlicht er beschikbaar zijn, des rijker aan soorten een gebied kan worden.
Erosie: Uitschurende werking van met puin beladen water, ijs en wind.
Primaire successie: na erosie moet de successie weer van voor af aan beginnen.
Pionierecosysteem
Sterk wisselende abiotische factoren
Humusarme bodem
De vegetatie bestaat uit één laag
De levensgemeenschap is soortenarm
Het voedselweb is eenvoudig
De biomassa is gering
Productie > afbraak
De kringlopen zijn open
Climaxecosysteem
Gematigde abiotische factoren
Humusrijke bodem
De vegetatie bestaat uit meerder lagen
De levensgemeenschap is soortenrijk
Het voedselweb is ingewikkeld
De biomassa is groot
Productie = afbraak
De kringlopen zijn gesloten
Bs.5 Ecosystemen in Nederland
Ecosystemen in NL: duingebieden, loofbossen, naaldbossen, heidevelden, plassen, akkers,
weiden, sloten, rivieren en het waddengebied.
Duinen
Duinen: zandheuvels die door wind zijn aangewaaid.
- De stadia van successie worden onderscheiden door plantengroei.
1e planten:
 Bestand tegen barre omstandigheden.
 Na onder gestoven te zijn kunnen ze er weer bovenuit groeien.
 Als ze zijn bloot gewaaid en losgerukt, kunnen ze zich opnieuw vastzetten.
 Ze hebben genoeg aan een kleine laag humus in de bodem.
De vorming van de 1e planten duurt lang en het stadium wordt soms verstoord. Dan begin de
successie weer van voor af aan met het pionierecosysteem.
Loofbos
Loofbos: hieruit bestaat een groot deel van de natuurlijke climaxecosystemen.
- Door menselijke aanplanting kan het een andere soortensamenstelling hebben.
Planten groeien in verschillende lagen:
1. Strooisel: ligt op de bodem ban een bos. Bestaat uit afgevallen takjes en bladeren.
- komen veel kleine dieren in voor.
2. Moslaag: vlak boven het strooisel en is vaak maar een paar cm hoog. In deze laag
groeien o.a. mossen en paddenstoelen.
3. Kruidlaag: De laag boven de moslaag. Hierin groeien varens, bosbessen en andere
kruidachtige planten.
4. Struiklaag: de laag boven de kruidlaag
5. Boomlaag: laag boven de struiklaag
Tussen de 4 lagen vindt concurrentie plaats om het zonlicht en om zo veel mogelijk zaden op de
bodem te laten ontkiemen.
Naaldbos
Naaldbos: komt van nature niet in Nederland voor.
 Groeien sneller dan loofbomen.
 Hebben niet dezelfde lagen als loofbos.
 Armer aan soorten dan loofbos.
Heide
heidevelden: zijn ontstaan toen mensen loofbossen begonnen te kappen en hier struikhei
plantten.
 Op de grens tussen bos en heide vindt hevige concurrentie plaats tussen bos en
heideplanten.
 Bomen wilden groeien op heidevelden. Schapen krabbelden aan struikhei en jonge
boompjes. Struikhei is bestand tegen schapen, de boompjes niet.
 Tegenwoordig houden runderen de heidevelden bij. Die kunnen het hele jaar buiten zijn
en hoeven niet bijgevoerd te worden.
Plassen
Als mensen niet ingrijpen zullen plassen langzaam verlanden.
Deze successie is in 4 stadia plantengroei te onderscheiden:
1. waterplanten groeien onder moeilijke omstandigheden. (ze moeten drijvend kunnen
blijven leven of met lange stengels vanaf de bodem naar het oppervlak kunnen groeien.)
de dode resten zinken naar de bodem en er ontstaat slib dat de bodem ophoogd.
2. oeverplanten kunnen de plas ingroeien, waardoor de plas kleiner wordt. Ze zorgen
ervoor dat de randbodem wordt opgehoogd.
3. moerasplanten kunnen gaan groeien doordat de randbodem is opgehoogd .
4. broekbos kan gaan groeien wanneer de bodem ver genoeg is opgehoogd.
Bs.6 Competitie en coöperatie
* Binnen elke populatie heeft elke individu relaties met een groot aantal soortgenoten
* Binnen een ecosysteem heeft elke populatie een relatie met andere populaties.
* Veel relaties hebben betrekking op voeding op voortplanting
 Bij die relaties valt competitie en coöperatie te onderscheiden
Relaties binnen een populatie
Tussen individuen binnen een populatie vindt competitie plaats om beschikbaar voedsel,
voorplanting, beschikbare ruimte en licht. Ook vindt er natuurlijke selectie plaats.
Territorium: hierbij wordt een zekere hoeveelheid voedsel veiliggesteld, ruimte om jongen groot
te brengen of het kan dienen als jachtgebied.
- competitie om voorplanting speelt vaak tussen de sterkste mannetjes.
- Coöperatie: er wordt vaak samengewerkt in paren.
Samen leven in een groep zorgt voor bescherming tegen predatoren.
Staten hebben een sterke taakverdeling.
Relaties tussen populaties
Competitie voor voedsel wordt vaak tegengegaan doordat dieren zich gaan specialiseren.
Symbiose: langdurig samenleven van individuen van verschillende soorten. De samenleving kan
voor beide individuen voordelig, nadelig en neutraal zijn. Voor de kleinste populatie heeft het
altijd een voordeel.
Drie soorten symbiose
1. Mutualisme: vorm van symbiose waarbij de individuen van beide soorten er voordeel
van hebben.
2. Commensalisme: vorm van symbiose waarbij de individuen van de ene soort voordeel
hebben en de individuen van de andere soort nadeel hebben van de samenleving.
3. parasitisme: vorm van symbiose waarbij een individu op of in een individu van een
andere soort leeft en er voedsel aan onttrekt. (parasiet in/op de gastheer. 
Maretak en Duivelsnaaigaren
Maretak: onttrekt alleen water en voedingszouten aan de gastheer.
Duivelsnaaigaren: onttrekt water, voedingszouten en organische stoffen aan de gastheer.
Soortspecifiek: parasiet die op of in een gastheer leeft van maar één bepaalde soort. Ze zijn
aangepast aan deze soort gastheer.
Bs.7 Abiotische factoren
- aanpassingen aan het milieu worden erfelijk doorgegeven.
- organismen moeten schommelingen in abiotische factoren kunnen verdragen
Tolerantie: het vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische factor te
kunnen verdragen.
Verspreidingsgebied: gebied op aarde waar een soort voortkomt. Hangt samen met het klimaat
in dat gebied en het macro-klimaat.
Tolerantiegrens: uiterste waarde waarbij individuen van de soort kunnen overleven.
Tolerantiegebied: minimum en maximum waarde waarbij individuen van een soort kunnen
overleven.
Stresszone: gebied rond de minimum en maximum waarde.
Optimumkromme: aantal individuen uitgezet tegen een abiotische factor.
Klimaat: combinatie van verschillende abiotische factoren zoals temperatuur, licht, lucht en
water.
- voor waterorganismen spelen temperatuur, zuurstofgehalte, licht en stroming een belangrijke
rol bij abiotische factoren.
Microklimaat: klimaatfactoren die gelden voor een vegetatiegordel als geheel.
Macroklimaat: klimaatfactoren die gelden voor een specifiek, klein deel van een ecosysteem.
Temperatuur
Temperatuur bepaald sterkt de verspreiding van planten en dieren over de wereld.
- Planten en dieren met wisselende lichaamstemperaturen leven meestal bij een temperatuur
tussen de 0 en 45 graden. Vogels en zoogdieren kunnen temperaturen onder de 0 graden
verdragen.
Chemische processen: in organismen worden geregeld door enzymen, de enzymactiviteit is
afhankelijk van de temperatuur.
Tolerantiegebied: dieren met een constante temperatuur hebben een groot tolerantiegebied
voor de temperatuur. Voor sommige dieren is het in de winter moeilijk om aan voedsel te
komen en trekken daarom naar het zuiden (op NH) of nemen een winterslaap.
Dieren met constantie lichaamstemperatuur
Dieren in een warme omgeving hebben grote lichaamuitsteeksels om zo veel warmte kwijt te
raken.
Dieren in een koudeomgeving hebben kleine lichaamuitsteeksels, zodat ze zo weinig mogelijk
lichaamswarmte verliezen
Licht
- planten hebben licht nodig voor fotosynthese.
Zonplanten: groeien het best bij hoge lichtintensiteit. Naarmate de stengels langer worden
ontwikkelen ze meer harde steunweefsel.
Schaduwplanten: groeien het best bij een beperkte lichtintensiteit.
 Grotere bladeren dan zonplanten.
 Bevatten meer bladgroenkorrels.
 Lange slappe stengels met weinig/geen steunweefsel.
Daglengte: heeft invloed op dieren en planten  voortplanting en vogeltrek
Geslachtsrijp: bij vogels gaat de hypofyse hormonen vormen bij een bepaald aantal licht. Ze
worden ieder jaar opnieuw geslachtsrijp.
Plankton: verzamelnaam voor micro-organismen die water drijven.
Licht: in zeeën en oceanen dringt licht alleen door in de bovenste waterlagen als er veel
plankton aanwezig is.
Lucht
De samenstelling van lucht is van levensbelang voor alle organismen.
CO2 is nodig voor fotosynthese
O2 is nodig voor aerobe verbranding/dissimilatie
Beweging van lucht is vooral op invloed op planten.
Bij veel planten zorgt de wind voor bestuiving en bij veel planten met lichte zaden of sporen
zorgt de wind voor de bestrijding van bestuiving.
Planten met zwaardere zaden zijn op de een of andere manier aangepast aan de verspreiding
door de wind.
Verdamping water wordt versnelt door wind. In gebieden waar het erg waait zijn de planten een
verandering ondergaan om uitdroging tegen te gaan.
Cuticula: waslaagje op de opperhuid van de stengels en planten dat verdamping van water via
de opperhuidcellen tegen gaat.
Huismondjes: liggen vooral aan de onderzijde van de bladeren, zodat de wind de waterdamp
minder goed kan afvoeren, dit is vooral zo bij de huismondjes die diep verzonken in de
opperhuid liggen of als de stengels en bladeren behaard zijn.
Water
Abiotische factoren zeeorganismen: zijn vrij constant.
Organismen in het oppervlakte water: hebben te maken met sterke schommelingen in
temperatuur of in samenstelling van het water.
Waterplanten: hebben weinig stevige delen.
 Wortelstelsel: is klein of afwezig
 Huidmondjes: aan de bovenkant van de bladeren.
 Stengels: hierin bevinden zich luchtkanalen waardoor de delen onder water van zuurstof
worden voorzien.
Landplanten in een vochtig milieu:
 Bladeren met veel huidmondjes en een dun waslaagje.
 Verschillend van grootte en stevigheid.
 Wortelstelsel zwak ontwikkeld.
 Wortelstelsels zijn vooral in de breedte of in de diepte uitgegroeid.
Landplanten in een droog milieu:
 Kleine, stevige en sappige bladeren.
 Weinig huismondjes en alleen aan de onderkant van de bladeren.
 Bladeren hebben een dikke waslaag.
 Wortelstelsel is beter ontwikkeld dan bij de landplanten in een vochtig milieu.
*planten in een zout milieu zijn vergelijkbaar met planten in een droog milieu.
Waterdieren: het zuurstof gehalte is belangrijk. (bij stromend water is het O2- gehalte hoger dan
bij stilstaand water).
Landdieren:
 Leven meestal in een vochtig milieu.
 Dieren waarbij water door de huid verdampt zoeken een vochtig milieu.
 Dieren in droog milieu zijn aangepast om zo weinig mogelijk water te verdampen.
Waterplanten
Bladeren zijn…
De bladeren
hebben…
Het wortelstelsel
is…
Zeer groot en
slap
Huidmondjes aan
de bovenkant
van de bladeren
Klein of afwezig
Landplanten in een
vochtig milieu
Verschillend van
grootte en stevigheid
Veel huidmondjes
Zwak ontwikkeld
Landplanten in een droog
milieu
Klein, stevig en vaak sappig
Weinig huidmondjes, alleen
aan de onderkant van de
bladeren
Goed ontwikkeld
Bodemgesteldheid
Watervliesje: elke bodemdeeltje is hiermee omgeven
Hoe groter het bodemdeeltje hoe groter de holtes. Hoe kleiner de holte, des te vruchtbaarder
is de grond (zouten worden beter vastgehouden). Hoe kleiner de holte, des te moeilijker kunnen
de wortels doordringen.
Humus:
 Humus gehalte in de bodem is belangrijk voor de planten.
 Door activiteiten van reducenten levert humus voedingszouten voor planten.
 Verbetert de structuur van de bodem.
 Hoe meer humus er in zand voorkomt, des te beter kan het zand water vasthouden.
 Hoe meer humus er in klei voorkomt, des te beter kunnen de wortels van planten erin
doordringen.
Humusarme bodem:
Uitspoeling: het snel wegzakken van regenwater (met zouten) naar diepere bodemlagen. Door
uitspoeling worden de bovenste bodemlagen voedselarm.
Humusrijke bodem: het regenwater wordt beter vastgehouden in de bovenste lagen.
HUMUS GAAT UITSPOELING TEGEN
Eigenschappen die van zijn in een bodem die invloed heeft op de soortensamenstelling
 De grondwaterstand is van belang voor veel planten en dieren.
 De PH-waarde heeft grote invloed.
 Concentratie van bepaalde zouten.
Bodemdeeltjes
Water
Lucht
Grond
Doordringbaarheid
Kleigrond (zonder
humusdeeltjes)
Kleine bodemdeeltjes
Bevat veel water
Bevat weinig lucht
Zware grond
Slecht doordringbaar voor
plantenwortels
Zandgrond (zonder
humusdeeltjes)
Grote bodemdeeltjes
Bevat weinig water
Bevat veel lucht
Lichte grond
Goed doordringbaar voor
plantenwortels
Download