Training van paarden - Community Groen Kennisnet

advertisement
Instructeur Paardensport
Examenstandaard: Horses and sports
TRAINING VAN PAARDEN

De verbeteringen in de rensport blijven duidelijk achter en ook in de springsport zijn de
prestaties van de paarden niet meer toegenomen dan op grond van erfelijke vooruitgang
verwacht kan worden.

De levensduur van de paarden is niet langer dan enkele jaren terug, zodat ook niet
gedurende langere tijd met het paard gewerkt kan worden dan vroeger.

De vooruitgang van de prestatie moet dus voornamelijk in de verbetering door training
gezocht worden.
Training van paarden
1
1
VERBETERING DOOR TRAINING
1.1.1 Waarom training?

Einddoel

De prestatie op een zo hoog mogelijk niveau te brengen en te houden

Blessures voor een deel kunnen worden voorkomen, maar ook terugdringen

Verkeerde training heeft een negatief effect op de blessuregevoeligheid en de prestaties
van het paard.
Het lichamelijk prestatievermogen wordt in hoofdzaak bepaald door de volgende factoren:

beweeglijkheid van de gewrichten (verbinding va pezen, spieren in gewrichten)

coördinatie van het lichaam (de samenwerking tussen zicht, evenwicht, zenuwstelsel
en lichaam)

karakter (werkwilligheid, werklust, moed en prestatiedrang, doorzettingsvermogen bij
lichamelijk ongemak)

spierkracht (spiermassa, soort bespiering, toestand van de spieren)

uithoudingsvermogen (energie en zuurstof voorziening van de spieren, tijdsduur van
de prestatie)

ademhalingsstelsel (capaciteit om met goede ademhaling en longcapaciteit zuurstof op
te nemen voor gevraagde prestatie)

hart en vaatstelsel (grote en kwaliteit van het hart, volume en kwaliteit van het
vatenstelsel).
Deze factoren spelen afhankelijk van de aard van de prestatie een belangrijke rol.

Bij o.a. de eventingsport is naast een goed uithoudingsvermogen ook een goede
coördinatie noodzakelijk.

Bij het puissancespringen is vooral de spierkracht belangrijk.

In de draf- en rensport is, bij het overwinnen van vermoeidheid in de laatste eindsprint,
het karakter uitermate belangrijk.
Training van paarden
2
1.1.2 Het effect van trainen

Tijdens de training wordt een 'aanslag' gedaan op de cellen, organen en orgaansystemen.

In de daarop volgende herstelperiode trachten de “uit evenwicht” gebrachte cellen en
orgaansystemen weer terug te komen tot de oude situatie en bovendien te komen tot een
soort overcompensatie. Deze overcompensatie zorgt voor het trainingseffect.

Een belangrijk punt is dat training reversibel is. Dit houdt in, dat indien de training stopt,
het effect van de achterliggende training snel weg zal vallen.

Indien er te hard getraind wordt, zal het effect van de training negatief zijn. Doordat de
aanslag te zwaar is geweest en de herstelperiode te kort.
Om effect van de training te verkrijgen zal de belasting tijdens de training dus afgesteld
moeten zijn op de belastbaarheid (mate waarin het paard belast kan worden).

De belastbaarheid wordt bepaald door wat op dat moment het zwakste onderdeel van het
paard is.

Overbelasting leidt altijd tot blessures.

In het eerste trainingsjaar zullen de meeste blessures ontstaan door het nog niet op sterkte
zijn van het bot- en peesweefsel. Dit geldt zowel geestelijk als lichamelijk.

Training leiden tot een grotere belastbaarheid.

Het aanpassen van het lichaam aan de training geldt voor alle organen en orgaansystemen,
botten en pezen.
De vergelijking van het paard met een auto kan op dit punt een verhelderend beeld geven.
Een auto heeft een chassis en een motor:

de spieren en organen de motor van het paard en de botten en pezen het chassis.

De spieren kunnen we goed zien, en de glans en conditie zegt ons een hoop over het
functioneren van de organen. De botten en pezen kunnen we echter van de buitenkant niet
waarnemen en dus ook niet beoordelen.

Na één tot anderhalf jaar trainen zijn botten en pezen pas sterk genoeg zijn om optimaal te
kunnen functioneren.
Training van paarden
3
1.1.3 Wat is training?
Omvang, duur en intensiteit van de training worden bepaald door dat deel van het lichaam dat
het minst belast kan worden.

In het begin van de training is de belastbaarheid van het slecht doorbloede bot- en
peesweefsel de beperkende factor.

Later in de training zal dit veelal het uithoudingsvermogen zijn.

Het karakter van het paard kan bij het leveren van zware prestaties tijdens de wedstrijden
ook een beperkende factor zijn.
1.1.4 Belastbaarheid van het paard
Het belastingsniveau van een paard is in grote lijnen in te delen in vier categorieën:
1. Competentie

Dit betekent dus dat er geen aanslag gepleegd hoeft te worden op organen of
orgaansystemen en er dus ook geen overcompensatie op zal treden.

Trainingsgericht bekeken zal er geen positief effect optreden en is de training in dat
opzicht dus nutteloos geweest.

Tijdens hersteldagen en aan het begin (warming-up) en eind (cooling down) van een
training zal in het competentiegebied gewerkt worden.

Je moet ervoor oppassen dat je met je trainingen niet te veel in het competentiegebied zit.
Je bent dan nutteloos bezig en je paard zal verslechteren doordat er geen aanslag meer
wordt gepleegd op het lichaam.
2. Adaptatie

Adaptatie wil zeggen: aanpassen aan een nieuwe situatie, waarbij aanpassing mogelijk is.

Bij adaptatie wordt er een aanslag op het lichaam gepleegd en na een herstelperiode komt
het lichaam tot overcompensatie. Je bent trainingsgericht goed bezig.
3. Vermoeidheid

Lichte vermoeidheid is positief. Bij adaptatie zal altijd een zekere mate van vermoeidheid
optreden. De tijdens de adaptatie aangeslagen cellen en organen zullen vermoeid zijn.
Deze vermoeidheid moet tijdens de herstelperiode omgezet worden in overcompensatie.
Training van paarden
4

Bij onvoldoende herstel of te zware vermoeidheid zal geen overcompensatie verkregen
worden!
4. Beschadiging

Bepaalde ’eigenschappen’ van het lichaam worden vernield en te zwaar aangeslagen (te
zware vermoeidheid) lichaamsdelen functioneren niet meer (optimaal)

In het algemeen is de oorzaak een éénmalige overbelasting, of, wat vaker voorkomt, een
opéénvolging van vermoeiende belastingen met daartussen te korte herstelperioden.

Een éénmalige zware training op vrij harde bodem kan microscopisch kleine scheurtjes
veroorzaken in het botweefsel vlak bij de gewrichten.

Afnemend prestatievermogen ontstaat onder andere doordat nieuwe arbeidsprikkels
worden toegediend voordat volledig herstel en overcompensatie zijn opgetreden.
Trainen is balanceren tussen overbelasting en nutteloze arbeid.

Om een trainingseffect te bereiken moet het systeem zo zwaar belast worden dat adaptatie
verkregen wordt.

Is de belasting te licht, dan wordt er geen aanslag gepleegd en volgt er ook geen
overcompensatie.

Is de belasting te zwaar, dan treedt er te zware vermoeidheid of zelfs beschadiging op en
kan er van overcompensatie zeker geen sprake zijn.
Overbelasting zal altijd resulteren in verminderde prestaties.
Overbelasting (te veel belasting voor lichaam en/of geest van het paard) is in twee categorieën
in te delen:
1. Acute overbelasting

Acute overbelasting treedt op wanneer een slecht (onvoldoende) getraind paard een te
zware belasting te verwerken krijgt.

Acute overbelasting kan ook optreden indien een goed getraind paard iets anders moet
doen dan waarvoor hij getraind is.
2. Chronische overbelasting
Training van paarden
5

Chronische overbelasting treedt op indien gedurende langere tijd de belasting tijdens de
training net iets te zwaar is geweest en dus de herstelperioden tussen de trainingen te kort.

Chronische overbelasting kan leiden tot het overtraining-syndroom, hierbij is de prestatie
altijd minder dan op grond van de achterliggende training te verwachten is.
Dit zijn bekende verschijnselen van het z.g.n. overtraining-syndroom bij paarden:

het paard is snel vermoeid

levert slechte prestaties

is prikkelbaar

keert zich af als er gewerkt moet worden

eet vaak slecht

soms wordt melding gemaakt van een verminderde hormonale respons (een mindere
hormoonwerking)
Training van paarden
6
2
TRAINING IN ONDERDELEN
Niet de sterkste punten, maar juist de zwakste punten bepalen uiteindelijk de grens aan het
prestatievermogen.
2.1

2.2

Gedrag
De basis van trainen is het bewerkstelligen van een gedragsverandering, het “dier” moet
andere dingen gaan doen en op commando dan hij van nature doet.
Spieren, Botten, pezen en gewrichten
Zonder een optimale beweeglijkheid van de gewrichten en zonder goed bot- en
peesweefsel (een goed chassis) kan een paard geen enkele prestatie leveren.
2.2.1 Bottraining.

De training voor dit onderdeel zal er dus vooral op gericht moeten zijn om doorbloedingen
te verbeteren. Onderzoek heeft aangetoond dat met deze bottraining op jonge leeftijd al
gestart moet worden om optimale resultaten te verkrijgen.

Bij een leeftijd van vier maanden kan al begonnen worden om de veulens gedurende korte
tijd op verharde ondergrond te laten lopen.

Lopen op een verharde ondergrond betekent een aanslag op bot- en peesweefsel. Als
reactie daarop zal de doorbloeding en daardoor de bot- en peesstructuur verbeteren.

Naast deze training speelt uiteraard ook de voeding een belangrijke rol bij een goede
botopbouw. Kalk (Ca) en fosfor (P) moeten in de juiste verhouding aanwezig zijn en
bovendien is vitamine D noodzakelijk.
2.2.2 Coördinatietraining

Onder coördinatie verstaan we het vermogen om de verschillende ledematen in onderlinge
samenhang te bewegen.

Coördinatietraining heeft alleen nut bij een goed uitgerust paard. Dus altijd
coördinatietraining aan het begin van de training.

Op latere leeftijd kan men de coördinatie blijven trainen door veel variatie in de training te
brengen.
Training van paarden
7
2.2.3 Spierkrachttraining

Het gaat erom dat de zenuw de boodschap snel doorgeeft aan de spier, opdat de spier kan
samentrekken en ontspannen. De samenwerking tussen spier en zenuw speelt dus een
belangrijke rol.

Bij een goede spierkrachttraining zie je een duidelijke toename in spiermassa en wordt het
paard droger en harder (afname van vetweefsel) Ook bij een paard zul je naarmate het dier
beter is getraind, een dikker spierpakket aantreffen.

Door krachttraining neemt wel de massa (zwaarte, dikte) van de spieren toe, maar het
aantal spiervezels blijft gelijk.

Krachttraining kan ook dienen om botten en pezen te versterken.
2.2.4 Karakter

Een paard dat niet wil werken, is niet geschikt om grote prestaties te verrichten.

Het paard is een kuddedier en zal zich dus van nature onderwerpen aan een leider.

Het is de bedoeling dat wij die leider zijn en het paard tijdens de training goed duidelijk
maken wat van hem verlangd wordt.

Hoe hoger de prestatie, hoe belangrijker het karakter. Indien het paard vermoeid raakt,
moet hij, binnen grenzen, door willen vechten om aan de verlangens van de baas te
voldoen, o.a. in de draf - en rensport, de military en de marathon speelt dit een zeer
belangrijke rol.
Training van paarden
8
Download