Paragraaf 4, Nederland onder Duitse bezetting

advertisement
Paragraaf 4, Nederland onder Duitse bezetting
De Duitse Inval
Op 10 mei 1940 viel Duitsland zonder voorafgaande oorlogsverklaring Nederland binnen. De
aanval was onderdeel van een groot aanvalsplan voor West-Europa. Alleen de verovering
van Engeland (Battle of Brittain) mislukte.
Hoewel het Nederlandse leger groter was dan het Duitse leger was het slecht bewapend en
niet goed voorbereid. Na een bombardement op Rotterdam dreigden de Duitsers ook
andere steden te bombarderen. Het Nederlandse opperbevel kon niet anders dan
capituleren. Bijna 4500 Nederlandse soldaten en burgers hadden het leven verloren. De
Nederlandse regering was al eerder uitgeweken naar Engeland. Van daaruit bestuurde men
de rest van het Koninkrijk.
Einde aan de neutraliteit van Nederland
Tot 1940 voerde Nederland een neutraliteitspolitiek. Door de aanval van de Duitsers kwam
daar definitief een einde aan. Nederland had ook eeuwen lang uit economische motieven de
neutraliteitspolitiek toegepast. Tijdens de Eerste Wereldoorlog erkende de oorlogsvoerende
landen de Nederlandse neutraliteit. Zo is het begrijpelijk dat Nederland deze politiek tot in
de jaren ’30 voorzette. Door de Duitse inval was daar nu definitief een einde aan gekomen.
Het Duitse bestuur tijdens de bezetting
De hoogste gezagsdrager in Nederland werd de Oostenrijkse nationaal-socialist SeyssInquart. Hij droeg de titel Rijkscommissaris.. Het was de bedoeling dat Nederland nauw met
het nieuwe Duitse Rijk zou worden verbonden. Het Nederlandse volk behoorde volgens de
Duitse nationaal-socialisten ook tot het Germaanse ras.
Seys-Inquart stond aan het hoofd van 1500 Duitse bestuursambtenaren. Daarnaast was er
Duitse politie en Duitse militairen ter verdediging van de Nederlandse kust. Deze konden ook
worden ingezet bij ordehandhaving.
De Duitse bezetters hadden bij hun bestuur vooral twee doeleinden:
- Nederland inschakelen bij de Duitse oorlogvoering
- De Nederlandse bevolking winnen voor het nationaal-socialisme. (Dit veranderen in een
nationaal-socialistische samenleving wordt nazificatie genoemd.
De bezettingstijd kan in vier fasen worden ingedeeld. Deze fasen liepen in de praktijk in
elkaar over. Het gaat niet om plaatselijke keerpunten, waarna alles ineens anders werd.
Eerste fase (mei 1940-eind februari 1941): wederzijdse welwillendheid
Seys-Inquart hoopte dat de Nederlandse bevolking vrijwillig tot het nationaal-socialisme zou
overgaan. De nazificatie werd geleidelijk ingevoerd. De meeste Nederlanders waren bereid
zich aan te passen. Ze hoopten zo het leven van vóór de oorlog grotendeels voort te kunnen
zetten.
De Nederlandse krijgsgevangenen werden naar huis gestuurd. De bezetter liet zoveel
mogelijk organisaties bestaan. . van de Nederlanders werd verwacht dat zij vrijwillig in
Duitsland gingen werken (de zogenaamde Arbeitseinsatz).
- Vervolging van de Joden begint: De belangrijkste maatsregel richtten zich vooral tegen de
Joden. Stap voor stap werd een begin gemaakt met hun isolering. In de herfst van 1940
werden alle Joden in dienst van de overheid geregistreerd. Vervolgens ontslagen. Ook
Joodse bedrijven(‘Joods Bezit’ ) werden geregistreerd.
- De Nederlandse politiek wordt uitgeschakeld: De werkzaamheden van de Eerste en Tweede
Kamer werden stopgezet. Provinciale Staten en gemeenteraden bleven nog een jaar
bestaan. Hoewel partijen, op een paar na mochten blijven bestaan, konden ze hun rol niet
meer spelen.
- In deze fase nog weinig verzet: de aanhang van de NSB (Nederlandse Fascistische partij)
steeg. Massaal waren uitingen van trouw aan het Huis van Oranje, vooral als leden jarig
waren. Op de technische Hogeschool in delft en de universiteit van Leiden werden stakingen
georganiseerd, omdat Joodse hoogleraren waren ontslagen.
- De Nederlandse Unie krijgt grote aanhang: Deze werd in juni 1940 opgericht. De leiders
wilden met de Duitsers samenwerken. Ze legden wel de nadruk op het Nederlandse karakter
van de beweging. de ontevredenheid die al voor de oorlog bestond (twijfel aan de waarde
van de parlementaire democratie) over de Nederlandse politiek speelde hierbij ook een rol.
Een groot aantal Nederlanders werd lid ook als verzet tegen de NSB.
Tweede fase (eind februari 1941-april 1943): groeiende anti-Duitse stemming en
toenemende dwang.
Vanaf begin1941 traden de Duitsers hard op om het nationaal-socialisme door te voeren.
Dat kwam vooral door twee oorzaken:
1) De nationaal-socialistische propaganda sloeg niet aan bij de Nederlandse bevolking. Bleek
onder andere door de staking in Amsterdam op 25 februari 1941.
2) Nederland moest een grotere bijdrage leveren aan de oorlogvoering.
 Dwang om in Duitsland te werken en producten te leveren. Het aantal vrijwilligers
was gering dus besloot de bezetter Nederlanders eind februari 1941 te dwingen. ook
moest Nederland landbouw- en industrieproducten aan Duitsland te leveren.
Bepaalde producten begonnen daardoor in Nederland schaars te worden.
 Oprichting van Nazi-organisaties. Vrijwillige nazificatie lukte namelijk niet.
 Meer isolatie en daarna vervolging van de Joden. Joden werden verplicht op hun
persoonsbewijs een J te laten zetten en vanaf mei 1942 dienden ze een gele ster te
dragen. Vervolgens werden de Joden naar Westerbork gebracht waarvandaan de
deportatie begon naar de vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor in Polen. Meer
dan 100.000 van de ongeveer 140.000 zouden omkomen.
 De NSB werd de enig toegestane partij (onder leiding van Anton Mussert) en de
omroeporganisaties werden vervangen door één Rijksradio. vakverenigingen gingen
op in het Nationaal Arbeidsfront.
 Anti-Duitse stemming groeit, verzet neemt toe. De aanpassing aan de
oorlogsomstandigheden verliepen door de veranderde houding van de bezetter
minder gemakkelijk en vanzelfsprekend. Het verzet bestond alleen uit kleine
groepen.
Derde fase (april 1943- september 1944): groeiend aantal conflicten tussen bevolking en
bezetter.
* Omdat in Duitsland meer arbeidskrachten nodig waren besloot de bezetter de in 1940
vrijgelaten krijsgevangenen weer op te roepen. Als protest braken in 1943 de
april/meistakingen uit. Deze stakingen vormden de overgang van de tweede naar de derde
fase. De Duitsers reageerden door stakers standrechtelijk te executeren.
 Levering van arbeiders en producten wordt belangrijker dan nazificatie. In 1943
kwam 2 á 3% van de oproductie voor het Duyiste leger uit Nederland. Door de


militair verslechterde situatie had de bezetter behoefte aan Nederlandse
arbeidskrachten en producten.
De deportatie van de Joden werd voltooid. Meer dan 100.000 Joden werden
weggevoerd. Slechts 20.000 overleefden het.
De verhouding tussen de Nederlanders en de bezetters worden steeds slechter.
Duitse maatregelen werden meer en meer tegengewerkt. Onderduikers,
'knokploegen' en illegale pers waren daar voorbeelden van.
Vierde fase (september 1944-mei 1945): totale ontregeling van de samenleving.
Na de geslaagde invasie in Normandië en de opmars van de Russen in oost Europa stond de
militaire overwinning van de Geallieerden vast. Nadat in september het zuiden van
Nederland was bereikt riep de regering in Londen op tot een spoorwegstaking. Door een
jammerlijke mislukking van operatie Market Garden ( via een snelle beweging proberen door
te stoten naar Berlijn) bekend onder de naam 'een brug te ver' kon het noorden van
Nederland nog niet worden bevrijd. Dat zou pas na een hongerwinter in mei 1945
plaatsvinden.
 Zuiden van Nederland is bevrijd, maar nog wel frontgebied. De geallieerden
bepaalden wat er gebeurde. In de frontgebieden werden veel vernielingen aangericht
en velen verbleven in kelders en werden geëvacueerd en dakloos.
 Steeds meer verzet en terreur in de rest van Nederland. De Duitsers traden hard op
en hielden razzia' s om aan arbeidskrachten te komen. 45.000 mensen gingen in het
verzet, waarvan 20.000 pas in het laatste jaar van de oorlog. Na een aanslag op een
Duitse officier werd de gehele mannelijke bevolking van Putten naar strafkampen
gedeporteerd. Het grootste deel van hen kwam om.
 Hongerwinter in het westen van Nederland. Veel voorzieningen waren verdwenen.
Gas, elektriciteit, openbaar vervoer was er soms of helemaal niet. In de grote steden
ontstond hongersnood. Dit tegelijk met een strenge winter leidde tot de dood van
ongeveer 15.000 Nederlanders. In het voorjaar van 1945 wisten de Geallieerden de
Duitse tegenstand in Nederland te breken. Op 5 mei 1945 gaven de Duitse troepen in
ons land zich over.
Download