Erwin Verwichte

advertisement
Waarnemen
Selena 8
De herfst was maar een
povere waarnemingsperiode.
Als het eens helder was, viel
dat steeds heel ongelegen (in
de examens bijvoorbeeld).
Toen het dan de tweede week
van
de
kerstvakantie
uitdraaide op kontinu heldere
nachten, werd daar dik van
profiteerd. De volgende pagina
bewijst dit. Maar eerst dit:
Komeet Schaumasse
Op 30 november 1911 ontdekte te Nice, Frankrijk
Schaumasse een komeet. De
komeet was periodisch met
een periode van ongeveer 8,2
jaar. De komeet werd op 25
september 1992 herontdekt
door de Japanner TsutomuSeki
m.b.v.
een
60-cm
telescoop. Het leuke aan deze
komeet is dat ze zeer hoog
aan de hemel verschijnt. Ze
komt binnen 5 van het zenit
(hoogste punt aan de hemel).
Ze is dan ook over ettelijke
maanden goed te volgen.
Komeet Schaumasse is ook
van redelijke helderheid. Men
schat dat ze in begin maart
magnitude +7 zal bereiken.
Recente waarnemingen van
de helderheid van de komeet
doen vermoeden dat dit wat te
optimistisch
geschat
is.
Desalniettemin is deze komeet
een
ideaal
waarnemingsobjekt. Het is dan ook
mijn bedoeling om jullie
daarvoor op te trommelen.
Schaumasse beweegt van
het sterrenbeeld de Stier over
Perseus naar de Voerman
waar ze in oppositie komt.
Daarna verplaatst ze zich via
de Lynx en de Kleine Leeuw
naar de Leeuw. Dit zijn relatief
onbekende sterrenbeelden die
nu een kans krijgen om eens
beter gekend te zijn.
Het zou teveel plaats
innemen om de gedetailleerde
zoekkaarten in Selena af te
beelden. Ook al omdat de
verantwoordelijke
voor
komeetwaarneming in onze
onmiddellijke
omgeving
vertoeft, nl. Seppe Canonaco.
Via je hem of door iemand van
Descartes vast te klampen,
kan je gemakkelijk aan die
kaarten komen.
Een bekende eigenschap
van een komeet is diens
wazigheid. Ze wordt bepaald
met een DC-schaal (degree of
condensation) van nul tot tien.
nul is puntvormig en tien totale
wazigheid. Deze twee extrema
komen in de praktijk niet voor.
Ik hoop dat je eens op een
heldere avond de komeet opspeurt. Verricht dan een waarneming en geef die ook af. De
wetenschappelijke
wereld
dankt bij voorbaat.
Mars
Waar ook al bij voorbaat
bedankt
wordt,
is
bij
planeetwaarnemingen. Als een
ruimtesonde
een
planeet
bezoekt, bezorgt dat de
mensheid een schat aan informatie over de planeet maar de
sonde vertoeft maar een
geringe periode bij de planeet.
Waarnemingen vanop aarde
gedurende een lange periode,
geeft informatie die een sonde
nooit te weten kan komen
(seizoensinvloeden,
geleidelijke veranderingen,...).
Professionele
astronomen
hebben te weinig tijd om over
een
lange
periode
planeetwaarneming te doen,
dat wordt overgelaten aan
amateurs, zoals jij en ik.
Descartes is erg actief wat
betreft
planeetwaarneming.
Wij werken nauw tezamen met
de VVS werkgroepleider Mark
Bosselaers. Ik vond het
daarom aangepast de recente
planeetwaarnemingen eens te
tonen.
Rond deze tijd is vooral de
planeet Mars goed zichtbaar.
Hij bereikte echter maar een
maximale schijnbare diameter
van hooguit 15 boogseconden.
Wij waren dan ook erg verrast
toen bleek dat we veel konden
zien op Mars. Je zal zien dat
alle waarnemingen gemaakt
zijn van eenzelfde gedeelte
van het Marsoppervlak. Dit is
geen toeval. Mars beweegt
met een periode van 24h35m
rond zijn as (net iets langer
dan de aarde). Bepaalde
gebieden hebben daardoor
een waarnemingsvenster van
enkele weken. Nu, de waarnemingen zijn gemaakt in
dezelfde periode, nl. de week
voor nieuwjaar. De seeing was
toen fenomenaal (en ook de
vrieskoude).
Het gebied dat we waarnamen, bestreek het Martiaanse
lengteinterval van 270 tot 80.
Het toeval wil dat in deze zone
de bekendste en mooiste
strukturen te zien zijn. Syrtis
Major (de grote baai) is de
meest prominente struktuur.
Ze vertoonde een duidelijke
niet een driehoekige vorm
zoals in 1988 gezien werd
(daar speelt ook ervaring een
rol in). Er waren enkele lichtere stroken en donkere
vlekjes in te zien. Wat
onmiddellijk opviel was de
geheldheid van de Marsbol.
We keken nu, in tegenstelling
tot de vorige opposities, naar
de noordpool waardoor vele
nieuwe strukturen zichtbaar
werden. Hellas, een heldere
ronde 'kuip' was nog net
gedeeltelijk aan de zuidrand te
zien.
De struktuur die onze
harten stal, was Sabaeus en
het
aanliggende
Sinus
Meridianis (het Greenwich van
Mars). Ze vormen tezamen
een donkere sigaarvormige
zone. Opvallend was dat de
'tanden' in Sinus Meridianis,is
goed zichtbaar waren.
Margeritifer Sinus en de
daarop volgende strukturen
gaf een chaotische beeld van
vlekjes en stroken. Aan het
noordelijk halfrond viel vooral
de
twee
rijen
vlekken
('kanalen') op die parallel via
een omweg Syrtis Major met
Margeritifer Sinus en Mare Acidalium
verbonden.
Mare
Acidalium
vertoonde
veel
struktuur die overeenkwam
met de kaart. Het navolgende,
heldere Tempe werd vaak
opgemerkt. Nog een konstante
was de heldere noordpoolkap
die afgebakend wordt door
een donkere band.
Erwin Verwichte.
Afbeelding 1.De DC-schaal.
Afbeelding 2.Hoogtediagram van
P/Schaumasse 1992x (zon staat 17
onder de horizon).
Afbeelding 3.links: ω 319,1 (Erwin
Verwichte) midden: ω 343 (Wim
Cuppens) rechts: ω355,7 (Wouter
Krznaric').
Afbeelding 4.links: ω 355,7 (Koen
Goossens) midden: ω xxx,x (Bert
Timmers) rechts: ω 71,5 (Frank
Daerden).
Waarnemen
Selena 10
Het hoeft, denk ik, niet
meer gezegd te worden dat
Descartes in recente jaren een
reputatie heeft opgebouwd wat
betreft planeetwaarnemen. We
werken al twee jaren samen
met Mark Bosselaers, de
leider van de V.V.S. werkgroep
Planeten. Op 27 februari l.l.
hebben we tezamen al de
eerste Planetendag gehouden,
dat trouwens een succes genoemd mag worden.
Omdat Mark veel te veel
werk heeft, hebben we
toegezegd mee te helpen.
Frank
verwerkt
de
Marswaarnemingen en ik die
van Saturnus.
Wat ook duidelijk is dat de
Belgische planeetwaarnemers
niet hoeven onder te doen
voor
zijn
buitenlandse
collega's.
In
het
januarinummer van Sky &
Telescope stonden Guiseppe
Canonaco en Frans Van Loo
van de sterrenwacht vermeld
omwille van hun waardevolle
Marswaarnemingen. Proficiat!
Waarnemen
Als je door een telescoop
naar de hemel kijkt, komt vaak
de drang op om dat stukje
hemel vast te houden voor de
eeuwigheid. Sommigen doen
dat d.m.v. fotografie, anderen
tekenen of beschrijven wat ze
zien. Maar het is frustrerend
als later blijkt dat wat je
getekent heb niet klopt, of dat
je iets vergeten bent, of dat
niemand
anders
je
waarneming
niet
kan
ontraadselen, laat staan ze
waarderen. Het is daarom
nuttig om eens te overlopen
hoe waarnemingen correct
bewerkt moeten worden.
Formulier
Een
waarneming
is
absoluut niets waard als
enkele gegevens mankeren.
En manier om dit te voorkomen, is om een passend
waarnemingsformulier
te
gebruiken waar voor alle
belangrijke gegevens plaats
open
gelaten
is.
Een
beginnend waarnemer doet er
best aan zo vlug mogelijk een
waarnemingsformulier
te
bezorgen en deze dan ook te
gebruiken. Formulieren kan je
bij mij altijd verkrijgen. Goed
ingeoefende
waarnemers
gebruiken
vaak
eigen
formulieren die ze op zichzelf
hebben afgestemd.
Alle formulieren hebben
eenzelfde, algemene opbouw.
De grootste plaats wordt
ingenomen
door
de
waarneming zelf. Op een
eventueel
voorgetekent
sjabloon wordt de waarneming
verricht. Het is belangrijk het
sjabloon ook juist te gebruiken.
Bij een rond sjabloon dat voor
het tekenen van een beeldveld
gebruikt
wordt
(deep-sky,
kometen,...)
moet
het
beeldveld wat je door de telescoop
ziet,
overgebracht
worden op het sjabloon, niet
alleen een klein stuk. Teken de
sterren in t.o.v. de rand van het
sjabloon zoals het staat t.o.v.
de rand van je beeld. Mocht je
maar een stuk van een
beeldveld intekenen, teken
dan dat in zoals je door de
telescoop ziet. Probeer niet
het hele sjabloon te vullen met
dit stukje. Dan vernietig je de
mogelijkheid om groottemetingen te doen.
Let
op
oriëntatieaanduidingen op het
formulier. Meestal staat aan de
bovenzijde
het
zuiden
aangegeven. Teken dan ook
zo dat het zuiden inderdaad
naar boven is. Je bepaalt het
zuiden
door
alleen
de
declinatieas van je kijker te
bewegen. Duw je telescoop
richting zuiden. De richting
waar de sterren in beeld
komen, is het zuiden.
Vergeet vooral niet het
westen aan te duiden, of in het
geval van planeetwaarneming
de preceding side (kant waar
de planeet naartoe draait). Je
vindt deze richting, door te
kijken in welke richting het
objekt beweegt, als je niets
doet (geen motoraandrijving).
Let verdomd op met
zenitprisma's. Gebruik ze liefst
niet. Mocht je het toch doen,
duidt dan goed aan dat je een
zenitprisma gebruikt hebt.
Zorg ervoor dat op je tekening
het
zuiden
en
westen
aangeduid zijn.
De afmetingen van het sjabloon zijn essentieel. Het is
daarom best steeds het
officiele formulier te gebruiken
en
altijd
van
hetzelfde
exemplaar copies te maken.
Copies van copies hebben de
neiging een tikkel afwijkende
afmetingen te hebben.
Het
invullen van
de
gegevens op het formulier
moeten liefst zo vlug mogelijk
gebeuren. Mocht je het tijdens
het waarnemen nog niet
gedaan hebben, doe het dan
tijdens het opwarmen binnen.
De volgende gegevens mogen
absoluut niet ontbreken:
objekt
datum (let op met na-middernacht)
tijd (U.T.) in uur en minuten
(beter begin-en eindtijd).
kijker (type, diameter, brandpuntsafstand)
vergroting
zenitprisma
weersomstandigheden
(seeing en transparantie)
Daarnaast zijn er nog bijkomende gegevens die je later
kan opzoeken of berekenen.
Een goede tip: teken en
schrijf tijdens het waarnemen
verzorgd en duidelijk. Het komt
al te vaak voor dat na het
waarnemen je aan je eigen
waarneming niet meer uit kunt.
Overloop aan het eind van een
waarneming best eens het
geheel. Kijk na of je alles kunt
lezen en dat je niets bent
vergeten. Nooit te overhaast
stoppen!
Tekenen
Het intekenen is het cruciale
punt van heel je waarneming.
Een slordige, onduidelijke
tekening (ook al heeft deze
veel informatieinhoud) zal niet
bekeken worden. Aan de
andere kant moet het ook
geen kunstwerk worden. Het is
de
bedoeling
éénduidige,
wetenschappelijk
bruikbare
informatie te tonen.
De tekening die je achter
de telescoop maakt, mag niet
ingekleurd zijn. Dat sticht
enkel verwarring. Het best is
de helderheid van de vlakjes
aan te duiden met cijfertjes (0
donker
10
helder
bijvoorbeeld). Dit is een
contourtekening. Teken deze
tekening binnen nauwlettend
over op een ander formulier.
Vaak
wordt
naast
een
afgewerkte tekening ook de
contourtekening geplaatst om
alle verwarring te bannen.
Er zijn twee mogelijkheden
om een afgewerkte tekening
voor te stellen. Ten eerste kan
je een potloodtekening maken.
Gebruik hiervoor verschillende
soorten potloden. Een vet
potlood voor de donkere
gebieden en een licht potlood
voor de helder. Begin eerst de
helder gebieden in te tekenen.
Een tweede mogelijkheid is
een
puntjestekening.
De
verschillende
helderheden
worden weergegeven door
een dichtheid van puntjes.
Welke mogelijkheid je kiest,
maakt niet uit. Kies die
methode die je het best ligt.
Beide hebben hun voordelen
en
nadelen.
Een
potloodtekening is realistisch en
kan redelijk vlug gemaakt worden. Het is wel moeilijk ze te
copiëren. Puntjestekeningen
zijn
weliswaar
goed
te
copiëren, maar erg tijdrovend
te maken. Een tip: bekijk veel
waarnemingen van anderen
om te vergelijken.
Belangrijk is niets te
tekenen wat er niet was, of
niets dat op het orgineel er
anders uitzag. Mocht je
twijfelen
of
je
tekening
onduidelijk, is het aangeraden
kommentaar bij de tekening te
schrijven. Desnoods duidt je
met pijlen aan welk gebied je
bedoelt.
Sterren worden meestal
weergegeven als zwarte cirkeltjes waarbij de grootte van
de cirkel de helderheid geeft
(grote cirkel: helder ster). Een
duidelijk verschil tussen de
groottes van de sterren geeft
de tekening een mooi uiterlijk.
Erwin Verwichte
Afbeelding 5.Het correct intekenen van
een beeldveld.
Afbeelding 6.Jupiter, Guy Swennen,
12/03/93, Refr. 76mm f910mm,
105x, geelfilter.
Afbeelding 7.Jupiter, Koen Goossens,
02/04/93, Newt. 111mm f1000mm,
166x.
Afbeelding 8.Venus, Frank Daerden,
08/01/93, Newt. 250mm f1450mm,
241x.
Afbeelding 9.Venus, Erwin Verwichte,
24/02/93, Newt. 150mm f1000mm,
111x.
Waarnemen
Selena 11
De zomerhemel biedt een
deep-sky waarnemer de allermeeste mogelijkheden om
talrijke heldere objekten te
bekijken. Ideaal om eens te
genieten van de hemelpracht
of om de eerste stappen te
zetten in het waarnemen.
Laten we eens een rondritje
maken langsheen zomerse attracties.
De
hemel
wordt
gedomineerd door drie heldere
sterren die de zomerdriehoek
vormen: Deneb (de Zwaan),
Wega (de Lier) en Altaïr (de
Arend). Met behulp van deze
drie sterren is het relatief
eenvoudig ieder gewenst punt
aan de hemelkoepel te vinden.
De objekten die ik zal
bespreken, zijn met een kleine
telescoop allemaal te zien. Ik
zal ook bespreken wat men
van het verrekijkerbeeld moet
verwachten.
De Lier
Richt de telescoop naar de
blauwwit heldere fonkel Wega.
Dit is het uitstekende moment
om de zoeker af te stellen. Zet
Wega in het midden van het
beeldveld van de kijker.
Vervolgens stel je Wega in het
midden van de kruisdraad van
de zoeker. Om eens te
controleren zou je de kijker
een even verdraaien om dan
met behulp van de zoeker
Wega opnieuw in beeld te
verkrijgen.
Heb je een oculair met
kleine vergroting op je kijker
steken? O.K., dan kunnen we
vertrekken. Enkele graden
naar het oosten (naar rechts in
omgekeerd beeld) wacht ons
het eerste objekt op: ε1 en ε2.
Dit is een wijde dubbelster van
magnitude
5
die
een
gemakkelijke prooi is voor een
verrekijker. In de telescoop
met grotere vergroting blijkt
elke komponent zelf ook nog
eens dubbel te zijn. De
onderlinge afstand bedraagt bij
de twee zowat 2,5".
De heldere sterren onder
Wega
vormen
een
parallellogram. Tussen de
onderste twee verschuilt zich
een
klein
juweeltje:
de
Ringnevel (M57). Voor iemand
die ze nog nooit met een telescoop gevonden heeft, wordt
dit wel even wennen. Maar
moeite wordt beloond. Het
beste is te vertrekken van β
Lyrae. Als deze in een kleine
vergroting onder aan de
beeldrand staat, moet de
Ringnevel bovenaan in beeld
te zien zijn. M57 is een klein,
grijs, ovaalvormig vlekje. In
een grotere vergroting wordt
de donkere opening in de
nevel duidelijk zichtbaar. De
Ringnevel is een planetaire
nevel, de restant van een
novaexplosie. De centrale ster
is niet zichtbaar. Dit objekt is
niet
zichtbaar
in
een
verrekijker.
Voor ons volgende objekt
gaan we gretig gebruik maken
van de sterrenatlas: het wapen
van elke stersoldaat. Richt de
kijker op de onderste ster van
het parallellogram: γ Lyrae.
Het objekt dat we zoeken, is
de bolvormige sterrenhoop
M56. Ze ligt halverwege
tussen γ Lyrae en β Cygni. Er
zijn twee mogelijkheden om
M56 te vinden: oftewel tussen
de twee sterren mikken en
maar wat zoeken, of starhopping. We zullen het laatste
doen. Vooraleer te beginnen,
kijk eens even naar de kaart.
Welke route zou je nemen? Mij
lijkt het best te vertrekken
vanaf λ in rechte lijn naar 19
Lyrae, om vervolgens bij de
ster nabij M56 te belanden.
Om een idee te hebben
hoeveel
beeldvelden
de
sterren uit elkander liggen,
vergelijk je best eerst eens de
afstand tussen λ en γ in je telescoop met de afstand op de
kaart.
M56 is een klein, korrelig
bolneveltje
dat
niet
zo
spectaculair is als M13 of M92
in Hercules maar toch zeer
mooi is omdat ze in een
sterrenrijk gebied ligt. Het is
erg te betwijfelen of dit objekt
in een verrekijker zichtbaar zal
zijn. Mocht je ze toch zien, verwittig me dan.
Vos en Pijl
Vanuit M56 is het niet meer
ver naar de heldere ster β
Cygni, oftewel Albireo. Deze
ster vormt het hoofd van het
sterrenbeeld de Zwaan. Het is
een prachtige dubbelster. De
beide
leden
zijn
van
respectievelijk derde en vijfde
magnitude. Het systeem is
vooral zo mooi omwille van het
kleurcontrast tussen de gele
en de blauwe ster. In een
telescoop is dit mooi te
genieten, terwijl de dubbelster
in een verrekijker zichtbaar is,
mits het beeld zeer stabiel te
houden: op statiefje zetten of
op je ellebogen steunen.
Een leuk tussendoortje is
een
uitstapje
naar
α
Vulpeculae.
Deze
'mosterdkleurige' ster ligt vijf
graden ten zuiden van Albireo.
Voor
de
verdere
verkenning van deze streek
gaan
we
uit
van
het
sterrenbeeld de Pijl. De helderste sterren van dit sterrenbeeld vormen een pijl die in
oostelijke richting wijst. Ze past
net in het beeldveld van een
verrekijker. Tussen γ en ζ
Sagittae vertoeft de weinig
spectaculaire
bolvormige
sterrenhoop M71. Het is pas in
kijkers vanaf 20 cm dat deze
sterrenhoop tot zijn volle recht
komt. Richt de telescoop op
het paar α-β Sagittae. Vergelijk
wederom
de
onderlinge
afstand in het beeldveld met
de afstand op de kaart.
Langsheen de richting van het
paar komen we (naar onder in
omgekeerd beeld) bij 9
Vulpeculae
terecht. Twee
graden verder ligt de mooie
losse
open
sterrenhoop
Cr399, beter bekend als
Brocchi's cluster. Brocchi is de
tekenaar van de A.A.V.S.O.
omgevingskaarten
voor
variabele
sterren.
De
sterrenhoop
beslaat
een
gebied van 1,5 aan de hemel.
De spreiding van de sterren
geeft de hoop de bekende
roepnaam
'omgekeerde
kleerhanger'. Deze hoop is erg
aan te raden om met de
verrekijker te bekijken.
Voor het volgende objekt in
het Vosje keren we terug naar
buur de Pijl. Dit maal
vertrekken we vanuit het punt
van de pijl: γ Sagittae. Na vijf
graden in noordelijke richting
te bewegen, stoot je op de
grote
en
majestueuze
planetaire nevel M27: de
Halternevel. Een verrekijker
toont een rechthoekig vlekje.
Bij een vergroting van om de
100x toont de nevel zich van
zijn beste zijde. Ze vult dan
haast het volledige beeldveld.
De Zwaan
Als je nog niet genoeg
hebt, kunnen we ons wagen
aan de gevulde schotel die de
Zwaan
ons
biedt.
Als
uitvalsbasis
is
γ
Cygni
buitengewoon goed geschikt.
Deze ster vormt het centrum
van de kruisvorm die de
Zwaan vertoont. Al één graad
ten noorden van deze ster ligt
de eerste sterrenhoop: NGC
6910. Het is een langwerpig
gevormd hoopje. Interessanter
is de vierkante hoop M29 twee
graden ten zuiden van γ Cygni.
Het verrekijkerbeeld toont een
wazig neveltje. Tussen γ Cygni
en η Cygni krioelt het van
open sterrenhopen. Het is een
erg sterrenrijk gebied. De
verrekijker
is
hier
onontbeerlijk.
Een
boeiende
open
sterrenhoop is NGC 6866 die
in de driehoek α-γ-δ Cygni ligt.
Het vereist redelijk wat werk
om via star-hopping er te
geraken. Het loont echter zeer
de moeite. Deze hoop is
verrassend compact. Het is
een persoonlijke aanrader.
Slotbemerking
Deze objekten zijn slechts
een kleine fractie van de
wonders
die
de
zomersterrenhemel te bieden
hebben. Ze zijn een begin
naar het ontdekken van de
pracht van de sterrenhemel.
Hoe je tekening moet maken,
heb ik in de vorige Selena
uitgelegd. Profiteer van de
vakantie om de dieptes van
het heelal te doorgronden.
Toon me vooral je resultaten.
Erwin Verwichte
Afbeelding 10.M27, 03/08/92, Newton
f1000 150, 100x.
Afbeelding 11.Sky Atlas.
Waarnemen
Selena 12
Volgens het wiskundige
regeltje van Titius en Bode
moest tussen de baan van
Mars en Jupiter nog een
planeet aanwezig zijn. Een
werkkring werd opgestart om
op systematische wijze jacht
te maken naar de nieuwe
planeet. Intussen werkt de
nieuwe directeur van de
sterrenwacht van Palermo,
Guiseppe Piazzi aan zijn
stercatalogus.
Op
nieuwjaarsnacht
1801,
terwijl
iedereen aan het vieren is,
ontdekt
hij
de
eerste
planetoïde. Het viel hem op
dat het lichtpuntje langzaam
doorheen
het
sterrenveld
voortbewoog. De planetoïde
kreeg de naam Ceres en
nadien kreeg hij er nog
duizenden broertjes bij.
Planetoiden
Planetoïden
zijn
brokstukken bestaande uit
ijzer of gesteente. De grootste
planetoïde is Ceres met een
diameter van 1003 km.
Nu werpt zich natuurlijk
automatisch de vraag op wat
we nu als waarnemers aan
planetoïden hebben? Het
antwoord is: meer dan je zou
vermoeden.
Op ontdekking
In de tijd na Piazzi kon
iedereen die een klein telescoopje had op planetoïdenjacht gaan. Goldschmidt was
al over de vijftig toen hij nog 14
planetoden ontdekte.
Tegenwoordig is dat niet
meer zo gemakkelijk. Alle
heldere objecten zijn al
gecatalogiseerd en de zwakke
planetoïden worden op een
systematische
'sleepnet'methode via fotografie opgespeurd. De Belg Els is daar
zeer in bedrijvig. In het zelf
ontdekken van planetoïden zie
ik geen heil tenzij je beschikt
over professionele apparatuur,
veel geld en geduld of enorm
veel geluk.
Veel nuttig werk kan echter
gedaan
worden
in
het
herontdekken van planetoïden.
Er zijn heel veel planetoïden
waarvan de baan heel slecht
gekend is. Om een baan goed
te kennen heeft men minstens
drie waarnemingen nodig. In
de meeste gevallen is dat niet
aanwezig.
Hoe gaan we dan te werk?
We
bezorgen
ons
de
gegevens van die verloren
voorwerpen
inclusief
de
gegevens van de gekende
planetoïden. Ze zijn bij de
V.V.S wel te vinden. Vervolgens wordt gewoon systematisch de hemel afgespeurd
door elke nacht een stukje
hemel in stukjes te fotograferen of visueel te bekijken.
Na verloop van tijd herhaalt
men dit. Als er een lichtpuntje
van plaats verschoven is,
wordt er gewerkt. Men kijkt na
of men niet toevallig een al
gekende planetoïde aan de
haak heeft. is dat niet zo, dan
gaat men na of het geen
komeet is, en als die niet
gekend is, moet men dat zo
vlug mogelijk doorgeven want
er is meer roem te oogsten bij
het ontdekken van een komeet
dan van een planetoïde.
Als het geen komeet is,
wordt het nu moeilijk. Men
gaat
nu
de
planetoïde
minstens
drie
maal
waarnemen om hieruit een
voorlopige baan te berekenen.
Uit de gegevens van verloren
voorwerpen probeert men
tezamen met jouw waarnemingen een passend object te
vinden dat jouw kandidaat zou
kunnen zijn, waarbij men nooit
zeker kan zeggen of jouw
object misschien niet gewoon
een heel nieuwe planetoïde is.
Je ziet dat het een heel puzzelwerk is.
Praktisch
Wijzelf kunnen als sport
eens een gekend en helder
planetoïde opzoeken en deze
nauwkeurig enkele dagen na
elkander bekijken. We zien
mooi hoe ze van plaats
verandert. Het is zelfs mogelijk
eens uit gemeten posities een
baan op te stellen die we dan
vergelijken met de gekende
baan. Ik stel de planetoïde
Ceres voor. Ze bereikt een
helderheid
van
7,4
bij
oppositie. Ceres bevindt zich
dan in het sterrenbeeld de
Walvis. Gebruik het bijgevoegde hulpkaartje.
Veranderlijken
De schijnbare helderheid
van planetoïden blijft zeker
niet constant. Net zoals de
planeten, draaien ook de
planetoïden rond hun eigen
as. Daardoor wordt de aarde
steeds een wisselende zijde
getoond. Als de planetoïde nu
aan één zijde een donker
oppervlak heeft en aan het
ander een helder, dan zal de
helderheid
sterk
gaan
verschillen, net zoals bij de
Saturnusmaan Japetus, die
zijn naam te verdanken heeft
aan zijn helderheidsvariaties.
Een andere oorzaak van
helderheidsvariaties is de
onregelmatige vorm van een
planetoïde. Ze zien er vaak uit
als mislukte aardappelen. De
helderheid van een planetoïde
wordt bepaald door de grootte
van het oppervlak dat we
vanaf de aarde kunnen zien.
Neem een planetoïde met
een sigaarvorm. Als de spits
van de sigaar naar de aarde
gericht staat, zien we maar
een klein oppervlakje. De
helderheid van de planetoïde
is klein. Als we langszij de
sigaar kijken, zien we een
groot oppervlak. De helderheid
is groot.
De
helderheidsvariaties zijn vaak
in de orde van tiende magnitudes. Uit de periode van de
variaties haalt men de
rotatieperiode van de
planetoïde. Deze techniek
wordt ook toegepast bij
kometen. Zo heeft men
kunnen aantonen dat de
komeet van Halley om zijn
eigen as draait.
Vorm
Planetoïden
hebben
onregelmatige vormen. Hoe
weten we dit eigenlijk ? Het
wordt deels maar vermoed
omdat de maantjes van Mars,
die ingevangen planetoïden
zijn, er zo onregelmatig
uitzien. Er is echter een
methode om vanaf de aarde
de vorm van een planetoïde te
bepalen. Deze methode heet
sterbedekkingen.
Een
sterbedekking is wanneer een
hemellichaam
uit
het
zonnestelsel
net
in
de
kijkrichting van een ster staat.
Vanuit ons zicht staat ze er
dus voor. Dat hemellichaam
kan de maan, een planeet,
een komeet of een planetoïde
zijn.
In de wereld houden
mensen zich ermee bezig om
zulke
sterbedekkingen
te
voorspellen. Men berekent op
welk deel van de aarde men
precies de bedekking kan zien.
Deze boodschap wordt de
hele wereld rond gestuurd,
tezamen met een sterrenkaart
waar de ster op staat
aangegeven. Mensen gaan
dan langsheen deze lijn staan.
Ze meten het exacte tijdstip
dat de ster achter de
planetoïde gaat (de ster 'dooft'
uit) en het tijdstip dat ze terug
te voorschijn komt.
Bovendien plaatst men ook
doelbewust
mensen
op
plekken die van deze lijn
afwijken. Die mensen zien dan
maar een klein stukje van de
planetoïde de ster bedekken,
of helemaal niet. Door al de
gemeten tijdstippen van die
plaatsen bijelkaar te brengen,
kan een profiel van de
planetoïde opgesteld worden.
Op deze wijze kent men
ook onmiddellijk de diameter
van de planetoïde. Er zijn
echter zeer grote problemen.
De berekeningen zijn nooit
heel precies omdat de baan
slecht gekend is of de positie
van de ster maar benaderd is.
De lijn van bedekking kan dus
gerust
enkele
honderden
kilometers afwijken. Men moet
wat geluk hebben. De Belgen
zijn er nog niet in geslaagd.
Wat onthouden we van dit
artikel? Planetoïden zijn toch
niet zo saai, maar je moet toch
wat uithoudingsvermogen en
interesse hebben. Hiermee
heb ik jullie een nieuw deurtje
op een kier gezet.
Erwin Verwichte
Afbeelding 12.De weg van Ceres in
het najaar van 1993 (J. Meeus).
Afbeelding 13.Omwille van de rotatie
van de onregelmatige planetoïde is de
helderheid variabel.
Afbeelding 14.Planetoïde 22 Kalliope.
Waarnemen
Selena 13
Jupiter is de reus onder de planeten met een
diameter van 142000 km. Dat is meer dan tien
maal groter dan de aarde diameter. Maar dat is
zeker niet het enigste verschil met onze thuisplaneet. Jupiter is een gasplaneet. Die naam is
enigszins bedriegelijk. De bovenste lagen, het
wolkendek, bestaan uit gas maar alles daaronder
is een soort vloeistof.
Het is veel moeilijker te begrijpen hoe een gasplaneet in
elkaar steekt, omdat alles ten
opzichte van elkaar beweegt.
Met andere woorden, men
krijgt nooit hetzelfde zicht van
Jupiter te zien. Er zijn geen
vaste oppervlaktedetails. De
wetenschappers zijn er zeer in
geïnteresseerd om de bewegingen in het wolkendek
dagelijks bij te houden, maar
ze hebben noch de tijd, noch
het geld daarvoor. Daarom is
het aan de amateur om deze
taak over te nemen.
Een kennismaking
Jupiter verschijnt aan de
hemel als een felle, geelwitte
schittering. Dit jaar vind je hem
in het sterrenbeeld de Maagd.
Als je naar buiten gaat (in
tabel I staat vanaf welk uur),
zie je hem op een twintigtal
boven de horizon in het
zuidoosten.
Door een verrekijker geeft
Jupiter een matter uitzicht. Al
vlug valt op dat het licht komt
van een klein schijfje. Op eens
merk je kleine lichtpuntjes
dicht bij de planeet op. Was dit
nu een illusie? Steun je
ellebogen op een tafel of
plaats de verrekijker tegen een
muur. Op die wijze trilt het
beeld minder. En warempel,
de puntjes zijn echt. Het zijn
de vier grote manen van
Jupiter. In volgorde van
afstand tot de planeet zijn dit:
Io, Europa, Ganymedes en
Callisto. Io heeft 80 minuten
nodig voor één omwenteling
terwijl Callisto er 16 dagen
over doet. Elke avond zien we
een andere stand van de
maantjes. Soms zie je maar
drie (of nog minder) maantjes.
Een maantje bevindt zich dan
in de schaduw van Jupiter
(verduistering) of staat recht
achter (bedekking) of recht
voor (overgang) Jupiter. Deze
gebeurtenissen zien we niet zo
duidelijk met een verrekijker.
Daarvoor
is
iets
lichtkrachtigers nodig.
Een wereld
Als je voor het eerst naar
Jupiter kijkt, wordt één ding
erg duidelijk. Het is verdomd
vervelend. Je wil zo veel
mogelijk van Jupiter zien.
Daarom gebruik je een grote
vergroting. Hierdoor is het
beeldveld van de telescoop zo
ingeëngd dat het Jupiterbeeldje voorbijzoeft, zodat je
eigenlijk niets gezien hebt.
Daarom de wijze raad: als je
nog niet zoveel met de
telescoop gewerkt hebt, begin
dan met een kleine vergroting.
Na wat oefening kan je proberen uit te vergroten, maar
niet te veel. Plaats Jupiter aan
de oostrand van het beeldveld
(daar waar de sterren in beeld
komen). Op die manier heb je
meer tijd om te kijken.
Jupiter geeft nu meer prijs.
De planeet heeft een opvallend afgeplatte vorm. Dit is het
gevolg van de snelle rotatie
van de planeet. Deze bedraagt
gemiddeld zo'n kleine tien uur.
Het eerste zicht van de planeet is teleurstellend. Er is
'niets' op te zien. Wees
geduldig; de ogen hebben tijd
nodig om te wennen. Elke
keer dat je naar Jupiter kijkt,
ga je iets meer zien. Het
eerste wat zal opvallen, zijn
evenwijdige, donkere strepen.
De snelle rotatie sleurt de
wolken mee in zijn beweging.
Het wolkendek kent twee
verschillende
types
van
wolken: de donkere (banden)
en de lichte wolken (zones).
Banden en zones wisselen
zich steeds af. Ze hebben
allemaal,
via
een
slim
uitgedokterd systeem, een
kodering meegekregen (zie
figuur 2).
Met de telescoop is het ook
mogelijk de maantjes beter te
bekijken. Soms kan het
gebeuren dat een maan plots
weg is, of dat er plots één bij
is. Dit is een bedekking, de
maan verdwijnt in (of komt
tevoorschijn uit) de schaduw
van Jupiter. Tabel II geeft een
lijstje van tijdstippen wanneer
dit zal
gebeuren. Voor oppositie (tijdens oppositie staan zon en
Jupiter recht tegenover elkaar
aan de hemel) zien we
meestal verschijningen en
erna vooral verdwijningen.
Moeilijker om te zien
als beginnend waarnemer is
een maanovergang. De maan
datum
tijd
8 maa
1h57
22 maa
maan
type
I
2
23h30
III
1
23 maa
23h57
I
2
3 apr
22h25
II
2
8 apr
21h54
I
2
8 mei
21h07
I
1
Tabel II. Verduistering van manen (I: Io, II: Europa, III: Ganymedes, IV: Callisto). Type 1 is
een verdwijning, type 2 een verschijning.
beweegt dan voor de planeetschijf heen.
Wetenschappelijk
Er zijn zoveel waardevolle
dingen te verrichten in het
waarnemen van Jupiter. Zo is
men geïnteresseerd in het
heel precies klokken van een
verduistering van een maantje.
Het meeste werk valt echter te
doen bij het bijhouden van de
wolkenformaties op Jupiter.
Men merkte vlug dat er een
groot verschil bestaat in de
bewegingssnelheid
van
wolken dicht bij de evenaar en
wolken
er
verder
van
verwijderd. Omdat Jupiter niet
vast is, kan alles vrij t.o.v.
elkaar bewegen. Aan de
evenaar draait alles het snelst
omwille van de middelpuntsvliedende kracht (die
voel je als je op een draaiend
rad zit).
Om alles een beetje bij te
kunnen houden, heeft men
afgesproken
twee
rotatiesystemen
ingevoerd.
Men heeft de gemiddelde
rotatietijd aan de evenaar als
systeem I en die van elders als
systeem II genomen. Het
berust dus helemaal op
afspraak. Een wolk op 30
systeem I betekent dat die
wolk op 30 ligt van een
fictieve wolk die met een afgesproken snelheid beweegt. Die
per afspraak vastgelegde
Tabel I.Tijden vanaf wanneer je Jupiter kan
zien. De tijden zijn in U.T. (in wintertijd één
uur bij tellen, in zomertijd twee uur).
datum
uur
10 feb
1h
2 maa
0h
22 maa
22h
11 apr
21h
1 mei
19h
rotatietijden zijn: 9h50m 30s
(systeem I) en 9h55m41s (systeem II).
Ik hoop dat dit verhaal je
moge stimuleren om Jupiter dit
jaar eens in het vizier te
nemen. Alvast succes.
Erwin Verwichte
Afbeelding 15.5 december 1993,
4h55m, Newton D114mm f900mm,
167x, Koen Goossens.
Afbeelding 16.De banden en zones
van Jupiter.
Waarnemen
Selena 14
De maan heeft op de zon na het meeste invloed
op de mensheid. Er zijn zelfs theorieën die stellen
dat er zonder de maan geen leven op aarde
mogelijk zou zijn. Sinds de vluchten van het
Apolloprojekt is de aandacht voor de maan
alsmaar gedaald. Dat wil echter niet zeggen dat er
niets mee aan te vangen is.
Iedereen heeft er de
pest aan als de maan vol is,
maar is dan weer overweldigd
door het asgrauwe licht op de
onverlichte zijde van de maan
wanneer die maar enkele
dagen oud is.
Twee type astronomen
voelen zich door de maan
aangetrokken: kunstenaars en
timers. De eersten worden
geboeid door de schoonheid
en
diversiteit
van
het
maanlandschap. Ze zetten
dan ook alles in het werk om
deze te ontdekken en vast te
leggen d.m.v. een tekening of
foto. De timers gebruiken
bedekkingen van sterren door
de maan om betere gegevens
te hebben over de maanbaan
en de strukturen aan de
maanrand. Beide types zullen
nu aan bod komen.
Kunstenaars
De maan is vooral bekend
voor zijn mares en kraters.
Sommigen onder ons kennen
die allemaal zo goed alsof het
hun eigen buurt was. En ze
willen die buurt liefst tot in het
kleinste detail kennen. het
voordeel van de maan is dat je
met het blote oog al veel kan
zien. Probeer eens de donkere
mares in te tekenen. Zoek dan
in een boekje op hoe ze
afzonderlijk heten. Ze hebben
allemaal
erg
romantische
namen gekregen zoals: zee
der wolken of zee der stilte.
In de verrekijker kan je de
grootste kraters zien. Neem er
een eenvoudige maankaart bij
zodat jet kan nagaan welke
kraters te zien zijn.
Het toffe werk begint met
een telescoop. Je krijgt het
gevoel naar een andere
wereld weggetoverd te zijn,
een dode wereld in een spel
van
licht
en
schaduw.
Oriënteren
wordt
een
voorzichtig tasten met een
degelijke kaart als gids. Na
een tijdje kom je een maanstreek tegen dat je mooi vindt.
De wens komt dan vlug op om
het zicht, toch zeker voor een
stukje, voor de eeuwigheid
vast te leggen. Er zijn twee
opties:
tekenen
of
fotograferen. Ik zelf weet van
het laatste geen snars af zodat
ik het maar over het tekenwerk
zal hebben.
Elke
beginnende
waarnemer-tekenaar maakt de
fout om een te groot stuk van
de maan te willen intekenen.
Waarschuwen heeft weinig
nut. Als je de les nog niet
geleerd hebt, zal de praktijk
die je beslist nog leren. Eens
het doelgebied afgebakend is,
kan het ruwe werk beginnen.
De grote strukturen worden op
het blad getekend. Teken
vooral niet te klein. Let er ook
goed op dat de onderlinge
verhoudingen goed zijn want
de rest van de tekening
baseert zich daarop.
Vervolgens gebeurt het
vastleggen van de details. Ik
plaats dan het doelgebied aan
de oostzijde van het beeldveld
en laat het doorheen het
beeldveld lopen. Ik let daarbij
heel goed op de details die ik
als volgende wil intekenen. Als
ik tevreden ben, plaats ik ze
op het papier, anders herhaal
ik nogmaals de procedure.
Bega in godsnaam niet de
fout met de potlood te
beginnen kleuren op de
tekening. Achteraf weet je niet
meer wat je bedoelde. Het si
tijd geworden om het artistieke
talent in te ruilen voor gezond
verstand. Om de helderheheden van de verschillende
details vast te leggen wordt
een
tiendelige
schaal
ingevoerd. 0 is wit en 10 is
zwart. Daartussen gradeert de
helderheid van lichtgrijs tot
donkergrijs. Duidt eerst de
details aan die ofwel wit, ofwel
zwart (schaduw) zijn. De
andere strukturen kan je dan
met deze vergelijken. Ik geef
toe, in het begin wil dat niet zo
lukken. Oefening baart kunst.
Als
dat
gedaan
is,
ontbreken nog enkel de vitale
gegevens: datum, uurtijd (in
U.T.), kijkertype en vergroting.
Vergeet vooral niet de naam
van het getekende gebied, of
duidt
het
tenminste
zo
nauwkeurig aan op een kaart
mocht je de naam niet weten.
Het is toch een beetje stom
dat je een mooie tekening van
een krater hebt, maar het
Tabel 1. Sterbedekkingen.
datum
tijd
naam
magnitude
ver.
P
h
18 mei
23h34,6m
19 Sex
5,9
1
88
9
18 jun
20h56,3m
68 Vir
5,6
1
91
23
21 jun
22h30,6m
ω Oph
4,6
1
105
18
18 jul
20h41,0m
ω1 Sco
4,1
1
69
18
18 jul
20h59,5m
ω2 Sco
4,6
1
108
17
20 jul
22h32,9m
μ Sgr
4,0
1
105
18
20 jul
23h30,3m
15 Sgr
5,4
1
43
16
Ver.: 1: verdwijning, 2: verschijning, P: positiehoek gemeten vanaf het noorden op de maan
richting oosten, h: hoogte boven horizon.
antwoord op de vraag welke
het is, steeds verschuldigd
blijft.
De volgende morgen
gebeurt het afwerken. De
werktekening wordt
overkalkeerd op een mooi,
ongekreukt blad. Haal hiervoor
verschillende types potloden
boven. De details worden volgens de aangegeven nummer
ingekleurd. De zwarte stukken
kunnen eventueel met inkt
opgevuld worden. Het
eindresultaat is natuurlijk
afhankelijk van je artistieke
vaardigheden maar vergeet
nooit dat de nauwkeurigheid
waarmee de details
ingetekend zijn, primeert.
Timers
Langsheen zijn pad aan de
hemel bedekt de maan heel
wat sterren, heldere en zwakke. Mensen berekenen zulke
gebeurtenissen. Ze willen
weten wanneer de bedekking
begint en eindigt. Waar ergens
aan de rand de ster verdwijnt
en waar verschijnt ze terug? Is
dat aan de verlichte of
onverlichte zijde? In tabel 1
vind je er enkele tabelleert.
Zulke sterbedekkingen dienen
tot op de tiende sekonde
nauwkeurig
getimed
te
worden. Het vergt dus enig
vakmanschap, waar ik hier niet
dieper op in ga. In de bib van
de sterrenwacht ligt een
prachtig en uitgebreid boek
daarover.
De timers zijn nog meer
genteresseerd in rakende
sterbedekkingen. De maan
scheert dan net aan de ster
voorbij. De ster wordt door het
profiel van de maanrand
telkens als deze achter een
maanberg verdwijnt, bedekt.
Dat spel van verdwijnen en
verschijnen wordt op de voet
gevolgd. Op die manier kan
namelijk de vorm van de
strukturen op de rand beter
bepaald worden. De volgende
gunstige rakende bedekking is
pas voor december. Bert zal je
in de 'Astronomische kalender'
tijdig daarvan op de hoogte
brengen.
Erwin Verwichte
Afbeelding 17.Theophilus, 20/08/89,
Newton 150 f1000, 111x.
Afbeelding 18.Een rakende
sterbedekking.
Waarnemen
Selena 15
Saturnus is zeker en
vast het allermooiste
objekt aan de hemel, al
zeg ik het zelf. Alhoewel
de reus Jupiter volop in
de belangstelling staat,
mogen we niet vergeten
dat zijn kleinere broer
ook zijn opwachting
maakt.
Descartes kent een traditie
wat betreft planeetwaarnemen.
De 'anciens' zijn allemaal
toegewijde planeetaanbidders,
die het jongere publiek in hun
sleeptouw nemen.
Saturnus is de afgelopen
jaren gekend als zijnde een
zomerobjekt. Hij kroop steeds
maar tot op geringe hoogte
boven de horizon. Daar komt
nu langzaamaan verandering
in. 1995 zal het laatste jaar zijn
dat Saturnus zich onder de hemelequator bevindt. Dit jaar
bereikt hij dan ook al een
culminatiehoogte van 31.
Op 2 juni stond de
ringenplaneet in kwadratuur
(zon en planeet staan op een
hoek van 90 van elkaar aan
de hemel verwijderd). De
oppositie is gepland voor 1
september (zon en planeet
staan op een hoek van 180
van elkaar). Tot die datum zal
de schijnbare diameter van de
planeet aangroeien tot bijna 19
boogsekonden.
Verloren pracht
De
ringen
zijn
voor
Saturnus wat staartveren voor
een pauw zijn. Maar de
planetaire
'veren'
zijn
uitgetrokken. Het ringvlak staat
haast in het vlak van de
ecliptica (onze kijkrichting)
zodat we ze erg afgevlakt zien.
De scheiding van Cassini is
erg moeilijk te zien en dan ook
maar voor een heel klein
gedeelte. Volgend jaar wordt
het nog erger. Dan zullen de
ringen verdwijnen. We kijken
recht op de zijkant van de
ringen. Omdat deze zeer dun
is, zien we vanop aarde niets.
Dit heet een ringvlakpassage.
Alhoewel Saturnus niet meer
fotogeniek is, zal het een heel
boeiende
tijd
voor
planeetwaarnemers worden.
Kenmerken
De eerste indruk door de
telescoop is die van een kleine
schijf met oren. Plaats de
planeet in het midden van het
beeldveld en tracht voorzichtig
uit te vergroten. Maar overdrijf
daarin niet. Want tezamen met
het
beeld
is
ook
de
luchtturbulentie
mee
uitvergroot zodat het beeld
alsmaar bibberig wordt. Het
ideale is een vergroting van
tussen de 150 en 200 keer, in
het beste geval tot 300 keer.
Saturnus is een gasplaneet
die zo snel om zijn as draait
dat zijn polen afgeplat zijn. Dat
is
duidelijk
te
zien.
Kenmerkend
voor
een
gasplaneet is dat niet elk deel
met dezelfde snelheid ronddraait. Rond de evenaar
doet Saturnus er 10h14m00s
over
om
één
toer
te
volbrengen terwijl op hogere
breedtes dat tientallen minuten
trager is.
Na een tijdje kijken, vallen
enkele dingen op. Bij de plek
waar de ringen voor de
planeet gaan, is een donkere
band. Dat is de schaduw van
de ringen op de planeet. Het is
het opvallendste verschijnsel
op de planeet.
Aan
het
noordelijke
halfrond (onderste gedeelte in
een omkerende kijker) is de
noordequatoriale band te zien.
Het is een donkere strook die
het heldere evenaarsgebied
scheidt van de noordelijke
pool.
Ervaren
waarnemers
rapporteren
regelmatig
donkere en heldere vlekjes op
de planeet. Ze zijn zeer
moeilijk te zien. Er wordt dan
ook hevig gediscussieerd of ze
wel inderdaad allemaal bestaan en hoe ze evolueren. In
de herfst van 1990 was er
geen
discussie.
Toen
verscheen
er
in
de
evenaarszone een grote helwitte vlek (zie Selena 1, blz 9).
Ze was eerst klein en duidelijk
omlijnd. Later smeerde ze uit
zodat de randen waziger
werden. Zo'n verschijning is
vrij zelden, eens om de dertig
jaar.
Achter de telescoop
In tabel 1 vind je de uren van
opkomst en ondergang. Voordat
Saturnus
op
een
fatsoenlijke hoogte staat, duurt
het wel nog een uur na opkomst.
Voor het waarnemen van
de ringen zijn het magere
tijden. De scheiding van
Cassini is slechts aan de
topjes zichtbaar. De planeet is
daarentegen
veel
beter
waarneembaar
omdat
de
Erwin Verwichte
Tabel
I
opkomst
ondergangstijden.
ringen weinig in de weg staan.
Jarenlang werd het zuidelijk
halfrond door de ringen van
het zonlicht onttrokken. Het is
nog wat donker wanneer het
terug wat licht ziet. Het
verschil met het noordelijk
halfrond is vrij duidelijk.
Er zijn eigenlijk heel wat
banden zichtbaar op de
planeet. Er is wel een
geoefend oog voor nodig
omdat ze kontrastloos zijn. De
NEB (Noord Equatoriale Band)
is niet te missen. Dit komt
vooral
omdat
de
EZ
(Equatoriale Zone) zo helder
is, waardoor het kontrast met
de band verhoogd wordt.
Deels achter de ringen is zijn
broer, de SEB (Zuid Equatoriale Band) verborgen. Boven
de ringen ligt de STB (Zuid
Gematigde Band). Onder de
NEB, iets minder duidelijk, de
NTB (Zuidelijk Gematigde
Band). De polen zijn donker.
Probeer of je de banden kan
zien.
Heb je zin in een tekening
(ja toch ?), dan is de eerste
vereiste
een
korrekt
waarnemingsformulier
te
kapen. Deze is bij Descartes
zonder probleem te verkrijgen.
Hierop staat een sjabloon en
een lijst met gevraagde
waarnemingsgegevens
(datum,
tijd
,telescoop,
vergroting, enz...).
Probeer
zo
getrouw
mogelijk de ringen in te
tekenen (merk op dat het
linker
en
rechterdeel
symmetrisch zijn). Dat geldt
ook voor de banden. De
ringschaduw op de planeet is
een goede referentie. Plaats
deze
het
eerst.
Schat
nauwkeurig zijn afstand tot de
beide polen.
Belangrijk is te weten
welke kant het westen is (p:
preceding).
Vermijdt
het
gebruik van een zenitprisma.
Op die manier staat de p-zijde
steeds links (een zenitprisma
keert richtingen om).
Tot slot: laat je werkje niet
liggen maar kopieer het en
stuur het naar ons op. Richt je
telescoop naar het mooiste
objekt aan de hemel !
en
datum
opkomst
ondergang
9 aug
20h05
6h41
19 aug
19h24
5h58
29 aug
18h44
5h14
8 sep
18h03
4h31
18 sep
17h22
3h47
28 sep
16h42
3h04
8 okt
16h02
2h22
18 okt
15h21
1h40
28 okt
14h41
0h59
alle tijden in U.T.
(uit Hemelkalender 1994, J. Meeus)
Afbeelding 19.Uiterlijk van Saturnus in
1994.
Afbeelding 20.boven: 10 juli 1994,
2h55, refr. 110 f1300, 104x, Wouter
Krznaric'.
onder: 17 juli 1994, 2h50, refr. 200
f1800, 180x, Erwin Verwichte.
Afbeelding 21.diameter van
saturnusevenaar.
Waarnemen
Selena 16
De herfststerrenhemel
is het schouwspel van
de mythe rond de
Griekse held Perseus.
Hij was het lief van
Andromeda,
wiens
ouders Cassiopeia en
Cepheus waren. Hij
bereed het vliegende
paard Pegasus en versloeg
zowel
het
zeemonster Cetus als
de
slangenvrouw
Medusa.
Perseus is omwille van de
grote verscheidenheid aan
waarnemingsobjekten onge-
Afbeelding 22.Perseus.
twijfeld het boeiendste sterrenbeeld aan het herfstelijke
firmament. Die faam heeft het
voornamelijk te danken aan de
tweelingssterrenhoop h en χ
Perseï. Je vindt ze door tussen
de sterren η Per en δ Cas te
zoeken. In een maanloze
nacht zijn ze al met het blote
oog zichtbaar als twee wazige
sterretjes. Vandaar dat ze
oorspronkelijk een sternaam
gekregen hebben. Het beeld in
een
verrekijker
is
overweldigend, zelfs beter dan
met een telescoop omdat een
telescoop het beeld te zeer inengt zodat de pracht ervan
verloren gaat. Je kan al blij zijn
mocht je ze beide in één
beeldveld krijgen. h en χ Per
horen fysisch niet bijeen. De
ene staat enkel haast in
dezelfde kijkrichting als de
andere.
De omgeving van dit paar
is bestukt met tientallen kleine
sterrenhopen.
Met
een
verrekijker in de hand kan je
ze tijdens een donkere nacht
allemaal
ontdekken.
De
heldersten zijn M103 en
NGC457
in
het
buursterrenbeeld Cassiopeia.
Het hart van Perseus
Ten zuiden van h en χ Per
ligt de heldere ster η Per. Het
is een mooie dubbelster. De
twee komponenten hebben
een helderheid van 4de en
9de magnitude. De onderlinge
afstand bedraagt 28" wat goed
te doen is met een kleine
telescoop. Het bijzondere aan
dit paar is het mooie kleurkontrast tussen een gele en
een blauwe ster.
Laat de kijker op de
dubbelster gericht en neem de
verrekijker ter hand. De
sterren tussen α en δ Per
vormen
een
duidelijke
groepering. De hoop valt uiteen in twee stukken: een
trapezium rond σ Per aan de
zuidzijde en een grote kronkel
in het noorden nabij α Per. Is
deze samenhoping van relatief
heldere sterren
toevallig?
Neen. Ze vormen samen de α
Perseï-associatie. De ironie wil
dat de ster die zijn naam aan
deze hoop geschonken heeft
er zelf niet toebehoort. Een
associatie is een losse
verzameling van sterren die uit
éénzelfde wolk geboren zijn.
Ze zijn dus allemaal even oud.
Onze zon maakt ook deel uit
van een associatie waartoe de
meeste van de helderste
sterren aan de hemel ook
toebehoren.
Duivelsster
De
Griekse
held
Perseus
houdt
in
zijn
rechterhand een zwaard en in
zijn linkerhand het afgehakte
hoofd van Medusa vasthoudt.
Medusa kon met haar blik
mensen in steen doen veranderen. De twee sterren β en ρ
Per stellen de ogen voor. Ze
zijn beiden veranderlijke sterren. De Italiaan Montanari ontdekte dat β Per, onder vrienden beter gekend als Algol,
een veranderlijke helderheid
heeft. Normaal heeft Algol een
helderheid van 2,2m maar om
de 2d20h48m56s zwakt de ster
gedurende een duur van 5 uur
af naar 3,4m om na 20 minuten
weer in helderheid toe te
nemen. Algol is een bedekkingsveranderlijke. Twee
sterren draaien nauw om elkaar heen met een periode
van 2d20m... Eén ster is
lichtkrachtig,
de
andere
lichtzwak. Het baanvlak van
het paar ligt precies in onze
kijkrichting.
Wanneer
het
zwakke broertje voor de krachtige schuift (bedekking),
neemt de totale helderheid af
(primair minimum). Als het
zwakke broertje achter de
krachtige verdwijnt, neemt de
totale helderheid ook af maar
lang niet zo fel (secundair
minimum). In tabel 1 zijn
tijdstippen
van bedekking
gegeven. Enkele uren voor en
na de bedekking kan je
helderheidsschattingen
verrichten
(vergelijkingssterren: α Per 1,76 ; η And
2,26 ; η Per 2,93 ; δ Per 3,01 ;
α Tri 3,41 ; κ Per 3,80).
10/11
17u30
27/11
22u18
30/11
19u12
20/12
20u54
23/12
17u42
Alle tijden zijn in U.T.
(uit Hemelkalender 1994)
Afsluiter
In het westelijk deel van
Perseus ligt de mooie, kleine
planetaire nevel M76. Hij wordt
ook wel de 'Kleine Halternevel'
genoemd. Hierboven zie je er
een impressie van.
Erwin Verwichte
Afbeelding 23.M76, 5/12/91, Newton
150 f1000, 40x.
Tabel 1. Tijdstippen van bedekking
van Algol.
datum
7/11
uur
20u36
Afbeelding 24.Bedekkingsveranderlijke
Algol.
Download