Vaktaal in een lessenserie natuurkunde

advertisement
Vaktaal in een lessenserie natuurkunde
Jannie Breedijk en Taco Pestman, SG Het Baken, Almere
Tijdens deze presentatie hebben de deelnemers ervaren hoe een vaktaalgerichte natuurkundeles (voor leerlingen van een technisch vbo, klas 3) van Jannie Breedijk en Taco
Pestman er uitziet. De deelnemers deden zelf een proefje, waarbij het gebruiken van de vaktaal centraal stond. Hierna gaven Jannie en Taco een toelichting bij hun werkwijze.
Praktijkvoorbeeld: een vaktaalgerichte natuurkundeles
Het eerste deel van de workshop verliep als een les natuurkunde. Jannie vroeg de deelnemers naar een lijstje woorden op het bord te kijken. Hier stonden onder andere de volgende
woorden: vaste stof, vloeistof, gas, verdampen, smelten, bevriezen, stollen, rijpen, enzovoort. De ‘leerlingen’ moesten nadenken over de vraag: waar zal de komende les over gaan?
Vervolgens moesten zij proberen één overkoepelend woord te bedenken dat op dit lijstje van
toepassing was (een goed antwoord zou hier zijn: ‘fasen’). Hierna volgden nog twee vragen:
‘welke woorden horen er nog meer bij?’ en: ‘welk woord ken je nog niet?’.
Na bespreking van bovenstaande vragen, kregen de aanwezigen de opdracht om een aantal woorden uit het rijtje aan elkaar uit te leggen. Jannie gaf aan dat zij in haar lespraktijk
ook leerlingen de betekenis van woorden aan elkaar laat uitleggen, waarna de leerlingen
alle woorden in hun schrift schrijven: de woorden die ze kennen, onderstrepen ze en ze
schrijven de betekenis er achter.
Hierna gingen de deelnemers een experiment doen. De ramen en deuren werden opengezet
en iedereen kreeg een boterhamzakje. Taco, de technisch onderwijsassistent, spoot vervolgens in ieder zakje wat aanstekervloeistof (butaan). In de zakjes was te zien hoe de vloeistof in rap tempo verdampte en expandeerde. Het butaan bevroor onmiddellijk en er ontstonden kleine ijskristallen. De deelnemers moesten goed waarnemen: wat gebeurt er?
Daarbij moesten de woorden op het bord in de gaten worden houden; kun je die woorden
gebruiken als je verwoordt wat er gebeurt?
Na het experiment legt Jannie uit dat deze werkwijze een goede manier is om vaktaalwoorden van een nieuwe les bij leerlingen te introduceren. Door de woorden op het bord
maken de leerlingen kennis met de begrippen en oriënteren zij zich op het onderwerp.
Bovendien staan zij stil bij de vraag welke woorden ze al wel of nog niet kennen en zo mogelijk formuleren zij zelf een definitie van de hun bekende woorden. Tijdens het experiment
benoemen de leerlingen de gebeurtenissen (waarbij ze gebruik maken van de termen op het
bord) en door de gebeurtenissen onderling te vergelijken, ontstaan gesprekken, waarin leerlingen de vaktaal gebruiken.
Wanneer Jannie en Taco deze proef met de leerlingen doen, vragen zij de leerlingen na afloop zo nauwkeurig mogelijk op te schrijven wat ze waargenomen hebben. Hierbij kunnen
leerlingen ook tekeningen maken. Eén van de deelnemers vraagt zich af of leerlingen in
staat zijn om goed te verwoorden dan wel weer te geven wat zij ervaren. Jannie antwoordt
dat de leerlingen van Het Baken getraind worden in ‘waarnemen’, waarbij zij leren alle zintuigen te gebruiken en alles op te schrijven wat ze zien.
Woordenschatdidactiek
Aan de hand van enkele sheets laat Taco allereerst zien waarom aandacht voor vaktaal van
belang is. Hij laat een tekstfragment zien uit een natuurkundemethode, waaruit de vaktaalwoorden zijn weggelaten; de tekst is eigenlijk niet meer te begrijpen en Taco geeft aan
dat de situatie vergelijkbaar is voor leerlingen die veel (vaktaal)woorden niet begrijpen.
De woordenschatdidactiek waarvan gebruik wordt gemaakt, is die volgens de volgende vijf
stappen8:
1.
Oriënteringsfase
(waarin onder meer activeren van voorkennis van belang is);
2.
Aanbodfase
(waarin het woord in een context aangeboden wordt);
3.
Semantiseringsfase (waarin het gaat om het verduidelijken van de betekenis);
4.
Consolideringsfase (waarin het woord en de betekenis worden ingeoefend);
5.
Herhalingsfase
(waarin het woord op verschillende manieren herhaald
wordt).
Taco geeft aan dat het in de semantiseringsfase van belang is een begrip op verschillende
manieren uit te leggen, de leerlingen woorden te laten opzoeken, zelf aanvullende informatie te geven en de leerlingen veel te laten ervaren, bijvoorbeeld door te visualiseren.
Tot slot zal een docent overigens moeten controleren of de te leren woorden en hun betekenis ook werkelijk onthouden zijn.
Lezen bij de natuurkundemethode en vaktaal-opdrachten
Voor het lezen van teksten uit de natuurkundemethode Eureka is een hulpkaart gemaakt
(zie afbeelding 10). Aan de hand van stappen op deze hulpkaart kijken de leerlingen eerst
naar de buitenkant van een tekst om zich te oriënteren op het onderwerp. Na het lezen van
de tekst schrijven leerlingen de moeilijke (vaktaal)woorden op en gaan vervolgens de betekenis van deze woorden achterhalen.
Naast het gebruik van deze hulpkaart, maken de leerlingen opdrachten die in het kader van
Taalgericht vakonderwijs ontwikkeld zijn. Bij deze opdrachten staat de betekenis van vaktaalwoorden centraal (zie voor een voorbeeld afbeelding 11).
8
De docenten hebben hiervoor gebruik gemaakt van: Laarschot, M. van de, Lesgeven in meertalige klassen:
handboek Nederlands als tweede taal in het voortgezet onderwijs. Groningen: Wolters-Noordhoff, 1997
Lezen bij natuurkunde
Een hoofdstuk in het natuurkundeboek is opgebouwd uit een aantal paragrafen.
Aan het eind van een paragraaf staan vragen over het onderwerp van de paragraaf.
Om deze vragen te kunnen beantwoorden moet je de tekst begrepen hebben.
De volgende aanwijzingen helpen je daarbij.
A
Je begint met het bekijken van de BUITENKANT van de tekst van een paragraaf.
Daarvoor moet je het volgende doen:
• De titel lezen.
De tekst van een paragraaf bestaat uit verschillende alinea's .
Een alinea is een klein stukje tekst waarboven ook weer een titel staat.
Die titel noemen ze bij Nederlands een tussenkopje.
• De tussenkopjes lezen.
• De anders gedrukte woorden lezen.
In een tekst zijn bepaalde woorden soms anders gedrukt.
Ze zijn schuin gedrukt, of vet gedrukt, of ze hebben een andere kleur.
• Als er plaatjes bij de tekst staan, dan bekijk je die.
• Als er teksten bij de plaatjes staan, dan lees je die.
• Als er teksten in de kantlijn staan, dan lees je die.
Je hebt nu de BUITENKANT van de tekst bekeken!
Beantwoord de volgende vragen in je schrift.
1. Waar gaat de tekst over?
2. Wat weet je na het bekijken van de buitenkant van de tekst zelf al over dit onderwerp?
B
Je hebt nu zelf al nagedacht over het onderwerp.
Als je de tekst NU gaat LEZEN, begrijp je hem veel beter.
• Lees de tekst helemaal.
• Schrijf moeilijke woorden die je tegenkomt in je schrift op.
• Wat is de betekenis van die woorden?
Soms kun je die betekenis zelf bedenken als je de zin nog eens leest waarin dat woord staat.
Je kunt overleggen met je buurman of buurvrouw wat de betekenis zal zijn.
Je kunt de betekenis ook opzoeken in een woordenboek.
Je kunt je docent om hulp vragen.
• Wanneer er een VAKTAALOPDRACHT bij de tekst is, dan maak je die.
Vraag: Weet je nu genoeg om de vragen te kunnen beantwoorden?
Afbeelding 10: Hulpkaart Lezen bij natuurkunde
VAKTAAL OPDRACHT
HET
WEER
§1
Bekijk de tabel.
• Links lees je woorden of korte zinnen die met deze paragraaf te maken hebben.
• Rechts wordt iets bij die woorden of zinnetjes verteld.
• De regels in de rechter kolom staan in de verkeerde volgorde.
• Jij moet ze sorteren.
1. Neem de titel bovenaan de tabel over in je schrift.
2. Schrijf de bij elkaar horende regels uit de linker en de rechter kolom over in je schrift.
1- Waterdamp
a- De manier waarop iets is opgebouwd
2- Wolk van hele kleine druppeltjes
vloeistof
b- Stollen
3- Structuur
c- Toestand van een stof.
Er zijn drie fasen: vaste stof, vloeistof
en gas
4- Kristal
d- Condenseren
5- Kenmerkend
e- Bevriezen
6- Fase
f- Kleine waterdruppeltjes die soms
's morgens op het gras zitten
7- Verandering van de toestand van de
stof. Een vaste stof wordt bijvoorbeeld
een vloeistof
g- Rijpen
8- Een vloeistof wordt een gas
h- Water in gas fase.
9- Een gas wordt een vloeistof
i- Sublimeren
10- Is hetzelfde als stollen
j- Zo'n stof heeft een hele regelmatige
opbouw, met veel hoeken, zoals bijvoorbeeld sneeuw en zout en diamant.
11- Een vloeistof wordt een vaste stof
k- Laagje ijskristallen op bijvoorbeeld
takken van bomen en struiken
12- Een vaste stof wordt een gas
l- Waaraan je iets kunt herkennen
13- Een gas wordt een vaste stof
m- Nevel
14- Dauw
n- Fase-overgang
15- Rijp
o- Verdampen
Afbeelding 11: Voorbeeld vaktaalopdracht 'Het weer'
Download