Verduurzaming gebouwde omgeving door open warmtenetten

advertisement
Verduurzaming gebouwde
omgeving door open
warmtenetten
2
3
Verduurzaming gebouwde
omgeving door open
warmtenetten
Eindrapportage voorstudie, 1 juli 2015
Project in opdracht van Alliander Duurzame Gebiedsontwikkeling
Auteurs:
B. den Ouden
L.H. Hoeksema
P. Graafland
Berenschot Energy & Sustainability
5
Inhoud
1.Inleiding .............................................................................................. 7
2,
Visie op verduurzaming van de gebouwde omgeving..................... 11
2.1
Opties voor verduurzaming gebouwde omgeving.......................................... 11
2.2 Duurzame incentives voor de consument ....................................................13
2.3.
De veranderende rol van warmtenetten in de verduurzaming......................15
2.4 Het betrekken van bewoners en gebouweigenaren bij de ontwikkeling.........18
2.5 Technische en economische vraagstukken....................................................19
3.Vervolgacties .................................................................................... 21
Bijlagen ...................................................................................................... 25
Bijlage 1: Expertlijst...................................................................................................26
Bijlage 2: Literatuurlijst.............................................................................................27
Bijlage 3: Presentatie bij SER conferentie “Het energieakkoord in de regio”............28
Bijlage 4: Input aan Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur .........................31
7
1
Inleiding
Er ligt een grote ambitie voor verduurzaming van de gebouwde omgeving. In 2050
dient de energievoorziening geheel emissievrij te zijn en dus geen CO2 uit te stoten.
Daarbij is de warmtevoorziening cruciaal: deze moet nagenoeg volledig worden
verduurzaamd. Een grote opgave als we beseffen dat de warmtevraag circa vijf maal
zo groot is dan de elektriciteitsvraag.
Er zijn meerdere opties voor deze verduurzaming: elektrificatie, groen gas met CV
(eventueel in mix met warmtepomp), aanzienlijke energiebesparing in de woningschil en warmtenetten op basis van CO2-vrije bronnen. Deze hebben elk hun vooren nadelen en beperkingen. Warmte uit warmtenetten heeft naar verwachting
een substantieel aandeel in deze mix, vooral voor verduurzaming van de warmte­
voorziening in de stedelijke bestaande bouw en in de glastuinbouw.
Deze warmtenetten worden in de toekomst gevoed uit CO2-vrije bronnen zoals
geothermie, industriële restwarmte, biogas-WKK, afvalverbranding etc. Volgens
recent onderzoek1 gaan zulke restwarmtenetten een flink deel van de warmtevraag
in de gebouwde omgeving dekken en kosteneffectief worden. Ook het ministerie
van Economische Zaken (EZ) beseft dit goed, zie de recente warmtevisie2 waarin
EZ voorstelt om de huidige gasvoorziening geleidelijk door warmtenetten te gaan
vervangen.
1
2
CE Delft, Op weg naar een klimaatneutrale gebouwde omgeving 2050, mei 2015
Warmtevisie, Ministerie van Economische Zaken, 2 april 2015
8
Dit heeft gevolgen voor de energie-infrastructuur: de netten voor elektriciteit, gas
en warmte. Er zijn flinke maatschappelijke uitdagingen die investeringen nodig
maken en dit raakt de netwerkbedrijven.
Alliander ontwikkelt daarom een visie op de duurzame energievoorziening van
de gebouwde omgeving in Nederland en de weg naar realisatie van die visie, met
aandacht voor de rol van (open) warmtenetten daarin.
Berenschot heeft in opdracht van Alliander verkennend onderzoek gedaan naar
de toekomstige ontwikkeling van open warmtenetten in het licht van voorgaande
visie. De doelen van dit onderzoek waren drieledig: ondersteuning van de besluitvorming binnen Alliander; het leveren van een bijdrage aan de bredere discussie over dit onderwerp; en het leveren van input voor overleg en toekomstige
samenwerkingsverbanden.
Dit document bevat de rapportage van een voorstudie en bestaat uit;
zz
een analyse van de belangrijkste mogelijkheden en belemmeringen
zz
bepaling van de richtingen van de verdere ontwikkeling
zz
keuzes met betrekking tot de scope en reikwijdte van het vervolg
Ten behoeve van deze studie is gesproken met een 12-tal betrokken experts op het
gebied van verduurzaming van de gebouwde omgeving (zie bijlage 1). Daarnaast
zijn de belangrijkste beschikbare studies en rapporten bestudeerd en in de beschouwingen betrokken (zie bijlage 2). Tenslotte is er een workshop met een aantal
experts gehouden op 21 mei 2015. Deze laatste bijeenkomst leverde concrete ideeën
op waar in het vervolg op wordt voortgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat de tussentijdse
conclusies over de visie op verduurzaming van de gebouwde omgeving. Hoofdstuk 3
geeft de belangrijkste vervolgacties weer.
9
11
2
Visie op verduurzaming van
de gebouwde omgeving
De visie op verduurzaming bestaat uit vier onderdelen:
1. De verschillende opties voor verduurzaming van de gebouwde omgeving
2. Duurzame incentives voor consument
3. De veranderende rol van warmtenetten in de verduurzaming
4. Het betrekken van bewoners en gebouweigenaren bij de ontwikkeling
Deze punten worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.
2.1
Opties voor verduurzaming gebouwde omgeving
Achtereenvolgens besteden we hier aandacht aan de staalkaart voor het verduurzamingsproces, de relatieve omvang van het verduurzamingsproces en de noodzakelijke focus.
12
2.1.1. Staalkaart van verduurzamingsopties
De kern van het vraagstuk is het doel van een CO2-uitstootvrije gebouwde omgeving in 2050. We moeten de warmte verduurzamen. Fossiel aardgas stoken en CO2
uitstoten kan dan niet meer.
In de warmtevisie van EZ is een belangrijke rol weggelegd voor warmtenetten
gevoed door CO2-vrije warmtebronnen: geothermie, restwarmte van industriële
processen en afval of centrales met CO2-afvang. Er zijn andere verduurzamingsroutes gebaseerd op elektrificatie of groen gas, of sterke energiebesparing zoals in het
project “stroomversnelling”. In het kort zijn er de volgende vier opties:
OPTIE
BELANGRIJKSTE LIMITERENDE
FACTOR
TOEPASBAAR EN RELEVANT VOOR
Sterke energiebesparing
Renovatiekosten in bestaande bouw
Mate van potentiële besparing in de bestaande bouw
Nieuwbouw en intensieve renovatie
Elektrificatie met warmtepomp
Warmtesystemen in bestaande bouw
Meest nieuwbouw
Groen gas
Beschikbaarheid groen gas
Vooral extensieve bestaande bouw
Duurzame Warmtenetten
Beschikbaarheid CO2-vrije warmte; vereist
hogere warmtedichtheid
Vooral geconcentreerde bestaande
bouw (alsmede glastuinbouw)
In de bovenstaande figuur hebben de deelnemers aan de workshop aangegeven hoe
men de energiemix voor de warmte in de gebouwde omgeving ziet in 2050.
Zowel in het idealistische beeld (‘wat zou je het liefste willen zien gebeuren?’) als
het realistische beeld (‘wat denk je dat er in de praktijk gaat gebeuren?’), speelt
warmte uit duurzame warmtenetten een substantiële rol naast de andere opties.
2.1.2 Relatieve omvang van verduurzamingsopties
Een recente toekomstverkenning gaat nog verder, zie het recent uitgekomen rapport van CE Delft, waarin kenmerken van zowel nieuwe als bestaande wijken zijn
meegenomen. Hierin zou op basis van kostenefficiëntie meer dan de helft van de
warmtebehoefte in 2050 worden gedekt door groot- en kleinschalige warmtenetten,
vooral in de bestaande bouw.
Hier zijn verschillende kanttekeningen bij te maken.
zz
Het rapport benadert de invulling van de warmtevraag vanuit de laagste
integrale kosten voor verwarming. In de praktijk spelen naast de integrale
kosten veel andere overwegingen een rol in de besluitvormingsprocessen, zoals
de voorkeur voor individuele oplossingen. Afhankelijk van hoe zwaar deze
argumenten wegen kan dit de uitkomsten sterk beïnvloeden.
13
zz
Sommige innovaties, zoals de mogelijkheden van hybride warmtepompen
en opslag van elektriciteit spelen een onvoorspelbare rol of ontbreken
nog in studies. Scenario’s kunnen daardoor anders uitvallen. Zo kan de
gasinfrastructuur en elektriciteit groter blijven en de groei van warmtenetten
lager uitvallen dan nu verwacht, maar nog steeds groter dan nu in de praktijk.
zz
Warmtenetten zijn niet alleen van belang voor de gebouwde omgeving, maar
ook voor de glastuinbouw. De belangrijkste driver daar is de toename van de
geothermische bronnen, met warmtenetten tussen deelnemende tuinders. Er
ontstaat daardoor een potentieel voor het aaneenrijgen van zulke netten met
aftakkingen naar de gebouwde omgeving, op basis van duurzame aardwarmte.
Dit is een synergie die ook mee kan wegen in de lokale besluitvorming.
2.1.3 Concentreren op de robuuste ontwikkelingen
De onzekerheden ten aanzien van de ontwikkeling van geschikte technologieën
voor verduurzaming van specifieke segmenten van de gebouwde omgeving leidt
tot stevige discussie tussen energiedeskundigen. Soms neemt deze het karakter aan
van een richtingenstrijd. In de hier beschreven visie wordt de concurrentie tussen
technologieën als gezond beschouwd, maar de richtingenstrijd als ongezond en wel
om de volgende redenen:
zz
De opgave is groot en niet elk gebouw is gelijk. Daarmee is elke oplossing
welkom en innovatie langs verschillende lijnen kan wel eens een kritische
succesfactor blijken;
zz
In de praktijk zijn verschillende opties geschikt voor specifieke segmenten van
de gebouwde omgeving;
zz
In de praktijk zullen de gebruikers bepalen wat het wordt. De klant staat
centraal. Concurrentie via het opwerpen van blokkades voor andere
technologieën is ongewenst;
zz
De economische en technologische randvoorwaarden in de toekomst zijn
onzeker. Veranderingen in de randvoorwaarden kunnen de uiteindelijke
uitkomst sterk beïnvloeden. Verduurzaming is gebaat bij een level playing field
voor verschillende technologieën.
Warmte is in deze visie één van de robuuste opties voor verduurzaming.
2.2 Duurzame incentives voor de consument
Hoe de verduurzaming ook gestalte krijgt, de consument is een bepalende factor. In
deze paragraaf staan we kort stil bij het ontbreken van stimulansen voor verduurzaming bij de consument. Daarna gaan we in op fiscale mogelijkheden om de
consument te winnen voor verduurzaming. Tenslotte staan we stil bij een specifiek
deel van de “prosumers”; de Nederlandse agrarische sector en dan in het bijzonder
de glastuinbouw.
14
2.2.1 Stimulansen nodig voor verduurzaming in de gebouwde omgeving
De aansluiting op warmtenetten vereist toestemming van de woning- of gebouw­
eigenaar (waaronder ook verhuurders, die weer toestemming nodig hebben van
huurders). Hetzelfde geldt voor de andere verduurzamingsopties. De consument
laat zich niet alleen door de klimaatambities voor 2050 verleiden.
Op dit moment is er nauwelijks vraag naar algehele verduurzamingsopties voor de
gebouwde omgeving. De huidige gasprijs vertegenwoordigt niet het kostenniveau
van een CO2-vrije voorziening. Het is goedkoper en makkelijker voor bewoners en
gebouweigenaren om gewoon gas te blijven stoken en de CO2 te lozen. Zo lang deze
situatie in stand blijft, worden beslissingen tot verduurzamingsinvesteringen niet of
te laat genomen. Er moeten dus algemene beleidsmaatregelen komen die incentives genereren. Aardgas met “gratis“ CO2-uitstoot zou in de toekomst niet meer
de norm mogen zijn. Er zijn overheidsmaatregelen nodig voor de langere termijn
nodig die de transitie naar een duurzame energie infrastructuur ondersteunen. Dit
overstijgt de reikwijdte van Alliander. Anderen zijn hierbij aan zet.
2.2.2 Mogelijkheden in de energiebelasting
Een van de sleutels tot betere verhoudingen is de energiebelasting voor kleinverbruikers. Bij kleinverbruikers is het tarief van de energiebelasting per energiehoeveelheid voor elektriciteit ruim zesmaal zo groot ten opzichte van aardgas. Dat
is een ernstige marktverstoring in de afweging tussen gas, stroom en CO2-vrije
warmte voor de duurzame warmtevoorziening. Deze fiscale verstoring bevordert de
CO2-emissies door aardgas, belet toepassing van duurzame bronnen zoals elektrische warmtepompen en door de te lage belasting op aardgas komen warmtenetten
minder goed van de grond.
Opheffing van deze marktverstoring heeft grote voordelen. Het is redelijk om
stroom slechts ca. tweemaal zwaarder te belasten dan aardgas (want het kost
ongeveer twee eenheden gas in een centrale om één eenheid stroom te maken). Dat
kan op twee manieren:
zz
Financieel neutrale invoering. Hierbij gaat de belasting van elektriciteit omlaag
en die van gas omhoog. Dit kan op korte termijn en is een relatief eenvoudige
maatregel.
zz
Belasting op aardgas omhoog. Hierbij wordt de belasting op aardgas opgetrokken
tot het huidige niveau voor elektriciteit in het kader van de vergroening van
het belastingstelsel. Dat genereert een hogere belasting op aardgas. Daardoor
ontstaat een beter perspectief voor andere maatregelen waaronder CO2-vrije
warmtenetten.
2.2.3 Mogelijkheden in de glastuinbouw
Het bovenstaande geldt voor woningen en appartementengebouwen. Voor andere
belangrijke warmteverbruikers, zoals de tuinders, ligt de situatie anders. In de
glastuinbouw is de aanleg van warmtenetten soms nu al kosteneffectief, hetgeen
blijkt in situaties waarin tuinders samen een geothermische bron ontwikkelen met
een lokaal warmtenet.
15
Het aansluiten van glastuinbouw op een warmtenet is om meerdere redenen aantrekkelijk, onder andere vanwege het langere stookseizoen. Synergie tussen warmtenetten
voor tuinders en gebouwde omgeving ligt voor de hand. De tuinder is een kritische
consument met veel marktervaring, die vaak een vrije markt met alternatieven wenst.
2.3.
De veranderende rol van warmtenetten in de verduurzaming
De rol van warmtenetten verandert in de verduurzaming. Naarmate de omvang
toeneemt, ontstaat meer ruimte voor de invoering van third party access. Verder
vraagt een warmtenet om grote investeringen, met een verwacht laag rendement
op de warmtenetwerken. Het is daarbij onzeker of competitie op retail niveau voor
iedereen mogelijk wordt. Het antwoord op deze vragen bepaalt de rol van warmtenetten in de toekomst.
2.3.1 Invoering wholesale Third Party Access (TPA) in warmtenetten
De toekomstige warmtenetten voor de verduurzaming zullen waarschijnlijk qua
opzet anders moeten zijn dan de bestaande stadsverwarming. Daar zijn meerdere
redenen voor:
zz
De bestaande WKK restwarmtebronnen staan financieel onder druk en zijn ook
niet geheel duurzaam. Een open opzet van warmtenetten kan eenvoudig nieuwe
en duurzamere bronnen toelaten.
zz
Nieuwe duurzame aanbieders zoals industriële restwarmte en geothermie
gedijen beter in een open warmtemarkt omdat ze daarin niet meer individueel
en op lange termijn de levering hoeven te garanderen. Er ontstaat daarbij ook
behoefte aan een open warmtemarkt voor optimale benutting en uitwisseling
van warmte.
In de workshop met betrokken stakeholders werd een groot voordeel gezien in
wholesale competitie tussen warmte-aanbieders en een meer onafhankelijke rol van
het warmtenet:
zz
Een onderscheid tussen warmteproductie en warmtenet is wenselijk omdat
een netbedrijf betere toegang heeft tot de kapitaalmarkt voor de toekomstige
uitbreidingen van de warmtenetten.
zz
Open toegang op wholesale niveau is een stimulans voor duurzame en
innovatieve warmteproductie en creëert een afzetmarkt.
In de workshop werd geconcludeerd dat TPA veel van de geschetste voordelen
brengt, ook wanneer dit beperkt is tot wholesale niveau.
Door TPA als leidraad te nemen blijft de start van het open warmtenet in eerste
instantie relatief eenvoudig. In de eerste fase is sprake van TPA voor de verschillende warmteproducenten en mogelijk ook grotere verbruikers (zie verder paragraaf
2.3.3). Dat beperkt de complexiteit en vergroot de haalbaarheid voor de eerste
fase van de ontwikkeling van open warmtenet. Deze aanpak biedt ook perspectief
aan bestaande stadsverwarming, door toegang te bieden aan nieuwe duurzame
bronnen.
16
2.3.2 Investeringszekerheid versus marktwerking
Bij de invoering van TPA is investeringszekerheid van belang. Investeerders in een
warmtenet streven over het algemeen naar langjarige warmtecontracten om de
investering terug te verdienen. Dat staat op gespannen voet met marktwerking.
Dit aspect is in de workshop besproken. Er zijn verschillende methoden om dit
probleem te hanteren. Centraal daarbij staat het evenwicht tussen de risico’s van
marktgericht ondernemerschap en de gewenste zekerheden bij grootschalige investeringen in een warmtenet. Nader onderzoek is gewenst.
2.3.3 Beschouwingen over competitie op retail-niveau
Het is de vraag of de marktopening zich kan uitstrekken tot competitie onder de
eindverbruikers van warmte in het warmtenet (retail-competitie). Hierbij valt
onderscheid te maken tussen de grotere verbruikers zoals de tuinders en de kleinere
verbruikers zoals individuele woningen.
De grotere verbruikers hebben meer behoefte aan een competitieve energiemarkt
en hebben daarmee vaak ook meer ervaring. De belangrijkste spelers daarbij zijn
de tuinders in de glastuinbouw. Deze hebben ruime professionele ervaring met
de stroom- en gasmarkten, zijn daarop actief en wensen daarom toegang tot een
open warmtemarkt. Daarbij zijn zij regelmatig zelf warmteproducenten, via geo­
thermische bronnen, waarbij al vaak warmte tussen tuinders wordt verhandeld en
uitgewisseld. Er wordt hiervoor aan praktische handelsplatforms gewerkt.
Het openstellen van de warmtemarkt voor dergelijke grote en professionele
verbruikers is daarom logisch en in lijn met de ervaringen in de liberalisering
van elektriciteit en gas. De start van de markt tussen producenten ging hier snel
gepaard met liberalisering van de grotere consumenten.
Op het niveau van de kleinverbruikers ligt dat vooralsnog anders. Daar is nog
relatief weinig ervaring mee - ook op internationaal niveau. Bij de kleinverbruikers
zijn de belangrijkste vraagstukken die van tariefbescherming en keuzemogelijkheden. Hierover is uitgebreid gesproken in de workshop tussen stakeholders, met de
volgende waarnemingen:
zz
Een keuze tussen verschillende warmteleveranciers is vooral in kleinere en
middelgrote warmtenetten niet aan de orde. Daar heeft het invoeren van retailcompetitie voor kleinverbruikers minder zin.
zz
Bij grotere warmtenetten, met name indien deze regio-overstijgend zijn en met
meerdere warmte-invoedingspunten, zou zo’n retailcompetitie op termijn wel te
overwegen zijn.
zz
In een toekomst waarin veel gebruikers zijn overgeschakeld van gas op warmte,
blijft de vraag of warmte op dezelfde competitieve leest geschoeid moet zijn als
gas en elektriciteit.
17
Voor eindgebruikers is keuzevrijheid belangrijk. Dat heeft voordelen voor het warmtenet. De eigenaren van huizen en gebouwen zijn wars van dwang of monopolie.
Keuzevrijheid leidt tot een beter draagvlak. Voor de consument betekent dat meer
opties en betere eindoplossingen en mogelijkheden voor participatie van bewoners/
afnemers. Voor het warmtenet betekent dat een verlaging van risico’s. Meer maatschappelijk draagvlak betekent een snellere ontwikkeling en daardoor ook betere
exploitatie.
Wat betreft deze benodigde keuzemogelijkheden voor de consument zijn er twee
mogelijke en aanvullende benaderingen: keuze tussen verschillende warmteleveranciers (waar mogelijk en op termijn) en een keuze tussen warmtenetten en andere
infrastructuren.
zz
De overgang naar retail-competitie op termijn lijkt, zoals gezegd, het meest
zinvol bij grotere warmtenetten die regio-overstijgend zijn en meerdere warmteinvoedingspunten hebben. Men zou dit afhankelijk kunnen maken van het
aantal aansluitingen op de totale doorverbonden infrastructuur; bijvoorbeeld
100.000 aansluitingen.
zz
Tot die tijd, en bij kleinere netten op permanente basis, zouden consumenten
ook moeten kunnen kiezen tussen verschillende verduurzamingsopties: hetzij
met warmtepompen, hetzij via warmtenetten. Het netbedrijf kan hier een rol
in spelen, tegen de daarmee gepaard gaande aansluitkosten (warmte leidt tot
aansluiting warmtenet i.p.v. gas; nul op de meter leidt tot netverzwaring van de
elektriciteitsaansluiting). De keuze tussen warmtenet en warmtepomp is een
gangbare praktijk in bijvoorbeeld de stedelijke gebieden in Zweden. Het parallel
aanleggen of handhaven van zowel een gasnet als een warmtenet ligt daarbij
minder voor de hand. De keus zou zijn tussen hetzij de combinatie elektriciteit/
gas, hetzij elektriciteit/warmte.
2.3.4 Praktische inrichting van open warmtenetten
Een open warmtemarkt vraagt om een verandering in de regels en verhoudingen
tussen partijen.
Voor de uitwisseling van warmte tussen marktpartijen moeten veel zaken worden
geregeld. We praten, voor het hoofdwarmtetransportnet, over gemeenschappelijk
beheer, regelingen voor in- en uitvoeding en balanshandhaving, transportbeheer en
regelingen voor transportcapaciteit, back-up, regelingen voor het hanteren van de
warmteverliezen, en veel andere zaken.
Daar komt veel bij kijken. Veel van deze zaken zijn al geregeld voor de markten voor
gas en elektriciteit. Het ligt voor de hand om te kijken naar die regelingen, en hoe
die te vertalen zouden zijn naar warmte. Praktisch gezien zijn er wel verschillen tussen warmte, gas en elektriciteit; die leiden soms ook tot verschillen in marktregels
zoals we ook al zien tussen gas en elektriciteit.
18
zz
In sommige opzichten lijkt warmte op gas. Warmte en gas kun je allebei vrij
goedkoop opslaan, elektriciteit niet of veel duurder. Net zoals gas stroomt
ook warmte doorgaans maar één kant op. Tegengestelde stromen worden
niet automatisch gefaciliteerd, in tegenstelling tot elektriciteit. Ook is er een
inherente opslag in het transportsysteem: bij gas heet dit line-pack, bij warmte
bestaat dit ook, bij elektriciteit totaal niet.
zz
In sommige andere opzichten lijkt warmte op elektriciteit. Warmte wordt op
heel veel decentrale punten opgewekt uit andere energiedragers en duurzame
energie; dat geldt sinds kort ook voor elektriciteit ook, maar minder voor gas.
Warmte en elektriciteit kun je in elke woning zelf opwekken, gas niet.
zz
Tenslotte heeft warmte ook kenmerken die uniek zijn voor warmte. Zo
heeft warmte verschillende kwaliteiten en toepassingen al naar gelang het
temperatuurniveau; deze eigenschap hebben gas en elektriciteit niet.
We verwachten dat de praktische vormgeving van de warmtemarkt een mix zal zijn
van regels van verschillende herkomst: van de gasmarkt, van de elektriciteitsmarkt,
en regels die speciaal op de warmtemarkt toegesneden zouden zijn.
We stellen voor die regels samen uit te werken met partners die daar samen aan
willen werken, zoals ook voorgesteld in een presentatie op een SER werkconferentie over de praktijk van het energieakkoord in de regio, zie bijlage 3. De algemene
structurele ervaring met de liberaliseringsprocessen van gas en elektriciteit kan
daarbij behulpzaam zijn. Door de juiste volgorde van stappen te zetten in een goede
samenwerking, kan dit proces met vertrouwen worden afgelegd.
2.4 Het betrekken van bewoners en gebouweigenaren bij de ontwikkeling
Drie praktische zaken ten aanzien van de consument keren regelmatig terug in
studies en discussies. De eerste is de mogelijkheid om inzichtelijk te maken welk
deel van de prijs bij warmte samenhangt met het net en welk deel met de geleverde warmte. De tweede betreft het veelgenoemde concept van “nul op de meter”
vertaald naar warmtenetten. De derde betreft de mogelijkheid voor de warmteconsumenten om zelf bepalend te handelen en te participeren.
2.4.1 Gesplitst warmtetarief met capaciteitscomponent
De consument krijgt in de toekomst ook andere warmtetarieven. Bij een open
warmtemarkt past een onderscheid tussen het warmtenet en de warmtebron. De
consument ontvangt dan, net zoals bij elektriciteit en gas, een rekening met verschillende componenten. Daarbij kan ook gedacht worden aan een capaciteitstarief
voor warmte. Dit heeft voordelen voor de consument en de warmtenetbeheerder:
zz
Voor de warmtenetbeheerder biedt een capaciteitstarief meer zekerheid. De
exploitatie van het warmtenet is dan niet meer afhankelijk van de precieze
warmte-afzet.
zz
Voor de consument kan het capaciteitstarief ook gelden als onderdeel van een
duurzame investering in het gebouw waarbij de geleverde warmte daarna relatief
goedkoop is. (Zie ook de hiernavolgende paragraaf).
19
2.4.2 Nul op de meter voor warmte
Het is op deze wijze zelfs denkbaar dat de consument in één keer mee investeert in
het warmtenet en/of de duurzame warmtebron, waarna de duurzame warmte per
eenheid van levering vrijwel gratis is. Dat is: “Nul op de meter voor warmte”. Met
name in de bestaande bouw, bijvoorbeeld bij moeilijk verder isoleerbare woningen
en bij geconcentreerde warmtevraag, kan dit voordeliger zijn dan andere opties.
2.4.3 Bewonersparticipatie in warmtenetten
Door zo’n eenmalige investering in duurzame warmte kan een consument in
warmte-infrastructuur participeren op vergelijkbare wijze als de huidige participaties in wind- en zonne-energie. Duurzaamheid in warmte wordt dan mede gedragen
door de consument3.
Bij een participatie door de consument zouden naast lokale ook regionale overheden kunnen aanhaken. Daarbij zou het warmtenet mede gefinancierd kunnen
worden vanuit de gedachte van een publieke infrastructuur. Omdat de levering van
warmte vaak commercieel is, leidt dit vanzelf tot overwegingen om de rollen van de
warmte-infrastructuur en de warmteleverantie te onderscheiden.
2.5 Technische en economische vraagstukken
In deze studie is een uitgebreide inventarisatie gemaakt van de vraagstukken en
knelpunten in warmtenetten. Deze is voorgelegd aan de workshop van stakeholders. Hieronder bespreken we de prioriteiten die daarbij naar voren kwamen en
waarin diverse bouwstenen van de visie samenkomen:
zz
Leveren van inzicht in oplossingen voor de huis- c.q. gebouwaansluiting.
Daar zijn nu te vaak problemen mee, vooral bij de blokverwarming. Oplossing
hiervan is wezenlijk, willen we dit deel van de bestaande bouw goed kunnen
ontsluiten.
zz
Identificeren van maatregelen om de kosten van warmtedistributie te verlagen.
Innovatieve concepten zoals nieuwe leidingtechnieken en aanlegmethoden
moeten een betere business case genereren.
zz
Ontwikkelen van incentives om eindgebruikers te stimuleren om te
verduurzamen. Bijvoorbeeld reële waardering van warmtebronnen in de EPC
norm en het Energielabel of door middel van een CO2 uitstoot belasting.
zz
Genereren van betrouwbaar inzicht in het aanbod van restwarmte en de
mogelijkheden van geothermie.
zz
Verkrijgen van helderheid over investeringen en het eigendom van
warmtenetten. Wie investeert en wie is eigenaar?
3
Energeia.nl, 12 juni 2015: “Warmtenet volgt wind: zoektocht naar draagvlak via participatie”
21
3
Vervolgacties
Alliander bereidt zich voor op de lange-termijn ontwikkelingen in de gebouwde
omgeving tussen nu en 2050. Op grond van de gevoerde gesprekken met stakeholders, literatuur en beleidsdocumenten komt daarbij het volgende beeld naar voren:
1. De gebouwde omgeving moet CO2–neutraal zijn in 2050.
2. Dit impliceert de nodige beweging van woning- en gebouweigenaren. Daarvoor
ontbreken nu grotendeels de juiste randvoorwaarden en incentives. Er moeten
dus incentives komen voor bewoners en gebouweigenaren om te verduurzamen.
Dit is primair een zaak voor de overheid en de samenleving als geheel.
3. Voor deze verduurzaming bestaan meerdere opties, elk met hun voor- en
nadelen en beperkingen: elektrificatie, groen gas met CV (eventueel in mix met
warmtepomp), besparing en warmtenetten op basis van CO2 vrije bronnen.
4. Warmte uit warmtenetten (gevoed uit CO2-vrije bronnen zoals industriële
restwarmte, geothermie etc.) heeft naar verwachting een substantieel aandeel in
deze mix, vooral voor verduurzaming van de warmtevoorziening in de bestaande
bouw en in de tuinbouw.
22
5. Een warmtemarkt met een vorm van Third Party Access (TPA) in de warmteinfrastructuur is een onmisbare randvoorwaarde om met warmte de gebouwde
omgeving te verduurzamen. Dit kan voorlopig beperkt blijven tot wholesale
TPA met markttoegang voor warmteleveranciers en grotere verbruikers.
Voor kleinverbruikers kunnen op termijn keuzemogelijkheden worden
geboden tussen warmteleveranciers in geval van zeer grote netten, en tussen
warmteleverantie en andere verduurzamingsopties zoals warmtepompen.
6. Bij de vormgeving van een open warmtemarkt doen we er goed aan om rekening
te houden met mogelijke combinaties van gebouwde omgeving en glastuinbouw,
om optimaal gebruik te maken van de synergie daartussen en de dynamiek en
marktoriëntatie van de glastuinbouw.
De toekomstige nieuwe warmtenetten moeten op een nieuwe leest worden
geschoeid. De netwerkbedrijven – waaronder Alliander - spelen daarbij een belangrijke rol. Die rol brengt technisch-inhoudelijke, economisch-maatschappelijke en
organisatorisch-bestuurlijke uitdagingen met zich mee.
De vervolgstappen staat in het teken van een nadere uitwerking van de visie en
voorbereiding van het programma voor realisatie vanuit het perspectief van Alliander, volgens onderstaand schema.
De resultaten van deze acties moeten leiden tot draagvlak voor realisatie van de
visie op open warmtenetten waarbij bij voorkeur met anderen wordt samengewerkt
om het initiatief te verbreden. Dit vergemakkelijkt de implementatie en geeft een
bredere basis voor de verdere ontwikkeling.
Tegelijkertijd vraagt de visie om voldoende concrete antwoorden voor de kansen
die zich aandienen. Partijen, waaronder Alliander DGO zelf, hebben daarom
behoefte aan een staalkaart van kansrijke mogelijkheden en een draaiboek voor
realisatie van nieuwe warmtenetten, zowel als eventuele verbetering van bestaande
stadsverwarmingssituaties.
23
Dit heeft geleid tot de volgende voorgenomen vervolgacties:
zz
Technisch inhoudelijk: een nadere studie van de verschillende
verduurzamingsopties (niet alleen via warmtenetten, maar ook de alternatieven
hiervoor) om beter te kunnen bepalen waar de beste mogelijkheden liggen.
Voortbouwend op het recente werk van CE Delft op dat terrein zou dat verder
gestalte kunnen krijgen.
zz
Economisch maatschappelijk: de opties voor verbeteren van de randvoorwaarden
voor warmtenetten in beeld brengen. Op dit moment is de situatie niet
optimaal. Gedeeltelijk is daarbij de overheid aan zet via de beïnvloeding van
incentives door wijziging van regels en belastingen. Ten behoeve hiervan is een
input gestuurd aan de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) in
het kader van hun advies aan ministerie EZ voor het energierapport 2050 (zie
bijlage 4).
zz
Organisatorisch/bestuurlijk: een tweeledige follow-up:
--
Enerzijds bestudering en uitwerking van de wettelijke en regulatorische
mogelijkheden voor open warmtenetten.
--
Anderzijds aansluiten op de praktische mogelijkheden om de open
warmtemarkt nu direct te ontwikkelen door in eerste instantie te beginnen
op wholesale-niveau, waarmee de belangrijkste doelen zijn te halen. Dit kan
het beste in samenwerking met anderen plaatsvinden.
Zo kunnen een aantal van de geïdentificeerde vragen nader worden uitgezocht en
tegelijkertijd kan een begin worden gemaakt met de praktische opbouw van de
nieuwe open warmte-infrastructuur.
25
B
Bijlagen
26
Bijlage 1: Expertlijst
NAAM
FUNCTIE
Anke van Hal
Professor Nyenrode Business Universiteit en Delft
University of Technology
Annelies Huygen
TNO en Hoogleraar Ordening van de energiemarkt
Cor Leguijt
CE Delft Coordinator built environment
Hans Korsman
Senior Technical consultant Liandon
Maya van der Steenhoven
Directeur Programmabureau Warmte Koude Zuid Holland
Paul Matthieu
Warmtenet Nijmegen
Ted Zwietering
Programmadirecteur wijken in Gemeente Den Haag
Folmer de Haan
Coordinator advisor Raad voor de Leefomgeving en de
Infrastructuur
Hans Tijl
Directeur ruimtelijke ontwikkeling en oud directeur DRO
Amsterdam
Meindert Smallenbroek
Directoraat-Generaal voor Energie, ministerie EZ
Wilma Berends
Directeur Natuur en Milieu
Teun Bokhoven
President Stichting Duurzame Energie Koepel
Ingrid Post
Projectleider Energietransitie, ministerie EZ
27
Bijlage 2: Literatuurlijst
TITEL DOCUMENT
AFZENDER (ORGANISATIE)
DATUM
Gas in de bestaande bouw
CE Delft
sep-2014
Op weg naar een klimaatneutrale gebouwde omgeving 2050
CE Delft
mei-2015
Warmtenetten in Nederland
CE Delft
okt-2009
Klimaatmonitor waterschappen
Arcadis
sep-2014
Kansen voor warmte
CE Delft
feb-2014
Restwarmtebenutting potentiëlen, besparing, alternatieven
ECN
jan-2011
Warmtewet
EZ
2010
Besluit maximumprijs levering
ACM
2015
Warmtenetten in Nederland
CE Delft
okt-2009
Gebiedsmaatregelen voor het eerst gewaardeerd in de EPC-bepaling
TNO
jul-2012
Verkenning bestaande bouw aansluiten op stadsverwarming
BuildDesk Benelux
sep-2011
Deltaplan Energie-infrastructuur
Havenbedrijf Rotterdam,
2013
MKBA Warmte Zuid-Holland
CE Delft
2014
Bottleneck Vacancies in the Netherlands
Ramboll
2013
De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2018
ROA
dec-2013
Een handreiking voor gebiedsgerichte warmte-uitwisseling
Agentschap NL
sep-2013
Business models for renewable energy in the built environment
ECN
nov-2011
Investeren in gebiedsontwikkeling nieuwe stijl
Ministerie I&M
Jun-2012
Climate and energy roadmaps towards 2050 in north-western Europe
PBL
2012
Warmtekoudevoorziening 2030 gebouwde omgeving Rotterdam
Royal HaskoningDHV
apr-2013
Kamerbrief warmtevisie
Ministerie EZ
apr-2015
Energieakkoord
SER
2013
Bouwbesluit
Ministerie BZK
2012
Warmtewisselaar Mainport-Greenport
Ministerie EZ /Grontmij
sep-2014
Naar een toekomstig energiesysteem voor Nederland
TNO
mrt-2013
Warmte en koude in Nederland
Nationaal Expertisecentrum Warmte
jan-2013
Gelijkwaardigheid in warmteplannen
Nederlands tijdschrift voor Energierecht
dec-2014
IPO nationale routekaart restwarmte - een quickscan van de mogelijkheden
CE Delft
jun-2011
Handreiking Bouwbesluit en woning
Ministerie BZK
dec-2014
Naar een duurzamere warmtevoorziening van de gebouwde omgeving in 2050
PBL
2012
28
Bijlage 3: Presentatie bij SER conferentie “Het energieakkoord in de regio”
29
30
31
Bijlage 4: Input aan Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur
Input aan RLI (Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur), 29 mei 2015
Onderwerp: warmtemarkt, t.b.v. Energierapport 2050
Van: Berenschot, in het kader van warmte-opdracht Alliander
Inleiding
De RLI zal een advies geven aan het ministerie van Economische Zaken over het
energierapport 2015, wat zich richt op de energievoorziening in 2050.
In 2050 dient de energievoorziening geheel emissievrij te zijn, dus geen CO2 uit
te stoten. Voor de sector elektriciteitsvoorziening lijkt dat redelijk goed haalbaar.
De grote uitdaging zit in het veel grotere energieverbruik voor de andere sectoren:
warmte, verkeer en grondstoffen. Daarbij is de warmtevoorziening cruciaal: deze
moet zeker volledig verduurzaamd worden aangezien dat voor andere onderdelen
zoals verkeer nog veel moeilijker is. Een grote opgave als we beseffen dat de warmtevraag circa 5 maal zo groot is als de elektriciteitsvraag.
Bij de verduurzaming van de warmtevraag in de gebouwde omgeving spelen warmtenetten een grote rol. Deze worden gevoed uit CO2-vrije bronnen zoals geothermie,
industriële restwarmte, biogas-WKK, afvalverbranding etc. Volgens een onderzoek
van CE-Delft1 zullen zulke restwarmtenetten meer dan de helft van de warmtevraag
in de gebouwde omgeving gaan dekken. Ook het ministerie van Economische
Zaken beseft dit goed, zie de recente warmtevisie2 waarin EZ voorstelt om de huidige gasvoorziening geleidelijk door warmtenetten te gaan vervangen.
Berenschot doet verkennend onderzoek in opdracht van Alliander naar de toekomstige ontwikkeling van open warmtenetten in het kader van de verduurzaming van
de gebouwde omgeving. Vanuit die ervaring is deze input opgesteld aan de Raad
voor de Leefomgeving en Infrastructuur.
Benodigde maatregelen
De warmtevisie van EZ geeft wel een richting, maar nog geen duidelijke doelstellingen of maatregelen. Deze zullen er wel moeten komen, want de verduurzaming
van de gebouwde omgeving gaat niet vanzelf. Hieronder zullen we aangeven welke
elementen daarbij in onze voorlopige visie het belangrijkst zijn.
1.
De huidige gasreferentie is niet langer houdbaar. Er moet een CO2vrije referentie voor de gebouwde omgeving komen, met maatregelen in de sfeer van CO2-quotering of heffingen.
Op dit moment is er nauwelijks vraag naar algehele verduurzamingsopties voor
de gebouwde omgeving. De huidige gasprijs, zelfs inclusief regulerende energiebelasting, vertegenwoordigt lang niet het kostenniveau van een CO2-vrije warmtevoorziening. Het is dus goedkoper en vooral ook makkelijker voor bewoners en
gebouweigenaren om gewoon gas te blijven verstoken en de CO2 op de atmosfeer
te lozen. Daardoor worden beslissingen tot verduurzamingsinvesteringen niet of
niet op tijd genomen. Er moeten dus incentives komen voor bewoners en gebouweigenaren. Dat kan via de gasprijs(belasting), via uitstootquotering of wetgeving
32
inzake het energielabel van de woning, of een mix van maatregelen. Met wetgeving
is een flinke verbetering van het woninglabel mogelijk, maar dat maakt bestaande
woningen nog niet direct energieneutraal. Een quotering van de CO2 uitstoot, of
veel hogere belasting op aardgas zal op termijn nodig zijn om de gebouwde omgeving echt energieneutraal te maken.
2.
Opheffing van de fiscale verstoringen in de Energiebelasting (EB).
Een eerste stap tot betere verhoudingen is harmonisering van de regulerende
energiebelasting (EB). Op dit moment is de EB voor aardgas veel lager dan die
voor elektriciteit. Elektriciteit wordt onevenredig zwaar belast: bij kleinverbruikers,
per energie-hoeveelheid, is de EB voor stroom ruim zes maal zo groot als die voor
aardgas. Dat is een ernstige marktverstoring. Misschien voorheen niet manifest,
maar nu verstoort dit de marktwerking in de afweging tussen gas, stroom en
CO2-vrije warmte voor de duurzame warmtevoorziening in de gebouwde omgeving.
Deze fiscale verstoring bevordert de CO2-emissies door aardgas, straft toepassing
van duurzame bronnen zoals elektrische warmtepompen juist af, en door de te lage
belasting op aardgas komen warmtenetten minder goed van de grond.
Opheffing van deze marktverstoring heeft grote voordelen. Het zou dan markttechnisch redelijk zijn om stroom slechts circa twee maal zwaarder te belasten dan aardgas (want het kost twee eenheden gas in een centrale om één eenheid stroom te
maken). Dat kan op korte termijn inkomensneutraal worden ingevoerd, waardoor
de belasting op stroom omlaag zou gaan en gas omhoog. Ook gunstig voor warmtenetten, aangezien die dan tegen een betere referentie warmte kunnen leveren.
In de toekomst zou men de belasting op aardgas op kunnen trekken tot het huidige
niveau voor stroom. Dat zou een veel hogere belasting op aardgas genereren, waardoor een veel beter perspectief ontstaat voor vele maatregelen waaronder CO2-vrije
warmtenetten. Dit past uitstekend in een vergroening van het belastingstelsel.
3.
Gelijkschakeling van infrastructuren
Warmtenetten kunnen alleen een eerlijke kans krijgen als ze gelijk behandeld
worden als andere infrastructuren. Op dit moment is dat niet zo. Ook de warmtevisie zegt nog steeds dat warmtenetten moeten volgen uit het particulier initiatief,
d.w.z. ze moeten zich terugbetalen in de lokale business-case met flinke risico’s
voor de investeerders bijvoorbeeld afhankelijk van de warmte-afzet. Tegelijkertijd
worden nieuwe gasnetten standaard neergelegd betaald uit een omslagstelsel over
alle Nederlandse aansluitingen (binnen het werkgebied van een netbeheerder), met
een vast gegarandeerd jaarexploitatiebedrag per nieuwe aansluiting onafhankelijk
van de gasafzet.
Daarnaast zijn de nettarieven voor gas gebaseerd op grotendeels afgeschreven en afbetaalde gasnetten. Het is duidelijk dat dit geen redelijke afwegingssituatie is. We moeten
er naar toe dat er een gelijke behandeling is van warmtenetten en gasnetten, inclusief
situaties van gerenoveerde gasnetten. Voor zowel nieuwe als bestaande situaties dient
zoveel mogelijk gefaciliteerd te worden dat warmte-aanbod op gelijke voet kan concurreren met het gasaanbod. Dat kan bijvoorbeeld door, naast het woninglabel, een apart
label voor compleet emissievrije woningen en gebouwen te introduceren, waaraan dan
voldaan kan worden ofwel door maatregelen in de woning (zeer zuinig woninglabel)
ofwel door een minder vergaand label plus CO2-vrije restwarmte. Ook andere maatregelen zijn denkbaar om gas en warmte op dezelfde leest te schoeien.
33
Zulke maatregelen moeten er op gericht zijn om een eerlijke afweging te bereiken in
voor de belangrijkste afwegingssituatie van de komende decennia: de renovatie van
bestaande gasnetten. Een overgroot deel van alle gasnetten die er nu liggen, zullen
tussen nu en 2050 aan de beurt komen voor renovatie. Op dat moment kan er ook
besloten worden deze gasnetten niet te vervangen, maar over te gaan op warmtenetten of all-electric. Daarvoor moet dan wel een goed infrastructureel afwegingskader bestaan, waarbij alle drie mogelijke investeringen (vernieuwd gasnet, nieuw
warmtenet, of verzwaard elektriciteitsnet) eerlijk naast elkaar liggen.
4.
Warmtenetten beheerd door netwerkbedrijven
In lijn met het voorgaande zal het nodig worden om nieuwe warmtenetten te
laten beheren door netwerkbedrijven. Op dit moment zijn de meeste warmtenetten in handen van commerciële en veelal private energiebedrijven. In de nieuwe
marktsituatie zijn de omstandigheden sterk veranderd, vooral de toegang tot de
kapitaalmarkt. Hierdoor zal het voor commerciële bedrijven erg moeilijk worden
om kapitaal te verwerven met een voldoende lage discontovoet voor de grote
investeringen in nieuwe warmtenetten. Netwerkbedrijven hebben deze toegang
wel en zijn dus de logische investeerder in nieuwe warmtenetten, aangezien het
verwerven van kapitaal met lage discontovoet in feite een randvoorwaarde is voor
zulke investeringen.
Netwerkbedrijven zijn ook de logische partij wanneer het gaat om cofinanciering
door overheden of andere publieke resources, zoals in het verleden is gebeurd en nu
nog. Ook in een gidsland als Denemarken is dat veel het geval. In Nederland valt
daarbij te denken aan de fondsen bij verschillende overheden uit de verkoop van
energiebedrijven. Diverse provincies en gemeenten passen deze vorm van financieren al toe of overwegen dit. Bij deze publieke financiering hoort dat de netten ook
open zijn voor verschillende warmte-aanbieders, ook als aanjager voor groei en
verduurzaming.
Zo beschouwd heeft een splitsing van warmtenetten en –levering gunstige effecten.
Aan de kant van de netten is er het voordeel dat netbedrijven deze kunnen beheren
onder betere financiële condities en met publieke cofinanciering. De warmteopwekking kan dan worden gedaan door commerciële bedrijven met innovatiekracht en een streven naar de laagste marginale kosten.
Het energiebeleid moet hiermee rekening houden. Voor de netbedrijven moet het
beheer van warmtenetten een wettelijke hoofdtaak worden, net zo goed als dit het
geval is voor gas- en elektriciteitsnetten.
5.
Een betere warmtewetgeving
In de warmtevisie is al aangekondigd dat de huidige warmtewet volledig op de
schop gaat. Dat is ook nodig om de uitdagingen van de Warmtevisie het hoofd
te bieden. De huidige warmtewet doet meer kwaad dan goed. Met de intentie om
burgers te beschermen staat deze wet allerlei innovaties in de weg, waardoor de
burger juist slechter af is.
In de nieuwe warmtewet zou met name het non-discriminatiebeginsel veel minder
streng moeten worden toegepast. Er moet meer ruimte komen om situationeel te
opereren en daar de tarieven op aan te passen. Dat biedt dan ook veel meer ruimte
voor commerciële initiatieven en verhandeling van warmte op het net. Daarnaast
wordt het dan bijvoorbeeld ook mogelijk om “nul op de meter” te bereiken met
34
warmtenetten, waarin de woningen en gebouwen zelf mede investeren. Dat is vaak
zelfs flink goedkoper dan andere maatregelen.
Ook is duidelijk dat er een voorziening moet komen waarbij niet iedereen altijd
recht heeft op een gasaansluiting, daar waar warmte wordt aangelegd - en omgekeerd. Recht op een warmte-aansluiting is er immers ook niet. Alleen de elektriciteitsaansluiting moet gegarandeerd zijn.
Daarnaast moet in de wet de Third Party Access geregeld zijn voor verschillende
warmte-aanbieders. Vanaf een bepaalde omvang dienen er regels te zijn voorsplitsing van netbeheer en warmteproductie, met open toegankelijke warmtenetten.
Oproep tot dialoog
De bovenstaande opsomming is voorlopig. Er is in het algemeen nog te weinig zicht
op wat er allemaal nodig is voor een volledige verduurzaming van de gebouwde
omgeving. Het is van belang om voorrang te geven aan het ontwikkelen van een
integraal meerjarig beleid wat hierop gericht is.
Binnen de ministeries van EZ en BZK wordt hieraan al veel gedaan, en ook de netwerkbedrijven en marktpartijen denken hard na. Een enkel netwerkbedrijf heeft al
een begin gemaakt met het investeren in open warmtenetten, waarbij de productie
en levering van warmte in handen is van een commerciële partij. Een brede dialoog
is wenselijk, waarbij alle opties open en integraal op tafel liggen en geen opties op
voorhand worden afgewezen.
Tot slot adviseren wij om een oriëntatie te doen op de rol van warmtenetten in
andere landen, met name gidsland Denemarken. Nederland wijkt nu nog sterk
daarvan af, maar met de terugtredende rol van aardgas zal Nederland steeds meer
op Denemarken gaan lijken in de toekomst. Het kan interessant zijn om te weten
waarom Denemarken zo duidelijk heeft gekozen voor de combi van windenergie en
warmtenetten, in plaats van andere opties zoals elektrificatie of zeer verregaande
isolatie. We zouden daar mogelijk ook veel kunnen leren over lokale cofinanciering
met publieke middelen in lokale communities.
1
2
Presentatie CE Delft, KVGN meeting, 25 september 2014
Warmtevisie, Ministerie van Economische Zaken, 2 april 2015
Berenschot Groep B.V.
Europalaan 40, 3526 KS Utrecht
Postbus 8039, 3503 RA Utrecht
T 030 2 916 916
E [email protected]
www.berenschot.nl
Berenschot is een onafhankelijk organisatieadviesbureau met
350 medewerkers wereldwijd. Al ruim 75 jaar verrassen wij onze
opdrachtgevers in de publieke en private sector met slimme en
nieuwe inzichten. We verwerven ze en maken ze toepasbaar.
Dit door innovatie te koppelen aan creativiteit. Steeds opnieuw.
Klanten kiezen voor Berenschot omdat onze adviezen hen op een
voorsprong zetten.
Ons bureau zit vol inspirerende en eigenwijze individuen die
allen dezelfde passie delen: organiseren. Ingewikkelde vraagstukken omzetten in werkbare constructies. Door ons brede
werkterrein en onze brede expertise kunnen opdrachtgevers ons
inschakelen voor uiteenlopende opdrachten. En zijn we in staat
om met multidisciplinaire teams alle aspecten van een vraagstuk
aan te pakken.
Berenschot is aangesloten bij de E-I Consulting Group, een
Europees samenwerkingsverband van toonaangevende bureaus.
Daarnaast is Berenschot lid van de Raad voor OrganisatieAdviesbureaus (ROA) en hanteert de ROA-gedragscode.
Download