GAAT HET OOK OVER MIJ? de behoeften van LHBT

advertisement
GAAT HET OOK OVER MIJ?
de behoeften van LHBT-jongeren aan
informatie en hulpverlening rondom
seksuele gezondheid
GAAT HET OOK OVER MIJ?
de behoeften van LHBT-jongeren aan
informatie en hulpverlening rondom
seksuele gezondheid
Utrecht, januari 2013
Auteurs: Tamar Doorduin en Laura van Lee
Projectnummer: NL2105MR
Met dank aan Ronete Cohen, Geert-Jan Edelenbosch, Mariëtte Hermans en Bastiaan Franse voor hun
deskundigheid, en aan de LHBT-jongeren die openhartig hun verhaal hebben gedaan.
© 2013 Rutgers WPF
www.rutgerswpf.nl
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Inhoud
Samenvatting
1
Summary
5
1
1.1
1.2
1.3
Inleiding
Aanleiding, doelstellingen en onderzoeksvragen
Methoden
Leeswijzer
9
9
10
13
2
2.1
2.2
2.3
2.4
LHBT-Jongeren: context en achtergrond
Wat betekent LHBT?
Beperkte acceptatie en minderheidsstress
Het coming out- en transitieproces
LHBT’ers en seksuele gezondheid
15
15
16
16
18
3
De informatie- en hulpverleningsbehoeften van homoseksuele jongens,
lesbische meisjes en biseksuele jongeren
Wanneer? De veranderende informatiebehoefte tijdens het coming out- proces
Wat? De behoefte aan informatie over seksuele gezondheidsthema’s
Met wie? Informatie integreren of apart aanbieden
Waar? Wenselijke kanalen en bronnen
Hoe? Taalgebruik en de vormgeving
19
19
23
27
29
34
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
4 De informatie- en hulpverleningsbehoeften van transgenderjongeren
4.1 Wanneer? De veranderende informatiebehoefte tijdens het coming outen transitieproces
4.2 Wat? Informatiebehoefte seksuele gezondheidsthema’s
4.3 Met wie? Informatie integreren of apart aanbieden
4.4 Waar? Wenselijke kanalen en bronnen
4.5 Hoe? Taalgebruik en vormgeving
37
5 Conclusie
5.1 Beperkingen van dit onderzoek
5.2 Belangrijkste conclusies
55
55
55
6
Referenties
57
7
Verklarende woordenlijst
59
Bijlagen
a.
b.
Topiclist interviews met deskundigen
Vragenlijst per mail transgenderjongeren
c. Topiclist focusgroepen
37
40
45
47
51
63
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Samenvatting
Aanleiding, doel en opzet van dit onderzoek
Lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgenderjongeren (LHBT-jongeren) hebben net als
andere jongeren behoefte aan informatie en soms aan hulpverlening, op het gebied van liefde, seks
en relaties. Het soort informatie en hulpverlening dat zij nodig hebben, is echter niet altijd
dezelfde als die van andere jongeren. Om inzicht te krijgen in hun behoefte aan informatie en
hulpverlening op het gebied van seksuele gezondheid en in lacunes in het aanbod hiervan heeft
Rutgers WPF een behoeftepeiling uitgevoerd. Deze behoeftepeiling is onderdeel van een breder
pakket van werkzaamheden op het gebied van de seksuele gezondheid van LHBT(-jongeren) waar
Rutgers WPF en Soa Aids Nederland vanwege het wegvallen van Schorer opdracht toe hebben
gekregen. Omdat de focus van dit onderzoek ligt op het identificeren van nieuwe of onderbelichte
thema’s en hiaten, is gekozen voor een kwalitatieve en verkennende opzet. Er hebben drie
focusgroepen en een aantal aanvullende interviews plaatsgevonden met 16 LHBT-jongeren tussen 15
en 24 jaar. Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met vier deskundigen. Ter voorbereiding op de
dataverzameling en duiding van de resultaten is een literatuurverkenning uitgevoerd.
Mijlpalen in het coming out- en transitieproces
Lesbische meisjes, homoseksuele jongens en biseksuele jongeren (LHB-jongeren) gaan door een
ontwikkelingsproces waarin zij hun gevoelens voor mensen van hetzelfde geslacht ontdekken,
benoemen en in hun leven inbedden. Deze mijlpalen brengen hun eigen uitdagingen en
informatiebehoefte mee. Belangrijke behoeften zijn: vanzelfsprekende en positieve beeldvorming
over seksuele diversiteit in mainstream kanalen, relativering van seksuele labeling, zichtbaarheid
van biseksualiteit als authentieke seksuele oriëntatie, informatie en steun bij beslissingen rondom
eventuele coming out en informatie over thema’s rondom de coming in, zoals zichtbaarheid,
genderexpressie en stereotypes.
Ook transgenderjongeren gaan door een vergelijkbaar proces. Waar voor LHB-jongeren vooral het
vertellen aan anderen en het ontmoeten van andere LHB’ers belangrijke mijlpalen zijn, geldt voor
transgenderjongeren daarnaast dat het nemen van beslissingen over een eventuele transitie en het
in gang zetten daarvan een belangrijke plek inneemt. Verder geldt dat terwijl LHB-zijn voor LHBjongeren vaak uiteindelijk een identiteit is om trots op te zijn, het transgender-zijn voor veel
transgenderjongeren veel meer een situatie is dan een identiteit.
Informatiebehoeften over seksuele gezondheidsthema’s
Hand in hand met het coming out-proces dat LHB-jongeren doormaken, ontdekken zij de wereld van
liefde, seks en relaties en hebben zij behoefte aan informatie over seksuele gezondheidsthema’s.
Deze informatie is deels hetzelfde als voor heterojongeren, deels is LHB-specifieke informatie
gewenst. Dit geldt voor thema’s als liefde en relaties (‘hoe weet ik of de ander ook LHB is?’), seks
tussen twee mannen of twee vrouwen, veilig vrijen en het aangeven van grenzen. Vooral de laatste
twee onderwerpen zijn aandachtspunten.
Ook transgenderjongeren hebben specifieke informatie nodig over seksuele gezondheidsthema’s.
Transgenderjongeren missen dit soort informatie nog grotendeels. Het gaat om thema’s als het
ontdekken van de eigen seksuele oriëntatie, omgaan met (de angst voor) afwijzing bij het daten,
omgaan met genderdysfore gevoelens tijdens seks, de impact van hormonen en operaties op
seksueel functioneren en de implicaties van hormoonbehandeling en operaties voor veilig vrijen en
anticonceptie. Vermoedelijk zijn transgenderjongeren ook extra kwetsbaar voor seksuele
grensoverschrijding en is ook hierover toegesneden informatie en hulpverlening nodig.
Van mainstream naar doelgroepgericht
Het antwoord op de vraag of LHB-jongeren het beste via ‘mainstream’- of doelgroepgerichte
kanalen kunnen worden bereikt, verschilt per fase in het coming out-proces. Een dubbele aanpak,
zowel mainstream als doelgroepgericht, werkt waarschijnlijk het beste. Wanneer LHB-jongeren zich
1
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
nog niet of niet zo sterk met homo- of biseksualiteit identificeren, hebben zij vooral behoefte aan
geïntegreerde informatie. In de kast is het vooral van belang dat zij anoniem aan informatie kunnen
komen. Eenmaal uit de kast zijn zij niet meer bang om zichtbaar met de LHB-wereld te worden
geassocieerd, al voelt niet iedereen zich even sterk met deze wereld verbonden. Biseksuele
jongeren lijken hun informatie vaker op mainstream plekken te zoeken dan homoseksuele jongeren,
en zich ook minder verbonden te voelen met de LHB-wereld. Wel zouden zij graag zien dat
biseksualiteit zichtbaarder zou worden in LHB-specifieke kanalen.
Transgenderjongeren geven meer dan LHB-jongeren de voorkeur aan mainstream bronnen en
kanalen boven doelgroepgerichte bronnen en kanalen. Ten eerste wil een deel van de
transgenderjongeren liever niet teveel als uitzonderingsgroep worden benaderd. Ten tweede vindt
een deel van de jongeren en deskundigen dat in algemene bronnen en kanalen genderdiversiteit als
uitgangspunt moet worden genomen. Het is de vraag in hoeverre dit haalbaar is.
Zowel transgenderjongeren als LHB-jongeren beschouwen transgenders en LHB’ers als twee
verschillende groepen met elk hun eigen behoeften, en vinden het wenselijk dat zij via
verschillende kanalen worden benaderd. Wel zijn er een aantal overeenkomsten tussen deze
groepen, zoals de zoektocht naar de eigen identiteit, het ‘anders-zijn’ dan de mainstream en het
feit dat een deel van de transgenderjongeren ook LHB is of vóór de rolwisseling als LHB door het
leven ging.
Belangrijke kanalen en bronnen
Internet is vanwege de anonimiteit voor LHB-jongeren de belangrijkste bron van informatie. Op
internet kunnen zij in alle rust de informatie zoeken die ze nodig hebben zonder op reacties van de
buitenwereld te anticiperen. Op school is vaak weinig aandacht voor homo- en biseksualiteit, wat
LHB-jongeren het gevoel kan geven niet ‘normaal’ te zijn. Ook kan er op scholen onder leerlingen
een homonegatief klimaat heersen. Om die reden vinden LHB-jongeren voorlichting over het
bestaan van seksuele diversiteit zeer belangrijk. Folders, boeken en tijdschriften vinden LHBjongeren minder relevant dan internetsites. Wat hulpverlening betreft, verwachten LHB-jongeren
zelf dat zij goed terecht kunnen bij reguliere hulpverleners. Deskundigen zijn hier pessimistischer in
en vermoeden dat niet alle reguliere hulpverleners voldoende expertise hebben over de specifieke
situatie van LHB-jongeren.
Net als bij LHB-jongeren vormt internet voor transgenderjongeren een belangrijke bron van
informatie vanwege de anonimiteit. Over liefde, seks en relaties kunnen zij op internet echter
nauwelijks informatie vinden die specifiek op hun situatie ingaat. Waar er op school weinig
aandacht is voor seksuele diversiteit, ontbreekt informatie over transgender-zijn vaak volledig,
waardoor transgenderjongeren het gevoel kunnen hebben dat het ‘niet over het gaat’. Ook door de
seksuele voorlichting en –vorming voelen ze zich waarschijnlijk minder aangesproken, omdat zij
zichzelf hierin niet herkennen. Voor folders, boeken en tijdschriften geldt evenals voor de LHBjongeren, dat transgenderjongeren de relevante informatie meestal al via internet hebben
gekregen. Transgenderjongeren kunnen volgens henzelf en volgens deskundigen niet goed terecht
bij reguliere hulpverleners met hulpvragen rondom seksualiteit. Ook binnen de
transgenderspecifieke hulpverlening vinden jongeren het echter moeilijk om hulpvragen rondom
seksualiteit naar voren te brengen, en is er wellicht ook nog onvoldoende expertise.
Taalgebruik
Termen als homo(seksueel), lesbisch en bi(seksueel) worden door LHB-jongeren duidelijk en
neutraal gevonden. Over verzameltermen als ‘LHBT’, ‘holebi’, ‘roze’ en ‘gay’ verschillen ze van
mening.
Voor transgenderjongeren is sensitief taalgebruik sterk van belang, omdat de erkenning van hun
genderidentiteit staat of valt met de manier waarop zij worden aangesproken. Het is belangrijk dat
transgenderjongeren ongeacht hun lichaamskenmerken, fase in de transitie of genderexpressie
aangesproken worden met identiteitslabels en voornaamwoorden die passen bij hun
2
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
genderidentiteit. Geslachtsdelen en secundaire geslachtskenmerken benoemen transgenderjongeren
liever alleen als het echt nodig is, omdat deze een sterke connotatie met man-zijn of vrouw-zijn
hebben.
Methodologische beperkingen
Dit onderzoek kent een aantal methodologische beperkingen. Zoals gebruikelijk in kwalitatief
onderzoek is met een kleine groep jongeren gesproken zodat er dieper op het onderwerp kan
worden ingegaan. Het gaat dan ook niet om een representatieve steekproef. Bij de
transgenderjongeren was het aantal deelnemers ook naar de maatstaven van kwalitatief onderzoek
erg klein. Het is lastig genoeg transgenderjongeren bereid te vinden mee te doen aan dit soort
onderzoek, waarschijnlijk vanwege factoren als het kleine aantal transgenderjongeren die open zijn
over hun genderidentiteit, onderzoeksmoeheid, de gevoeligheid van het thema seksualiteit en het
niet steeds als transgender aangesproken te willen worden.
3
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Summary
Reason for, aim and design of the research project
Just like other young people, lesbian, gay, bisexual and transgender young people (young LGBTs)
want information, and sometimes care, with respect to love, sex and relationships. However,
sometimes they differ from their peers in their need for information and care. To acquire insight in
young LGBTs’ need for information and care in the area of sexual health, and in omissions in its
supply, Rutgers WPF conducted a needs assessment. This needs assessment was part of an extensive
package of activities with regard to LGBTs’ sexual health, that Rutgers WPF and Soa Aids Nederland
(STI AIDS the Netherlands) were assigned after the closure of Schorer. As the focus of this research
project is on the identification of new or neglected themes and gaps, a qualitative, explorative
research design was chosen. Three focus groups and a few additional interviews were held with 16
young LGBTs aged 15 to 24 years. Also, four experts were interviewed. In preparation of collecting
and analysing the research data, a literature review was conducted.
Milestones in the coming out- and transition process
Lesbian girls, gay boys and bisexual young people (young LGBs) go through a development process of
discovering and naming their same-sex feelings and embedding them in their lives. These milestones
involve their own challenges and information need. Important needs are: self-evident and positive
representation of sexual diversity in mainstream channels, qualification of sexual labelling, visibility
of bisexuality as an authentic sexual orientation, information and support around (possible) coming
out, and information on coming in, such as visibility, gender expression and stereotypes.
Young transgenders go through a similar process. However, whereas for young LGBs the main
milestones are telling others about their sexual orientation and meeting other young LGBs, young
transgenders also have to decide about transitioning into their identified gender. And if they choose
to transition, this process takes an important place in their lives. Furthermore, whereas for young
LGBs, being gay, lesbian or bisexual often eventually becomes an identity to be proud of, being
transgender is often more a situation than an identity.
Information need about sexual health issues
Hand in hand with the coming out process that young LGBs go through, they discover the world of
love, sex and relationships and therefore need information about sexual health. This information is
partly the same as for straight youth, but LGB-specific information is also needed. This is the case
for themes such as love and relationships (‘how do I know if the other is also LGB?’), sex between
two men or two women, safe sex and communicating sexual limits. Especially the latter two issues
are points of interest.
Also, young transgenders require specific information on sexual health issues, but still largely miss
this type of information. Several issues are involved: exploring their own sexual orientation,
handling (fear of) rejection while dating, handling feelings of gender dysphoria during sex, the
impact of hormone therapy and surgery on sexual functioning, and the implications of hormone
therapy and surgery on safe sex and contraception. Transgender young people might also be
specifically susceptible to sexual intimidation and in need of tailored information and care about
this topic.
From mainstream to audience targeted
The answer to the question whether young LGBs can best be reached through ‘mainstream’ channels
or to channels specifically targeted at LGB youth, varies throughout their coming out process. It is
advisable to take a dual approach, both aimed at the mainstream and at this specific group. When
young LGBs do not or not so strongly identify with being lesbian, gay or bisexual, they can best be
reached through mainstream channels. When they have not come out (yet), they mainly need
information and care anonymously. After coming out, LGB young people are no longer afraid to be
associated with the LGB world, although not everyone is equally attached to this world. Bisexual
5
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
youngsters appear to search for information more often through mainstream channels than young
gays and lesbians. However, they would prefer bisexuality to become better visible within LGBspecific channels.
Transgender young people, more than their LGB peers, prefer mainstream sources and channels
rather than those specifically aimed at transgenders. First, some young transgenders do not want to
be approached as ‘special cases’ or as exceptions. Secondly, some transgender young transgenders
think that gender diversity should be taken as a starting point in general sources and channels on
sexual health issues. It is questionable, however, to which extent this can be accomplished.
Both young transgenders and LGBs consider themselves to be two separate groups with their own
needs, and prefer to be approached through different channels. At the same time there are a few
similarities between the two groups, such as the exploration of one’s own identity, being different
from the mainstream and the fact that some transgender young people are also LGB, or have lived
as LGBs before changing their gender role.
Main sources and channels
The Internet is, because of its anonymity, the main source of information for LGB youth. They can
search for information on the Internet in peace, without having to anticipate reactions of the
outside world. At school, there is often only limited attention to sexual diversity, which can feel to
LGB people as if their identities are not ‘normal’. Also, there can be an anti-homosexual climate
amongst young people at school. For this reason, LGB people are highly in favour of improving
education on the topic of sexual diversity. LGB young people find brochures, books and magazines
less relevant than the Internet. Concerning care, young LGBs expect regular counsellors to be
sufficiently qualified to respond to their need for care. However, experts on the topic were more
pessimistic and expected general counsellors not to have sufficient expertise on LGBs specific
situation.
Just as it is for young LGBs, the Internet is an important source of information for transgender youth
because of its anonymity. However, there is hardly any accessible information on love, sex and
relationships available online that specifically caters to their needs. While attention to sexual
diversity is often insufficient at schools, attention to being transgender often lacks completely, so
that transgender youngsters can feel as if ‘it’s not about them’. This is also the case during sex
education: young transgenders may not sufficiently recognize themselves in the information given,
so that they do not feel personally addressed. With regard to brochures, books and magazines,
young transgenders appear to have accessed most of the information through the Internet just like
their LGB peers. Both young transgenders and experts state that regular counsellors are not
sufficiently qualified to counsel transgender youth on sexual health issues. Within transgenderspecific healthcare, however, young transgenders also find it difficult to bring up their need for
help regarding sexual health, and expertise on the conjunction between transgender and sexual
health might not be sufficient either.
Use of language
Dutch terms such as “homo” or “homoseksueel” (gay), “lesbisch” (lesbian), and “bi” (bi) or
“biseksueel” (bisexual) were regarded as clear and neutral terms by LGB people. Their opinions
about terms referring to all LGB’s or LGBT’s, such as “LHBT” (LGBT), “holebi” (abbreviation of
“homoseksueel, lesbisch en bi”), “roze” (pink) and “gay”, differed.
For young transgenders, sensitive use of language is especially important, since the way they are
addressed determines whether their gender identity is recognized or not. It is important that young
transgenders, irrespective of their body characteristics, the stage of their transition or their gender
expression, are addressed according to the identity labels and pronouns that fit their gender
identity. Young transgenders only name their genitals and secondary sexual characteristics if
necessary, because those have a strong connotation with being male or female.
6
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Methodological limitations
This study knows a few methodological limitations. As is customary in qualitative research, the
sample of participants has been deliberately small so that all subjects could be studied in-depth. It
is, therefore, not to be regarded as a representative sample. In the case of the young transgenders,
however, the number of participants was also small by qualitative research standards. It was
difficult to find young transgenders willing to participate in this study, probably because only a
small number of young transgenders is open about their gender identity, because of an overkill of
studies, the sensitivity of sexuality as a conversation theme and the wish not to be addressed as
transgender all the time.
7
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
1
Inleiding
1.1
Aanleiding, doelstellingen en onderzoeksvragen
Rutgers WPF, 2013
Lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgenderjongeren (LHBT-jongeren) hebben net als
andere jongeren behoefte aan informatie en soms hulpverlening op het gebied van liefde, seks en
relaties. Het soort informatie en hulpverlening dat zij nodig hebben, is echter niet altijd dezelfde.
Ten eerste roept het LHBT-zijn op zichzelf vragen op bij jongeren. Wanneer een meisje
bijvoorbeeld voor het eerst verliefd wordt op een ander meisje, of wanneer iemand zeker weet dat
hij een jongen is maar door de omgeving als meisje wordt gezien en ook het lichaam van een meisje
heeft, kan het een heel proces zijn om dit soort gevoelens en verlangens onder woorden te brengen
en een leven te creëren waarin ze tot uiting kunnen komen.
LHB’s en transgenders hebben daarnaast ook een andere seksuele praktijk dan hetero’s en
cisgenders, en daarom behoefte aan specifieke informatie over liefde en seksualiteit: LHB’s vrijen
(ook) met hetzelfde geslacht of zouden dat willen doen, en transgenders hebben meestal een
andere relatie met hun lichaam dan cisgenders1. Ook dating, veilig vrijen en anticonceptie werken
bij LHBT-jongeren net even anders. Wanneer een jongen voor het eerst verliefd is op een andere
jongen, is de kans bijvoorbeeld groot dat het om een heteroseksuele klasgenoot gaat. Hoe kun je
daar mee omgaan? Vanwege de hiv-epidemie onder mannen die seks hebben met mannen (MSM) is
veilig vrijen voor homo- en biseksuele jongens een belangrijk onderwerp. En voor
transgenderjongeren die met hormoonbehandeling beginnen, is gangbare informatie over
anticonceptie niet altijd even nuttig.
Hoewel veel informatie over liefde, seks en relaties zowel voor niet-LHBT’ers als LHBT’ers geschikt
zijn, hebben LHBT’ers dan ook deels andere, LHBT-specifieke informatie en hulpverlening nodig
over liefde, seks en relaties dan cisgenders en heteroseksuelen. Dit soort informatie en
hulpverlening wordt op allerlei plekken al aangeboden, zowel via mainstream als LHBT-specifieke
kanalen. Toch geven de resultaten van dit onderzoek aan dat het bestaande aanbod niet in alle
gevallen goed aansluit bij de behoeftes van jongeren, en dat bepaalde informatie voor transgenders
zelfs nog volledig ontbreekt.
Vanwege het wegvallen van Schorer hebben Rutgers WPF en Soa Aids Nederland opdracht gekregen
om een aantal werkzaamheden rondom seksuele gezondheid van LHBT’ers – lesbische vrouwen,
homoseksuele mannen, biseksuele mannen en vrouwen en transgenderpersonen – te continueren.
Speciale aandacht gaat hierbij uit naar LHBT-jongeren tussen 12 en 25. Om nader inzicht te
verkrijgen in hun behoefte aan informatie en hulpverlening op het gebied van seksuele gezondheid
en in lacunes in het aanbod hiervan is een behoeftenpeiling uitgevoerd. Deze behoeftenpeiling
heeft de volgende doelen:
inzicht verkrijgen in wensen en behoeftes van LHBT-jongeren op het gebied van informatie
en hulpbehoefte rondom seksuele gezondheid;
inzicht verkrijgen in de wenselijke kanalen van informatie en hulpverlening voor LHBTjongeren;
inzicht krijgen in de mate waarin LHBT-jongeren apart of geïntegreerd geïnformeerd en
geholpen willen worden;
inzicht verkrijgen in lacunes ten aanzien van informatievoorziening.
De behoeftepeiling hanteert twee perspectieven. Ten eerste wordt aan de doelgroep zelf gevraagd
wat zij nodig hebben en wenselijk vinden, ten tweede worden een aantal experts op dit terrein
bevraagd over hetzelfde onderwerp.
1
Cisgender betekent: niet-transgender (zie verklarende woordenlijst).
9
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Op grond van bovenstaande doelstellingen zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:
1) Welke fases in hun ontwikkeling onderscheiden LHBT-jongeren van elkaar en welke globale
informatiebehoefte hoort hierbij?
2) Welke thema’s binnen de seksuele gezondheid zijn belangrijk voor LHBT-jongeren als het gaat
om informatie en hulpverlening?
a) Wat is de prioritering binnen deze thema’s?
b) Is er voldoende informatie beschikbaar op de relevante thema’s?
3) Moeten LHBT-jongeren benaderd worden door middel van een doelgroep aanpak of door middel
van een mainstream-aanpak?
a) In hoeverre willen LHBT-jongeren als groep apart worden benaderd of geïntegreerd worden
in algemene kanalen voor jongeren?
b) In hoeverre willen L, H, B en T-jongeren apart benaderd worden of samen?
4) Waar kunnen informatie en hulpverlening het beste aangeboden worden?
a) Welke kanalen en bronnen van informatie en hulpverlening zijn er op dit moment?
b) Welke kanalen en bronnen van informatie en hulpverlening prefereren LHBT-jongeren en
waarom?
c) Welke kanalen en bronnen van informatie en hulpverlening zijn volgens deskundigen te
prefereren om LHBT-jongeren op een goede manier te bereiken?
d) Verschillen de te prefereren kanalen naar ontwikkelingsfase?
e) Worden LHBT-jongeren op dit moment voldoende bereikt door deze kanalen?
5) Hoe moet informatie over seksuele gezondheid voor LHBT-jongeren gebracht worden om
effectief te zijn?
a) Door welke terminologie over LHBT voelen LHBT-jongeren zich aangesproken en door welke
niet? Hoe noemen zij zichzelf? Hoe willen ze genoemd worden?
b) Bij welk taalgebruik over seksualiteit voelen LHBT-jongeren zich prettig en bij welke niet?
c) Welke speciale eisen aan vormgeving van informatie gelden voor deze doelgroep?
1.2
Methoden
Bij de doelstellingen van dit onderzoek en de onderzoeksvragen past een verkennende, kwalitatieve
onderzoeksbenadering. In zo’n benadering ligt de focus op het verkennen van het onderwerp vanuit
het perspectief van de doelgroep (en deskundigen) zelf en is er ruimte voor het ontdekken van
nieuwe perspectieven en onderbelichte thema’s. De nadruk ligt minder op het verkrijgen van
representatieve data en meer op het inventariseren van (nieuwe) perspectieven en thema’s. Door
zowel deskundigen als de doelgroep zelf te spreken en door te letten op variatie binnen de
steekproef, wordt de betrouwbaarheid in het oog gehouden.
De kern van de dataverzameling wordt gevormd door interviews met vier deskundigen en drie
focusgroepen met LHBT-jongeren. Volgordelijk zag het proces van dataverzameling en analyse er als
volgt uit:
10
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Literatuurverkenning
Vooraf aan de huidige behoeftenpeiling heeft Rutgers WPF een breed ingestoken literatuurstudie
verricht naar de seksuele gezondheid van LHBT’ers, waaronder jongeren. Hierover wordt uitgebreid
gerapporteerd in het rapport Wat maakt het verschil? Diversiteit in de seksuele gezondheid van
LHBT’ers (Rutgers WPF, 2013). De resultaten van deze literatuurstudie zijn gebruikt als voorkennis
voor het huidige onderzoek en ter duiding van de resultaten. In hoofdstuk 2 wordt op grond hiervan
een schets gegeven van de situatie van LHBT-jongeren in Nederland.
Gesprekken met deskundigen
Er hebben vier interviews plaatsgevonden met deskundigen op het gebied van LHBT, jongeren en
seksuele gezondheid:
Functie
Psychotherapeut
Projectleider Jeugd en
Onderwijs bij het COC
Functie en achtergrond
Psychotherapeut met eigen praktijk,
gespecialiseerd in jongeren en LHBT’ers.
Beantwoordt daarnaast vragen van
lezeressen over seks en relaties in een
tijdschrift voor lesbische en biseksuele
vrouwen.
Tekstschrijver
gespecialiseerd in LHBT
O.a. betrokken bij Jong & Out en de Gay
Straight Alliances.
Schreef voor Schorer de boeken “Lesbische
seks: Een praktisch handboek” en “101
vragen over homoseksualiteit”, en content
voor de websites lesbisch.nl en
allesovergay.nl
Hulpverlener
Transvisie Zorg
Relevante expertisegebieden
Hulpverlening, jongeren, LHBT
algemeen, biseksualiteit,
transgender
LHB-jongeren (12-18),
jongerenparticipatie,
lotgenotencontact
LHBT algemeen, lesbische
vrouwen, lesbische seks
Hulpverlening transgender
jongeren, lotgenotencontact
Tot slot heeft een aantal korte, oriënterende gesprekken plaatsgevonden met deskundigen. Zo is er
contact geweest met het Landelijk Netwerk Biseksualiteit en met Soa Aids Nederland. Ook is
contact gelegd met de coördinator van de Sense Infolijn, die in het team van medewerkers heeft
geïnventariseerd welke hulpvragen er binnenkomen rondom LHBT-zijn. Zij konden hierbij alleen
afgaan op vragen van jongeren die uit zichzelf aangaven LHBT te zijn, omdat niet specifiek naar
LHBT-zijn wordt gevraagd wanneer er vragen binnenkomen.
Dataverzameling onder LHBT-jongeren
Er zijn drie focusgroepen gehouden met LHBT-jongeren: één met homojongens en lesbische meisjes
(L en H), één met biseksuele jongeren (B) en één met transgender jongeren (T). Hoewel
transgenderjongeren ook LHB kunnen zijn, richtten de eerste twee focusgroepen zich op cisgender
homo- en biseksuele jongeren. Er werd verwacht dat transgender LHB-jongeren een andere
informatiebehoefte hebben over hun seksuele identiteit dan cisgender LHB-jongeren.
Er is gekozen voor focusgroepen vanwege de verdieping die dit oplevert: niet alleen de interviewers
stellen vragen, maar de jongeren reageren ook op elkaar. Ook is er de mogelijkheid om onderlinge
interactie (bijvoorbeeld taalgebruik, groepsnormen) te observeren en na te gaan over welke
onderwerpen de jongeren wel en niet consensus bereiken. Om speciale aandacht te kunnen
schenken aan het verschil tussen homo- en biseksualiteit is gekozen voor aparte focusgroepen voor
homo- en biseksuele jongeren, zodat de jongeren zich vrij voelden om te reflecteren op specifieke
behoeftes op grond van hun seksuele oriëntatie.
In elke groep is gestreefd naar zes deelnemers met daarin een goede mix tussen jongens en meisjes
(en in de transgender groep ook jongeren die zich niet als jongen óf meisje identificeren). Hoewel
het jongerenprogramma van Rutgers WPF en Soa Aids Nederland zich richt op jongeren van 12 tot
25, is voor de focusgroepen aanvankelijk gekozen voor een smallere leeftijdsgroep, namelijk 15 tot
11
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
20 jaar. In een focusgroep is het wenselijk dat deelnemers qua leefwereld niet teveel van elkaar
verschillen. De verwachting was dat 20- jongeren meer behoefte aan informatie en hulpverlening
zouden hebben dan 20+ jongeren, en dat jongeren onder de 15 het lastiger zouden vinden hun
behoeftes te verwoorden.
De jongeren zijn geworven via meerdere kanalen, zowel mainstream als doelgroepspecifiek: de
mailinglist van Jong & Out (COC), social media van Expreszo, homohetero.nl, gay.nl, de mailinglist
en het forum van de LNBI, de mailinglist van Transvisie Zorg, de facebookgroep Gender Zone, de
website en het Summercamp van Embrace Pink, 18min.eu, gayandschool.nl, de mainstream
jongerenforums sekswoordenboek.nl, fokforum.nl en scholieren.com, social media van Rutgers WPF
en medewerkers, het eigen netwerk van de onderzoekers en het netwerk van LHBT-jongeren die
zich al hadden aangemeld (zgn. ‘snowball sampling’).
Bij de groepen met homo- en biseksuele jongeren heeft deze manier van werven goed resultaat
gehad en is het gelukt in de samenstelling van de focusgroepen aan bovenstaande uitgangspunten te
voldoen. Wel was er veel inspanning nodig om biseksuele jongens te bereiken.
Bij de transgender focusgroep bleken de wervingsdoelstellingen niet haalbaar. Er meldden zich ten
eerste niet genoeg jongeren, en daar zaten geen transmeisjes bij. Ook bleek de leeftijdseis te smal
te zijn; van de vijf jongeren die zich meldden waren er twee ouder dan 20. Tot slot bleek bij het
focusgroepgesprek de opkomst maar matig. Slechts twee van de vijf jongeren zijn gekomen. Aan de
afwezigen is gevraagd of zij alsnog persoonlijk, telefonisch of via de mail geïnterviewd willen
worden. Twee van hen waren hiertoe bereid. Met de deelnemende transgenderjongeren en de
hulpverlener van Transvisie is geanalyseerd waarom er zich zo weinig transgender jongeren
aanmeldden en waarom het zo moeilijk was met name transgender meisjes bereid te vinden mee te
doen. Hieruit kwamen de volgende redenen:
het kleine aantal transgenderjongeren dat open is over hun genderidentiteit (een kleine
vijver om in te vissen);
onderzoeksmoeheid onder transjongeren;
de gevoeligheid van het thema seksualiteit;
door participatie in onderzoek wordt het gevoel anders te zijn versterkt, terwijl transgender
jongeren (en meisjes wellicht meer dan jongens) liever ‘gewoon’ jongen of meisje willen
zijn.
De deelnemers aan de focusgroepen kregen vooraf aan de focusgroep een inventariserende
vragenlijst per e-mail. Hierin stonden vragen over hun achtergrond, hun informatiebehoefte, hun
taalgebruik en de kanalen van informatie en hulpverlening die ze bij voorkeur gebruiken. Met deze
informatie zijn de focusgroepen voorbereid. Er was daardoor meer gelegenheid tot verdieping in de
focusgroepen. Ook werd de jongeren daardoor vooraf aan de focusgroep de gelegenheid gegeven
sensitieve onderwerpen naar voren te brengen die in een groepscontext minder gemakkelijk
bespreekbaar zijn, bijvoorbeeld seksuele grensoverschrijding en dwang.
12
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Tabel 1.1: Overzicht dataverzameling
Vorm van
dataverzameling Doelgroep
Homojongens en
Focusgroep
lesbische meisjes2
Transgender
Focusgroep
jongeren
Biseksuele jongens
Focusgroep
en meisjes
Telefonisch
Transgender
interview
jongeren
Telefonisch
Transgender
interview
jongeren
Rutgers WPF, 2013
Datum
Aantal
2-9-2012
6
23-9-2012
2
30-9-2012
6
Wervingskanalen
Jong & Out (COC) (4), Expreszo (1),
snowball sampling (1)
Transvisie Zorg, Gender Zone
(facebookgroep)
Jong & Out (3), indirect via vrienden (2),
eigen netwerk (1)
18-10-2012
1
Sekswoordenboek.nl
16-11-2012
1
Transvisie Zorg
Tabel 1.2: Demografische kenmerken van de deelnemers
Doelgroep
Aantal
Gender
Leeftijd
Opleidingsniveau
Homojongens en
lesbische meisjes
6
3 meisjes, 3 jongens
15, 18,
18, 20,
20, 20
1 VWO, 1 MBO, 2 HBO, 2 WO
Biseksuele
jongeren
6
4 meisjes, 2 jongens
15, 15,
16, 17,
18, 20
2 HAVO, 1 VWO, 1 MBO, 1 HBO, 1
WO
Transgender
jongeren
4
2 transgender jongens, 1 MVspectrum transgender, 1
jongen die aan crossdressing
doet
18, 20,
23, 24
1 HAVO, 2 VWO, 1 HBO
In de Bijlage zijn de vragenlijsten en topiclists van de focusgroepen en interviews met jongeren en
deskundigen terug te vinden.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt op basis van de literatuurverkenning een beeld geschetst van de LHBTjongerendoelgroep in Nederland. In hoofdstuk 3 en 4 worden de resultaten besproken van de
interviews met deskundigen en de focusgroepen en aanvullende interviews met respectievelijk de
LHB-jongeren (hoofdstuk 3) en de transgenderjongeren (hoofdstuk 4). Voor deze indeling is gekozen
omdat jongeren en deskundigen dit zelf een logische splitsing van de LHBT-doelgroep vonden, en
omdat uit de resultaten inderdaad bleek dat hun informatie- en hulpverleningsbehoeftes op
belangrijke punten van elkaar verschilden. Per groep zijn het ‘wanneer’, ‘wat’, ‘wie’, ‘waar’ en
‘hoe’ van hun informatie- en hulpverleningsbehoefte besproken. De resultaten uit de interviews met
deskundigen en de gesprekken met jongeren zijn gezamenlijk besproken. Omdat deze resultaten
soms van elkaar verschilden, is zoveel mogelijk aangegeven in hoeverre inzichten wel of niet
gedeeld werden door jongeren en deskundigen.
2
Daarnaast heeft nog één lesbisch meisje de vragenlijst per e-mail ingevuld, maar bleek zij toch niet naar de
focusgroep te kunnen komen. De door haar ingevulde zijn wel meegenomen bij de analyse van de vragenlijst
per e-mail.
13
Gaat het ook over mij? De behoeften van lhbt-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
2
LHBT-Jongeren: context en achtergrond
2.1
Wat betekent LHBT?
Rutgers WPF, 2013
Steeds vaker wordt in Nederland de afkorting LHBT gebruikt. Deze afkorting staat voor lesbische
vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele mannen en vrouwen en transgenderpersonen. Hoewel
de afkorting LHBT uitgaat van vier verschillende doelgroepen, gaat het in feite om twee
verschillende seksuele minderheden (homo- en biseksuelen) en om één minderheid op het gebied
van genderidentiteit (transgenders).
Homoseksuele jongens en lesbische meisjes zijn jongeren die zich uitsluitend of vooral
aangetrokken voelen tot personen van hetzelfde geslacht. Biseksuele jongens en meisjes voelen zich
zowel tot jongens als tot meisjes aangetrokken. In een bevolkingsonderzoek onder Nederlandse
jongeren (De Graaf, Kruijer, Van Acker & Meijer, 2012) gaf 4,7 procent van de jongens aan (ook) op
jongens te vallen, en twijfelde nog eens 0,8 procent hierover. Van de meisjes voelde 7,2 procent
zich (ook) tot meisjes aangetrokken en twijfelde 1,5 procent. Onder de volwassen bevolking liggen
deze percentages hoger.
Transgenderjongeren zijn jongeren die zich niet (geheel) identificeren met het geslacht dat hen bij
geboorte is toegewezen. Ze zijn bijvoorbeeld bij de geboorte als jongen geregistreerd, maar voelen
zich meisje of andersom. Ook zijn er transjongeren die zich ongeveer evenveel jongen als meisje
voelen, jongeren die zich geen van beide voelen, en jongeren die zich vooral met hun
geboortegeslacht identificeren maar deels ook met het andere geslacht. Genderidentiteit kan dan
ook worden opgevat als een continuüm. Wanneer een transgenderjongere niet alleen een andere
genderidentiteit heeft dan het geboortegeslacht maar daarnaast ook onvrede ervaart met huidige
lichaam en geslacht, wordt van genderdysfore gevoelens gesproken. Hoeveel jongeren transgenderen/of genderdysfore gevoelens ervaren is niet onderzocht. Van de volwassenen bevolking voelt 4,6
procent van de ‘als man geborenen’ en 3,2 procent van de ‘als vrouw geborenen’ zich psychisch
ongeveer evenveel man als vrouw (ambivalente genderidentiteit). Daarnaast voelt 1,1 procent van
de als man geborenen zich meer vrouw dan man, en van de vrouwgeborenen voelt 0,8 procent zich
meer man dan vrouw (incongruente genderidentiteit). Een minderheid hiervan geeft daarnaast aan
onvrede met de sekse van het lichaam waar ze mee zijn geboren en heeft de wens het lichaam aan
te passen: in totaal 0,6% van alle respondenten die als man zijn geborenen en 0,25% van alle
respondenten die als vrouw zijn geborenen (Kuyper, 2012).
Op het eerste gezicht is het misschien onduidelijk waarom deze verschillende groepen in één adem
worden genoemd in de afkorting LHBT. Ondanks hun onderlinge verschillen delen LHBT’ers echter
veel ervaringen. Ze maken ten eerste een zoektocht naar hun identiteit door en leven ten tweede in
een heteronormatieve samenleving waarin hun acceptatie niet altijd vanzelfsprekend is, wat kan
leiden tot minderheidsstress (Meyer, 2003; Testa, 2012). Hoewel seksuele oriëntatie en gender niet
met elkaar verward moeten worden, zijn het bovendien wel twee nauw met elkaar verbonden
aspecten van identiteit. De zoektocht naar hun genderidentiteit die transgenders vaak doormaken,
roept bij hen zelf en bij hun omgeving vragen op over hun seksuele oriëntatie. Ook blijkt dat een
relatief groot deel van de jongeren die zich als kind bij het genderteam meldden vanwege
genderdysfore gevoelens, maar waarbij die gevoelens rond het begin van hun puberteit verdwenen
of verminderden, homo- of biseksueel zijn (Drummond, Bradley, Peterson-Badali & Zucker, 2008;
Steensma, Biemond, De Boer & Cohen-Kettenis, 2010; Wallien & Cohen-Kettenis, 2008). Tot slot
spelen in de LHB-subcultuur gendernonconformisme en cross-gender spel traditioneel een rol,
bijvoorbeeld in de praktijken van drag queens: homoseksuele mannen die zich voor de show als
extravagante dames verkleden (Newton, 1979).
Voor meer verklaringen van LHBT-specifiek taalgebruik en terminologie, zie de verklarende
woordenlijst in de appendix.
15
Rutgers WPF, 2013
2.2
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Beperkte acceptatie en minderheidsstress
Terwijl LHB’ers in Nederland relatief veel aandacht krijgen vanuit onderzoek en beleid, zijn
transgenders als doelgroep pas recent meer in de aandacht gekomen. Van LHB’ers ofwel LHB’s
weten we al langer dat zij door de meeste mensen geaccepteerd worden, maar dat deze acceptatie
ook haar beperkingen kent (Keuzenkamp, Bos, Duyvendak & Hekma, 2006; Keuzenkamp, 2010;
Keuzenkamp, Kooiman & Van Lisdonk, 2012). Vergeleken met volwassenen staan jongeren
bovendien relatief vaak negatief tegenover homo- en biseksualiteit, wat LHB-jongeren extra
kwetsbaar maakt (De Graaf et al., 2012). Recent bleek dat ook transgender-zijn door een
aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking niet wordt geaccepteerd (Kuyper, 2012) en dat de
meerderheid van de transgenders wel eens te maken heeft met negatieve reacties in hun omgeving
(Keuzenkamp, 2012).
Beperkte acceptatie, (het anticiperen op) negatieve reacties, het internaliseren van homo- of
transnegativiteit en het geheim houden van de eigen seksuele oriëntatie of genderidentiteit kunnen
leiden tot minderheidsstress (Meyer, 2003). Doordat LHBT’ers te maken krijgen met
minderheidsstress zijn zij een kwetsbare groep als het gaat om psychisch welbevinden. Ze hebben
bijvoorbeeld vaker depressieve gevoelens en suïcidale gedachten. Van de LHB-jongeren rapporteert
14 procent van de meisjes en 12 procent van de jongens dat zij zich vaak of heel vaak depressief
voelen, en heeft 50 procent er wel eens aan gedacht zelfmoord te plegen (Van Bergen & Van
Lisdonk, 2010). Bij transgenders (zowel jongeren als volwassenen) liggen deze percentages nog
hoger: 51 procent van de transgenders in Nederland is in lichte tot ernstige mate psychisch
ongezond te noemen (ten opzichte van 14 procent van de algemene bevolking) en 71 procent heeft
er wel eens aan gedacht om zelfmoord te plegen (Keuzenkamp, 2012).
2.3
Het coming out- en transitieproces
LHB-jongeren maken tijdens hun puberteit een ontwikkeling door waarin zij hun seksuele
aantrekking tot mensen van hetzelfde geslacht een plek geven in hun leven, ook wel het ‘coming
out-proces’ genoemd. Tijdens dit proces hebben ze veel behoefte aan informatie en soms
hulpverlening rondom seksuele oriëntatie en coming out. Vaak wordt onderscheid gemaakt tussen
verschillende mijlpalen in dit proces door middel van zogenaamde coming out modellen (b.v. SavinWilliams en Cohen, 2007). Dit soort modellen zijn omstreden omdat ze veronderstellen dat alle LHBjongeren op dezelfde manier dit proces doorlopen. Om deze reden is gesuggereerd om niet een
gestandaardiseerd stappenmodel te gebruiken, maar jongeren zelf te vragen naar de mijlpalen in
hun seksuele ontwikkeling (Schneider, 2001). In dit onderzoek is daarom aan de jongeren zelf
gevraagd wat voor hen belangrijke mijlpalen waren (zie par. 3.1).
Uit eerder onderzoek onder jongeren blijkt dat LHB-jongeren zich gemiddeld rond hun 13e of 14e
jaar voor het eerst seksueel aangetrokken voelen tot iemand van hetzelfde geslacht. (De Graaf,
Meijer, Poelman & Vanwesenbeeck, 2005). Na verloop van tijd volgt de stap waarin jongeren hun
gevoelens omzetten in een homo- of biseksuele identiteit. Hier gaat tijd overheen: in een groep
jongens die na hun coming out enkele jaren werd gevolgd duurde dit gemiddeld 2,6 jaar (Franssens
& Hospers, 2009). Wanneer LHB-jongeren hun seksuele identiteit hebben benoemd duurt het vaak
nog een tijd voordat ze dit ook aan anderen vertellen (de coming out). Uit twee studies onder
Nederlandse jongeren blijkt dat dit gemiddeld met 16 of 17 jaar gebeurt (De Graaf et al., 2012;
Keuzenkamp, 2010). Beide studies hebben zeer waarschijnlijk te maken met een onderschatting van
de werkelijke leeftijd van de coming out, omdat voor een flink deel van de jongeren in beide
studies de coming out nog helemaal niet had plaatsgevonden.
Ook transgenderjongeren doorlopen verschillende mijlpalen in het proces waarin ze hun
genderidentiteit een plek geven. Genderdysfore gevoelens manifesteren zich bij een deel van de
transgenders al vóór het zesde jaar, en bij een ander deel rond de puberteit. Omdat de omgeving
vaak zeer negatief reageert wanneer kinderen deze gevoelens uiten, proberen veel kinderen en
16
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
jongeren deze te verbergen. Meer dan vroeger staan ouders de laatste jaren echter open voor de
gevoelens van genderdysforie van hun kinderen, vanwege de grotere bekendheid over
genderdysforie en de totstandkoming van een afdeling voor kinderen binnen het zorgcentrum voor
genderdysforie in het VU Medisch centrum.
In het ontwikkelingsproces van transgenderjongeren staan allerlei beslissingen centraal.
Transgenderjongeren moeten allereerst beslissen of het voor hen wel of niet nodig is om in transitie
te gaan: om fulltime te gaan leven in het geslacht waarmee zij zich identificeren. Dit is niet voor
alle transgenders het geval. Er zijn bijvoorbeeld transgenders die zich grotendeels met hun
geboortegeslacht identificeren, en slechts gedeeltelijk met het andere geslacht. Voor hen kan
periodieke rolwisseling in de privésfeer, bijvoorbeeld je af en toe thuis als meisje kleden,
voldoende zijn.
Transitie heeft zowel een sociale als een medische kant. Sociale transitie of ‘rolwisseling’ betekent
dat een transjongere in sociaal opzicht zoveel mogelijk als het gewenste geslacht door het leven
gaat. Zo’n rolwisseling is een wisselwerking tussen enerzijds het eigen uiterlijk en gedrag en
anderzijds de benadering door anderen. Een transjongen gaat bijvoorbeeld jongenskleren dragen,
zijn borsten verbergen met een platdrukkend hesje, een jongensnaam in gebruik nemen en anderen
vragen ‘hij’ en ‘hem’ te zeggen. Geleidelijk aan zal zijn naaste omgeving hem ook steeds meer als
jongen zien en behandelen, en zullen ook onbekenden hem steeds vaker als jongen inschatten. Dit
gaat echter niet van de ene op de andere dag. Zonder hormoonbehandeling is het vaak niet
mogelijk om als jongen herkend te worden, bijvoorbeeld vanwege het gebrek aan baardgroei en
doordat zijn stem dan nog niet is gedaald.
Een tweede vraag die transgenderjongeren moeten beantwoorden is dan ook de vraag of zij
behoefte hebben aan lichamelijke verandering. Aanpassing van het lichaam door middel van
hormonen en/of operaties wordt medische transitie of geslachtsaanpassende behandeling genoemd.
Slechts een minderheid van alle mensen die zich niet geheel met hun geboortegeslacht identificeren
heeft ook een behandelwens. Zo zijn er transgenders die wel graag fulltime in het andere geslacht
willen leven, maar geen hekel hebben aan hun lichaam en het daarom ook niet willen veranderen.
Voor sommigen geldt daarnaast dat zij slechts een gedeeltelijke behandeling wensen, bijvoorbeeld
wel hormonen maar geen operaties.
Medische transitie bestaat uit diagnostische gesprekken, hormoonbehandeling en verschillende
operaties. Vanaf het 12e jaar kunnen genderdysfore kinderen puberteitsremmers slikken, vanaf het
16e jaar kunnen ze met hormoonbehandeling beginnen en vanaf 18 jarige leeftijd is het mogelijk
een geslachtsoperatie te laten uitvoeren.
Wat operaties betreft kunnen transgender vrouwen één operatie, namelijk de vaginaplastiek,
vergoed krijgen. Bij deze operatie wordt hun penis omgevormd tot een vagina. De borstgroei van
transgender vrouwen wordt door hormoonbehandeling op gang gebracht, maar het resultaat
verschilt sterk. Afhankelijk van het effect van de hormonen en de eigen wensen kunnen
transvrouwen behoefte hebben aan een borstvergroting, maar deze moeten zij zelf betalen.
Transgender mannen krijgen een borst-, buik- en genitale operatie vergoed. Bij de borstoperatie
wordt een mannelijke borstkas gecreëerd door de borsten te verwijderen en de tepels terug te
plaatsen. De buikoperatie bestaat uit het verwijderen van baarmoeder en eierstokken. Er zijn twee
genitale operaties mogelijk: metaidoioplastiek en falloplastiek. Bij een ‘meta’ wordt de door
hormonen gegroeide clitoris aan één kant losgemaakt van de huid, zodat er een kleine penis
ontstaat. Bij een ‘fallo’ wordt weefsel uit (meestal) de pols gebruikt om een penis te creëren. De
schaamlippen worden bij beide operaties omgevormd tot balzakken, en ook is het in beide gevallen
mogelijk de plasbuis te verleggen naar de penis zodat men staand kan plassen. Een ‘meta’ kan uit
zichzelf een erectie krijgen en behoudt de erotische gevoeligheid van de clitoris. Bij een ‘fallo’ kan
een erectieprothese worden toegevoegd, waarbij de penis stijf wordt door middel van een pompje
in de balzak (deze erectieprothese wordt niet vergoed).
17
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
De medische mogelijkheden leveren vooral bij transmannen moeilijke keuzes op: gaan zij voor
grootte of voor erotisch gevoel? Een deel kiest ervoor helemaal geen genitale operatie te laten
uitvoeren. Zij staan vervolgens voor de keuze of ze hun baarmoeder en eierstokken wel of niet
willen laten verwijderen. Strikt gezien is dit niet noodzakelijk wanneer de vagina-opening intact
blijft en de baarmoeder en eierstokken daarom gemakkelijk te bereiken zijn. Voordat de nieuwe
wet rondom genderregistratie in werking treedt, is het echter pas mogelijk de geslachtsaanduiding
in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) aan te passen nadat men medisch gezien onvruchtbaar
is, waarvoor een buikoperatie wel noodzakelijk is.
2.4
LHBT’ers en seksuele gezondheid
LHBT’ers hebben relatief vaak te maken met seksuele gezondheidsproblemen. Homo- en biseksuele
jongens onder de 25 jaar hebben vaker dan heterojongens van dezelfde leeftijd seks gehad onder
druk of dwang, en hebben ook vaker last van seksuele disfuncties (De Graaf et al., 2012). Wanneer
we naar de volwassen bevolking kijken, valt op dat er ook tussen homo- en biseksuelen verschillen
zijn in seksuele gezondheid. Net als jongeren zijn ook volwassen homo- en biseksuele mannen vaker
dan heteroseksuele mannen slachtoffer van seksueel geweld. Biseksuele vrouwen hebben echter
vaker seksueel geweld meegemaakt dan lesbische én heterovrouwen. Lesbische en biseksuele
vrouwen zijn minder tevreden over hun seksleven, hebben minder seksueel zelfvertrouwen en
hebben vaker seksuele disfuncties dan heterovrouwen. Ook biseksuele mannen hebben relatief vaak
last van seksuele disfuncties, vaker dan hetero- én homoseksuele mannen (Rutgers WPF, 2013).
In 2012 is voor het eerst onderzocht of mensen met transgendergevoelens in hun seksuele
gezondheid verschillen van mensen zonder transgendergevoelens. Dit bleek inderdaad het geval te
zijn. Mensen met transgendergevoelens hebben relatief vaak geen seks, zijn minder tevreden en
hebben vaker last van seksuele disfuncties. Ook zijn zij vaker slachtoffer van seksueel geweld
(Rutgers WPF, 2013). Uit een andere studie waarin twaalf transgenderpersonen zijn geïnterviewd,
bleek bovendien dat genderdysfore gevoelens veel impact hebben op seksuele beleving. Wanneer
lichaam en je genderrol voor het gevoel niet ‘kloppen’ met wie je bent, kan dit een barrière zijn
om van seks te genieten en je seksueel prettig te ontwikkelen. In transitie gaan heeft dan een
positief effect op de seksuele tevredenheid. Medische aanpassing van het lichaam heeft ook impact
op het seksueel functioneren, soms in positieve, soms in negatieve zin (Doorduin & Van Berlo,
2012).
18
Gaat het ook over mij? De behoeften van lhbt-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
3
Rutgers WPF, 2013
De informatie- en hulpverleningsbehoeften van homoseksuele
jongens, lesbische meisjes en biseksuele jongeren
In dit hoofdstuk worden de resultaten gepresenteerd van het huidige onderzoek over de informatieen hulpverleningsbehoeften rondom seksuele gezondheid van LHB-jongeren en deskundigen. In twee
focusgroepen is met in totaal 12 jongeren gesproken over hun behoeften aan informatie en
hulpverlening rondom seksuele gezondheid. Daarnaast zijn vier deskundigen geïnterviewd over
hetzelfde onderwerp geïnterviewd.
3.1
Wanneer? De veranderende informatiebehoefte tijdens het coming outproces
“In het begin ben je nog heel erg bezig met, wat ben ik nou? Wat is homo? En nog niet zo met, hoe
kan je seks hebben? Dat is later pas. Als je het zelf helemaal hebt geaccepteerd, je bent uit de
kast en zo, en je gaat op zoek naar andere jongens om mee uit te gaan en dingen te doen, dan pas
ga je uitzoeken van hoe werkt het.” (homoseksuele jongen)
Zoals in paragraaf 2.3 staat beschreven gaan LHB-jongeren door een ontwikkelingsproces waarin zij
hun gevoelens voor hetzelfde geslacht ontdekken, benoemen en in hun leven inbedden. Dit proces is
op verschillende manieren te beschrijven, waarbij meestal een aantal mijlpalen of fases worden
benoemd. Om de jongeren uit te nodigen te beschrijven welke mijlpalen en fases voor hen
belangrijk waren is aan hen een eenvoudig model voorgelegd met de volgende drie fases:
voordat je het weet;
als je erachter komt;
na je coming out.
Aan de jongeren is vervolgens gevraagd of ze zich in deze fases herkennen, wat er in deze fases
gebeurt en aan wat voor informatie of hulpverlening ze in deze fases nodig hadden. De jongeren in
dit onderzoek waren het er met elkaar over eens dat de volgende stappen belangrijke mijlpalen in
hun proces waren geweest:
Fase 1. Je gevoelens benoemen: wat ben ik?
Fase 2. Uit de kast: wie vertel ik het?
Fase 3. Coming in: waar hoor ik bij?
Fase 4. Je weg gevonden.
Voor de homojongeren stond dit proces op de voorgrond van hun seksuele ontwikkeling: pas na hun
coming out en coming in gingen zij hun seksualiteit echt ontdekken. Ook de biseksuele jongeren
herkenden zich in dit proces, al stond het voor een deel van hen minder op de voorgrond omdat zij
ook een ‘heteroseksuele’ ontwikkeling doormaken. Voor bi-jongeren is het mogelijk ook een minder
lineair proces: vanwege vooroordelen en de geringe bekendheid van biseksualiteit blijven zij vaak
twijfelen aan de benoeming van hun identiteit, ook wanneer zij in hun omgeving al open zijn over
hun voorkeur.
De fases zijn hier lineair en als van elkaar te onderscheiden gepresenteerd. In de realiteit
overlappen de fases vaak met elkaar, kunnen ze ook in een andere volgorde doorlopen worden,
doorloopt niet iedereen alle fases en is het ook mogelijk om ‘terug te keren’ naar een eerdere fase.
3.1.1
Fase 1: Je gevoelens benoemen: wat ben ik?
Tot op een bepaalde leeftijd weten jongeren nog niet dat ze homo- of biseksueel zijn. De meesten
zullen er vanuit gaan dat ze heteroseksueel zijn, maar het kan ook dat iemand zich al ‘anders’ voelt
of dat de omgeving iemand ‘verdenkt’. De jongeren hadden ook in deze fase vaak al seksuele of
verliefde gevoelens voor mensen van hetzelfde geslacht, maar trokken daaruit nog niet de conclusie
dat deze gevoelens anders waren dan bij heterojongeren.
19
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
“Ik wist gewoon dat ik jongens leuk vond, nooit meisjes, en ik dacht dat dat heel normaal
was. Homo, hetero en zo, dat wist ik allemaal niet.” (homoseksuele jongen).
Om latere homo- of biseksuele gevoelens bij zichzelf te kunnen herkennen, vond men het belangrijk
dat jongeren van jongs af aan afweten van het bestaan van homo- en biseksualiteit én een positief
beeld ervan hebben. Als je niet weet dat het bestaat of als het enkel negatieve associaties oproept
is het lastiger om gevoelens als zodanig te herkennen. Een lesbisch meisje vertelde bijvoorbeeld dat
ze pas op haar 18e jaar ontdekte dat ze lesbisch was, omdat lesbische vrouwen in haar omgeving
niet zichtbaar waren.
“Ik kom uit een heel klein dorp waar geen één vrouw lesbisch was. …Tot mijn achttiende
kende ik wel mannelijke homo’s, maar vrouwelijke helemaal niet.” (lesbisch meisje)
Het vertalen van homo- of biseksuele gevoelens naar een homo- of biseksuele identiteit kan een
intensief en langdurig zoekproces zijn. Ook volgens de deskundigen worstelen jongeren vaak met de
vraag ‘wat’ ze nou eigenlijk zijn, en bij de Sense Infolijn komen hierover veel vragen binnen.
Jongeren hebben vaak het gevoel dat ze daar een pasklaar antwoord op moeten vinden en dat ze
zichzelf zo snel mogelijk in een hokje moeten plaatsen, maar dat kan lastig zijn. Een van de
deskundigen raadt aan om de stap van seksuele gevoelens naar een seksueel ‘label’ te relativeren:
je hoeft niet meteen te weten ‘wat’ je precies bent en hoe dat heet.
De homoseksuele jongeren zochten in deze fase veel informatie over homoseksualiteit. Ze
vergeleken zichzelf met het beeld dat ze hadden van een homojongen of een lesbisch meisje. Ze
wilden alvast weten hoe seks met een seksegenoot werkt. Ook zochten ze vaak contact met andere
homojongeren om zichzelf aan te kunnen spiegelen.
“Vroeger twijfelde ik nog wat ik nou was. ... Ik heb gezocht naar dingen zoals hoe 'homo
zijn' is en wanneer je homo bent. Ook hoe de seks ging. Ik ben toen uitgekomen op een site
van het COC, Jongenout.nl, daar ben ik in contact gekomen met veel andere jongeren. Zo
ben ik erachter gekomen wat homo is en dat ik dat ook ben.” (homoseksuele jongen)
“Voornamelijk zocht ik op of er een soort prototype lesbie was waar ik me dan mee kon
verifiëren. Ik keek of het kijken naar meisjes normaal was als hetero of dat je dan gelijk
lesbisch bent.” (lesbisch meisje)
De biseksuele jongeren liepen bij deze stap tegen andere dingen aan dan de homoseksuele
jongeren. Sommigen van hen vonden het heel gemakkelijk hun gevoelens te herkennen juist omdat
zij zich tot beide seksen aangetrokken voelen. Dezelfde gevoelens die zij én de meeste van hun
leeftijdsgenootjes voor het andere geslacht krijgen, herkennen zij wanneer ze deze ook voor
seksegenoten blijken te voelen.
“Ik wist het eigenlijk al vanaf dat ik super klein was. … Dat je gewoon merkt dat je
dezelfde aantrekkingskracht hebt voor meisjes en jongens. Dan merk je dat het niet echt
om het geslacht gaat, maar om de persoon.” (biseksueel meisje)
Tegelijkertijd is biseksualiteit minder bekend dan homo- en heteroseksualiteit, en bestaan er veel
vooroordelen over: dat biseksuelen niet kunnen kiezen en dat het een fase is. De bi-jongeren
vonden het daarom moeilijker een conclusie te trekken over hun seksuele oriëntatie, en gaven ook
aan dat ze nog steeds soms twijfelen.
“Ik dacht heel erg van, óf ik ben hetero, óf ik ben homo, maar het kwam niet bij me op dat
het zou kunnen [om bi te zijn.] Tot ik een gesprek had met iemand die bi was, en ik ineens
magisch het licht zag, want daarvoor … kwam het niet in me op.” (biseksuele jongen)
20
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
“Ik denk dat het lastiger is dan als je gewoon op één geslacht zou vallen. Je blijft toch
altijd twijfelen, je weet het ergens wel van jezelf maar toch probeer je steeds weer van….
Je moet er echt achter blijven komen de hele tijd opnieuw.” (biseksueel meisje)
Deskundigen geven aan dat seksuele oriëntatie vaak als binair wordt gezien: homo- en
heteroseksualiteit zijn zichtbaarder dan biseksualiteit. Ook als biseksualiteit bekend is, heerst nog
vaak de gedachte dat het precies tussen homo- en heteroseksualiteit in staat. Vragen waar jongeren
mee kunnen worstelen zijn daarom: betekent biseksueel dat je evenveel op jongens als op meisjes
valt? Kan seksuele aantrekking tot jongens anders voelen dan seksuele aantrekking tot meisjes? Ook
op andere vlakken is seksuele oriëntatie niet altijd even eenduidig, wat labeling lastig maakt. Wat
is bijvoorbeeld de betekenis van seksuele fantasieën? Kun je als lesbische vrouw fantaseren over
seks met mannen? Kunnen seksuele voorkeuren ook verschuiven?
Bij de Sense infolijn melden zich soms jongeren die homoseksuele gevoelens hebben, maar deze
niet accepteren en een uitweg zoeken: “ik wil dit niet zijn.” Zelfacceptatie werd door zowel de
jongeren als de deskundigen in dit onderzoek echter nauwelijks naar voren gebracht als thema.
Geen van de jongeren uit de focusgroepen gaf aan moeilijkheden te hebben gehad met het
accepteren van de eigen seksuele identiteit. Mogelijk vinden veel LHB-jongeren het gemakkelijker
om zichzelf te accepteren dan om zichzelf te labelen. Volgens de deskundigen zijn het vooral de
jongeren met een religieuze en/of niet-westerse achtergrond die met zelfacceptatie worstelen.
Ook voordat LHB-jongeren hun gevoelens hebben ontdekt en een naam gegeven, doen ze soms al
seksuele ervaring op met iemand van hetzelfde geslacht. Een homojongen vertelt bijvoorbeeld dat
hij wel eens seksuele spelletjes deed met de buurjongen voordat hij enig benul had van zijn eigen
homoseksualiteit. Een bi-jongen ontdekte zijn seksuele aantrekking tot mannen toen hij na een
avondje stappen met een vriend in bed belandde.
3.1.2
Fase 2: ‘Uit de kast’: wie vertel ik het?
“Ik zat soms echt urenlang achter de computer ’s avonds op mijn kamer al die verhalen te
lezen, hoe gaat dat nou, hoe reageren mensen. Daardoor heb ik op een gegeven moment de
moed gevonden van ‘ik ga het gewoon vertellen.’” (homoseksuele jongen).
Als jongeren er over uit zijn dat ze echt homo, lesbisch of bi zijn, volgt de vraag of, wanneer, hoe
en wie zij het willen vertellen. Dit wordt ook wel ‘uit de kast komen’ of ‘coming out’ genoemd.
Volgens zowel de deskundigen als de jongeren zelf hebben LHB-jongeren vaak informatie en steun
nodig bij het maken van keuzes rondom coming out. Een coming out kan enerzijds erg meevallen en
jongeren vinden het belangrijk de angst ervoor te relativeren. Anderzijds kunnen er wel degelijk
ernstige gevolgen zijn zoals pesten of uitsluiting door familie. Dit laatste komt vooral in traditionele
gezinnen voor. Zowel jongeren zelf als deskundigen geven aan dat het daarom belangrijk is coming
out als keuze te benoemen en het niet als vanzelfsprekend te beschouwen dat iedereen uiteindelijk
uit de kast komt. Het is belangrijk dat iemand er zelf klaar voor is en niet teveel gevaar loopt. In
sommige gevallen is het een goede beslissing om ouders niets te vertellen en een ‘dubbelleven’ te
leiden. Als iemand zeer negatieve reacties verwacht maar toch uit de kast wil komen, moet hij of
zij goed voorbereid zijn op de gevolgen en de weg naar ondersteuning al hebben gevonden.
Wie uit de kast wil komen maar niet goed durft, kan steun vinden in de ervaringsverhalen van
anderen. Ook ontmoeting en gesprekken met andere jongeren kunnen helpen.
“Ik zat er heel erg mee in de knoop. Toen heb ik me aangemeld op Jong & Out. …. De
begeleider daar vroeg me, wat is het probleem eigenlijk? Het hoeft toch helemaal geen
probleem te zijn? Hij weerkaatste mijn vragen op een hele goede manier terug, waardoor
ik de moed kreeg om het toch te doen.” (homoseksuele jongen)
21
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Biseksuele jongeren krijgen deels met dezelfde, deels met andere reacties te maken dan
homojongens en lesbische meisjes. Ze liepen vaak tegen vooroordelen en onbegrip over
biseksualiteit aan. Biseksualiteit onder meisjes wordt bijvoorbeeld vooral ‘spannend’ en ‘sexy’
gevonden door jongens, en daarmee niet erg serieus genomen. Ook verwachtte hun omgeving vaak
dat ze uiteindelijk zouden ‘kiezen’.
“Mijn ouders dachten op een gegeven moment ook, wat bén je nou eigenlijk.” “Alsof je
niet kan kiezen of zo.” “Je moet echt een hokje hebben. Ik val niet op het geslacht, maar
gewoon op de persoon en dat snappen veel mensen gewoon niet.” (interactie tussen twee
biseksuele meisjes)
De bi-jongeren uit dit onderzoek waren in mindere mate uit de kast dan de homo-jongeren. Dit kan
komen doordat de bi-jongeren in dit onderzoek jonger waren dan de homojongeren. Uit onderzoek
blijkt echter ook dat biseksuele jongeren minder vaak uit de kast zijn dan homo-jongeren. Vooral
bi-jongens komen minder vaak uit de kast (Van Lisdonk & Van Bergen, 2011).
Hoe komt het dat biseksuele jongeren minder uit de kast komen? Volgens één van de deskundigen
bestaan er ten eerste veel vooroordelen over biseksualiteit, die zelfacceptatie en openheid kunnen
bemoeilijken. Ten tweede bestaat er in Nederland niet of nauwelijks zoiets als een bi scene. De
mainstream wereld is hetero georiënteerd en daarnaast is er een homo-subcultuur. Biseksuelen
zitten vaak in één van deze twee werelden. Wanneer een biseksuele jongen zich beter thuis voelt
bij de mainstream, bijvoorbeeld omdat hij een (monogame) relatie met een meisje heeft, is er
wellicht weinig reden om uit de kast te komen. Tot slot hebben bi-jongens mogelijk meer of op een
andere manier dan homojongens last van beeldvorming rondom gender en seksualiteit. Een
homoseksuele voorkeur wordt vooral bij mannen geassocieerd met cross-gender gedrag en
uitstraling. Terwijl homojongens in de beeldvorming vaak als ‘onechte mannen’ worden beschouwd,
zijn bi-jongens moeilijker te plaatsen. Dit maakt het wellicht makkelijker om als homo-jongen uit
de kast te komen: dan is het maar duidelijk.
3.1.3
Fase 3: ‘Coming in’: waar hoor ik bij?
“Het is echt een hele andere, ondergrondse wereld. … En ik vind die wereld leuker.”
(homoseksuele jongen)
Als jongeren uit de kast zijn zoeken ze vaak contact met andere LHB-jongeren en gaan ze de LHBwereld verkennen, ook wel ‘coming-in’ genoemd. Coming-in kan echter ook al plaatsvinden voordat,
of zonder dat iemand uit de kast komt tegenover de eigen omgeving. Jongeren onderzoeken in deze
fase hun positie ten opzichte van die LHB-wereld. Voel je je als een vis in het water in de gay scene
of voelt het vertrouwder bij je oude, (grotendeels) hetero vriendenkring? Of ben je thuis in twee
werelden? Hoe leer je potentiele dates kennen als je je niet thuis voelt in de LHB-wereld?
“Ik leerde iemand kennen en die sleurde mij meteen die hele wereld in. Toen kwam ik
erachter dat ik die wereld eigenlijk niet zo leuk vind. … Maar op een gegeven moment wil
je ook meisjes leren kennen, hoe doe je dat dan?” (lesbisch meisje)
Bij dit vormgeven van je publieke identiteit als LHB-jongere horen ook keuzes in zelfpresentatie en
vragen over stereotypes. Zijn lesbische of bi-meisjes bijvoorbeeld ‘mannelijker’ dan heteromeisjes,
en hoe zorg je dat je andere lesbische en biseksuele meisjes jou herkennen?
“Ik had zo’n fase dat ik me mannelijker ging kleden, want dan kunnen andere meisjes zien
dat ik het [bi] ben … . Maar een tijdje later dacht ik, dit heeft geen zin, want meisjes
vallen op meisjes. Sommigen vallen op jongensachtige meisjes, anderen op meisjesachtige
meisjes. Je valt op gewoon op wie je wil vallen.” (biseksueel meisje)
22
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Volgens deskundigen hebben LHB-jongeren die minder genderconform zijn meer last van
homonegativiteit en hebben zij daarom ook meer behoefte aan steun van andere LHB-jongeren.
Tegelijkertijd heersen ook binnen LHB-kringen soms allerlei gendernormen. Veel jongeren willen
graag normaal worden gevonden door de buitenwereld en koppelen dat aan genderconformisme. Zij
zijn negatief over homojongens die ‘te nichterig’ doen of lesbische meisjes die een ‘te mannelijke’
genderexpressie hebben. Het is daarom belangrijk te benadrukken dat LHB-jongeren onderling van
elkaar verschillen en te vermijden om ook binnen de LHB-wereld normatieve opvattingen uit te
dragen over mannelijkheid en vrouwelijkheid. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn, hoe mannelijk of
vrouwelijk dat ook is.
Hoewel iemand voor een groot deel van zijn of haar omgeving uit de kast kan zijn, blijf je altijd
nieuwe mensen ontmoeten die ‘het’ nog niet weten. Angst voor negatieve reacties bij het vertellen
kan in deze fase ook een rol blijven spelen.
“Wanneer vertel ik het aan iemand? Ga ik er heel makkelijk over doen, of hoe doe je dat?”
(lesbisch meisje)
In deze fase gaan LHB-jongeren vaak voor het eerst seksuele contacten en/of relaties aan met
iemand van hetzelfde geslacht. Dit betekent dat in deze fase informatie over dating, seks en
relaties een belangrijker rol gaat spelen.
3.1.4
Fase 4: ‘Mijn weg gevonden’
“Nu zoek ik eigenlijk niks meer op. Ik heb al meer als een jaar een vriend en ben niet meer
zo nieuwsgierig naar alles. Ik heb mijn weg wel gevonden in het ‘homo zijn’.”
(homoseksuele jongen)
De deelnemende homojongeren, die wat ouder waren dan de bi-jongeren, gaven aan dat hun
informatiebehoefte een aantal jaar na hun coming out veel minder is geworden. Zij zaten stevig in
hun identiteit en hebben volledig geaccepteerd dat ze homoseksueel zijn. Ze vinden het niet
moeilijk om hier open over te zijn en schamen zich er niet meer voor. Waarschijnlijk is dit niet voor
iedereen weggelegd. Voor LHB-jongeren uit streng religieuze milieus kan het wellicht moeilijker zijn
om zichzelf volledig te kunnen accepteren.
In deze fase hebben jongeren niet zo’n behoefte meer aan informatie over homoseksualiteit. Wel
behouden ze behoefte aan informatie over seksualiteit, liefde en relaties. Sommige jongeren gaven
aan in deze fase ook interesse te krijgen in maatschappelijke aspecten, zoals homorechten of de
positie van transgenders.
3.2
Wat? De behoefte aan informatie over seksuele gezondheidsthema’s
Tijdens hun coming outproces hebben LHB-jongeren logischerwijs behoefte aan informatie over
seksuele oriëntatie, zelfbenoeming en coming out. Hand in hand hiermee gaan ze de wereld van
liefde, seks en relaties ontdekken en hebben zij ook behoefte aan informatie over seksuele
gezondheidsthema’s, zoals dating, relaties en veilig vrijen. In deze paragraaf wordt verder
uitgediept aan wat voor informatie over verschillende seksuele gezondheidsthema’s jongeren
behoefte hebben. Seksuele identiteit is op zichzelf natuurlijk ook een seksueel gezondheidsthema
waarover LHB-jongeren informatie nodig hebben. Omdat dit onderwerp in het vorige al uitvoerig is
behandeld, zal het hier niet verder besproken worden.
In de vragenlijst die de jongeren vooraf aan de focusgroep invulden kregen zij eerst de open vraag:
“Wat zijn de onderwerpen waar jij wel eens informatie over zoekt als het gaat om liefde, seks en
relaties? En waar zocht je vroeger wel eens informatie over? Schrijf maar alles op wat er in je
opkomt.” Jongeren vulden hier vaak slechts een paar onderwerpen in. Vooral de bi-jongeren vulden
vaak in geen informatie over liefde, seks en relaties te zoeken. Vervolgens kregen de jongeren een
23
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
lijst met uiteenlopende onderwerpen, met de vraag: “Over welke van de volgende onderwerpen zou
je nu meer willen weten of zoek je wel eens informatie? En over welke onderwerpen zocht je
vroeger informatie? Zet een kruisje!” Bij deze vraag gaven de jongeren aan over veel meer
onderwerpen iets te (hebben) willen weten.
Omdat de resultaten van de open en gesloten vraag zo uiteenliepen gaan we er vanuit dat
antwoorden op de open vraag een actieve interesse aangeven, en antwoorden op de gesloten vraag
een passieve interesse. Dat wil zeggen: wanneer ze informatie over liefde, seks en relaties
tegenkomen vinden de jongeren het bijna altijd wel interessant (passieve interesse), en in de
focusgroep gaven ze ook aan dat het fijn is om brede kennis over dit onderwerp te hebben voor het
geval je op een later moment ergens mee te maken krijgt. De onderwerpen waar ze zelf actief naar
op zoek gaan zijn specifieker.
Uit de inventarisatie van meest aangevinkte onderwerpen blijkt dat de meisjes en jongens onderling
sterk verschilden in de onderwerpen waar ze passief in geïnteresseerd waren. De meeste jongens
hadden nu of in het verleden interesse (gehad) in de vraag of ze homo, bi of hetero waren, in seks
met een man en in soa’s, hiv en aids (veilig vrijen werd minder vaak genoemd). De meeste meisjes
noemden anticonceptie, soa’s, hiv, aids en veilig vrijen; daarnaast noemden zij onzekerheid over
het lichaam, kinderen krijgen en uit de kast komen. Het belangrijkste verschil is dat jongens vaker
dan meisjes geïnteresseerd lijken te zijn in de positieve kanten van seks, en dat meisjes meer dan
jongens onzeker zijn over hun lichaam, meer bezig zijn met een kinderwens en met het voorkomen
van negatieve effecten van seks.
Tabel 2.1: Passieve informatiebehoefte LHB-jongeren, meest aangekruiste thema’s
Jongens (totaal 5)
Seks met een man (4x)
Hoe kan je lekkere seks hebben (4x)
Ben ik homo, bi of hetero? (4x)
Soa’s (4x)
Hiv en aids (4x)
3.2.1
Meisjes (totaal 8)
Anticonceptie, voorbehoedsmiddelen (8x)
Soa’s (8x)
Uit de kast komen (7x)
Kinderen krijgen in een lesbische relatie (7x)
Onzeker zijn over je lichaam (7x)
Veilig vrijen (7x)
Hiv en aids (7x)
Liefde, dating en relaties: is de ander ‘ook zo’?
Volgens de LHB-jongeren zijn verliefd zijn en het aangaan van een relatie geen onderwerpen
waarover ze vaak informatie zochten. In de focusgroep met bi-jongeren vond men het iets wat je
zelf uit moet vinden door het te doen. Ook vond men het meestal geen onderwerp waar LHBjongeren andere informatie over nodig hebben dan heterojongeren. Toch gaven een aantal jongeren
in de individuele vragenlijsten wel aan hier specifiek LHB-gerichte informatie over te zoeken, en
ook volgens de geïnterviewde deskundigen komen er voor LHB-jongeren wel wat extra dingen bij
kijken.
Ten eerste hangt een eerste verliefdheid op iemand van hetzelfde geslacht samen met het
ontdekken van je seksuele oriëntatie. Het kan lastig zijn erachter te komen of het inderdaad
verliefdheid is of iets anders, zoals intense vriendschapsgevoelens of bewondering. Wil je met of bij
een persoon zijn, of zou je zelf die persoon willen zijn? De bi-jongeren geven hierover als tip dat
meestal wanneer je echt verliefd bent, je het eigenlijk wel weet.
Jongeren vragen zich volgens de deskundigen ook vaak af hoe ze om kunnen gaan met verliefdheid
op iemand van wie ze niet weten of diegene LHB is. Ook op de Sense infolijn komt deze vraag vaak
binnen. Het is moeilijk om erachter te komen of de ander ook LHB is zonder zelf uit de kast te
komen. Je loopt daarbij het risico dat niet alleen je liefde, maar ook je seksuele identiteit wordt
afgewezen. LHB-jongeren kunnen vaak met niemand uit hun omgeving over hun verliefdheid praten,
en kunnen ze zich hierdoor eenzaam voelen.
24
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Net als bij coming out is ook hier geen eenduidig advies mogelijk is, omdat ‘go for it’ niet altijd
goede gevolgen heeft. Het kan volgens de deskundigen helpen de ‘subculturele codes’ te leren
herkennen. Als je bekend bent met de gay scene, wordt het gemakkelijker op te merken dat iemand
ook LHB is (de zogenaamde ‘gay-dar’). Zij zou jongeren de volgende truc adviseren: vraag de ander
of hij of zij een bepaalde film of een boek met een LHB thema kent. Als de ander de film of het
boek ook kent is de kans groot dat diegene ook op hetzelfde geslacht valt of er in elk geval positief
tegenover staat. Hierdoor kan je voorzichtig peilen hoe het ermee staat. Tot slot kan coming in
mogelijkheden bieden om beantwoorde liefde te vinden. Dit kan de pijn van bijvoorbeeld een
onbeantwoorde liefde voor een klasgenootje niet wegnemen, maar wel nieuwe kansen bieden.
Volgens zowel de deskundigen als de jongeren zelf wordt dat in de LHB-scene anders omgegaan met
dating dan in de mainstream wereld. Vooral de jongens krijgen bij hun coming in te maken met een
seksueel expliciete dating scene. Zo zijn er veel websites waarop je seksdates kunt maken, zoals
Gay.nl, Bullchat, Gayromeo en Grindr. Dit soort sites trekken mogelijk ook jongens aan die zich niet
als homo- of biseksueel identificeren, maar wel zin hebben in seks met een andere jongen. Een
boodschap die volgens de deskundigen in informatiemateriaal hierover centraal zou moeten staan,
is dat je het als LHB-jongere niet hoeft te overhaasten. Seksdates zijn een optie, maar je kunt ook
op andere manieren daten, bijvoorbeeld door bevriend te raken met andere LHB’s en op een meer
geleidelijke manier seksuele ervaring op te doen. De deskundigen geven tegelijkertijd ook aan dat
seksdates niet teveel moeten worden geproblematiseerd. Het is vooral belangrijk jongeren te leren
hun wensen en grenzen aan te geven (zie par. 3.2.4) en deze informatie niet alleen aan jongens
met een homo- of biseksuele identiteit te verstrekken, maar aan alle jongens die wellicht interesse
hebben in seksueel contact met een andere jongen.
Tot slot gaven jongeren in de vragenlijst ook aan vragen te hebben over verschillen tussen homo- en
heterorelaties, en hoe een relatie met iemand van hetzelfde geslacht ‘werkt’. Een lesbisch meisje
verwoordt haar vraag bijvoorbeeld zo: “hoe is de verdeling tussen vrouw en vrouw zijn in een
relatie”. Omdat LHB-jongeren (net als andere jongeren) om zich heen meer voorbeelden zien van
heterorelaties dan van homorelaties, zijn ze wellicht nieuwsgierig of er verschillen zijn en/of
hebben ze behoefte aan rolmodellen. Een bi-meisje geeft aan dat ze hiervoor veel heeft gehad aan
‘The L Word’, een tv-serie over lesbische vrouwen.
3.2.2
Seks: hoe werkt het bij twee mannen of twee vrouwen?
“Het is gemakkelijk om aan informatie over heteroseks te komen. Informatie over vrouwvrouw en man-man is moeilijker te vinden. Hier is geen voorlichting over. Je kunt het wel
zelf bedenken en dat is ook wel leuk. Maar het zou fijn zijn als er meer en toegankelijker
homo-informatie is.” (biseksueel meisje)
Veel jongeren gaven aan actief naar informatie te zoeken over hoe seks met iemand van hetzelfde
geslacht werkt, vooral toen ze er net achter kwamen dat zij LHB zijn. Wanneer jongeren over ‘de
bloemetjes en de bijtjes’ leren, gaat het echter vrijwel altijd over heteroseksuele
geslachtsgemeenschap. Hoe twee mannen of twee vrouwen seks met elkaar hebben is informatie
die minder snel op je pad komt. Je moet er dus actief naar op zoek gaan. Daarnaast zijn veel
jongeren ook actief op zoek naar manieren om van seks (met iemand van hetzelfde geslacht) te
kunnen genieten, bijvoorbeeld ‘nieuwe dingen uitproberen’, ‘wat zijn de gevoelige plekjes?’ of ‘wat
is fijn als je seks hebt met een jongen?’. Ook dit soort tips kunnen ze vaak niet op mainstream
plekken vinden. Biseksuele jongeren zoeken daarnaast ook informatie over heteroseks. Het is voor
hen voldoende als de informatie er is en men weet waar je beide kunt vinden, het hoeft niet per se
op één plek te staan.
Volgens de deskundigen krijgen jongeren informatie over sekstechnieken vaak via (homo)porno
mee, wat een probleem kan zijn vanwege de lichaamsnormen waar ze dan tegelijkertijd mee
worden geconfronteerd. Er bestaat wel alternatieve porno waar mensen met realistischer lichamen
25
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
in spelen, maar deze is moeilijk te vinden. Zogenaamde ‘lesbische’ porno is bovendien vaak
gemaakt voor heteromannen en daarom niet interessant voor lesbische en bi-vrouwen.
Ook geeft een van de deskundigen aan dat vrouwen relatief weinig kennis hebben over de seksuele
werking van hun lichaam. In tegenstelling tot bij mannen zijn hun seksuele organen minder
zichtbaar vanaf de buitenkant. Om plezierige seks te hebben is het handig om goed te weten hoe
het bij jezelf allemaal werkt en wat er met je lichaam gebeurt als je opgewonden raakt of een
orgasme krijgt. Kennis van het lichaam voorkomt seksuele problemen: uit onderzoek blijkt dat
vrouwen relatief vaak pijn bij het vrijen hebben. Dit zou niet nodig hoeven zijn en komt
waarschijnlijk vaak voort uit het niet vochtig genoeg zijn. Omdat vrouwelijke seksualiteit en
lesbische seks het imago hebben nogal passief te zijn, is het daarnaast ook emancipatoir om
zichtbaar te maken dat zich ook bij vrouwen van alles afspeelt in het genitale gebied wanneer zij
opgewonden zijn. Zo krijgen vrouwen een stijve clitoris bij seksuele opwinding. Deze informatie is
overigens voor alle meisjes en vrouwen belangrijk, ook voor niet-LHBT-ers.
3.2.3
Veilig vrijen: een overload aan informatie
“Dan kom je ineens weer iets tegen over Hepatitis B en dan denk je oh, what the fuck, wat
is dat, moet ik me daar ook nog tegen inenten. Ik vind dat nog steeds een heel
ondoorzichtig onderwerp.” (biseksuele jongen)”
Veilig vrijen vinden jongeren een belangrijk onderwerp, waarover de meesten van hen gemakkelijk
informatie konden vinden. Wel zijn er een aantal aandachtspunten.
Een aantal jongens vond de informatie over veilig vrijen erg versplinterd en onoverzichtelijk, zoals
de biseksuele jongen in bovenstaand citaat aangeeft. Vanwege de overload aan informatie gaf hij
het vaak al bij voorbaat op om hier echt naar te gaan zoeken. Omdat homo- en biseksuele jongens
veel informatie te onthouden hebben, hebben ze behoefte aan overzicht.
De jongeren vonden het verder verwarrend dat er een aparte website is over hepatitis B
(manofmietje.nl), maar dat je zelf verder moet zoeken naar informatie over hepatitis A. Ook werd
het risico op hiv bij orale seks tussen mannen genoemd als iets wat men onduidelijk vond. Op de
website mantotman.nl wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen risico op hiv en risico op soa,
terwijl de jongeren hiv ook als soa beschouwen. Het onderscheid tussen wel en niet doorslikken van
sperma bij orale seks kwam tekstueel ook niet meteen duidelijk over op de jongeren, wat voor
verwarring zorgde.
De meisjes gaven aan niemand in hun omgeving te kennen die een beflapje gebruikt. Er worden
alleen grapjes over gemaakt. Ze vinden het daarom verwarrend hoe je veilige seks hebt met een
andere vrouw en of dat eigenlijk wel belangrijk is: is een beflapje wel nodig? Een meisje gaf zelfs
aan dat ze er nooit aan had gedacht dat je ook bij seks met een andere vrouw op soa-risico moet
letten.
Sommige meisjes gaven aan dat zij het handiger vonden om af en toe een soa-test te doen. Ook
hebben lesbische en bi-meisjes behoefte aan tips hoe je veilige seks ter sprake kunt brengen, en
hoe je goed om kunt gaan met de lacherigheid over dit onderwerp.
“Ik denk dat ik wel veel beter weet waar ik op moet letten als ik met een jongen seks zou
hebben dan met een meisje. Ik heb er eigenlijk nog nooit aan gedacht dat ik iets zou
kunnen gebruiken met een meisje.” (biseksueel meisje).
3.2.4
Grensoverschrijding: praten over wensen en grenzen
Net als heterojongeren kunnen LHB-jongeren te maken krijgen met seksueel grensoverschrijdend
gedrag. De jongeren gaven aan relatief weinig actieve en passieve informatiebehoefte hierover te
26
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
hebben. Wel kunnen ze na doorvragen een aantal specifieke risico’s noemen die jongens in de LHBscene lopen. De deskundigen hebben er meer over te zeggen.
Volgens zowel de jongeren zelf als de deskundigen kunnen jongens, vooral wanneer zij nieuw zijn in
de gay scene, kwetsbaar zijn voor seksuele toenadering, dwang en misbruik door oudere mannen.
Via chatsites als gay.nl worden jongens veelvuldig benaderd door oudere mannen die hen proberen
over te halen tot een seksdate, waarbij soms zelfs geld wordt geboden. Net uit de kast zijn
jongeren nog heel nieuwsgierig en hebben ze daarnaast weinig zelfvertrouwen, wat het moeilijk
maakt om aan te geven wat ze wel en niet willen. Dit onderwerp werd benoemd als een taboeonderwerp, waar jongeren onderling uit schaamte niet gemakkelijk over spreken. In de
mannenscene bestaat volgens de deskundigen daarnaast ook een sterke norm om seks altijd leuk te
moeten vinden. ‘Nee’ wordt gezien als preuts, dan ben je een ‘party pooper’.
Meiden leren volgens de deskundigen hun leven lang dat ze voor mannen op moeten passen, maar
leren niet dat je ook in een vrouwenrelatie je grens moet aangeven. Ze missen allerlei
waarschuwingssignalen van misbruik die ze bij mannen wel zouden herkennen.
Volgens de deskundigen begint het voorkomen van seksuele grensoverschrijding met het stimuleren
van praten over seks onder jongeren. Alleen dan durven zij duidelijk aan te geven wat ze wel en
niet willen. Hierbij is ‘enthusiastic consent’ belangrijk: altijd pas dingen doen wanneer je
instemming hebt van de ander, en dat hoeft niet saai of zakelijk te zijn maar kan ook enthousiast
zijn. Een ‘ja’ betekent niet meteen een ja voor álle seksuele handelingen, dus je moet dit blijven
checken tijdens de seks.
Daarnaast is het volgens de deskundigen belangrijk geen normen te creëren voor wat ‘normale’ seks
is voor LHB’s. Jongeren zijn volgens hem sterk gericht op het ontdekken wat wel en niet normaal is
in de LHB-scene en passen zich daarop aan. Vaak denken zij dat alle homomannen anale seks
hebben, en denken meisjes dat het normaal is om elkaar oraal te bevredigen. Belangrijker is echter
dat je doet wat je zelf prettig vindt.
Bij casual seks en seksdates vraagt communicatie over wensen en grenzen volgens de deskundigen
om een wat andere aanpak dan bij seks binnen een relatie, vanwege de snelheid van het contact en
omdat je de ander vaak nog niet (goed) kent. Het kan gaan om handelingen die je wel en niet wilt
doen, welke positie (top/bottom/versatile) je graag inneemt, en wat je wensen zijn voor veilige
seks. Ook kun je hierin aangeven of je zelf wel of niet getest bent en wat je hiv-status is, en de
ander om dezelfde informatie vragen. Ook in andere seksuele contacten is dit soort informatie
belangrijk, maar in losse seksuele contacten heb je minder tijd om elkaar rustig te leren kennen en
af te tasten, waardoor je snel en duidelijk moet communiceren over wat je wel wilt en wat liever
niet.
Bij een seksdate wordt dit soort informatie meestal al tijdens het chatten uitgewisseld. Het is
belangrijk te weten dat je dan in real life erop terug kunt komen: “Als iemand iets typt kan het
heel geil en spannend klinken, maar in het echt heb je er toch niet zo’n zin in” (deskundige). Bij
casual seks waarbij je iemand in real life tegenkomt wordt geadviseerd om een ‘elevator pitch’ te
oefenen waarin je bovenstaande informatie kort en bondig uitspreekt. Niet alleen van tevoren,
maar ook tijdens de seks blijft het belangrijk je wensen en grenzen aan te geven. Het is echter
makkelijker en verstandiger om dat van tevoren te doen dan in the heat of the moment. Ook is het
belangrijk dat een jongere durft aan te geven wanneer de ander zich niet aan gemaakte afspraken
houdt en over zijn grens gaat.
3.3
Met wie? Informatie integreren of apart aanbieden
Informatie over liefde, seks en relatie voor LHB-jongeren kan via specifieke kanalen voor LHB’s
worden aangeboden, maar kan ook worden geïntegreerd in ‘mainstream’ kanalen voor alle
jongeren. Bovendien kan worden gedifferentieerd naar homo- en biseksualiteit en naar sekse. Waar
27
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
geven LHB-jongeren zelf de voorkeur aan, en wat werkt volgens de deskundigen het beste? Met wie
willen LHB-jongeren worden aangesproken?
3.3.1
Van mainstream naar doelgroepgericht
In paragraaf 3.2 is besproken welke uitdagingen en kwetsbaarheden de verschillende mijlpalen in
dit proces met zich meebrengen. Niet alleen hebben jongeren in de verschillende fases een andere
informatiebehoefte, ook verschilt hun zoekstrategie naar informatie vermoedelijk per fase. Uit de
gesprekken met zowel jongeren als deskundigen bleek dat LHB-jongeren in het begin van hun
coming out fase vooral behoefte hadden aan informatie via ‘mainstream’ kanalen, terwijl ze uit de
kast hun informatie liever apart voor LHB’s aangeboden kregen. Daarnaast leek er verschil te zijn
tussen homoseksuele en biseksuele jongeren: de biseksuele jongeren leken meer dan de
homojongeren op mainstream plekken naar informatie te zoeken.
Uit de gesprekken met jongeren bleek dat mainstream kanalen als jongerentijdschriften, tvprogramma’s, school en websites voor jongeren vooral in het begin van het proces belangrijke
kanalen zijn om voor het eerst met seksuele diversiteit in aanraking te komen. Nog voordat
jongeren vermoeden dat ze LHB zijn kunnen ze via deze kanalen een positief beeld krijgen van
homo- en biseksualiteit. Hierdoor herkennen ze in een later stadium beter hun homo- of biseksuele
gevoelens. Wanneer jongeren al van zichzelf weten dat ze LHB zijn maar hier nog niet open over
zijn, is het belangrijk dat zij anoniem informatie kunnen zoeken. Op die manier kunnen ze op hun
eigen tempo hun gevoelens onderzoeken en hoeven ze nog geen rekening te houden met eventuele
negatieve reacties van hun omgeving. Internet is daarom in deze periode een belangrijk kanaal, en
hierbij wordt vaak gericht via zoekmachines gezocht. Vermoedelijk komen jongeren dan ook vaak
op LHB-gerichte websites terecht. Eenmaal uit de kast hebben jongeren geen anonimiteit meer
nodig, maar blijven ze vaak bereikbaar via LHB-specifieke kanalen omdat ze hier binding mee
voelen.
Ook de deskundigen geven aan dat ‘startende’ LHB-jongeren het beste via mainstream kanalen
kunnen worden aangesproken, en ‘gevorderden’ beter apart. Jongere LHB’s zijn namelijk nog niet
zo ‘voorgesorteerd’ in hun seksuele voorkeur en identiteitslabel. Het is wenselijk dat ze niet van
tevoren een beslissing hoeven te nemen over ‘wat’ ze precies zijn om relevante informatie te
kunnen krijgen. ‘Gevorderden’ hebben echter vaak behoefte aan verdieping en ontmoeting met
andere LHB-jongeren, waar op mainstream kanalen weer minder ruimte voor is. Uiteindelijk is het
volgens de deskundigen vooral belangrijk om een dubbele strategie te hanteren en LHB-jongeren
zowel via doelgroepspecifieke als mainstream kanalen aan te spreken. De zoekstrategieën
verschillen immers niet alleen per fase in het coming out-proces, maar ook individueel.
Belangrijk bij het aanbieden van informatie via mainstream kanalen is volgens de deskundigen, dat
LHB-jongeren ook daar echt het gevoel moeten krijgen dat de informatie ook voor hen bedoeld is en
niet alleen voor hetero’s. Ook binnen de LHB-groep is daarnaast zoveel diversiteit, dat het
belangrijk is een inclusieve schrijfstijl te hanteren. Informatief materiaal richt zich altijd op een
gemiddelde lezer: er wordt meer informatie aangeboden over situaties die veel mensen meemaken,
en minder over situaties die zelden voorkomen. Het is een uitdaging om toch rekening te houden
met diversiteit, en dan niet alleen met seksuele diversiteit maar ook diversiteit in religie,
woonplaats, leeftijd, smaak, enz.
In paragraaf 3.4 wordt verder ingegaan op de specifieke tijdschriften, internetsites en andere
kanalen via welke LHB-jongeren informatie zoeken en vinden.
3.3.2
Biseksualiteit: wel zichtbaarheid, geen eigen plek nodig
Biseksualiteit kan in voorlichtingsmateriaal volgens de jongeren prima samen met homoseksualiteit
worden benaderd. Het verschil tussen homo- en biseksualiteit vond men niet groot genoeg om voor
beide groepen aparte informatie aan te bieden. De biseksuele jongeren vonden het geen probleem
dat zij voor man-man en vrouw-vrouw informatie soms op andere plekken moesten kijken dan voor
informatie over man-vrouw.
28
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Het is wel belangrijk dat biseksualiteit zichtbaar is als onderdeel van informatie over seksualiteit of
LHB-zijn, en dat er nadruk op wordt gelegd dat het echt bestaat. Vanuit de homowereld wordt soms
namelijk ‘neergekeken’ op biseksualiteit: het wordt gezien als een fase of als ‘nog half in de kast
zitten’. Binnen de focusgroep met homoseksuele jongeren werden ook vooroordelen geuit: een van
de jongens gaf bijvoorbeeld aan dat hij nooit een relatie zou aangaan met een biseksuele jongen,
uit angst dat diegene hem zou verlaten voor een meisje. Dat zou hij nog erger vinden dan verlaten
worden voor een andere jongen. Het is niet wenselijk dat biseksuele jongeren die zoekende zijn
naar hun identiteit ook op LHB-specifieke plekken met dit soort vooroordelen worden
geconfronteerd.
Tot slot gaven deskundigen nog aan dat homo- bi- en heteroseksualiteit zich tot elkaar verhouden
op een continuüm. Biseksuelen zijn niet allemaal op dezelfde manier biseksueel. De één valt op
personen en vindt sekse irrelevant, de ander vindt sekse wel relevant maar vindt jongens en meisjes
gewoon allebei leuk, en ook zijn er biseksuelen die vooral op jongens of meisjes vallen maar niet
uitsluitend. En ook jongeren die zichzelf als homo of lesbisch labelen verschillen van elkaar in hun
aantrekking: sommigen vallen uitsluitend op mensen van hetzelfde geslacht, anderen vallen vooral
op het eigen-, maar ook wel eens op iemand van het andere geslacht.
3.3.3
Jongens en meisjes: soms samen, soms apart
Informatie voor LHB-jongens en -meisjes kan soms goed samen worden aangeboden, terwijl het in
andere gevallen wenselijk is dat zij apart worden benaderd. De jongeren zelf gaven aan dat LHBjongens en meisjes elkaar vooral in de coming out fase nodig hebben en goed samen op kunnen
trekken. Dat was ook zichtbaar tijdens de focusgroepen. Informatie rondom seksuele oriëntatie zelf
kan waarschijnlijk prima gemengd worden aangeboden, en lotgenotengroepen werken ook goed
wanneer zij gemengd zijn.
Bij het bieden van informatie over liefde, seks en relaties ligt dat anders vanwege het verschil in
beleving van seksualiteit en de verschillende seksuele problemen waar jongens en meisjes tegenaan
lopen. Volgens zowel de jongeren zelf als de deskundigen is het wenselijk bij deze onderwerpen oog
te hebben voor sekseverschillen. Dat geldt overigens ook voor hetero’s: informatie over hoe je
lichaam en opwinding werkt is voor jongens en meisjes wezenlijk anders. Informatie over
sekstechnieken kan ook verschillen tussen jongens en meisjes of homo’s en hetero’s. Dat informatie
hierover voor ‘gevorderden’ op dit moment gescheiden wordt aangeboden op mantotman.nl en
lesbisch.nl vonden jongeren én experts logisch en wenselijk.
3.4
Waar? Wenselijke kanalen en bronnen
In paragraaf 3.3 is aangegeven in hoeverre LHB-jongeren via doelgroepspecifieke kanalen of
geïntegreerd in mainstream kanalen te bereiken zijn. In deze paragraaf wordt verder ingegaan op
de kanalen en bronnen via welke LHB-jongeren informatie over seksuele gezondheid krijgen, en
welke kanalen en bronnen volgens henzelf en de deskundigen het meest wenselijk zijn.
In de vragenlijst die de jongeren voor de focusgroep ontvingen, werd hen gevraagd de beste én
slechtste ‘bronnen van informatie’ over liefde, seks en relaties te noemen. Hieruit bleek dat
internet voor de LHB-jongeren verreweg het populairste medium is voor informatie over
(homo/bi)seksualiteit. Daarnaast verschilden de jongeren in de mate waarin andere bronnen voor
hen belangrijk waren. Boeken, school en tijdschriften werden bijvoorbeeld door sommige jongeren
als beste bron van informatie genoemd, terwijl anderen dit soort kanalen juist totaal niet relevant
vonden. Dit zijn blijkbaar bronnen die voor de één goed werken en voor de ander niet. Bij de
homojongeren maakte het veel uit of er op school wel of geen voorlichting werd gegeven over
seksuele diversiteit. Bij de bi-jongeren was dat minder van belang; zij gaven vaak aan ook veel aan
de seksuele voorlichting te hebben gehad wanneer deze voornamelijk of enkel over
heteroseksualiteit ging.
29
Rutgers WPF, 2013
3.4.2
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Internet: de belangrijkste informatiebron
“Op het internet voel ik me prettiger om het uit te zoeken. Niemand die dan raar gaat
kijken.” (homoseksuele jongen)
“De meeste kennis heb ik op internet verworven. De sites of pagina’s die ik bezocht waren
vrijwel alleen gericht op homo’s/holebi’s en veel gevonden informatie was ook nieuw voor
mij, daarom ook nuttig.” (homoseksuele jongen)
Hoewel internet soms wordt beschouwd als een onveilige bron van informatie voor jongeren
vanwege de aanwezigheid van pornosites en andere expliciet seksuele content, is het voor LHBjongeren die nog in de kast zitten juist de meest veilige bron van informatie in vergelijking met hun
alternatieven. Voor 18min-jongeren bestaan bovendien sinds een aantal jaar afgeschermde, veilige
plekken waar ze alleen andere LHB-jongeren onder de 18 kunnen tegenkomen, zoals Jongenout.nl.
Toch gaven met name de homo- en biseksuele jongens aan dat zij in hun zoektocht toch eerder de
‘vunzige’ websites tegen waren gekomen dan de websites die een veilige omgeving bieden. Zo
waren sites als gay.nl en boystoboys.nl voor veel van hen de eerste websites die ze tegenkwamen,
terwijl deze sites grotendeels op seksdates zijn gericht. Een informatieve website over seks als
mantotman.nl was slechts bij één van de jongens bekend. Daarom hadden jongeren behoefte aan
overzicht in bestaande betrouwbare websites met LHBT informatie.
Jongeren zoeken in deze fase gericht informatie over homo- en biseksualiteit. Ze zoeken dan
specifieke informatie voor LHB-jongeren, over de vraag ‘wat’ ze zijn en hoe je je coming out kunt
voorbereiden. Hiervoor surfen ze niet altijd naar een specifieke website die ze al kennen, maar
gebruiken ze vaak ook zoekmachines.
Opvallend was dat de bi-jongeren samen minder LHB-specifieke sites opnoemden dan de homo en
lesbische jongeren. Mogelijk voelen bi-jongeren zich meer dan homo en lesbische jongeren
aangesproken door mainstream kanalen en hebben ze daardoor minder de behoefte om op zoek te
gaan naar LHB-specifieke kanalen. Het lijkt er echter wel op dat ze ook juist die mainstream
kanalen opzoeken waar ook seksuele diversiteit wordt besproken, zoals sekswoordenboek.nl,
hoehetmoet.nl en sense.info.
Door LHB-jongeren bezochte mainstream websites over liefde, seks en relaties:
Sense.info
Sekswoordenboek.nl
Hoehetmoet.nl.
Door LHB-jongeren bezochte websites gericht op LHB’s:
Jongenout.nl
18min.eu
Expreszo.nl
Manofmietje.nl
Allesovergay.nl
Lesbisch.nl
Gay.nl
Boys2boys.nl
COC.nl
Schorer.nl
30
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Tijdens de focusgroepen bekeken we ter plekke een aantal websites die door Rutgers WPF, Soa Aids Nederland
en/of samenwerkingspartners worden beheerd.
Mantotman.nl werd door de jongeren niet genoemd als website die ze wel eens bezochten. Op één biseksuele
jongen na bleek ook niemand de site te kennen. De site werd qua lay-out gedateerd gevonden. Ook vond men
het erg druk in opmaak door de felle kleuren en vele blokjes met informatie. Wel was men erg positief over
de compleetheid van het informatie-aanbod op de site.
Lesbisch.nl: men was positief over de mogelijkheid om vragen te mailen. Wel is het wennen dat er informatie
over ‘extreme’ vormen van seks zoals fisten op staat. Men was het er niet over eens of dit nou wel of niet een
goed idee was. “Als je wil dat mensen het normaal vinden, moet je niet dingen erop gaan zetten die voor
heteromensen ook niet normaal zijn” (biseksueel meisje). Anderzijds: als je lesbisch bent en interesse hebt in
dit soort seks, waar moet je anders terecht?
Sense.info werd over het algemeen positief beoordeeld door de jongeren. Ze waren positief over de
uitkleedpoppetjes. De opmaak werd wel erg donker gevonden en daarmee ‘taboe-achtig’ én minder goed
leesbaar, een lichtere achtergrond zou beter zijn.
Op het eerste gezicht voelen de jongeren zich aangesproken door de website. Wel missen ze kopjes over
seksuele oriëntatie. Dat seksuele oriëntatie op dit moment onder het kopje ‘liefde en relaties’ en dan
‘homoseksualiteit’ wordt besproken, vindt men niet logisch.
In de focusgroepen is kort ingegaan op het nieuwe concept voor het bespreken en integreren van seksuele
diversiteit op Sense.info. Dit concept, namelijk een kopje met “ik” of “wie ben ik” over identiteit en
daarnaast integratie van informatie voor LHB-jongeren over liefde en seks in de rest van de website, werd
goed ontvangen. Men verwachtte dat het voor jongeren die nog twijfelen over hun oriëntatie laagdrempeliger
is om informatie over seksuele oriëntatie op te zoeken wanneer deze is ingebed onder de knop ‘ik’ in plaats
van op een aparte knop in het hoofdmenu. Zo’n aparte knop is meer geschikt voor jongeren die al wat
zekerder zijn over hun seksuele oriëntatie.
3.4.2
School: het belang van voorlichting over seksuele diversiteit
“Doordat er niet over gepraat wordt denk je sneller dat het niet normaal is.”
(homoseksuele jongen)
Voorlichting op school over seksuele- en genderdiversiteit vinden LHB- jongeren en deskundigen
heel belangrijk. Jongeren bij wie op school aandacht was voor seksuele diversiteit beoordeelden
deze zeer positief. De meesten geven echter aan dat er bij hen op school niet of nauwelijks
aandacht voor is. De school draagt hierdoor impliciet uit dat LHB-zijn niet normaal is. LHB jongeren
voelen zich hierdoor niet gezien, en krijgen het gevoel dat ze de enige zijn. Een aantal jongeren
nam daarom zelf initiatief om seksuele diversiteit bespreekbaar te maken op school, bijvoorbeeld
via de leerlingenraad of een Gay Straight Alliance (GSA).
De meeste jongeren hadden op school wel seksuele voorlichting gehad. Ook binnen deze lessen leek
seksuele diversiteit niet of nauwelijks aan bod te komen. De jongeren vonden deze lessen algemeen
teveel gericht op veilig vrijen en anticonceptie en te weinig op emotionele aspecten van
seksualiteit. Voor de homoseksuele jongeren was deze informatie meestal niet relevant omdat werd
uitgegaan van heteroseksuele contacten. Hun informatie over seksualiteit haalden ze voornamelijk
van internet. Biseksuele jongeren leken minder last te hebben van het gebrek aan aandacht voor
seksuele diversiteit. Omdat zij ook interesse hebben in seksuele relaties met mensen van het
andere geslacht was de seksuele voorlichting voor hen nuttiger dan voor homoseksuele jongeren. De
jongeren waren het er unaniem over eens dat scholen voorlichting moeten verzorgen over seksuele
diversiteit. Ze doelen dan op voorlichting over het bestaan van homo- en biseksualiteit en het
wegnemen van vooroordelen en onjuiste informatie, zoals het idee van homoseksualiteit als ziekte.
LHB-jongeren gaven de voorkeur aan voorlichting door externe, ervaringsdeskundige voorlichters.
Ervaringsdeskundigheid van de voorlichters heeft als voordeel dat jongeren meteen in aanraking
31
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
komen met iemand die zelf LHB is, en daarmee deels al hun vooroordelen kunnen toetsen aan de
werkelijkheid. Externe partijen genieten de voorkeur omdat de jongeren weinig vertrouwen hebben
in de vaardigheid van hun leraren om dit onderwerp aan te pakken. Bovendien verwachten ze dat
een externe partij serieuzer wordt genomen dan hun eigen leraar. Wel vond men het ook belangrijk
dat de (hetero) leerkracht en de school als geheel uitstralen respect te hebben voor LHB’s. Niet
iedereen was het erover eens of dit respect ook samen moest gaan met acceptatie, wat vooral op
christelijke scholen een heikel punt kan zijn.
Voorlichting door het COC genoot de voorkeur omdat het COC al veel ervaring heeft. Bovendien
verlaagt het de drempel voor LHB-jongeren om contact op te nemen met het COC.
“Omdat het zo’n delicaat onderwerp is kan er zoveel misgaan dat het beter is dat het niet
vanuit de school zelf gebeurt.” (biseksueel meisje)
LHB-jongeren vonden het belangrijk dat voorlichting over seksuele diversiteit geen
eenrichtingsverkeer is en dat niemand een mening krijgt opgedrongen. Liever zag men een
interactieve voorlichting waarin discussie werd gestimuleerd. Er moet daarbij respect worden
uitgedragen voor verschillende standpunten; het moet geen ‘pro-homo campagne’ zijn waarbij
‘iedereen het maar ok moet vinden’. Wel moet de school respect voor seksuele diversiteit uitdragen
en feitelijke onjuistheden tegengaan, bijvoorbeeld door duidelijk te maken dat homo- of
biseksualiteit geen ziekte is en dat het echt bestaat.
Jongeren gaven aan dat voorlichting over seksuele diversiteit het klimaat voor LHB-jongeren ook
(tijdelijk) onveiliger kan maken, bijvoorbeeld wanneer iemand nog in de kast zit en tijdens de
voorlichting angstvallig de eigen identiteit moet verbergen, of wanneer klasgenoten expliciet
aangeven LHB’s niet te accepteren. Toch vonden de jongeren dat dit niet opweegt tegen het
algemene belang van voorlichting.
De jongeren vinden het belangrijk dat al op de basisschool aandacht wordt besteed aan seksuele
diversiteit, ook omdat zij in hun omgeving merken dat jonge kinderen al opgroeien met het idee dat
bijvoorbeeld homoseksualiteit ‘vies’ is. Dit soort voorlichting hoeft niet apart te worden
aangeboden, maar liever geïntegreerd in het lesmateriaal. Het doel moet zijn dat kinderen
seksuele- en genderdiversiteit vanzelfsprekend gaan vinden. Het moet wel op het niveau van
basisschoolkinderen zijn; aandacht voor seksualiteit vonden de jongeren bijvoorbeeld wat ver gaan.
LHB-jongeren verschilden van mening over de vraag of seksuele diversiteit moet worden
geïntegreerd in de seksuele voorlichting, door aandacht te schenken aan verschillende soorten
seksueel contact. Een enkeling vindt principieel dat wanneer een school uitdraagt dat homo- en
biseksualiteit normaal zijn, de seksuele voorlichting niet alleen over heteroseksualiteit moet gaan.
Informatie over veilig vrijen voor mannen onderling wordt door sommigen gezien als te belangrijk
om achterwege te laten. Ook wordt aangegeven dat heterojongeren vaak veel vragen hebben over
hoe mannen of vrouwen onderling seks kunnen hebben. Voorlichting hierover zou vooroordelen weg
kunnen nemen, bijvoorbeeld dat mannen onderling alleen anale seks hebben en dat twee vrouwen
alleen kunnen scharen. De meeste jongeren vinden dit echter een stap te ver. Ze zijn bang dat dit
juist negatieve reacties oproept, of vinden dat seksuele voorlichting zich op de meerderheid moet
richten. Een goed compromis vinden jongeren om seksuele voorlichting sekseneutraal te houden.
Dit dilemma kwam ook naar voren tijdens een interview met één van de deskundigen. Deze
deskundige is van mening dat seksuele diversiteit wél moet worden geïntegreerd in de seksuele
voorlichting, en idealiter in alle schoolvakken. Als je alleen informatie aanbiedt die voor hetero’s
relevant is, voelen LHB’s zich buiten hun klasgenoten staan. Informatie aanbieden die ook voor
LHB’s van belang is werkt normaliserend. Ook hij geeft echter aan dat het moeilijk is om op school
expliciet te kunnen zijn over dit soort onderwerpen. Het ligt er ook aan hoe uitgebreid de seksuele
voorlichting is.
32
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
3.4.3
Rutgers WPF, 2013
Folders, boeken en tijdschriften: gevaarlijk als je in de kast zit
Overige bronnen van informatie zijn folders, boeken en tijdschriften. Deze bronnen lagen voor de
jongeren minder voor de hand. Vooral folders vond bijna niemand nuttig omdat informatie uit
folders ook al op internet staat. Folders die expliciet over LHB-zijn gaan, zijn in de fase dat
jongeren nog in de kast zitten veel te zichtbaar.
Een deel van de jongeren vindt het prettig om informatie uit boeken te halen. Zij hebben behoefte
aan verdiepende informatie over LHB-zijn of over seks. Het boek ‘Out’ werd een aantal keer
genoemd omdat dit boek zeer volledig is en antwoord geeft op alles wat je je af zou kunnen vragen.
Voor jongeren die nog in de kast zaten, woog de relevantie van dit boek zelfs op tegen de angst dat
de omgeving erachter kwam:
“Ik was zo bang! Ik had het boek besteld via de Bruna en moest ‘m daar ophalen. Ik heb
daar eerst een half uur voor de deur staan lopen voor ik naar binnen durfde te gaan.”
(homoseksuele jongen)
Ttijdschriften als ‘BreakOut’, ‘Hitkrant’, ‘Fancy’ en ‘Girlz’ werden genoemd als goede bron voor
jongeren die nog niet weten of ze LHB zijn. Dit soort tijdschriften hebben vragenrubrieken, soms
expliciet over liefde, seks en relaties, waarin allerlei situaties naar voren komen en waarin ook LHBonderwerpen vaak de revue passeren. Vooral de vragenrubriek van BreakOut was hierin zeer
volledig, en jongeren vonden het daarom een gemis dat de BreakOut niet meer bestaat. Een
tijdschrift voor LHBT-jongeren dat goed werd gelezen is de Expreszo. Dit tijdschrift werd echter pas
uit de kast gelezen.
3.4.4
Hulpverlening: het belang van lage drempels en privacy
Tijdens de focusgroepen werd de jongeren gevraagd waar ze naartoe zouden stappen wanneer zij
een probleem hadden op het gebied van liefde, seks en relaties. De meeste jongeren gaven daarbij
de voorkeur aan contact met vrienden, ouders of broers/zussen. Als iemand echter nog in de kast
zit, als vrienden en familie niet genoeg kennis hebben die op LHB’s van toepassing is, of als het
probleem relatief ernstig is, is hulp van buitenaf nodig.
De LHB-jongeren hadden het gevoel dat er op dit moment voldoende manieren zijn om dit soort
hulp te krijgen. Wel gaven ze aan dat het vaak een hele drempel is om dit soort hulp daadwerkelijk
te zoeken. Wanneer LHB-jongeren nog in de kast zitten vinden ze het een groot risico om contact
met een professional op te nemen. Ook worden problemen vaak niet als belangrijk genoeg ervaren
om ermee naar een volwassen hulpverlener te stappen.
De eerste voorkeur van de jongeren was daarom nog altijd informatie of hulpverlening via internet
vanwege de anonimiteit en de laagdrempeligheid. Dit kon via contact met peers zijn (bijvoorbeeld
Jongenout.nl) of via een vragenrubriek per e-mail. Ook telefonische hulplijnen kwamen in
aanmerking. Zo had een van de meisjes op jongere leeftijd wel eens naar de kindertelefoon gebeld
toen ze twijfelde of ze misschien lesbisch was.
De homojongeren zouden ook graag contact zoeken met een toegankelijke vertrouwenspersoon op
school, of met een leerkracht. Zo iemand moet het liefst ook al bekend en vertrouwd zijn. Veel
jongeren gaven aan dat zij op school nog niet zo iemand kenden. Niet alle scholen hebben een
vertrouwenspersoon en als ze er wel zijn, zijn ze vaak erg ontoegankelijk: ze staan ergens op een
lijst, maar je kent ze niet.
Een aantal homojongeren had ook veel gehad aan contact met begeleiders van Jong & Out. Deze
vrijwilligers, die zelf ook LHB-zijn, geven volgens hen adviezen waar je echt iets aan hebt. De
herkenning geeft steun. De homojongeren vonden het ook in andere contexten fijn als degene bij
wie je om hulp vraagt zelf ook LHB is. Zo iemand kan als ervaringsdeskundige vaak ook beter advies
geven.
33
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Niet veel jongeren waren bekend met de mogelijkheid om hulpverlening te krijgen via een Sense
spreekuur. De GGD werd wel door iemand genoemd als plek waar je terecht kunt wanneer je denkt
dat je een soa hebt. De meeste jongeren wisten dat echter niet eens en hadden ook geen idee waar
ze een GGD konden vinden. Een jongen die wel bekend was met de Sense spreekuren, was hiervan
op de hoogte geraakt door promotie op een festival en tipte ons om hier vooral mee door te gaan.
Deskundigen zijn minder optimistisch gesteld over hulpverlening voor LHB-jongeren. Volgens hen
denken veel hulpverleners die niet specifiek op LHB-jongeren zijn gericht dat homoseksualiteit
allang geaccepteerd is in de samenleving en dat niemand er problemen meer mee heeft. Ze hebben
vaak niet genoeg kennis over de problemen die LHB-jongeren wel degelijk kunnen ondervinden. Ook
zijn ze zich er niet van bewust dat jongeren vaak al op jonge leeftijd erachter komen LHB te zijn.
Biseksuele cliënten die naar een in homoseksualiteit gespecialiseerde therapeut gaan, ondervinden
soms problemen omdat de therapeut biseksualiteit niet als volwaardige seksualiteit beschouwt.
Vaak wordt bijvoorbeeld gedacht dat de cliënt nog uit de kast moet komen als homoseksueel.
Hulpverleners die wel kennis hebben van en voeling met de problemen van de doelgroep zijn er wel,
maar het is de vraag of jongeren deze hulpverleners kunnen vinden. Vaak staat het bijvoorbeeld
niet op hun website genoemd. Een aantal jongeren gaf wel aan dat zij de website
rozehulpverlening.nl wel eens tegen waren gekomen.
3.5
Hoe? Taalgebruik en de vormgeving
De term LHBT is geen term die in het dagelijks leven vaak wordt gebruikt. Hoe benoemen LHBjongeren zichzelf en hoe willen zij door hulpverleners en in informatiemateriaal genoemd worden?
En moet naast taalgebruik ook de vormgeving van informatiemateriaal voor LHB-jongeren aan
specifieke eisen voldoen?
3.5.1
Taalgebruik seksuele identiteit: wel of geen label?
De homojongeren vonden termen als homo, homoseksueel, lesbisch, lesbiënne, lesbo, biseksueel, bi
en gay duidelijk en neutraal wanneer deze in informatief materiaal worden gebruikt. Een enkeling
vond de term ‘homo’ negatief omdat hiermee veel gescholden werd, anderen vonden juist de term
‘homoseksueel’ weer te ouderwets klinken of vonden het vervelend dat het woord ‘seks’ erin zit.
Veel van de homojongeren gaven vaak aan liever niet teveel gelabeld te willen worden. Zij
prefereerden taalgebruik over gedrag, bijvoorbeeld ‘op vrouwen vallen’ of ‘op mannen vallen’. Hun
aantrekking bepaalt niet wat ze zijn, maar wat ze doen. Mogelijk speelt hierin mee dat labels een
negatieve lading hebben vanwege de hoge mate van homonegativiteit onder jongeren. Jongeren
identificeren zich logischerwijs liever niet met een label dat een negatieve associatie heeft.
Homojongeren die al langer uit de kast waren, merkten dat zij die negatieve lading er op een
gegeven moment wel af ging en hadden er dan minder problemen mee.
“Ik vind het over het algemeen wel onprettig om door een van de bovenstaande dingen
genoemd te worden. Ik ben gewoon een jongen die op jongens valt en hoef niet echt
speciaal anders benoemd te worden. Mensen maken er een probleem van in plaats van een
geaardheid.” (homoseksuele jongen)
“Ik ben op mijn veertiende uit de kast gekomen. Toen kon ik echt niet zeggen dat ik
lesbisch was. Dat vond ik gewoon een te vreemd woord. Maar nu kan ik gewoon zonder te
blikken of te blozen zeggen dat ik lesbisch ben.” (lesbisch meisje)
De bi-jongeren noemen zichzelf allemaal bi of biseksueel en vinden dat prettige termen. Terwijl
homojongeren geen idee hadden wat er met ‘openminded’ werd bedoeld in de context van seksuele
oriëntatie, vonden een aantal bi-jongeren het een prettige term om hun seksuele oriëntatie mee te
beschrijven. Een biseksueel meisje noemt zichzelf ook ‘openminded’. Zij is er nog niet helemaal
over uit op wie ze valt omdat ze nog erg jong is, en wil graag alle opties openhouden. Zij vindt dat
openminded en bicurious hetzelfde betekenen, maar vindt openminded prettiger klinken:
34
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
“Ik weet nog niet zeker of dit voor altijd is. Bisgierig vind ik een raar woord maar zoiets is
het wel voor mij. Openminded” (biseksueel meisje)
Overigens worden de termen bicurious en bisgierig door bijna niemand van de lesbische en bimeisjes prettig gevonden.
De biseksuele jongeren verschillen van mening over de mate waarin termen als ‘lesbisch’,
‘lesbienne’, ‘homo’ en ‘homoseksueel’ op hen van toepassing zijn. Sommigen hebben dit ingevuld
als prettige termen en één van de jongens legt dit als volgt uit:
“Ik zou geen probleem hebben met ‘homo’ of ‘gay’. In de zin dat ik ook niet altijd zin heb
om de ander uit te leggen van, zo zit het eigenlijk. En dan denk ik, ik ben óók gay, prima.
… Maar als ik mezelf zou moeten benoemen, noem ik mezelf wel biseksueel.” (biseksuele
jongen)
Aangezien twee van de jongeren hebben aangegeven dat zij vooral, maar niet uitsluitend op mensen
van hetzelfde geslacht vallen, kan deze keuze ook hiermee te maken hebben. Als je op zowel
mannen als vrouwen valt, maar een voorkeur hebt voor mannen is het wellicht aannemelijker jezelf
ook met homo en gay te identificeren:
“Ik weet dat ik op mannen en vrouwen val, alleen ik ben niet zeker over wat precies mijn
voorkeur heeft. Nu zou ik mannen zeggen.” (biseksuele jongen)
Anderen geven aan dat lesbisch of homo echt niet op hen van toepassing is: “Als je echt bi bent,
ben je ook bi en niet lesbisch.” (biseksueel meisje). Gay wordt wel gezien als een term die zowel bi
als homo/lesbisch omvat, behalve door het meisje dat zichzelf als openminded beschouwt en vooral
op jongens valt.
Termen als ‘pot’, ‘flikker’ en ‘nicht’ zijn scheldwoorden waar LHB-jongeren niet mee
geconfronteerd willen worden. Ze worden soms wel onderling gebruikt (als grapje), maar horen niet
thuis in informatief materiaal. De term ‘queer’ werd geïnterpreteerd als ‘tussen man en vrouw in
staan’ en vonden de jongeren daarom niet op hen van toepassing.
Ook ‘verzameltermen’ rondom seksuele diversiteit zijn met de jongeren besproken. Niet iedereen
kende de term LHBT. Wie de term wel kende, waardeerde de term omdat ook bi en trans werden
benoemd. Daarover was echter ook discussie. “Holebi” was voor de meesten een bekende term,
maar werd een beetje ‘bedacht’ en ‘Vlaams’ gevonden. Positief eraan vond men dat de term ook
lesbische meisjes en biseksuelen omvatte en dat het korter is dan ‘homo, lesbisch en bi’. Bij
‘homojongeren’ dacht men eerder aan homojongens. ‘Gay’ werd gezien als een prettige algemene
term voor homojongens en lesbische meisjes, en de meeste bi-jongeren konden zich ook met ‘gay’
identificeren (i.t.t. met ‘homo’).
Over de term ‘roze’ waren de meningen verdeeld. Het werd gezien als de Nederlanstalige
equivalent van ‘gay’. Men vond het ouderwets klinken vanwege de associatie met ‘roze ouderen’.
Ook vond men dat het teveel klonk alsof alle LHB’s van de kleur roze houden, en dat vond men wel
erg stereotiep. Anderen vonden dat juist wel grappig. ‘Roze maandag’ en ‘roze zaterdag’ werden
positief gevonden, ook omdat het subtieler klinkt dan bijvoorbeeld ‘homomaandag’. Voor jongeren
had de term ‘paars’ ook een connotatie met LHB vanwege paarse vrijdag, een actie van Gay
Straight Alliances op middelbare scholen waarbij iedereen die tegen homofobie is paarse kleding
draagt.
3.5.2
Taalgebruik seksuele handelingen: tussen vies en professioneel
Dit onderdeel is alleen in de focusgroep met homojongeren besproken. Zij hadden geen sterke
voorkeuren voor of tegen bepaalde termen voor seksuele handelingen. Zoals waarschijnlijk de
meeste jongeren vonden ze het belangrijk dat termen voor seksuele handelingen netjes waren,
35
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
maar wel duidelijk. Omdat niet alle jongeren weten wat ‘orale seks’ betekent, kunnen bijvoorbeeld
beter woorden als ‘beffen’ en ‘pijpen’ worden gebruikt. ‘Likken’ vond men vies en niet
professioneel klinken én te onduidelijk (waar lik je dan precies?). Dat gold echter niet voor anale
seks: het woord ‘kontneuken’ had nogal een negatieve lading, ‘anale seks’ werd daarom een betere
term gevonden. Het was verder belangrijk dat de termen ‘top’, ‘bottom’ en ‘versa’ in informatief
materiaal over anale seks werden benoemd en uitgelegd.
‘Neuken’ kan (in homoseksuele context) meerdere betekenissen hebben: seks hebben in het
algemeen, anale seks hebben of penetratie met een voorbinddildo. Daarom is ook dit geen
duidelijke term. De meisjes vonden ‘neuken’ geen goede term voor penetratie waarbij de vingers
worden gebruikt, maar wel wanneer er een voorbinddildo bij te pas kwam. Ze vonden het
duidelijker om de term ‘vingeren’ zowel voor stimulatie van de clitoris als van de vagina te
gebruiken. Het werd vervelend gevonden als ‘neuken’ wel werd gebruikt om heteroseksuele
penetratie aan te duiden, maar niet voor anale seks of penetratie met een voorbinddildo.
3.5.3
Vormgeving: niet te roze
Dit onderdeel is alleen in de focusgroep met homojongeren besproken. De jongeren vonden het
belangrijk om in de vormgeving van informatief materiaal gericht op LHB-jongeren niet te
stereotiep te zijn. Een roze achtergrondkleur voor een LHB-website vonden ze bijvoorbeeld niets;
paars als kleur kon wel vanwege de associatie met paarse vrijdag (een actiedag van Gay-Straight
Alliances op middelbare scholen, waarin alle leerlingen die tegen homofobie zijn vragen paarse
kleding dragen). Bij fotomateriaal of plaatjes van LHB-jongeren is het prettig als jongeren zichzelf
erin kunnen herkennen en er dus verschillende ‘types’ jongens en meisjes worden neergezet. Een
positief voorbeeld is de folder ‘Meiden onder elkaar’ van Schorer. Het beeldmateriaal moet niet
‘extravagant’ zijn, waarbij ‘extravagantie’ voor de jongeren connotaties had met gay pride of met
homo- en biseksuele bekende Nederlanders:
“Normale foto´s zijn foto´s die niet gelinkt zijn aan extravagantie of de gay pride of bekende
Nederlanders. … In die folder (Schorer folder ‘meiden onder elkaar’) zaten wel allerlei
verschillende meiden. Maar zonder dat er meteen een stickertje op wordt geplakt van dat is
die soort. Voor mij heel identificeerbaar.” (lesbisch meisje)
36
Gaat het ook over mij? De behoeften van lhbt-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
4
Rutgers WPF, 2013
De informatie- en hulpverleningsbehoeften van
transgenderjongeren
Voor dit onderdeel is met vier transgenderjongeren en met een hulpverlener van Transvisie Zorg
gesproken. Hoewel het om een klein aantal jongeren gaat (zie par. 1.3), leverde het een gevarieerd
beeld op over de behoefte die deze jongeren kunnen hebben aan informatie en hulpverlening op het
gebied van seksuele gezondheid. Ter aanvulling wordt daarnaast verwezen naar het pilotonderzoek
over seksualiteitsbeleving en informatiebehoefte onder volwassen transgenders (Doorduin & Van
Berlo, 2012).
4.1
Wanneer? De veranderende informatiebehoefte tijdens het coming outen transitieproces
Net als voor LHB-jongeren is voor transgenderjongeren het ontdekken van het transgender-zijn een
proces dat een grote impact heeft op de seksuele ontwikkeling. Ook voor transgenderjongeren is de
aanname dat hun behoefte aan informatie en hulpverlening verschilt per fase in dit proces. Ook hen
is daarom in de focusgroep een conceptmodel voorgelegd van mogelijke mijlpalen en fases, die zij
vervolgens konden aanvullen en corrigeren. Waar voor LHB-jongeren vooral het vertellen aan
anderen en het ontmoeten van andere LHB’s een belangrijke stap in het proces is, geldt voor
transjongeren dat het nemen van beslissingen over een eventuele transitie en het in gang zetten
daarvan een belangrijke plek inneemt.
Nog meer dan bij de LHB-jongeren geldt dat transgenderjongeren de hieronder genoemde stappen
niet allemaal doorlopen. Niet iedereen heeft bijvoorbeeld behoefte aan transitie. Ook zijn de
stappen weer lineair en als van elkaar te onderscheiden gepresenteerd, terwijl ze in werkelijkheid
in elkaar over vloeien en niet altijd in dezelfde volgorde worden doorlopen. Over het medische
aspect van de transitie en over de tijd daarna konden de jongeren in dit onderzoek niet veel
vertellen omdat dit voor hen (nog) niet aan de orde was.
4.1.1
Fase 1: Gevoelens benoemen
“Voor mij was het meer zeg maar er een naam aan kunnen geven. Dus dat was niet
daadwerkelijk erachter komen, want ik wist het al, maar dat ik dacht, er is een term
voor.” (transgender jongen)
Zoals in paragraaf 2.3 is aangegeven ervaren transgenderjongeren vaak al op zeer jonge leeftjid,
vóór hun zesde jaar, genderdysfore gevoelens. Andere jongeren komen er pas rond de puberteit
achter. De jongeren in dit onderzoek gaven aan dat zij altijd onbewust van hun genderidentiteit
hadden geweten en er dus niet meer hoefden ‘achter te komen’. Hun gevoelens waren voor hen zo
vanzelfsprekend, dat ze niet altijd begrepen dat zij anders waren dan anderen. Een transjongen
begreep bijvoorbeeld niet wat hem anders maakte dan de jongens:
“Ik voelde me buitengesloten, want blijkbaar moest ik wel in een jurk rondlopen en de rest
van de jongens niet.” (transgender jongen)
Net als de LHB-jongeren was het benoemen van gevoelens een heel proces. Transgenderjongeren
hadden ook nog eens veel minder voorkennis over transgender-zijn dan LHB-jongeren over LHB-zijn.
Er zijn weinig transgender rolmodellen en er bestaat veel onwetendheid over het onderwerp.
Vanwege de grote implicaties van het transgender-zijn speelde ontkenning ook een grote rol. Zo
durfde één van de jongens pas op 23-jarige leeftijd onder ogen te zien dat hij echt geen vrouw kon
zijn, nadat hij lange tijd zijn best had gedaan om zich toch vrouw te gaan voelen:
37
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
“Ik ging iedere keer het gevecht aan. Ik dacht, als ik me nou maar goed als vrouw gedraag,
dan gaat dat probleem vanzelf wel weg. Dat is een beetje jezelf voor de gek houden.”
(transgender jongen).
Een ander verschil met LHB-jongeren is de rol die het transgender-zijn speelde in hun identiteit.
Terwijl trots zijn op het homo- of biseksueel zijn door LHB-jongeren belangrijk werd gevonden,
vonden transgenderjongeren het onprettig om teveel vanwege hun anders-zijn in een hokje te
worden gestopt. Het transgender-zijn was voor hen niet een identiteit, maar een situatie. Bij het
benoemen van hun gevoelens ging het dan ook niet zozeer over het benoemen van hun identiteit als
transgender, maar om het benoemen van hun genderidentiteit: jongen, meisje of iets daartussen of
daarbuiten zijn. Benoemen dat je transgender of genderdysfoor bent was vooral van belang om de
vervolgstap naar transitie te kunnen zetten. Toch geldt dit niet voor alle transgenderjongeren.
Wanneer iemand zichzelf geen jongen óf meisje voelt, kan transgender namelijk ook een label zijn
voor een neither/both genderidentiteit.
Net als bij LHB-jongeren kan het ontmoeten van anderen voor transjongeren een manier zijn om
hun identiteit te onderzoeken en om een positief toekomstbeeld te krijgen. Desondanks is de stap
naar bijvoorbeeld de jongerengroep van Transvisie groot. Jongeren kunnen het idee hebben dat
zo’n groep alleen bedoeld is voor jongeren die al zeker weten dat ze transgender zijn. Dat is zonde,
want de groep is juist ook nuttig om je gevoelens beter op een rijtje te krijgen door je aan anderen
te spiegelen:
“Toen ben ik een keer met een vriend mee geweest naar een praatgroep van Transvisie. En
toen had ik zoiets van ja, maar het zijn ook allemaal normale mensen en het ziet er
gewoon goed uit. En het kan.” (transgender jongen)
4.1.2
Fase 2: Het vertellen
Wanneer iemand besloten heeft in transitie te willen gaan, is het van belang om het aan andere
mensen te gaan vertellen. Dit vertellen is eigenlijk al de eerste stap van de rolwisseling zelf. Je
kunt zelf wel weten dat je een jongen bent, maar wanneer iedereen jou als meisje behandelt, kun
je niet als jongen leven. Een jongen vertelt bijvoorbeeld dat hij zich al als jongen kleedde, maar
dat het niet aankwam bij zijn omgeving:
“Toen ik hesjes ben gaan dragen heb ik dat een tijdje gedaan in de hoop dat mijn ouders er
zelf achter zouden komen, toen ik van een D-cup in een keer naar vrij plat ging, maar dat
was dus niet zo. Toen heb ik het aan mijn ma verteld.” (transgender jongen)
Ook transgenderjongeren die geen behoefte aan transitie hebben, kunnen de behoefte hebben om
aan mensen in hun omgeving over hun gevoelens en over bijvoorbeeld hun travestiegedrag te
vertellen. Het is namelijk een belangrijk deel van henzelf, en het is prettig om dit aspect van hun
persoonlijkheid met anderen te kunnen delen.
In de gesprekken met jongeren en deskundigen is verder niet uitgebreid ingegaan op de behoeftes
die jongeren tijdens deze stap hebben, omdat het geen directe link met het thema seksualiteit
heeft.
4.1.3
Fase 3: Rolwisseling: ‘wat ben je nou eigenlijk?’
“Ik heb ook wel eens gehad dat mensen over mij zeiden: ‘dat daar’. Dat is ook niet echt
vriendelijk…” (transgender jongen)
Uit de gesprekken met transjongeren bleek dat zij tijdens de periode van rolwisseling zeer
kwetsbaar zijn voor negatieve reacties uit hun omgeving, omdat ze niet altijd zo gemakkelijk als
meisje of jongen te herkennen zijn. Ook roept het veel verwarring op: ‘wat ben je nou eigenlijk?’
Vaak worden de jongeren door onbekenden nog in hun geboortegeslacht aangesproken. Die
38
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
verwarring vonden ze tegelijkertijd begrijpelijk en kwetsend. Het is voor transgenderjongeren zeer
pijnlijk om niet in hun genderidentiteit te worden erkend en om als onbenoembaar persoon te
leven. Tegelijkertijd gaven de jongeren ook aan te begrijpen dat onbekenden niet altijd kunnen
weten hoe het zit. Die dubbelheid maakt het lastig om goed met deze verwarring van anderen om
te gaan. De transjongens adviseren om zelf duidelijk aan te geven wat men van de omgeving
verwacht, en wat men wel en niet prettig vindt.
Uit de gesprekken bleek ook dat de rolwisseling een zoekproces met zich mee brengt: op wat voor
manier wil ik vrouw, man of ‘iets anders’ zijn? Deze vraag speelt ook op het gebied van flirten en
dating. Rolwisseling heeft tot gevolg dat de omgeving in romantisch of seksueel opzicht anders op
transgenderjongeren reageert dan vóór hun sociale transitie. Er wordt bijvoorbeeld met hen geflirt
door heterojongeren van het andere geslacht. Dat is wennen, en kan door jongeren als prettig of
juist vervelend worden ervaren. Jongeren die vóór hun transitie homo of lesbisch waren vanuit hun
geboortegeslacht, zijn dat na hun transitie niet meer en moeten eraan wennen niet meer bij “het
holebi-groepje” te horen.
4.1.4
Fase 4: Medische transitie
Zoals benoemd in paragraaf 2.3 staan transgenderjongeren voor allerlei beslissingen rondom hun
medische transitie. Willen ze hun lichaam inderdaad veranderen? Gaan ze alleen ‘aan de hormonen’
of wensen ze ook operaties? Dit soort beslissingen hebben niet alleen te maken hebben met de wens
om passabel te zijn en de mate van onvrede die iemand met het huidige lichaam ervaart, maar ook
seksualiteit bleek een belangrijke rol te kunnen spelen. Medische transitie kan veel impact hebben
op seksuele tevredenheid en functioneren. Voor jongeren die sterk het gevoel hebben dat hun
lichaam ‘niet klopt’, is het lastig om zonder dit soort aanpassingen van seks te genieten en kan het
hun seksuele tevredenheid dus bevorderen. Maar de aanpassingen hebben ook impact op het
seksueel functioneren, soms in positieve, maar soms ook in negatieve zin.
Door hormoonbehandeling veranderen de geslachtsdelen in vorm en werking: bij transjongens groeit
de clitoris uit tot een ‘minipiemel’ die ook stijf kan worden, bij transmeisjes wordt de penis juist
minder snel stijf. Jongens krijgen door testosteron vaker en intenser zin in seks; bij meisjes
vermindert de zin juist door oestrogenen en testosteronblokker. Hormoonbehandeling kan bij mannaar-vrouw spectrum transgenders daarom ook verlies van seksueel plezier opleveren, wat reden
kan zijn voor twijfels over hormoonbehandeling. Dat soort twijfels gelden waarschijnlijk eerder voor
transgenders die geen sterke onvrede met hun huidige lichaam voelen. Uit het onderzoek naar
seksualiteitsbeleving onder volwassen transgenders bleek namelijk dat transgenders die deze
onvrede wel in sterke mate voelen, het vóór hun transitie lastig vinden van seks te genieten omdat
hun lichaam niet bij hen past. Voor hen is geslachtsaanpassende behandeling dan ook juist
bevorderlijk voor hun seksuele plezier (Doorduin & Van Berlo, 2012).
Ook de keuze van transjongens of en zo ja welke genitale operatie zij laten uitvoeren heeft impact
op hun seksueel functioneren. Bij metaidoioplastiek is de penis erg klein maar wel erotisch
gevoelig; bij falloplastiek is de penis van gangbare grootte, maar heeft deze vaak minder gevoel.
4.1.5
Fase 5: Na de transitie
De jongeren in dit onderzoek waren nog bezig met hun transitie, en degenen die het medische
traject doorliepen moesten nog lang wachten voor de eerste operaties. De periode na hun transitie
stond nog ver van hun belevingswereld af en ze wisten niet goed aan wat voor informatie zij tegen
die tijd behoefte zouden hebben. Ze verwachtten bovendien dat ze tegen die tijd voldoende door
het genderteam geïnformeerd zouden worden over aspecten van seksualiteit die mogelijk konden
veranderen. Dit is echter nog maar de vraag. Uit het eerdere pilotonderzoek onder volwassen
transgenders (Doorduin & Van Berlo, 2012) bleek namelijk dat het genderteam geen belangrijke rol
speelt als informatieverstrekker in deze nieuwe fase. Een deel van de geïnterviewden uit dat
onderzoek was ontevreden over de informatieverstrekking vanuit het genderteam over bijvoorbeeld
het seksueel functioneren na verschillende operaties. Over veilig vrijen was er veel onduidelijkheid.
39
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Uit hetzelfde onderzoek onder volwassen transgenders bleek verder dat niet alleen aspecten als
seksueel functioneren en veilig vrijen veranderen na de transitie, maar dat de transitie ook op hun
seksuele beleving een grote impact had gehad. Vaak gaven zij aan dat zij na hun transitie ofwel pas
echt hun seksualiteit gingen ontdekken, ofwel hun seksualiteit opnieuw gingen ontdekken omdat
hun lichaam zo veranderd was. Vaak konden ze er dan pas echt van gaan genieten; toch kon het ook
tegenvallen. In beide gevallen leverde de nieuwe situatie veel nieuwe vragen op.
In deze paragraaf is een schets gemaakt van de fases in het coming out- en transitieproces waar
transgenderjongeren mee te maken krijgen, en de seksuele gezondheidsthema’s die per fase spelen.
In de volgende paragraaf worden deze seksuele gezondheidsthema’s verder uitgediept.
4.2
Wat? Informatiebehoefte seksuele gezondheidsthema’s
“Informatie over genderdysforie beperkt zich vaak tot een inleiding, uitleg, coming out en
wat hulpadressen. Nergens staan sekstips of hoe je je goed kunt voelen tijdens de seks. Erg
jammer, want ik ben geen type om dat aan artsen o.i.d. te vragen.” (transgender jongen)
Uit de gesprekken met transgenderjongeren bleek dat zij informatie over seksualiteit missen die
specifiek op hun situatie van toepassing is. Dit seksuele aspect komt niet voldoende aan de orde in
informatiemateriaal over transgender-zijn of genderdysforie. Tegelijkertijd wordt er in de reguliere
seksuele voorlichting en –vorming vrijwel altijd uitgegaan van de identiteiten en lichamen van
mensen die niet transgender zijn. Hier ligt dan ook een hiaat. Hieronder wordt ingegaan op seksuele
gezondheidsthema’s waar transgenderjongeren graag specifieke informatie over zouden krijgen.
4.2.1 Seksuele oriëntatie en –identiteit: een verwarrend domein
“Toen ik op mijn veertiende verliefd werd op een meisje … zeiden mensen, ben je lesbisch?
Ik denk: nee. Dat was voor mij heel verwarrend. Ik wist niet waarom ik me daar niet bij
thuis voelde.” (transgender jongen)
“Ik val het vaakst op vrouwen, maar kan me ook aangetrokken voelen tot mannen en ook
mensen die ertussenin zitten sluit ik niet uit.” (transgender jongen)
Uit de gesprekken met jongeren en deskundigen bleek dat het ontdekken en benoemen van hun
seksuele oriëntatie om meerdere redenen lastig kan zijn voor transgender jongeren. Allereerst is
het lastig om erachter te komen wat je seksuele voorkeuren zijn als je je niet lekker voelt in je lijf
en met je huidige gender. Om zichzelf te kunnen labelen moeten transgenders daarnaast niet alleen
weten op wie ze vallen, maar ook ‘wat’ ze zelf zijn. Seksuele identiteitslabels als ‘homoseksueel’
en ‘heteroseksueel’ benoemen immers niet alleen het geslacht tot welke iemand zich aangetrokken
voelt, maar ook het eigen geslacht. Om zichzelf te kunnen labelen, moeten transgenderjongeren
moeten dus twee zaken uitzoeken: op wie ze vallen én wie ze zelf zijn. Hoewel labelen niet
noodzakelijk is, kan het voor jongeren bovendien soms wel zo voelen. Volgens een deskundige is de
druk vanuit de buitenwereld om zichzelf een seksueel identiteitslabel aan te meten groot.
Meestal labelen transgenders zich vanuit het geslacht waarmee ze zich identificeren: een transman
die op vrouwen valt, noemt zichzelf dan heteroseksueel (zie ook Doorduin & Van Berlo, 2012).
Wanneer iemand zich niet zozeer man óf vrouw voelt wordt dit echter lastig, omdat labels voor
seksuele identiteit een binaire genderidentiteit (man óf vrouw) veronderstellen. In zo’n geval kan
iemand er ook voor kiezen om seksuele identiteit vanuit het geboortegeslacht te labelen,
bijvoorbeeld: iemand die als jongen is geboren en op jongens valt, maar zich deels ook meisje
voelt, noemt zich toch homoseksueel. Maar ook minder gangbare labels voor seksuele identiteit,
zoals panseksueel of queer, worden door transgenderjongeren gebruikt (zie ook Doorduin & Van
Berlo, 2012).
Nog een reden waarom het benoemen van de eigen seksuele oriëntatie lastig is voor transjongeren,
is dat genderidentiteit en seksuele voorkeur vaak ten onrechte als één en hetzelfde worden
40
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
beschouwd, wat tot verwarring kan leiden. Dit gebeurt door buitenstaanders, bijvoorbeeld wanneer
zij transvrouwen tijdens hun transitie voor homo uitschelden, maar ook door transgenderjongeren
zelf. Zo dacht een transgender meisje aanvankelijk dat ze homoseksueel was omdat ze zich
vrouwelijk voelde. Een andere als jongen geboren transgender wist niet goed of zhaar3 vrouwelijke
genderpresentatie voortkwam uit een gedeeltelijk vrouwelijke genderidentiteit of uit zhaar
aantrekking tot jongens. Zhij had van jongs af aan vanuit de media het beeld meegekregen dat
mannen door mooie vrouwen worden verleid, en vroeg zich af of zhij ook zo graag vrouwelijk had
willen zijn als zhij niet op mannen zou vallen.
Ook de directe omgeving kan het transjongeren moeilijk maken hun seksuele oriëntatie te
ontdekken en benoemen. Jongeren krijgen er vanuit de buitenwereld namelijk constant vragen
over: weet je al op wie je valt? En wat ‘ben’ je dan? Dit vergroot de druk om zichzelf snel te
labelen in plaats van rustig uit te zoeken hoe het zit. De jongeren kennen bovendien voorbeelden
waarin de omgeving negatief reageert als een transgenderjongere na de transitie homo- of
biseksueel is en niet hetero. Als je bijvoorbeeld als transjongen op jongens valt, kan dit bij de
omgeving de vraag oproepen waarom je zo nodig zelf jongen moest worden als je ook een
heteroseksueel meisje had kunnen zijn. Het idee dat een ‘echte’ man of vrouw hetero is, leeft
blijkbaar nog steeds.
Wanneer transgenderjongeren homo- of biseksueel zijn, hebben zij net als cisgender LHB-jongeren
behoefte aan informatie over seksualiteit die specifiek is voor hun seksuele oriëntatie. Zo leeft er
bij transmannen wel eens de angst dat het hebben van een (grote) penis onder homomannen erg
belangrijk is, wat hen onzeker maakt over hun eigen lichaam omdat hun eigen penis ook na genitale
operaties nooit precies hetzelfde zal functioneren als de penis van een cisgender man (zie ook
Doorduin & Van Berlo, 2012).
4.2.2 Liefde en relaties: (h)erkend worden in je genderidentiteit
“Toen ik van rol ging wisselen had ik een vriendin. Zij was lesbisch, en uiteindelijk werkte
dat niet. Maar zij wilde dat wel proberen. En dan is het toch wel dat je als het ware
binnen een relatie van rol switcht, en dat is wel erg ingewikkeld.” (transgender jongen)
Volgens een deskundige, de hulpverlener van Transvisie, zijn relaties voor veel transjongeren een
heikel thema. Transgenderjongeren vragen zich af of ze überhaupt een relatie kunnen aangaan met
iemand, zijn bang voor afwijzing en moeten niet zelden ook omgaan met daadwerkelijke afwijzing
vanwege het transgender-zijn. Anderen houden relaties zelf af. Deze angst is niet altijd ongegrond.
Volgens de hulpverlener van Transvisie komt het vaak voor dat transgenderjongeren negatieve
ervaringen opdoen in de liefde. Toch zijn er volgens hem ook positieve voorbeelden van
transjongeren die wel een relatie krijgen waar ze zich prettig bij voelen. Ook uit de gesprekken met
de jongeren zelf, bleek dat zij veel vragen hebben op het terrein van liefde en relaties. Dit geldt
zowel vóór en tijdens hun rolwisseling als daarna. Naast transgenderjongeren bleek dat ook
(potentiële) partners van transjongeren een doelgroep zijn die rondom dit onderwerp waarschijnlijk
informatie nodig hebben. Uit de gesprekken met jongeren en deskundigen bleken per fase in het
coming out- en transitieproces weer andere uitdagingen te spelen.
Vóór en tijdens de rolwisseling kan het aangaan van relaties lastig zijn omdat ook potentiële
partners een transjongere niet zonder meer herkennen als de man of vrouw die hij of zij zich voelt.
Het is dan lastig om een partner te vinden die een transjongere wel erkent in diens
genderidentiteit. Niet alleen het aangaan van een nieuwe relatie kan tijdens de rolwisseling een
dilemma opleveren voor transjongeren. Ook wanneer iemand tijdens de rolwisseling al een relatie
heeft, kan dit problemen opleveren. Zo kan een partner erg schrikken van de ‘coming out’ en hier
negatief op reageren. Maar ook wanneer een partner wel positief reageert, kan de transitie veel
uitdagingen opleveren. Voor de partner is het verwarrend wanneer iemand zich ineens anders gaat
3
Genderneutraal voornaamwoord; zie woordenlijst
41
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
kleden en gedragen, en uiteindelijk ook in lichamelijke zin zal veranderen. De jongeren benoemden
vooral de erkenning van hun nieuwe identiteit als heikel punt in zo’n bestaande relatie. Wanneer de
partner van een transjongen hem nog als meisje ziet, kan het voor de jongen bijvoorbeeld lastig
zijn om zijn nieuwe mannelijke rol te ontdekken en uit te proberen omdat hij daarmee zijn vriendin
verdriet kan doen. In Doorduin & Van Berlo (2012) is uitgebreider beschreven welke dilemma’s en
uitdagingen een transitie mee kan brengen voor een relatie, en zijn ook relaties beschreven die wél
standhielden.
Later in het transitieproces, wanneer een transgenderjongere – meestal na aanvang van de
hormoonbehandeling – passabel is maar nog geen operaties achter de rug heeft, weten de mensen in
hun omgeving niet altijd dat zij transgender zijn. Dit maakt het enerzijds een stuk gemakkelijker
voor transgenderjongeren om herkend en erkend te worden in hun genderidentiteit. De directe
omgeving benadert hen zoals ze zich voelen, ook als het om flirten en daten gaat. Zo merkte een
transjongen na aanvang van de hormoonbehandeling dat hij meer aandacht van heteromeisjes
kreeg. Dit vond hij leuk omdat hij zelf inderdaad een heterojongen is, al vond hij het ook wennen
dat hij door lesbische meisjes niet meer als lid van de club werd gezien.
Het passabel zijn levert echter ook een dilemma op: hoe en wanneer vertel je je date erover?
Vertel je het te vroeg, dan staan vooroordelen en angsten het de ander misschien in de weg om jou
eerst beter te leren kennen. Vertel je het te laat, dan kan dat teleurstelling en verwarring
opleveren, zowel bij jezelf als bij de ander. Dating en het aangaan van een relatie kan in deze fase
ook lastig zijn vanwege het lichamelijke aspect: hoe ga je om met een niet-gangbaar lichaam,
bijvoorbeeld wanneer je als jongen borsten en een vagina hebt, of als meisje borsten en een penis?
Hoe vertel je je partner hoe je lichaam er onder je kleren uitziet? Maar ook: hoe voel jij je over je
lichaam, waar wil je wel en niet worden aangeraakt, en hoe communiceer je daarover (zie de
volgende paragraaf).
Bij een cisgenderjongere die erachter komt dat degene die hij of zij leuk is transgender is en een
ander lichaam heeft dan verwacht, kan dit tot veel verwarring leiden. Soms leidt dit volgens de
hulpverlener van Transvisie tot een harde afwijzing vanuit zo’n cisgender jongen of meisje. Volgens
de hulpverlener van Transvisie gebeurt het niet zo vaak dat transgender jongeren tijdens hun
transitieproces een relatie krijgen met een cisgenderjongere. Wel gaan jongeren binnen de
Transvisie jongerengroep vaak relaties aan met elkaar. Hij benadrukt dat dit niets te maken heeft
met een seksuele voorkeur voor transgenders, maar alles met de veilige context van de
jongerengroep. Waar transgenderjongeren zich in hun dagelijks leven vaak niet open durven te
stellen, durven ze dat binnen de groep wel.
Ook als transgenderjongeren hun transitie geheel achter de rug hebben, kan het lichamelijke aspect
een rol blijven spelen. Bij transjongens geldt bijvoorbeeld dat hun geslachtsdelen nooit precies
hetzelfde zullen werken als bij cisgender jongens, of ze nu wel of niet kiezen voor een genitale
operatie. Voor een deel van de transgender meisjes brengt de periode na de transitie soms juist een
nieuwe uitdaging met zich mee. Voor sommigen van hen kan het na hun geslachtsaanpassende
behandeling namelijk mogelijk zijn om ‘stealth’ te gaan: om niemand te vertellen over hun
transgenderverleden omdat hun lichaam niet of nauwelijks te onderscheiden is van een cisgender
lichaam. Vertel je je partner dan wel over je verleden? Hoewel jongeren er soms van dromen dit
geheim te houden zodat ze ook in hun relatie als ‘gewone’ jongen of meisje kunnen leven, schat de
hulpverlener van Transvisie in dat de meesten het hun partner uiteindelijk wel willen vertellen. Het
is tenslotte een belangrijk deel van hun levensverhaal.
Wanneer een partner ervoor uitkomt zich niet (geheel) te identificeren met het geslacht waar je
hem of haar voor aanzag, kan dit veel verwarring oproepen. En ook wanneer een cisgenderjongere
achter komt dat de jongen op wie hij of zij verliefd is nog borsten heeft en een vagina, levert dit
verwarring en vragen op. De deskundige van Transvisie vermoedt dan ook dat cisgenderjongeren die
een relatie hebben of aangaan met een transjongere veel vragen en behoefte aan informatie
hebben. Bij Transvisie komen vaak verzoeken binnen van partners, waaronder ook jongeren onder
42
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
de 25, die behoefte hebben aan contact met andere partners om hun ervaringen te spiegelen en
herkenning te vinden. De dilemma’s waar transgenderjongeren tegenaan lopen rondom liefde en
relaties gaan dan ook niet alleen henzelf aan, maar ook de cisgenderjongeren in hun omgeving. Dit
zijn immers de jongeren op wie zij verliefd kunnen worden, en die verliefd kunnen worden op hen.
Daarom zou informatie en voorlichting zich volgens de hulpverlener van Transvisie niet alleen
moeten richten op transgenderjongeren, maar ook op cisgenderjongeren in het algemeen. Dit soort
voorlichting zou niet alleen moeten gaan over het bestaan van transgenders, maar ook aannames
over lichamen en identiteiten moeten bevragen. Bijvoorbeeld: wat is eigenlijk een ‘normaal’
mannenlichaam, bestaat dat eigenlijk wel? Kun je ook man zijn wanneer je geen penis hebt?
4.2.3 Seks en seksuele ontwikkeling voor en tijdens de transitie: ‘het klopt niet’
“Zolang ze mijn borsten en ‘down daar’ maar met rust laten, vind ik het geen probleem.
Vooral mijn borsten vind ik vervelend. Als mensen daar dan heel erg op geilen, daar kan ik
echt letterlijk misselijk van worden.” (transgender jongen)
Opgroeien met genderdysforie heeft veel impact op de seksuele ontwikkeling van
transgenderjongeren. Genderdysfore gevoelens kunnen het de jongeren moeilijk maken om van seks
te genieten en kennis op te doen over seksualiteit. Het is lastig voor hen om met hun eigen lichaam
geconfronteerd te worden vanwege het gevoel dat hun lichaam niet ‘klopt’. Veel
transgenderjongeren leven daardoor ook sterk in hun hoofd en vinden het moeilijk contact te maken
met hun eigen lichaam. Soms durven ze bijvoorbeeld niet in de spiegel te kijken. Vanwege
schaamte over hun lichaam durven veel jongeren ook niet na te denken over seksualiteit of hier
vragen over te stellen, zodat ze weinig kennis opdoen over seksualiteit. Volgens de hulpverlener van
Transvisie doen veel transgenderjongeren slechts beperkt seksuele ervaring op tijdens de puberteit,
zowel wat betreft masturberen als seks met een ander.
Toch betekent dit alles niet dat transgenderjongeren geen seks hebben. Hoewel een deel van de
jongeren seks wellicht liever uitstelt tot na hun transitie, hebben anderen wel degelijk seks of
zouden ze het graag hebben als ze zouden weten hoe ze ervan kunnen genieten. De jongeren in dit
onderzoek hadden een sterke behoefte aan tips om in de fase vóór en tijdens de medische transitie
van seks te kunnen genieten. Deze informatie konden ze echter niet vinden. Ook konden ze niet
gemakkelijk de weg vinden naar hulpverleners die dit soort vragen kunnen beantwoorden, of
hadden ze al ondervonden dat (reguliere) seksuologen niet toegerust zijn om advies te geven
rondom dit onderwerp (zie paragraaf 4.4.4).
Een aantal tips die zij zelf aan andere transjongeren zouden geven:
veel praten. Dan weet je partner hoe het voor jou voelt, en kan hij of zij er rekening mee
kan houden;
eerst een goede relatie opbouwen waarin je elkaar helemaal vertrouwt, voordat je aan seks
begint;
het kan helpen om aan de lichaamsdelen die jij niet prettig vindt, geen aandacht te
besteden. Dus om grenzen te stellen aan aanraking en aandacht;
geen druk erop zetten, geen tijdslimiet. Niet te hoge eisen stellen. Je kunt ook genieten
van seks zonder klaar te komen;
gebruik penisprotheses. Het kan lastig zijn om deze te vinden omdat de meeste
voorbinddildo’s door lesbische meisjes worden gebruikt en er dus zo onrealistisch mogelijk
uitzien. Links naar online shops voor realistische penisprotheses zijn dus welkom;
je focussen op je genot en hoe het fysiek voelt, en in je hoofd een ‘kloppend’ lichaam erbij
fantaseren. Niet teveel nadenken over hoe je lichaam er daadwerkelijk uit ziet;
naar porno kijken om beter te kunnen fantaseren over het lichaam dat bij je past.
De hierboven genoemde strategieën komen sterk overeen met de strategieën die in Doorduin & Van
Berlo (2012) door volwassen transgenders werden genoemd.
43
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
4.2.4 Seks en seksuele ontwikkeling na de transitie: werkt alles nog?
“Voor mij is dat nog zo ver van mijn bed af. En ik verwacht te zijner tijd dat wel aan de VU
te kunnen vragen of ergens.” (transgender jongen)
Transgenderjongeren kunnen vragen hebben over de impact van de geslachtsaanpassende
behandeling op hun seksueel functioneren. Bijvoorbeeld: kan je een orgasme krijgen na je
behandeling? Raak je bepaalde seksuele sensaties kwijt? Dit soort vragen stellen transjongeren niet
alleen om zich een beeld te kunnen vormen van hun toekomst, maar ook om over deze toekomst
keuzes te kunnen maken. Transjongens staan voor de keuze tussen een ‘meta’, een ‘fallo’ of geen
genitale operatie, waarin seksuele aspecten een belangrijke rol spelen. Ook voor MV-transgenders
kan het een moeilijke keuze zijn of zij wel of niet verdergaan in het medische traject. Zo twijfelde
een van de geïnterviewde jongeren sterk of zhij4 wel door wilde gaan met de geslachtsaanpassende
behandeling omdat seksueel plezier een belangrijk aspect van zhaar leven was. Zhij was bang dat
hormoonbehandeling en operaties dit seksuele plezier zouden verminderen.
Niet alle jongeren kijken tijdens hun transitie al zover vooruit. Een aantal jongeren gaf aan dat de
tijd na hun geslachtsaanpassende behandeling nog ver van hen af stand, en dat ze daarom nog geen
vragen hadden over hun seksueel functioneren na die tijd. Ze verwachtten bovendien dat ze de
nodige informatie te zijner tijd vanzelf vanuit het genderteam zouden krijgen. Dit is waarschijnlijk
een misverstand; zie paragraaf 4.1.5.
De hulpverlener van Transvisie krijgt vaak vragen van jongeren over het seksueel functioneren na de
geslachtsaanpassende behandeling. Dit soort vragen wordt wel eens besproken binnen de
jongerengroep, al gaven de jongeren ook aan dat het lastig is om dit soort onderwerpen in een
groep naar voren te brengen. Transvisie is ook van plan themabijeenkomsten te organiseren waarin
post-op transgenders kunnen vertellen hoe de geslachtsaanpassende behandeling hun seksueel
functioneren heeft beïnvloed.
Jongeren lijken het genderteam hier ook niet zo gemakkelijk vragen over te stellen. Ze durven het
niet of verwachten dat ze toch geen goed antwoord krijgen. Dat de chirurgen zelf geen
ervaringsdeskundigen zijn maakt het ook lastig dit soort vragen te stellen. En vanwege een gebrek
aan onderzoek op dit terrein verwacht de hulpverlener van Transvisie ook dat ze er te weinig over
weten om er echt goed antwoord op te kunnen geven.
4.2.5 Anticonceptie, veilig vrijen en soa/hiv: een uitgekauwd onderwerp?
Veilig vrijen en anticonceptie werden door de transgender jongeren in dit onderzoek als
uitgekauwde onderwerpen ervaren, en als het enige waar al adequate voorlichting over wordt
gegeven. Na enig doorvragen gaven ze echter aan dat het transgender-zijn wel een aantal lastige
situaties kan opleveren. Het is voor transmannen na hun rolwisseling bijvoorbeeld confronterend om
een soa-test te laten doen bij de huisarts, omdat zij bang zijn op negatieve of verwarde reacties
van hulpverleners op hun niet-gangbare lichaam. Ook een spiraaltje laten zetten bij de gynaecoloog
leek hen confronterend omdat je dan als jongen in een wachtkamer vol vrouwen zit.
Transgenderjongeren zijn immers nog steeds in mindere of meerdere mate vruchtbaar, ook tijdens
de hormoonbehandeling, wanneer zij (nog) geen buikoperatie (transjongens) of vaginaplastiek
(transmeisjes) achter de rug hebben. Wanneer een transjongen vóór of tijdens de
hormoonbehandeling seks heeft met een cisgenderjongen of een pre-operatief transmeisje, en
wanneer een transmeisje seks heeft met een cisgendermeisje of een pre-operatieve transjongen,
kunnen bepaalde seksuele handelingen ook in die fase nog steeds tot zwangerschap leiden.
De jongeren wisten daarnaast nog niet hoe veilig vrijen werkt als je eenmaal hormonen en operaties
achter de rug hebt, maar verwachtten deze informatie te zijner tijd vanzelf vanuit het genderteam
te krijgen. De hulpverlener van Transvisie kreeg nooit vragen van jongeren over dit onderwerp, en
4
Genderneutraal voornaamwoord; zie woordenlijst
44
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
wist niet of jongeren hier wel eens problemen mee ervaren. Hij gaf aan dat er in
hulpverleningsgroepen te weinig aandacht aan wordt geschonken.
4.2.6 Grensoverschrijding: voldoen aan verwachtingen
“Ik zag seks sowieso een beetje als een verplichting. Gewoon, het hoorde bij de rol van vrouwzijn. … Mijn hele leven was gewoon gebaseerd op het zo goed mogelijk spelen op de rol die ik
nou eenmaal had gekregen.” (transgender jongen)
Dat transgenders specifieke risico’s lopen als het gaat om seksuele grensoverschrijding is al
beschreven in Doorduin en Van Berlo (2012). Ook in dit onderzoek noemden de jongeren en de
deskundige een aantal extra risicofactoren voor transgenders, zowel vanuit hun eigen ervaring als
vanuit verhalen die zij van anderen hadden gehoord.
Volgens de hulpverlener van Transvisie zijn transgenderjongeren vermoedelijk extra kwetsbaar voor
seksuele grensoverschrijding. Ten eerste willen zij vaak graag een relatie, maar hebben ze het idee
dat ze door het transgender-zijn minder aantrekkelijk zijn als partner. Wanneer iemand dan een
relatie met hen wil, zeggen ze misschien te snel ja. Ook herkennen ze zich wellicht minder in de
standaard seksuele voorlichting en -vorming, omdat die cisgender lichamen en identiteiten als
uitgangspunt neemt. Seksuele vorming rondom het aangeven van seksuele wensen en grenzen komt
dan minder goed aan. Tot slot wijst de hulpverlener op het bestaan van een groep mensen die een
specifieke seksuele interesse heeft in transgenderlichamen. Voor transgenderjongeren kan het
daarom lastig zijn om uit te vinden of de ander echt in hun persoon is geïnteresseerd of eerder in
hun lichaam.
Ook de jongeren zelf vermoeden dat zij als groep wel eens kwetsbaarder zouden kunnen zijn voor
seksuele grensoverschrijding, maar noemen andere redenen dan de deskundige. Transgenders die
nog ‘in de kast’ zitten kunnen het volgens hen lastig vinden in contact te komen met hun eigen
wensen en grenzen, omdat ze teveel bezig zijn te voldoen aan de verwachtingen van anderen. De
jongen uit het bovenstaande citaat beschouwde ‘seks hebben met een jongen’ bijvoorbeeld als
onderdeel van de vrouwelijke rol die hij zo goed mogelijk probeerde te spelen, en ging er daarom in
mee zonder goed te weten of het wel was wat hij zelf wilde. Wanneer iemand al wel in transitie is,
kan diegene het onprettig vinden om op bepaalde plekken aangeraakt te worden. Omdat de grenzen
dan nogal scherp liggen, is de kans wellicht groter dat je partner over je grenzen gaat.
Transjongeren die met kleren aan passabel zijn maar (nog) geen operatie hebben gehad, zijn ook
extra kwetsbaar vanwege de reactie die hun lichaam bij anderen op kan roepen. Zo’n niet-gangbaar
lichaam kan niet alleen verwarring, maar ook agressie oproepen.
Eén van de transjongens benoemde daarnaast nog een andere hulpvraag rondom
grensoverschrijding. Hij had een misbruikverleden en had lang met de vraag geworsteld of dit een
effect heeft gehad op de ontwikkeling van zijn transgendergevoelens. Hij vroeg zich toen af zijn
misbruikverleden zijn transgendergevoelens veroorzaakt kon hebben en wilde graag weten of dat
inderdaad mogelijk was. Door GGZ-psychologen was dit namelijk geopperd. Om die reden was hij
ook bang dat zijn verleden in de diagnostische fase tegen hem kon worden gebruikt. Het heeft hem
geholpen om meer informatie over genderdysforie te krijgen en er zo achter te komen dat het
waarschijnlijk al bij de geboorte vaststaat. Ook luchtte het op dat andere transgenderjongens geen
misbruikverleden hebben, en dat er tegelijkertijd veel meisjes zijn die na een misbruikverleden
geen transgendergevoelens krijgen.
4.3
Met wie? Informatie integreren of apart aanbieden
4.3.1 Een voorkeur voor mainstream informatie
“In de eerste plaats ben jij gewoon een jongen, en geen meisje, alleen heb je toevallig een
ander lichaam.” (transgender jongen)
45
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Zowel de jongeren zelf als een aantal deskundigen gaven in principe de voorkeur aan integratie van
informatie over seksualiteit voor transgenders in algemene bronnen en kanalen. Dit deden zij om
twee verschillende redenen.
Allereerst wil een deel van de transgenderjongeren liever niet als uitzonderingsgroep worden
benaderd. Zij voelen zichzelf eerder jongen of meisje dan transgender (zie ook citaat hierboven),
en vinden het daarom niet prettig wanneer hun transgender-zijn teveel wordt benadrukt. Omdat ze
zich gewoon jongen of meisje voelen, zoeken ze informatie over seksualiteit eerder op mainstream
plakken. Op websites speciaal voor transgenders of transgenderjongeren verwachten zij alleen
informatie te vinden over wat transgender-zijn precies is en hoe het transitieproces werkt.
Mainstream informatiebronnen over seksualiteit nemen echter meestal cisgenderlichamen als
uitgangspunt. Hoewel dit niet altijd een probleem is voor de jongeren omdat ze dit soort informatie
vaak wel naar hun eigen situatie kunnen vertalen, hebben ze toch ook behoefte aan informatie die
op hen specifiek van toepassing is (zie par. 4.2). Een goed compromis vonden deze jongeren dan
ook, dat in mainstream bronnen en kanalen aparte aandacht wordt geschonken voor de situatie van
transgenderjongeren. Op een website als Sense.info betekent dit bijvoorbeeld dat er speciale
subknoppen voor transgenderjongeren staan, en dat websites voor transgenders naar dit soort
informatie over transgender en seksualiteit doorverwijzen.
Een tweede uitgangspunt, dat hiermee deels tegenstrijdig is, is dat algemene websites diversiteit
als uitgangspunt zouden moeten nemen en op die manier het transgender-zijn normaliseren. Dit
betekent dat informatie over seksualiteit geen gendernormen uitdraagt, niet van de
genderdichotomie uitgaat en dat er geen aannames worden gedaan over lichamen en identiteiten
(bijvoorbeeld dat jongens een penis hebben en meisjes een vagina). Op die manier zouden jongeren
zich niet eerst met het label transgender hoeven te identificeren om toegang te krijgen tot
bepaalde kennis, en het betekent ook dat niet-transgenderjongeren zich bewust worden van het
bestaan van transgender-zijn en zich hierdoor positiever kunnen verhouden tot transgenderjongeren
in hun omgeving, ook als het om dating en relaties gaat. Op dit moment voldoet algemeen
informatiemateriaal over seksuele gezondheid echter niet aan de hierboven gestelde eisen: er
wordt vrijwel altijd uitgegaan van cisgenderlichamen en –identiteiten. Deskundigen verschillen van
mening over de vraag in hoeverre het mogelijk is om algemene informatie over seksualiteit geheel
transgendervriendelijk te maken. Volgens de één zou dit altijd het streven moeten zijn; volgens de
ander wordt dit lastig omdat informatiemateriaal altijd voor de gemiddelde lezer moet worden
geschreven, en die gemiddelde lezer is bij mainstream informatiemateriaal cisgender.
Wanneer het om hulpverlening gaat, hebben transgenderjongeren juist behoefte aan
transgenderspecifieke hulpverlening, niet alleen vanwege gebrek aan deskundigheid van reguliere
hulpverleners maar ook vanwege hun behoefte aan rolmodellen en lotgenotencontact. In paragraaf
4.3.3 wordt hier verder op ingegaan.
4.3.2 LHB+T? Verschillende groepen met veel overeenkomsten
De term LHBT heeft de laatste jaren breed ingang gevonden in onderzoek en beleid. Dit betekent
echter niet dat de doelgroep zelf zich door deze term aangesproken voelt, en dat LHB- en
transgenderjongeren als één groep willen worden behandeld. Zowel transgenderjongeren zelf als
LHB-jongeren beschouwen transgenders en LHB’s als twee verschillende groepen. Ze vinden het
belangrijk om genderidentiteit en seksuele identiteit van elkaar te onderscheiden: het eerste gaat
over wat je zelf bent, het tweede over op wie je valt. Het gevaar van de term LHBT vinden zowel
jongeren als deskundigen, dat verschillen tussen de twee groepen over het hoofd worden gezien. De
transgenderjongeren gaven bijvoorbeeld aan dat transgenders in de beeldvorming nog wel eens als
‘doorgeschoten homoseksuelen’ worden beschouwd in plaats van als wezenlijk andere groep.
Tegelijkertijd vinden de deskundigen en een deel van de LHBT-jongeren wel dat transgenders en
LHB’s genoeg overeenkomsten hebben om daar gebruik van te maken.
46
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Overeenkomsten liggen bijvoorbeeld op deze vlakken:
beide groepen krijgen te maken met anders-zijn en identiteitsvraagstukken;
veel transgenders denken aanvankelijk dat ze homoseksueel zijn en komen daarom eerst in
de LHB-wereld terecht. Soms gebeurt dit ook andersom: dat homoseksuele jongeren
aanvankelijk denken dat ze transgender zijn en in de Transvisie jongerengroep
terechtkomen;
een aanzienlijk deel van de transgenders valt (ook) op hetzelfde geslacht als dat waar zij
zich mee identificeren, en is dus LHB.
Veel LHB-jongeren in dit onderzoek voelden zich solidair met transgenderjongeren en vonden het
belangrijk dat niet alleen LHB’s, maar ook transgenders voldoende aandacht krijgen als het gaat om
informatie, hulpverlening en beleid. Transgenders waren voor de meeste van hen geen onbekende
groep: ze hadden vaak transgenders in hun vriendenkring en één van de homojongens had ook een
relatie gehad met een homoseksuele transjongen. Ook de transjongeren hadden contacten met
cisgender LHB’s. Een deel van hen was ook verbonden aan een LHBT-organisatie. Wel werd duidelijk
dat het niet altijd een gemakkelijke coalitie is. Zo had een transjongen veel onbegrip en gebrek aan
kennis geconstateerd bij de lokale afdeling van het COC. Een aantal LHB-jongeren gaf ook
voorzichtig aan niet enkel positief te zijn over de term LHBT. Zij waren bang dat associatie met
transgenders ervoor zou zorgen dat LHB’s als net zo ‘exotisch’ en anders worden beschouwd als
transgenders.
Zolang het verschil voldoende in de gaten wordt gehouden, kunnen LHB’s en transgenders soms
samen optrekken wat betreft informatievoorziening, lotgenotencontact en hulpverlening. Hierbij is
het belangrijk om het verschil tussen genderidentiteit en seksuele oriëntatie duidelijk in het oog te
houden. Omdat transgenders nog sterker in de minderheid zijn is het voor hen belangrijk om
daarnaast ook een eigen plek te hebben, waar ze hun situatie niet uit hoeven te leggen en even niet
de uitzondering zijn.
4.4
Waar? Wenselijke kanalen en bronnen
In paragraaf 4.3 is beschreven in hoeverre transgenderjongeren via doelgroepspecifieke kanalen of
geintegreerd in mainstream kanalen geadresseerd willen worden. In deze paragraaf wordt verder
beschreven in hoeverre transgenderjongeren via bestaande bronnen al informatie over seksualiteit
kunnen vinden, en welke kanalen en bronnen het meest geschikt zijn om hen met dit soort
informatie te bereiken.
Net als bij de LHB-jongeren, vormde het internet voor transgenderjongeren vanwege de anonimiteit
een belangrijke manier om informatie over transgender-gerelateerde onderwerpen op te zoeken.
Ook uitwisseling via (transgender) vrienden, documentaires op televisie en informatie uit
tijdschriften waren voor hen een belangrijke bron van informatie over transgender-gerelateerde
onderwerpen, liefde en seksualiteit. Hieronder wordt besproken hoe zij de bestaande informatie die
zij via internet, school, boeken, folders en tijdschriften evalueren: vinden ze via deze kanalen
voldoende informatie, of kan het beter? Ook wordt besproken hoe transgenderjongeren en
deskundigen de hulpverlening aan transgenderjongeren rondom seksuele gezondheid evalueren.
4.4.1 Internet: een gebrek aan informatie
Net als bij de LHB-jongeren vormde internet voor transgenderjongeren een belangrijkste bron van
informatie vanwege de anonimiteit. Zij konden op internet echter nauwelijks informatie over
liefde, seks en relaties vinden die op de specifieke situatie van transgender jongeren ingaat, en
vonden dit een gemis. Specifieke informatie voor transgenders over liefde, seks en relaties zochten
ze vaak gericht via Google. Vaak kwamen ze dan uiteindelijk op Engelstalige pagina’s terecht,
omdat de gezochte informatie in het Nederlands niet te vinden was. Hoewel zelf ervaringen opdoen
en ervaringen uitwisselen met anderen hen wel informatie opleverde, vonden ze dit ook omslachtig:
47
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
“Je kan alles wel zelf uitvogelen. Maar het is wel handig als er ook tips ergens staan.” De
ander vult aan: “Dat het allemaal bij elkaar staat. Anders moeten we allemaal voor
inspector Morse gaan spelen.” (twee transgender jongens)
Door transgenderjongeren bezochte websites over liefde, seks en relaties
Sekswoordenboek.nl werd door meerdere jongeren genoemd en zij waren er zeer positief over. Ze zien het als
een heel uitgebreide en volledige website. Voor een van de jongeren, de jongen die aan crossdressing deed,
vervult deze website een belangrijke rol als ontmoetingsplek van jongeren bij wie hij open kan zijn over het
crossdressen.
Op YouTube zijn zogenaamde ‘vlogs’, videoblogs te vinden van vooral transmannen, die soms ook persoonlijke
ervaringen bespreken op het gebied van liefde, seks en relaties. Ook op de facebookgroep Gender Zone kunnen
jongeren onderling ervaringen uitwisselen. De jongeren waren ook over deze bronnen enthousiast.
De jongeren bezochten ook websites gericht op transgenders of transgenderjongeren, zoals Transvisie.nl. Op
deze websites konden zij echter geen informatie over liefde, seks en relaties vinden. Een uitzondering is de
nieuwe website voor LHBT-jongeren Iedereenisanders.nl: hier worden deze onderwerpen wel aangestipt in
relatie tot het transgender-zijn. Deze website was tijdens de focusgroep nog niet in de lucht, maar werd in een
later interview wel positief beoordeeld door één van de jongeren.
Sense.info
Met de jongeren is ook de website Sense.info besproken. Op één van de jongeren na kende nog niemand deze
website. De jongere die de website al kende vond de website teveel op hetero- en cisgenderjongeren gericht
om er zelf iets aan te hebben. De andere jongeren beoordeelden de website op het eerste gezicht als zeer
positief. Ze vonden de vormgeving prettig en aansprekend. De knoppen “ontdek je lichaam”, “jongenslichaam”
en “meisjeslichaam” werden de meest logische plekken gevonden voor informatie over transgender. Het
voorstel voor de nieuwe opzet van Sense.info werd voornamelijk positief ontvangen. Wel zag men de
informatie voor transgenders liever meer geïntegreerd in de hele website. De transjongens zouden eerder
onder ‘vrijen’ dan onder ‘transgender’ zoeken als ze vragen hadden over seks. Ze vonden het logischer dat
informatie over transgender-zijn alleen over het ‘wat’ van transgender-zijn gaat dan dat het ook over liefde,
seks en relaties gaat. Het liefst zouden ze bij elk onderwerp een subknop ‘transgender’ vinden of, als dat niet
haalbaar is, een verwijzing naar informatie hierover voor transgenders.
4.4.2 School: het gaat niet over mij
“Over homoseksualiteit was er maar één paragraaf, over transgender werd nergens iets
gezegd.” (MV-spectrum transgenderjongere)
School kan voor jongeren een bron van informatie zijn over seksualiteit, via de lessen seksuele
voorlichting en –vorming. Net als bij LHB-jongeren is het echter de vraag of deze lessen voor
transgenderjongeren wel zo nuttig zijn. Zijn de lessen teveel op de situatie van cisgenders gericht,
of hebben ook transgenderjongeren er iets aan?
De transgenderjongeren ervoeren de seksuele voorlichting op school niet als erg relevant, en weten
dit aan de focus op ‘technische’ aspecten van seksualiteit zoals anticonceptie, veilig vrijen en het
risico op soa en hiv. Dit soort voorlichting is volgens hen niet alleen voor transgenders ontoereikend,
maar voor álle jongeren. Toch is het volgens de hulpverlener van Transvisie wel degelijk mogelijk
dat hun transgender-zijn bij deze evaluatie een rol speelt. Juist informatie over dit soort
lichamelijke aspecten van seksualiteit sluit namelijk niet aan op de lichaamservaring van
transgenderjongeren: wanneer er bijvoorbeeld over mannenlichamen wordt gesproken, gaat het
niet over de lichamen van transmannen. Daarnaast is het volgens de hulpverlener van Transvisie
mogelijk dat transjongeren kennis over geslachtsdelen negeren of ontwijken, omdat dit hen
confronteert met hun genderdysfore gevoelens.
48
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Net als de LHB-jongeren vonden ook transgenderjongeren het belangrijk dat er op scholen aandacht
wordt besteed aan zowel seksuele- als genderdiversiteit; niet alleen op middelbare scholen, maar
ook op de basisschool. Op dit moment werd er bij hen op school niet of nauwelijks voorlichting
gegeven over transgender. Als transgenders al aan bod kwamen, ging het niet verder dan het
benoemen van hun bestaan. Omdat er verder niet om in werd gegaan riep het meer vragen op dan
dat het iets verduidelijkte. Niet alle transgender jongeren vonden echter dat voorlichting over
genderdiversiteit op school thuishoort; één van hen vond het een te specifiek onderwerp.
4.4.3 Folders, boeken en tijdschriften: dat wist ik al
“Er waren wel eens transmannen in de break out, wat ik zeer interessant vond.”
(transgender jongen)
Net als bij de LHB-jongeren namen folders, boeken en tijdschriften een minder belangrijke rol in als
bron van informatie dan internet. Toch konden ook voor de transgenderjongeren tijdschriften een
positieve rol spelen in de eerste fases, wanneer jongeren hun gevoelens nog niet hebben benoemd
en er nog niet met anderen over hebben gesproken. In de BreakOut, Hitkrant en Fancy stonden wel
eens ingezonden brieven of ‘waargebeurde verhalen’ van transgenders. Hoewel deze informatie niet
diepgaand is, kan het een goede manier zijn om met het onderwerp in aanraking te komen. De
Expreszo, het LHBT-tijdschrift voor jongeren, werd later in hun proces door een aantal
transjongeren gelezen. Hoewel het blad vooral over LHB-onderwerpen gaat, richt het zich de
laatste tijd meer op transgenders, ook al kon het volgens hen nog beter. Een aantal jongeren vond
het prettig om boeken te lezen over transgender-zijn. Zo zijn er veel boeken waarin (bekende)
transgenders hun ervaringen vertellen. Seksualiteit komt hier echter niet of nauwelijks aan de orde.
De jongeren uit de focusgroep kregen vanuit transgenderorganisaties wel eens folders over
transgender-zijn of genderdysforie, maar niet over seksualiteit. Omdat zij vóór hun eerste contact
met transgenderorganisaties al veel informatie op internet hadden opgezocht, was de informatie in
deze folders volgens hen niet meer van toegevoegde waarde.
4.4.4 Hulpverlening: aan een half woord genoeg willen hebben
“Ze zeggen vaak: ‘tegen mijn leraar moet ik helemaal uitleggen wat ik voor behoeftes heb,
tegen mijn huisarts moet ik dat doen, als ik naar een psycholoog word gestuurd moet ik dat
doen. Ik ben altijd de deskundige, maar ik wil zo graag aan een half woord genoeg
hebben’.” (hulpverlener in de transgenderzorg)
Volgens zowel de jongeren zelf als de hulpverlener van Transvisie kunnen transgenderjongeren op
dit moment beter terecht bij transgenderspecifieke hulpverlening dan in de reguliere hulpverlening.
Ook uit een recent SCP-rapport over het welzijn van transgenders in Nederland blijkt dat de
transgenderzorg van de genderteams en Transvisie veel beter wordt beoordeeld dan reguliere
hulpverlening (Keuzenkamp, 2012).
Transgenderjongeren komen op verschillende momenten in aanraking met reguliere hulpverlening.
Ten eerste hebben veel jongeren, wanneer zij zelf nog niet weten dat ze transgender zijn of het
nog niet durven te uiten, psychosociale problemen. Vanwege hun genderdysfore gevoelens zitten
transgenderjongeren in die fase niet lekker in hun vel, maar ze weten vaak nog niet precies hoe dat
komt of durven dit nog niet onder ogen te zien. Ze komen dan met hun hulpvraag bij reguliere
hulpverleners terecht. Voor reguliere hulpverleners is het lastig om de link te leggen met de nog
niet onderkende transgendergevoelens. Vaak hebben ze er niet voldoende kennis over en vragen zij
er uit zichzelf ook niet naar. Hierdoor wordt de hulpvraag van deze jongeren verkeerd begrepen en
worden ze niet goed geholpen.
Ook wanneer jongeren hun transgender gevoelens wel zelf ter sprake brengen is er vaak niet genoeg
kennis om hen verder te helpen. Dit hoeft volgens de jongeren zelf geen probleem te zijn wanneer
een hulpverlener wel genoeg kennis heeft om de gevoelens serieus te nemen en door te verwijzen
49
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
naar transgenderspecifieke hulpverlening. Het is wel een probleem wanneer een hulpverlener de
genderdysfore gevoelens niet serieus neemt, een jongere verkeerd diagnosticeert en de problemen
daarmee vergroot. Eén van de transjongens heeft hiermee ernstige problemen ondervonden binnen
de GGZ:
“Ik heb toen ik depressief was hele lange vragenlijsten gekregen, en er is er geen één die
over genderissues ging. … Ik ben officieel psychotisch verklaard toen ik dat zei [dat ik een
jongen wil zijn]. Dat is nogal een stempel om op je kop te krijgen, vooral omdat ik geen
donder mankeer op psychiatrisch gebied.” (transgender jongen).
De hulpverlener van Transvisie heeft vaak ondervonden dat jongeren door een verkeerde aanpak
van reguliere hulpverleners het vertrouwen in hulpverlening als geheel zijn kwijtgeraakt. Het is dan
moeilijk om hun vertrouwen alsnog te winnen.
De jongeren noemden in dit kader vooral huisartsen en de GGZ als hulpverleningsinstanties die
transgendergevoelens lastig kunnen herkennen, maar mogelijk speelt ditzelfde probleem ook bij
seksuologische hulpverlening. Uit Doorduin & Van Berlo (2012) bleek dat transgenders, ook voordat
zij hun transgendergevoelens onderkennen, wel eens bij een seksuoloog aankloppen met seksuele
problemen die sterk met hun transgendergevoelens verweven zijn. Seksuele problemen waarbij
genderdysfore gevoelens mogelijk (deels) oorzaak zijn, zoals problemen rondom seksueel verlangen,
opwinding en orgasme, worden ook door seksuologen echter niet zo snel in verband gebracht met
gevoelens rondom de genderidentiteit van hun cliënt.
Ook verder in het transitieproces komen transgenderjongeren in aanraking met reguliere
hulpverleners, zoals hun huisarts. Volgens zowel de jongeren zelf als de hulpverlener bij Transvisie
moeten jongeren deze professionals vrijwel altijd zelf informeren over hun ‘transgender-zijn’ en
over de implicaties die dit heeft voor hun zorgbehoeften. Dat transgenderjongeren vanaf hun
rolwisseling een ander lichaam hebben dan professionals in eerste instantie verwachten op grond
van hun genderexpressie, kan voor hen ook een drempel opwerpen om medische problemen te laten
behandelen (zie ook paragraaf 4.2.5). Binnen de seksuologische hulpverlening ondervonden
transgenderjongeren dat ook wanneer zij zelf hun genderdysfore gevoelens benoemden en in
verband brachten met hun seksuele problemen, reguliere seksuologen nog steeds te weinig kennis in
huis hadden om hen te helpen. Zo zocht één van de jongeren na zijn rolwisseling seksuologische
hulp voor problemen rondom opwinding en orgasme vanwege zijn genderdysfore gevoelens. De
seksuologen verkeerden volgens hem echter in de veronderstelling “dat transgenders nooit seks
hebben” en konden hem dan ook niet goed helpen.
Over transgenderspecifieke hulpverlening waren zowel de jongeren zelf als de hulpverlener van
Transvisie een stuk positiever. Het is echter de vraag in hoeverre transgenderjongeren daar ook
voor hulpverlening rondom seksuele gezondheidsthema’s goed terecht durven en kunnen.
De transgenderspecifieke psychosociale zorg die door Transvisie wordt aangeboden werkt met
groepen die worden begeleid door ervaringsdeskundige hulpverleners en vrijwilligers. Deze
hulpverlening werkt volgens de hulpverlener zelf vooral goed vanwege de volgende ingrediënten:
gedegen kennis van transgender jongeren en hun specifieke situatie. In het dagelijks leven
moeten de jongeren zich heel vaak uitleggen, zijn zij altijd de deskundige over zichzelf. Ze
hebben het nodig om ook eens aan een half woord genoeg te hebben;
uitwisseling van ervaringen: kennis uit de praktijk, van lotgenoten, is een belangrijke
aanvulling op kennis vanuit hulpverleners of van een website;
herkenning: je voelt je pas onderdeel van de maatschappij wanneer je op belangrijke
onderdelen van jezelf herkenning kan vinden in anderen;
rolmodellen: de jongvolwassen vrijwilligers zijn vaak een rolmodel voor de jongeren.
Wanneer je je spiegelt aan mensen die op je lijken is dit goed voor je zelfbeeld;
veiligheid: onder ‘lotgenoten’ voelen jongeren zich veiliger.
50
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
De Transvisie jongerengroep wordt ook door de jongeren zelf beschreven als een prettige, veilige
omgeving.
Seksuele gezondheidsthema’s komen binnen de groep echter niet zo vaak aan bod (voor een
uitzondering, zie paragraaf 4.2.4). De hulpverlener geeft zelfs aan niet goed te weten wat er bij
jongeren speelt rondom het thema seksualiteit. Jongeren durven volgens hem vaak niet zelf over
seksualiteit te beginnen, maar als het eenmaal ter sprake komt, blijken er wel veel vragen over te
zijn. De jongeren zelf geven aan dat zij het een moeilijk en intiem onderwerp vinden om in een
groep te bespreken, zeker wanneer je niet iedereen kent zoals in de jongerengroep meestal het
geval is. Ze kunnen zich wel voorstellen dat de groep de gelegenheid biedt om één op één advies te
vragen aan iemand in dezelfde situatie. Toch zal niet iedereen dit volgens hen durven.
Ook het genderteam biedt transgenderspecifieke zorg aan. Deze zorg beperkt zich echter tot de
medische kant van de transitie; genderteams hebben officieel niet de taak om psychosociale
hulpverlening te bieden (Doorduin & Van Berlo, 2012). De jongeren in dit onderzoek klopten niet bij
het genderteam aan met de vragen die zij hadden over seksualiteit. Dit kwam zowel door een
gebrek aan behoefte hiertoe als vanwege de hoge drempel die de jongeren ervoeren om hun
seksuele problemen daar te bespreken.
Het genderteam van de VU verwijst wel door naar therapeuten in het hele land die goed
geïnformeerd zijn over transgender. Dit was nog niet bij alle jongeren in dit onderzoek bekend. Het
openbaar maken van een lijst of adressenbestand met dit soort hulpverleners lijkt hen een goed
idee. Meningen verschilden of Rozehulpverlening.nl hiervoor een goede plek zou zijn; niet iedereen
voelt zich als transgender aangesproken door de term ‘roze’.
4.5
Hoe? Taalgebruik en vormgeving
4.5.1 Taalgebruik rondom identiteit: een dichotoom taalsysteem
Taal is sterk gegendered: ons taalsysteem gaat in grote mate uit van een dichotoom sekseonderscheid. Ook wanneer het niet expliciet over sekse gaat, verwijzen we door middel van
voornaamwoorden (hij/zij, hem/haar, zijn/haar) constant naar het geslacht van de personen over
wie we spreken. Dit levert soms ongemakkelijke situaties op voor transgenderjongeren en hun
omgeving. Tijdens hun rolwisseling vragen transjongeren aan de mensen om hen heen om hen met
een ander voornaamwoord aan te spreken. Een transman wil dan voortaan dat met ‘hij’ en ‘hem’
aan hem gerefereerd wordt, een transvrouw geeft de voorkeur aan ‘zij’ en ‘haar’ (zie ook paragraaf
2.3). Dit is voor de omgeving vaak een moeilijke omschakeling omdat zij hun bekende vaak nog niet
meteen ervaren als behorende bij het geslacht waarmee diegene zich identificeert. Door de fout in
te gaan met ‘hij’ en ‘zij’ wordt dit pijnlijk duidelijk. Voor transgenderjongeren die zich niet als
man óf vrouw identificeren, ligt dit nog gecompliceerder. Ons taalsysteem is niet ingesteld op
genderidentiteiten buiten man en vrouw, zodat taal tekort schiet om hun identiteit goed te kunnen
benoemen. Er zijn echter ook creatieve oplossingen, zoals de in de transgendergemeenschap
gebruikte genderneutrale voornaamwoorden ‘zhij’, ‘zhaar’ en ‘haam’.
Voor transgenderjongeren die zich jongen of meisje voelen, is het belangrijk dat zij ongeacht hun
lichaamskenmerken, fase in de transitie of genderexpressie toegang hebben tot die labels, omdat
die hen zo vaak worden ontzegd. Het is niet vanzelfsprekend dat zij door de buitenwereld worden
aangesproken in het geslacht waarmee zij zich identificeren. Zo moeten transgender jongens vaak
uitleggen dat zij gewoon jongen zijn ongeacht hun opvoeding en lichamelijke kenmerken. Ook
vonden deze jongeren het belangrijk dat er in het taalgebruik niet vanuit wordt gegaan dat hun
geboortegeslacht ook hun daadwerkelijke geslacht is geweest. Zo vindt een transjongen het
bijvoorbeeld vervelend wanneer wordt gezegd dat hij als meisje is geboren. Hij is namelijk als
jongen geboren, en is altijd al jongen geweest, maar kon dat pas later in zijn leven gaan
uitdrukken.
51
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Termen als ‘transgender’, ‘transseksueel’ of ‘genderdysfoor’, waarin de nadruk ligt op het anderszijn, vermijden deze jongeren graag. Wanneer het transgender-aspect toch benoemd moet worden,
verschilt het onderling sterk wat zij prettige en onprettige termen vinden:
‘Genderdysfoor’ wordt prettig gevonden omdat mensen daar vaak geen (negatieve)
associaties bij hebben, wat ruimte geeft om zelf uit te leggen wat het betekent. Op niet
alle jongeren is de term echter even goed van toepassing.
‘Gender’ of ‘genderjongere’ vinden een aantal jongeren een neutrale term, maar andere
geven aan dat het een vage term is die niet goed benoemt waar het over gaat.
‘Transseksueel’ vond men over het algemeen een onprettige term met veel negatieve
associaties. Wel is het een duidelijke term die veel mensen kennen.
‘Transgender’ vond een aantal jongeren een neutrale of prettige term; de één omdat het
niet zoveel negatieve associaties oproept, de ander omdat het precies omschrijft hoe zhij
zichzelf ervaart.
Niemand vond ‘travestiet’ een prettige term. De jongen die aan crossdressing deed, noemde
zich liever crossdresser vanwege de negatieve associaties van de term ‘travestiet’. De
andere jongeren zagen zichzelf niet als travestiet, maar werden door de buitenwereld wel
vaak ten onrechte zo benoemd.
Voor jongeren die zichzelf niet als man óf vrouw ervaren, liggen de voorkeuren voor taalgebruik
waarschijnlijk anders. De jongere in dit onderzoek voor wie dit gold, vond ‘transgender’
bijvoorbeeld een prettiger term om zichzelf mee te omschrijven dan ‘jongen’ of ‘meisje’.
In paragraaf 4.2.1 is al ingegaan op zelfbenoeming rondom seksuele oriëntatie en –identiteit. Hier
gold dat jongeren die zich man óf vrouw voelen over het algemeen gelabeld willen worden volgens
hun genderidentiteit: een transman die op vrouwen voelt is dus hetero, een transman die op
mannen valt is homo. Voor transjongeren die zich niet als man óf vrouw identificeren ligt dit weer
complexer.
4.5.2 Taalgebruik lichaam en seks: niet teveel benoemen
Hoe de jongeren over hun eigen lichaam dachten en het benoemden, verschilde onderling sterk.
Transgenderjongeren die (nog) geen hormoonbehandeling of operaties achter de rug hebben,
hebben lichaamsdelen die door hen zelf of door hun omgeving niet worden beschouwd als passend
bij hun genderidentiteit: transjongens kunnen bijvoorbeeld borsten en een vagina hebben,
transmeisjes (nog) geen borsten, maar wel een penis. Voor de transgender jongens die onvrede met
hun lichaam ervoeren, was het niet prettig om hun lichaam volgens de officiële termen hiervoor te
benoemen. Omdat woorden als ‘vagina’, ‘penis’, ‘borsten’, enzovoorts een sterke vrouwelijke dan
wel mannelijke betekenis hebben, is het confronterend om deze in verband te brengen met jezelf
wanneer je jezelf niet vrouwelijk dan wel mannelijk voelt. Om die reden vermeden een aantal
transgenderjongeren deze woorden voor lichaamsdelen zoveel mogelijk. Als het echt niet anders
kon, vonden zij gangbare termen als ‘vagina’, ‘clitoris’, enzovoorts. het meest duidelijk, maar
vonden ze het ook prettig om het neutraal te houden en het bijvoorbeeld over ‘geslachtsdelen’ te
hebben.
In het onderzoek onder volwassen transgenders (Doorduin & Van Berlo, 2012) werden nog andere
strategieën gebruikt om met de benoeming van lichaamsdelen om te gaan. Daar gaven een aantal
transgender mannen creatieve namen aan hun lichaamsdelen, zoals Mr. C voor een door hormonen
vergrote clitoris. Ook noemden ze hun vergrote clitoris soms hun ‘pik’ of hun ‘piemel’. Op die
manier benoemden ze hun lichaamsdelen niet alleen anders, maar herdefinieerden ze het ook: door
Mr. C te zeggen definieerden de clitoris bijvoorbeeld als een mannelijk lichaamsdeel. Dit gold niet
voor de jongeren uit het huidige onderzoek; zij kenden de term Mr. C wel, maar vonden het
enigszins belachelijk. Voor seksuele handelingen gebruikten de transgender jongens in dit onderzoek
wel graag woorden die overeenkomen met het man-zijn, ook al is hun lichaam voor een groot deel
nog biologisch vrouwelijk. Dus: ze noemen orale seks bij zichzelf niet beffen, maar pijpen, en
handmatige bevrediging is niet vingeren, maar aftrekken.
52
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Niet alle transgenderjongeren in het huidige onderzoek ervoeren gevoelens van onvrede met hun
lichaam. De jongeren voor wie dat gold vonden het geen probleem om hun lichaamsdelen en
seksuele handelingen op de gangbare manier te benoemen.
53
Gaat het ook over mij? De behoeften van lhbt-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
5
Conclusie
5.1
Beperkingen van dit onderzoek
Rutgers WPF, 2013
Dit onderzoek kent een aantal methodologische beperkingen. Zoals gebruikelijk in kwalitatief
onderzoek is met een kleine groep jongeren gesproken zodat er dieper op het onderwerp kan
worden ingegaan. Het gaat dan ook niet om een representatieve steekproef. De LHBT-jongeren
die aan dit onderzoek deelnamen wijken waarschijnlijk op een aantal kenmerken af van de
groep LHBT-jongeren als geheel. LHBT-jongeren die bereid zijn om in een focusgroep openlijk
over hun informatiebehoefte rondom seksuele gezondheidsthema’s te spreken zijn
waarschijnlijk een ‘voorlopersgroep’: zij zijn waarschijnlijk zekerder over hun identiteit en/of
oriëntatie, vaker uit de kast en beter in staat om over seksualiteit te praten en hierover
informatie te zoeken. De jongeren waren ook vaker hoogopgeleid dan de gemiddelde
bevolking.
Bij de transgenderjongeren was het aantal deelnemers ook naar de maatstaven van kwalitatief
onderzoek klein. Het is lastig transgenderjongeren bereid te vinden mee te doen aan dit soort
onderzoek, waarschijnlijk vanwege factoren als het kleine aantal transgenderjongeren die open
zijn over hun genderidentiteit, onderzoeksmoeheid, de gevoeligheid van het thema seksualiteit
en het niet steeds als transgender aangesproken te willen worden. Hoewel de uiteindelijke
deelnemers aan het onderzoek zeer verschillende identiteiten en achtergronden
vertegenwoordigden, is het niet gelukt om transgender meisjes bereid te vinden mee te doen
aan dit onderzoek. Hierdoor mist hun perspectief in het huidige behoeftenonderzoek, wat
vragen oproept over hun specifieke uitdagingen en behoeftes. Verschilt hun beleving van
seksualiteit van die van transjongens en andere transgenders? Zijn zij na hun rolwisseling
bijvoorbeeld, net als cisgender meisjes, kwetsbaarder voor seksueel geweld en
grensoverschrijding dan jongens?
In volgend onderzoek is het van belang om er bij de werving van transgenderjongeren rekening
mee te houden dat het relatief veel moeite kost jongeren uit deze groep bereid te vinden om
te participeren. In de formulering van wervingsteksten kan meer rekening worden gehouden
met de manier waarop veel transgenderjongeren hun eigen identiteit ervaren: meer als jongen
of meisje dan als transgender. Ook kan er in de wervingsteksten meer rekening mee worden
gehouden dat seksualiteit voor transgenderjongeren mogelijk een gevoeliger onderwerp is dan
voor cisgenderjongeren. Om onderzoeksmoeheid te voorkomen is de timing van volgend
onderzoek ook belangrijk. Nog nauwere samenwerking met transgenderorganisaties kan bij al
deze factoren van belang zijn.
5.2
Belangrijkste conclusies
Transgender-specifieke informatie ontbreekt, LHB-specifieke informatie kan beter
In dit rapport is verslag gedaan van een behoeftenonderzoek onder LHBT-jongeren over hun
behoefte aan informatie en hulpverlening rondom seksuele gezondheid. De uitkomsten van dit
onderzoek maken duidelijk dat zowel LHB- als T-jongeren behoefte hebben aan informatie over
deze onderwerpen waarin rekening wordt gehouden met hun specifieke situatie. Vooral voor
transgenderjongeren ontbreekt dit soort informatie nog grotendeels. Voor LHB-jongeren is deze
informatie al deels beschikbaar, maar zijn er een aantal onderwerpen geïnventariseerd
waarvoor meer aandacht en/of een andere benadering nodig zijn. Wat hulpverlening rondom
seksuele gezondheid betreft, geeft dit onderzoek aanwijzingen dat deze bij
transgenderjongeren nog sterk tekortschiet. Of de seksuologische hulpverlening voor LHBjongeren adequaat is, is moeilijker te zeggen op grond van dit rapport omdat jongeren en
deskundigen hierover verschillende inzichten hadden: jongeren verwachtten goed terecht te
55
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
kunnen in de reguliere hulpverlening, terwijl deskundigen hierover hun twijfels hadden. Wel
werd duidelijk dat LHB-jongeren meer laagdrempelige hulpverlening nodig hebben rondom hun
coming out dan zij op dit moment tot hun beschikking hebben, bijvoorbeeld van een
vertrouwenspersoon op school die al bekend en vertrouwd is. Privacy is hierbij belangrijk
vanwege het nog in de kast zitten.
Mainstream en doelgroepspecifieke kanalen beide van belang
Dit behoeftenonderzoek leverde een aantal inzichten op rondom de vraag of LHBT-jongeren het
beste doelgroepgericht of geïntegreerd in mainstream kanalen benaderd kunnen worden. Bij
LHB-jongeren verschilde deze benadering per fase in het coming outproces. Vóórdat zij van
zichzelf weten dat ze (ook) op hetzelfde geslacht vallen of zichzelf als homo, lesbisch of
biseksueel labelen, zijn zij logischerwijs het beste via mainstream kanalen te bereiken. Het is
in deze fase van belang dat zij een positief beeld ontwikkelen van het bestaan van seksuele
diversiteit, en dat ouders, media en school op een vanzelfsprekende manier aandacht hieraan
besteden. Eenmaal op de hoogte van hun LHB-gevoelens, maar nog wel in de kast zijn deze
jongeren vooral anoniem via internet goed te bereiken. Uit de kast zijn zij niet meer bang om
zichtbaar met de LHB-wereld te worden geassocieerd, al voelt niet iedereen zich even sterk
verbonden met de LHB-wereld. Een dubbele aanpak, zowel mainstream als doelgroepgericht,
werkt bij deze groep waarschijnlijk dan ook het beste. Transgenderjongeren geven de voorkeur
aan mainstream kanalen omdat zij zichzelf niet graag als uitzonderingsgroep beschouwen en/of
omdat zij principieel vinden dat genderdiversiteit in mainstream bronnen verweven moet zijn.
In hoeverre dit haalbaar is, is echter de vraag.
LHB en T: twee verschillende groepen met een aantal overeenkomsten
Transgenderjongeren en LHB-jongeren geven er beide de voorkeur aan om als twee
verschillende groepen te worden benaderd, maar een deel van hen ziet wel veel
overeenkomsten, voelt zich solidair met de andere groep en staat open voor gezamenlijke
initiatieven. Daarnaast vindt men het belangrijk om ook binnen de groep transgenderjongeren
en binnen de groep LHB-jongeren aandacht te hebben voor verschillen tussen jongens, meisjes
en ‘anderen’ en voor verschillen tussen seksuele oriëntaties. Biseksuele jongeren wezen op de
onzichtbaarheid en het bestaan van vooroordelen over biseksualiteit. Het is zaak dat in
informatie en hulpverlening richting LHBT-jongeren de balans tussen aandacht voor verschillen
en aandacht voor overeenkomsten tussen de groepen goed wordt bewaakt. Per interventie
moet worden bekeken hoe deze balans uitpakt en of de groepen het beste gezamenlijk of apart
kunnen worden benaderd.
Internet op nummer één
Dit onderzoek heeft een aantal concrete bronnen en kanalen boven tafel gehaald via welke
LHBT-jongeren het beste te bereiken zijn. Vooral internet vormt een belangrijke bron van
informatie voor jongeren. School zou volgens hen meer en beter aandacht moeten schenken
aan seksuele- en genderdiversiteit. De geïnterviewde jongeren verschilden onderling echter van
mening over de vraag of in de seksuele voorlichting ook aandacht moet worden geschonken aan
de specifieke informatiebehoefte van LHBT-jongeren rondom liefde, seks en relaties,
bijvoorbeeld wat veilig vrijen en seksuele handelingen betreft.
Sensitief taalgebruik is van belang
Tot slot heeft dit behoeftenonderzoek informatie opgeleverd over de manier waarop LHBT’ers
aangesproken willen worden en wat voor taalgebruik over lichamen en seksuele handelingen zij
prefereren. Er bestaan hierin echter veel individuele verschillen. Vooral bij
transgenderjongeren ligt taalgebruik gevoelig, omdat de erkenning van hun genderidentiteit
ermee staat of valt. Sensitief taalgebruik is bij deze groep sterk van belang.
56
Gaat het ook over mij? De behoeften van lhbt-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
6
Rutgers WPF, 2013
Referenties
Doorduin, T. & Berlo, W. van (2012). Een dubbel gevoel: Een pilotonderzoek naar
seksualiteitsbeleving en informatiebehoefte over seksualiteit van transgenders. Utrecht:
Rutgers WPF.
Drummond, K. D., Bradley, S. J., Peterson-Badali, M., & Zucker, K. J. (2008). A follow-up study of
girls with gender identity disorder. Developmental Psychology, 44, 34–45.
Graaf, H. de, Kruijer, H., Van Acker, J., & Meijer, S. (2012). Seks onder je 25e: Seksuele gezondheid
van jongeren in Nederland anno 2012. Delft: Eburon.
Graaf, H. de, Meijer, S., Poelman, J., & Vanwesenbeeck, I. (2005). Seks onder je 25e: Seksuele
gezondheid van jongeren in Nederland anno 2005. Delft: Eburon.
Franssens, D. & Hospers, H. (2009). Deelrapport 3 homojongenscohort outcomes. Maastricht:
Universitaire Press Maastricht.
Keuzenkamp, S. (2010). Steeds gewoner, nooit gewoon: Acceptatie van homoseksualiteit in
Nederland. Den Haag: SCP.
Keuzenkamp, S. (2012). Worden wie je bent: Het leven van transgenders in Nederland. Den Haag:
Sociaal en Cultureel Planbureau.
Keuzenkamp, S., Bos, D., Duyvendak, J.W., & Hekma, G. (2006). Gewoon doen: Acceptatie van
homoseksualiteit in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Keuzenkamp, S., Kooiman, N. & Van Lisdonk, J. (2012). Niet te ver uit de kast: Ervaringen van
homo- en biseksuelen in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Kuyper, L. (2012). Transgenders in Nederland: Prevalentie en attitudes. Tijdschrift voor
Seksuologie, 36, 129-135.
Meyer, I.H. (2003). Prejudice, social stress, and mental health in lesbian, gay, and bisexual
populations: Conceptual issues and research evidence. Psychological Bulletin, 129, 674-697.
Newton, Esther (1979). Mother camp: Female impersonators in America. Chicago: University of
Chicago Press.
Rutgers WPF (2013). Wat maakt het verschil? Diversiteit in de seksuele gezondheid van LHBT’ers.
Utrecht: Rutgers WPF.
Savin-Williams, R.C., & Cohen, K.M. (2007). Development of same-sex attracted youth. In I.H.
Meyer, & M.E. Northridge (Eds.), The Health of Sexual Minorities: Public health
perspectives on lesbian, gay, bisexual and transgender populations. New York, NY: Springer.
Schneider, M.S. (2001). Toward a reconceptualization of the coming-out process for adolescent
females. In A.R. D’Augelli, & C.J. Patterson (Eds.), Lesbian, Gay, and Bisexual Identities
and Youth. New York: Oxford University Press.
Steensma, T.D., Biemond, R., De Boer, F., & Cohen-Kettenis, P.T. (2011). Desisting and persisting
gender dysphoria after childhood: A qualitative follow-up study. Clinical Child Psychology
and Psychiatry, 16, 499-516. .
Testa, R.J., Sciacca, L.M., Hendricks, M.L., Goldblum, P. & Bradford, J. (2012). Effects of Violence
on Transgender People. Professional Psychology: Research and Practice, 43 (5), 452-459.
Van Bergen, D. & Van Lisdonk, J. (2011). Psychisch welbevinden en zelfacceptatie van
homojongeren. In S. Keuzenkamp (red.), Steeds gewoner, nooit gewoon: Acceptatie van
homoseksualiteit in Nederland. Den Haag: SCP.
Van Lisdonk, J. & Van Bergen, D. (2011). Ervaringen van homoseksuele en biseksuele jongeren. In S.
Keuzenkamp (red.), Steeds gewoner, nooit gewoon: Acceptatie van homoseksualiteit in
Nederland. Den Haag: SCP.
57
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Wallien, M. S. C., & Cohen-Kettenis, P. T. (2008). Psychosexual outcome of gender-dysphoric
children. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 47, 1413–
1423.
58
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
7
Rutgers WPF, 2013
Verklarende woordenlijst
Bicurious, bisgierig
Term die soms gebruikt wordt voor vooral vrouwen die (voornamelijk)
heteroseksueel zijn, maar openstaan voor homo- of biseksuele
gevoelens of hiermee experimenteren.
Borstoperatie
Operatie van VM’s waarbij het borstweefsel wordt verwijderd en de
tepels teruggeplaatst, op zo’n manier dat er een mannelijke borstkas
ontstaat.
Buikoperatie
Verwijdering van baarmoeder en eierstokken van VM’s, doorgaans via de
vagina. Als VM’s deze operatie achter de rug hebben, zijn ze
onvruchtbaar en mogen ze daarom juridisch hun geslacht wijzigen.
Cisgender
Iemand bij wie de huidige genderidentiteit wel overeenkomt met het
geslacht dat bij de geboorte is toebedeeld, en die dus niet transgender
is.
Coming out
Voor de eigen seksuele oriëntatie en/of genderidentiteit uitkomen
tegenover anderen.
Crossdresser (travestiet)
Iemand die een deel van de tijd, meestal in de privésetting, een
genderuiting heeft die anders is dan het geboortegeslacht. Meestal gaat
het om mannen die zich een deel van de tijd als vrouw kleden en uiten.
De genderidentiteit van crossdressers verschilt; sommigen voelen zich
geheel man, anderen voelen zich deels ook vrouw. ‘Crossdresser’ wordt
vaak opgevat als een prettiger term dan ‘travestiet’. Zie ook par. 4.5.1.
Drag queen
Homoseksuele mannen die zich voor de show als extravagante dames
verkleden.
Falloplastiek (‘fallo’)
Een geslachtsoperatie voor VM’s waarbij uit huid van bijvoorbeeld de
onderarm of onderhuids vetweefsel rond de buikwand een neofallus
wordt geconstrueerd die ongeveer even groot is als die van cisgender
mannen.
Gay
Wordt vaak opgevat als parapluterm voor homoseksuele mannen,
lesbische vrouwen en biseksuelen; een deel van de biseksuelen voelt
zich hierdoor echter niet aangesproken.
Gay Straight Alliance
Groep leerlingen en docenten op een middelbare school die
homonegativiteit op school aan de kaak stellen. Deelnemers kunnen van
alle seksuele oriëntaties zijn. Geïnitieerd en ondersteund door het COC.
Gender(jongere)
‘Gender’ is een ander woord voor ‘geslacht’ of ‘sekse’, waarbij niet
zozeer biologisch geslacht maar eerder genderidentiteit of de culturele
betekenis van geslacht wordt bedoeld. Onder transgenderjongeren
wordt ‘genderjongeren’ en ‘genders’ ook gebruikt als afkorting van het
woord ‘transgenderjongeren’. Zie ook par. 4.5.1.
Genderdysfoor
Zie ‘genderdysforie’. Voor een deel van de transgenders is
‘genderdysfoor’ een term die ze, liever dan ‘transgender’ of
‘transseksueel’, gebruiken om zichzelf te beschrijven. Zie ook par.
4.5.1.
59
Rutgers WPF, 2013
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Genderdysforie
Gevoelens van onvrede met het geslacht waarin men door de
buitenwereld wordt aangesproken en/of het gegenderde lichaam.
“Gender dysphoria” is daarnaast de nieuwe term voor de diagnose die
toegang geeft tot geslachtsaanpassende behandeling, zie ook
Genderidentiteitsstoornis.
Genderidentiteit
Van welk geslacht/gender iemand volgens zijn/haar gevoel of
overtuiging werkelijk is of zou moeten zijn. Dit staat los van
geboortegeslacht, juridisch geslacht en lichamelijke kenmerken.
Genderidentiteitsstoornis (Gender
Identity Disorder, GID)
De diagnose uit de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental
Disorders) die noodzakelijk is voor toelating tot de
geslachtsaanpassende behandeling. In de DSM-V zal niet meer over
genderidentiteitsstoornis worden gesproken, maar over genderdysforie.
Binnen de transgendergemeenschap staat diagnostisering van
transgenderidentiteiten middels de DSM ter discussie, omdat
transgender-zijn hierdoor als psychische ziekte wordt beschouwd.
Genderqueer
Transgender die zich niet als ‘man’ of ‘vrouw’ identificeert en vaak ook
kritisch tegenover de indeling in ‘man’ en ‘vrouw’ staat.
Geslachtsaanpassende
behandeling (GAB)
Het medische transitietraject waarin een transpersoon die door een
psycholoog gediagnosticeerd is, hormonen van het andere geslacht
inneemt en vaak ook operaties laat doen.
Geslachtsoperatie
(genitale operatie)
Een operatie (of meerdere operaties) waarbij de geslachtsdelen worden
omgevormd tot die van het andere geslacht.
Holebi
Parapluterm voor homoseksuele mannen, lesbische vrouwen en
biseksuelen.
LHBT
Parapluterm voor homoseksuele mannen, lesbische vrouwen,
biseksuelen en transgenders. Wordt in het Engels soms ook aangevuld
tot b.v. LGBTQI, waarbij de Q staat voor queer en de I voor intersex.
Metaidoioplastiek
(‘meta’)
Een genitale operatie bij VM’s waarbij de door testosteron gegroeide
clitoris wordt uitgerekt tot een kleine penis.
MV-spectrum
transgender (MV)
Transgender die als man is geboren, maar zich niet (geheel) als man
identificeert. MV staat voor ‘man-naar-vrouw’. Deze term omvat zowel
transmeisjes als MV-transgenders met een andere genderidentiteit.
Openminded
Term die soms gebruikt wordt door (vooral) vrouwen die hun seksuele
identiteit niet willen labelen of die (vooral) heteroseksueel zijn, maar
openstaan voor homo- of biseksuele gevoelens bij zichzelf.
Paarse Vrijdag
Initiatief van Gay Straight Alliances waarin iedereen die tegen
homonegativiteit is wordt opgeroepen om op een aangewezen vrijdag in
het jaar paars te dragen.
Passabel
Iemand die in transitie is (geweest), is passabel wanneer hij of zij door
onbekenden in het gewenste geslacht wordt herkend. Meestal houdt dit
in dat het transgender-zijn aan hem of haar niet zichtbaar is.
60
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
Queer
Term met veel verschillende betekenissen, waaronder: homo- of
biseksueel, iemand die qua seksuele oriëntatie, genderidentiteit en/of
genderexpressie niet in een hokje past, iemand die kritisch staat
tegenover heteronormativiteit.
Transgender
Iemand bij wie de huidige genderidentiteit niet overeenkomt met het
geslacht dat bij de geboorte is toebedeeld. Transgender wordt gebruikt
als ‘parapluterm’ waar verschillende categorieën en identiteiten onder
vallen, zoals ‘transseksueel’, ‘transgenderist’, ‘genderqueer’,
‘travestiet’, enz. Voor sommigen is het ook een omschrijving van een
genderidentiteit tussen/voorbij man en vrouw (‘transgender in de
smalle betekenis’). De transgenderjongeren in dit onderzoek zien dit als
een neutrale, prettige term, zie par. 4.5.1.
Transgenderist
Transgender die zich niet duidelijk als man of vrouw identificeert, maar
als anders, beide, of tussen man en vrouw in. Transgenderisten
verschillen in lichaamsbeleving en wens tot lichamelijke aanpassing.
Transitie
Het proces waarin een transgender persoon volgens het gewenste
geslacht gaat leven. Een transitie kan op allerlei terreinen plaatsvinden,
bijvoorbeeld sociaal, juridisch en medisch.
Transjongen
(transgender jongen)
Een transgender die zich als jongen identificeert, maar bij geboorte het
geslacht ‘vrouw’ werd toegewezen.
Transmeisje
(transgender meisje)
Een transgenderjongere die zich als meisje identificeert, maar bij
geboorte het geslacht ‘man’ werd toegewezen.
Transseksueel
Transgender die zich identificeert als het andere geslacht dan het
geboortegeslacht, een sterke wens heeft tot medische aanpassing van
het lichaam en meestal ook onvrede ervaart met het geboortelichaam.
‘Transseksueel’ heeft voor veel jongeren negatieve connotaties, zie ook
par. 4.5.1.
Vaginaplastiek
De geslachtsoperatie van MV’s waarbij een neovagina, clitoris en
schaamlippen worden geconstrueerd.
Zhij, zhaar, haam
Genderneutrale voornaamwoorden, die bijvoorbeeld gebruikt kunnen
worden voor transgenderpersonen die zich niet als man óf vrouw
identificeren. Ontstaan binnen de transgendergemeenschap vanwege
het ontbreken van genderneutrale voornaamwoorden in het reguliere
taalgebruik.
61
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
63
Rutgers WPF, 2013
64
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
65
Rutgers WPF, 2013
66
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
67
Rutgers WPF, 2013
68
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
69
Rutgers WPF, 2013
70
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
71
Rutgers WPF, 2013
72
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
73
Rutgers WPF, 2013
74
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
75
Rutgers WPF, 2013
76
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Rutgers WPF, 2013
77
Rutgers WPF, 2013
78
Gaat het ook over mij? De behoeften van LHBT-jongeren aan informatie en hulpverlening
rondom seksuele gezondheid
Download