De Djambi-opstand, Millenaristisch verzet in Indonesië Auteur

advertisement
Artikel: De Djambi-opstand, Millenaristisch verzet in Indonesië
Auteur: Lia van Wijk
Verschenen in: Skript Historisch Tijdschrift, jaargang 2.1, 38-51.
© 2014 Stichting Skript Historisch Tijdschrift, Amsterdam
ISSN 0165-7518
Abstract: Not available.
Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd en/of vermenigvuldigd zonder schriftelijke toestemming van
de uitgever.
Skript Historisch Tijdschrift is een onafhankelijk wetenschappelijk blad dat vier maal per jaar
verschijnt. De redactie, bestaande uit studenten en pas afgestudeerden, wil bijdragen aan
actuele historische debatten, en biedt getalenteerde studenten de kans om hun werk aan een
breder publiek te presenteren.
Een abonnement op Skript kost 20 euro per jaar. U kunt lid worden door het
machtigingsformulier in te vullen op www.skript-ht.nl. Ook kunt u een e-mail sturen naar de
redactie, dan krijgt u het machtigingsformulier thuisgestuurd. Losse nummers zijn
verkrijgbaar bij de redactie. Artikelen ouder dan een jaar zijn gratis te downloaden op
www.skript-ht.nl/archief.
Skript Historisch Tijdschrift • Spuistraat 134, kamer 558 • 1012 VB Amsterdam •
www.skript-ht.nl • [email protected]
- 38 -
DE DJAMBI-OPSTAND.MILLENARISTISCH VERZET IN INDONESIË
Lia van Mijk
In augustus 1916 brak in het gewest Djambi op het eiland Sumatra
een opstand uit tegen het Nederlandse Gouvernement. De opstand, aanvankelijk
door een kleine groep begonnen, duiirde drie maanden en sleepte uiteindelijk
duizenden mensen mee in het verzet. Er vielen +_ 500 doden en er uaren vele
geuonden; er uerden_+ 2000 arrestaties verricht. In totaal uerden 1738 mensen
veroordeeld met een gezamelijke straftijd van meer dan 200 eeuwen. Er werden
meer dan 50 straffen uitgesproken van 15 of 20 jaar dwangarbeid in de ketting.
(Het totale inwonergetal van het gewest bedroeg in die periode 205.000 mensen,
waarvan 108 blanken waren)(1)
De opstand was een prototype van de vele verzetsbewegingen die zich in de
gehele Indonesische archipel vooral in de tweede helft van de 19-de en het
begin van de 20-ste eeuw hebben voorgedaan. Deze bewegingen uaren gericht
tegen het verder doordringen van het Nederlandse bestuur in gebieden die
voordien in naam wel aan de Nederlandse souvereiniteit onderworpen waren,
maar in werkelijkheid autonome vorstendommen waren gebleven.
Deze verzetsbewegingen hadden veelal een millenaristisch karakter, d.u.z.
het waren tradionele sociale bewegingen die streefden naar een totaal nieuwe
wereld. De aard van dergelijke bewegingen bracht met zich mee dat er vaak
sprake was van een mengeling van politieke, economische en sociale motieven,
meestal in religieuze termen verpakt. De uiteindelijke oorzaak van het verzet,
op welke manier zich dat ook uitte, was altijd een verstoring van de traditionele verhoudingen en de daardoor opgeroepen weerstand tegen de veroorzakers
hiervan.
In dit artikel wil ik het millenaristische karakter van de opstand in
Djambi nader belichten en laten zien hoe dit verzet paste binnen het algemene
beeld van het Indonesische millenarisme. Daarvoor is het nodig om allereerst
een omschrijving te geven van millenarisme in het algemeen en de specifieke
uitingsvorm daarvan in de Indonesische samenleving. Vervolgens zal ik kort
de beweging in Djambi beschrijven, waarna uiteindelijk de millenaristische
aspecten van het verzet in Djambi behandeld zullen worden,
Millenarisme
Er bestaat vooral de laatste jaren veel aandacht voor de studie van
millenaristische bewegingen en er is vrij veel literatuur over beschikbaar.
- 39 -
In dit artikel kunnen slechts zeer beknopt enkele aspecten van het millenarisme behandeld worden. Voor een uitgebreide kennismaking met het begrip
millenarisme verwijs ik naar het artikel van Yonina Talmon in de "International
Encyclopedia of Social Sciences", waarin ook een bibliografie betreffende
dit onderwerp gegeven wordt. De"door mij gehanteerde omschrijving van
millenarisme is gebaseerd op de werken van Cohn, Hobsbwan, MUhlmann en
Talmon (2) .
Het begrip millenarisme vindt zijn oorsprong in de joods/christelijke
apocalyptische literatuur. De term millenarisme is afgeleid van "millennium",
een woord waarmee in het christelijk geloof het duizendjarig rijk werd aangeduid,
dat gevestigd zou worden met de tweede komst van Christus. In dit door Christus
gestichte godsrijk op aarde zouden heiligen en martelaren opstaan en in
volmaakt geluk leven als voorbereiding op de algemene opstanding der doden
en het Laatste Oordeel. Het begrip millenarisme heeft echter een veel ruimere
betekenis gekregen en wordt nu gebruikt voor allerlei sociale bewegingen
met een religieus karakter door welke de huidige wereld als slecht verworpen
wordt en bij welke het idee van een totaal nieuwe en volmaakte wereld centraal
staat. Millenaristische bewegingen zijn revolutionair van aard, ze proberen
niet om beperkte verbeteringen in de bestaande wereld aan te brengen, maar
verwerpen deze in haar geheel.
Behalve het revolutionaire karakter van millenaristische bewegingen zijn
er nog een aantal belangrijke elementen die gezamenlijk het 'eigen' karakter
van millenarisme bepalen. Millenaristische bewegingen zijn aards, d.w.z. men
verwacht de perfecte wereld in het huidige bestaan en niet in het hiernamaals.
Daarnaast zijn ze collectief, m.a.w. de verlossing zal zich uitstrekken tot
de groep trouwe gelovigen als geheel en zich niet beperken tot het individu.
De millenaristen verira.chten bovendien dat de verlossing spoedig en plotseling
zal komen. Daar de komst van deze God en Eindtijd gepaard zou gaan met
allerlei rampspoed had dit tot gevolg dat men allerlei zich voordoende
calamiteiten als tekenen zag van een op handen zijnd millennium, hetgeen de
spanning onder de bevolking vaak sterk vergrootte. Als laatste algemeen
kenmerk wil ik nog het zogenaamde "miraculeuze" aspect noemen: men verwacht
dat het millennium met behulp van bovennatuurlijke krachten tot stand zal
komen.
Zoals gezegd zijn millenaristische bewegingen religieus van aard.
Dit hangt samen met de geringe mate van gedifferentieerdheid van traditionele
agrarische samenlevingen. Alle aspecten van het leven zijn in dergelijke
- 40 -
samenlevingen nog nauw met elkaar verbonden. Sociaal protest wordt hier vaak
op religieuze wijze geuit.
Vaak treedt in het millenarisme een leidersfiguur sterk op de voorgrond,
•Dit houdt verband met het messianistische karakter van zeer veel millenaristische
bewegingen: het millenium zal tot stand gebracht worden door een verlosser.
De millenaristen groeperen zich rondom een leider die zichzelf uitroept of
door zijn volgelingen uitgeroepen wordt tot messias.
Een ander aspect in veel millenaristische bewegingen is het nativistische.
Onder nativistisch wordt verstaan het streven van onder vreemde overheersing
staande bevolkingsgroepen zich af te zetten tegen deze vreemde overheerser
door het verworpen van zijn cultuurelementen. Men probeert het eigen groepsgevoel
te versterken of te herstellen door het naar voren te schuiven van de 'eigen'
of als 'eigen' ervaren cultuurelementen.
Uit de literatuur over millenarisme wordt duidelijk dat millenaristische
bewegingen zich vooral voorgedaan hebben in maatschappijen of bij bevolkingsgroepen die als gevolg van grote sociale, economische en politieke veranderingen
in een overgangsstadium verkeerden. De verstoring van het evenwicht in de
maatschappij door het verval van aalerlei traditionele banden, zoals
dorpssolidariteit, verwantschapsbanden e.d, veroorzaakte verlies van veiligheid
en zekerheid. Als in dergelijke periodes van grote sociale onrust dan nog
allerlei rampspoed voorkwam, zoals bijv, hongersnood of epidemieën, dan was
de bevolking zeer vatbaar voor millenaristische verwachtingen. Een belangrijke
factor bij het ontstaan van millenaristische bewegingen is dan ook nog het
feit dat de bevolkinsgroepen waar het hier om gaat weinig konden doen om hun
situatie te verbeteren. Men miste, de middelen om op meer rationele wijze
de crisissituatie aan te pakken en de eigen belangen te verdedigen,
In dergelijke situaties stond dan vaak een profeet op, die het volk spoedige
totale verlossing van alle lijden beloofde en haar voorhield dat men een
missie te vervullen had in het tot stand brengen van die verlossing, (3)
Millenarisme in Indonesië
Er hebben zich de hele geschiedenis door vele millenaristische bewegingen
in Indonesië voorgedaan, Millenarisme vfas vooral een typische vorm van protest
tegen de toenemende westerse druk in de 19-de en 20-ste eeuw. Het kwam overigens
in Indonesië niet alleen voor tijdens de periode van koloniale overheersing
door Nederland, maar \je.l is het verschijnsel pas goed zichtbaar geworden
_ AJ _
doordat het door de koloniale autoriteiten werd opgetekend.
Het beknopte beeld van millenarisme zoals dat in de vorige paragraaf
is gegeven, is in zijn algemeenheid ook van toepassing op het Indonesisch
millenarisme. Enkele aspecten verdienen echter nog wat meer aandacht omdat
ze sterk naar voren komen in het Indonesische millenarisme en veel duidelijk
maken omtrent het millenarisme in de Djambi-opstand.
Zoals gezegd ging millenarisme vaak gepaard met messianisme, In Indonesië
bestonden (en bestaan nog) rond dit verlossersbegrip twee tradities. De ene
traditie was die rond de komst van de "Ratu Adil", de Rechtvaardige Vorst.
Deze Ratu-Adllverwachting was afkomstig uit de hindoeïstische traditie en
was vooral op Java zeer sterk. De Ratu Adil zou het volk bevrijden van
alle ongeluk en kwaad en er zou een nieuw tijdperk komen met ongekende
materiele welvaart en geestelijk welzijn.
Naast deze Ratu-Adilverwaohting was onder invloed van de islam de
Mahdi-verwachting opgekomen. De Mahdi is de messiasflguur uit de mohammedaanse
millenaristlstlsche traditie. Deze "Iman Mahdi" zou opstaan om het geloof
te zuiveren, de heerschappij van de islam over heel de wereld te vestigen
en een rijk van vrede, geluk en rijkdom te stichten. Deze beide messiastradities zijn in de loop der tijden sterk met elkaar verweven geraakt en
vaak nauwelijks van elkaar te scheiden.
Zeer belangrijk in het Indonesische millenarisme was het nativistische
element: bij de millenaristen leefde sterk de idee dat men de blanke
overheersers zou kunnen verdrijven en de gevolgen van hun heerschappij
zou kunnen uitwissen. Men wilde de oude toestand van voor de komst van
de Europeanen herstellen. Dit nativisme werd nog versterkt door de
"Heilige-Oorloggedachte". Het verdrijven van de vreemde ongelovige
(d,w.z,
niet-mohammedaanse) heersers werd geplaatst binnen de grote strijd die
alle mohammedanen moesten voeren tegen alle ongelovigen. Zeer sterk was
de verwevenheid tussen religieuze en wereldlijke zaken in Indonesië,
De hele cultuur was doordrenkt met magische en mystieke elementen. De
uitingsvormen van sociaal protest werden hierdoor in hoge mate bepaald.
Het leiderschap van millenaristische bewegingen in Indonesië kwam
grotendeels voort uit de niet-officiële religieuze dorpselite van hadji's,
goeroes en kjai's, Hadji's waren vrome mohammedanen die de pelgrimstocht
naar Mekka hadden afgelegd. Zij genoten om die reden veel aanzien onder
de bevolking. Goeroes en kjai's waren religieuze leiders en leraren die
- 42 -
binnen het kader van de tarekats
pesantrens
(mystieke broederschappen)
(religieuze dorpsscholen)
en de
de mohammedaanse geloofspraktijken
beoefenden en onderricht gaven in een mystiek getinte geloofsleer die goed
aansloot bij traditionele mohammedaanse geloof van de bevolking, waarin
al van oudsher tot de oorspronkelijke hindoïstisoh-animistische cultuur behorende mystieke en magische elementen waren opgenomen. De kjai's en goeroes
stonden in hoog aanzien bij de bevolking. Zij bezaten een charisma dat gebaseerd was op hun grote heiligheid en op hun kennis van de "ilmoes", de
magische wetenschappen. Onder leiding van de kjai's en goeroes werden hun
volgelingen ingewijd in de geheime kennis van de ilmoes. Het doel hiervan
was het verkrijgen van een ware godskennis en het verwerven van allerlei
magische eigenschappen zoals onzichtbaarheid en onkwetsbaarheid. Naast hun
leraarschap vervulden de goeroes en kjai's ook vaak de functie van genezer
in de dorpen.
Ook de kjai's en goeroes hadden vaak de pelgrimstocht naar Mekka volbracht, waardoor hun geestelijke horizon zich verruimd had tot buiten de
lokale kring. Tot dit laatste droeg ook het reizend bestaan bij dat veel
van hen voerden. Ze trokken langs de verschillende beroemde pesantrens waar
in hoog aanzien staande leermeesters verbleven, op zoek naar nog diepere
wijsheid.
De invloed van deze hadji's en goeroes op de lokale gemeenschap was meestal zeer sterk. Zij werden door de totale dorpsbevolking als leiders gezien
en daarnaast onderhielden zij een zeer sterke band met hun murids (discipelen) ; aspirant-volgelingen moesten een eed van trouw en onvoorwaardelijke
Tarekats waren broederschappen die als doel hadden het verwerven van de ware
godskennis via de door hun stichter aangegeven weg (tarlkah). Daartoe werd
meestal het naleven van zeer vrome regels en een strenge moraal vereist, dit
alles onder leiding van een goeroe of kjai, In de loop der tijden had in de
tarekats een aanpassing aan de omringend vclksreligies plaatsgevonden en de
oude eisen betreffende kennis en orthodoxie van de mohammedaanse geloofsleer
en wetten waren voor een groot deel verwaterd, zovel voor leraren als leerlingen. (4)
Een pesantren was een religieuze dorpsschool waar uit allerlei
streken afkomstige leerlingen, santri's of murids genaamd, bij elkaar woonden
om onder leiding van êên of meerdere goeroes de geloofsleer, wetten en mystiek van de Islam te bestuderen. De grotere pesantrens bestonden uit een complex van gebouwen: de woningen van de leraren en hun gezinnen, de schoolgebouwen en de onderkomens van de leerlingen. De duur van het:onderwijs varieerde van twee tot tien jaar en in deze periode werden vooraldoor de langer studerenden vaak meerdere pesantrens bezocht om kennis te nemen van het
onderricht van de aldaar leidende goeroes. (5)
^'•>^
- 13 gehoorzaamheid aan hun leermeester afleggen.
Dit intellectuele en politieke leiderschap in de dorpsgemeenschappen
werd echter in gevaar gebracht door de toenemende bemoeienis van het Nederlandse Gouvernement met bestuurszaken op lokaal niveau. De religieuze leiders zagen zich hierdoor in hun positie bedreigd en gebruikten vaak hun invloed om verzetsbewegingen tegen het Nederlandse gezag op gang te brengen.
Zij wierpen zich op als behoeders van de traditionele maatschappij en gebruikten hun tarekats en pesantrens als organisatorische bases van verzet.
Hun afwijzende houding strekte zich daarbij niet alleen uit tot de vreemde
westerse overheersers, maar ook tot de eigen Indonesische elite die met de
koloniale heersers samenwerkte. (6)
De Djambi-opstand
Na deze inleiding over
(Indonesisch) millenarisme kom ik nu aan de ver-
zetsbeweging in Djambi zelf. Allereerst een kort overzicht van de gebeurtenissen die zich in 1916 in het gewest hebben afgespeeld.
Het Djambische verzet brak eind augustus 1916 uit in Moeara Tembesi,
een van de zeven afdelingshoofdplaatsen van het gewest. Het begon met een
aanval op de politie en het in brand steken van de politiekazerne, waarbij
enkele politiemannen gedood werden. Vervolgens werd de gevangenis geopend
en alle gevangenen vrijgelaten en werden er een aantal bestuursgebouwen in
brand gestoken. Enkele dagen lang waren de opstandelingen heer en meester
in de afdelingshoofdplaats en de omringende dorpen. Zij dwongen iedereen
in de omgeving op straffe van de dood of confiscatie van bezittingen, lid
te worden van de verzetsbeweging. Daartoe gebruikten zij de Sarekat Islam,
een mohammedaans-nationalistische vereniging , die zij omvormden tot verzetsorganisatie . In de twee volgende weken breidde het verzet zich snel uit
naar andere delen van het gewest en ook naar de afdeling Rawas in het buurgewest Palembang. Deze snelle verbreiding was grotendeels te wijten aan de
T)e Sarekat Islam (S.I.) was een in 1912 op Java opgerichte handelsvereniging, die al snel grote aanhang bij de boeren en arbeiders had gekregen,
waarbij het handelskarakter op de achtergrond was geraakt en het geloof de
verenigende kracht was geworden. De S,I, speelde een belangrijke rol in de
bewustwording van de boerenmassa's in Indonesië, die bij haar steun zochten
voor het wegnemen van allerlei grieven, In Djambi waren tussen 1912 en 1916
een aantal S,I.-verenigingen opgericht, die een grote toeloop van leden
hadden. (7)
L
uinertie van het militair gezag.
Verschillende van de zeven afdelingshoofdplaatsen die het gewest telde , werden één of meerdere malen door menigten van 2 ê 300 0 opstandelingen
aangevallen. In de afdelingshoofdplaats
Sarongaloen Djambi leidde dit tot
de dood van de controleur (Nederlands bestuursambtenaar) en alle Inheemse
bestruursambtenaren. De andere aangevallen bestuursplaatsen hadden hun verdediging beter kunnen voorbereiden en waren in staat geweest de aanvallers
af te slaan.
Inmiddels was er door het Nederlandse Gouvernement een militaire tegenactie op gang gebracht. Vanuit Java werden enkele compagnieën infanterie
gestuurd en er werr^en versterkingen uit de buurgewesten van Djambi naar het
opstandige gebied gedirigeerd. Deze troepen ondervonden betrekkelijk weinig
tegenstand en eind oktober was de rust grotendeels hersteld. (8)
Opgeschrikt door de gebeurtenissen in Djambi, stuurde het centrale bestuur
op Java begin 1917 een onderzoeker naar het gewest. Op basis van diens rapport en op grond van rapporten van enkele andere adviseurs
(9) kon geconclu-
deerd worden dat de oorzaken van de onrust grotendeels gezocht moesten worden
bij het Nederlandse bestuur zelf. Er werd gewezen op de slechte belastingregelingen; in veel gevallen was de belastingaanslag in de jaren voor de opstand veel te hoog geweest. Men had geen rekening gehouden met de slechte
economische toestand juist in die periode. Er waren zeer vernederende maatregelen genomen om achterstallige belastingen te innen. In 1915 was bijv.
in Rawas, een afdeling van het buurgewest Palembang die ook in de opstand
betrokken werd, het mmest gebruikte inningsmiddel het met ontbloot bovenlij f
en hoofd urenlang in de zon laten zitten van achterstallige betalers. Dit
middel was door de controleur zelf toegepast. Ook waren 'wanbetalers' soms
dagenlang gebonden meegevoerd en varen hun bezittingen eigenmachtig in beslag genomen
en verkocht door de in dienst van het Gouvernement staande
hoofden die belast waren i..et innen van de belastingen. (10)
Ook kwamen er vele wantoestanden met betrekking tot
het licht, Hei-endiensten waren werkzaamheden
de herendiensten aan
(zoals het aanleggen en onder-
houden van wegen en bruggen), die de bevolking zonder vergoeding voor het
bestuur moest verrichten.
In enkele afdelingen was er sprake van 8 0 t 100
dagen herendienst per jaar.(11)
Een andere klacht betrof de vele in de
ogen van de bevolking vaak zinloze werkzaamheden, zoals het uittrekken van
grassprietjes op het erf van de controleurswoning, of het verhogen en verbreden van wegen waar de bevolking zelf geen gebruik van maakte omdat zij
- ^5 -
zich via de rivieren verplaatste. Er werden bovendien allerlei verordeningen uitgevaardigd, die goed bedoeld en in het belang van de bevolking waren, maar door de Djambiërs zelf heel anders werden ervaren, In een aantal
doesoens in Rawas werd bijvoorbeeld door de inwoners het mislukken van oogsten in 1914 en 1915 toegeschreven aan een ongeveer zeven jaar tevoren ge nomen beslissing van het bestuur. Deze beslissing hield in dat de rijstschuren uit de doeoen moesten worden verwijderd en buiten de omheining
moesten worden geplaatst, zodat bij brand in de doesoen de voorraadschuren
gespaard konden blijven.
De inwoners
van deze dorpen geloofden nu dat de
geesten der voorvaderen vertoornd waren over de verplaatsing van de schuren,
omdat dit in strijd was met de adat . Dergelijke op zich nuttige maatregelen
werkten dus veel weerstand op. (12)
De achterliggende oorzaak van bovengenoemde mis(ver)standen was de vervreemding tussen het Nederlandse bestuur enerzijds en de bevolking met haar
oorspronkelijke adathoofden anderzijds. Er hadden vele bestuurswisselingen
in het gewest plaatsgevonden en de op het tijdstip van de opstand in functie
zijnde ambtenaren bleken nauwelijks tegen hun taak opgewassen te zijn. De in
bet gewest aangestelde controleurs bleken grotendeels jong en onervaren te
zijn en waren herhaaldelijk overgeplaatst, zodat zij geen tijd hadden om
in de plaatselijke toestanden ingewerkt te raken. Dit laatste gold ook voor
de residenten: binnen de afgelopen zeven jaren waren vier verschillende residenten aan het bewind gekomen, waarvan de laatste drie beschreven werden
als ver beneden de middelmaat staande bewindslieden.
(13)
Deze veelvuldige wisselingen in het bestuur en de verkeerde keuze van
bestuurders hadden minder ernstige gevolgen met zich mee hoeven brengen, als
men niet door de invoering van een nieuw districtsbestuur in I9I2 aan de
inheemse adel haar bemiddelende rol ontnomen had .
ï In 1906 werd in Djambi het direct bestuur ingevoerd. Daaraan was een lange
periode voorafgegaan waarin het Nederlandse Gouvernement in naam souverein was,
maar geen daadwerkelijk gezag had. De kontakten met het Nederlands bestuur
werden onderhouden met schijnsultans terwijl de feitelijke macht werd uitgeoefend door de in 1858 van de troon verjaagde Sultan Taha. Pas na een militaire expeditie van 1901-1907 in het gebied kwam een einde aan deze situatie.
Taha en enkele van zijn felste medestrijders sneuvelden en de overige Djamblsche edelen werden onder Nederlands toezicht gesteld. Het gewest werd verdeeld in een aantal districten die goed aansloten bij de in een groot gedeelte
van Djambi al bestaande adatgemeenschappen. De adathoofden van deze gemeenschappen werden benoemd als districtshoofden. Het waren deze hoofden die in
1912 ontslagen werden of gedegradeerd werden tot ondergeschikte van nieuw aangestelde districtshoofden, die allen van buiten Djambi kwamen en door de
bevolking gewantrouwd werden.
- il6-
Door deze degradatie ontstonden diepe wrokgevoelens bij de Djambische
adel en ook bij de bevolking veroorzaakte het aan de kant zetten van haar
traditionele bestuurders ontevredenheid. Een belangrijke mogelijkheid
kontakt te houden met de bevolking en op de hoogte te blijven van wat daar
leefde, was met de aanstelling van de nieuwe, vreemde districtshoofden
afgesneden.
(H )
Naast een falend bestuur kan als oorzaak genoemd worden de zeer slechte
economische toestand van het gewest in de jaren die aan de opstand vooraf
gingen. In de jaren 1914--1916 waren op veel plaatsen in het gewest de
rijstoogsten mislukt. In diezelfde periode daalden ook de inkomsten uit
de inzameling van bosprodukten als gevolg van de stagnerende export. Economische veranderingen in het gewest, zoals de opkomst van de rubbercultuur sinds 1912, brachten aan klein deel van de bevolking wel welvaart,
maar dit ging ten koste van de verbouw van voedselgewassen. In tijden van
slechte oogsten wreekte zich dit. (15)
De millenaristische aspecten van de Djambi-opstand
Het millenaristische karakter van de verzetsbeweging in Djambi kwam
tot uiting in het leiderschap, de doeleinden en de manier waarop men die
doelen trachtte te verwezenlijken.
Centraal staan de verwachtingen rond de komst van de Imam Mahdi, de uiteindelijke verlosser; een komst die vooraf gegaan zou worden door een
Heilige Oorlog. De leider van de opstandelingen in Rawas verklaarde aan de
bevolking dat hij de afgezant van de Imam Mahdi was en alle gelovigen moest
onderwerpen.
Ook eerder was door opstandelingen geroepen dat de Mahdi ge-
komen was en dat men daarom alle ongelovigen moest vermoorden.
(16)
Volgens de opstandelingen zou de strijd zich niet beperken tot Djambi,
maar zich over de gehele archipel uitstrekken en onderdeel zijn van een
"prang alam", een wereldoorlog tussen mohammedanen en niet-moharamedanen.
Het werd aldus verwoord:
Nu het geschikte oogehblik is aangebroken hebben wij
van den Vorst van Turkije het bevel gekregen om alle
ongeloovigen die zich aan hunne zijde scharen om te
te brengen, terwij l de Vorst van Tiffkije in de landen
overzee zelf tegen de ongeloovigen strijd voert. (17)
-4.7-
In de ideologie van de beweging kwam het mlllenarlstische karakter sterk
naar voren. Het doel dat door de opstandelingen nagestreefd werd, was de
stichting van een eigen mohammedaans rijk onder een inheems-mohammedaans
vorst. De beweging kan hierdoor als natlvlstisch gekenschetst worden. De
Europese bestuurders moesten verdreven worden, evenals de Indonesische
ambtenaren en andere personen die zich in de ogen van de bevolking gecompromitteerd hadden door hun diensten aan de vreemde overheerser.
Men wilde
kennelijk herstel van het oude Sultansbestuur, Op een vergadering die aan
het begin van de opstand in Tembesi werd gehouden en die werd bijgewoond door
ongeveer 200 mensen werd het als volgt gezegd:
Weet gij allen, dat wij ons land uit handen der Compagnie hebben bevrijd, en thans weer onder het bestuur
van onze eigen vroeger vorsten zullen terugkeren, (18)
Er werd in deze plaats door de opstandelingen een ceremonie gehouden, waarbij enkele leiders zich aan de bevolking presenteerden als uit de dood herrezen Radja's of vorstenzonen. Een der opstandelingen deed zich voor als
Sultan Taha
(een der laatste Djambische sultans) en verklaarde dat hij het
bestu;ir overdroeg aan zijn zoon Raden Mattahir, die als Sultan de titel zou
voeren van Sri Maharadja Batoe, Aan de hand van een litteken in de hals
van de pseudo—maharadja werd de bevolking er van overtuigd dat dit inderdaad de echte uit de dood herrezen Raden Mattahir was; de echte Mattahir was
een aantal jaren eerder in zijn strijd tegen het Nederlandse bewind door militairen met een steek in de hals gedood,
(19)
Meerdere verzetslieden namen de namen aan van gestorven edelen. Dit magische element van opstanding uit de dood van voormalige leiders van het
volk werkte op de bevolking als een stimulans om aan de beweging deel te
nemen. Zo bracht bijvoorbeeld een van de verzetsleiders in een deel van het
gewest de mensen tot grote opwinding
(,.,) door aan de goedgeloovlgen te vertonen een oud
versleten baadje, zg, van Mattahir en waarin een gat,
naar men zeide in het gevecht opgeloopen de wonderbaarlijkste afkomst van den herleefden Mattahir demonstreerde. De soep van het jasje gekookt, werd aan
de aangeworven bendeleden als heildrank verstrekt, (20)
Allerlei andere magische elementen speelden eveneens een rol in het verzet:
de lidmaatschapskaarten van de Sarekat Islam werden als amuletten op de borst
- 48 -
gedragen en van een van de leiders werd gezegd dat hij de macht bezat om
bij anderen het vermogen tot vliegen in te blazen,
(21)
In Rauas werden
de aspirant-opstandelingen eerst vier dagen lang door enkele goeroes ingewijd in geheime onzichtbaarheids- en onkwetsbaarheidsmethodes, alvorens
een aanval op de bestuursplaats te ondernemen. (22)
Zoals in zoveel Indonesische millenaristische bewegingen werd ook in
Djambi een tarekat als organisatorische basis gebruikt in de opstand en
waren het de goeroes en hadji's die via hun aanzien en hun grote invloed
de bevolking tot verzet wisten aan te zetten.
Drijfkracht achter de opstand in Djambi was de tarekat of Sarekat Abang .
Deze mystieke broederschap was waarschijnlijk afkomstig uit Atjeh en had
zich rond 191^ over delen van Zuid-Sumatra verspreid. Deze Sarekat Abang,
die aanvankelijk in leer en voorschriften niet tegen de bestaande orde
gericht was en daarom ook nooit de aandacht van het bestuur had getrokken,
had zich rond 1914- in Palembang onder invloed van twee hadji's ontwikkeld
tot een tarekat die wel niet direct de heilige oorlog tot doel had, maar
deze wel als nabije toekomstbeeld afschilderde waarop men zich met behulp
van de tarekat kon voorbereiden. De aanhang was snel gegroeid, vooral in de
afdeling Rawas, waar de Sarekat Abang een vruchtbare voedingsbodem vond door
het wanbestuur van de aldaar in functie zijnde controleur. Vanuit Rawas had
de tarekat zich eind 1915 naar Dajmbi verspreid, waar zij midden 1916 de instiga.tor van de opstand werd. (23)
In het verzet in Djambi fungeerde de Sarekat Abang als organisatiebasis.
In de Sarekat-Abangleer ingewijdenen werden als stoottroepen gebruikt; via
goeroes van deze tarekat die als afgezanten door de hoofdleiders van het
verzet werden uitgezonden, verspreidde de beweging zich door het gewest.
Het leiderschap kwam grotendeels uit de Sarekat Abang voort. In veel van
de bronnen betreffende de opstand werd een belangrijke rol in het verzet
toegerekend aan de Sarekat Islam. De reden hiervoor was gelegen in het feit
dat om aanhang voor de opstand te mobiliseren, enkele door de Sarekat Abang
gemachtigde personen heir en daar verzetsorganisaties oprichtten die meestal
*In
navolging van de succesvolle Sarekat Islam was de tarekat Abang zich in
1912 Sarekat Abang gaan noemen (sarekat is vereniging) , zonder dat dit
overigens gevolgen had voor de organisatie of leer.
- W) -
als Sarekat-Islainverenigingen werden opgezet. De Sarekat-Abangleiders
maakten op deze manier gebruik van de populariteit van de sinds 1915 op
Zuid-Sumatra sterk in opkomst zijnde Sarekat Islam, Degenen die geen lid
wilden worden van deze aldus op lokaal niveau tot verzetsbeweging omgevormde Sarekat Islam, werden bedreigd met de dood,
(2A)
Conclusie
Samenvattend kunnen we stellen dat de hierboven beschreven Djambi-opstand het typische beeld oplevert van een millenaristisohe beweging in
Indonesië. Het nativistische element kwam sterk naar voren in de vorm van
een teruggrijpen naar een gemeenschappelijk gouden verleden, dat er voor
de komst van de vreemde overheersers geweest zou zijn. Het messianistische
aspect vEis te zien in de verwachtingen rond de komst van de i-echtvaardige
vorst, in dit geval de Imam Mahdi, Ook het idee van een Heilige Oorlog,
waarin de komst van de Verlosser voorbereid moest worden, was aanwezig, In
de vierde plaats zagen we dat het leiderschap van de beweging werd uitgeoefend door de goeroes van de Sarekat Abang, die hun tarekat gebruikten om
de bevolking tot verzet te krijgen en dit verzet over het gehele gewest te
verspreiden. Andere millenaristische elementen waren het vijandig optreden
tegen hen die zich niet bij de beweging aansloten en het gebruik van allerlei magische middelen, zoals amuletten, toverspreiiken e,d, . De millenaristslohe verwachtingen ontstonden juist in een periode van overgang in het
gewest die bovendien gepaard ging
met zeer slechte economische omstandig-
heden .
Vooral dit laatste punt is belangrijk om inzicht te krijgen in de uiteindelijke oorzaken van de opstand. Uit de bronnen valt duidelijk op te maken dat de achtergronden van het verzet gezocht moeten worden in de veel te
snelle confrontatie van het gebied met de westerse cultuur.
Tot ongeveer 1900 was weinig aandacht aan het gebied besteed. Dit veranderde door de nieuwe politiek die het Gouvernement op Java op grond van allerlei economische, politieke en sociale motieven ging voeren ten aanzien van
de Buitenbezittingen, de eilanden buiten Java en Madoera, In Djambi werden
bovendien in deze periode rijke bodemschatten ontdekt. Dit alles had tot gevolg dat men een gebied dat tot dan toe nauwelijks in aanraking was geweest
in snel tempo economisch en politiek trachtte te moderniseren. De traditionele samenleving werd hierdoor ernstig verstoord en er deden zich allerlei
- 50 -
acculturatleproblemen voor. Oude zekerheden verdwenen en een groot deel
van de bevolking ging er in economisch en sociaal opzicht op achteruit.
Van de kfent van het Nederlands bestuur wer weinig gedaan om de gevolgen
van dit acculturatieproces wat te verzachten; men had integendeel de onzekerheid van de bevolking alleen nog vergroot door allerlei voor de bevolking onbegrijpelijke en vaak vernederende maatregelen.
De desoriëntatie die als gevolg van het verloren gaan van traditionele
verhoudingen ontstond, riep een reactie op om dit verstoorde evenwicht te
herstellen. En zoals in zovele pre-moderne samenlevingen uitte deze reactie
zich in de vorm van een millenaristische beweging.
Noten;
1. Aroen, Nog altijd Djambi. In: Het Vrije Woord 3 (1917/1918), III, p.38.
Archief van het Departement van Koloniën (APK) te 's-Gravenhage, Verbaal V
17-1-18-1, telegram van de Gouverneur Generaal aan de Minister van
Koloniën dd. 16-11-17; mailrapport 24.22, Rapport van Liefrinck over Djambi
1.
2. Cohn (Borman), The pursuit of the millenium. Revolutionary millenarians
and mystical anarchists of the Middle Ages. Revised and enlarged edition.
New York 197 6 (1957 ) , pp. 52-71, 118-281. ; Hobsbawm (E.J.) , Primitive
Rebels . Studies in arcliaic forms of social movement in the 19th. and
20th. centuries. Reprinted with the addition of a new preface and minor
amendments. Manchester 1971 (1959 ), pp. 1-107.; Ghiliasmus und Nativismus . Studiën zur Psychologie, Soziologie und historischen Kasuïstik der
Umsturzbewegungen. Ed. W.E. MUhlmann. Berlin 1964 (I96l'), Vergleiohender
Teil, pp. 262-424 . ; Talmon (Yonina) , Millenarism . In: International
Encyclopedia of Social Sciences, vol . 10, pp . 349-362 .
3. Cohn, Introduction, pp. 53-60, 63, 281-235; Hobsbawm, p.57. ; MUhlmann,
Vorwort.; Talmon, pp. 349-385.
4. Encyclopedie van Nederlandsch Oost-Indië. tweede druk. 's-Gravenhage,
Leiden, 1917. Deel IV, pp. 281-282.
5. Ibid., Deel III, p.338.
6. Sartono (Kartodirdjo), Protest movements in Rural Java. Kuala Lumpur 1973.
pp. 9-12, 19, 104-105; Harjaka (Hardjamandjaja) en Corsinl (Andrea),
Javanese popular belief in the coming of Ratu Adil a righteous prince.
Roma 1962 . pp . 1-6 . 21 { Hurgronj e (C. Snouek]! . Nederland en de Islam.
Tweede vermeerderde druk. Leiden, 1915 (1911 ) .
7. Encyclopedie van Nederlands Oos't>-Indië, III. pp.694-702.
8. Onlusten in Djambi. Koloniale Verslagen 1917, X-XVI.; ADK, V. 17-1-18-1,
. Djambi-overzicht; Opstand in Djambi. in; De Indische Gids 1917, I, Pp.
640-653, 775-792.
9. ADK. , mailr. 2422/17 . Rapport Leiferinck "Onderzoek naa_r^de heffing van__
belastingen en de vordering van heerendiensten in enige deelen der
Buitenbezittingen. Djambi; mailr. 2534/17. Ibid. . Palembang; ADK. V
17-1-18-1, Bapport Hazeu , "Inhoud van het zeer geheim schrijven van den
waarnemenden Adviseur voor Inlandse zaken, dd. 21 juni 1917, no.320.
51
zelfde Verbaal. Rapport Snouek Hurgronje.
10 . ADK_. mailr . 253V17_. Rapport Liefrlnek over Ravias . p . U,15 .
11. ADK, mailr. 2/^22/17, Rapport Liefrinck . p. 25-27; V 27-5-19-12,
mailr. 2368/16, brief van de directeur van het Bureau Buitenbezettineen aan de resident van D.iambi. dd 30-6-16 .
12. ADK, mailr. 2^22/17, Rapport Liefrinck. p. 26; V 17-18-1, Rapport
Hazeu, bijlage 2,
13. ADK, V 17-1-18-1. Rapport Snouek Hurgronje. p. 21.
14 . Hurgronj e (C. Snouek). Ambtelijke Adviezen 1889-1933. Uitgegeven
door E. Gobée en C. Adriaanse. Den Haag, 1965. Deel III. pp. 2087-2089,
2102. ; Tertius, Djambi-commentaren, in: Koloniaal Tijdschrift 5 (1916) ,
II, pp. 1317-1321; ADK, mailr. 2^22/17, Rapport Liefrinck. pp. 40-A8;
ADK, V 17-1-18-1 Rapport Hazeu, 4.7, 77j zelfde Verbaal, telegram van
de G.G. aan Min. v. Kol. dd, 16-11-17.
15. ADK, V 17-1-18-1, Hot a Clignett ("Nota over de oorzaken van het verzet in Djarabi en Palembang door den Assistent-Resident ter beschikking
A.L.M. Clignett", als bijlage behorend bij rapport Hazeu) , p. 30;
Mailr, 2422/17, Rapport Liefrinck, pp, 3-9,20,21,
16. ADK, V 24-7-17-24, mailr. 2626/17, Proces verbaal van de depati van
Bingin Telok; V 7-7-17-34, mailr. 2003/16, Brief van K.M. Amin aan
S.I.-leider Goenewan, dd 22-9-16.
17. ADK, V 17-1-18-1, mailr. 543/17, K.M. Amin, nota I; V 21-10-18-47,
mailr. 2639/1V, verslag van de controleur van Bangko.
18. ADK, V 17-1-18-1, mailr. 543/17, nota van Kiagoes Mohammed Amin, secretaris van de S.I,-vereniging te ïembesi, dd 10-12-16.
19. Encyclopedie van Nederlands Ooat-Indiëfl. p, 608,
20. AJ)K,V 21-10-18-47, mailr. 2639/17, verslag van de controleur van Tebo,
dd. 22-5-17. p, 17.
21. ADK, V 24.-7-17-32, mailr, 2187/16, Rapport van de controleur van Tebo;
V 7-7-17-34, mailr, 2392/17, Nota van mantri politie van Gedong Batin,
dd. 30-10-16,
22. ADK, V 24-7-17-27, mailr, 2626/16, Proces Verbaal van Glambit, hoofdleider te Rauas,
23. ADK, V 17-1-18-1, mailr, 1714/17, Nota van Hazeu over de Sarekat Abane .
dd, 8-2-17,
24. ADK, V 17-1-18-1, Rapport Hazeu, pp. 38,43-44,47,49,53,65.
Bovenstaand artikel is een bewerking van een deel van de doctoraalscriptie
"Opstand in Djambi. De geschiedenis van een millenaristische verzetsbeweging
tegen het Nederlandse Gouvernement in Indonesië aan het begin van deze eeuw",
van Lia van Wijk. Zij studeerde af binnen de vakgroep Nieuwe en theoretische
geschiedenis. Haar bijvakken waren culturele anthropologie en moderne
Aziatische geschiedenis. Momenteel is zij docente op het Christelijk
Gymnasium "Zorgvliet" in Den Haag.
Download