redoxreactie: reactie waarbij een deeltje

advertisement
reactietypen VWO bovenbouw – overzicht en oefeningen
HU, versie 1, 17dec2006
Typen reacties (t/m Pulsar-Chemie hoofdstuk 14)
redoxreactie:
reactie waarbij een deeltje (de zgn. reductor) elektronen afstaat aan een ander deeltje (de zgn.
oxidator)
- voorbeelden: hoofdstuk 13
- opmerking: reactievergelijking opstellen aan de hand van zogenaamde halfreacties.
Halfreacties staan in Binastabel 48 of moeten zelf worden opgesteld (zie het aparte
stencil)
- reactie verloopt alleen als de oxidator (linkerrij tabel 48) hoger staat dan de reductor
(rechterrij in diezelfde tabel). Let erop dat de rijen doorlopen op de rechterpagina.
verbrandingsreactie:
reactie van een brandstof met zuurstof (O2 (g) )
- brandstoffen kunnen anorganisch zijn (bijvoorbeeld S of PH3 ) maar ook
koolstofverbindingen (“organische stof”)
- bij verbranding ontstaan oxiden van elke atoomsoort in de brandstof. Van O kan geen
oxide ontstaan. De stof C4H10 verbrandt tot oxide van C (namelijk CO2) en oxide van
H (namelijk H2O). De stof S verbrandt tot het oxide van de atoomsoort S (namelijk
SO2)
- let op het verschil tussen volledige en onvolledige verbranding
- dit zijn eigenlijk bijzondere redoxreacties (O2 is telkens de oxidator)
- voorbeelden: zie klas 3 en hoofdstuk 2 van bovenbouwboeken.
zuur-base-reactie:
reactie tussen een zuur (Z) en een base (B)
zuur: deeltje dat H+ kan afstaan (H+ = een proton, dus “protondonor”)
base: deeltje dat H+ kan opnemen (“protonacceptor”)
Bij een Z-B-reactie staat het Z dus een H+ af aan de B.
- voorbeelden: hoofdstuk 9 en 11
- zoek zuren en basen op in Binastabel 49
- let erop dat sommige zuren en basen meerdere H+’s kunnen afstaan of opnemen. Let
dus ook op de molverhoudingen in de reactie en de aantallen molen van de
beschikbare stoffen.
verloopt een Z-B-reactie? (Zie hoofdstuk 11:)
reactie sterk Z met sterke B is aflopend
reactie sterk Z met zwakke B is aflopend
reactie zwak Z met sterke B is aflopend
reactie zwak Z met zwakke B verloopt alleen als het zwakke Z (linkerrij tabel 48) hoger
staat dan de zwakke B (rechterrij in diezelfde tabel). Let erop dat de rijen doorlopen op de
rechterpagina.
Bij het oplossen van een zuur in water vindt eigenlijk ook een Z-B-reactie plaats. Het zuur
lost eerst op tot Z(aq) en staat direct daarna een H+ af aan de base H2O. Daardoor ontstaan
H3O+ en de geconjugeerde base van het zuur.
Idem voor het oplossen van een base in water. H2O neemt een H+ op van de opgeloste B en
gedraagt zich dus bij deze reactie als zuur.
pagina 1 van 3
reactietypen VWO bovenbouw – overzicht en oefeningen
HU, versie 1, 17dec2006
Splits het in water oplossen van een zuur of base altijd op in twee stappen:
1) oplossen in water (als het een zout met een basisch ion betreft, het zout dus splitsen in
lossen opgeloste ionen);
2) het zure of basische deeltje gaat een reactie aan met water (sterk zuur/base: reactie
aflopend; zwak zuur/base: evenwichtsreactie)
neerslagreactie van een zout:
reactie tussen ionen in een oplossing, waarbij een vaste stof (een zout) wordt gevormd.
Een zout is een stof, die is opgebouwd uit ionen (zie § 1.2 en verder).
Meestal is er sprake van één positief ion (heel vaak, maar niet altijd een metaalion) en één negatief ion
(heel vaak een niet-metaalion). Zie voor de ionen § 1.3 en 1.4 en tevens de zuurrestionen uit H9, H11 en
H15. Zouten met meer dan twee soorten ionen worden dubbelzouten genoemd.
Overeenkomst tussen een zout en een zuur: ze zorgen beide voor ionen, als ze worden opgelost in water
Verschil tussen een zout en een zuur: een zout bestaat altijd uit ionen (ook als zuivere stof),
bijvoorbeeld NaCl dat uit Na+-ionen en Cl– -ionen bestaat. Een zuurmolecuul zónder water draagt i.h.a.
geen ionen in zich. Bijvoorbeeld: HCl is een moleculaire stof, met een atoombinding tussen de H en de
Cl. Idem voor azijnzuur (CH3COOH).
Denk bij het opstellen van de reactievergelijking aan de juiste verhouding van de zoutformule
(de vaste stof, staat hier ná de pijl). Maak daarna de aantallen losse ionen (voor de pijl)
kloppend.
-
voorbeelden: zie hoofdstuk 4
oplosreactie van een zout:
exact tegengesteld aan neerslagreacties. Denk bij het opstellen van de reactievergelijking aan
de juiste verhouding van de zoutformule (de vaste stof, staat hier vóór de pijl). Maak daarna
de aantallen losse ionen (achter de pijl) kloppend.
-
voorbeelden: zie § 1.5 en hoofdstuk 4
Wanneer een zout niet goed (niet volledig) oplost, is sprake van een oplosevenwicht met een
eigen evenwichtsconstante: de oplosbaarheidsconstante (zie Binastabel 46). Zie § 10.5 en §
10.6.
reacties met koolstofverbindingen (dit worden ook “organische stoffen” genoemd):
- additiereactie: §3.4
- substitutiereactie: § 3.5
- condensatiereactie ( A + B → C + H2O, zie je vaak bij vorming van een ester): § 12.5
- hydrolysereactie ( bijv. ester + H2O → alcohol + zuur ): § 12.6
- verzeping (ester + OH– → alcohol + zuurrestion ): § 12.7
- vetharding: bijzondere vorm van additiereactie (additie van H2 aan C=C in
vetzuurstaart): § 12.6
Let erop dat ook de andere reactietypen (zuur-base, redox, verbranding, neerslag, etc) kunnen
voorkomen bij organische verbindingen (of organische ionen, zoals zuurrestionen van
carbonzuren).
pagina 2 van 3
reactietypen VWO bovenbouw – overzicht en oefeningen
HU, versie 1, 17dec2006
Oefening opstellen reactievergelijkingen
Geef de reactievergelijkingen van de volgende reacties:
1.
2.
3.
4.
Het oplossen van loodnitraat in water
De reactie tussen waterstofcarbonaat en kaliloog
De redoxreactie tussen MnO4– (aq) en Fe2+ (aq) in zuur milieu
De verestering van 1-propanol en benzeencarbonzuur (reactievergelijking uitschrijven
in structuurformules)
5. De reactie bij het samenvoegen van oplossingen van natriumfosfaat en calciumnitraat
6. Het indampen van een oplossing van calciumchloride
7. De volledige verbranding van benzine (neem aan dat benzine C8H18 (l) is).
8. Het verzepen van ethylethanoaat.
9. De substitutiereactie tussen 2 mol ethaan en 2 mol chloor.
10. De oxidatie van 2-propanol tot aceton door O2 in pH-neutraal milieu.
11. De reactie van zoutzuur met vast calciumcarbonaat
12. De reactie die optreedt, wanneer CO2 (g) door helder kalkwater wordt geleid.
pagina 3 van 3
Download
Random flashcards
Test

2 Cards oauth2_google_0682e24b-4e3a-44be-9bca-59ad7a2e66a4

Create flashcards