Totstandkoming van art. 7:690 BW

advertisement
E. Verhulp, De ondergeschiktheid, het belemmeren en de ziekte van de uitzendkracht,
Nederlands Tijdschrift voor Sociaal Recht, april 2001, p. 101-107
De ondergeschiktheid, het belemmeren en de ziekte van de
uitzendkracht
E. Verhulp
(universitair hoofddocent arbeids- en sociaal verzekeringsrecht aan de Universiteit van
Amsterdam en advocaat te Woerden)
Inleiding
Ruim twee jaar na de invoering van de Flexwet zijn een aantal belangrijke vragen nog
steeds niet definitief beantwoord. In dit artikel worden er twee van behandeld. De eerste
vraag is of de uitzendkracht ‘in dienst’ van zijn werkgever moet zijn. Dient de
uitzendovereenkomst te voldoen aan de eisen van art. 7:610 BW, of ontstaat de
uitzendovereenkomst ook zonder dat aan die eisen van art. 7:610 BW is voldaan? In het
laatste geval bestaat het kans dat partijen die een duidelijke opdrachtovereenkomst
hebben gesloten door de eenvoudige terbeschikkingstelling van de ene partij door de
andere aan een derde, moeten ervaren dat hun overeenkomst een arbeidsovereenkomst
is geworden met alle gevolgen van dien. Onderstaand een poging de bedoeling van de
wetgever in overeenstemming met de rechtspraktijk te brengen.
De tweede vraag is die naar de werking van het uitzendbeding. Kan geldig bedongen
worden dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt door de mededeling van de
uitzendkracht dat hij arbeidsongeschikt is? Als dat zo is, is de kans groot dat een inlener
die een uitzendkracht in tijdelijke dienst neemt, wordt geacht een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd te hebben gesloten. Sommige uitzendwerkgevers gaan uit van de
juistheid van die opvatting en gebruiken die als een alternatief voor het
belemmeringsbeding. Daarom wordt ook bij het belemmeringsverbod langer stilgestaan.
Is de uitzendkracht in dienst?
Vanaf 1 januari 1999 bepaalt art. 7:690 BW dat de uitzendovereenkomst een
arbeidsovereenkomst is. Deze bepaling heeft van het ontwerp af tot onduidelijkheid
geleid. Is er slechts sprake van een uitzendovereenkomst als er sprake is van een
arbeidsovereenkomst, of kan er ook sprake zijn van een uitzendovereenkomst die
zonder art. 7:690 BW niet als arbeidsovereenkomst dient te worden aangemerkt? Deze
vraag kan van groter praktische betekenis zijn dan op het eerste gezicht lijkt.
Een voorbeeld: een cabaretier spreekt met zijn impresario af dat deze optredens, ook
voor feesten en partijen, kan boeken. Partijen hebben hiertoe een opdrachtovereenkomst
gesloten. De impresario beschikt daarbij over een bijgehouden agenda van de cabaretier.
De cabaretier is een veelzijdig mens en beschikt over een groot repertoire. De
impresario regelt de formele kanten van het optreden, zoals de contracten en betalingen,
maar de cabaretier spreekt zelf af met de klant hoe laat hij wordt verwacht en wanneer
hij pauzeert, voor welk gezelschap hij optreedt, welke sketches hij zal opvoeren en wat
dies meer zij. In deze constructie is voldaan aan de eisen van art. 7:690 BW. De
impresario verricht de terbeschikkingstelling in het kader van zijn bedrijf of beroep,
zodat aan het vereiste dat de uitzender een 'allocatiefunctie' op de arbeidsmarkt dient te
vervullen, is voldaan. Tussen de impresario en de klant is een overeenkomst van
opdracht gesloten die ertoe strekt de cabaretier arbeid te laten verrichten. Tenslotte is de
vraag of de cabaretier zijn arbeid onder toezicht en leiding van de klant verricht.
Gemakshalve ga ik daar vooralsnog even vanuit.
Naar mijn mening volgt uit de wettekst en de bedoeling van de wetgever dat een
uitzendovereenkomst als arbeidsovereenkomst niet aan de eisen van art. 7:690 BW
behoeft te voldoen. De wettekst impliceert dat indien de ene partij die de andere op
grond van een tussen hen gesloten overeenkomst van opdracht ter beschikking stelt aan
een derde, er door deze terbeschikkingstelling rekening mee dient te houden dat er
tussen hen geen overeenkomst van opdracht geldt, maar een arbeidsovereenkomst. Het
ontstaan daarvan hangt af van de vraag of de ene partij de ander in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf ter beschikking stelt en van de vraag of de derde op
grond van de tussen de ene partij en die derde gesloten overeenkomst op de andere
partij toezicht en leiding uitoefent. Dit standpunt betekent dat er tussen de partijen niet
behoeft te zijn voldaan aan de eisen van artikel 7:610 BW (m.n. wat betreft de
ondergeschiktheid) om toch tussen die partijen een arbeidsovereenkomst aan te kunnen
nemen.
Een en ander betekent dat de rechtsrelatie tussen de cabaretier en de impresario als
arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt. Partijen zijn dat zelf niet overgekomen
of hebben dat niet gewild, maar die overeenkomst ontstaat door wetsduiding. In de
praktijk komen veel van dergelijke constructies voor, zoals de terbeschikkingstelling
van tolken, thuiszorghulpen en chauffeurs.
Totstandkoming van art. 7:690 BW
Een andere opvatting dan de bovenstaande betekent dat art. 7:690 BW geen zin heeft
anders dan de werkingssfeer van art. 7:691 BW te bepalen. Uit de wetsgeschiedenis
blijkt duidelijk dat met art. 7:690 BW meer bedoeld is. Zo was vòòr 1 januari 1999 niet
duidelijk was of de uitzendovereenkomst een arbeidsovereenkomst was, waarbij die
twijfel mede gegrond was op (het ontbreken van) de specifieke gezagsrelatie tussen
uitzendwerkgever en uitzendkracht. De wetgever heeft nu juist bedoeld om die relatie
onder het arbeidsrecht te brengen. Reeds in de Nota flexibiliteit en zekerheid meldde het
kabinet een "einde te willen maken aan de twijfel die ook bij de uitzendbranche bestaat
inzake de aard van de rechtsrelatie tussen uitzendbureau en uitzendkracht."1 Als de
uitzendovereenkomst altijd al voldeed aan de vereisten van art. 7:610 BW en dus een
arbeidsovereenkomst was, was er geen sprake geweest van onduidelijkheid. Alleen al
daarom kan naar mijn mening niet worden volgehouden dat altijd aan de eisen van
artikel 7:610 BW moet zijn voldaan alvorens een uitzendovereenkomst aan te nemen.
Tegen deze opvatting kan worden ingebracht dat de Stichting van de Arbeid (STAR)
daar anders over dacht: de STAR meende dat uitzendarbeid (altijd al) in ondergeschiktheid wordt verricht, zoals blijkt uit de Nota flexibiliteit en zekerheid van de STAR,2
‘De Stichting is van mening dat arbeid, verricht in het kader van uitzending, in
het algemeen arbeid is die verricht wordt in dienstbetrekking uit arbeidsovereenkomst,
met dien verstande dat zodra een opdracht wordt aangeboden en het werkaanbod door
de uitzendkracht is aanvaard een arbeidsovereenkomst ontstaat (..)’
Dat standpunt is evenwel in het wetgevingsproces achterhaald. Uit de reacties van
Tweede Kamerleden is af te leiden dat zij meenden 'dat de uitzendovereenkomst een
arbeidsovereenkomst tot stand brengt.'3 Uit de opmerkingen van de Minister, naar
aanleiding van aanbevelingen van de Vereniging voor Arbeidsrecht,4 blijkt dat ook hij
niet als uitgangpunt genomen heeft dat uitzendarbeid altijd al in ondergeschiktheid werd
verricht:5
‘(...) Naar de mening van de Vereniging is de wettekst nu niet conform de
bedoeling geformuleerd. Bedoeld is -volgens de Vereniging- om buiten twijfel te
stellen dat een uitzendovereenkomst wordt aangemerkt als een
arbeidsovereenkomst. En, volgens de Vereniging, zou letterlijk genomen de
tekst van het voorstel betekenen, dat wanneer er al een arbeidsovereenkomst is,
deze mogelijk kan worden aangeduid als een uitzendovereenkomst.
commentaar
Naar mijn mening (dus die van de minister, ev) is de huidige redactie van artikel
690 voldoende duidelijk. In dit artikel immers wordt de uitzendovereenkomst
gedefinieerd als een bijzondere arbeidsovereenkomst. Immers, - er wordt
gewerkt in een driehoeksrelatie (werkgever/werknemer/derde), - er wordt in het
kader van de driehoeksrelatie arbeid verricht, op basis van de kenmerkende
elementen van de arbeidsovereenkomst, t.w. gezagsverhouding, arbeid en loon.
Echter wat betreft de elementen gezagsverhouding en arbeid geldt:
-dat de werknemer in het kader van het beroep of bedrijf van de werkgever voor
het verrichten van de bedongen arbeid aan een derde ter beschikking wordt
gesteld, waarbij de werknemer werkt onder leiding en toezicht van die derde.
Deze bijzondere arbeidsovereenkomst wordt door de wet als 'uitzendovereenkomst' aangemerkt en is als zodanig in de voorgestelde definitie nauwkeurig
en niet voor andere uitleg vatbaar omschreven. (..).’
De Vereniging voor Arbeidsrecht geeft als de bedoeling van de bepaling aan dat een
uitzendovereenkomst een (bijzondere vorm van een) arbeidsovereenkomst is. De
Minister bestrijdt die bedoeling in het geheel niet, maar geeft aan dat die bedoeling wel
duidelijk in de voorgestelde wettekst is weergegeven. Hoewel over dat laatste te twisten
valt, ligt het voor de hand de wettekst in de lijn van die bedoeling te interpreteren.
Overigens vloeide dat ook al wel voort uit de Memorie van Toelichting, waarin is
opgenomen:6
‘Voor wat betreft de juridische duiding van de uitzendrelatie wordt hierbij
voorgesteld in een aparte afdeling van titel 7.10 BW een specifieke regeling van
de uitzendovereenkomst op te nemen, waarin deze overeenkomst als een
arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt.’
Ondergeschiktheid?
Grapperhaus en Jansen7 menen dat pas van een uitzendovereenkomst sprake is indien
eerst voldaan is aan eisen van art. 7:610 BW. Zij stellen dat het van meet af aan de
bedoeling van de wetgever is geweest om de uitzendovereenkomst als een bijzondere
vorm van een arbeidsovereenkomst te duiden. Ter onderbouwing van hun opvatting
wijzen ze op de toelichting van het wetsvoorstel8 waarin is opgenomen:
‘Op de uitzendovereenkomst is de regeling van de arbeidsovereenkomst in titel
7:10 BW onverkort van toepassing, behoudens voor zover anders is bepaald.’
Ook wijzen zij er op dat in art. 7:690 BW is bepaald dat de uitzendovereenkomst een
arbeidsovereenkomst is tussen de ‘werknemer’ en de ‘werkgever’. Grapperhaus en
Jansen vervolgen: "Deze bewoordingen laten er geen twijfel over bestaan dat een
contract pas als een uitzendovereenkomst kan worden aangemerkt als een werkgever en
een werknemer partij zijn, met andere woorden als is voldaan aan de definitievereisten
van art. 7:610 BW."9 De opvatting van Grapperhaus en Jansen betekent dat de invoering
van art. 7:690 BW geen andere betekenis heeft dan die arbeidsovereenkomsten te
definiëren waarvoor de uitzonderingen van art. 7:691 BW geldt. Naar mijn mening is
dat standpunt, gezien de hiervoor weergegeven bedoeling van de wetgever met art.
7:690 BW, niet vol te houden.
De opvatting van Grapperhaus en Jansen -dat er sprake moet zijn van een
ondergeschikte werknemer alvorens er sprake kan zijn van een uitzendovereenkomstbrengt ze (ook hier) enigszins in problemen. Door het overdragen van de
instructiebevoegdheid van de uitzendwerkgever naar de inlener is de werknemer niet
meer 'in dienst' van de uitzendwerkgever. Daarmee voldoet de uitzendrelatie niet meer
aan art. 7:610 BW, zodat in hun visie evenmin een uitzendovereenkomst kan bestaan.
Grapperhaus en Jansen lossen dit probleem op door te stellen dat toezicht en leiding een
gedeelte van het werkgeversgezag (de ondergeschiktheid) betreft, dat alleen het
verrichten van arbeid betreft. Het andere gedeelte van het werkgeversgezag, zoals de
administratieve verplichtingen als urenregistratie door de uitzendkracht, zou
plaatsvinden in het kader van de ondergeschiktheid aan de uitzendwerkgever.10 De
werknemer voldoet op deze wijze twee keer aan het ondergeschiktheidscriterium. Een
dergelijke constructie komt mij in dit kader volstrekt overbodig voor.
De oplossing: toezicht en leiding
Nu zie ik in dat een strikte toepassing van het naar mijn mening juiste standpunt –te
weten dat een uitzendovereenkomst (=arbeidsovereenkomst) ook tot stand kan komen
zonder dat van ondergeschiktheid sprake is- leidt tot een maatschappelijke onwenselijke
en onwerkbare uitkomst. Dat blijkt wel uit het eerder gegeven voorbeeld. Het gaat (mij)
te ver om aan te moeten nemen dat een door partijen zeer bewust en in gelijkwaardigheid overeengekomen overeenkomst van opdracht alleen door de terbeschikkingstelling
te zien veranderen in een arbeidsovereenkomst, met alle gevolgen van dien. Een
dergelijke aanname zou ook slecht passen in de jurisprudentie van de Hoge Raad met
betrekking tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst. In het bekende arrest Groen-
Schoevers overwoog de Hoge Raad dat partijen die "een overeenkomst sluiten die strekt
tot het verrichten van werk tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijzen
kunnen inrichten, en dat wat tussen hem heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun
bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de
wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven. Aan de hand
van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan de rechter
vervolgens bepalen of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde
bijzondere overeenkomsten."11 Ik zie onvoldoende reden om in het geval van een
uitzendovereenkomst wezenlijk anders te oordelen.
Maar de door Grapperhaus en Jansen gemaakte tweedeling in werkgeversgezag behoeft
niet te worden gemaakt om tot een aanvaardbaarder resultaat te komen. In het eerder
weergegeven voorbeeld heb ik gemakshalve aangenomen dat er door de inlener toezicht
en leiding werd uitgeoefend. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad is af te leiden dat
toezicht en leiding impliceert dat de uitzendwerknemer rechtstreeks in opdracht van de
derde zijn arbeid verricht.12 Voor een aantal ter beschikking gestelde arbeidskrachten
zal gelden dat zij niet onder leiding en toezicht werkzaam kunnen zijn omdat dat niet
strookt met de aard van de door hen te verrichten werkzaamheden. Of dat zo is hangt
uiteraard mede af van de vraag wat partijen zijn overeengekomen en tot hoever de terbeschikkingstelling van de arbeidskracht precies strekt. Op deze wijze kan invulling
worden gegeven aan het Groen-Schoeverscriterium. Is een duidelijke opdrachtovereenkomst tussen partijen gesloten op grond waarvan de ene partij door de andere ter
beschikking aan een derde wordt gesteld, dan mag niet zonder meer worden
aangenomen dat de terbeschikkingstelling strekt tot het werken onder toezicht en leiding
van de inlener. De derde heeft dan geen of onvoldoende zeggenschap over de invulling
van de arbeidsverplichting van de terbeschikkinggestelde om van de uitoefening van
toezicht en leiding te kunnen spreken. Zodoende kan worden voorkomen dat
arbeidsverhoudingen die ver van het gewone uitzendwerk afstaan, onder de
werkingssfeer van de uitzendovereenkomst en daarmee het arbeidsrecht, worden
gebracht. Deze door Smitskam13 aangedragen oplossing lijkt me het meest voor de hand
te liggen om een onwenselijk resultaat te voorkomen. Deze interpretatie doet recht aan
de bedoeling van de wetgever, past goed in het Groen-Schoeverscriterium en voorkomt
dat uitzendconstructies buiten de bescherming van het arbeidsrecht vallen als die
bescherming aangewezen is. Grapperhaus14 wijst er terecht op dat deze opvatting
gevolgen kan hebben voor de positie van detacheringbedrijven. Veel van deze bedrijven
stellen dat de uitgezonden werknemer ook gedurende de uitzendperiode door de
detacheerder wordt ondersteund, begeleid en geadviseerd. Daardoor kan er sprake van
zijn dat de inlener/derde te weinig toezicht en leiding uitoefent om van een
uitzendovereenkomst te spreken. Er moet dan worden aangenomen dat de werknemer
een gewone arbeidsovereenkomst heeft met zijn werkgever, die niet tevens een
uitzendovereenkomst is. Ik zie daarin geen bezwaar, terwijl naar mijn waarneming de
meeste detacheringbedrijven er niet vanuit gaan een uitzendovereenkomst met hun
werknemers te hebben gesloten. Voor de praktijk verandert door deze invulling van het
toezicht en leidingcriterium weinig tot niets.
Neem als inlener nooit een uitzendkracht in dienst....
Het belemmeringsverbod
Het verbod van art. 93 lid 1 sub a Arbeidsvoorzieningswet op directe belemmering van
de uitzendkracht –waarmee de uitzendkracht het wordt verboden n dienst van de inlener
te treden- is met de invoering van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs
komen te vervallen. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de Minister evenwel
duidelijk gemaakt dat een belemmeringsbeding als onredelijk bezwarend dient te
worden aangemerkt.15 Datzelfde zou volgens De Vroe16 moeten gelden voor indirecte
belemmering -waarmee het de inlener verboden wordt een uitzendkracht in dienst te
nemen-. Deze opvatting lijkt de heersende leer. De president van de Amsterdamse
rechtbank oordeelde in kort geding in die zin,17 terwijl ook Grapperhaus een indirect
belemmeringsbeding in beginsel niet toegestaan acht.18 In beginsel, want naar zijn
mening is uitzondering mogelijk. Grapperhaus acht een beding waarin de inlener aan de
uitzendwerkgever een vergoeding verschuldigd is indien de inlener de uitzendkracht
tijdens of kort na zijn feitelijke tewerkstelling op grond van een uitzendovereenkomst
bij hem in dienst neemt, wel toegestaan. Een inlener zou anders ten onrechte de kosten
van werving en selectie op de uitzendwerkgever kunnen afwentelen. In art. 8 van de
algemene voorwaarden voor het ter beschikking stellen van uitzendkrachten (verder:
Algemene Voorwaarden ABU), die de leden van de Algemene Bond
Uitzendondernemingen (ABU) over het algemeen hanteren, is een bepaling van die
strekking opgenomen. Het betoog van Grapperhaus is in feite te beschouwen als een
pleidooi om die (indirect belemmerende) bepaling in de Algemene Voorwaarden ABU
in rechte in stand te laten. Dit pleidooi om een kleine inbreuk op het verbod van
indirecte belemmering toe te staan is ondersteund met een flink gat dat de president van
de rechtbank te Amsterdam in het indirecte belemmeringsverbod heeft geslagen. Deze
deelde de opvatting dat een indirect belemmeringsbeding altijd vernietigbaar is, niet en
liet een dergelijk belemmeringsbeding in stand.19 Naar zijn oordeel geldt dat bij de
afwezigheid van een wettelijk verbod van belemmering aan de hand van de maatstaven
van redelijkheid en billijkheid dient te worden bepaald of het beding onredelijk
bezwarend is en derhalve vernietigbaar. Gelet op de van toepassing zijnde regelgeving
is dit oordeel juist, hoewel het de vraag is of de wetgever het ook zo bedoeld heeft.
Hoe dat ook zij: duidelijk is dat de mogelijkheden van de uitzendwerkgever om te
voorkomen dat een uitzendkracht bij de inlener in dienst treedt, gering en in ieder geval
ongewis zijn. Inmiddels is duidelijk geworden dat een aantal uitzendbureaus daarom
terugvallen op de complexiteit van de wet- en regelgeving om inleners ervan te
weerhouden hen ter beschikking gestelde uitzendkrachten in dienst te nemen. Het gaat
dan om inleners die de uitzendkracht in dienst willen nemen, maar slechts voor
bepaalde tijd. Of een inlener met een uitzendkracht aansluitend op (of binnen drie
maanden na) de uitzendperiode een tijdelijke arbeidsovereenkomst kan sluiten zonder
dat daarmee een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen inlener en
uitzendkracht ontstaat is evenwel niet altijd duidelijk. Veel uitzendbureaus
waarschuwen hun klanten/inleners voor het gevaar dat zij lopen om onbedoeld een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te gaan. De waarschuwing is niet geheel
zonder grond.
Het uitzendbeding
De waarschuwing heeft betrekking op de werking en de invulling daarvan die caopartijen en de ABU hebben gegeven aan het uitzendbeding van art. 7:691 lid 2 BW.
Daar is geregeld dat in de uitzendovereenkomst kan worden bedongen dat de
uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de
werknemer (uitzendkracht) door de werkgever (uitzendbureau) op verzoek van de derde
(inlener) ten einde komt. Over de precieze werking van het uitzendbeding bestaat
verschil van mening. In de kern beschouwd komt dat verschil neer op de vraag of het
verzoek van de derde om de uitzendkracht niet langer ter beschikking te stellen, tot een
einde van rechtswege van de arbeidsovereenkomst leidt, of dat voor een dergelijk einde
de uitzendwerkgever ook daadwerkelijk de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht
aan die derde dient te staken. Naar de mening van Grapperhaus en Jansen20 is het
mogelijk dat de derde/inlener verzoekt om een uitzendkracht niet langer ter beschikking
te stellen, maar dat de uitzendwerkgever dat verzoek niet inwilligt en de
terbeschikkingstelling continueert. Daardoor zou de uitzendwerkgever een einde van
rechtswege kunnen voorkomen. Zowel Kuip,21 Smitskam,22 als ik23 menen kan daarvan
geen sprake zijn. De bedoeling van de formulering van art. 7:691 lid 2 BW is geweest
om het einde van rechtswege uit de macht van partijen bij de uitzendovereenkomst te
halen. Dat blijkt uit de toelichting bij het amendement van Tweede Kamerlid Bakker24,
die de uiteindelijke wettekst voorstelde. Hij verzette zich tegen de door de regering
voorgestelde tekst van de regeling van het uitzendbeding en stelde:
‘Het uitzendbureau krijgt dan in feite de mogelijkheid de overeenkomst steeds
onmiddellijk van rechtswege te beëindigen. In het amendement wordt gesteld
dat de uitzendovereenkomst beëindigd kan worden ten aanzien van de
uitzendkracht die tussentijds door de opdrachtgever wordt teruggestuurd, terwijl
de (raam-)overeenkomst van opdracht zelf doorloopt.’
De woorden ‘beëindigd kan worden’ hebben naar mijn mening betrekking op de
mogelijkheid om het beding niet overeen te komen, maar niet op een keuze aan de zijde
van de uitzendwerkgever om het verzoek van de inlener (opdrachtgever) niet te
honoreren. Uit de toelichting blijkt immers duidelijk dat de bedoeling is geweest dat
indien die derde/inlener de uitzendkracht wegstuurt, daarmee het einde van rechtswege
is gegeven. Het initiatief dient dan wel van die inlener uit te gaan: hij moet de
uitzendkracht terugsturen.
Ook de gevolgen van de opvatting van Grapperhaus en Jansen komen niet overeen met
de door de Minister op het artikel gegeven toelichting in het geval de
uitzendovereenkomst door het uitzendbeding van rechtswege tot een einde komt.
Grapperhaus en Jansen 25 gaan ervan uit dat de uitzendwerkgever het verzoek van de
inlener naast zich neer kan leggen en aldus het einde van rechtswege van de
arbeidsovereenkomst kan beïnvloeden. Zij sluiten daarom acties tegen de uitzendwerkgever vanwege de reden van beëindiging van de uitzendovereenkomst niet uit. Een
dergelijke actie zou zijn grond moeten vinden in misbruik van bevoegdheid. Naar mijn
mening heeft een dergelijke actie geen kans van slagen, nu de uitzendovereenkomst van
rechtswege eindigt door het verzoek van de inlener om de uitzendkracht niet langer ter
beschikking te stellen, en niet doordat de uitzendwerkgever ophoudt de uitzendkracht
ter beschikking te stellen. De uitzendkracht die meent dat de inlener de uitzendopdracht
ten onrechte heeft beëindigd, waardoor de uitzendovereenkomst van rechtswege is
geëindigd, kan hoogstens een vordering tegen de inlener instellen. Een dergelijke
vordering werd in kort geding aan de president van de rechtbank Leeuwarden26
voorgelegd. De president overwoog:
“De aan de inlener toekomende bevoegdheid tot het beëindigen van de door hem
aan het uitzendbureau verstrekte opdracht kan onder bijzondere omstandigheden
misbruik van bevoegdheid opleveren, waarbij te denken valt aan het beëindigen
van de opdracht om discriminatoire redenen.”
Maar de uitzendwerkgever zelf blijft buiten schot, in die zin dat hij terzake geen
bevoegdheid heeft, laat staan heeft kunnen misbruiken. Dat heeft de regering zich
waarschijnlijk ook wel gerealiseerd, zoals af te leiden is uit de Nota van Antwoord:27
‘De voorgestelde regeling maakt het mogelijk dat partijen overeenkomen, dat
indien gedurende 26 weken een terbeschikkingstelling door een derde (…) om
welke reden dan ook wordt beëindigd, daarmee ook de uitzendovereenkomst
wordt beëindigd.’
Later heeft de Minister, op de vraag van Kuip of de uitzendwerkgever een verzoek zou
kunnen afwijzen geantwoord:28
‘Dit is geen reële situatie. Waarom zou men het verzoek afwijzen? Bovendien wordt in
de eerste zin gesproken van ‘op verzoek van de derde ten einde komt’.’
Dit antwoord is niet erg verhelderend, maar geeft voeding aan de gedachte dat de
gedachte was dat door het verzoek het einde van rechtswege zal intreden.
De opvatting van Grapperhaus en Jansen dat de uitzendwerkgever misbruik van recht
zou kunnen maken, is met die toelichting slecht te verenigen. Daarbij past die opvatting
slecht binnen het arbeidsrechtelijk denkraam, alleen omdat in die opvatting de
arbeidsovereenkomst waarvoor een uitzendbeding geldt, niet goed is te duiden.
Grapperhaus en Jansen 29 stellen daarom dat het hier een arbeidsovereenkomst sui
generis betreft. Naar mijn mening ten onrechte. Kuip heeft grondig gemotiveerd
uiteengezet waarom het uitzendbeding als een ontbindende voorwaarde moet worden
beschouwd.30 Hoewel ik eerder heb betoogd dat de uitzendovereenkomst als een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden beschouwd, meen ik dat zijn
opvatting juist is.
Volgens vast jurisprudentie is de beëindiging van een arbeidsovereenkomst door een
ontbindende voorwaarde slechts mogelijk als het intreden van de voorwaarde buiten de
macht der partijen is gesteld, of tenminste niet door de werkgever tot stand kan worden
gebracht.31 Deze regel lijkt ontleend aan art. 6:23 lid 2 BW. Daarin is bepaald dat indien
de partij die bij de vervulling van de voorwaarde belang heeft, de vervulling heeft
teweeggebracht, de voorwaarde als niet vervuld geldt, indien redelijkheid en billijkheid
dit verlangen.
Einde van rechtswege bij ziekte?
Een en ander betekent dat partijen bij de uitzendovereenkomst niet de vrijheid hebben
om vanwege andere gebeurtenissen dan het wegsturen van de uitzendkracht door de
derde (inlener), op initiatief van de inlener, een einde van rechtswege op grond van het
uitzendbeding te construeren. Toch is dat wel gebeurd. In art. 9 lid 6 van de ABU-cao is
bepaald: “Ingeval van ziekte of ongeval wordt de uitzendovereenkomst die het beding
bevat, bedoeld in artikel 7:691 lid 2 BW, direct na de melding als bedoeld in artikel 29
lid 1 van de deze CAO geacht met onmiddellijke ingang geëindigd te zijn op verzoek
van de opdrachtgever.”
In art. 7 sub b van de Algemene Voorwaarden is nog eens bepaald dat de
uitzendovereenkomst eindigt na ziekmelding door de uitzendkracht. Het artikellid
vervolgt: “Gedurende de looptijd van dit beding verzoekt de opdrachtgever aan de
uitzendonderneming –onverwijld na de melding dat de uitzendkracht arbeidsongeschikt
is wegens ziekte of ongeval – de terbeschikkingstelling van die uitzendkracht
onmiddellijk te beëindigen. Voor zover nodig wordt opdrachtgever geacht de
beëindiging van de terbeschikkingstelling te hebben verzocht aan de
uitzendonderneming. Op eerste verzoek van de uitzendonderneming bevestigt de
opdrachtgever schriftelijk aan de uitzendonderneming de beëindiging van de
terbeschikkingstelling te hebben verzocht onmiddellijk na melding van de uitzendkracht
zoals in de aanvang van dit lid b bedoeld.”
Naar mijn mening kunnen deze regelingen niet tot gevolg hebben dat de
uitzendovereenkomst na ziektemelding van de uitzendkracht van rechtswege eindigt.
Dat laat uiteraard onverlet dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt indien de
inlener feitelijk en op eigen initiatief een verzoek tot beëindiging van de
terbeschikkingstelling doet, ook al is dat wegens ziekte van de hem ter beschikking
gestelde uitzendkracht. Om die situatie gaat het hier niet: het gaat er om dat op grond
van deze regelingen de uitzendovereenkomst van rechtswege zou eindigen zonder, of
voordat de inlener een verzoek tot beëindiging van de terbeschikkingstelling heeft
gedaan. Zoals boven reeds uiteengezet was de bedoeling van wetgever met het
uitzendbeding dat de werking ervan uit de macht van partijen (bij de
arbeidsovereenkomst) zou worden gehaald. Deze opvatting sluit aan bij het bepaalde in
art. 6:23 lid 2 BW. Het gaat dan niet aan om in een cao en in de algemene voorwaarden
toch weer te regelen dat het einde van rechtswege in de macht van (een der) partijen bij
de uitzendovereenkomst komt te liggen. Grapperhaus en Jansen denken daar anders
over. Hoewel zij op dit punt twijfelend overkomen, stellen zij dat het mogelijk moet
zijn om een verzoek van inlener tot beëindiging van de terbeschikkingstelling impliciet
aan te nemen. Vervolgens menen zij –zonder motivering- dat het mogelijk moet zijn
van de inlener te bedingen dat deze een dergelijk verzoek doet. Ook stellen Grapperhaus
en Jansen dat het impliciete verzoek een fixatie is van een werkelijk verzoek dat de
derde toch wel zou doen. 32 Dat laatste argument is naar mijn mening ondeugdelijk. Nog
los van het gegeven dat inleners mans genoeg moeten worden geacht zelf te weten wat
goed voor ze is, ligt het niet voor de hand dat een inlener bij kortdurende ziekte van de
uitzendkracht zonder meer een verzoek zal doen als hij zich bewust is van de mogelijke
gevolgen van dat verzoek. Naar aanleiding van kritiek op art. 9 lid 6 ABU-cao is de
minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gevraagd naar zijn oordeel over de
rechtsgeldigheid van de cao-bepaling. De Minister antwoordde:33’
‘Ik acht de betreffende bepalingen in de uitzend-cao als zodanig niet in strijd met de
strekking van de wet. Dit laat echter onverlet dat de rechter in concrete gevallen anders
zal kunnen oordelen.’
Tot op heden is niet uitgemaakt welke van de bovenstaande opvattingen de juiste is,
zodat het onzeker is of een ziekmelding van de uitzendkracht de uitzendovereenkomst
van rechtswege doet eindigen.
Nogmaals: neem nooit een uitzendkracht in tijdelijke dienst
De waarschuwing die sommige uitzendwerkgevers verstrekken om te voorkomen dat
een uitzendkracht in dienst treedt van de inlener speelt in op deze onduidelijkheid. Art.
7:668a lid 1 sub b BW bepaalt dat indien tussen dezelfde partijen meer dan drie voor
bepaalde tijde gesloten arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd zonder
onderbreking van meer dan drie maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als
aangegaan voor onbepaalde tijd. In het tweede lid van art. 7:668a BW is bepaald is dat
voor de toepassing van lid 1 meetellen arbeidsovereenkomsten gesloten met andere dan
de werkgever waarmee de laatste arbeidsovereenkomst is gesloten, voor zover die
laatste werkgever ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten
worden opvolger van die eerdere te zijn. Op grond van dat tweede lid tellen de
uitzendovereenkomsten, op grond waarvan een uitzendkracht aan zijn latere werkgever
ter beschikking is gesteld, in beginsel mee voor de bepaling van het aantal
arbeidsovereenkomsten van het eerste lid. Een uitzendkracht die op grond van een
uitzendovereenkomst gedurende een half jaar bij een inlener arbeid heeft verricht en
vervolgens met die inlener voor het verrichten van vergelijkbare arbeid een tijdelijke
arbeidsovereenkomst voor de duur van een half jaar sluit, ‘zit’ dus in tweede schakel
van art. 7:668a lid 1 sub b BW. De arbeidsovereenkomst met de voormalige
uitzendkracht is een tijdelijke arbeidsovereenkomst
Maar stel nu dat Grapperhaus en Jansen, de ABU en cao-partijen het bij het juiste einde
hebben met betrekking tot de mogelijkheden die bestaan om de werking van het
uitzendbeding op te rekken en dus een einde van rechtswege bij ziekte van de
uitzendkracht te bewerkstelligen. De bij de ABU aangesloten uitzendwerkgevers gaan
daar zonder meer van uit. In dat geval is de tijdelijkheid van de arbeidsovereenkomst
niet meer zo zeker. Indien de uitzendkracht zich gedurende de periode van een half jaar
waarin hij ter beschikking aan dezelfde inlener is gesteld, tweemaal een dagje heeft ziek
gemeld, is er ook twee keer van rechtswege een einde van de uitzendovereenkomst
ingetreden. Deze uitzendovereenkomst zal na die ziekte (die duurde tenslotte maar een
dagje) weer zijn voortgezet omdat de inlener onverminderd behoefte heeft aan de inzet
van de uitzendkracht. Daarbij geldt dat de inlener niet hoeft te weten van de
ziekmelding van de uitzendkracht omdat deze aan de uitzendwerkgever kan worden
gedaan. In de Algemene Voorwaarden ABU is niet geregeld dat de inlener over ziekte
of ziektemelding van de uitzendkracht wordt geïnformeerd. Als de uitzendkracht zich
twee keer heeft ziek gemeld, zijn er drie uitzendovereenkomsten tot stand gekomen die
meetellen voor het bepalen van het aantal arbeidsovereenkomsten voor de ketting van
art. 7:668a lid 1 sub b BW. De inlener die vervolgens de uitzendkracht in tijdelijke
dienst denkt te nemen sluit de vierde tijdelijke arbeidsovereenkomst in de ketting, en
heeft daarmee de voormalige uitzendkracht in dienst op grond van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.34 Het is dit gevaar waar een aantal
uitzendwerkgevers de inleners voor denken te moeten waarschuwen.
Volledigheidshalve wijs ik er op dat een ook op een andere wijze gevaar loert voor de
werkgever die een uitzendkracht in tijdelijke dienst wil nemen nadat die uitzendkracht
aan hem ter beschikking is gesteld. Het is niet uitgesloten dat de door de inlener in
dienst te nemen uitzendkracht op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd in dienst is van de uitzendwerkgever. Als dat zo is, dient deze arbeidsovereenkomst
door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding door de rechter te zijn geëindigd.
Zoniet, dan geldt de zogenaamde Ragetlieregel die is vastgelegd in art. 7:667 lid 4 BW.
Het gevolg daarvan is dat de tussen inlener en uitzendkracht gesloten tijdelijke
arbeidsovereenkomst alleen door opzegging kan eindigen.35
Afsluiting
Ruim twee jaar na de invoering van de Flexwet is de positie van de uitzendkracht nog
steeds niet duidelijk. Het gaat daarbij niet om punten van ondergeschikt belang, maar
om essentialia zoals de reikwijdte van het arbeidsrecht en de vraag op welke
bescherming een uitzendkracht zich nu precies kan beroepen. Dat daarover nog niet
veelvuldig en uitvoerig is geprocedeerd kan worden verklaard uit de tot op heden
relatief gunstige economische ontwikkelingen, maar vooral ook uit de complexiteit van
de regelgeving op dit punt. Het gevolg is dat de doelstellingen van de Flexwet niet
eenvoudiger onder handbereik zijn komen te liggen. Zowel werknemer als werkgever
zijn gebaat bij duidelijke regelgeving die de werkgever in staat stelt met precisie de
arbeidsrechtelijke mogelijkheden te achterhalen om met de grootst mogelijke zekerheid
voor de werknemer voldoende flexibiliteit te verkrijgen. Hoewel uit onderzoekt36 blijkt
dat de bekendheid van de Flexwet onder werkgevers niet gering is, zal een inlener op
het punt van het aanbieden van een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan een eerder ter
beschikking gestelde uitzendkracht weinig risico willen lopen. Uit het onderzoek37
blijkt ook dat ook door uitzendwerkgevers de complexiteit van de Flexwet en met name
de uitzendcao, alsmede het gebrek aan jurisprudentie, als knelpunt worden ervaren. Dat
mogen zowel de wetgever als met name cao-partijen zich aantrekken, maar veel heil zal
die van die kant niet verwacht mogen worden, zodat de ogen moeten worden gericht op
de rechtspraak.
1. Nota Flexibiliteit en zekerheid, p. 29, Kuip/Scholtens, Parl. Gesch. Flexwet, p. 923
2. Nota Flexibiliteit en zekerheid Stichting van de Arbeid, p. 20, Kuip/Scholtens, Parl. Gesch. Flexwet, p.
923
3. Kamerstukken II, 1996-1997, 25 263, nr. 5, p. 17, Kuip/Scholtens, Parl. Gesch. Flexwet, p. 941.
4. Gepubliceerd in Sociaal Recht 1997, nr. 7/8, m.n. P.F. Doornik, aanbeveling 37, p. 221.
5. Bijlage bij de brief van 7 oktober 1997 van de Minister van SZW aan de Tweede Kamer,
Kuip/Scholtens, Parl. Gesch. Flexwet, p. 950.
6. Kamerstukken II, 1996-1997, 25 263, nr. 3, p. MvT, p. 9, Kuip/Scholtens, Parl. Gesch. Flexwet, p.
935.
7. F.B.J. Grapperhaus en M. Jansen, De uitzendovereenkomst, Kluwer, Deventer 1999, p. 25.
8. Kamerstukken II, 1996-1997, 25 263, nr. 3 p. 33, Kuip/Scholtens, Parl. gesch. Flexwet, p. 937.
9. zie p. 26. Zie ook p. 36
10. Grapperhaus en Jansen, a.w., p. 34-36. Overigens is die onderscheiding niet ongebruikelijk, zie bijv.
C.M.E.P. van Lent, Internationale intra-concernmobiliteit, Kluwer, Deventer 2000, p. 211.
11. HR 14 november 1997, JAR 1997/263.
12. Zie onder meer HR 21 november 1997, JAR 1998/16. Grapperhaus en Jansen verwijzen naar deze
jurisprudentie,a.w. p. 34.
13. C.J. Smitskam, Arbeidsovereenkomst, aantekening 3.4. bij art. 7:690 BW, Kluwer, Deventer,
losbladig.
14
F.B.J. Grapperhaus, Beperkingen aan de vrijheid van arbeidskeuze van de uitzendwerkgever uit art.
7:691 BW, Ondernemingsrecht 2000-15, p. 427.
15
Kamerstukken I, 25 264, nr. 133b, p. 4.,
16 L.J. de Vroe, De onbelemmerde uitzendkracht, Arbeidsrecht 2000/1, nr. 5.
17
Pres. Rb. Amsterdam 4 november 1999, JAR 1999/246.
18
F.B.J. Grapperhaus, Beperkingen aan de vrijheid van arbeidskeuze van de uitzendwerkgever uit art.
7:691 BW, Ondernemingsrecht 2000-15, p. 430.
19
Pres. Rb. Amsterdam 13 december 2000, JAR 2001/17
20
a.w., p. 53 en p. 61
21
S.W. Kuip, Uitzendovereenkomst onder ontbindende voorwaarde, Arbeidsrecht 1998/10, nr. 62.
22
C.J. Smitskam, Flexibele arbeidsrelaties, Kluwer, losbladig, aantekening H.5.4.3.
23
E.Verhulp, De uitzendkracht in het Flex(s)t(r)ijdperk, Sociaal Recht 1998/11, p. 326/327
24
Kamerstukken II, 1997-1998, 25 263, nr. 42, Kuip/Scholtens, Parl. Gesch. Flexwet, p. 956/957.
25
1999, p. 61
26
Pres. Rb. Leeuwarden 2 maart 1999, Kort Geding 1999/108.
27
Kamerstukken II, 1996-1997, 25 263, nr. 6, p. 15., Kuip/Scholtens, Parl. Gesch. Flexwet, p. 944. Dit
stuk is van voor het amendement Bakker en spreekt nog van het einde van terbeschikkingstelling door de
uitzendwerkgever en uitzendwerknemer. Ik heb dat weggelaten en vervangen door (...)
28
Kamerstukken II, 26 257, 1998-1999, nr. 7, p. 16, Kuip/Scholtens, Parl Gesch. Flexwet, p. 975.
29
a.w., p. 48-56
30
S.W. Kuip, Uitzendovereenkomst als ontbindende voorwaarde, Arbeidsrecht 1998/11, nr. 62
31
HR 6 maart 1992, JAR 1992/10 (Mungra)
32
a.w., p. 196.
33
Vragen van het lid Schimmel met antwoorden, Aanhangsel Hand. II 1998-1999, nr. 445,
Kuip/Scholtens, Parl. Gesch. Flexwet, p. 979/980
34
Tijdens de parlementaire behandeling is slechts gesproken over de uitzendkracht die drie maal ter
beschikking wordt gesteld van de inlener en vervolgens bij die inlener in tijdelijke dienst treedt. Dit leidt
uiteraard ook tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Kamerstukken I, 25 263, nr. 132b, p. 22,
Kuip/Scholtens, Parl. Gesch. Flexwet, p. 960/961.
35
A.M. Luttmer-Kat, Het nieuwe art. 7:668a BW is een bron van verwarring, Sociaal Recht 1997, p. 360
en Grapperhaus en Jansen, a.w., p. 99.
36
Uit P.M. de Klaver, D.J. Klein Hesselink, E.P Miedema, C. Schlangen, Ervaringen met en effecten van
de Wet flexibiliteit en zekerheid, Elsevier, Den Haag 2000, p. 22-24, blijkt dat maar 12% van de
werkgevers naar eigen inschatting niet of maar enigszins op de hoogte zijn van de wet.
37
A.w. p. 19.
Download