Uploaded by opheliedimmendaal

Vonnis: Schade door gaswinning

ECLI:NL:RBDHA:2020:2120
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
C/09/529407 / HA ZA 17-322
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Eindvonnis na tussenvonnis van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:6517) over
de vraag of schade aan de woning van eisers is veroorzaakt door aardbevingen
als gevolg van gaswinning. De NAM heeft na het tussenvonnis onderzoek laten
verrichten via de methode van Root Cause Analysis. Is het bewijsvermoeden van
artikel 6:177a BW van toepassing?
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0085
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/529407 / HA ZA 17-322
Vonnis van 11 maart 2020
in de zaak van
1 [eisende partij sub 1] te [plaats] ,
2. [eisende partij sub 2] te [plaats] ,
eisers,
advocaat mr. R.K. Torn te Amsterdam,
tegen
NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ B.V. te Assen,
gedaagde,
advocaat mr. P.A.Th. Kostwinder te Groningen.
1 De procedure
1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 mei 2018 (hierna: het tussenvonnis);
- de akte uitlating van NAM van 13 juni 2018, met productie 7;
- de antwoordakte, tevens akte overlegging producties van [eisende partij sub 1 c.s.] van 27 juni
2018, met productie18 tot en met 20;
- de akte overlegging producties van NAM van 9 januari 2019, met producties 8 tot en met 12;
- de antwoordakte van [eisende partij sub 1 c.s.] , van 6 maart 2019;
- de akte uitlating arrest Hoge Raad van [eisende partij sub 1 c.s.] van 2 oktober 2019;
- de akte uitlaten van NAM van 13 november 2019, met productie 13;
- de akte uitlating laatste akte wederpartij van [eisende partij sub 1 c.s.] van 8 januari 2019.
1.2. Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.
2 De verdere beoordeling
2.1. In deze zaak is aan de orde of sprake is van schade aan de woning van [eisende partij sub 1 c.s.]
door beweging van de bodem als gevolg van gaswinning door NAM. In dit verband doet [eisende partij
sub 1 c.s.] een beroep op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a lid 1 BW. Ter voldoening aan het
tweede lid van dit artikel heeft [eisende partij sub 1 c.s.] , na het tussenvonnis, NAM in de gelegenheid
gesteld om nader onderzoek aan de woning te verrichten. Hiertoe heeft NAM Royal HaskoningDHV
(hierna: RHDHV) ingeschakeld. RHDHV heeft haar bevindingen in drie rapporten neergelegd, namelijk
het Algemeen technisch rapport van 3 december 2018, het Inspectierapport van 18 oktober 2018 en
het Schaderapport van 18 december 2018 (productie 8 van NAM). Op 21 december 2018 heeft NAM
deze rapporten aan [eisende partij sub 1 c.s.] ter beschikking gesteld.
2.2. Deze - omvangrijke - rapporten kunnen als volgt worden samengevat. RHDHV heeft het onderzoek
naar de oorzaak van de schade aan de woning uitgevoerd via de door TNO ontwikkelde methodiek van
de Root Cause Analysis. Deze methode dient ertoe om de oorzaak van een schade aan een gebouw te
achterhalen door middel van het inventariseren van alle mogelijke schadeoorzaken en het
systematisch uitsluiten of aantonen van deze oorzaken. Hiertoe heeft RHDHV de (bouw)gegevens van
de woning onderzocht, de woning geïnspecteerd, de schade en scheuren (alle kleiner of gelijk aan 0,5
mm) in kaart gebracht en de omgevingsfactoren geïnventariseerd die kunnen leiden tot trillingen of
zettingen bij de woning. Om de trillingen als gevolg van aardbevingen te bepalen, heeft RHDHV de
methode Ground Motion Prediction Equation (hierna: GMPE) gehanteerd. Bij deze methode worden de
trillingen niet ter plaatse van de woning gemeten, maar berekend, in dit geval aan de hand van de
door het KNMI geregistreerde meetgegevens van de aardbeving te Huizinge van augustus 2012. Om
de kans op schade aan de woning als gevolg van de trillingen te bepalen heeft RHDHV de SBR Richtlijn
A gehanteerd. De berekening heeft geleid tot de volgende uitkomst, zoals weergegeven onder 2.2.9.6
van het Schaderapport:
Het resultaat van de berekening van de beving van Huizinge is dat de kans dat er lichte schade is
opgetreden ongeveer 0,3% bedraagt. Er is een kans van 99,7% dat door de beving van Huizinge in
het geheel géén schade is opgetreden. Deze kansen worden onderbouwd in Tabel 8 en de grafiek in
Figuur 13. De berekende kans op schade is kleiner dan 1%, waarmee volgens SBR Richtlijn A deze
kleiner is dan onwaarschijnlijk.
RHDHV heeft voor iedere schade/scheur of groep daarvan, door middel van de methode uitsluiten en
aantonen de mogelijke scenarios van schadeoorzaken onderzocht.
Hierbij heeft RHDHV met betrekking tot de oorzaak Overbelasting door trillingen door aardbevingen
geconcludeerd:
De op deze locatie opgetreden trillingen door aardbevingen in het verleden zijn slechts heel licht
geweest. De kans dat deze trillingen schade veroorzaakt hebben is slechts 0,3%. Zie hiervoor
paragraaf 2.2.9.6. Dit houdt dus in dat de kans dat de aardbevingen in het geheel geen trillingen
veroorzaakt hebben, 99,7% is. De zeer kleine kans dat aardbevingen schade veroorzaakt hebben dient
vergeleken te worden met de veel grotere kans dat de hierna genoemde schadescenarios schade
veroorzaakt hebben. Tevens zou een grote beving niet leiden tot een scheurenpatroon dat hier is
opgetreden. Daaruit volgt dat het veel waarschijnlijker is dat de hierna genoemde schadescenarios de
schade veroorzaakt hebben. Overbelasting door trillingen door aardbevingen wordt uitgesloten als de
oorzaak van de schade ()
De door RHDHV gevonden oorzaken voor de schade en scheuren zijn:
- overbelasting door onvoldoende sterkte, stijfheid, samenhang;
- verhinderde vormingen door veroudering/aantasting;
- verhinderde vervormingen door temperatuursinvloeden;
- zettingen bij gelijkblijvende belasting;
- overbelasting vanuit gebruik in normale gebruikssituatie.
RHDHV heeft ook nog een vergelijking gemaakt met de op 5 oktober 2015 door het Noordelijk Schade
Taxatie Bureau opgenomen schade aan de woning, op grond waarvan RHDHV heeft geconcludeerd dat
er geen sprake is van toename van de schade (blz. 6 van het Schaderapport).
RHDHV heeft geconcludeerd dat er geen schade aan de woning is aangetroffen die het gevolg is van
gaswinning en het als gevolg daarvan optreden van aardbevingen en bodemdaling.
2.3. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft tegen de rapporten van RHDHV, samengevat, het volgende
ingebracht:
- RHDHV heeft zich slechts gebaseerd op één specifieke aardbeving te Huizinge, terwijl er bijvoorbeeld
in 2018 al 87 aardbevingen zijn gemeten. Deze cumulatie van aardbevingen heeft RHDHV niet in haar
onderzoek betrokken;
- RHDHV heeft - in afwijking van de SBR-Trillingsrichtlijn en de TNO-methodiek
- geen metingen verricht aan de woning van [eisende partij sub 1 c.s.] , maar heeft een uit november
2017 afkomstig rekenmodel gehanteerd, gebaseerd op gegevens uit de KNMI-database. Deze database
is niet betrouwbaar, omdat veel van de sensoren in het aardbevingsgebied verkeerd waren afgesteld,
zoals het KNMI in februari 2019 heeft bekendgemaakt;
- RHDHV is ten onrechte voorbijgegaan aan de door TU Delft geconstateerde triggerwerking;
- RHDHV heeft - in afwijking van de TNO-methode - i) geen historisch overzicht gegeven van de
scenarios die geresulteerd kunnen hebben in de schade aan de woning, ii) niet per scheur een
verwachting voor de toekomst aangegeven en iii) het scenario van de aardbevingstrillingen als
schadeoorzaak (of als een van de schadeoorzaken) niet uitgewerkt.
Aangezien uit onderzoek door TU Delft blijkt dat ook voor de stad [plaats] , waar de woning is gelegen,
aardbevingstrillingen - in het bijzonder vanwege de triggerwerking - niet uitgesloten kunnen worden
als schadeoorzaak, komt [eisende partij sub 1 c.s.] een beroep op het bewijsvermoeden toe.
2.4. Hierover wordt het volgende overwogen.
2.5. RHDHV heeft haar keuze voor de GMPE-methode in 2.3.6.4 van het Algemeen technisch rapport als
volgt gemotiveerd:
2.3.6.4 Berekende trillingen
Rekenmethode
Om een te verwachten waarde van trillingen aan te kunnen geven zonder dat op die locatie gemeten
is, zijn door het KNMI rekenmodellen ontwikkeld. Deze worden Ground Motion Prediction Equation
(GMPE) genoemd. De meest recente versie is beschreven in het artikel Empirical Ground-Motion
Prediction Equations for Peak Ground Velocity from Small-Magnitude Earthquakes in the Groningen
Field Using Multiple Definitions of the Horizontal Component of Motion Updated Model for Application to
Smaller Earthquakes, november 2017, van Bommer et al. In dit artikel is een rekenmodel beschreven
dat is gebaseerd op iets meer dan 1000 trillingsmetingen bij 47 verschillende aardbevingen uit de
KNMI database. () De uitkomst van het rekenmodel is een trillingssnelheid op maaiveldniveau. Deze
methode is in brede kring aanvaard. Ook het rapport van de TU Delft: (Bouwkundige schade in
Groningen , Methodologie en case-studies ter duiding van de oorzaken, TU Delft, Faculteit Civiele
Techniek en Geowetenschappen, Rapport nummer: CM-2018-0, gedateerd 11 juli 2018.) gebruikt deze
methode.
2.6. In het TNO-rapport (productie 7 van NAM) is, anders dan [eisende partij sub 1 c.s.] lijkt te betogen,
niet voorgeschreven dat trillingen ter plaatse van het gebouw moeten worden gemeten, maar slechts
dat TNO ervan uitgaat dat dit veelal gebeurt. De rechtbank wijst op dit punt op de volgende passage
onder 5.4.3. van het rapport:
Voor scheuren die zijn ontstaan als gevolg van een overbelasting door trillingen geldt dat dergelijke
scheuren veelal moeilijk zijn te onderscheiden van scheuren als gevolg van andere oorzaken. Daarom
wordt voor wat betreft de beoordeling van scheurvorming door trillingen veelal gebruik gemaakt van
trillingsmetingen op het gebouw zelf.
2.7. Voor zover [eisende partij sub 1 c.s.] heeft aangevoerd dat de SBR-Trillingsrichtlijn een meting ter
plaatse van de woning voorschrijft, acht de rechtbank van belang dat RHDHV dit aspect heeft
besproken in de volgende passage onder 2.3.6.3 van het Algemeen technisch rapport:
Type Meting:
De SBR Richtlijn A gaat er vanuit dat trillingsmetingen zijn uitgevoerd op verschillende locaties aan het
pand op maaiveldniveau en op de bovenste verdieping, met tussenafstanden van maximaal 10 meter
en in ieder geval op een locatie zo dicht mogelijk bij de trillingsbron. Dit wordt in de richtlijn een
uitgebreide meting genoemd. De richtlijn staat ook toe dat op minder locaties in het gebouw wordt
gemeten, maar omdat dan minder zeker is dat de maatgevende trilling wordt gemeten moet een
veiligheidsfactor over de gemeten waarden worden toegepast.
()
De veiligheidsfactor brengt de meetonzekerheid in rekening. Bij de omschrijving van het
toepassingsgebied (SBR hoofdstuk 3, blz. 14) wordt expliciet gesteld dat de grenswaarden ook
gehanteerd mogen worden voor de beoordeling van een berekende trillingsnelheid. Dit is nader
toegelicht in kader 5 op blz. 14 van de SBR.
In Groningen zijn vele metingen beschikbaar en is een volledig stochastisch model beschikbaar
waarmee trillingssnelheden met overschrijdingswaarden kunnen worden berekend. In het door RHDHV
uitgevoerde RCA-onderzoek is het trillingsniveau berekend volgens de EGMPE-methode waarbij
zorgvuldig de statistische onzekerheden in rekening gebracht zijn. Zie hiervoor hoofdstuk 2.2.9.3 van
het RHDHV schaderapport.
Dus enerzijds geeft de SBR(A) een richtlijn voor het meten van trillingen, anderzijds geeft de SBR(A)
grenswaarden voor daadwerkelijk in een gebouw optredende trillingen, op welke wijze dan ook
vastgesteld.
Ook het onderzoeksteam van de TU gaat ervan uit dat de SBR(A) een betrouwbare methode geeft voor
het bepalen van het risico op schade door bevingen.
- TU-rapport blz. 199: Door middel van simulatieberekeningen is gekeken naar de invloed van
initiële spanningen door verschillende belastingen in combinatie met de spanningen van trillingen
door bevingen. Hieruit blijkt dat metselwerkwanden in een gebouw uitsluitend belast door eigen
gewicht en rustende belasting, trillingen tot de in SBR Richtlijn A genoemde grenswaarden
(globaal 3 tot 5 mm/s voor gebouwen in metselwerk) zonder schade kunnen weerstaan. Hoewel
deze kwantitatieve inzichten met voorzichtigheid gehanteerd moeten worden, stemmen zij
overeen met een bredere praktijkervaring (zoals bijvoorbeeld vervat in de voorschriften van SBR
Richtlijn A) en met de inzichten eerdere uit schade-evaluaties, onder meer na de beving bij
Huizinge (2012).
2.8. Met het voorgaande heeft RHDHV verantwoord dat zij geen trillingsmetingen ter plaatse van de
woning heeft uitgevoerd, maar is uitgegaan van berekende trillingswaarden via de GMPE-methode.
[eisende partij sub 1 c.s.] heeft de juistheid van deze keuze niet (gemotiveerd) bestreden. De
rechtbank volgt [eisende partij sub 1 c.s.] daarom niet op dit punt.
2.9. Met betrekking tot het bezwaar van [eisende partij sub 1 c.s.] dat RHDHV geen rekening heeft
gehouden met de cumulatie van aardbevingen, maar met slechts de aardbeving te Huizinge, wordt het
volgende overwogen. RHDVH heeft, zoals uit blz. 21 van het Schaderapport blijkt, van 10
aardbevingen uit de periode 2007 tot en met 2014 onderzocht welke aardbeving de grootste trillingen
ter plaatse veroorzaakt heeft. Hieruit is naar voren gekomen dat de grootste trillingen zijn veroorzaakt
door de aardbeving te Huizinge van augustus 2012. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft niet toegelicht op
grond waarvan RHDHV ook minder krachtige aardbevingen en de cumulatie van aardbevingen in haar
onderzoek had moeten betrekken. Hierop strandt zijn betoog.
2.10. Met betrekking tot de door [eisende partij sub 1 c.s.] bedoelde triggerwerking wijst de rechtbank
erop dat RHDHV daarop is ingegaan in het Algemeen technisch rapport. Daarover heeft RHDHV onder
2.3.6.3 het volgende geschreven:
Triggerwerking
De onderzoekers van de TU Delft introduceren het begrip triggerwerking. Dit houdt in dat door andere
oorzaken dan mijnbouw de constructie al enigszins gescheurd kan zijn, er zouden microscheurtjes
ontstaan kunnen zijn. Vervolgens zouden lichte aardbevingen deze microscheurtjes kunnen doen
vergroten tot zichtbare scheuren. De beving zou dan de trigger zijn. Dit zou dan volgen uit door de TU
uitgevoerde berekeningen. RHDHV kan zich in deze formuleringen niet vinden. Dit om de volgende
redenen:
- De uitgevoerde berekeningen zijn niet geverifieerd in de praktijk of in het laboratorium. Dat lijkt ook
niet echt mogelijk. Het zal vrijwel niet te doen zijn om de belastingen zodanig op te leggen dat
hierdoor slechts micro scheurtjes zullen ontstaan. Ze zijn immers niet zichtbaar. Wij verwachten dat
een micro scheurtje niet lang micro zal blijven en niet zal afwachten tot het via trillingen getriggerd zal
worden om groter te worden.
- Indien een constructie op scherp staat vanwege nog niet zichtbare microscheurtjes, dan kan iedere
gebeurtenis de trigger zijn. Dus ook zaken als windbelastingen, temperatuurbelastingen,
gebruiksbelastingen, verkeerstrillingen, trillingen door gebruik enz, enz. Waarom zouden dat alleen
aardbevingstrillingen moeten zijn? In dit verband wijzen wij ook op onderstaande Figuur 6. Daarin zijn,
ongefilterd, door het TNO netwerk gemeten trillingen weergegeven. Er doen zich vele trillingen voor,
slechts de rode zijn het gevolg van aardbevingen. De figuur is ontleend aan Technical Addendum to
the Winningsplan 2016 - 1st April 2016.
Op blz. 96 van het TU-rapport stellen de onderzoekers dan ook: Op basis van het aantal van de
bevingen en de sterkte van de lichte of zeer lichte bevingen kan worden aangenomen dat de invloed
van hun trillingen niet aanwijsbaar en onderscheidbaar is ten opzichte van trillingen uit andere
bronnen, binnen of buiten het gebouw.
- De triggerwerking houdt dus in dat er al een niet zichtbare scheur is (micorscheurtjes), veroorzaakt
door een andere oorzaak dan bevingen. Dit houdt in dat ook al heeft de aardbeving de schade wellicht
niet veroorzaakt, deze heeft er wel toe kunnen bijgedragen dat de schade groter is geworden. Dit lijkt
een aannemelijke theorie. Deze theorie wordt echter, bij de recentelijk door RHDHV uitgevoerde RCA
onderzoeken voor projecten in het aardbevingsgebied, niet ondersteund door de praktijk. De
fotovergelijkingen voor en na een maatgevende beving welke RHDHV gemaakt heeft bij een tiental
projecten tonen aan dat de bestaande scheuren niet verergerd zijn door de in de tussentijd opgetreden
aardbevingen en dat er ook geen scheuren die eerst onzichtbaar waren, nu zichtbaar geworden zijn.
De aardbevingen die het betreft gaven trillingsniveaus op de locaties die in meer of mindere mate
boven de grenswaarden van de SBR lagen en veelal zijn die tussentijdse aardbevingen voor die locatie
zwaarder geweest dan alle voorgaande bevingen.
2.11. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft de juistheid van deze weerlegging door RHDHV van de
triggerwerking niet (gemotiveerd) bestreden. De rechtbank volgt [eisende partij sub 1 c.s.] dus niet op
dit punt.
2.12. In reactie op het bezwaar van [eisende partij sub 1 c.s.] dat RHDHV bij de berekeningen is
uitgegaan van de onbetrouwbare meetgegevens uit de KNMI-database, heeft NAM bij akte uitlaten van
13 november 2019, samengevat, het volgende aangevoerd: het KNMI heeft de versnellingsmeters
opnieuw afgesteld en de metingen gecorrigeerd. Deze gecorrigeerde metingen zijn verwerkt in de
GMPE-methode en daarnaast zijn alle metingen van aardbevingstrillingen over de periode november
2017 tot maart 2019 toegevoegd. Op basis van de meest recente versie van de GMPE-methode is het
document Seismische informatie locatie [adres] opgesteld (productie 13). Hierin zijn de eerder
berekende grondsnelheden van de zwaarste beving van 3,18 mm/s neerwaarts bijgesteld naar 2,83
mm/s. Deze uitkomst leidt dus niet tot aanpassing van de in het Schaderapport opgenomen conclusie.
2.13. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft, naast dat het hem niet duidelijk is wie productie 13 heeft opgesteld,
niets aangevoerd wat hiervoor niet eerder door de rechtbank is besproken. Daarmee heeft [eisende
partij sub 1 c.s.] de juistheid van deze weerlegging door NAM van zijn bezwaar niet voldoende
gemotiveerd bestreden. De rechtbank volgt [eisende partij sub 1 c.s.] dus niet op dit punt.
2.14. Ten slotte is nog aan de orde het bezwaar van [eisende partij sub 1 c.s.] dat RHDHV is afgeweken
van de TNO-methode doordat, kort gezegd, de scenarios onvoldoende zijn uitgewerkt.
2.15. Het TNO-rapport luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
5 Analyse van de oorzaken van de scheurvorming
5.1 Algemeen
()
Ten behoeve van het uitsluiten en aantonen van oorzaken van de scheurvorming dienen per scheur
dan wel groepering van scheuren de volgende deelstappen doorlopen te worden:
a. Uitsluiting van oorzaken op basis van gegevens over het gebouw
b. Uitsluiting van oorzaken op basis van gegevens over de omgeving
c. Per mogelijke oorzaak nagaan of die een rol gespeeld kan hebben
d. Opstellen schadescenarios.
()
5.4 Deelstap c: Rol van alle mogelijke oorzaken
Na het doorlopen van de deelstappen a. en b. zullen oorzaken zijn uitgesloten als mogelijke oorzaak
van de scheurvorming. Vervolgens moet voor alle overgebleven oorzaken, per oorzaak, worden
nagegaan of die oorzaak daadwerkelijk een rol gespeeld kan hebben. per schadeoorzaak moet dit
resulteren in één van de volgende kwalificaties:
- Het kan een rol gespeeld hebben
- Het heeft geen rol gespeeld.
()
5.5. Deelstap d: Opstellen schadescenarios
Na het doorlopen van deelstap c blijven veelal nog meerdere mogelijke oorzaken open voor het
ontstaan van de scheurvorming. In deelstap d moet een overzicht gegeven worden van de scenarios
die, op basis van de mogelijke oorzaken, geresulteerd kunnen hebben in de schade. Hierbij moeten
zowel scenarios met slechts één schadeoorzaak als scenarios met combinaties van schadeoorzaken
worden opgesteld.
Per scenario moet een historisch overzicht gegeven worden van de volgorde van de verschillende
oorzaken, bij voorkeur met daarbij een tijdsindicatie. Per scenario moet verder ook worden
aangegeven wat de verwachting is voor de toekomst, met name ten aanzien van de doorgaande
vervormingen ter plaatse van de scheur en/of doorgroeien van de scheur.
2.16. Uit deze passages maakt de rechtbank op dat oorzaken die onder de deelstappen a, b en c worden
uitgesloten, niet meer behoeven te worden verwerkt in de onder deelstap d bedoelde schadescenarios.
In dit geval heeft RHDHV, zoals hiervoor vermeld, voor alle schade en scheuren overbelasting door
trillingen door aardbevingen uitgesloten als mogelijke schadeoorzaak. Zij hoefde deze oorzaak volgens
de TNO-methode daarom niet meer onder deelstap d uit te werken. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft
daarnaast niet aangegeven wat het belang is van het geven van een historisch overzicht van de
scenarios die (wel) geresulteerd kunnen hebben in de schade aan de woning en het per scheur
aangeven van een toekomstverwachting. De enkele opmerking dat dit niet is gebeurd wat daarvan
overigens ook zij doet niet af aan de bewijswaarde van de rapporten van RHDHV. Hierop strandt het
bezwaar van [eisende partij sub 1 c.s.]
2.17. De bevindingen van RHDHV leiden de rechtbank tot de vaststelling dat er geen sprake is van fysieke
schade als bedoeld in artikel 6:177a lid 1 BW, zodat [eisende partij sub 1 c.s.] geen beroep toekomt op
het daarin verwoorde bewijsvermoeden. Conform de in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering opgenomen hoofdregel van het bewijsrecht is het aan [eisende partij sub 1 c.s.] om
voldoende onderbouwd te stellen en, als daaraan wordt toegekomen, te bewijzen dat de schade aan de
woning is veroorzaakt door beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning door NAM.
2.18. Tegenover de rapporten van RHDHV heeft [eisende partij sub 1 c.s.] te weinig gesteld om tot
bewijslevering te kunnen worden toegelaten. In dit geding is derhalve komen vast te staan dat de
schade aan de woning van [eisende partij sub 1 c.s.] niet is veroorzaakt door beweging van de bodem
als gevolg van de gaswinning door NAM. De vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] zullen daarom
worden afgewezen.
2.19. [eisende partij sub 1 c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten
van de procedure. Die kosten worden aan de zijde van NAM begroot op 5.683, namelijk 1.924 aan
griffierecht en 3.759 aan salaris advocaat (3½ punten à 1.074 per punt, volgens tarief IV). De
daarover door NAM gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.
3 De beslissing
De rechtbank
3.1. wijst het gevorderde af;
3.2. veroordeelt [eisende partij sub 1 c.s.] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van
NAM begroot op 5.683, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan
voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de
datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.3. verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. de Coninck en in het openbaar uitgesproken op
11 maart 2020.1
1
type: 1554 coll: