Uploaded by smetsellen

CURSUSTEKST PREHISTORIE 07 08

advertisement
1
PREHISTORIE
Inleiding
We spreken over geschiedenis als er geschreven bronnen ter beschikking zijn.
Ongeveer 6000 jaar geleden ontstond het schrift in Mesopotamië. Toch is de mens al
duizenden jaren ouder. Wanneer we op zoek gaan naar onze voorouders moeten wij
miljoenen jaren terug in de tijd. De evolutie van aap naar mens is zeer boeiend. Hoe
was dit mogelijk, welke factoren (zoals geografie, klimaat, voedsel,…) speelden hierin
een rol?
Wetenschappers zijn het regelmatig niet eens met elkaar. Je zou kunnen zeggen dat
er meer theorieën dan hominiden zijn. Zo merk je ondermeer dat er verschillen zijn
in datering.
We bestuderen de evolutie van de mens in grote lijnen, niet in detail. Deze tekst is
grotendeels gebaseerd op het eindwerk van Marco Bijnens en Tim Smolders: De
eerste stappen in de prehistorie via een website
(http://users.telenet.be/prehistorie/) . Raadpleeg deze website, je kan er o.a.
nog veel meer beeldmateriaal vinden. Op Bb vind je trouwens nog veel
beeldmateriaal (ppt).
Alle hominiden aangeduid met deze kleur moet je goed kennen. De andere moet je
kunnen situeren in tijd en ruimte en enkele belangrijke kenmerken kunnen geven.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
2
1. Het ontstaan van de aarde1
1.1. Het prille begin
Vijftien miljard jaar geleden bestond het heelal uit niets anders dan één
grote oerster.
Deze oerster was miljoenen graden heet. Dit zorgde voor een immense druk
binnenin deze ster.
Toen spatte deze oerster uiteen: dit is de oerknal of oerexplosie (ook wel de Big
Bang genoemd).
Onze planeet en ons hele zonnestelsel zijn maar kunnen ontstaan dankzij deze
oerknal.
Het is bewezen dat ons zonnestelsel afkomstig is van één groot geheel.
Hiervoor zijn twee belangrijke aanwijzingen.
Ten eerste is er het feit dat alle planeten om de zon draaien in min of meer hetzelfde
vlak.
Ten tweede draaien alle planeten in dezelfde richting.
Wetenschappers vermoeden dat de plaats die op dit moment door ons zonnestelsel
ingenomen wordt, na de oerknal gevuld was met een oernevel.
Door de zwaartekracht die in deze nevel aanwezig was, werden de kleine stukjes,
afkomstig van de Big Bang, naar elkaar toegetrokken. Deze deeltjes
balden zich samen tot grotere lichamen.
Door het invallen van deze deeltjes zou ook de rotatie van de planeten ontstaan zijn.
Er wordt beweerd dat de zon ook op deze manier ontstaan is, omdat het invallen van
deeltjes en het samenballen enorme warmte tot gevolg kan hebben.
Ook kan door het invallen van deze deeltjes de draaisnelheid van de planeten zo
hoog worden dat er zich ringen materie rond de planeet gaan vormen.
Dit verschijnsel zien we in ons zonnestelsel heel goed bij de planeet Saturnus.
De Aarde is ontstaan uit een gaswolk die transformeerde in een vast
lichaam. Een enorme bal met een lichte korst die ontelbare keren doorbroken werd
door uitbarstingen van hete magma.
1
http://users.telenet.be/prehistorie. Eindwerk Marco Bijnens en Tim Smolders, 2004-2005
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
3
Na zo een 500 miljoen jaar begon de temperatuur op aarde te dalen.
Waar de temperatuur zakte tot onder 1000°C, bleef de aardkorst bestaan.
Al die vulkanische uitbarstingen zorgden uiteraard voor enorme wolkenvorming. Na
de afkoeling van de aardkorst begon het dan ook onophoudelijk te regenen. Dit
zorgde in de eerste plaats voor een verdere afkoeling van onze planeet.
Deze eeuwigdurende regen legde de basis voor het leven op Aarde: de
eerste oceanen.
1.2. Het eerste leven2
De aarde ontstond ca. 4.5 miljard jaar geleden. 3.5 Miljard jaar geleden was
de aarde een woeste klomp steen. De aarde had toen al een atmosfeer. Maar de
samenstelling was heel anders. Vermoedelijk was er vrijwel geen zuurstof en veel
kooldioxyde (koolzuurgas) in de atmosfeer.
In 1951 lukte het de Amerikaan Miller organische stoffen te laten ontstaan uit een
mengsel van ammoniak (NH3), methaan (CH4), waterstof (H2) en water (H2O) door
dit mengsel bloot te stellen aan elektrische ontladingen. Tijdens zijn experimenten
ontstonden vele organische verbindingen waaronder aminozuren en nucleïnezuren,
verbindingen die onmisbaar zijn voor de bouw van eiwitten en chromosomen.
Men veronderstelt dat zoiets ook vroeger heeft plaatsgevonden. In de afkoelende
oeratmosfeer waren waarschijnlijk dezelfde stoffen aanwezig als die Miller in zijn
proef gebruikte.
Door bliksemontladingen zouden hieruit organische verbindingen zijn
ontstaan en deze zouden in oerzeeën terecht zijn gekomen. Door
verdamping uit de binnenzeeën zou daar indikking hebben plaatsgevonden waardoor
een organische oersoep zou zijn ontstaan. In deze oersoep zouden dan grotere
moleculen en vervolgens de eerste vormen van leven zijn ontstaan. We noemen het
ontstaan van leven uit levenloze materie biogenese.
2
http://library.thinkquest.org/26070/data/dut/ Dit is louter ter informatie
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
4
Zo ontstonden dus 3.5 miljard jaar geleden de eerste ééncellige
levensvormen. Deze waren in staat tot fotosynthese: zij ademden kooldioxyde en
water in en veranderden dit in eiwitten, vetten en andere organische verbindingen.
Deze omzetting kost energie, die ze haalden uit het zonlicht. Soortgelijke organismen
bestaan nog steeds. Algen, planten en bomen zijn ook in staat tot fotosynthese.
Scheikundig ziet deze omzetting er als volgt uit: 6 delen CO2 (kooldioxyde) + 5 delen
H2O (water) veranderen met behulp van energie uit zonlicht in: 1 deel C6H10O5
(zetmeel) + 6 delen O2 (zuurstof).
In die tijd bevatte de atmosfeer zeer veel koolzuur en weinig zuurstof. Dat
veranderde snel. Want door deze samenstelling van de atmosfeer konden de
ééncelligen snel groeien en zich vermenigvuldigen. Zij hadden toen nog geen
vijanden. Bij fotosynthese wordt kooldioxyde en water omgezet in zuurstof en
zetmeel. De ééncelligen veranderden grote hoeveelheden koolzuur in zuurstof. En er
waren nog geen dieren die zuurstof verbruikten. Daarom nam het koolzuur in de
atmosfeer snel af en nam de zuurstof toe. De atmosfeer veranderde radicaal. En na
korte tijd was de atmosfeer verzadigd met zuurstof. De eerste ééncelligen hadden
zich ontwikkeld in een koolzuurrijke atmosfeer. Nu was de atmosfeer zuurstofrijk en
koolzuurarm. Dit eiste aanpassing van de ééncelligen. Een aantal ééncelligen
veranderden van zuurstofproducenten (planten) in zuurstofconsumenten
(dieren). Zij aten de oude ééncelligen op en verbranden ze met behulp van
zuurstof. Hierbij kwam koolzuur vrij.
Na verloop van tijd ontstond een nieuw evenwicht. Als er veel zuurstofproducenten
(planten) waren, was er veel voedsel voor zuurstofconsumenten (dieren). Deze aten
de zuurstofproducenten op en namen zelf in aantal toe. Dan nam het voedsel af en
stierven de zuurstofconsumenten van de honger. Dan namen de
zuurstofproducenten weer in aantal toe. Deze cyclus bleef zich herhalen tot op de
dag van vandaag.
Een aantal zuurstofconsumenten leerde dat ze ook andere zuurstofproducenten
konden eten. Dit maakte de kringloop ingewikkelder. Er ontstonden steeds meer
verschillende soorten ééncelligen. Sommige leefden van dode materie
(zuurstofproducenten of planten), andere van levende materie (zuurstofconsumenten
of dieren).
De ééncelligen die opgegeten werden, vonden dat niet leuk. Sommigen
begonnen zich te verzetten. Een aantal zwom weg, andere leerden zich te
verbergen en weer andere leerden zich te verdedigen. De soorten die zich
niet verzetten, werden opgegeten en stierven uit. Zo kwam er meer ruimte
voor de soorten die in leven wilden blijven.
De ééncellige jagers moesten zich aanpassen. In het begin waren de
andere ééncelligen een gemakkelijke prooi. Maar geleidelijk aan wisten ze
steeds beter te ontsnappen aan hun jagers. De jagers die zich niet
aanpasten, stierven van de honger. Degenen die zich het best aanpasten
aan hun prooi, kregen meer voedsel en vermenigvuldigden zich sneller. De
luie en starre ééncelligen (zowel jagers als prooien) stierven vrij snel uit.
Daarna begon een wapenwedloop tussen de overgebleven jagers en
prooien. Ze ontwikkelden dus op sommige plekken meer dan op andere
plekken, zodat ze konden overleven. Bijvoorbeeld waren er dieren die zich
steeds beter leerden te verbergen, door een schutkleur aan te nemen. In
de loop van 3 miljard jaar ontwikkelden de ééncelligen zich tot planten,
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
5
weekdieren, insecten en vissen. Sommige dieren waren gespecialiseerde
planteneters. Andere dieren ontwikkelden zich tot roofdieren.
Daarna vorderde de evolutie sneller en sneller. Dieren en planten veranderden
steeds gemakkelijker en werden steeds intelligenter en complexer. 400 Miljoen jaar
geleden werden de vissen talrijk. 300 miljoen jaar geleden verschenen de eerste
amfibieën en reptielen.
De landdieren
De eerste reptielen en amfibieën hadden het vrij gemakkelijk. Zij waren (na de
insecten en weekdieren) de eerste dieren die het land betraden. Dit was volkomen
overwoekerd met varens en andere primitieve planten. Voor de eerste landdieren
was er voedsel in overvloed. Bovendien waren er nog geen vijanden. Die kwamen
echter snel. Reptielen en amfibieën begonnen elkaar op te eten. Sommige reptielen
werden planteneters, anderen echte roofdieren.
245 miljoen jaar geleden verschenen de eerste dinosauriërs. De
dinosauriërs domineerden de aarde tot 65 miljoen jaar geleden. Toen sloeg
waarschijnlijk een komeet of een meteorietenregen in op aarde en
veranderde de temperatuur drastisch, zodat de grote dinosauriërs
uitstierven, omdat ze zich niet konden aanpassen. Kleine dieren in de zee
en op het land hadden het gemakkelijker. Zij overleefden de ramp. Kort
voor deze ramp waren de eerste zoogdieren en vogels verschenen. Zij
waren warmbloedig en konden beter tegen klimaatsveranderingen. Zij konden zich
ook goed handhaven bij koudere temperaturen.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
6
Tussen 65 miljoen jaar geleden en 3 miljoen jaar geleden werden
zoogdieren en vogels de dominante soorten. Verschillende soorten zoogdieren
leerden gereedschap te gebruiken. Niet alleen primaten (aapachtigen), maar ook
otters. Een aantal primaten was zeer succesvol. Van hen stammen de
chimpansees, de gorrila's, de orang oetangs en de mensen af.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
7
2. Ontstaan van gebergten
2.1. Ontstaan van het Himalayagebergte
Het Himalayagebergte is tijdens het Oligoceen ontstaan (ca. 38 tot 24 miljoen jaren
geleden). Bij de verschuiving van de continenten kan je zien hoe India3 (oranje
gekleurd) steeds dichter bij het continent Eurazië (Europa + Azië) schoof. Tijdens het
Oligoceen botste India letterlijk tegen Eurazië aan. Deze botsing had de vorming
van het Himalayagebergte tot gevolg. Tijdens het Mioceen schoof India nog
verder in Eurazië. De Euraziatische aardplaten kwamen dus in botsing met die van
India. Dit had tot effect dat het land hier opgegooid werd en zo werd deze bergketen
gevormd.
Het woord 'Himalaya' stamt uit het Sanskriet en betekent 'sneeuwplaats'.
De Himalaya is 2400 km lang en tussen de 150 en 280 km breed. Het is een
hooggebergte; de hoogste bergtoppen ter wereld, zoals de Mount Everest (8850 m).
Om die reden wordt de Himalaya ook wel 'het dak van de wereld' genoemd.
De Alpen zijn op dezelfde wijze ontstaan omdat Afrika tegen Eurazië
botste.
De Alpen zijn het grootste en hoogste gebergte van Europa.
De vorming van deze gebergtes heeft belangrijke gevolgen gehad voor het klimaat.
Dit gebergte doet eigenlijk dienst als een muur tegen de koude en vochtige lucht
afkomstig uit de poolstreken. De berg houdt deze lucht tegen of remt het alleszins
af.
Op bovenstaande tekening zie je dit verschijnsel: de berg houdt de vochtige lucht tegen en daardoor ontstaat er aan de andere
kant van de berg een geheel ander klimaat.
Bijvoorbeeld: Napels (Italië) en New York (Verenigde Staten) liggen allebei op
dezelfde breedtegordel, namelijk die van 41°. Napels wordt beschermd tegen de
3
http://users.telenet.be/prehistorie/ Zie geotabel, verschuiving van continenten
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
8
koude poollucht door de Alpen, New York niet.
In juni is de gemiddelde temperatuur in Napels ongeveer 23° C, in New York 8° C.
Aan de andere kant van de berg kan dus een warmer klimaat ontstaan.
2.2. De Great Rift Valley
De Great Rift Valley is 12 miljoen jaar geleden ontstaan omdat aardplaten
begonnen te schuiven. De aardkorst scheurde letterlijk open, waardoor
een langgerekt gebied helemaal inzakte.
De Nederlandse benaming voor dit dal is 'de Centraal-Afrikaanse slenk'.
De naam geeft al een beeld over waar dit dal ontstaan is, namelijk Centraal-Afrika.
Een slenk wordt ook wel een 'breukdal' genoemd. Dit is eigenlijk niets meer dan een
langgerekt gebied waar de aardkorst ingezakt is.
Dit heeft enorme gevolgen met zich meegedragen.
Het ontstaan van deze vallei had een geweldige invloed op het klimaat.
Het oosten en het westen kregen een totaal verschillend klimaat- en
vegetatietype.
Voorheen bestond het landschap voornamelijk uit dichte bossen.
In het oosten viel door deze verstoring opeens veel minder neerslag dan
voorheen. Hierdoor verdwenen deze dichte bossen grotendeels.
Op deze open plekken groeiden nu vele hoge grassoorten. Dit noemt men
'savanne'.
De mensapen die in het oosten leefden, moesten zich aanpassen aan dit
nieuwe klimaat.
HET gevolg hiervan is dat ze rechtop gingen lopen.
Het rechtop lopen biedt vele voordelen:

Je hebt een veel beter overzicht over je omgeving.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
9



Door dit overzicht zie je beter waar je water en voedsel kan vinden.
Door rechtop te lopen heb je je handen vrij om bijvoorbeeld voedsel te
dragen. Het verzamelen van voedsel ging vanaf nu dus veel beter, sneller en
efficiënter.
Roofdieren houden zich schuil in deze hoge grassen. Als jij je op handen en
voeten door deze hoge grassen voortbeweegt, zie je deze dieren niet en zou
je wel eens op een heel onaangename verrassing kunnen botsen.
Als ze niet rechtop zouden gelopen hebben, hadden ze in dit nieuwe
klimaat niet kunnen overleven.
Wij stammen dus ook af van zij die in die periode in het oosten leefden.
Deze hebben zich verder ontwikkeld tot de mensachtigen.
Het westen was nog steeds rijk aan regen en daar bleven deze dichte wouden dus.
De mensapen die hier leefden, hadden niet zo'n sterke noodzaak om rechtop te leren
lopen. Zij verbleven voornamelijk in deze bossen en klommen nog heel vaak in de
bomen (terwijl degenen in het oosten dit niet meer konden doen aangezien er nog
maar weinig bomen groeiden). Zij bleven tot de stamboom van de mensapen
behoren. De chimpansee is een voorbeeld van zo'n mensaap.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
10
3 De ijstijden
Wat?
IJstijden zijn die periodes wanneer een gedeelte van het aardoppervlak met ijs
bedekt wordt en de vergletsjering toeneemt.
Vergletsjering is het proces wanneer een gewone berg in een ijsberg verandert.
Een ijstijd wordt vooraf gegaan door een warmere periode. De gletsjers smelten dan,
wat ervoor zorgt dat de zeespiegel aanzienlijk stijgt.
Wanneer?
Hieronder zie je een overzicht van de vier meest recente ijstijden.
Op deze tijdlijn zijn de blauwe vlakken de koude periodes (de ijstijden), de rode
vlakken zijn de warmere periodes (de interglacialen). Een interglaciale periode is die
periode wanneer het aardoppervlak tussen twee ijstijden opwarmt.
De ijstijd die ongeveer 600.000 jaar geleden begon en 540.000 jaar geleden
eindigde, wordt de Günz-ijstijd genoemd.
De periode tussen deze ijstijd en de volgende wordt de Günz-Mindel-interglaciaaltijd
genoemd.
De Mindel-ijstijd begon 480.000 jaar geleden.
De Mindel-Riss-interglaciaaltijd begon 370.000 jaar geleden en eindigde bij het begin
van de Riss-ijstijd (240.000 jaar geleden).
Als laatste begon de Riss-Würm-interglaciaaltijd zo'n 180.000 jaar geleden en de
Würm-ijstijd van 70.000 tot 10.000 jaar geleden. Wij leven nu dus in een
interglaciale periode.
Oorzaak?
De hoofdoorzaak van het ontstaan van een ijstijd is de totale zonnestraling
die de aarde ontvangt.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
11
De ijstijden ontstaan door een schommeling in de hoeveelheid
zonnestraling. Deze schommelingen zijn ontstaan doordat de aarde niet
telkens op dezelfde manier rond de zon draait.
Om de 96.000 jaar verandert deze ellips lichtjes. De aarde zal dus nog te kampen
gaan krijgen met ijstijden.
Gevolgen?
a) Algemene gevolgen voor het klimaat en het leven
Zo’n 600.000 jaar geleden veranderde het klimaat op de aarde. De straling van de
zon werd minder, de winter werd kouder en ook ’s zomers ging de temperatuur
omlaag. De zomers werden ook korter. In de winter viel er veel sneeuw.
Honderden jaren lang werden Noord-Europa en de Alpentoppen bedekt
met sneeuw.
Omdat de zomers te kort en te koud waren, dooide de sneeuw nooit
helemaal: alleen de bovenste laag smolt. Als het dan weer kouder werd,
veranderde de gesmolten sneeuw in ijs.
Door de koude kwam de sneeuw steeds verder naar het zuiden. De gletsjers rukten
op tot in het laagland. Waar eerst altijd regen viel, viel nu sneeuw.
Het verschil is dat regen terugstroomt naar zee, en sneeuw en ijs niet. Er bleef dus
veel meer water op het land liggen. De zeespiegel lag daardoor 90 meter lager!
In tijden van extreme kou werd veel water aan de zee onttrokken en opgeslagen in
de ijskappen. De zeespiegel daalde wereldwijd wel 150 meter, en ondiepe
zeeën, zoals de Noordzee lagen grotendeels droog. Eens zwierven daar grote
kudden mammoeten, neushoorns, bizons, steppepaarden en verschillende
hertensoorten. Deze kudden trokken natuurlijk ook grote roofdieren aan, en het is
dan ook geen wonder dat leeuwen, hyena's en luipaarden hier hun jachtterrein
hadden.
De kustgebieden vielen droog, de eilanden werden met het vasteland verbonden.
Bijvoorbeeld de Britse eilanden en Noord-Frankrijk waren een geheel. Veel later, toen
het klimaat verbeterde, smolt de sneeuw weer. Bijvoorbeeld: tijdens de laatste ijstijd
waren er in de Sahara zelfs meren waarin krokodillen en nijlpaarden leefden. Je kon
er toen ook olifanten en neushoorns zien. De Sahara werd dus meer bewoonbaar
voor dieren, maar ook voor de mensen.
Het land was niet meer zo droog, men kon aan visvangst doen en jagen vermits er
meer dieren waren.
b) Gevolgen voor het klimaat en het leven in onze streken
(Noord-Europa)
Noord-Europa was voor de ijstijden steeds zeer bosrijk geweest. Tijdens de ijstijden
veranderde dit helemaal. De bossen verdwenen en werden vervangen door toendra.
Het toendraklimaat wordt gekenmerkt door een permanent bevroren bodem. In de
zomer smelten enkele centimeters ijs waarop dan mossen en dwergstruiken groeien.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
12
Van de immense wouden bleef dus niets meer over.
Tijdens een ijstijd viel er weken aan een stuk sneeuw uit de hemel. In Noord-Europa
vielen er sneeuwtapijten tussen de 100 en 300 meter. Hele kudden dieren, onder
andere mammoeten, kwamen hierdoor om. Deze dieren vroren in en werden
vaak gevonden in een houding alsof ze aan het klimmen waren.
Ze zullen getracht hebben boven de alsmaar dikker wordende sneeuwlaag uit te
klimmen en rekten hun slurf naar omhoog om zo lang mogelijk lucht te kunnen
ademen.
Toen de ijskap weer wegsmolt bleven de lichamen achter, vergingen en werden
skeletten.
c) Gevolgen voor de mensen
De mens hing voor zijn voortbestaan af van dieren en planten. Dergelijke
klimaatsveranderingen hadden dus ook een weerslag op de mens. De mens leefde
zoals elk ander dier in een bepaald systeem. Hij moest een soort relatie opbouwen
tussen hemzelf en het klimaat, de dieren en de vegetatie.
De ijstijden zorgden voor deze verandering. Bij veranderingen van klimaat, dieren en
vegetatie moest de mens een nieuwe relatie tot stand brengen: ofwel moest hij
migreren (wegtrekken naar een gebied waar het beter was voor hem), ofwel moest
hij zich aanpassen. Als hij dit niet deed, was hij tot uitsterven gedoemd.
De hominiden die tijdens een ijstijd leefden, moesten zich dus aanpassen.
Na enkele generaties veranderden zelfs hun uiterlijke kenmerken: ze
werden kleiner en behaarder om de warmte beter in het lichaam te
bewaren.
Ook moesten ze hun dagelijks menu aanpassen. Ze moesten het stellen met het
eten van nieuwe en andere planten en vlees van andere diersoorten.
In de warme periodes waren er veel bosdieren, herten, bosolifanten en beren. In de
ijstijden waren er vooral steppedieren, rendieren, paarden, mammoeten en
wolharige neushoorns.
Doordat de bossen verdwenen tijdens de koude periodes, hadden de hominiden
geen hout meer. Ze gebruikten dan bijvoorbeeld botten van dode dieren als
bouwmateriaal voor hun hutten. Mammoetbeenderen waren hier uitstekend voor.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
13
4. Van bij-de-mens tot hominide tot mens
Tijdlijn
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
14
4.1. Pierolapithecus catalaunicus
Pierolapithecus catalaunicus betekent 'Catalaanse aap van Pierola'. Hij is
genoemd naar zijn vindplaats in Spanje.
Wanneer?
De Pierolapithecus catalaunicus leefde zo'n 13 miljoen jaar geleden.
Waar?
Hij leefde in de oerwouden van Afrika, maar kwam ook voor in Europa.
Leven in groep
Bekend is dat ze in groepen leefden van een tiental individuen. Aan het hoofd van
zo'n groep stond een dominant mannetje. Dit mannetje eiste ook alle paringen voor
zich op.
Taal
Ze communiceerden via grommen, geluidjes, kreetjes, zuchten enz.
Voornamelijk lichaamstaal dus. Ze hadden dus geen gesproken taal.
Migratie
Hij heeft het Afrikaanse continent verlaten en is naar Europa getrokken.
Hij is zeer recent gevonden (november 2004). De ontdekking van deze mensaap in
Europa is eigenlijk in strijd met dingen die men voor deze vondst dacht.
Voorheen was men ervan overtuigd dat men pas zo'n anderhalf miljoen jaar geleden
begon met de migratie. Geleerden noemen dit ook de 'Out of Africa 1' (zie Homo
ergaster en Homo erectus). Deze ontdekking bewijst dus dat er al veel eerder aan
migratie gedaan werd.
Schedel
Zijn schedel lijkt heel erg fel op die van de apen. Vermoedelijk moet zijn gezicht eruit
gezien hebben zoals op onderstaande tekening.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
15
Gebit
Zijn gebit was net hetzelfde als dat van de chimpansee en andere primitievere apen.
Dit komt omdat zij hetzelfde voedsel eten.
Handen en voeten
Ze hadden heel korte handen en tenen. Hij kon heel goed in bomen klauteren.
Gestalte
Ze wogen doorgaans 35 kg en werden ongeveer 1,20 meter groot.
Kledij
Ze hadden geen kledij nodig, want ze waren heel behaard.
Voedsel
Omdat hij nog zo sterk op apen lijkt, is men er zeker van dat hij uitsluitend
plantaardig voedsel at. Bijvoorbeeld: noten, planten, bessen, wortels, knollen,
... Vandaar dat ook zijn tanden hetzelfde zijn als die van de apen.
Woning
Vermoedelijk leefde de Pierolapithecus catalaunicus in bomen.
4.2. Sahelanthropus tchadensis
Sahelanthropus tchadensis betekent letterlijk 'Sahelmens uit Tsjaad'.
Sahel betekent in het Arabisch 'kust' of 'grens', waarmee de kuststreek van de
woestijn wordt bedoeld.
De naam van deze hominide vindt dus zijn verklaring in zijn vindplaats: de woestijn
in Tsjaad.
Wanneer?
De Sahelanthropus tchadensis leefde zes tot zeven miljoen jaar geleden.
Waar?
Hij kwam op verschillende plaatsen in Afrika voor: in Tsjaad, in het zuiden van de
Sahara en op verschillende plaatsen in Midden-Afrika.
Leven in groep
De Sahelanthropus tchadensis leefde hoogstwaarschijnlijk in groep, maar
archeologen hebben geen vondsten gevonden om te kunnen bepalen hoe groot deze
groepen waren.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
16
Taal
Ze hadden geen gesproken taal, maar ze communiceerden wel door te grommen,
krijsen, zuchten enz.
Migratie
De geleerden zijn het erover eens dat de tchadensis Afrika nooit verlaten heeft.
Hij heeft dus nooit aan migratie gedaan.
Schedel
Het gezicht van deze mensaap was minder vooruitstekend dan dat zijn voorgangers,
maar had wel nog een zware doorlopende wenkbrauwboog. De herseninhoud van
deze hominide bedraagt tussen de 280 en 320 cm³.
De schedel van een tchadensis
Gebit
Het gebit van de Sahelanthropus tchadensis had kleine hoektanden en geen slijpvlak
op de eerste kies.
Mensen hebben ook geen slijpvlak op de eerste kies, de apen hebben dit wel.
Armen en benen
Er heerst nog twijfel of hij tweebenig was of niet. Vermoedelijk was hij dit wel, maar
het staat wel vast dat hij niet de hele dag rechtop liep, hij zou dit maar af en toe
doen (bijvoorbeeld om te kijken of er nergens gevaar schuilt, als er ergens voedsel of
een waterbron in de buurt is enz.)
Zijn armen en benen (dus ook zijn handen en voeten) waren nog uitermate
afgestemd op het klimmen in bomen. De dikke teen stond bijvoorbeeld niet in het
verlengde van de andere tenen (zoals bij ons), maar stond zoals bij ons de duim
t.o.v. de andere vingers staat. De dikke teen had bij deze mensachtige dus nog een
grijpfunctie en was op die manier ook ideaal om in bomen te hangen en te slingeren.
Kledij
Hij leek nog zeer sterk op de apen die wij nu zien. Hij had geen kledij nodig, omdat
hij heel fel behaard was.
Voedsel
De Sahelanthropus tchadensis at uitsluitend plantaardig voedsel: noten, zaden,
bessen, knollen, wortels, vruchten e.d. maakten deel uit van zijn dagelijks voedsel.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
17
Onderzoekers kunnen zich hier geen juist beeld over vormen, omdat er maar zo
weinig vondsten gedaan worden rond deze hominide.
4.3. Ardipithecus Ramidus
Aan zijn ontdekking in Afar, een streek in Ethiopië, heeft de soort zijn naam te
danken. Deze is afgeleid uit twee woorden in het Afar, namelijk “ramid” en “ardi”.
Ramid staat voor “wortel” en “ardi” betekent “grond” of “bodem”. Pithecus
betekent “aap”, zoals de Australopithecus letterlijk vertaald “zuidelijk aap”
betekent. Ardipithecus Ramidus staat dan voor grondaap-worteleter. Grondaap
omdat hij op twee benen kon lopen en worteleter omdat zijn gebit aangepast was
aan taai plantaardig voedsel zoals wortels.
Wanneer?
De Ardipithecus Ramidus leefde 5,8 tot 4,4 miljoen jaar geleden.
Waar?
Hij leefde in een noordoostelijke streek in het huidige Ethiopië, in het oosten van
Afrika. Hij was omringd door een enorm bosrijke omgeving.
Leven in groep
Ardipithecus Ramidus leefde in groepen, omdat ze dan, net zoals chimpansees nu,
een grotere kans op overleven hebben dan wanneer ze alleen zouden leven.
Taal
Over een echte taal kunnen we niet spreken, wel over een lichaamstaal (bijvoorbeeld
groter maken dan anderen, zwaaien met armen, …) en dierlijke geluiden (onder
andere grommen).
Migratie
Er zijn totnogtoe alleen nog maar fossielen teruggevonden in deze bepaalde regio,
dus de soort is nergens heen getrokken, ze is met andere woorden niet gemigreerd.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
18
4.4. Australopithecus Afarensis
De Australopithecus afarensis is genoemd naar zijn vindplaats.
Australopithecus betekent letterlijk: 'Zuidelijke aap'; afarensis betekent 'van
Afar'.
Afar is een plaats in Ethiopië waar de eerste sporen gevonden zijn van deze
hominide.
Wanneer?
De Australopithecus afarensis leefde zo'n 4 tot 3 miljoen jaar geleden.
Waar?
Je vond hem voornamelijk in oerwouden in Oost-Afrika, meer bepaald in Ethiopië
en Tanzania.
Leven in groep
De afarensis leefde in groep, maar geen hechte. Ze leefden in groepen van twintig
tot dertig individuen. Het grootste deel van de dag zochten ze in kleinere groepjes
naar voedsel en ’s avonds kwamen ze allemaal terug samen. Deze kleine groepjes
zijn veel efficiënter, want zo kan je naar meer plaatsen tegelijk gaan om voedsel te
zoeken. Het nadeel is dan wel dat de roofdieren natuurlijk sneller een kleine groep
aanvallen dan een grote.
Aan het hoofd van zo'n groep stond één dominant mannetje.
Taal
Ze communiceerden met elkaar via gebaren en geluiden.
Migratie
Bekend is dat ook de afarensis Afrika nooit verlaten heeft en bijgevolg nooit
gemigreerd heeft.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
19
Wapens en werktuigen
De afarensis vervaardigde zelf geen werktuigen of wapens.
Hij gebruikte wel dingen die in de omgeving lagen om zich mee te
behelpen: bijvoorbeeld een stukje hout om termieten uit een heuvel te jagen en ze
zo gemakkelijker te kunnen vangen en op te peuzelen.
Men vermoedt ook dat de afarensis scherpe stukken steen gebruikte die dienst
moesten doen als mes.
Voedsel
Het menu van een afarensis bestond uit bessen, vruchten, zaden, noten, af en
toe een stukje vlees, muizen, vogels, padden, termieten en knollen.
De afarensis maakte geen jacht op andere dieren.
Hij kon zich ook moeilijk verdedigen tegen roofdieren, want hij bezat hiervoor geen
echte hulpmiddelen of wapens.
Voor een afarensis was overleven puur toeval, want zij domineerden de natuur niet:
de natuur domineerde hen.
Woning
Leefde in de bomen
Schedel
De afarensis had een vooruitstekende snuit, een platte neus, geen kin en een laag
voorhoofd. Ze hadden ook een zeer zware wenkbrauwboog.
Het hersenvolume is doorgaans tussen de 375 en 550 cm³.
Gebit
De voortanden lijken op die van chimpansee, maar ze zijn wat smaller. Ze hebben
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
20
kleine tanden, maar deze zijn wel groter en scherper dan de onze.
Aan de hand van de kiezen hebben wetenschappers kunnen afleiden dat een
afarensis meestal harder voedsel at. Om dit harder voedsel te kunnen fijnmalen,
hebben ze heel grote kiezen nodig. Deze zijn dus zeer geschikt om de dikke schil en
vruchtzaden te vermalen.
Ze hebben ook grote hoektanden om het taaie voedsel te eten.
Het gebit van apen ziet er uit als een rechthoek, die van de mens als een
parabool. Het gebit van de afarensis lag hier eigenlijk tussenin. Het had dus
kenmerken van beide.
Handen en armen
Deze ledematen waren nog steeds afgestemd op het klimmen. De vingerkootjes
waren gebogen en langer dan de onze en de armen lang en gespierd. Vooral de
bovenarmen waren erg sterk en dat was wel nodig als je zo veel moest klimmen.
Voeten en benen
De voeten van de afarensis leken meer op die van ons dan op die van de apen.
Zo stond de dikke teen in het verlengde van de andere tenen (net zoals bij ons). Bij
de apen staat de dikke teen meer aan de zijkant (zoals bij ons de duim aan de
hand).
Als de dikke teen in het verlengde van de andere tenen staat, kan je gemakkelijker
rechtop lopen.
Als de dikke teen niet in het verlengde van de andere tenen staat, kan je er
gemakkelijker dingen mee vastgrijpen (bijvoorbeeld ondersteboven hangen aan
takken). De apen gebruiken deze dikke teen om beter in bomen te kunnen hangen
en dingen vast te grijpen.
De Australopithecus afarensis liep rechtop. Dit bewijs werd gevonden door Mary
Leaky in Laetoli. Zij had voetsporen aangetroffen van twee individuen.
Wetenschappers geloven dat de afarensis in staat was om de hele dag rechtop te
lopen. De armen en voeten bewijzen toch dat deze mensaap nog een gedeelte van
zijn tijd in bomen verbleef.
Bekken
Zij hebben een komvormig bekken (zoals mensen). Bij de gewone apen is dat
bekken lang en smal.
Deze vormverandering was nodig omdat bij rechtop lopen het bekken de inwendige
organen moet dragen (bij apen doen de ribben dit).
De spieren die de benen en het bekken verbinden, zijn veel steviger. Dit is nodig om
tijdens het rechtop lopen het bovenlichaam in evenwicht te houden. Als dit niet zo
was, zou de afarensis omvallen tijdens het lopen.
De heupen van de afarensis waren wel meer gebogen dan de onze.
Door de korte benen moest de afarensis ook meer stappen zetten om dezelfde
afstand af te leggen als wij. Toch heeft recent onderzoek aangetoond dat de
afarensis efficiënter liep dan wij. De korte benen waren namelijk een voordeel bij het
rechtop lopen, omdat die in combinatie stond met een breed bekken.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
21
Niet alleen het bekken is gericht op rechtop lopen, ook de dij en het
kniegewricht zijn hieraan aangepast.
De dijbenen staan naar binnen ten opzichte van de heup zodat de knieën en voeten
dicht bij elkaar staan. Hierdoor kon hij zijn evenwicht bewaren. Bij apen staan de
voeten verder uit elkaar. Hierdoor waggelen de apen als ze rechtop lopen.
Gestalte
Gemiddeld werd een afarensis 90 tot 120 cm.
De afarensis woog slechts 25 tot 50 kg (de mannen zijn wel groter dan de vrouwen
en twee maal zo zwaar).
Kledij
Voor deze mensaap was het niet nodig om kledij te maken en te dragen, want
dankzij zijn dikke vacht was hij tegen elke weersomstandigheid opgewassen.
4.5. Australopithecus Africanus
Australis is het Latijnse woord voor “zuid” terwijl pithekos het Griekse woord is voor
aap. Australopithecus betekent dan iets zoals “zuidelijke aap”. Die naam wordt
aangevuld door africanus, waardoor de volledige naam dan voor “zuidelijk
(mens)aap uit Afrika” staat.
Deze naam is gegeven door Raymond Dart, een professor anatomie, die in ZuidAfrika in 1924 de schedel van een “kind” ontdekte. De schedel werd genoemd naar
de vindplaats, namelijk de leisteengroeves van Taung. Later zijn nog meer fossiele
resten van deze soort ontdekt
Wanneer?
De Australopithecus Africanus leefde van 3 tot 1,17 miljoen jaar geleden.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
22
Waar?
De Australopithecus Africanus kwam voor in de bossen en savannes van het zuiden
van Afrika.
Leven in groep
Ze leefden in groepen van twintig tot dertig individu’s, maar het grootste deel
van de dag trokken kleinere groepjes erop uit om voedsel te zoeken. Wanneer men
zich verspreidde was de kans op het vinden van voedsel groter dan dat men op
éénzelfde plaats met de hele groep ging zoeken.
Wapens en werktuigen
Net zoals de Australopithecus Afarensis had deze soort geen werkelijk wapens of
werktuigen. Het enige wat in de buurt zou kunnen komen van een werktuig is een
stok die gebruikt werd om mieren of termieten te vangen door deze in het nest te
steken
Voedsel
Eind jaren negentig zijn in de tanden van de fossiele resten van de Australopithecus
Africanus bewijzen gevonden dat deze soort niet alleen plantaardig materiaal van
bomen at, maar ook verschillende grassen. Hiernaast at hij ook bessen,
zaden, noten, wortels, insecten en misschien af en toe een klein dier
(kikkers, muizen, jonge vogels, …).
Woning
De Australopithecus Africanus sliep in bomen en leefde zowel bomen als op de
begane grond (en dit om onder andere voedsel te zoeken).
Taal
Er is sprake van communicatie, niet via een echte taal, door middel van primitieve
geluiden en gebaren.
Migratie
Men weet niet of deze soort gemigreerd is, maar als we van de teruggevonden
fossielen moeten uitgaan en ermee rekening houden dat ze nog niet honderd percent
op twee benen konden lopen, dan is het antwoord: neen.
Schedel
De Australopithecus Africanus had een laag voorhoofd, een platte neus, een
vooruitstekende snuit en geen kin.
Hun wenkbrauwbogen waren iets minder dan die van de Australopithecus Afarensis
en hun jukbeenderen waren smaller. De herseninhoud kon variëren van 420 tot
500 cm³.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
23
Zij-, onder- en vooraanzicht schedel africanus
Gebit
Vergeleken met het gebit van de Australopithecus Afarensis, zijn er bijna geen
verschillen, behalve deze. De achtertanden van de Australopithecus Africanus iets
groter zijn dan die van de Afarensis. De vorm van de kaak van de Australopithecus
Afarensis lag tussen een rechthoek en een parabool in. De kaak van de
Australopithecus Africanus heeft de vorm van een parabool en leunt dus aan bij de
menselijke kaak.
Handen en armen
Net zoals bij de Australopithecus Afarensis zijn ook hier de handen en armen nog
steeds afgestemd op het regelmatig klimmen in bomen.
Voeten en benen
Onderaan de schedel is er een achterhoofdsgat, dat duidt op de tweebenigheid van
deze soort. De voeten en benen waren nog steeds niet volledig menselijk en bezaten
nog een aantal aapachtige kenmerken. De Australopithecus Africanus beschikte over
zes lendenwervels, terwijl de chimpansee er drie heeft en de moderne mens vijf.
Hierdoor was de beweging van de benen nog niet zoals wij mensen die de dag van
vandaag voortdurend ervaren.
Echt perfect rechtop konden ze, door hun aapachtige benen en voeten, nog
niet lopen. Ze klommen ook nog regelmatig in bomen, iets wat ook te zien is op de
vergelijking hieronder tussen de voeten van een chimpansee, Australopithecus
Africanus en een mens.
Bekken
Wanneer je het bekken van de chimpansee hieronder vergelijkt met dat van de
Australopithecus Africanus, dan zie je dat het bekken van de chimpansee veel langer
en smaller is.
Doordat het bekken korter en breder werd, had de Australopithecus Africanus ook
kortere benen in vergelijking met de rest van zijn lichaam. Hierdoor moest hij wel
meer stappen zetten dan ons om dezelfde afstand af te leggen.
Het bekken van de Australopithecus Africanus is komvormig en dit omdat het bij
het rechtop lopen de inwendige organen moet dragen, die in deze kom kunnen
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
24
“rusten”. Het bekken van de Australopithecus Africanus leunt ook veel meer aan
tegen dat van ons, dan tegen dat van aapachtigen.
Een vergelijking tussen de bekkens en voeten van een chimpansee,
een Australopithecus Africanus en een hedendaagse mens.
Gestalte
De gemiddelde grootte voor een mannetje was 138 cm, en die voor een vrouwelijk
exemplaar 115 cm.
Kleding
Kledij was in het klimaat waar ze leefden niet nodig, ook al niet omdat ze beschikten
over een warme en dikke vacht.
Woning
De Australopithecus Africanus sliep in bomen en leefde zowel bomen als op de
begane grond (en dit om onder andere voedsel te zoeken).
4.6. Australopithecus Garhi
De naam bestaat uit twee delen, namelijk Australopithecus en Garhi. De soort werd
Australopithecus gedoopt aangezien, op basis van de gevonden restanten, de
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
25
reconstructie veel lijkt op die van de Australopithecus Afarensis en de
Australopithecus Anamensis.
Garhi komt uit het Afar, de lokale taal, en betekent zoveel als “verrassing” omdat
de soort abnormaal grote kiezen had. Meer hierover bij het onderdeeltje anatomie.
Wanneer?
De precieze periode waarin deze soort leefde kan uiteraard niet vast bepaald
worden. Daarenboven komt ook nog dat de totnogtoe gevonden fossielen allemaal
ongeveer 2,5 miljoen jaar oud zijn. Wat vaststaat is dus dat de Australopithecus
Garhi zeker 2,5 miljoen jaar geleden leefde.
Waar?
De Australopithecus Garhi leefde in het huidige Ethiopië. De negen vindplaatsen
van de fossielen liggen dicht bij elkaar, en dit in het noorden van het gebied dat we
de dag van vandaag kennen als Ethiopië.
Leven in groep
Vermits er zeer weinig fossielen teruggevonden zijn, kunnen we spijtig genoeg geen
uitspraak doen over de grootte van de groepen waarin deze soort leefde.
Taal
Van een echte taal was er geen sprake, niet dat er totaal geen communicatie was.
De communicatie van de Australopithecus Garhi bestond uit het maken van
primitieve geluiden.
Migratie
Net zoals bij het leven in groep kunnen we hier niets echt zeker van zeggen.
Aangezien er buiten het noorden van Ethiopië nog geen soortgelijke fossielen
gevonden zijn in andere gebieden, zoals Europa, mogen we voorzichtig besluiten dat
de Australopithecus Garhi niet gemigreerd is.
Werktuigen
Hier is men nog niet uit. De reden? In de buurt van een grote vindplaats (in de buurt
van het dorpje Bouri) van de fossielen van de Australopithecus Garhi zijn stenen
werktuigen teruggevonden. Op de vindplaats van de fossielen zelf zijn ook de
restanten van een grote antilope teruggevonden. Verschillende beenderen van dit
dier vertoonden inkervingen, alsof er met stenen werktuigen in gesneden is geweest.
Het vinden van de antilopenbeenderen met de sneden in op de vindplaats en de
stenen werktuigen op een andere vindplaats in de buurt laat vermoeden dat de
Australopithecus Garhi waarschijnlijk de maker is van de oudste stenen werktuigen.
Voedsel
Hoogstwaarschijnlijk at deze soort, net zoals enkele tijdgenoten plantaardig
voedsel zoals grassen, bessen, wortels, knollen en misschien hier en daar ook een
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
26
klein dier.
Als we de theorie van een aantal wetenschappers moeten geloven, dat de
Australopithecus Garhi de oudste stenen werktuigen heeft vervaardigd, dan kunnen
we aan zijn menu ook beenmerg toevoegen, dat uit de beenderen van dieren
gehaald kon worden en zeer voedzaam is.
Schedel
Op de onderstaande foto zie je eerst een bovenaanzicht van de schedel die
gevonden werd. Zoals je kunt zien ontbreken er heel wat delen, die zijn aangevuld
door wetenschappers op basis van andere gevonden deeltjes en de gevonden
schedel. Het aangevulde gedeelte is blauw gekleurd met witte arceringen.
We zien een zeer laag voorhoofd met een vooruitstekende snuit en grote
wenkbrauwbogen.
De herseninhoud van de relatief kleine schedel van de Australopithecus Garhi wordt
geschat op 450 cm³.
Gebit
De tanden van de Australopithecus Garhi zijn extreem groot. Hij heeft enorm grote
kiezen. Zijn hoektanden bijvoorbeeld zijn groter dan die van elke hominide. De
voorste voorkiezen zijn groter dan die van elke andere hominide, behalve dan enkele
exemplaren van de Paranthropus Boisei.
Ook heeft hij, bovenop zijn schedel een kleine beenkam, waar spieren aan vast
zaten. Deze spieren werden gebruikt als hulp om te kauwen.
Schuin vooraanzicht van een gereconstrueerde (de blauwe delen) schedel
Armen en benen
Hierover is niet veel bekend, alleen dat de afmetingen van de ledematen van de
Australopithecus Garhi een gemiddelde lengte hebben tussen die van de
Australopithecus Afarensis en de Homo Ergaster.
Kleding
Van kleding was er geen sprake en er wordt vermoed dat de Australopithecus Garhi
dan ook over een harige vacht beschikte
Woning
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
27
Resten van een woning zijn er niet aangetroffen en er wordt aangenomen dat de
Australopithecus Garhi leefde op de grond en in bomen (omwille van beschutting en
voedsel).
4.7. Homo Habilis
Wanneer?
Ongeveer 2,5 tot 1,5 miljoen jaren geleden.
Waar?
De meeste fossielen zijn teruggevonden in de Olduvaikloof te Tanzania en bij
Koobi Fora in Kenia. De overblijfselen van één exemplaar zijn ook teruggevonden in
Zuid-Afrika bij Sterkfontein.
In die tijd leefde de soort in een zeer grasrijk landschap, het landschap was
grasrijker dan de landschappen van vroegere soorten hominiden die op die plaatsen
voorkwamen
Schedel
De gemiddelde hersenomvang van de Homo Habilis was groter dan die van de
Australopitheken. Zijn hersenomvang varieerde rond de 650 cm³.
Deze grotere hersenen duiden dan ook op de capaciteit om stenen werktuigen te
vervaardigen, iets waartoe vroegere hominiden, door hun kleinere hersenen niet in
staat waren.
Zoals je zelf kan waarnemen, heeft de schedel een rondere vorm, het voorhoofd
boven de wenkbrauwboog is trouwens al kleiner dan bij vroegere hominiden. Ook
steekt de kaak niet meer zover onder de schedel uit.
Gebit
In vergelijking met de Australopitheken heeft de Homo habilis veel kleinere
kiezen. Dat duidt dus ook op een verandering in het eetpatroon, naar minder
taai voedsel, aangezien er niet zo een grote kiezen meer nodig zijn voor het voedsel
dat de Homo habilis verorbert.
Handen en armen
De armen van de Homo habilis zijn langer dan zijn benen. Dit wijst erop dat
de Homo habilis nog steeds over bepaalde klimcapaciteiten beschikte.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
28
Voeten en benen
Zoals hierboven al gezegd, waren de armen langer dan de benen.
Dankzij de vondst van fossiele voetbotjes in Koobi Fora (Tanzania) kan men met
zekerheid besluiten dat deze hominide tweebenig was. De grote teen stond naast
de andere tenen, en niet zoals bij de aapachtigen die we vandaag kennen. Ook had
de Homo habilis een voetholte zoals wij, mensen, er ook één hebben. Kijk maar eens
op onderstaande afbeelding naar de verschillen tussen de voeten van al deze
aapachtigen en de voet van de mens links onderaan.
Vergelijking voeten aapachtigen en die van de mens.
Gestalte
De Homo habilis beschikte over langere armen dan benen. Hij was ook nogal klein
van gestalte, de mannetjes waren 130 cm en de vrouwtjes 120 cm groot.
Ze wogen ongeveer 30 kilogram.
Kleding
Van kledij was er nog geen sprake, ze hadden wel een lichte vacht die hun huid
bedekte.
De Homo habilis heet niet voor niets “habilis”, het Latijnse woord voor “handig”.
Door de stenen werktuigen die gevonden zijn bij zijn fossielen, was er sprake van de
eerste hominide die niet alleen gebruik maakte van stenen werktuigen, maar
die er ook kon vervaardigen!
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
29
Wat kon de Homo habilis zoal doen met een stenen werktuig?
Er zijn verschillende soorten stenen werktuigen teruggevonden die Homo Habilis
gebruikte:
Chopper:
ronde steen waarvan scherven zijn afgeslagen aan één zijde, werd gebruikt om te
kappen of blijft over nadat er scherven zijn afgeslagen aan één zijde om deze te
gebruiken.
Hamersteen:
steen die gebruikt werd om scherven van andere stenen af te slaan, dus om andere
werktuigen te vervaardigen
Handsteen:
een ronde steen die gebruikt werd om zaden, bessen, beentjes, … plat te malen (en
dit dn op een groter stenen oppervlak)
Kernsteen:
een steen waarvan er scherven zijn afgeslagen, de “kern” van de steen blijft als het
ware over, deze steen kan ook nog als werktuig gebruikt worden
Voedsel
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
30
De Homo habilis was een omnivoor, een alleseter. Dat betekent dat hij alles at en
zich dus niet alleen beperkte tot het eten van planten. Naast zachte wortels en
knollen (zijn kiezen konden harde wortels niet aan), vruchten en noten at hij ook
vlees.Ging hij op jacht? Neen, hij was een aaseter en dat wil zeggen dat hij, nadat
een ander dier een prooi gevangen en ervan gegeten had, naar het karkas ging van
het dier en zich dan voedde.
Met behulp van een stenen werktuig of met een scherpe stenen scherf kon hij restjes
vlees afsnijden van de beenderen. Ook kon hij met een chopper bijvoorbeeld of met
een kernsteen een bot openbreken. Waarom een bot openbreken? Omdat er in een
bot iets zeer energierijk bevindt, namelijk beenmerg.
Hoe kon Homo habilis zien of een dier al dan niet een prooi gedood had? Wel, er
cirkelden bepaalde vogels boven de plek van het karkas, namelijk gieren die ook wel
een hapje vlees lustten.
De Homo habilis was zelf nog niet in staat om vuur te maken, maar wetenschappers
zijn het er wel over eens dat ze er wel gebruik van maakten. Hoe kan dat nu?
Zelf kon hij het niet maken, dus moest de Homo habilis wachten op iets dat op
natuurlijke wijze in brand gevlogen was. Bijvoorbeeld na een blikseminslag op een
alleenstaande boom in een grote vlakte.
Woning
Dankzij vuur, kon de Homo habilis ook slapen op de grond. Zij sliepen allen rond het
vuur aangezien dieren er schrik van hadden. Wanneer het vuur uitging, dan zat er
voor Homo habilis niets anders op dan te wachten op een nieuw vuur, want zelf kon
hij het nog niet maken.
Een woning bouwen zoals een hut, dat kon de Homo Habilis nog niet, men neemt
aan dat hij op de grond sliep of wanneer hij zich onveilig voelde, in een boom kroop
om daar te slapen.
4.8. Paranthropus Boisei
Paranthropus betekent 'naaste afstammeling van de mens' (‘bij de mens’). Boisei is
afgeleid van Charles Boise. Dit is de man die de opgravingen aan de Olduvaikloof
financierde.
Wanneer?
De Paranthropus boisei leefde 2 tot 1 miljoen jaar geleden.
Waar?
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
31
Zij leefden in de grasvlaktes van Oost-Afrika, voornamelijk in de Olduvaikloof en in
Kenia. De Olduvaikloof is een negen meter diepe kloof in het noorden van Tanzania.
Leven in groep
Bekend is dat ze in groepen leefden van een tiental individuen. Aan het hoofd van
zo'n groep stond een dominant mannetje. Dit mannetje eiste ook alle paringen voor
zich op.
Taal
Ze communiceerden via grommen, geluidjes, kreetjes, zuchten enz.
Voornamelijk lichaamstaal dus. Ze hadden dus geen gesproken taal.
Migratie
Geleerden zijn het erover eens dat de Paranthropus boisei ook niet gemigreerd
heeft.
Schedel
Door de enorme kaken en heel gespierd gezicht hebben zij een heel bol gezicht.
De schedels van de mannetjes zijn twee maal zo groot als die van de vrouwtjes.
Ze hadden een herseninhoud van ongeveer 520 cm³.
Gebit
De boisei had bijzonder brede kaken en grote kiezen (4x zo groot als de onze!),
kleine tanden en hoektanden.
Deze kaken waren zo groot om hun taaie en laagwaardige voedsel stuk te kunnen
kauwen.
Armen en benen
Net zoals de vorige mensapen hadden zij lange armen en korte benen.
Gestalte
De mannetjes werden doorgaans 137 cm groot en de vrouwtjes 124 cm.
Het is bewezen dat ze zo klein gebleven zijn omdat ze zo laagwaardig voedsel aten.
Ze waren sterk behaard, zwaar en stevig gebouwd.
De mannetjes wogen gemiddeld 49 kg en de vrouwtjes 34 kg.
Het waren dus kleine dieren met grote koppen en enorme kaken en kiezen.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
32
Kledij
De boisei heeft ook geen kledij gedragen wegens zijn felle beharing. Zijn vacht
beschermde hem tegen elk weertype.
Voedsel
Het dagmenu van de boisei bestond voornamelijk uit bollen, wortels, knollen,
vruchten, riet, termieten ... Vandaar dus die immense kaken.
Termieten waren voor deze mensaap een heuse lekkernij. Het zit namelijk boordevol
vitaminen.
Ze aten zeer weinig of geen vlees. Dit zorgde er ook voor dat ze maar klein bleven.
Ze aten voornamelijk laagwaardig voedsel.
De boisei leefde in de grasvlaktes en in de bomen die in deze uitgestrekte velden
stonden.
4.9. Paranthropus robustus
Tot nu toe zijn er enkel in Zuid-Afrika fossielen opgegraven van de Paranthropus
robustus.
Bij de eerste vondst in 1938 kregen de gevonden fossielen de naam Paranthropus
robustus. Het bleek niet te gaan om een gorilla maar om een aapachtige die wel
rechtop kon lopen. Daarom werd de soort Paranthropus robustus gedoopt, wat
zoveel betekent als “robuust lijkend op de mens”. Voor de meeste geleerden was
deze soort niet afwijkend genoeg van andere soorten om een aparte naam te
krijgen, en noemden deze soort daarom Australopithecus robustus. Vandaag neigt
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
33
men terug te gaan naar de vroegere benaming van de soort, namelijk Paranthropus
Robustus.
Wanneer?
Deze soort leefde 2 tot 1,2 miljoen jaar geleden.
Waar?
In het zuiden van Afrika. Er zijn in Zuid-Afrika drie grote vindplaatsen van fossielen
voor de Paranthropus Robustus: Swartkrans, Dreimulen en Kromdraai. Aan de
schedel te zien leefde hij in een bosrijke omgeving met een wilde vegetatie.
Leven in groep?
Hier is weinig tot niets over bekend, hoogstwaarschijnlijk zal hij in groepjes geleefd
hebben, zoals aapachtigen de dagvan vandaag, maar over aantallen kan moeilijk iets
gezegd worden.
Van een taal zoals wij die kennen was er geen sprake, natuurlijk konden ze wel
grommen en geluiden maken om elkaar iets duidelijk te maken, bijvoorbeeld bij
gevaar of wanneer er voedsel gevonden werd.
Migratie?
Van deze soort zijn er enkel in het zuiden van Afrika fossielen teruggevonden, dus
we kunnen besluiten dat de Paranthropus robustus niet gemigreerd is.
Schedel
De schedel van de Paranthropus robustus heeft veel weg van die van een gorilla.
Schedel Paranthropus
robustus
Schedel gorilla
Bovenaan valt vooral de beenkam op, deze wordt gebruikt doordat er spieren aan
bevestigd zijn die helpen bij het kauwen van enorm hard plantaardig voedsel.
Ook de kaakbeenderen hebben horizontale uitstulpingen om kauwspieren extra grip
te geven bij het kauwen van taai plantaardig voedsel zoals harde knollen of noten.
Een zware wenkbrauwboog valt ook meteen op. Het schedelvolume kon variëren van
550 tot 600 cm³.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
34
Gebit
De Paranthropus robustus beschikte over enorme stevige kaken met grote kiezen,
dit was nodig om het taaie plantaardige voedsel te kunnen eten.
Handen en armen
Hier zijn praktisch geen fossielen van teruggevonden, maar aangezien de soort
aanleunt bij de Australopitheken, kunnen we besluiten dat de Paranthropus robustus
langere armen dan benen had.
Voeten en benen
De benen van de Paranthropus robustus zijn korter dan zijn armen.
Gestalte
De Paranthropus robustus was zwaar gebouwd, mannetjes werden 132 cm en
vrouwjes 110 cm groot.
Reconstructie Paranthropus robustus: mannetje en vrouwtje.
Kleding
Kledij had de Paranthropus robustus niet nodig, het klimaat was warm en ze
beschikten ook al over een felle beharing.
Werktuigen
De Paranthropus robustus gebruikte stokken en beenderen van dieren om te graven
naar wortels en knollen of de ingang van een termietennest.
Voedsel
Knollen, wortels, noten, bessen, stengels van bepaalde planten en insecten
behoorden allemaal tot het menu van de Paranthropus Robustus.
Woning
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
35
Geen woning, de Paranthropus robustus sliep in bomen als bescherming tegen wilde
dieren.
4.10. Homo ergaster
Homo ergaster betekent letterlijk 'handige mens'. Homo ergaster betekent dus
hetzelfde als Homo habilis. Het enige verschil is dat ergaster uit het Grieks ontleend
is en habilis uit het Latijn.
Wanneer?
De Homo ergaster leefde van ca. 1,9 miljoen tot 600.000 jaar geleden.
Waar?
Hij kwam voor in Oost- en Zuid-Afrika.
Leven in groep
De ergaster leefde in groep in een open en droge savanne.
Mannen en vrouwen leefden hier paarsgebonden. Ervoor was iedereen met
iedereen samen. De mannen gaan nu beter voor hun vrouwen zorgen omdat ze
weten dat het kind enkel en alleen van hem kan zijn en is het dus de moeite waard
om zijn baby en vrouw goed te verzorgen.
De baby’s zijn nu langere tijd afhankelijk van de moeder. Dit kwam omdat het
bekken smaller geworden is. Zo worden baby’s geboren met nog geen volgroeide
hersenen (zoals wij) en zijn ze dus langer afhankelijk van de moeder. Vroeger was
het bekken van de vrouwen heel breed, en waren de baby’s hersenen al volgroeid
toen ze geboren werden.
De groep kenmerkt zich door banden van verwantschap en vriendschap.
Deze situatie heeft nooit eerder op aarde bestaan.
Samenwerking was de sleutel om de groep bij elkaar te houden. Aan de basis van
deze goede sociale omgang lag iets heel nieuws: vertrouwen.
Deze relaties hebben er ook voor gezorgd dat hun hersenen evolueerden.
De totale omvang van een ergaster-groep bestaat uit ongeveer honderd
individuen. Deze grote groep werd wel nog eens opgesplitst in kleinere groepen
verzamelaars van ongeveer twintig individuen.
Deze groep is dus groter en complexer dan voorheen.
Taal
Ze gebruikten gebaren en konden ook al nasale geluiden produceren om met elkaar
te communiceren of dingen duidelijk te maken aan elkaar. Ze hadden geen echte
gesproken taal. Ze gebruikten dus geen woorden.
Ze kunnen wel zingen. Dit is eigenlijk de aanleg naar de primitieve spraak in de
evolutie van de mens.
De omvang van de groepen mensachtigen kan ook een oorzaak zijn van het
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
36
ontstaan van taal.
Om in een groep relaties te onderhouden, is het nodig te communiceren.
Migratie
De Homo ergaster verspreidde zich uit Afrika en via het Midden-Oosten naar
Azië en Oost-Europa. Men heeft altijd gedacht dat dit het eerste vertrek van de
mens uit Afrika was. Deze migratie noemde men ook wel Out of Africa I. Deze
theorie is men blijven geloven tot december 2004. Toen werden er restanten
gevonden in Spanje van een mensaap die ongeveer dertien miljoen jaar geleden
geleefd moet hebben. De mensaap had dus al veel vroeger Afrika verlaten.
Vanaf het moment dat de Homo ergaster Afrika verlaat, spreekt men niet
meer van Homo ergaster, maar noemt men hem de Homo erectus.
De ergasters zijn niet allemaal weggetrokken, en zij die in Afrika gebleven
zijn, is men Homo ergaster blijven noemen.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
37
De Homo ergaster was vermoedelijk de eerste mensachtige met oogwit. Oogwit
is ook een belangrijk aspect van taal. Het behoort tot de lichaamstaal. Aan iemands
ogen kan je zijn goede of kwade bedoeling aflezen. Als je geen oogwit hebt, zie dit
niet: alles heeft dan immers dezelfde kleur.
Hun herseninhoud bedroeg ongeveer een 1000 cm³. Dit gaf hen dus een nog
groter denkvermogen. Zo konden ze nog beter relaties tussen dingen leggen.
Hierdoor is de ergaster nog beter aan zijn omgeving aangepast dan zijn
voorouders.
Handen en armen
De ergaster had lange, slanke armen.
Aan de handen bevonden zich dunne vingers.
Voeten en benen
De ergaster had een smalle, lange voet met tenen die recht naar voren staken (net
zoals onze voeten dus).
De onderbenen waren lang en smal met gespierde dijen en knieën zoals wij.
Gestalte
Ze hadden ook een smalle heup, een platte buik, een brede borst, een rechte
ruggengraat en brede schouders.
Ze hadden een donkere huid met donshaar op de ledematen en borst.
Ze konden bijna 2 meter groot worden (om de warmte beter uit het lichaam te
krijgen).
Het lichaam had zich na vele generaties dus aangepast aan de nieuwe
omstandigheden. De ijstijd was voorbij en het werd dus warmer. Dit is een van de
redenen waarom de ergaster groter was dan zijn voorgangers.
Een man woog doorgaans 66 kg en werd ongeveer 180 cm lang.
De ribbenkast blijft van boven naar beneden steeds even smal, omdat vlees
het belangrijkste onderdeel van hun maaltijd was. Vleeseters hebben minder lange
darmen nodig dan planteneters, omdat vlees sneller verteert dan taaie planten,
wortels, knollen enz.
Wat ook heel nieuw is, is het feit dat de ergasters kunnen zweten.
Ze hebben dus een zeer menselijk lichaam.
Kledij
Alhoewel ze niet meer zo behaard waren, droegen ze toch geen kledij.
Ze droegen wel dingen van dieren die ze zelf gedood hebben als teken van macht of
als trofee.
Zo vond men vaak overblijfselen van krokodillentanden in hun omgeving. Dit werd
waarschijnlijk rond de hals gedragen of gewoon in de hand gehouden.
Werktuigen
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
38
Ze vervaardigden zelf prachtige symmetrische druppelvormige stenen
vuistbijlen. Het maken van zulke vuistbijlen geeft blijk van nadenken en inzicht. In
die tijd was zo’n vuistbijl het meest gecompliceerde voorwerp dat je maar kon
maken.
Een vuistbijl kon voor verschillende doeleinden gebruikt worden. Ze konden ermee
slaan, slachten, snijden, schrapen, ontvlezen, enz. Het was het Zwitsers zakmes van
de hominide.
Voedsel
Zij haalden karkassen uit elkaar en namen deze stukken mee om met de rest van de
groep te delen.
Ze maakten ook stenen speerpunten.
Ze aten voornamelijk vlees, wortels, bessen, vogeleieren, insecten (ze aten bijna
alles).
Ze leefden van meer hoogwaardig voedsel. Vooral door vlees te eten, werden ze veel
intelligenter en veranderde hun lichaamsbouw drastisch t.o.v. hun voorouders.
De ergaster ging niet actief op jacht. Hij was niet snel genoeg om zijn prooi te
achtervolgen. Hij was ook niet sterk en slim genoeg om zijn prooi te overmeesteren
in een hinderlaag.
De ergaster was een aaseter, maar doodde wel zelf zieke of oude dieren.
Gieren zijn ook aaseters. Dit is omdat zij dode dieren opeten. De ergasters deden dit
dus ook.
Ze kookten hun voedsel niet, ze aten dus alles rauw.
De Homo ergaster heeft zeer lang geleefd (ongeveer 1,3 miljoen jaar).
Hoogstwaarschijnlijk kon hij in het begin nog geen vuur maken en was hij hier nog
bang van.
Later hebben ze dit wel geleerd en gebruikten ze het vuur als wapen tegen wilde
dieren, als licht in het donker, als warmtebron bij koude enz.
Wetenschappers vermoeden dat hij het vuur niet gebruikte om te koken of vlees te
bakken.
Woning
Alhoewel het niet echt nodig was, was de ergaster toch al in staat om woningen
te bouwen.
Met takken en dierenhuiden kon hij zo een soort tent bouwen.
Meestal deden ze dit niet, want het klimaat was gunstig genoeg om buiten te slapen.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
39
4.11. Homo erectus
Het eerste fossiel van de Homo erectus, namelijk een schedeldak, is ontdekt tegen
het einde van de 19de eeuw op het eiland Java in Indonesië. Dit fossiel wordt
toegewezen aan de zogenaamde “Java Man”.
Later, tijdens de jaren twintig van de vorige eeuw, zijn er ook fossielen opgegraven
in China. De fossielen uit China worden toegewezen aan de 'Peking Man'.
In het Midden-Oosten zijn ook fossielen van de Homo erectus teruggevonden.
De naam komt van het feit dat deze soort werkelijk rechtop liep, en dit de hele dag.
Het Latijnse “erectus” betekent “rechtop” of “opgericht”.
Tegenwoordig nemen wetenschappers aan dat de Homo erectus - de soort die in
Azië leefde - uiteindelijk is uitgestorven, zonder verder in een andere soort
geëvolueerd te zijn.
Wanneer?
De Homo erectus leefde van ca. 1,8 miljoen jaar tot 500.000 jaar geleden.
Waar?
Hij leefde in Azië. Tegenwoordig zijn er een aantal theorieën die elkaar nogal
tegenspreken in verband met het leefgebied van de Homo erectus. Hier wordt dieper
op ingegaan onder het puntje “migratie”.
Leven in groep?
De Homo erectus leefde in kleine groepen van ongeveer twintig leden. Een groep
had meer kans om te overleven dan slechts één individu want in een groep kunnen
de taken verdeeld worden: het maken van wapens en werktuigen, voedsel
verzamelen, zoeken naar vuur …
Door het leven in groep is één of andere taal noodzakelijk, om bijvoorbeeld die
taakverdeling te maken, om te waarschuwen voor gevaar, om conflicten op te
lossen. Om te functioneren als groep was er een taal nodig.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
40
Taal?
De Homo erectus kon gebaren maken, primitieve klanken voortbrengen en zelfs
zingen. Ook was er een aanleg tot spraak, dat wil zeggen dat de nodige lichamelijke
aanpassingen om te kunnen spreken al verder ontwikkeld waren dan bij zijn
voorgangers.
Migratie?
Tot een aantal jaren geleden was één van de theorieën over de migratie die van de
“Out of Africa 1”, de eerste tocht uit Afrika van de Homo erectus naar de rest van
de wereld. Men nam aan dat de Homo erectus de eerste hominide was die zich
naar andere continenten begeven had.
Een tijdje terug bleek dit al niet meer waar te zijn bij de vondst van Pierolapithecus
Catalaunicus die de oversteek van Afrika naar Spanje ongeveer 13 miljoen jaar
geleden maakte.
Zoals je al bij de Homo ergaster kon lezen, is deze vanuit Afrika gemigreerd naar
Europa en Azië. Bij de aankomst in Europa werd hij de Homo antecessor genoemd
en de Homo ergasters die naar Azië trokken, werden Homo erectus genoemd.
Kijk naar onderstaand schema waarin het bovenstaande simpel wordt uitgelegd.
Wapens en werktuigen
Wapens kon de Homo erectus ook al vervaardigen, het waren wel zeer
primitieve wapens. Bijvoorbeeld een lange bamboestok, waarvan de punt scherp is
gemaakt, kon als speer gebruikt worden. Een korte scherpe tak kon als dolk dienen.
De Homo erectus maakte uiteraard gebruik van werktuigen, zonder werktuigen kan
je onder andere geen wapens maken.
Tot de werktuigen van de Homo erectus behoorde onder andere de vuistbijl.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
41
Naast de vuistbijl maakte de Homo erectus ook gebruik van vuurstenen, omdat nogal
scherp kunnen zijn na het afslaan van een aantal schilfers.
Met bijvoorbeeld vuurstenen kon je ook schrapers maken, om de huid van een dier
af te schrapen zodat er geen vlees meer aanhangt bijvoorbeeld.
Voedsel
De Homo erectus at nog wel kleine diertjes zoals insecten en muizen maar hij legde
zich vooral toe op het eten van vlees. Met wapens kan je jagen op dieren of een
val maken (bijvoorbeeld een kuil met staken in), om zo aan hun vlees te komen.
Vuur
Het is de vraag of de Homo erectus al dan niet beschikte over de nodige techniek om
zelf vuur te maken. Bewijs hiervoor is natuurlijk niet zo eenvoudig te vinden. Men is
wel zeker dat de Homo erectus vuur gebruikte om de punt van een wapen te
harden, dieren te verjagen of op te jagen, ter verdediging of afschrikking.
Tot nu toe gelooft men dat de Homo Erectus zelf geen vuur kon maken en dus het
geluk moest hebben dat hij ergens vuur of iets smeulend, door een blikseminslag,
tegenkwam.
Woning
Ofwel sliep de Homo erectus buiten onder de blote hemel, ofwel maakte hij een
primitieve hut met takken, bladeren, beenderen, huiden, ...
Schedel
De schedel van de Homo erectus is bijna hetzelfde als die van de Homo ergaster. We
kunnen spreken van een laag voorhoofd met een dikke wenkbrauwboog. Bij de
Homo erectus steekt die wenkbrauwboog nog meer uit dan bij de Homo ergaster.
Ook had de Homo erectus dikkere schedelbeenderen.
Het schedelvolume is aanzienlijk groter dan bij vroegere hominiden, dat kon variëren
van 750 tot 1250 cm³. Dit is te wijten aan de verandering van het menu van
vroegere hominiden, iets wat alleen kon door te jagen op dieren om uiteindelijk hun
vlees te eten.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
42
Vermoedelijk zijaanzicht van een Homo erectus.
Gebit
Het gebit van de Homo erectus was identiek aan dat van de Homo ergaster, het
bestond namelijk uit een zware kaak en kleine kiezen die iets kleiner waren dan de
kiezen van de Homo habilis.
Handen en armen
Er zijn te weinig fossielen gevonden om hier echte uitspraken over te kunnen doen.
Voeten en benen
Ook hier zijn te weinig fossielen van teruggevonden om uitspraken te doen.
Gestalte
Aangenomen wordt dat de Homo erectus tussen de 130 en 170 cm groot kon
worden.
Homo erectus: reconstructie van een mannetje en een vrouwtje.
Kleding
Het is nog steeds de vraag of de Homo erectus al dan niet gebruik maakte van
kleding, hij beschikte waarschijnlijk over een lichte vacht.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
43
4.12. Homo antecessor
In de naam Homo antecessor is “antecessor” het Latijnse woord voor
“voorganger”.
De fossielen van de Homo antecessor zijn gevonden in Spanje op een site die men
de Gran Dolina noemt, bij het plaatsje Atapuerca in het noorden van Spanje.
Door de kenmerken van deze fossielen is het Spaanse team tot het besluit gekomen
dat deze soort waarschijnlijk vanuit Afrika naar Europa gekomen is (als de Homo
ergaster en dan verder geëvolueerd) en dit via Gibraltar of de Bosporus waar
waarschijnlijk een landbrug was (een verbinding tussen de twee continenten).
Daarna is een deel gemigreerd naar Azië en een ander deel is gebleven in Europa.
De groep die naar Azië gemigreerd was, evolueerde in de Homo erectus en de
blijvers in Europa evolueerden naar de Homo antecessor. Dit is de theorie
van de Spaanse wetenschappers.
Wanneer?
Wanneer leefde de Homo antecessor? Hij leefde tussen 1,5 miljoen en 100.000
jaar geleden.
Waar?
Hij leefde in het zuiden van Europa, het deel dat migreerde naar Azië evolueerde
in de Homo erectus, volgens de Spaanse wetenschappers.
Leven in groep?
Ze leefden in grote groepen van een honderdtal, deze grote groepen waren op hun
beurt onderverdeeld in kleinere groepjes per twintig.
Familieportret
Taal?
Ze konden gebaren maken, nasale geluiden produceren en zelfs zingen. Ook hadden
ze een primitieve aanleg tot een spraakvermogen.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
44
Migratie?
Volgens de Spaanse wetenschappers is er een groep inderdaad gemigreerd naar
Azië en daar verder geëvolueerd naar Homo erectus.
Werktuigen
Om een gewond of zwak dier te kunnen doden, maakte de Homo antecessor gebruik
van houten speren met een scherpe punt aan. Ook vervaardigde en gebruikte
hij stenen werktuigen zoals een vuistbijl en een schraper. Een vuistbijl kon
gebruikt worden om vlees of huid te snijden, om een huid proper te schrapen, om
hout fijn te hakken, om een put te graven, om een bot te breken en om zich in geval
van uiterste nood te verdedigen tegen dieren.
Een schraper is eigenlijk een grote steenschilfer die van een grotere steen is
afgeslagen. Deze werd gebruikt om te schrapen, bijvoorbeeld om een huid proper te
schrapen of in stukken te snijden
Voedsel
Wat at de Homo antecessor? Hij was een omnivoor, een alleseter, dus hij at:
wortels, knollen, vruchten, kleine zoogdieren, eieren, vlees van bijvoorbeeld een
gewond dier en ook van zijn soortgenoten. Inderdaad, Homo antecessor deed ook
soms aan kannibalisme. Waarom? Omdat vlees zeer energierijk voedsel was en nog
steeds is. Er was toen trouwens niet zo gemakkelijk aan vlees te komen, iets wat wij
ons met onze supermarkten vandaag moeilijk kunnen inbeelden.
Vuur kon de Homo antecessor zelf niet maken, maar hij kon het wel aanhouden
wanneer hij vuur tegenkwam. Wanneer kon hij vuur tegenkomen? Wel, bijvoorbeeld
wanneer het een tijdje niet geregend had en de bliksem ergens was ingeslagen, dan
ontstond er op die plek een klein vuurtje dat hij kon gebruiken.
Al de fossielen die tot nog toe zijn gevonden, bevonden zich in grotten. Men neemt
aan dat de Homo antecessor daarom ook leefde in en in de nabijheid van de
veiligheid van grotten.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
45
4.13. Homo Heidelbergensis
Hij heeft deze naam gekregen omdat er restanten gevonden zijn in het Duitse stadje
Heidelberg.
Zijn naam betekent dus 'mens van Heidelberg'.
Wanneer?
De Homo heidelbergensis leefde zo'n 600.000 jaar geleden tot ongeveer
250.000 jaar geleden.
Waar?
Hij leefde in Zuid-Engeland, Noord-Europa, West-Europa, Duitsland, Ethiopië
en Oost-Afrika.
Leven in groep
Ze leefden in grote, complexe groepen.
Ze verzorgden de zieken en gewonden, maar als ze stierven, schonken ze er geen
aandacht meer aan.
Het zijn ook de eerste mensen die echt emoties konden tonen, net zoals wij
(bijv.: verdriet).
Taal
Ze hadden al een basistaal van eenvoudige klinkers en medeklinkers.
Zo konden ze ideeën overbrengen en dat is natuurlijk een enorme vooruitgang
geweest. Ze kunnen dankzij deze taal gezamenlijk een tactiek bedenken en deze als
groep toepassen en uitvoeren.
Ze maken ook zachte ritmische geluiden: zingen.
Gedachten & herinneringen
De wereld van de heidelbergensis is hier en nu, de nabije toekomst en het recente
verleden. Ze beschikken niet over een voorstellingsvermogen van wat er in de verre
toekomst zou gebeuren. Ook herinneren zij zich de dingen niet die ze vroeger
meegemaakt hebben. Het voorstellingsvermogen is nog niet ontwikkeld.
Migratie
Oorspronkelijk kwam deze mensachtige enkel in Afrika voor, maar na de ijstijd ook
in Europa. Ze hebben Afrika verlaten omdat er nog maar zeer weinig voedsel was
door al dat ijs (laatste ijstijd). Na lang rondzwerven zijn ze uiteindelijk ook in Europa
terecht gekomen.
Wapens en werktuigen
Ze vervaardigden zelf houten speren en allerhande stenen werktuigen.
Eenvoudige stenen werktuigen. Deze zijn al veel fijner bewerkt dan voordien.
Zij maakten vuistbijlen, stenen schrapers, houten speren, een bijl met steel,
boortjes...
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
46
Schrapers zijn scherpe splinters van een vuursteen. Dit wordt bijvoorbeeld gebruikt
om huiden schoon te schrapen zodat men die huiden aan elkaar kan naaien tot
kledingstukken.
Voedsel
Het voedsel van de heidelbergensis bestond voornamelijk uit vlees, maar ze aten
ook nog vruchten, bessen, noten, planten enz.
De heidelbergensis ging wel actief op jacht. Hij gebruikte speren die hij wierp om
zijn prooi te doden.
Deze mensaap ging een doordachte strategie gebruiken om succesvol te kunnen
jagen. Voorheen was het eigenlijk maar een kwestie van geluk: hopen dat je een
stervend of oud dier tegenkwam, zodat je het gemakkelijk en zonder veel risico kon
aanvallen en doden.
Door deze strategie en tactiek waren ze goede en volwaardige jagers.
Ze waren in staat grote, wilde dieren te doden. Bijvoorbeeld: paarden, neushoorns ...
Vuur
De heidelbergensis gebruikte het vuur voor verschillende doeleinden: om zich te
verwarmen, dieren af te schrikken, als verdedigingsmiddel enz.
Waarschijnlijk bakte hij zijn voedsel nog niet op het vuur.
Een warme grot zorgde voor een betere gezondheid, zeker in de periode van veel
regen, sneeuw en vrieskou.
Zij maakten gebruik van 'vuurkuilen'. Dit zijn gaten in de grond waarin zij hun vuur
lieten branden. Dit was nodig omdat zij zelf geen vuur konden aanmaken. Zij
wachtten bijvoorbeeld tot de bliksem ergens insloeg en zij probeerden dan zo het
vuur mee naar huis te nemen. Dan stopten ze het zo snel mogelijk in zo'n kuil (vrij
van wind en vocht). Er werd dan steeds iemand aangesteld die ervoor moet zorgen
dat het vuur bleef branden. Zonder vuur was het veel moeilijker om te overleven.
Meestal kreeg iemand die oud of ziek is deze opdracht, omdat hij niet mee kan gaan
op jacht of als ze voedsel gingen verzamelen.
Woning
Ze leefden hoogstwaarschijnlijk in grotten en ze konden een soort ruw
onderdak maken. Dit was handig om te voorkomen dat door overvloedige regen
de grot helemaal onder water zou lopen. Door dit onderdak waren ze beter
beschermd tegen slecht weer.
Tel daar nog bij dat ze vuur gebruikten om zich aan te warmen en dan kan je
besluiten dat ze toch leefden in een redelijk aangename en gezonde woonplaats voor
die tijd.
Aan de andere kant heeft men ook ontdekt dat de Homo heidelbergensis zelf
hutten bouwde. Deze hutten waren gemaakt van aan elkaar gebonden takken.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
47
Schedel
Ze hadden een zware wenkbrauwboog, achteroverhellend voorhoofd, grotere
hersenpan met grotere hersenen.
Hersenen
Ze hadden een herseninhoud van ongeveer 1250 cm³. Dankzij dit grote
hersenvolume konden zij zich nog beter aanpassen aan hun nieuwe leefwereld.
Ze hadden hun hersenen broodnodig, want ze kregen te maken met een nieuwe
omgevingsdruk: slecht weer. Het klimaat onderging grote veranderingen, want
opwarming en afkoeling wisselden elkaar snel af. De heidelbergensis was veel
slimmer dan zijn voorouders.
Gebit
Ze hadden geen kin, want ze hadden heel lange tanden (50% langer dan de onze).
Door deze lange tanden was er in de onderkaak nauwelijks plaats voor bot en dus
hadden ze geen kin.
Gestalte
Mannen werden gemiddeld 180 cm lang, wogen 80 kg, hadden dikke botten met
sterke spieren en pezen. De heidelbergensis was groot van gestalte. Hij had lange
ledematen en was vele malen sterker dan wij nu zijn. Ze waren robuuster gebouwd
dan wij.
Vrouwen waren kleiner en wogen minder.
Het verschil in lengte en gewicht tussen mannen en vrouwen was nog duidelijk
zichtbaar.
Kledij
Doorgaans liepen ze naakt rond. Als het echt koud was, droegen ze ook
dierenhuiden.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
48
4.14. Homo neanderthalensis
De eerste fossielen van de Homo neanderthalensis zijn gevonden in 1856 in het
Neanderdal. Dit dal is genoemd naar de Duitse dichter Joachim Neander die er in de
17de eeuw veel tijd doorbracht, en niet naar de rivier die door het dal stroomt want
die rivier heet de Düssel.
Recent heeft een groep wetenschappers gemeld dat de Homo neanderthalensis geen
naaste verwant is van de Homo sapiens.
De Homo neanderthalensis werd en wordt nog steeds voorgesteld als een domme en
brute aap die in holen leefde. Die voorstelling klopt niet met wat we vandaag weten
over de Homo neanderthalensis.
Wanneer?
De Homo neanderthalensis kwam voor tussen 250 000 en 30 000 jaar geleden.
Waar?
De Homo neanderthalensis kwam voor in heel Eurazië, dus in Europa en Azië, maar
niet in Afrika. Er zijn fossielen teruggevonden in: Rusland, Israël, Midden-Europa,
Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, …
In de meeste gebieden waar de Homo neanderthalensis leefde, heerste een koud en
bar klimaat. Het lichaam van de Homo neanderthalensis en de levenswijze waren
hier op voorzien.
Schedel
Het hersenvolume van de Homo neanderthalensis was veel groter dan ons
hersenvolume, namelijk 1245 tot 1750 cm³, terwijl dat van ons ongeveer 1350
cm³ is.
Er is bij de Homo neanderthalensis een vooruitstekende wenkbrauwboog te
zien. Het voorhoofd helt achterover, dit is hier vooral te zien bij de afbeelding
van de schedel van het kind. Ook wijkt de kin van de Homo neanderthalensis een
beetje terug.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
49
Links de schedel van een kind, rechts de schedel van een volwassene
Het valt trouwens op dat de Homo neanderthalensis een zeer grote neus had. Dit
was natuurlijk niet zonder nut. Die grote neus zorgde bij zware inspanningen voor
een goede afkoeling, hierdoor ging de Homo neanderthalensis zelf niet snel zweten
en was de kans dat het zweet op zijn lichaam bevroor des te kleiner. In de meeste
gebieden waar de Homo neanderthalensis voorkwam, heerste een koud klimaat.
Gebit
De Homo neanderthalensis beschikte over een zeer grote onderkaak. Zijn
snijtanden waren ook groot en hadden qua vorm veel weg van een schop.
Handen en armen
De Neanderthaler was klein van gestalte maar men neemt aan dat hij wel sterker
was dan de huidige mens. Zijn armen en handen zouden daarom meer gespierd
zijn dan die van ons.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
50
Voeten en benen
Ook de voeten en benen waren waarschijnlijk gespierder en dus breder dan die van
ons.
Gestalte
De Homo neanderthalensis was nogal klein van gestalte, de man kon 165 cm en de
vrouw 155 cm groot worden.
Kleding
Aangezien het klimaat te koud was om zonder enige vacht door het leven te gaan,
was kledij echt wel noodzakelijk. Van wat werd die kledij vervaardigd? Van huiden
van prooidieren.
Leven in groep?
De Homo neanderthalensis leefde in groepjes. Die groepjes waren niet groot, ze
waren klein en bestond uit zo een 8 tot 10 leden.
De Homo neanderthalensis was sociaal. Hoe weten we dit? Er zijn fossielen
teruggevonden waaraan duidelijk te zien is dat de persoon tot wie die beenderen
behoorden wonden en breuken had opgelopen. Deze zijn verzorgd geweest door
groepsleden want de wonden zijn geheeld.
Ook lieten ze hun dode groepsgenoten niet gewoon liggen, maar ze gaven hen een
begrafenis met geschenken zoals bloemen of gebruiksvoorwerpen. Er zijn graven
teruggevonden waarin een skelet in foetushouding gelegd was (dit is de houding van
een foetus in de baarmoeder).
Taal?
Om in een groep te kunnen leven en overleven, is een zekere taal nodig en die was
er ook.
Het tongbeen van de Homo neanderthalensis was identiek aan dat van de huidige
mens, dus hij beschikte over een primitieve taal.
Migratie?
Echt gemigreerd is de Homo neanderthalensis niet, hij maakte wel omzwervingen op
zoek naar nieuwe voedselbronnen, wanneer er bijvoorbeeld geen prooidieren
meer in de omgeving waren. De groepjes konden rondtrekken op zoek naar
geschikte plaatsen en dit in een straal van 100 kilometer.
Werktuigen
De Homo neanderthalensis kon werktuigen vervaardigen en deze uiteraard ook
gebruiken. Vuistbijlen, schrapers en pijlpunten konden zij vervaardigen uit been en
steen.
De wapens die de Homo neanderthalensis vervaardigde, waren van superieure
kwaliteit.
Ze maakten gebruik van speren. Die gooiden ze niet maar ze staken hun prooi neer
van dichtbij. Zo een speer kon een stok zijn met een scherpe punt of een stok
waarop een scherpe steen of een scherp stuk been is bevestigd met behulp van
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
51
pezen of één of ander stevig gras.
Een pijl en boog kende de Homo Neanderthalensis nog niet. Hij kon wel uit been een
primitieve harpoen maken, om te vissen of te gebruiken op een prooi.
Neanderthaler met zijn speer
Voedsel
Naast vruchten, bessen, noten en ander plantaardig voedsel at de Homo
neanderthalensis vooral veel vlees. Zeker in een zeer koud klimaat waar het
sneeuwt en het dus niet vanzelfsprekend is om bessen te vinden.
Aangezien de Homo neanderthalensis een uitstekende jager was, kon hij ook veel
vlees eten. Naargelang de regio waar hij leefde, varieerde de prooi waarop gejaagd
werd. Dat kon zelfs een mammoet zijn of een wolharige neushoorn. Hoe kreeg je nu
een mammoet of neushoorn dood als Homo neanderthalensis? Bijvoorbeeld een
hinderlaag maken waar de dieren van een afgrond gejaagd worden en hun nek
braken of gewoon te pletter stortten. Bij de jacht was daarom nog een belangrijke
speler aanwezig, het vuur.
De Homo neanderthalensis kon met behulp van vuurstenen zelf vuur maken.
Waarvoor gebruikte hij dit vuur allemaal?
Om op te koken (vlees verwarmen), op wapenpunten te harden, ter afschrikking van
dieren, om te helpen tijdens de jacht, als oriëntatiepunt.
Woning
De Homo neanderthalensis leefde onder overhangende rotsen en in grotten
aangezien deze zaken een beschutting boden tegen het harde weer.
Aan de ingang van zo een grot werd een vuur gemaakt, en dit als oriëntatiepunt en
ook om de wilde dieren buiten te houden.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
52
In zo een grot sliep de Homo neanderthalensis niet zomaar op de ijskoude grond
maar op vachten van dieren, want dit is veel warmer.
Kunst
De Homo neanderthalensis deed ook aan kunst.
Hij droeg kleine sieraden van fossielen, botten, dierentanden en ivoor rond zijn
nek.
Er is recent nog iets ontdekt dat ook bij kunst hoort maar wel wat stof doet
opwaaien. In Slovenië heeft men een stukje been ontdekt dat veel wegheeft van een
fluit uit been. Die “fluit” is iets meer dan 43 000 jaar oud en zou dan ook het
vroegste instrument ooit zijn. Niet door de mens uitgevonden maar door de Homo
neanderthalensis. Er zijn wetenschappers die aannemen dat het een fluit is en er zijn
anderen die het niet aannemen.
4.15. Homo floresiensis
Deze hominide heeft de naam floresiensis gekregen, omdat hij gevonden is op het
Indonesische eiland Flores.
Vrij vertaald betekent dit dus Floresmens.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
53
Wanneer?
De Homo floresiensis leefde van 100 000 tot 12 000 jaar geleden.
Vermoedelijk is hij 12 000 jaar geleden uitgestorven door een vulkaanuitbarsting.
Wetenschappers vermoeden dat de Homo floresiensis een afstammeling is van de
Homo erectus. De erectus bereikte 840 000 jaar geleden al het eiland Flores en trok
in die regio van eiland tot eiland.
De erectus die het eiland Flores is blijven bewonen, heeft zich door de jaren heen
aangepast aan zijn omgeving. Hij werd kleiner en zo werd de Homo
floresiensis geboren.
De exacte oorzaak van dit kleiner worden, kunnen de wetenschappers nog niet
verklaren.
Het is wel een feit dat dieren op veel eilanden ook kleiner zijn dan elders.
Dit is omdat eilanden vaak minder voedselvoorziening hebben dan andere gebieden.
Je lichaam moet zich dan aanpassen door ervoor te zorgen dat je dagelijks minder
energie kan verbruiken.
De enige methode om dit te doen, is door kleiner te worden. Het lichaam van de
erectus werd doorheen generaties dus steeds kleiner en kleiner om hem meer kans
te bieden te overleven.
Het kleiner worden is hierbij verklaard, maar toch verbazen de wetenschappers er
zich nog steeds over dat alles in zo een mate verkleinde. De olifantenresten die men
op dit eiland vond, toonden aan dat deze olifanten slechts 400 kg wogen. Onze
olifanten wegen ongeveer 5000 kg.
Waar?
Hij kwam enkel op het Indonesische eiland Flores voor. Hij leefde helemaal
geïsoleerd van de buitenwereld. Ze hebben zeker en vast contact gehad met de
Homo sapiens, maar hoe deze relaties verliepen, weet men niet. Daarvoor moet men
nog meer opgravingen doen.
Taal
Wetenschappers zijn er zeker van dat ze een eigen taal hadden. Hun
stemapparaten hadden zich volledig ontwikkeld.
Migratie
Ze hebben het eiland niet verlaten. Ze leefden volledig afgesloten van de
buitenwereld.
Schedel
De schedel van de floresiensis was zeer klein voor deze tijd. Ook de dieren, die in
zijn omgeving leefden, waren zeer klein.
Ze hadden grote oogkassen en de wenkbrauwboog was ook verdwenen.
Ze hadden een herseninhoud van ongeveer 380 cm³. Hun hersenen hadden
ongeveer de grootte van een pompelmoes. Dit is wel zeer klein en merkwaardig. Zij
hadden een herseninhoud die gelijkwaardig is aan mensapen die miljoenen jaren
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
54
geleden leefden.
Uit vondsten van wapens en werktuigen en dergelijke kon men afleiden dat ze toch
heel slim waren, veel slimmer dan hun voorgangers.
Hoe het kan dat ze zo veel intelligentie hadden met zo'n kleine herseninhoud is voor
de wetenschappers een echt raadsel.
Links: schedel Floresiensis
Rechts: schedel Sapiens
Kijk eens wat een verschil in grootte!
Armen
Wetenschappers hebben gezien dat hij toch nog vrij lange armen had, gezien zijn
korte gestalte.
Ze vermoeden daarom dat deze hominide toch nog in bomen moest klimmen, om
bijvoorbeeld bescherming te zoeken .
Gestalte
Hij was werkelijk zeer klein van gestalte.
Hij wordt in de wetenschappelijke wereld ook vergeleken met een Hobbit (zoals
Frodo in The Lord of The Rings, van J.R.R. Tolkien).
Reconstructie Hobbit
Reconstructie Homo floresiensis
De floresiensis werd ongeveer 90 cm groot en woog ongeveer 25 kg.
Werktuigen
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
55
In de buurt van de opgravingen heeft men stenen werktuigen gevonden.
Zij gebruikten tanden van babyolifanten als werktuig of als jachttrofee.
Zij konden ook kano’s van bamboe bouwen.
Voor de wetenschappers is het een raadsel waarom mensen die in deze tijd leefden
zo’n kleine herseninhoud hadden. En hoe die mensen met zo’n kleine herseninhoud
in staat waren om zulke verfijnde stenen werktuigen te maken, boten te bouwen
en vuur te creëren.
Hieronder nog een afbeelding van de wapens en werktuigen die de floresiensis zelf
kon maken.
Je ziet hierop schrapers, messen, speerpunten, klopstenen, naalden enz.
Voeding
Het waren echte alleseters.
Ze aten alles wat ze in hun omgeving konden vinden: eieren, noten, bessen,
zaden, vruchten, termieten, knollen, planten, wortels en ook vlees.
Zij gingen ook actief op jacht op allerlei dieren.
Het was al zo vreemd dat zij zo klein van gestalte waren, nog vreemder was dat zeer
grote dieren ook dwerggestaltes hadden. Zo had je bijvoorbeeld mini-olifanten
(stegodon). Deze dieren wogen ongeveer 1 000 kg. Zij maakten jacht op deze
dieren.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
56
Stegodon
Vuur
Opgravingen hebben bewezen dat de floresiensis wist hoe hij vuur moest
maken. Hij gebruikte dit ook om zijn eten te koken, maar natuurlijk ook voor
warmte en bescherming tegen wilde dieren.
Woning
Over de woning van de floresiensis heeft men nog niet veel bewijzen gevonden,
maar men vermoedt wel dat ze ondanks hun kleine herseninhoud, in staat waren om
een soort huizen te bouwen.
Deze huizen werden gemaakt met bijeengebonden takken en riet.
4.16. Homo sapiens
Homo sapiens betekent letterlijk 'verstandige mens'.
Wanneer?
Over het algemeen wordt aangenomen dat de Homo sapiens 120.000 jaar geleden
het licht zag. Wij behoren ook tot deze soort.
Niet alle geleerden zijn het hiermee eens. Er heerst een discussie tussen een aantal
mogelijk modellen die de oorsprong van onze soort moeten verklaren, namelijk het
'multiregionale model' en het 'Out of Africa II' model.
Meer uitleg over deze modellen krijg je onderaan deze pagina bij het deel 'migratie'.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
57
Waar?
De homo sapiens (sapiens) verscheen in verschillende continenten:
- Europa: op verschillende plaatsen in Europa en ook in Frankrijk (CroMagnon)
- Afrika: Oost- en Zuid-Afrika, Kenia, Ethiopië
- Azië: op verschillende plaatsen in Azië en ook in Israël
- Amerika: Alaska, Canada, maar ook de rest van Amerika
Leven in groep
Ze leefden in kleine groepen, maar wel groter dan die van de Neanderthalers.
Taal
Ze konden goed praten en waren daardoor in staat hun gedachten, plannen
en gezichtspunten met anderen te delen.
Ze hebben een taal ontwikkeld die veel subtieler was dan die van de Neanderthalers
(zij konden enkel behoeften, acties en directe zorgen duidelijk maken).
De homo sapiens was de eerste die het vermogen had aan heel andere dingen te
denken dan aan de dingen die hij in zijn directe omgeving ziet of meemaakt. De
menselijke fantasie ontwikkelde zich dus bij hem.
Hierdoor konden ze met veel meer mensen communiceren dan ooit tevoren.
Dankzij taal kon de ene groep zich ook verstaanbaar maken aan de andere groep.
Samen zijn ze natuurlijk sterker tegen mogelijke gevaren. Taal was dus een
belangrijk overlevingsmiddel geworden. Zo konden ze informatie en ervaringen
uitwisselen, de toekomst met een andere groep delen en de directe familiekring
uitbreiden.
Er zijn ook sporen gevonden dat er handel gedreven werd met andere groepen.
Anders zou het nooit kunnen dat bijvoorbeeld schelpen die enkel in Spanje
voorkomen, in Midden-Frankrijk teruggevonden zijn.
Migratie
De Out of Africa theorie en het multiregionale model zijn twee modellen over de
evolutie van de mens. De moderne mens zou of in Afrika zijn ontstaan en zich dan
verspreid naar andere continenten (Out of Africa), of in verschillende gebieden op
aarde (Multiregionaal).
Het 'Out of Africa II' model gaat ervan uit dat het centrum van het ontstaan van
de moderne mens in Afrika ligt. Daar zou zo'n twee miljoen jaar geleden een
mensachtige, Homo ergaster genaamd, zijn geëvolueerd. Hieruit zou zich Homo
erectus hebben gevormd. De Homo erectus was de eerste mensachtige die Afrika
verliet. (Dit is ondertussen een twistpunt omdat er sporen van mensapen in Frankrijk
teruggevonden zijn die meer dan tien miljoen jaar geleden geleefd moeten hebben.
Onze voorouders hebben dus al veel vroeger Afrika verlaten.) In Afrika ging de
evolutie verder. Daar zou zich uit Homo ergaster de recente mens Homo sapiens
hebben ontwikkeld. Ook deze verliet op een gegeven ogenblik Afrika. Toen de
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
58
moderne mens in gebieden buiten Afrika aankwam, zou hij Homo erectus en zijn
nakomelingen hebben verdrongen. Dit zou zo'n 100 000 jaar geleden plaatsgevonden
hebben.
Niet alle geleerden zijn het hiermee eens. Het multiregionale model gaat ervan uit
dat zo'n 1,5 miljoen jaar geleden een mensachtige, Homo erectus genaamd, Afrika
verliet (Out of Africa-1 model). Volgens dit model heeft de recente mens, Homo
sapiens, zich overal ter wereld ongeveer gelijktijdig uit Homo erectus ontwikkeld. Op
verschillende plaatsen in Afrika, Azië en Europa ontstonden verschillen, die we
vandaag de dag als raskenmerken terugvinden.
Schedel
De zware wenkbrauwboog is zo goed als verdwenen. Ze hebben een
platter gezicht, een kleine neus en een duidelijk gevormde kin. Dankzij
hun hoog voorhoofd kon een nog grotere herseninhoud gevormd worden.
Hersenen
Door hun grote hersenen konden ze veel beter plannen. Wij hebben een
hersenvolume van ongeveer 1350 cm³.
Ze hadden zicht op wat er in de toekomst zou gebeuren en wat ze hiertegen konden
doen. Bijvoorbeeld: als het regende verstopte de homo sapiens op diverse plaatsen
lege struisvogeleieren. Als ze daarna voorbij deze plaatsen kwamen en dorst hadden,
konden ze hun dorst lessen met het water in deze eieren.
Ze wisten dus al dat je allerlei dingen ook voor andere doeleinden kon gebruiken dan
waarvoor ze oorspronkelijk gebruikt werden of waarvoor ze oorspronkelijk dienden.
Ze konden iets bedenken om aan de vreselijke omstandigheden waarin ze zich
bevonden te ontsnappen.
Gebit
Hun gebit is hetzelfde als dat van ons, paraboolvormig dus.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
59
Armen en benen
Vermits wij zelf Homo sapiens zijn, hebben wij dus dezelfde handen, armen,
voeten en benen als zij.
Gestalte
Ze waren robuust gebouwd, maar groter en lichter dan de Neanderthalers.
Ze hadden lange benen en waren goed gespierd.
De Europese sapiens was wel korter en meer gedrongen. Dit was omdat zijn lichaam
zich aan het Europese klimaat aangepast had. Een kort en gedrongen lichaam houdt
veel beter de warmte vast en dit was ideaal voor het koudere Europese klimaat.
Kledij
Of de sapiens al dan niet kledij droeg, hing af van de streek waarin hij zich
bevond. In Afrika was het warm, dus hier droegen zij geen kledij.
In Europa bijvoorbeeld wel. Zij waren het minst behaard van al onze voorouders en
daarom waren ze genoodzaakt om in deze regio kledij te dragen. Ze naaiden deze
kleding met naalden. Zij droegen pelzen om zich warm te houden.
De homo sapiens vervaardigde zijn eigen lampen. Hij gebruikte dierenpezen om
de lonten te maken. Deze pezen werden in mekaar gevlochten. Hij legde dan wat vet
in een uitgeholde platte steen, legde de lont erin en stak die aan met een stukje hout
van het kampvuur.
Werktuigen
Hij maakte en gebruikte nog steeds houten en stenen werktuigen, zoals
bijlen, speren, messen enz.
De werktuigen waren beter en verfijnder dan voorheen. Men gebruikte nu ook
andere grondstoffen (voorheen voornamelijk hout en steen). Nu gaat men ook
botten, geweien, pezen enz. gebruiken bij het vervaardigen van werktuigen en
wapens.
Zij maakten ook bogen en speerwerpers. Dit was zeer handig tijdens de jacht,
omdat dan een speer of een harpoen met veel grotere kracht gelanceerd kon
worden, dan wanneer ze die zelf zouden gooien.
Hun prooi werd dan feller verwond en dit brengt natuurlijk alleen maar voordelen
met zich mee.
De sapiens gebruikte ook naalden gemaakt van been om zijn kledij te kunnen
naaien.
Voedsel
Vlees was het belangrijkste element van een maaltijd van de Homo sapiens
(sapiens).
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
60
Verder aten ze ook nog wortels, knollen, vogeleieren, vruchten, noten,
bessen ... alles wat eetbaar was dus.
De Homo sapiens was een actieve jager. Hij maakte gebruik van listen en
hinderlagen om zelfs de grootste dieren te kunnen doden. Doordat ze goed met
mekaar konden communiceren, leidde dit vrijwel nooit tot misverstanden tijdens
jachtpartijen en werden de meeste ook succesvol beëindigd.
Vuur
De Homo sapiens (sapiens) bakte zijn vlees ook op het vuur. Zo werd het vlees veel
malser, zachter en beter verteerbaar.
De Homo sapiens (sapiens) gebruikte het vuur voor allerhande doeleinden: ze
bakten en kookten er hun voedsel op, het werd gebruikt om wilde dieren
mee af te schrikken, het was heel handig om je aan te warmen enz.
Alle mogelijke voordelen die het vuur aan de mensachtige biedt, werd effectief ook
gebruikt door de Homo sapiens (sapiens).
De Homo sapiens (sapiens) was in staat zelf vuur te maken.
Woning
Ze leefden voornamelijk in hutten die ze bouwden met dierenhuiden, botten,
geweien, hout, ...
Tijdens de ijstijden waren alle bossen verdwenen en vervangen door een steppe- en
toendraklimaat. Op een bevroren bodem groeiden in de zomer enkel grassen,
mossen, kruiden en dwergstruiken. In de winter was alles bedekt met een dikke laag
sneeuw.
De Homo sapiens had dus geen hout meer om zijn huizen te bouwen. Om in die
koude omstandigheden te kunnen overleven, moest hij zichzelf wel onderdak kunnen
geven. De huizen werden daarom tijdens de ijstijden vooral gebouwd met
mammoetbotten en huiden
Kunst
De homo sapiens was zeer bedreven in kunst. Ze graveerden tekens in botten,
stenen enz.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
61
De Homo sapiens was ook zeer bedreven in grotschilderingen. Hieruit blijkt dus
dat zij een gevoel hadden voor rituelen en geestesleven (er is iets 'hoger' en iets
'meer' dan dat je rondom je ziet).
Voor deze grotschilderingen gebruikten ze rode oker, zwarte houtskool en een witte
verfstof om kleur in hun tekeningen aan te brengen. Op de grotwanden zie je
afbeeldingen van: leeuwen, bizons, herten en neushoorns die in troepen jaagden of
in kudden vluchtten.
De sapiens vervaardigde prachtig gesneden naalden en haken van been. Dit werd
onder andere gebruikt bij het maken van kledij.
Heel bekend zijn de kleine beeldjes: venusbeeldjes (vaak van ivoor gemaakt). Deze
dienden waarschijnlijk als vruchtbaarheidssymbool.De Homo sapiens vervaardigde
nog andere beeldjes
Van schelpen en kralen werden armbanden, hangers en halskettingen gemaakt.
De Homo sapiens heeft zijn doden begraven. Ze hadden hier geen ritueel voor,
dus waarschijnlijk deden ze dit gewoon om van de lijken af te zijn en niet o.w.v. een
geloof in het hiernamaals.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
62
5. Sedentarisatie
Tot nu toe waren de mensen of mensachtigen in feite nomaden. Ze zwierven
constant maar wat rond. Als op één plaats niet meer voldoende voedsel te vinden
was om te overleven, werd het hoog tijd om weg te trekken.
Rond ongeveer 10 000 v.Chr. begon dit te veranderen.
Voor het eerst in de geschiedenis leefde de mens niet meer van wat hij in
de natuur vond, een pure consument dus, maar werd zelf een producent.
Vanaf nu ging hij zich permanent in een bepaald gebied vestigen om hier
aan landbouw te doen.
Sedentarisatie is dus een synoniem voor 'zich nederzetten'.
Deze nederzettingen evolueerden tot dorpen, later tot steden en nog later tot
stadstaten.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
63
Sedentarisatie heeft een heel aantal gevolgen met zich meegedragen. Onderstaande
afbeelding geeft een duidelijk en beknopt overzicht van deze gevolgen.
Deze gevolgen kun je onderverdelen in een aantal categorieën:
-
sociaal
economisch
politiek
kunst/cultuur/religie
militair
wetenschappelijk
De twee meest bekende gebieden waar men zich permanent ging vestigen, zijn
ongetwijfeld eerst in Mesopotamië en later in Egypte.
Voor een volledig overzicht van alle sedentaire gebieden, moet je beslist deze kaart
eens bekijken.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
64
Sociaal
Het eerste sociale onderscheid (het verschil tussen arm en rijk) is ontstaan in de
boerendorpen.
Door sedentair te leven, werd het stuk grond dat je bewerkte jouw bezit.
Niet alle boeren werkten even hard. Sommigen werkten harder dan andere, nog
andere waren slimmer of hadden gewoon meer geluk door een grotere lap grond te
erven.
Op die manier kregen zij dus meer land, meer vee, een groter huis en meer helpers
dan de anderen. Op die manier is dus het eerste sociale onderscheid ontstaan:
rijke en arme boeren.
Eenmaal de metalen ontdekt waren, werd dit sociale onderscheid nog groter.
Een rijke boer kon zich bijvoorbeeld een metalen sikkel, bijl of ploeg aanschaffen.
Een arme boer kon dit niet, dus de rijke kreeg nog meer voorsprong. De arme boer
moest maar zien te overleven met zijn houten werktuigjes.
Eigenaars van mijnen werden heel rijk door de opbrengsten van hun metalen. Zij
werden immens rijke en machtige figuren.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
65
Economisch
Pottenbakken
Vroeger gebruikte men dierenvellen of kuilen in de grond om voedsel in te bewaren
en af te schermen tegen regen en ongedierte. Het probleem was dat muizen en
ratten hier wel aan geraakten en zij aten vaak grote delen hiervan op. Wat overbleef,
was dus een door elkaar gegooid hoopje voedsel dat op de koop toe ook nog vol
bacteriën zat van deze kleine knaagdiertjes.
Men moest dus op zoek naar een andere en betere manier om hun etenswaren
in te bewaren.
Rond 7000 v.Chr. ontdekte men in het Nabije Oosten de kunst om klei te bakken. De
zachte klei werd daardoor een zeer harde en vaste materie.
Men boetseerde de stukken klei tot de gewenste vorm ongeveer bereikt was en
legde dit dan bij het haardvuur om hard te bakken. Later ging men deze potten zelfs
versieren met puntjes, streepjes en allerlei figuurtjes.
Spinnen en weven
Omdat de mens behoefte had aan betere kledij, was het op dit vlak ook tijd voor een
revolutionaire verandering. Rond 8000 v.Chr. vond men het systeem van
spinnen en weven uit.
Spinnen is een draad maken uit schapenwol.
Vanaf 6000 v.Chr. gebruikte men een weefgetouw. Aan de bovenste stok van het
weefgetouw bevestigde men de gesponnen draden. Deze werden naar beneden
gehouden door aan de uiteinden stenen te bevestigen. Het enige wat men nu nog
moest doen, was met een andere draad vlechten tussen de verticaal hangende
draden. Op die manier kreeg je een lap stof. Dit werd gebruikt om bijvoorbeeld kledij
van te maken.
Metalen
Het eerste metaal dat men begon te gebruiken, was koper. Rond 4500 v.Chr.
slaagde men erin om koper vloeibaar te maken en daarna in een vorm te gieten. Het
koper werd in een pottebakkersoven tot 1100°C opgewarmd. Koper gebruikte men
sindsdien voor sierraden, wapens en werktuigen.
Van het idee van koperen wapens is men echter heel snel afgestapt. Koper is een
redelijk zacht metaal en was niet zo scherp en hard als bijvoorbeeld stenen bijlen.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
66
Rond 3500 v.Chr. kwam men op het idee om koper met tin te versmelten. Hierdoor
ontstond een nieuw metaal: brons. Brons is vijfmaal zo hard als koper!
Vanaf ongeveer 1500 v.Chr. was men erin geslaagd om ook ijzer te smelten.
Voordien was dat niet mogelijk omdat men het niet tot een temperatuur van 1535°C
kon verhitten. IJzeren wapens en werktuigen waren nog veel beter, sterker en
scherper dan die van brons.
Dankzij de ontdekking van deze metalen zijn nog vele nieuwe beroepen ontstaan.
Metalen werden uit mijnen gehaald, dus hiervoor had je werkvolk nodig. Natuurlijk is
er ook iemand nodig die toeziet of iedereen zijn werk wel goed doet. Zo krijg je dus
nieuwe beroepen als mijneigenaars, mijnwerken, smeden enz.
Politiek
Toen men pas sedentair leefde, was er nog geen sprake van politiek. Er werden her
en der kleine landbouwnederzettingen gesticht, die in het begin weinig of geen
contact met elkaar hadden.
Later veranderde alles. Doordat men door betere landbouwtechnieken steeds meer
en meer voedseloverschotten had, ontstonden talrijke nieuwe beroepen. Hierover
kan je lezen in het economische gedeelte. Deze nederzettingen groeiden uit tot
dorpen.
Deze dorpen bleven groeien omdat men steeds meer overschotten produceerde.
Vaak hadden deze dorpen te kampen met invallen van andere dorpen en nomaden.
Zij probeerden deze dorpen volledig leeg te roven en te verwoesten.
Hier moest dringend verandering in komen en daarom nam de machtigste man
het heft in eigen handen. Deze machtigste man was meestal degene die
het meeste grond bezat.
Hij riep zichzelf uit tot leider van het dorp en liet het omringen door een
muur en bewaken door soldaten. Vanaf dat moment spreekt men van een stad.
Nog later gi,gen deze steden ook onderling oorlog voeren met het doel de andere
stad in te palmen en zo zichzelf nog rijker te maken.
Als een stad een andere stad volledig onderwierp, spreekt men van een stadstaat.
De leiders van deze stadstaten werden in het Midden-Oosten koningen genoemd, in
Egypte sprak men van farao's.
Deze leiders hebben werkelijk alle macht in handen: zij zijn op politiek
vlak de belangrijkste persoon, zij zijn baas over heel het leger
(opperbevelhebber), zij zijn de vervanger van god op aarde en daarom ook
opperpriester en zij zijn baas over alle wetten en rechtspraak
(opperrechter). Je ziet dus dat zij alle macht stevig in handen hadden.
Deze koningen lieten de grootste werken bouwen om de weelde van hun stad nog
duidelijker te maken.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
67
Kunst
Doordat er een groot sociaal onderscheid was tussen arm en rijk, konden velen niet
genieten van de prachtige kunst die kunstenaars konden vervaardigen. Enkel de
rijken konden muzikanten in dienst nemen om zich 's avonds te vermaken, schilders
die hun huis opsmukten enz.
De koning had natuurlijk vele kunstenaars in dienst. Zij beschilderden zijn huis,
vervaardigden de mooiste meubels, maakten de prachtigste sieraden en dag en
nacht kon je naar de mooiste muziek luisteren.
Dankzij de uitvinding van de metalen ontwierpen kunstenaars allerhande nieuwe
sierraden zoals ringen, armbanden, halsbanden, gespen enz.
Muziek en muziekinstrumenten
De meeste vondsten betreffende muziek en muziekinstrumenten werden gedaan in
Mesopotamië en Egypte.
De oudste Mesopotamische instrumenten zijn fluitjes. Rond 3000 v.Chr. was er in
Mesopotamië en omringende landen al een belangrijke muziekcultuur ontstaan.
Men had snaarinstrumenten zoals de harp, blaasinstrumenten zoals fluitjes en
slaginstrumenten zoals trommels. Verder zijn er ook nog allerhande cimbalen, ratels
en belletjes gevonden.
Het oude Egypte had een heel eigen muzikale cultuur. De Egyptenaren ontwikkelden
vanaf 2500 v.Chr. unieke varianten op de instrumenten uit Mesopotamië. Men vond
er onder andere harpen, lieren, luiten, rietfluiten en een aantal slaginstrumenten. In
het graf van Toetanchamon vond men zelfs een zilveren trompet die dateert uit 1322
v.Chr.
Religie
Het geloof heeft altijd een grote rol gespeeld in de geschiedenis van de mens. Sinds
de mens abstracter kon denken - men vermoedt sinds de Neanderthalers - was er al
sprake van een vorm van geloof. Neanderthalers geloofden al dat er iets 'meer'
moest zijn dan dat je op aarde ziet. Zij offerden soms stukjes vlees om de goden
gunstig te stellen.
Sinds men sedentair begon te leven, speelde religie een nog grotere rol in
het dagelijks leven van de mens.
Men was toen nog afhankelijk van vele factoren, denk maar aan de overstromingen
van de Nijl. Als de Nijl niet zou overstromen, zou dat rampzalige gevolgen voor de
Egyptische beschaving hebben. Er zou dan een grote hongersnood uitbreken, waarbij
velen het leven zouden verliezen.
Daarom had men voor bijna alles een god: voor de vruchtbaarheid, de
overstroming van de Nijl, de zon, de zee, de dood enz.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
68
Een koning of farao regeerde zijn land in naam van de god. Hij was de
vertegenwoordiger van god op aarde. Daarom liet deze man immense tempels
bouwen om de godheid te eren en hem gunstig te stellen.
Militair
Omdat steden steeds rijker en rijker werden, was het natuurlijk voor een andere stad
heel interessant om alles te komen leegroven. Vaak werden ook hele steden
ingepalmd zodat de ene stad nog rijker werd. Steden werden ook regelmatig
geteisterd door invallen van nomaden. Zij zwierven rond en probeerden zichzelf
zoveel mogelijk te verrijken door allerhande plunderingen en roofmoorden.
De stedelingen zagen dat het hoog tijd was voor verandering. Men bouwde een
muur rond de nederzetting en liet deze beschermen door soldaten. Deze
soldaten moesten natuurlijk voorzien worden van het nodige materiaal: zowel
om aan te vallen als om zichzelf te beschermen.
Dankzij de ontdekking van de metalen kon men voor de soldaten zwaarden, lansen,
een helm en een pantser maken. Deze voorwerpen kan je onmogelijk van steen
maken.
Oorlogen te land...
Omdat men sedentair leefde, had men een aantal dieren weten te domesticeren,
waaronder het paard. Later, nadat men het wiel uitgevonden had, begon men aan
de bouw van een strijdwagen. De eerste strijdwagens werden in het Nabije Oosten
tijdens oorlogen tussen stadstaten gebruikt rond 3000 v.Chr.. Dit waren zware karren
met dichte wielen.
Duizend jaar later maakten deze karren plaats voor de echte strijdwagens met
spaakwielen. Het voordeel van een strijdwagen is dat je zeer wendbaar bent. Je kan
je heel snel verplaatsen: je kan een bliksemaanval uitvoeren om daarna even snel
terug in de verdediging te gaan. Deze strijdwagens waren ook zeer handig voor
boogschutters en speerwerpers. Zij stonden hoger dan het gewone voetvolk en
hadden daardoor een beter overzicht over het slagveld. Dit gaf hen de mogelijkheid
om beter te kunnen mikken tijdens het schieten van hun pijlen of het gooien van hun
speren. Zij stonden trouwens in een wagen, dus een groot deel van hun lichaam was
beschermd.
...en ter zee
Veel is er niet geweten over oorlogsvoering ter zee tot ongeveer 2000 v.Chr. Men
heeft wel ontdekt dat in Egypte de soldaten vaak op de Nijl vaarden op boten. Zij
stonden allemaal langs elkaar op het dek en schoten met pijl en boog op hun
vijanden.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
69
Wetenschap
Het schrift
Het schrift is misschien wel de beste uitvinding die de mens ooit gedaan heeft, want
vanaf dat moment kon men zijn gedachten, bevindingen, geschiedenis enz.
neerschrijven. Dit maakt het voor de wetenschappers van vandaag natuurlijk veel
gemakkelijker om iets meer te weten te komen over een beschaving en cultuur in de
geschiedenis.
Niemand weet echter precies wanneer het schrift uitgevonden is. Rond 4000 v.Chr.
ontwikkelde men een schrift in Mesopotamië. Dit was nodig omdat er veel te
vaak problemen te kop opstaken bij handel en administratie. Handelaars
ondervonden veel problemen omdat ze hun prijzen, hoeveelheden en gewichten
nergens konden noteren. Ook de ambtenaren hadden het moeilijk om belastingen te
berekenen zonder dit te kunnen opschrijven. Het schrift dat zich in Mesopotamië op
het einde van het vierde millennium ontwikkelde, heet het spijkerschrift.
Met dunne stokjes of rietjes werden deze tekens in kleien tabletten aangebracht.
Rond 3100 v.Chr. hadden de Egyptenaren een geheel eigen schrift ontwikkeld,
namelijk de hiëroglyfen.
Rekenen en wiskunde
Rekenen bestond al een paar duizend jaar eerder dan lezen en schrijven. Sinds de
mens sedentair ging leven, is de handel steeds meer en meer gebloeid. Een
handelaar moet natuurlijk kunnen tellen, anders zal hij steeds bedrogen worden.
Om zijn handelingen vast te leggen, gebruikten de eerste handelaars kleine stukjes
klei en steentjes. Zo kon de handelaar ook bijhouden hoeveel goederen hij
verhandeld had en hoeveel nog opgeslagen stond. Rond 4000 v.Chr. werden deze
stukjes klei en steentjes bewaard in enveloppen van klei, die soms verzegeld werden.
Astrologie en astronomie
De astronomie is de oudste wetenschap die we kennen. Het bestudeert het
ontstaan van het heelal en de loop, de stand en het gedrag van de hemellichamen.
Astrologie voorspelt de toekomst door de bewegingen van de hemellichamen in kaart
te brengen en te interpreteren. In een Assyrisch spijkerschrifttablet van 1700 v.Chr.
staan de bewegingen van de planeet Venus en de gevolgen ervan: 'Als Venus op de
28ste dag van de maand Arasamna verdwijnt en drie dagen lang niet aan de hemel
te zien is en als Venus op de eerste dag van de maand Kislev verdwijnt, dan zal
honger naar graan en stro in het land heersen; ontreddering zal over ons komen.'
Geld en munten
Munten werden pas in de zevende eeuw v.Chr. uitgevonden, maar dat wil nog
niet zeggen dat men voor die tijd geen geld gebruikte.
In Mesopotamië en Egypte kon je ook sinds het derde millennium v.Chr. betalen met
zilver. Je moest dan een bepaald gewicht zilver betalen. De vorm van het zilver
maakte niet uit: er waren staven, reepjes en ringen. Alleen de rijkste mensen konden
zich dit zilver permitteren. Je kon even goed met andere goederen betalen,
bijvoorbeeld met graan. De meeste betalingen gebeurden met zulk voedsel.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
70
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
71
6. De Kelten4
6.1. Oorsprong
6.1.1. Wie waren ze ?
De Kelten waren een volk, een gemeenschap, een cultuur,... die, vooral door de
Romeinen, gezien werden als woeste krijgers. Een correct beeld? Zij hadden een
groot (meer dan 1,60m; ze waren groter dan de Romeinen), agressief gebouwd
uiterlijk en waren geducht voor hun volharding. De mannen en vrouwen
liepen er volgens sommige bronnen schaars gekleed bij.
Zij kwamen van het Europese vasteland en hadden een traag ontwikkelende
beschaving. Rond 500 v.C. kwamen zij over naar het Schotse gebied. In feite kunnen
zij gezien worden als onze vroege voorvaders. Waarom Schotland en de Kelten vaak
samen geassocieerd worden, is vrij duidelijk: de Kelten hebben overal in Europa
gewoond, gebieden die door latere invallers telkens overmeesterd werden, of met
wie tenminste handel werd gedreven. Door de onherbergzame streek, was Schotland
niet interessant voor handel (= cultuurvermenging) en oorlog (= moeilijk te
bereiken). Vandaar dat daar in zekere mate de fundamenten van de oorspronkelijke
Kelten behouden werden...
Er waren twee grote Keltische beschavingen/periodes: de Hallstatt (Oostenrijk, ca.
800-500 vC.) en de La Tène (Zwitserland, ca. 450-1ste e v.C.)
De verschillen tussen de Keltische stammen konden groot zijn op politiek,
economisch, religieus,… vlak. Naar gelang hun woonplaats werden zij beïnvloed door
de lokale beschavingen/culturen, bijvoorbeeld de Germaanse , de Griekse, de
Romeinse,…
We bestuderen de Kelten in de cursus prehistorie. Het zou misschien logischer zijn
als we de kelten zouden bestuderen in de cursus Rome. De Romeinen zijn vaak met
de Kelten geconfronteerd geworden. Het heeft de Romeinen heel wat inspanningen
gekost om hen te onderwerpen.
De Kelten waren sedentair, maar kenden het schrift niet5 en behoren dus tot de
prehistorie. Wat we over hen weten, weten we via de archeologie, maar ook via de
Romeinen. Met hun getuigenissen moeten we echter voorzichtig zijn. Die zijn niet
altijd objectief.
4
http://www.greatscotland.be/geschiedenisde_kelten.htm
Jannssens U, De Oude Belgen, z.p., 2007. Dit schitterend boek is een aanrader!
Sommige handboeken geschiedenis behandelen de Kelten in het 1ste jaar, andere in het 2de jaar.
5
Druïden zouden wel een verkorte vorm van het Grieks hebben gekend, maar gebruikten het alleen voor
religieuze aangelegenheden
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
72
6.1.2. Etymologie
De Romeinen noemden dit volk Galli (naar gallus = haan, omdat ze hun haren met
kalk rechtop lieten staan; dat leek op de kam van een haan) de Grieken noemden
hen Galatai. Maar meestal werd de term Keltoi. (misschien van het oude Griekse
woord dat verborgen mensen betekent) gebruikt. De Hallstatt- en La Tène-periode
van Europa leveren in geschreven bronnen de eerste vermeldingen op van de term
Kelten; de Keltoi. De vroegste vermeldingen spreken al van een bevolkingsgroep
(een taalgroep) rond 500 v.C. (Miletius) en 450 v.C. (Herodotus).
6.1.3. Situering
De Kelten behoren tot de Indogermaanse (= Indo-Europese) volksstammen. De
eerste Kelten (ongeveer 1800 v. Chr.), woonden in het gebied van de Boven-Rijn en
Boven-Donau. Langzaam werd de groep groter en door overbevolking en interne
conflicten zwermden ze uit. Meestal gebeurde dit door vreedzame kolonisatie,
soms ook door veroveringstochten. Het uitzwermen nam eeuwen in beslag. Het
westen (Frankrijk, Britse eilanden en Ierland) bevolkten ze in de 6de eeuw v.C. Rond
de 4de eeuw v.C. verspreidden ze zich over Italië en in 390 v. Chr. plunderden ze
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
73
Rome. In het begin van de 3e eeuw overspoelden ze Griekenland. Later staken
ze de Bosporus over en vestigden zich in Klein-Azië.
6.1.4. Ondergang
De Keltische samenleving bestond uit verschillende stammen – van een staat
was geen sprake- die af en toe een onderlinge strijd voerden maar over het
algemeen in vrede met elkaar leefden. Ze bezaten de basis om een machtig rijk te
vormen maar hadden daar nauwelijks nood aan. Juist dat gebrek aan onderlinge
eenheid wist Julius Caesar goed te gebruiken. Hij wendde de onderlinge jaloersheid
tussen de stamhoofden en edelen aan en overwon langzaam maar zeker heel
Gallië. In het jaar 58 v.C. begon Caesar met de 'pacificatie' van Gallië. Ondanks het
verbeten verzet van de Galliërs, vanaf 52 v.C. onder leiding van Vercingetorix, was
hij na acht lange jaren vol strijd heer en meester in het land.
6.2. Wonen bij de Kelten
6.2.1. Stamverband of alleen ?
De mensen in Keltisch Europa leefden in verschillende stammen onder leiding
van een hoofdman. Het aantal Kelten was zeer groot, toch leefden ze niet in één
grote groep. Daarentegen waren er wel zeer veel stammen met een beperkt aantal
Kelten per groep. Doordat de stammen klein waren en de verschillende stammen
niet met elkaar samenleefden waren de migraties van de Kelten niet zo heel erg
ingrijpend. Op die manier konden ze ook snel met de lokale bevolking integreren. De
meeste Kelten waren landbouwer of veehouder en woonden in kleine dorpjes.
Maar vlak voordat de Romeinen in Brittannië en Gallië kwamen, vormden zich grotere
Keltische nederzettingen die op kleine steden begonnen te lijken.
Confederaties van meerdere stammen bleken duidelijk niet stabiel te zijn en al naar
gelang de politieke situatie vielen ze uiteen of groeiden ze naar elkaar toe.
De stammen werden geregeerd door koningen of stamhoofden (soms als duo)
met een beperkte macht.
Er was ook een volksvergadering, de volksvergadering bestond uit alle vrije
mannen van de stam. Zij mochten de belangrijke besluiten nemen.
Er bestond ook een vergadering van een paar honderd belangrijke edelen.
Dit was een machtig lichaam waaruit men de heerser koos.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
74
6.2.2. Het dorp
De Kelten woonden in kleine dorpen met huizen en graanschuren. Om het hele
dorp was een rechthoekige palissade gebouwd: een omheining van palen in de
grond met aan de bovenkant scherp geslepen punten6.
De eerste Keltische steden (eigenlijk grote dorpen) begonnen zich rond 200 v.C.
te ontwikkelen. In deze steden waren de huizen niet dicht tegen elkaar gebouwd
zoals in het Middellandse-Zeegebied. De steden waren onderverdeeld in wijken
met een gespecialiseerde bestemming. Zo waren er aparte wijken voor de
textiel, de metaalambacht, de bronsgieters, de smeden, de leerlooiers, …. De mooie
huizen van de edelen en de godentempels lagen in het midden van de stad. De
straten vormden een rechthoekig patroon, om de tien meter stonden er woningen
met daartussen grote stukken grond waarop gewassen verbouwd werden of
weidegrond voor dieren. De steden werden rondom beschermd door stenen
vestingwallen met boomstammen er tussenin gevoegd. Bij vijandelijke aanvallen
konden deze de schokken van grote blokken steen, die erheen geslingerd werden,
opvangen.
Keltisch dorp
6
Vele dorpen hadden een gewone omheining van riet. Niet om belagers buiten de houden, wel om het vee
binnen te houden
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
75
6.2.3. Het Keltische huis
Er bestaan geen complete huizen meer uit de Keltische tijd, maar toch hebben
archeologen voldoende bewijzen gevonden om te weten hoe ze eruit zagen en om er
constructies van te maken. Ze weten dat de huizen meestal rond van vorm
waren, maar soms ook ovaal, rechthoekig of vierkant. De muren werden
gemaakt van steen of van takjes en leem, afhankelijk van het materiaal dat in de
buurt voorhanden was. De daken waren met stro of riet bedekt. Soms waren de
huizen gedeeltelijk ondergronds en waren ze via nauwe gangen met elkaar
verbonden.
Een Keltisch huis had maar één grote kamer. Het vuur brandde in een
vuurhaard in het midden en zorgde voor warmte en licht. Het werd ook gebruikt om
op te koken. De vloer werd gemaakt van stevig aangestampte modder. Het rieten
dak leverde groot brandgevaar op. Er was namelijk geen schoorsteen, alleen een
opening in het dak en daarom konden de vonken van het vuur het dak gemakkelijk
in vuur en vlam zetten. Door natte huiden boven het vuur te spannen, probeerde
men brand te vermijden. In kleine bijgebouwtjes zaten dieren en werden voorraden
opgeslagen.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
76
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
77
6.3. Vechtlust en oorlogsvoering
6.3.1. Tactiek
Eerst traden enkelen van hen naar voren en daagden de dappersten van de
tegenstanders uit tot een tweegevecht.
Daarbij zwaaiden ze geweldig met hun wapens om de tegenstander te
intimideren. Als iemand de uitdaging had aangenomen, barstten de medestrijders uit
in woeste gezangen, waarin de daden van hun voorouders en hun eigen
heldendaden werden geroemd.
Om de vijand al voor het gevecht de moed te ontnemen, werd hij bespot of beledigd.
Het was een soort psychologische oorlogsvoering, die ontwikkeld was tot ritueel.
6.3.2. Methode
De hoorns schalden en de krijgers barstten uit in luid geschreeuw. Zwaarden
werden tegen schilden geslagen, dit wakkerde de woede en de vechtlust aan. Dan
stormden de eersten op de vijand.
Tegelijkertijd kwamen op de flanken strijdwagens in beweging. Deze waren
gewoonlijk met twee man bezet. De één mende de paarden, de ander gooide zijn
speren naar de vijand.
Als hij ze allemaal geworpen had, sprong hij van de strijdwagen om zich als vechter
te voet in te zetten. Op dat ogenblik keerde de menner de wagen om deze in geval
van vlucht klaar te zetten.
De cavalerie streed ook op deze manier. Twee ruiters zaten op een paard; de één
gooide tijdens de aanval zijn speren en steeg dan af, de tweede wendde het paard,
bond het vast en greep, net als de andere, naar het zwaard of naar de lancia (een
Keltisch woord voor lans).
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
78
6.3.3. Wapendracht
Over de lans schrijft de Griekse geschiedschrijver Diodorus dat de punt ervan wel
een halve meter lang en bijna veertien centimeter breed was.
De ene lansbladen waren plat, de andere over hun hele lengte gegolfd, zodat de
stoot niet alleen een diepe wond veroorzaakt, maar zodat de wonde bij het
terugtrekken ook nog eens wordt opengescheurd.
Het zwaard was het favoriete wapen van de Kelten. Het was zo lang als de
werpspies van andere volkeren.
Eerst had het een simpel brons blad, maar later is het geëvolueerd naar een relatief
modern zwaard.
De maliënkolder werd wellicht uitgevonden door de Kelten en woog ca. 15 tot 20
kg. Enkel de rijken, de adel, konden zich dit permitteren tijdens het gevecht.
Waarschijnlijk werden schilden, gewoonlijk platte stukken hout, overtrokken met
leer om ze te beschermen tegen het weer en splijting. De exemplaren die men bij de
La Tène vond waren ongeveer 1,1 meter hoog, maar latere afbeeldingen van Galliërs
die op hun schilden leunen wekken de indruk dat in de late ijzertijd sommige
schilden groter waren, misschien wel 1,3 - 1,4 meter hoog, zoals de schilden die de
Romeinse legioenen in deze tijd gebruikten. Hun vorm was vaak een langgerekte
ovaal of een lange rechthoek met afgeronde hoeken. Men kende ook ronde vormen,
lange zeshoeken en ovale (in Brittannië).
Men hanteerde de schilden met behulp van een handgreep die in het midden van het
bord horizontaal was bevestigd en men droeg het schild als een koffer. De vuist
werd beschermd door een houten knop aan de voorkant. Er was geen riempje voor
de onderarm. Evenals de Romeinse schilden waren de Keltische schilden tevens
aanvalwapens; behalve tot het afweren van slagen dienden ze als een gepantserde
vuist om de tegenstander te raken. Men voorzag de schilden vaak ter, versteviging
of versiering, van een ijzeren of bronzen plaat en soms ook van een metalen rand.
Vanaf de 4de eeuw v.C. vervaardigde men in Gallië – wellicht als antwoord op de
ontwikkeling van grote slagzwaarden – ijzeren helmen; deze hadden de zwakkere
bronzen versies verdrongen tegen de tijd dat de Romeinse veroveraars kwamen. De
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
79
helmen hadden een bewerkte knop aan de bovenkant en een nekbeschermer.
Gewoonlijk bezaten ze ook wangstukken, die er met scharnieren aan vastzaten, een
element dat waarschijnlijk uit Italië was overgenomen. Ze waren vaak versierd en
sommige waren verfraaid met buitengewone ‘topstukken’.
De klassieke teksten noemen helmen met horens, de horens waren waarschijnlijk
alleen voor de sier. Er zijn ook helmen teruggevonden volledig versierd met goud en
ingelegd koraal. Deze hadden vermoedelijk alleen een ceremoniële functie. Aan de
vooravond van Caesars verovering vond er een vernieuwing plaats in het ontwerp
van helmen, nu verschenen er vormen als ‘bolhoed’ helm, met een gladde top en een
rand. Sommige van deze helmtypen uit Gallië waren de voorlopers van nieuwe
helmvormen bij de Romeinen.
De Kelten namen wapens en tactiek van hun tegenstanders, bijvoorbeeld de
Romeinen, over.
6.3.4. Furor
Maar hetgeen de vijanden werkelijk bevreesde, was de aanblik die de Kelten boden
en vooral de dolle razernij waarmee ze aanvielen.
Als ze eenmaal aan het vechten waren, waren ze niet meer normaal, ze raakten in
een soort gevechtstrance. Van discipline en tactiek was er echter geen sprake.
Tegen de goed getrainde en gedisciplineerde Romeinse legioenen moesten zij
uiteindelijk het onderspit delven.
De Romeinen hebben dit gedrag later furor genoemd en het altijd gevreesd. Om de
furor nog eens te benadrukken, moet je weten wat ze met hun overwonnen vijanden
deden. Ze hakten hun hoofd af en spijkerden die dan thuis boven de deur van hun
hut. De hoofden van hun voornaamste vijanden conserveerden ze in cederolie en
bewaarden ze in houten kistjes om vol trots te tonen aan hun bezoekers. Ze
geloofden dat de kracht van de gedode tegenstander zo op hen over ging.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
80
6.4. Dagelijks leven en onderhoud
6.4.1. Landbouw
De Kelten waren welvarende landbouwers en veefokkers. Ze werkten voor
zichzelf op hun eigen boerderij, wat niet vanzelfsprekend was in die periode. Ze
werden bijgestaan door hun familie en soms ook vrienden. Sommige boeren hadden
ook slaven voor het zware werk.
6.4.1.1. Nieuwe werkmiddelen
Zware ploeg met ijzeren scharen: de ijzeren ploegschaar werd gebruikt om de
grond te scheuren, zware kleibodem te bebouwen en om de door oogst uitgeputte
grond naar onder te brengen, terwijl de onderliggende rijke grond naar boven
gebracht werd.
Oogstmachine (=maaimachine): een getande zeis op wielen door een muilezel
of een os geduwd en bediend door twee werklieden. De ene liep erachter om de
machine te besturen, de ander liep ervoor om het afgesneden graan los te maken.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
81
De Kelten hebben deze oogstmachine uitgevonden en doorgegeven aan de
Romeinen.
Zij worden gezien als de uitvinders van het hoefbeslag, het houten wiel met
ijzeren band, de ploeg op wielen,… 7
Daarnaast zijn de Kelten ook de uitvinders van de kogellagers in het wiel, email, de maliënkolder, de kar met 4
wielen, de houten ton en emmer,de maaimachine, geruite stoffen, zeep,…
7
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
82
6.4.1.2. Vee
Door de ijzeren werktuigen waarover de Kelten beschikten was een meer rationele
veefokkerij mogelijk: ze maaiden gras en sloegen het op in schuren, hierdoor kon
de verhuizing van zomer- naar winterweiden afgeschaft worden. Doordat de
runderen niet meer over grote afstanden moesten gedreven worden, kwamen ze
beter in hun vlees te zitten. Koeien in de stal gehouden, gaven meer melk en mest.
Ze draineerden weiden om groot vee te kunnen houden.
6.4.2. De handwerkslieden
De handwerksliedenwaren belangrijk omdat ze niet alleen de voorwerpen konden
vervaardigen die nodig waren voor het dagelijks leven. Ze vervaardigden ook
de sieraden die de Keltische heren droegen. De Keltische heren droegen dit om
hun rijkdom en hoge stand te tonen.
6.4.3. Slavenhandel
De meeste slaven verkregen de Kelten tijdens hun veroveringstochten. Ze deden het
zware en vuile werk. Bovendien waren de slaven een zeer belangrijk ruilgoed. De
Kelten werkten met het omrekensysteem, waarbij één cumal of slavin, drie
melkkoeien waard was. Slavenhandel werd nog belangrijker toen het Romeinse
Rijk groter werd, omdat de Romeinen steunden op de slaven voor de mijnen en de
boerderijen die de basis vormden voor hun Rijk.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
83
6.4.4 . Mijnbouw, ijzer, koper en zout
De mijnbouw in het gebied rond Hallstatt en Dürnnberg dateert al van de
midden-bronstijd. Dit werd aangetoond door vondsten van gereedschappen in de
zoutmijnen. In de 18de eeuw werden zelfs de mummies van verongelukte
prehistorische mijnwerkers gevonden, maar deze zijn later vernietigd. Er werd
voornamelijk zout gewonnen, wat in die dagen een zeer waardevol handelsgoed
was. Deze zoutwinning was wellicht de bron van de rijkdom die in zovele grote
graven tentoon wordt gespreid.
Door de bijzondere omstandigheden in de zoutmijnen zijn ook leer en textiel
bewaard gebleven. Zodoende weten we dat de mijnwerkers veelal gekleed waren in
een leren overkleed, met daaronder wollen onderkleding. Deze kleding was niet
nieuw, maar heeft kennelijk een tweede leven als 'werkkleding' gekregen. Hierdoor
zijn ook enkele voormalige 'pronkstukken' bekend. Aan de hand van de schoenmaten
van het (veelvuldig) gevonden schoeisel kunnen we afleiden dat niet alleen
volwassenen in de zoutmijnen gewerkt hebben maar ook kinderen van verschillende
leeftijden.
Uit verschillende analyses is inmiddels bekend dat het om een min of meer
professionele vorm van mijnbouw8 ging, bedreven door een groep die door
zouthandel in hun levensonderhoud voorzag, waarbij omliggende land- en
bosbouwgebieden voor de nodige ondersteuning in de vorm van hout, leer en
voedsel zorgden.
Ook werd ijzer gedolven, met name in de Kalkalpen, maar aangezien ijzer vrij
wijdverspreid voorkomt, is dit waarschijnlijk nooit handelswaar geweest. Voor het
koper en tin dat voor de productie van brons noodzakelijk was, was men op import
aangewezen.
6.5. Het keltisch gezin
6.5.1. Mannen
Een Keltische man droeg als symbool van zijn invloedrijke positie een halsring of
torques om zijn nek.
We kunnen eruit afleiden dat hij waarschijnlijk behalve een krijger ook een boer
en het hoofd van zijn familie was. Voor hem betekende het gezin waarschijnlijk
meer dan alleen zijn vrouw en kinderen.
Zijn ouders zouden er waarschijnlijk ook bij horen en alle ongetrouwde broers en
zussen, maar ze zouden elkaar allemaal helpen door samen op de boerderij te
werken.
De mannen in de Keltische maatschappij mochten waarschijnlijk ook verscheidene
vrouwen nemen
8
Morinen en Menapiërs leefden aan de Noordzee en waren belangrijk in de zoutwinning en-handel
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
84
6.5.2. Vrouwen
De man was het gezins- of familiehoofd, de vrouwen werden niet als gelijken
beschouwd. Als zij geen kinderen voortbracht (wat vaak de reden was dat een man
meerdere vrouwen nam), konden haar erfrechten overgaan op de kinderen van de
bijvrouwen.
De vrouwen waren gebonden aan de 3 klassieke k's: keuken, kemenade
(vrouwenvertrek) en kinderen. De Keltische vrouwen maakten al het eten voor hun
familie klaar. Daar hoorde zowel het maken van boter en kaas als het koken bij. Ze
moesten ook graan tot meel maken en elke dag brood bakken.
Een andere taak die hen bezighield, was het maken van wollen stof. Nadat de
schapen waren geschoren, werden de knopen uit de schapenvacht gekamd. Daarna
werden er op een spinklos draden van gemaakt, waarna er een stof van werd
geweven.
In sommige adellijke families zouden de vrouwen de heersers geweest zijn9
en veel van hen werden samen met hun kostbare sierraden begraven. Familiebanden
moeten toen belangrijk zijn geweest, omdat beelden uit de Romeinse tijd aantonen
dat de Kelten die verslagen werden, liever hun vrouw en daarna zichzelf doodden
dan slaaf te worden.
6.5.3. Kinderen
Er is maar weinig bekend over de kinderen van de Kelten. Gezien er geen school
was, zullen ze waarschijnlijk in huis of op de boerderij hebben moeten werken,
zodat ze zich nuttig konden maken. Het staat wel vast dat een jongen zich
buitenshuis niet in de gezichtskring van zijn vader mocht ophouden, want dat werd
als een regelrechte schande aanzien.
6.5.4. De ouderen en minder gegoeden
De Kelten bekommerden zich om mensen die oud, arm of ziek waren. Ze
zorgden ervoor dat ze voedsel, kleding en onderdak hadden. Als deze mensen zelf
geen familie hadden, werd er binnen hun plaatselijke woongemeenschap voor hen
gezorgd. Al ca. 300 v. Chr. kenden de keltische stammen een soort ziekenhuizen.
6.5.5. Sociale differentiatie (een gelaagde maatschappij)
9
Hieraan twijfelen de meeste wetenschappers
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
85
Uit het beschikbare bewijsmateriaal komt het beeld van een sociaal
gedifferentieerde maatschappij naar boven. Mensen waren niet elkaars
gelijken; sommigen hadden het veel beter dan anderen. Dit blijkt onder
andere uit vondsten van z.g. koningsgraven, die gekenmerkt worden door zeer
kostbare (gerekend in arbeid en materiaal) graven en zeer rijke bijgiften, niet alleen
lokale producten, maar ook ingevoerde luxeartikelen.
Ook uit de verschillende grafvelden blijkt dat er een merkelijk verschil in
begrafeniswijze was. Sommigen kregen zeer rijke grafgiften en een grafheuvel,
anderen moesten het doen met een eenvoudige begrafenis en een paar symbolische
giften of helemaal geen.
6.6. Barden
De bard was de gebruikelijke benaming voor een lyrische zanger en dichter. Op
een soort lier, de "cruth", begeleidden zij de gezangen en verzen die ze voordroegen.
De barden stonden ook bekend als geschiedkundigen want ze leerden geheel de
geschiedenis van hun stam en voorvaders van buiten en vertelden die dan door aan
het nageslacht.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
86
6.6.1. Functies
De bard legde contact met het verleden en de wereld van de natuur. De bard
werkte met cyclus van de seizoenen. De bard stelde de kalenders vast. De bard
werkte met de krachten van de 4 elementen: aarde, water, vuur, lucht. De bard
maakte nieuwe gedichten voor speciale gelegenheden zoals veldslagen,
huwelijken, geboortes.
6.6.2. Opleiding
Een bard werd opgeleid gedurende een twaalf jaar lange periode in een soort van
dichterscholen. Die dichterscholen werden gevormd door 1 leraar en zijn dienaren.
Tijdens het eerste jaar leerde de dichter, of anders gezegd de bard, 20 verhalen die
hij van buiten moest leren.
Het tweede jaar leerde hij meer over de filosofie en poëzie en hij bestudeerde de
verhalen over de mythologische goden. Dit herhaalde zich jaar na jaar opnieuw
totdat hij onder andere de geheime taal der dichters en allerhande
bezweringsformules leerde. Na zijn ‘studies’ kreeg hij de taak zich in een stam te
vestigen en daar de functies van de barden te volbrengen.
6.7. Druïden
Ons beeld van de druïden is grotendeels verkeerd. Wij zien een druïde immers als
een oude man met een baard die een lang wit gewaad draagt met aan z'n riem een
sikkel. Dit terwijl druïden zowel in het zwart (druïden van Mona) als in het wit
gekleed konden zijn. Wit was echter wel de overheersende kleur. De reden waarom
een druïde als een oude man werd gezien is heel simpel: vooraleer men druïde kon
worden moest men de opleiding van bard en ovaat (begrijpen van de natuur, van
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
87
tijd, dood en wedergeboorte) afronden, tegen die tijd echter was men al een man
van hogere leeftijd.
6.7.1. Etymologie
De benaming druïde is afkomstig van het Latijnse woord ‘druida’ en ook van het
Keltische ‘druveid’, wat betekent: "die de eik ziet". Gezien druïden een grote kennis
bezaten en de vertaling van ‘druïden’ eigenlijk te maken heeft met bomen, kunnen
we besluiten dat een druïde "een kenner van de bossen" of "een boswijze" was.
Dit geeft ons een idee van wie de druïden werkelijk waren, mannen die nauw
verbonden waren met de natuur.
6.7.2. Voorstelling beeld druïden
De Ieren waren ervan overtuigd dat de druïden tovenaars waren die het verleden
opriepen, de toekomst voorspelden en de zieken genazen. De Galliërs en de Keltische
stammen in Brittannië beschouwden de druïden echter als een soort wijze mannen
of medicijnmannen die zich bezighielden met onderwijs en opvoeding. De
Romeinen vervolgden de druïden streng omdat ze dachten dat de druïden de leiders
van het verzet tegen de Romeinse overheersing waren.
Sommigen zagen de druïden meer als magiërs, dichters, raadgevers, genezers
en filosofen.
6.7.3. Religieuze functie
Religieuze feesten: Het kostte de druïden twintig jaar om alle kennis die ze
nodig hadden voor alle ceremonies te onthouden. Druïden schreven hun kennis
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
88
immers niet op.
Belangrijkste ceremonies werden uitgevoerd op:
1 ) Samhain
Bij de Kelten viel Nieuwjaar op één november.
Deze belangrijkste feestdag werd Samhain genoemd. Het was een magische dag,
omdat Samhain niet bij het oude, noch bij het nieuwe jaar hoorde. Na de kerstening
werd dit feest vervangen door Allerheiligen-Allerzielen.
2) Imbolc werd gevierd van 31 januarin op 1 februari; het betekende het einde van
de winter. Vrouwen en kinderen wiedden het laatse onkruid en verbrandden het. In
de woningen werd ‘grote kuis’ gehouden. Met de kerstening werd er Onze-LieveVrouw-Lichtmis van gemaakt.
3 ) Beltane
Na Samhain was Beltane, dat in mei werd gevierd, de belangrijkste feestdag in het
keltische jaar; de zomer brak aan. De Kelten staken op die dag ontzaglijke vuren aan
waar ze het vee tussen dreven. Ze geloofden immers dat ze het vee daarmee tegen
ziekten konden beschermen. Met de kerstening werd de maand mei aan Maria
gewijd.
4) Lughnasadh werd van 31 juli tot 1 augustus gevierd. Het feest werd genoemd
naar Lugh, de god van oorlog en vruchtbaarheid. Men vierde dan het binnenhalen
van de oogst. Vaak werden er dan huwelijken afgesloten. De katholieke Kerk maakte
van het feest Maria-Oogst.
De druïden brachten ook mensenoffers, niet in een tempel maar in het diepste van
een "heilig" woud. Dit hield in dat de Kelten bepaalde groepen bomen net zo heilig
beschouwden als wij tempels en kerken. Gewone mensen mochten niet te dicht bij
zo'n heilig bos komen. Daar hielden de druïden toezicht op. De Romeinse dichter
Lucanus beweerde dat de Kelten de heilige bomen lieten verwilderen: ze lieten de
bomen naar elkaar toegroeien zodat de kruinen het zonlicht tegenhielden. Op deze
heilige plaats werden de offers gehouden. Voor alle vier de natuurelementen hadden
de druïden een verschillende dood, namelijk ophanging voor lucht, verdrinking voor
water, verbranding voor vuur en levend begraven voor aarde. De personen die
geofferd werden, waren gewoonlijk krijgsgevangenen, verstotenen of misdadigers.
Uit hun stuiptrekkingen meenden de druïden de toekomst te kunnen voorspellen.
6.7.4. Politiek
De druïde was de persoon die veel politieke invloed had binnen een stam. Hij
was degene die de touwtjes in handen had. Hij hoefde zelfs geen rekenschap af te
leggen, want hij kon immers alles doen zonder zich ergens iets van aan te trekken.
Een druïde bepaalde of er een oorlog gevoerd moest worden of niet.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
89
De druïden waren als rechters bevoegd om te oordelen over misdaden, moorden
en erfenistwisten. De allerzwaarste straf die zij konden opleggen aan iemand was de
uitsluiting van de offerrituelen. Eens in de zoveel manen kwamen alle druïden van
een bepaald gebied samen, ook al voerden bepaalde stammen oorlog met elkaar.
6.7.5. Heilige Planten
De heiligste boom was de eik, maar ook de maretak was heilig. Deze laatste zou
een geneeskrachtige werking hebben en ook de vruchtbaarheid bevorderen. Om aan
maretak te geraken klom een druïde in de boom en sneed de maretak met een
gouden (waarschijnlijke zilveren) sikkel. De maretak liet hij dan naar beneden vallen
waar andere druïden ze opvingen in een witte doek. Maretak was immers een heilige
plant en mocht dus de grond niet raken. Het sap van de maretak werd ook gegeven
aan mensen die geofferd moesten worden, de druïden zullen dus wel geweten
hebben dat de maretak giftig is.
6.8. Keltische goden/religie
De Kelten geloofden in het bestaan van honderden goden. Velen waren plaatselijk
of duplicaten; hun namen verschilden naargelang van de streek, maar hun attributen
en algemene functies bleven gelijk.
Alle goden werden vergezeld door dieren of vogels. Men beschouwde ze als dragers
van goddelijke inlichtingen.
Enkele goden:
- Belanos: god van het licht
- Arduinna: godin van de Ardennen
- Nehalennia: godin van de handel, welvaart en vruchtbaarheid
- Lugh: zonnegod, van oorlog en vrede, van vruchtbaarheid
6.9. Keltische kunst
6.9.1. Kenmerken
De Keltische kunst is geen kunst zoals wij ze kennen in schilderijen en beelden. Ze
bestaat eerder uit kunstige versieringen op gebruiksvoorwerpen en af toe
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
90
wel eens juwelen. Dit is waarschijnlijk zo omdat de kelten eerder praktisch
aangelegd waren.
De Keltische kunst die hier besproken wordt, is voornamelijk kunst uit de Hallstatten de La Tènecultuur; deze twee culturen zijn de basis voor alle latere keltische
culturen.
Keltische kunstvormen werden vooral gekenmerkt door de vele
geometrische figuren en de grote symbolische waarde ervan. Levensgetrouwe
figuren komen zelden voor en afbeeldingen van dagelijkse taferelen zijn al helemaal
uit den boze.
6.9.2. Symbolen
De Kelten maakten in hun kunst zeer veel gebruik van geometrische symbolen.
Het belangrijkste en het meest voorkomende symbool is zonder enige twijfel de
gewone spiraal. De spiraal stond bij de Kelten voor de zon maar ook voor groei en
"kosmische energie".
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
91
De negatief georiënteerde spiraal stelt net als de gewone spiraal de zon voor. En
volgens sommigen stelt ze zelfs de zon in eclips voor, wat niet onwaarschijnlijk is
want de Kelten waren tamelijk ver gevorderd in hun astronomische kennis.
Van dit symbool is de betekenis lang onduidelijk geweest. Maar toen een professor
op het lumineuze idee kwam om stand van de sterren van de voorbije duizenden
jaren te vergelijken met het patroon van de spiraal, bleek dat het patroon
overeenkomt met de stand van de helderste sterren tijdens de zonne-eclipsen van
ongeveer 2000 jaar geleden.
Dit is iets wat erop zou kunnen duiden dat de vroege Kelten dit symbool gebruikten
om een eclips voor te stellen en dat de latere Kelten het hebben overgenomen
zonder te weten waarom.
Sommigen beweren ook dat de eerste spiraal de kleine winterzon voorstelde en de
derde de grote winterzon.
Van deze dubbele spiraal denkt men dat ze staat voor het water of de zee maar dit
zijn slechts veronderstellingen. Aannemelijker is dat ze de equinox, wanneer dag en
nacht even lang zijn, voorstelt. Dit symbool is kenmerkend voor de Keltische
dualiteittheorie en stelt het evenwicht tussen mens en natuur voor.
Deze drievoudige spiraal, de spiraal van het leven genoemd, staat voor de seizoenen,
de drievuldigheid van het leven: geboorte, leven en hergeboorte in het hiernamaals.
Dit symbool beeldt de vermeende eenheid van de Keltische stammen uit. Dit
symbool, ook wel eens de TRISKELON genoemd (naar het Grieks voor drie benen),
stelt de vooruitgang en competitie voor.
De cirkel is het meest elementaire symbool in de keltische symboliek. Ze heeft meer
dan één betekenis waaronder de zon, de maan, het vogelnest, de opening waardoor
we allemaal geboren zijn, de oneindigheid, ...
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
92
6.10. Keltische taal
Het continentale Keltisch is al uitgestorven in de 6de eeuw n.C..
Het Keltisch van de eilanden bestaat uit het Gaelic en het Brits. Uit het Gaelic is het
Iers (Ierland), het Schots (Schotland) en het Manx (het eiland Man, uitgestorven)
ontstaan. Uit het Brits is het Welsh (Wales), het Cornisch (Cornwall, uitgestorven) en
het Bretoens (Bretagne) geëvolueerd.
6.11. Keltische mode
6.11.1. Sieraden
De Kelten hielden van vertoon in sieraden, zoals armbanden en halsringen.
De sieraden bij de mannen: ze droegen sierspelden die eigenlijk gemaakt waren
om kleding vast te zetten. Ze konden zeer mooi bewerkt zijn.
De mannen droegen ook vaak armbanden, maar het beroemdste sieraad is toch
wel de metalen nekring of torques.
De sieraden kunnen gediend hebben als symbool van rang of stand, adeldom of
macht en ze kunnen verband hebben gehouden met de godsdienst.
De sieraden bij de vrouwen: de keltische vrouwen waren dol op sieraden.
Teenringen, vingerringen, armbanden en enkelbanden uit brons en uit andere
materialen waren bijzonder algemeen.
Men droeg ook halsversieringen, op de eerste plaats de torques, maar daarnaast
ook kettingen van koraal, barnsteen of glazen kralen.
Later verdwenen de enkelbanden weer en kwamen er bronzen heupgordels en
verving men de bronzen armbanden door glazen armbanden met schitterende
kleuren. De sieraden bij de vrouwen kunnen ook gediend hebben als indicator van
leeftijd, rijkdom en status als getrouwde vrouw of moeder. leeftijd, rijkdom en status
als getrouwde vrouw of moeder.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
93
Ring
Fibulae
Gedraaide ringen
Torques
6.11.2. Haartooi
Haartooi bij de mannen: de mannen zagen er ruig uit vanwege hun lange haar,
hun baarden en de grote snorren van de aristocraten. Het maken van piekhaar
door het in kalkwater te wassen, moest wellicht hun angstaanjagendheid op het
slagveld vergroten.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
94
De haartooi bij de vrouwen: de vrouwen droegen hun haar lang met
ingewikkelde haardrachten. Ze zaten urenlang voor hun bronzen spiegels om hun
haren te wassen, te kammen en te vlechten.
Men droeg ook halsversieringen, op de eerste plaats de torques, maar daarnaast ook
kettingen van koraal, barnsteen of glazen kralen.
Later verdwenen de enkelbanden weer en kwamen er bronzen heupgordels en
verving men de bronzen armbanden door glazen armbanden met schitterende
kleuren. De sieraden bij de vrouwen kunnen ook gediend hebben als indicator van
leeftijd, rijkdom en status als getrouwde vrouw of moeder.
6.11.3. Kleding
Algemeen: de keltische kleding was kleurrijk, verfijnd en vaak geruit. Ze
hechtten veel belang aan hun verschijning om elkaar te imponeren en hun vijand te
laten schrikken.
De kleding van de mannen: de Keltische mannen droegen lange broeken, de
bracca genoemd, met lange wijde pijpen en lussen eraan om te voorkomen dat ze
tijdens het paardrijden zouden opkruipen.
Boven de broeken droegen ze gewoonlijk hemden met lange mouwen, de tunica
genaamd. De Kelten droegen soms ook mantels met grote armsgaten en een kap.
Deze werden vooral tijdens de winter gedragen. Als schoeisel droegen ze stevige
leren schoenen.
De kleren werden vervaardigd uit inlandse wol, linnen of bont en alleen de rijken
gebruikten soms enige zijde. Ze werden in alle kleuren geweven: rood, paars, zilver,
goud, stoffen met spiralen, met strepen, met bloemen, met zonnen of met allerlei
grillige figuren. In die tijd bestonden geen knopen of ritsen maar gebruikte men
veiligheidsspelden (sluitspelden), de fibulae genoemd.
De kleding van de vrouwen: de Keltische vrouwen droegen vooral een peplos die
bestond uit twee rechthoekige stukken stof, aan de zijkanten vastgemaakt
en op de schouders vastgezet met twee fibulae, die soms onderling verbonden
waren door een decoratieve hangketting. Vaak is er ook sprake van een geruite
wikkelrok die men op de kuit of enkels droeg om modderspatten te voorkomen.
Men gebruikte dezelfde stoffen als bij de mannen. Over de schoenen zijn geen
aanwijzingen.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
95
6.12. Begraafplaatsen
Oorspronkelijk vormden begraafplaatsen de sleutel tot de archeologie van de Kelten
en veel van de mooiste La Tène-vondsten zijn afkomstig uit graven.
De oude Kelten werden vaak bijgezet met persoonlijke bezittingen,
bijvoorbeeld kleren en sieraden, soms ook voedsel. Deze grafgiften duiden
niet alleen op geloof in de onsterfelijkheid van de ziel en op tocht naar het
hiernamaals, maar vertellen ons ook iets over de status van de gestorvene en zijn
of haar familie of gemeenschap. Een grootse begrafenis kon rijkdom en aanzien
kenbaar maken. Daarenboven bieden de graven ons essentiële informatie over de
levens van de mensen en over contacten op het gebied van de handel en de cultuur.
Dolmen waren begraafplaatsen waarover vaak een grafheuvel was geplaatst. In
Frankrijk (vooral Bretagne) worden veel menhirs (rechtop staande stenen)
aangetroffen. De betekenis ervan blijft in het duister gehuld.
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
96
Begraafplaats
Begrafenis
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
97
Dolmen
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
Menhirs (Carnac, Frankrijk)
98
Inhoud
p.
Inleiding
1
1. Het ontstaan van de aarde
2
1.1. Het prille begin
2
1.2.Het eerste leven
3
De landdieren
5
2. Ontstaan van gebergten
7
2.1. Ontstaan van het Himalaya gebergte
7
2.2. De Great Rift Valley
8
3 De ijstijden
10
Wat?
Wanneer?
Oorzaak?
Gevolgen?
a) Algemene gevolgen voor het klimaat en het leven
b) Gevolgen voor het klimaat en het leven in onze streken (Noord-Europa)
c) Gevolgen voor de mensen
4. Van bij-de-mens tot hominide tot mens
13
4.1. Pierolapithecus catalaunicus
14
4.2. Sahelanthropus tchadensis
15
4.3. Ardipithecus Ramidus
17
4.4. Australopithecus Afarensis
18
4.5. Australopithecus Africanus
22
4.6. Australopithecus Garhi
25
4.7. Homo Habilis
27
4.8. Paranthropus Boisei
31
4.9. Paranthropus robustus
33
4.10. Homo ergaster
36
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
99
4.11. Homo erectus
40
4.12. Homo antecessor
44
4.13. Homo Heidenbergensis
46
4.14. Homo neanderthalensis
49
4.15 Homo floresiensis
53
4.16. Homo sapiens
57
5. Sedentarisatie
63
Sociaal
Economisch
Politiek
Kunst
Religie
Militair
Wetenschap
65
66
67
68
68
69
70
6. De kelten
71
6.1. Oorsprong
71
6.1.1. Wie waren ze ?
71
6.1.3. Situering
72
6.1.4. Ondergang
73
6.2. Wonen bij de kelten
73
6.2.1. Stamverband of alleen ?
73
6.2.2. Het dorp
74
6.2.3. Het keltisch huis
75
6.3. Vechtlust en oorlogsvoering
77
6.3.1. Tactiek
77
6.3.2. Methode
77
6.3.3. Wapendracht
78
6.3.4. Furor
79
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
100
6.4. Dagelijks leven en onderhoud
80
6.4.1. Landbouw
80
6.4.1.1. Nieuwe werkmiddelen
6.4.1.2. Vee
6.4.2. De handwerkslieden
82
6.4.3. Slavenhandel
82
6.4.4 . Mijnbouw, ijzer, koper en zout
83
6.5. Het keltisch gezin
83
6.5.1. Mannen
83
6.5.2. Vrouwen
84
6.5.3. Kinderen
84
6.5.4. De ouderen en minder gegoeden
84
6.5.5. Sociale differentiatie (een gelaagde maatschappij)
85
6.6. Barden
85
8.6.1. Functies
86
6.6.2.Opleiding
87
6.7. Druïden
87
6.7.1. Etymologie
87
6.7.2. Voorstelling beeld druïden
87
6.7.3. Religieuze functie
87
6.7.4. Politiek
88
6.8. Keltische goden/religie
89
6.9. Keltische kunst
89
6.9.1. Kenmerken
89
6.9.2. Symbolen
90
6.11. Keltische mode
92
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
101
6.11.1. Sieraden
92
6.11.2. Haartooi
93
6.11.3. Kleding
94
6.12. Begraafplaatsen
95
Geschiedenis module 1a: de prehistorie
Download