management en organisatie vwo

advertisement
MANAGEMENT EN
ORGANISATIE
VWO
Syllabus centraal examen 2012
November 2010
Toelichting bij de titel van de deze syllabus:
Deze syllabus geldt voor het CE van het jaar 2012. Syllabi van de jaren vóór 2012 zijn niet meer
geldig en kunnen afwijken van deze versie.
Verantwoording:
© 2010 College voor Examens, Utrecht.
Alle rechten voorbehouden. Alles uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een
geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij
elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier zonder voorafgaande
toestemming van de uitgever.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
2
Inhoud
Voorwoord
4
1. Inleiding
4
2. Verdeling examinering CE/SE
6
3. Specificatie van de globale eindtermen voor het CE
7
Domein A
Domein C
Domein E
Domein G
Vaardigheden en werkwijzen
Financiering van activiteiten
Financieel beleid
Externe financiële verslaggeving
7
9
11
16
4. Overige onderwerpen
21
4.1 Hulpmiddelen
4.2 Indeling van het examen
21
21
Bijlage 1. Modellen voor management en organisatie
22
1. Inleiding
2. De niet-productieonderneming
3. De productieonderneming (alleen voor vwo)
4. Niet commerciële organisaties
5. Overige modellen
22
23
27
30
31
Bijlage 2. Examenprogramma management en organisatie vwo
32
Domein A
Domein B
Domein C
Domein D
Domein E
Domein F
Domein G
32
33
33
33
34
34
34
Vaardigheden
Interne organisatie en personeelsbeleid
Financiering van activiteiten
Marketingbeleid
Financieel beleid
Informatievoorziening met behulp van ICT
Externe financiële verslaggeving
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
3
Voorwoord
De minister heeft de examenprogramma's op hoofdlijnen vastgesteld. In het examenprogramma zijn
de exameneenheden aangewezen waarover het centraal examen (CE) zich uitstrekt: het CE-deel van
het examenprogramma. Het examenprogramma geldt tot nader orde.
Het College voor Examens (CvE - voorheen CEVO1) geeft in een syllabus, die in beginsel jaarlijks
verschijnt, een toelichting op het CE-deel van het examenprogramma. Behalve een beschrijving van
de exameneisen voor een centraal examen kan de syllabus verdere informatie over het centraal
examen bevatten, bijvoorbeeld over een of meer van de volgende onderwerpen: specificaties van
examenstof, begrippenlijsten, bekend veronderstelde onderdelen van domeinen of exameneenheden
die verplicht zijn op het schoolexamen, bekend veronderstelde voorkennis uit de onderbouw,
bijzondere vormen van examinering (zoals computerexamens), voorbeeldopgaven, toelichting op de
vraagstelling, toegestane hulpmiddelen.
Ten aanzien van de syllabus is nog het volgende op te merken. De functie ervan is een leraar in staat
te stellen zich een goed beeld te vormen van wat in het centraal examen wel en niet gevraagd kan
worden. Naar hun aard is een syllabus dus niet een volledig gesloten en afgebakende beschrijving
van alles wat op een examen zou kunnen voorkomen. Het is mogelijk, al zal dat maar in beperkte
mate voorkomen, dat op een CE ook iets aan de orde komt dat niet met zo veel woorden in deze
syllabus staat, maar dat naar het algemeen gevoelen in het verlengde daarvan ligt.
Een syllabus is zodoende een hulpmiddel voor degenen die anderen of zichzelf op een centraal
examen voorbereiden. Een syllabus kan ook behulpzaam zijn voor de producenten van leermiddelen
en voor nascholingsinstanties. De syllabus is niet van belang voor het schoolexamen. Daarvoor zijn
door de SLO handreikingen geproduceerd die niet in deze uitgave zijn opgenomen.
Deze syllabus geldt voor het examenjaar 2012. Syllabi van eerdere jaren zijn niet meer geldig en
kunnen van deze versie afwijken. Voor het examenjaar 2013 wordt een nieuwe syllabus vastgesteld.
Het CvE publiceert uitsluitend digitale versies van de syllabi. Dit gebeurt via Examenblad.nl
(www.examenblad.nl), de officiële website voor de examens in het voortgezet onderwijs.
In de syllabi 2012 zijn de wijzigingen ten opzichte van de vorige syllabus voor het examenjaar 2011
duidelijk zichtbaar. De veranderingen zijn geel gemarkeerd. Er zijn diverse vakken waarbij de syllabus
2012 geen inhoudelijke veranderingen heeft ondergaan.
Een syllabus kan zo nodig ook tussentijds worden aangepast, bijvoorbeeld als een in de syllabus
beschreven situatie feitelijk veranderd is. De aan een centraal examen voorafgaande
Septembermededeling is dan het moment waarop dergelijke veranderingen bekendgemaakt worden.
Kijkt u voor alle zekerheid jaarlijks in september op Examenblad.nl.
Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de toetsen van het centraal examen vast en de wijze
waarop het centraal examen wordt afgenomen. Deze vaststelling wordt gepubliceerd in het rooster
voor de centrale examens en in de Septembermededeling.
Voor opmerkingen over syllabi houdt het CvE zich steeds aanbevolen. U kunt die zenden aan
[email protected] of aan CvE, Postbus 315, 3500 AH Utrecht.
De voorzitter van het College voor Examens,
Drs. H.W. Laan
1
Op 1 oktober 2009 is de CEVO (Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven) opgegaan in het CvE. De CEVO bestaat
niet meer, maar besluiten van de CEVO, onder meer over de syllabi, blijven van kracht zolang deze niet herzien zijn door het
CvE.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
4
1. Inleiding
Het vak management en organisatie komt in de nieuwe tweede fase terug als keuzevak in het profiel
Economie en Maatschappij. Dit is een prominentere positie ten opzichte van de oude situatie waar het
vak in het vrije deel zat. Het aantal uren voor dit vak neemt eveneens toe. In het vwo wordt het vak
van 360 studielasturen vervangen door een vak van 440 studielasturen. In het havo gaat het vak van
280 studielasturen naar 320 studielasturen. Een aanmerkelijke verbetering waardoor ruimte ontstaat
om nieuwe onderdelen in het schoolexamen toe te voegen. In deze syllabus worden deze
onderwerpen nader toegelicht.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
5
2. Verdeling examinering CE/SE
Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen C, E en G, in combinatie met domein A.
Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.
Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.
Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:
ten minste de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft;
indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het
centraal examen betrekking heeft;
indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen
verschillen.
Tabel:
Verdeling van de examenstof M&O vwo over Centraal Examen en Schoolexamen
Subdomein
Domein A: Vaardigheden
CE
moet
op SE
x
x
B1: Interne organisatie
x
B2: Personeelsbeleid
x
mag op
SE
C1: Rechtsvormen
x
x
C2: Aantrekken van geld
x
x
D1: Marketing van niet-commerciële organisaties
x
D2: Marketing van commerciële organisaties
x
E1: Financieel beleid in niet-commerciële organisaties
E2: Financieel beleid in commerciële organisaties:
handelsondernemingen
E3: Financieel beleid in commerciële organisaties:
industriële ondernemingen
x
x
x
x
x
x
F1: Informatiestromen in organisaties
x
F2: Toepassing van computerprogramma’s in het kader van
informatievoorziening van organisaties
x
Domein G: Externe financiële verslaggeving
x
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
x
6
3. Specificatie van de globale eindtermen voor het CE
Domein A: Vaardigheden en werkwijzen
Subdomein A1: Economische aspecten van vraagstukken binnen organisaties
1. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen commerciële en niet-commerciële
organisaties de economische dimensie vanuit het perspectief van het management verklaren.
De kandidaat kan:
1 bij veel voorkomende vraagstukken binnen commerciële en niet-commerciële organisaties op het
gebied van:
• de interne organisatie;
• de financiering van activiteiten;
• het marketingbeleid;
• het financiële beleid;
• de informatievoorziening, mede met behulp van ICT;
• de externe financiële verslaggeving;
de economische dimensie vanuit het perspectief van het management analyseren.
Subdomein A2: Economische instrumenten
2. De kandidaat kan:
•
economische werkwijzen toepassen;
• economische begrippen hanteren;
• economische grootheden hanteren;
• economische relaties analyseren.
Subdomein A3: Economische perspectieven en belangen
3. De kandidaat kan economische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen
van de diverse betrokkenen bij de organisatie.
De kandidaat kan:
3.1 economische perspectieven onderkennen die de diverse betrokkenen bij de organisatie kunnen
hebben.
3.2 economische belangen onderkennen die uit de verschillende perspectieven kunnen voortvloeien.
Subdomein A4: Informatievaardigheden
4. De kandidaat kan:
verschillende typen (onderzoeks)vragen herkennen en zelfstandig (onderzoeks)vragen
formuleren;
in relatie tot een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag informatie verwerven;
informatie vanuit een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag selecteren en ordenen;
verbale, grafische tabellarische en wiskundige/rekenkundige gegevens vertalen, mede met
gebruikmaking van ICT;
de resultaten van een leeractiviteit overdragen aan anderen
De kandidaat kan:
4.1 verschillende typen (onderzoeks)vragen herkennen en zelfstandig vragen formuleren en daarbij
onderscheid maken tussen:
• beschrijvende/beeldvormende (onderzoeks)vragen;
• analytisch/verklarende (onderzoeks)vragen;
• (onderzoeks)vragen met het oog op waardering/standpuntbepaling.
4.2 in relatie tot een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag informatie verwerven en
daarbij:
• de informatiebehoefte vaststellen;
• beschikbare informatiebronnen inventariseren;
• relevante informatiebronnen selecteren;
• zelf informatie verzamelen, mede met behulp van ICT;
• beoordelen of voldoende informatie verzameld is.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
7
4.3 verworven en/of gegeven informatie vanuit een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag
ordenen en daarbij:
• informatie beoordelen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit;
• informatie (her)ordenen en bewerken (eventueel rekenkundig), mede met behulp van ICT;
• conclusies formuleren ten aanzien van een (onderzoeks)vraag en deze onderbouwen;
• een standpunt bepalen en dit onderbouwen en daarbij:
- feiten van meningen onderscheiden;
- in het geding zijnde waarden herkennen;
- eigen waarden en opvattingen confronteren met die van anderen;
- mogelijke consequenties van een standpunt aangeven;
- een beargumenteerd standpunt formuleren;
- luisteren naar de standpunten van anderen.
4.4 gegevens vertalen, mede met gebruikmaking van ICT:
• van verbaal naar grafisch en vice versa;
• van verbaal naar tabellarisch en vice versa;
• van tabellarisch naar grafisch en vice versa;
• van verbaal naar wiskundig/rekenkundig en vice versa;
• van tabellarisch naar wiskundig/rekenkundig en vice versa;
• van grafisch naar wiskundig/rekenkundig en vice versa.
4.5 de resultaten van een leeractiviteit overdragen aan anderen en daarbij:
• een geëigend medium kiezen (bijv. mondeling, schriftelijk, (audio)visueel), mede met behulp
van ICT;
• rekening houden met doel, doelgroep en randvoorwaarden.
Subdomein A5: Strategische vaardigheden
5. De kandidaat kan:
verschillende typen organisaties identificeren;
modellen hanteren die op deze typen organisaties betrekking hebben;
met behulp van deze modellen vraagstukken binnen deze organisaties stapsgewijs oplossen
kennis van feiten en situaties
De kandidaat kan:
5.1
gegeven een beschrijving van de termen die voor een reeks welomschreven soorten van
organisaties van belang zijn de beschreven termen in eigen woorden omschrijven en
voorbeelden geven van correct gebruik.
5.2
gegeven een beschrijving van een reeks welomschreven soorten van organisaties met voor
elk de karakteristieke kenmerken van hun primaire proces uit een tekst aan de hand van
signaalwoorden opmaken om wat voor soort organisatie het gaat en aangeven wat de
karakteristieke kenmerken van die organisatie zijn.
kennis van procedures
De kandidaat kan:
5.3
gegeven een (of meer) welomschreven model(len) per organisatietype op systematische wijze
vraagstukken oplossen die zijn afgeleid uit de gegeven modellen.
5.4
gegeven twee (of meer) welomschreven modellen per organisatietype de onderlinge
verschillen benoemen en aangeven uit welke vooronderstellingen of impliciete afspraken die
verschillen voortvloeien. Voorts kan hij aangeven hoe het ene model getransformeerd kan
worden in het andere model door de geldige vooronderstellingen één voor één te vervangen.
kennis van probleemoplosstrategieën
De kandidaat kan:
5.5
volgens de hierna beschreven systematiek in duidelijke bewoordingen aangeven hoe hij een
vraagstuk stapsgewijze zal aanpakken.
5.6
gegeven een vraagstuk dat termen bevat die behandeld zijn de semantische betekenis van de
termen aangeven en daarmee een correcte inhoudelijke beschrijving geven van de
probleemstelling van het vraagstuk.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
8
5.7
5.8
•
•
5.9
•
•
5.10
5.11
5.12
gegeven de in aanhangsel 2 omschreven modellen aan de hand van één of meer
signaalwoorden verwijzen naar verschillende modellen kan hij aangeven welk model hij als
referentiekader kiest en hoe hij de afwijkingen ten opzichte van dat ene model interpreteert.
Na de keuze van een model kan hij aangeven welk fragment uit het model van toepassing is
op een bepaald vraagstuk en welke variatie daarbij eventueel van toepassing is.
na de vaststelling van de samenhang tussen de onbekende grootheid en de data op twee
verschillende wijzen een planning van het oplossingsproces maken:
door de stappen te benoemen die successievelijk moeten worden uitgevoerd, onder
vermelding van de te berekenen tussenresultaten;
door een vergelijking af te leiden onder weglating van de tussenresultaten.
na de vaststelling van een stapsgewijze planning van de oplossing (oplossingspad) de
uitkomst van een vraagstuk op twee wijzen vaststellen:
door de uitkomst te berekenen indien voor alle grootheden de bijbehorende waarden bekend
zijn;
door een formule af te leiden indien voor de grootheden alleen parameterwaarden gegeven
zijn.
na de keuze voor een formule die de samenhang tussen de data en de onbekende aangeeft
de geldigheid van de formule verifiëren en vervolgens de onbekende grootheid berekenen via
substitutie van de parameters met de waarden die in een bepaald vraagstuk beschikbaar zijn
gesteld.
tijdens de hantering van deze probleemaanpak onder woorden brengen hoe hij het vraagstuk
aangepakt heeft en hoe hij de afzonderlijke stadia doorlopen heeft, waarmee hij aangeeft hoe
een proces van sturing en bijsturing (monitoring) tot stand is gebracht.
na afronding van een oplossingsproces aangeven welke kennis is opgedaan die bruikbaar is
in volgende vraagstukken en aangeven welke gevolgen dit heeft voor de voorstelling die hij
zich reeds eerder gemaakt heeft van de bedrijfseconomische problematiek.
Domein C: Financiering van activiteiten
Subdomein C1: Rechtsvormen
8. De kandidaat kan de verschillende rechtsvormen beschrijven die commerciële en niet-commerciële
organisaties kunnen kiezen, en verklaren waarom de organisatie voro een bepaalde rechtsvorm.
De kandidaat kan:
8.1
het begrip rechtsvorm noemen.
8.2
de begrippen natuurlijke persoon en rechtspersoon noemen.
8.3
de rechtsvormen vereniging, stichting, eenmanszaak, vennootschap onder firma (openbare
vennootschap), naamloze vennootschap, besloten vennootschap beschrijven.
8.4
kenmerken van de genoemde rechtsvormen noemen.
8.5
voor- en nadelen van de genoemde rechtsvormen met betrekking tot de
ondernemingscontinuïteit, de financiering, de juridische aansprakelijkheid, de belastingen, de
leiding, de besluitvorming en de zeggenschap beschrijven.
8.6
de keuze door een organisatie voor een bepaalde rechtsvorm verklaren.
8.7
de belangrijkste bevoegdheden van directie, bestuur en algemene ledenvergadering in een
vereniging noemen.
8.8
de belangrijkste bevoegdheden van (directie en) bestuur in een stichting noemen.
8.9
de besluitvorming binnen een vereniging en binnen een stichting verklaren.
8.10
de belangrijkste bevoegdheden van directie, raad van commissarissen en algemene
vergadering van aandeelhouders in een BV en een NV noemen.
8.11
de besluitvorming binnen een BV of NV verklaren.
8.12
de procedure rond de oprichting van een organisatie onder een van de genoemde
rechtsvormen beschrijven.
8.13
de begrippen surseance van betaling en faillissement noemen.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
9
Subdomein C2: Aantrekken van geld
9. De kandidaat kan:
de werking van de vermogensmarkt beschrijven vanuit het perspectief van particulieren,
commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties;
verklaren welke mogelijkheden, beperkingen en redenen er zijn voor particulieren,
commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties voor het aantrekken van vermogen;
de keuze voor het aantrekken van het vermogen cijfermatig ondersteunen.
De kandidaat kan:
9.1
de betekenis van het begrip vermogensmarkt beschrijven.
9.2
de betekenis van de begrippen geld- en kapitaalmarkt beschrijven en de werking van het
marktmechanisme op deze markten beschrijven.
9.3
de verschillende personen en instellingen die opereren op de geld- en kapitaalmarkt noemen.
9.4
de werking van de effectenbeurs beschrijven.
9.5
de begrippen openbaar en onderhands vermogen noemen.
9.6
voor- en nadelen van openbaar vermogen ten opzichte van onderhands vermogen voor de
geldgever en de geldnemer noemen.
9.7
het begrip financieringskosten noemen.
9.8
de begrippen aandelenvermogen, geplaatst aandelenvermogen, nominale waarde van een
aandeel, emissiekoers van een aandeel, beurskoers per aandeel en dividend per aandeel
noemen.
9.9
de begrippen lineaire hypotheek, spaarhypotheek en annuïteitenhypotheek noemen.
9.10
de voor- en nadelen noemen van de genoemde hypotheekvormen met betrekking tot de te
betalen aflossing, interest en premie inclusief de fiscale consequenties.
9.11
berekenen welke voor- en nadelen de genoemde hypotheekvormen in een gegeven situatie
bieden.
9.12
de vormen van consumptief krediet noemen: huurkoop, koop op afbetaling, persoonlijke lening
en doorlopend krediet.
9.13
kenmerken van huurkoop, koop op afbetaling, persoonlijke lening en doorlopend krediet
noemen.
9.14
voor- en nadelen van huurkoop, koop op afbetaling, persoonlijke lening en doorlopend krediet
voor de geldgever en geldnemer noemen.
9.15
verschillende vormen van lang vreemd vermogen noemen: hypothecaire lening, onderhandse
lening, gewone obligatielening.
9.16
beschrijven hoe de genoemde vormen van lang vreemd vermogen ontstaan.
9.17
de verschillende vormen van kort vreemd vermogen noemen: bankkrediet (rekening-courant
krediet), leverancierskrediet en afnemerskrediet.
9.18
beschrijven hoe de genoemde vormen van kort vreemd vermogen ontstaan.
9.19
noemen van operational leasing, financial leasing en de voordelen en nadelen ervan voor een
onderneming of instelling.
9.20
de verschillende vormen van financiering van niet-commerciële organisaties beschrijven:
budgetfinanciering, lump-sum en subsidies.
9.21
het begrip interest noemen.
9.22
de begrippen enkelvoudige interest en samengestelde interest noemen.
9.23
de enkelvoudige interest met periodiek gelijke aflossingsbedragen berekenen.
9.24
de begrippen lening met periodiek gelijke aflossingsbedragen en lening met aflossing ineens
noemen.
9.25
de periodieke interestbedragen, de periodieke aflossingsbedragen en schuldrest bij een lening
met periodiek gelijke aflossingsbedragen berekenen.
9.26
de periodieke interestbedragen bij een lening met aflossing ineens berekenen.
9.27
de eindwaarde van één bedrag of meerdere gelijke bedragen op basis van samengestelde
interest berekenen.
9.28
de contante waarde van één bedrag of meerdere gelijke bedragen op basis van
samengestelde interest berekenen.
9.29
de verschillende vormen van aandelenvermogen: gewoon aandelenvermogen en preferent
aandelenvermogen noemen.
9.30
voordelen en nadelen van gewoon aandelenvermogen noemen, ten opzichte van preferent
aandelenvermogen voor de onderneming en de beleggers.
9.31
het begrip intrinsieke waarde per aandeel noemen.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
10
9.32
9.33
9.34
9.35
9.36
9.37
9.38
de begrippen cashdividend en stockdividend noemen.
het dividendpercentage of het dividendbedrag per aandeel van cashdividend en stockdividend
berekenen.
voordelen en nadelen noemen van uitkering van stockdividend ten opzichte van cashdividend
voor de onderneming en de aandeelhouders.
het begrip agio op aandelen noemen.
agio op aandelen bij een emissie berekenen.
de begrippen nominale waarde van een obligatie, emissiekoers van een obligatie, agio en
disagio op obligaties noemen.
agio of disagio op obligaties bij een emissie verklaren.
Domein E: Financieel beleid
Subdomein E1: Financieel beleid in niet-commerciële organisaties
12. De kandidaat kan op basis van algemene modellen een overzicht van inkomsten en uitgaven
herleiden tot een staat van baten en lasten (en vice versa).
De kandidaat kan:
12.1
noemen wat de betekenis is van posten die in een overzicht van ontvangsten en uitgaven
vermeld staan.
12.2
berekenen hoe groot het overschot of tekort in de liquide middelen (kas, girotegoed,
bankkrediet) is dat ontstaat als gevolg van ontvangsten en uitgaven die een vereniging of
stichting in een bepaald jaar verricht (conform model 4.1).
12.3
berekenen hoe groot het nieuwe saldo op de kas, girorekening of bankrekening is, als de
mutatie in de liquide middelen verrekend wordt met de beginsaldi.
12.4
ontvangsten van een vereniging of stichting in een bepaald jaar verrekenen met 'nog te
ontvangen bedragen' en 'achteraf ontvangen bedragen' zodat de baten van een lopend
boekjaar ontstaan en vice versa.
12.5
uitgaven van een vereniging of stichting in een bepaald jaar verrekenen met 'nog te betalen
bedragen' en 'achteraf betaalde bedragen' zodat de lasten van een lopend boekjaar ontstaan
en vice versa.
12.6
berekenen hoe groot de mutatie van het eigen vermogen van een vereniging of stichting is,
die ontstaat als gevolg van het saldo van baten en lasten.
12.7
een balans opstellen waaruit de vermogenspositie van een vereniging of stichting blijkt.
12.8
met behulp van de toelichting die de penningmeester op een jaarverslag heeft gegeven
beschrijven waarom de rekening van de ontvangsten en uitgaven over een bepaald boekjaar
afwijkt van de begroting over dat boekjaar.
12.9
een begroting van de ontvangsten en uitgaven in het nieuwe jaar opstellen op basis van de
rekening over het afgesloten boekjaar en de beslissingen die het bestuur van een vereniging
of stichting genomen heeft over de ontvangsten en uitgaven in het nieuwe jaar.
12.10 een liquiditeitsbegroting van maximaal vier perioden maken die een verklaring geeft voor de
mutaties in de liquide middelen als gevolg van ontvangsten en uitgaven die zich naar
verwachting in de loop van een jaar zullen voltrekken.
12.11 met behulp van de toelichting die de penningmeester op een jaarverslag heeft gegeven
beschrijven hoe de beleidsplannen van een bestuur in een bepaald boekjaar onderbouwd zijn
met financiële gegevens.
12.12 een begroting van de baten en lasten in het nieuwe jaar opstellen op basis van de staat van
baten en lasten over het afgesloten boekjaar plus de beslissingen die het bestuur van een
vereniging of stichting genomen heeft over de baten en lasten in het nieuwe jaar.
Subdomein E2: Financieel beleid in commerciële organisaties (niet-productieonderneming)
13. De kandidaat kan:
op basis van algemene modellen de verkoopprijs berekenen;
de uitgaven en ontvangsten herleiden tot kosten en opbrengsten, een liquiditeitsbegroting en de
voorcalculatorische en nacalculatorische resultatenrekening opstellen en de samenhang
verklaren;
berekeningen uitvoeren die gericht zijn op de herleiding of vaststelling van data van een algemeen
model voor de interne verslaggeving.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
11
De kandidaat kan:
13.1
berekenen hoe groot de kosten per periode zijn die voortvloeien uit uitgaven die op tijdstippen
worden verricht.
13.2
berekenen hoe groot de kosten in een bepaalde periode zijn die voortvloeien uit kosten die per
periode berekend zijn.
13.3
berekenen hoe groot de opbrengsten per periode zijn die voortvloeien uit ontvangsten die op
tijdstippen plaatsvinden.
13.4
berekenen hoe groot de opbrengsten in een bepaalde periode zijn die voortvloeien uit
opbrengsten die per periode berekend zijn.
13.5
de dimensies noemen die behoren bij voorraadgrootheden en bij stroomgrootheden.
13.6
omschrijven hoe de berekening van de verkoopprijs inclusief BTW via een opslagpercentage
brutowinst verloopt (model 2.5).
13.7
berekenen hoe groot de gewenste verkoopprijs inclusief BTW is op basis van een
brutowinstopslag over de inkoopprijs (model 2.5).
13.8
vastleggen hoe de berekening van de gewenste verkoopprijs inclusief BTW verloopt op basis
van een brutowinstopslag over de inkoopprijs (model 2.5).
13.9
herleiden hoe groot de gewenste verkoopprijs exclusief BTW is, als de gewenste verkoopprijs
inclusief BTW bekend is.
13.10 herleiden welk opslagpercentage brutowinst haalbaar is als de inkoopprijs bekend is en de
verkoopprijs door de markt wordt bepaald.
13.11 omschrijven hoe de berekening van de verkoopprijs inclusief BTW via een opslagpercentage
nettowinst verloopt (model 2.6).
13.12 berekenen hoe groot de gewenste verkoopprijs inclusief BTW is op basis van een
nettowinstopslag over de inkoopprijs (model 2.6).
13.13 aangeven hoe de berekening van de gewenste verkoopprijs inclusief BTW verloopt op basis
van een nettowinstopslag over de inkoopprijs (model 2.6).
13.14 herleiden welk opslagpercentage nettowinst haalbaar is als de inkoopprijs en de kostprijs
bekend is en de verkoopprijs door de markt wordt bepaald.
13.15 berekenen hoe groot de opslagpercentages voor de inkoopkosten en de overheadkosten zijn
op basis van de toegestane kosten voor een periode.
13.16 beschrijven wat het verschil is tussen voorcalculatorische (of verwachte) grootheden en
nacalculatorische (of gerealiseerde) grootheden.
13.17 een keuze maken tussen gegevens met een voorcalculatorisch karakter en gegevens met een
nacalculatorisch karakter en aan de hand van de correcte gegevens berekenen hoe groot de
gerealiseerde nettowinst is op basis van een gerealiseerde brutowinst (model 2.2).
13.18 een keuze maken tussen gegevens met een voorcalculatorisch karakter en gegevens met een
nacalculatorisch karakter en aan de hand van de correcte gegevens een schatting maken van
de voorcalculatorische nettowinst op basis van een voorcalculatorische brutowinst (model
2.2).
13.19 aangeven hoe de berekening van de voorcalculatorische nettowinst in een periode op basis
van een opslagpercentage brutowinst verloopt.
13.20 een keuze maken tussen gegevens met een voorcalculatorisch karakter en gegevens met een
nacalculatorisch karakter en aan de hand van de correcte gegevens een schatting maken van
de voorcalculatorische nettowinst op basis van een verwacht verkoopresultaat en verwachte
begrotingsafwijkingen (model 2.3).
13.21 aangeven hoe de berekening van de voorcalculatorische nettowinst in een periode op basis
van een opslagpercentage nettowinst verloopt.
13.22 een keuze maken tussen gegevens met een voorcalculatorisch karakter en gegevens met een
nacalculatorisch karakter en aan de hand van de correcte gegevens berekenen hoe groot de
gerealiseerde nettowinst is op basis van een gerealiseerd verkoopresultaat en een
gerealiseerd budgetresultaat (model 2.4).
13.23 het gerealiseerde budgetresultaat berekenen als som van resultaat op inkopen en resultaat op
overheadkosten, waarbij beide resultaten weer berekend kunnen worden als verschil tussen
een toegestaan bedrag en een werkelijk bedrag (model 2.4).
13.24 verklaren waarom beide berekeningsmethoden een gelijk bedrag opleveren voor de
gerealiseerde nettowinst en beschrijven wat de voordelen en nadelen zijn van beide
berekeningsmethoden.
13.25 noemen welke posten op de interne balans voor kunnen komen en deze posten met een
voorbeeld illustreren (zie paragraaf 2.1 van bijlage 2).
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
12
13.26
13.27
13.28
13.29
13.30
13.31
13.32
13.33
13.34
13.35
13.36
13.37
13.38
13.39
13.40
13.41
13.42
13.43
13.44
13.45
13.46
13.47
13.48
13.49
de opbouw van een reeds vastgestelde interne balans beschrijven en de posten herkennen en
toelichten.
een keuze maken tussen gegevens bestemd voor de resultatenrekening en gegevens
bestemd voor de balans en op basis van de correcte gegevens een balansopstelling maken
met behulp van de geëigende categorisering.
verklaren wat het verschil is tussen een technische voorraad en een economische voorraad
en aangeven welk van deze twee op de balans is opgenomen.
op basis van de individuele FIFO-methode berekenen hoe groot de gerealiseerde brutowinst
geweest is en hoe groot de balanswaarde van de voorraad is (model 2.2).
op basis van de individuele LIFO-methode berekenen hoe groot de gerealiseerde brutowinst
geweest is en hoe groot de balanswaarde van de voorraad is (model 2.2).
verklaren waarom het resultaat bij de individuele LIFO-methode (in principe) lager is dan bij de
individuele FIFO-methode in tijden van stijgende prijzen en hoger is in tijden van dalende
prijzen.
verklaren waarom een bedrijf bij beperkte schommelingen in de prijzen bij voorkeur werkt met
een vaste verrekenprijs.
op basis van de vaste verrekenprijs en de kostprijs berekenen hoe groot het gerealiseerde
verkoopresultaat geweest is en hoe groot de balanswaarde van de resterende voorraad is op
basis van de vaste verrekenprijs (model 2.4).
Alhoewel het mogelijk zou zijn om met behulp van de rekening prijsverschillen de waarde van
de voorraad op basis van de vvp voor de interne verslaggeving te herleiden op de waarde van
de voorraad op basis van de FIFO-methode voor de externe verslaggeving, wordt niet van de
kandidaat verwacht dat hij deze transformatie uitvoert.
verklaren waarom de uitgaven voor de aanschaf en installatie van duurzame activa worden
getransformeerd tot kosten die op bepaalde perioden drukken.
beschrijven hoe de uitgaven voor de aanschaf en installatie van duurzame activa via kosten
per periode worden getransformeerd tot kosten die op een bepaalde periode drukken.
met behulp van het systeem van een vast percentage van de aanschafwaarde berekenen hoe
groot de kosten zijn die in een bepaalde periode samenhangen met de waardedaling van de
vaste activa.
berekenen hoe groot de balanswaarde is van de duurzame vaste activa waarop met een vast
percentage van de aanschafwaarde wordt afgeschreven.
een verkoopplan beschrijven op basis van de gewenste afzet van één of meer producten en
van de begrote omzet en de verwachte nettowinst die daarbij passen.
contraire berekeningen uitvoeren op basis van de modellen 2.1 t/m 2.6 binnen een zinvolle
economische context en verklaren waarom de gevraagde berekening economisch zinvol is.
de gewenste afzet berekenen bij gegeven vaste (of constante) kosten, verwachte winst,
verkoopprijs, inkoopprijs en de overige variabele kosten per eenheid product (model 5.1).
de dekkingsbijdrage berekenen.
de break-even-afzet en de break-even-omzet berekenen.
het break-even-punt grafisch weergeven.
op twee verschillende grafische wijzen de berekening van de gewenste afzet uitbeelden bij
gegeven constante kosten, verwachte winst, verkoopprijs, inkoopprijs en de overige variabele
kosten per eenheid product (model 5.1).
een liquiditeitsbegroting van maximaal vier perioden maken die een verklaring geeft voor de
mutaties in de liquide middelen.
een resultatenbegroting opstellen.
beschrijven hoe de samenhang is tussen een resultatenbegroting, een voorcalculatorische
eindbalans en een liquiditeitsbegroting, gegeven de beginbalans.
het saldo tussen ontvangsten en uitgaven uitwerken in de mutatie van de post liquide
middelen, dan wel in de post vreemd vermogen op de balans.
controleren of de liquiditeitsbegroting hetzelfde saldo aan liquide middelen oplevert als de
balans.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
13
Subdomein E3: Financieel beleid in commerciële organisaties (productieondernemingen)
14. De kandidaat kan:
op basis van algemene modellen voor een bedrijf met stukproductie of voor een bedrijf met
homogene massaproductie de fabricagekostprijs, de commerciële kostprijs en de verkoopprijs
vaststellen, en daarbij onderscheid maken tussen werkelijke kosten en toegestane kosten;
de ontwikkeling in de resultaten analyseren, zowel met behulp van gegevens uit interne als uit
externe verslaggeving;
op grond van geformuleerde doelstellingen geplande investeringen selecteren;
de balans en de resultatenrekening zowel ten behoeve van de externe als ten behoeve van de
interne verslaggeving opstellen, en de relatie tussen de interne en externe verslaggeving
analyseren en beschrijven.
De kandidaat kan:
14.1
beschrijven hoe de transformatie van uitgaven op tijdstippen, via toegestane kosten per
periode en toegestane kosten per eenheid product verloopt tot de kosten in een bepaalde
periode die samenhangt met de afzet.
14.2
berekenen hoe groot de toegestane kosten per periode zijn die voortvloeien uit uitgaven die
op tijdstippen worden verricht.
14.3
berekenen hoe groot de toegestane kosten per eenheid product zijn die voortvloeien uit de
toegestane kosten per periode en uit het aantal producten per periode waarop die kosten
betrekking hebben.
14.4
berekenen hoe groot de afzet tegen kostprijs in een bepaalde periode is, die voortvloeit uit de
toegestane kosten per eenheid product en de afzet in een bepaalde periode.
14.5
beschrijven wat het verschil is tussen werkelijke kosten en toegestane kosten dat
nacalculatorisch kan optreden.
14.6
beschrijven wat het verschil is tussen de verwachte werkelijke kosten en de verwachte
toegestane kosten dat voorcalculatorisch kan optreden.
14.7
verklaren waarom het verschil tussen toegestane kosten en werkelijke kosten van belang is
voor het management.
14.8
verklaren waarom een nadere uitsplitsing van toegestane en werkelijke kosten naar
kostencategorieën en naar efficiëntie-, bezettings- en prijsresultaten van belang is voor het
management.
14.9
verklaren waarom het economisch rationeel is om bij homogene productie de toegestane
kosten nauwkeuriger te berekenen dan bij stukproductie.
14.10 berekenen wat de gewenste verkoopprijs van een product (inclusief BTW) is op basis van een
calculatie bij heterogene productie (model 3.4).
14.11 berekenen hoe groot de opslagpercentages voor de toegestane indirecte kosten zijn op basis
van de toegestane directe en indirecte kosten voor een periode.
14.12 aangeven hoe de berekening verloopt van de gewenste verkoopprijs van een product
(inclusief BTW) op basis van een calculatie bij heterogene productie (model 3.4).
14.13 aangeven hoe de berekening verloopt van de opslagpercentages voor de toegestane indirecte
kosten op basis van de toegestane directe en indirecte kosten voor een periode.
14.14 herleiden welk opslagpercentage voor de winst een ondernemer kan hanteren als de kostprijs
en de verkoopprijs inclusief BTW van een concurrent bekend zijn (model 3.4).
14.15 herleiden hoe hoog de kostprijs mag zijn als het opslagpercentage voor de winst en de
verkoopprijs inclusief BTW van een concurrent bekend zijn (model 3.4).
14.16 binnen een zinvolle economische context herleiden welke waarde een bepaalde grootheid uit
het berekeningsschema van de kostprijs mag aannemen als de kostprijs vaststaat en als
bekend is welke waarden de andere componenten van de kostprijsberekening hebben (model
3.4).
14.17 aangeven hoe de herleiding verloopt van de waarde van een bepaalde grootheid uit het
berekeningsschema van de kostprijs als de kostprijs vaststaat en als bekend is welke waarden
de andere componenten van de kostprijsberekening hebben (model 3.4).
14.18 berekenen wat de gewenste verkoopprijs van een product (inclusief BTW) is op basis van een
calculatie bij homogene productie (model 3.2 waarin de formule Cs / Np + Vs / Bp staat en
onder de aanname dat er geen voorraadmutaties zijn).
14.19 aangeven hoe de berekening verloopt van de gewenste verkoopprijs van een product
(inclusief BTW) op basis van een calculatie bij homogene productie (model 3.2 waarin de
formule Cs / Np + Vs / Bp staat en onder de aanname dat er geen voorraadmutaties zijn).
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
14
14.20
14.21
14.22
14.23
14.24
14.25
14.26
14.27
14.28
14.29
14.30
14.31
14.32
14.33
14.34
14.35
14.36
14.37
14.38
14.39
14.40
herleiden welk opslagpercentage voor de winst een ondernemer kan hanteren als de
standaardkostprijs bekend is en als bekend is welke verkoopprijs inclusief BTW door een
concurrent wordt gevraagd (model 3.2).
herleiden hoe hoog de standaardkostprijs mag zijn als het opslagpercentage voor de winst
bekend is en als bekend is welke verkoopprijs inclusief BTW door een concurrent wordt
gevraagd (model 3.2).
binnen een zinvolle economische context herleiden welke waarde een bepaalde grootheid uit
het berekeningsschema van de kostprijs mag aannemen als de kostprijs vaststaat en als
bekend is welke waarden de andere componenten van de kostprijsberekening hebben (model
3.2).
aangeven hoe de berekening verloopt van de waarde van een bepaalde grootheid uit het
berekeningsschema van de kostprijs als de kostprijs vaststaat en als bekend is welke waarden
de andere componenten van de kostprijsberekening hebben (model 3.2).
een keuze maken uit potentieel relevante data (i.c. toegestane constante kosten, werkelijke
constante kosten, toegestane variabele kosten, werkelijke variabele kosten, normale
productie, begrote productie en werkelijke productie) om tot een juiste berekening van de
standaardkostprijs te komen.
bedrijfskosten uitsplitsen in fabricagekosten en verkoopkosten ten einde onderscheid te
kunnen maken tussen de fabricagekostprijs en de commerciële kostprijs.
beschrijven hoe de termen 'fabricagekosten' en 'verkoopkosten' verzamelnamen zijn voor
kostencategorieën die een verbijzonderingsproces ondergaan.
beschrijven welke verschillende betekenissen de term 'verkoopkosten' kan hebben, al naar
gelang de term verwijst naar 'kosten van de verkoop exclusief marketingkosten', 'kosten van
de verkoop inclusief marketingkosten' en 'alle kosten die niet onder de fabricagekosten vallen'.
Initiële kosten e.d. blijven buiten beschouwing.
opstellen van een voorcalculatorische resultatenrekening op basis van prognoses van de
verkoopprijs, de afzet en de verwachte werkelijke kosten.
aangeven hoe de berekening verloopt van het saldo van een voorcalculatorische
resultatenrekening op basis van prognoses van de verkoopprijs, de afzet en de verwachte
werkelijke kosten.
de gewenste afzet berekenen bij gegeven constante kosten, verwachte winst, verkoopprijs en
proportioneel variabele kosten per eenheid product.
aangeven hoe de berekening verloopt van de waarde van de gewenste afzet bij gegeven
constante kosten, verwachte winst, verkoopprijs en proportioneel variabele kosten per eenheid
product.
op twee verschillende grafische wijzen de berekening van de gewenste afzet uitbeelden bij
gegeven constante kosten, gewenste winst, verkoopprijs en proportioneel variabele kosten per
eenheid product.
de gewenste verkoopprijs berekenen bij gegeven constante kosten, gewenste winst, afzet en
proportioneel variabele kosten per eenheid product.
aangeven hoe de berekening verloopt van de waarde van de gewenste verkoopprijs bij
gegeven constante kosten, gewenste winst, afzet en proportioneel variabele kosten per
eenheid product.
verklaren waarom een intern verslag meer informatie kan bevatten dan een extern verslag. Hij
kan ook verklaren waarom informatie over het verschil tussen werkelijke kosten en toegestane
wel van belang is voor het interne verslag en niet voor het externe verslag.
verklaren waarom de standaardkostprijs van belang is om tot een goed intern verslag te
komen.
een keuze maken uit potentieel relevante data om tot een juiste opstelling van de interne
resultatenrekening te komen in een bedrijf met homogene productie.
het nacalculatorische bedrijfsresultaat van een bedrijf met homogene productie uitsplitsen in
het gerealiseerde verkoopresultaat en het gerealiseerde budgetresultaat (model 3.3 en onder
de aanname dat er geen voorraadmutaties zijn en dat er geen onderhanden werk is).
een controleberekening van het nacalculatorische bedrijfsresultaat in een bedrijf met
homogene productie maken door de gerealiseerde omzet te confronteren met de werkelijke
constante en variabele kosten die betrekking hebben op de omzet.
het voorcalculatorische bedrijfsresultaat in een bedrijf met homogene productie uitsplitsen in
het verwachte verkoopresultaat en het verwachte budgetresultaat (onder de aanname dat er
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
15
14.41
14.42
14.43
14.44
14.45
14.46
14.47
14.48
14.49
14.50
14.51
14.52
14.53
14.54
14.55
14.56
14.57
14.58
14.59
geen voorraadmutaties zijn en dat er geen onderhanden werk is en dat het budgetresultaat
uitsluitend bestaat uit een bezettingsresultaat op constante kosten).
een controleberekening maken van het voorcalculatorische bedrijfsresultaat in een bedrijf met
homogene productie door de verwachte omzet te confronteren met de verwachte werkelijke
constante en variabele kosten die betrekking hebben op de omzet.
een controleberekening maken van het voorcalculatorische budgetresultaat in een bedrijf met
homogene productie op basis van de berekening van het bezettingsresultaat met het uurtarief
volgens de formule (Wu - Nu) x (Cs / Nu).
een keuze maken uit potentieel relevante data om tot een juiste opstelling van de
nacalculatorische interne resultatenrekening te komen in een bedrijf met heterogene
productie.
het nacalculatorische bedrijfsresultaat van een bedrijf met heterogene productie uitsplitsen in
het gerealiseerde verkoopresultaat en het gerealiseerde budgetresultaat, met aansluitend de
uitsplitsing naar het budgetresultaat op directe kosten en het budgetresultaat op indirecte
kosten (model 3.5 en onder de aanname dat er geen voorraadmutaties zijn en dat er geen
onderhanden werk is).
een controleberekening van het nacalculatorische bedrijfsresultaat in een bedrijf met
heterogene productie maken door de gerealiseerde omzet te confronteren met de werkelijke
directe en indirecte kosten die betrekking hebben op de omzet.
het variabele kostenbudgetteringssysteem hanteren om per kostencategorie die in de
standaardkostprijs is opgenomen, een nacalculatorisch budget vast te stellen.
voor een bedrijf met homogene productie een uitsplitsing maken van het nacalculatorische
resultaat per categorie van variabele kosten naar efficiëntie- en prijsverschillen.
voor een bedrijf met homogene productie een uitsplitsing maken van het nacalculatorische
resultaat per categorie constante kosten naar bezettingsverschillen en prijsverschillen.
beschrijven welke beleidsbeslissingen het management kan koppelen aan de gevonden
resultaten per kostencategorie.
noemen welk posten op de interne balans voor kunnen komen en deze posten met een
voorbeeld illustreren (zie paragraaf 3.1 van aanhangsel 2).
de opbouw van een reeds vastgestelde interne balans beschrijven en de posten herkennen en
toelichten.
een keuze maken tussen gegevens bestemd voor de resultatenrekening en gegevens
bestemd voor de balans en op basis van de correcte gegevens een balansopstelling maken
met behulp van de geëigende categorisering.
op basis van de standaard fabricagekostprijs berekenen hoe groot de balanswaarde van de
resterende voorraad is.
op basis van de individuele FIFO-methode voor de verwerkte grondstoffen berekenen hoe
groot de balanswaarde van de voorraad is.
op basis van de individuele LIFO-methode voor de verwerkte grondstoffen berekenen hoe
groot de balanswaarde van de voorraad is.
op basis van de vervangingswaarde-methode voor de verwerkte grondstoffen berekenen hoe
groot de balanswaarde van de resterende voorraad is.
beschrijven wat de voor- en nadelen zijn van de afzonderlijke waarderingsmethoden.
verklaren waarom een bedrijf bij beperkte schommelingen in de prijzen bij voorkeur werkt met
een standaard fabricagekostprijs.
berekenen hoe groot de balanswaarde, op basis van de historische aanschafwaarde, is van
de duurzame vaste activa waarop met een vast percentage van de aanschafwaarde wordt
afgeschreven.
Domein G: Externe financiële verslaggeving
17. De kandidaat kan:
- de begroting en de jaarrekening van commerciële en niet-commerciële organisaties analyseren,
zoals deze worden voorgelegd aan medezeggenschapsraden, ondernemingsraden en leden- of
aandeelhoudersvergaderingen;
- Een balans en de resultatenrekening voor het externe verslag opstellen en uit potentiële data de
relevante grootheden kiezen
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
16
Verslaggeving door niet-commerciële organisaties
De kandidaat kan:
17.1
de termen van het algemene model kassaldo noemen (model 4.1).
17.2
de onderlinge samenhang van de termen in het algemene model kassaldo verklaren.
17.3
de verschillen tussen de begroting en de gerealiseerde ontvangsten en uitgaven in het
jaarverslag verklaren.
Verslaggeving door commerciële organisaties (niet-productieondernemingen)
De kandidaat kan:
17.4
de winst- en verliesrekening beschrijven in staffelvorm en de posten hierop verklaren
(modellen 2.1 en 3.1).
17.5
een balans opstellen aan de hand van gegeven informatie volgens het algemene model (zie
paragraaf 2.1 van aanhangsel 2).
17.6
de balansposten van het algemene model (zie paragraaf 2.1 van aanhangsel 2) noemen.
Immateriële vaste activa:
• Vergunningen, goodwill.
Materiële vaste activa:
• Terreinen, gebouwen, andere vaste bedrijfsmiddelen.
Financiële vaste activa:
• Deelnemingen.
Voorraden:
• Handelsgoederen.
Vorderingen en overlopende (transitorische) activa:
• Handelsdebiteuren, nog te ontvangen bedragen, vooruitbetaalde bedragen.
Effecten:
• Effecten als tijdelijke belegging van overtollig kasgeld.
Liquide middelen:
•
Kas, bank(en).
Geplaatst aandelenkapitaal:
• Maatschappelijk aandelenkapitaal verminderd met de aandelen in portefeuille.
Agio:
• Reserve ontstaan door plaatsing van aandelenkapitaal boven pari.
Herwaarderingsreserve:
• Reserve ontstaan door herwaardering van vaste activa. Indien een lagere waardering zal
plaatsvinden wordt eerst deze reserve aangesproken, indien nihil wordt restant ten laste
gebracht van de winst- & verliesrekening.
Wettelijke en statutaire reserve:
• De wettelijke reserves vloeien voort uit de wet.
De statutaire reserves vloeien voort uit de statuten.
Overige reserves.
Nettowinst:
• Winst afgelopen boekjaar na aftrek vennootschapsbelasting, voordat de winstbestemming
heeft plaatsgevonden.
Voorzieningen:
• Voorzieningen groot onderhoud; pensioenvoorziening.
Langlopende schulden:
• Schulden met een looptijd van langer dan een jaar en nadat de verplichting voor het
komend jaar is overgeheveld naar de schulden op korte termijn.
• Obligatieleningen, hypotheken o/g, onderhandse geldleningen.
Kortlopende schulden en overlopende (transitorische) passiva:
• Handelscrediteuren, nog te betalen bedragen, vooruit ontvangen bedragen, aflossing van
langlopende schulden voorzover die komend jaar gaan plaatsvinden.
17.7 de waarderingsgrondslagen van de actief- en passiefzijde van de balans van het algemene
model (zie paragraaf 3.1 van aanhangsel 2) beschrijven.
Verkrijgingsprijs (inkoopprijs en bijkomende kosten):
• historische aanschafprijs t.w. FIFO of LIFO.
Vervaardigingsprijs:
• verkrijgingsprijs en verdere toe te rekenen kosten, incl. een redelijk aandeel in de indirecte
kosten en toe te rekenen rente. Bijv. Research & Development.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
17
17.8
17.9
17.10
17.11
17.12
17.13
17.14
17.15
17.16
17.17
17.18
17.19
Actuele waarde:
• alleen bij de vaste activa, rekening houdend met de afschrijving op basis van
vervangingswaarde en leidend tot herwaardering.
de invloed van veranderingen in de waarderingsgrondslagen van de actief-zijde van de
balans, op de samenstelling en de grootte van het eigen vermogen verklaren.
de afschrijvingsmethode als vast percentage van de aanschafwaarde beschrijven en de
afschrijving en boekwaarde berekenen.
de posten op de winst-& verliesrekening volgens het algemene model (zie paragraaf 2.2 van
aanhangsel 2) noemen.
de onderlinge samenhang van de termen van het algemene model van de winst-&
erliesrekening (zie paragraaf 2.2 van aanhangsel 2) verklaren.
de grondslagen voor de resultatenbepaling noemen.
de omvang van de salarissen, sociale lasten en de (afzonderlijk te vermelden) pensioenlasten,
alsmede de bezoldiging van directie en commissarissen inclusief pensioenlasten herkennen.
een winst- & verliesrekening opstellen aan de hand van gegeven informatie volgens het
algemene model (zie paragraaf 2.2 van aanhangsel 2).
de verschillen tussen de interne en externe verslaggeving verklaren.
Dit geldt zowel voor de balans als de winst- & verliesrekening. Met name de
waarderingsgrondslagen en de renteverwerking in de resultatenrekening.
De fiscale balans en winst- & verliesrekening wordt uitgesloten.
de betekenis van de accountantsverklaring en de rol van de externe accountant in het
maatschappelijk verkeer beschrijven.
het begrip kengetal, de diverse soorten van kengetallen noemen en de waarde ervan
berekenen.
Liquiditeitskengetallen:
 Current-ratio,
 Quick-ratio
Solvabiliteitskengetallen:
 Totaal activa (vermogen) / vreemd vermogen
 Eigen vermogen / vreemd vermogen
Rentabiliteitskengetallen:
 Rentabiliteit van het (gemiddelde) totale vermogen
 Rentabiliteit van het (gemiddelde) eigen vermogen
 Intrestkosten van het (gemiddelde) vreemde vermogen
 Hefboomwerking
Cash-flow:
 Nettowinst uit gewone bedrijfsuitoefening + afschrijvingen
Beleggingskengetallen:
 Dividendrendement: Dividend per aandeel / koers per aandeel
aan de hand van kengetallen van twee opeenvolgende balansen en/of resultatenrekeningen
de ontwikkeling beschrijven van de commerciële organisatie op het terrein van de financiële
structuur, liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit, activiteiten en cashflow.
de beperkte waarde van de kengetallen verklaren.
Verslaggeving door commerciële organisaties (productieondernemingen)
De kandidaat kan:
17.20 de winst- en verliesrekening in staffelvorm beschrijven en de posten hierop verklaren (zie
paragraaf 3.2 en model 3.1 van bijlage 2).
17.21 een balans opstellen aan de hand van gegeven informatie volgens het algemene model (zie
aragraaf 3.1 van bijlage 2).
17.22 de balansposten van het algemene model.
Immateriële vaste activa:
•
Kosten van onderzoek en ontwikkeling, concessies, vergunningen, goodwill.
Materiële vaste activa:
•
Terreinen, gebouwen, machines, installaties, andere vaste bedrijfsmiddelen.
Financiële vaste activa:
•
Deelnemingen in en vorderingen op groepsmaatschappijen.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
18
17.23
17.24
17.25
17.26
17.27
17.28
17.29
Voorraden:
•
Gereed product, grond- en hulpstoffen, onderhanden werk.
Vorderingen en overlopende (transitorische) activa:
•
Handelsdebiteuren, nog te ontvangen bedragen, vooruitbetaalde bedragen.
Effecten:
•
Effecten als tijdelijke belegging van overtollig kasgeld.
Liquide middelen:
•
Kas, bank(en).
Geplaatst aandelenkapitaal:
•
Maatschappelijk aandelenkapitaal verminderd met de aandelen in portefeuille.
Agio:
•
Reserve ontstaan door plaatsing van aandelenkapitaal boven pari.
Herwaarderingsreserve:
•
Reserve ontstaan door herwaardering van vaste activa. Indien een lagere waardering
zal plaatsvinden wordt eerst deze reserve aangesproken, indien nihil wordt restant ten laste
gebracht van de winst- & verliesrekening.
Wettelijke en statutaire reserve:
•
De wettelijke reserves vloeien voort uit de wet.
De statutaire reserves vloeien voort uit de statuten.
Overige reserves.
Onverdeelde winst:
•
Winst afgelopen boekjaar na aftrek vennootschapsbelasting, voordat de
winstbestemming heeft plaatsgevonden.
Voorzieningen:
•
Voorzieningen groot onderhoud; pensioenvoorziening; belastingvoorziening.
Langlopende schulden:
•
Schulden met een looptijd van langer dan een jaar en nadat de verplichting voor het
komend jaar is overgeheveld naar de schulden op korte termijn.
•
Converteerbare leningen, obligatieleningen, hypotheken o/g, onderhandse
geldleningen, schulden aan groepsmaatschappijen, schulden ter zake van pensioenen.
Kortlopende schulden en overlopende (transitorische) passiva:
•
Verplichtingen van langlopende schulden welke het komend jaar vervallen.
•
Handelscrediteuren, nog te betalen bedragen, vooruitontvangen bedragen.
•
Schulden wegens belastingen en premies sociale verzekeringen.
•
Schulden aan kredietinstellingen (rekening courant).
de waarderingsgrondslagen van de actief- en passiefzijde van de balans van het algemene
model (zie paragraaf 3.1 van aanhangsel 2) beschrijven.
Verkrijgingsprijs (inkoopprijs en bijkomende kosten):
•
historische aanschafprijs t.w. FIFO of LIFO.
Vervaardigingsprijs:
•
verkrijgingsprijs en verdere toe te rekenen kosten, incl. een redelijk aandeel in de
indirecte kosten en toe te rekenen rente. Bijv. Research & Development.
Actuele waarde:
•
alleen bij de vaste activa, rekening houdend met de afschrijving op basis van
vervangingswaarde en leidend tot herwaardering.
de invloed van veranderingen in de waarderingsgrondslagen van de actiefzijde van de balans,
op de samenstelling en de grootte van het eigen vermogen verklaren.
de posten op de winst-& verliesrekening van het algemene model (zie paragraaf 3.2 van
aanhangsel 2) noemen.
de onderlinge samenhang van de termen van het algemene model van de balans en de winst& verliesrekening (zie paragraaf 3.1 en 3.2 in aanhangsel 2) verklaren.
de grondslagen voor de resultatenbepaling beschrijven.
de omvang herkennen van de salarissen, sociale lasten en de (afzonderlijk te vermelden)
pensioenlasten alsmede de bezoldiging van directie en commissarissen inclusief
pensioenlasten.
aan de hand van gegeven informatie een winst- & verliesrekening opstellen volgens het
algemene model (zie paragraaf 3.2 in aanhangsel 2).
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
19
17.30
17.31
17.32
17.33
17.34
17.35
17.36
17.37
17.38
17.39
de verschillen verklaren tussen de interne en externe verslaggeving.
Dit geldt zowel voor de balans als de winst- & verliesrekening. Met name de
waarderingsgrondslagen en de renteverwerking in de resultatenrekening.
De fiscale balans en winst- & verliesrekening wordt uitgesloten.
de betekenis beschrijven van de accountantsverklaring en rol van de externe accountant in
het maatschappelijk verkeer.
het begrip kengetal, de diverse soorten van kengetallen noemen en de waarde ervan
berekenen.
Liquiditeitskengetallen:
•
Current ratio
•
Quick ratio
Solvabiliteitskengetallen:
•
Totaal activa (vermogen) / vreemd vermogen
•
Eigen vermogen / vreemd vermogen
Rentabiliteitskengetallen:
•
Rentabiliteit van het (gemiddelde) totale vermogen
•
Rentabiliteit van het (gemiddelde) eigen vermogen
•
Intrestkosten van het (gemiddelde) vreemde vermogen
•
Hefboomwerking
Cash-flow:
•
Nettowinst uit gewone bedrijfsuitoefening + afschrijvingen
Beleggingskengetallen:
•
Dividendrendement: Dividend per aandeel / koers per aandeel.
aan de hand van kengetallen van twee opeenvolgende balansen en/of resultatenrekeningen
de ontwikkeling beschrijven van de commerciële organisatie op het terrein van de financiële
structuur, liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit, activiteiten en cashflow.
de beperkte waarde van de kengetallen verklaren, zijnde statische grootheden.
de toepassing verklaren van de terugverdientijd bij de investeringsselectie.
de terugverdientijd van een of meer investeringsprojecten berekenen aan de hand van een
meerjarig kasstroom-overzicht van deze projecten.
de toepassing van de netto-contante waarde methode bij de investeringsselectie verklaren.
de netto-contante waarde van een of meer investeringsprojecten berekenen aan de hand van
een meerjarig kasstroom-overzicht van deze projecten.
op basis van de terugverdientijd en/of de netto-contante waarde analyseren welk
investeringsproject de voorkeur zal verdienen.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
20
4. Overige onderwerpen
4.1 Hulpmiddelen
Raadpleeg hiervoor Het Examenblad, www.examenblad.nl
4.2 Indeling van het examen
Vanaf 2010 zal het centraal examen anders worden gestructureerd dan in de jaren hiervoor.
Het examen bestaat uit open vragen. De vragen zijn verdeeld over:
-
één omvangrijke casusopgave
één kleinere casusopgave
circa vier kleine opgaven.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
21
Bijlage 1. Modellen voor management en organisatie
1. Inleiding
In de economie is een groot aantal conceptuele modellen in gebruik, die een systematische
beschrijving geven van de wijze waarop een onderneming bijvoorbeeld de winst kan berekenen. De
modellen krijgen vorm afhankelijk van de karakteristieke kenmerken van een bepaald bedrijfstype
waarop het model betrekking heeft. Handelsbedrijven, bedrijven met stukproductie, bedrijven met
massaproductie en niet-commerciële bedrijven hebben allemaal hun eigen benaderingswijze.
Naast de bedrijfstypen zijn er ook subdisciplines in de economie die elk hun eigen jargon
meebrengen. Externe verslaggeving, kostencalculatie, financiering en boekhouden hanteren modellen
die onderling verschillen qua terminologie en qua groepering van de grootheden. Zij kennen elk hun
eigen traditie en hun eigen logica.
De complexiteit van deze terminologische structuur zou aanleiding moeten zijn tot zorgvuldig
woordgebruik. In aansluiting op gebruiken uit de bedrijfspraktijk zijn economen echter niet altijd even
consequent in de hantering van termen en berekeningen. Om didactische redenen zijn de modellen
aangepast.
Eén van de belangrijkste vaardigheden die studenten in het hoger onderwijs moeten beheersen (en
waarop dus het voortgezet onderwijs moet voorbereiden) is het met elkaar in verband brengen van
begrippen. Voor het aanleren van 'exact redeneren met begrippen' zijn enkele algemeen geldige
achtergrondmodellen nodig, die als referentiekader kunnen dienen voor de kandidaten om allerlei
concrete problemen te interpreteren binnen de context van het bedrijfstype waarop ze betrekking
hebben. Daarnaast moeten de kandidaten in staat zijn transformatieregels te hanteren waarmee de
achtergrondmodellen zijn om te vormen tot concrete modellen die passen binnen een bepaalde
subdiscipline.
Een tweede belangrijke doelstelling van het economisch onderwijs is de vaardigheid om actuele
informatie over bedrijven die in de media verschijnen te lezen en te begrijpen. Aangezien deze
informatie veelal afkomstig is van bedrijven die verplicht zijn een jaarverslag uit te brengen conform de
wettelijke regels, moeten de achtergrondmodellen nauw aansluiten bij de richtlijnen die verschenen
zijn in het Besluit Modellen Jaarrekening. Deze richtlijnen zijn in de onderstaande paragrafen tot
uitgangspunt van de modellen gekozen. De modellen zijn echter aangepast voor het onderwijs om
consistente referentiekaders te creëren.
Bij de transformatie van achtergrondmodellen naar specifieke modellen voor de interne of de externe
verslaggeving zijn de volgende transformatieregels van belang:
a eliminering van grootheden uit een model door de grootheid de waarde 0 toe te kennen; deze
actie kan tot gevolg hebben dat ook tussenresultaten uit een model verdwijnen.
b hergroepering van grootheden binnen een model door het samennemen van twee of meer
grootheden en/of het anders ordenen van de volgorde van bewerking; deze acties kunnen leiden
tot het elimineren of toevoegen van grootheden die tussenresultaten aanduiden.
c omzetting van de namen van grootheden waardoor een achtergrondmodel aangepast kan worden
aan het jargon van een subdiscipline (of vice versa).
d toevoeging van grootheden waardoor de waarde van een grootheid niet langer als datum
ingevoerd wordt, maar zelf het resultaat wordt van een berekening; deze actie leidt tot uitbreiding
van een model met één of meer handelingsvoorschriften.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
22
2. De niet-productieonderneming
2.1 De balans
De externe verslaggeving richt zich op model D uit het Besluit Modellen Jaarrekening.
ACTIEF
A Vaste activa:
-Immateriële vaste activa
-Materiële vaste activa
-Financiële vaste activa
B
C
PASSIEF
A Eigen vermogen:
-Aandelenkapitaal
-Agioreserve
-Herwaarderingsreserve
-Wettelijke en statutaire reserves
-Overige reserves
-Nettowinst lopend boekjaar
Vlottende activa:
-Voorraden
-Vorderingen en
overlopende activa
-Effecten
B
C
D
Liquide middelen
Voorzieningen
Langlopende schulden
Kortlopende schulden en
overlopende passiva
2.2 De resultatenrekening
2.2.1 Het model voor de externe verslaggeving van een niet-productieonderneming.
Het meest geschikte model voor de externe verslaggeving van een niet-productieonderneming is
model J uit het Besluit Modellen Jaarrekening. Een voor het onderwijs aangepaste versie is
weergegeven in model 2.1.
Nettowinst uit gewone
bedrijfsuitoefening
(na belasting)
Nettowinst uit gewone
bedrijfsuitoefening
(voor belasting)
Netto-omzet
resultaat
Bruto-omzetresultaat
Netto
omzet
-
Inkoopwaarde
omzet incl.
inkoopkosten
-
+
Overhead
kosten
Algemene
kosten
Vennootschapsbelasting
-
Financieringsresultaat
Rente
baten
-
Rente
lasten
+ Verkoopkosten
Model 2.1 Het model voor de berekening van het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na
belastingen van een niet-productieonderneming voor het externe verslag
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
23
2.2.2 De modellen voor de interne verslaggeving van een niet-productieonderneming
Omzetting van het model voor het nacalculatorische resultaat in een niet-productieonderneming naar
een intern model is mogelijk door de volgende transformaties:
1
eliminering van de vennootschapsbelasting door deze buiten beschouwing te laten;
daarmee verdwijnt het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening als tussenresultaat
2
hergroepering van de kosten door de interestkosten met de overheadkosten en de
inkoopkosten samen te voegen en daarmee het financieringsresultaat, het brutoomzetresultaat en het netto-omzetresultaat te elimineren. De interestopbrengst is
opgenomen onder de overige opbrengst.
Gerealiseerde
nettowinst
Brutowinst
Omzet
Afzet
-
Bedrijfskosten
Inkoopwaarde
van deze
omzet
-
x Verkoopprijs
Afzet
x
Inkoopkosten
Inkoopprijs
+
Overige
opbrengst
+
Overheadkosten
Overige
kosten
+
Verkoopkosten
Model 2.2 Het model voor de berekening van de nacalculatorische en voorcalculatorische nettowinst
van een niet-productieonderneming bij toepassing van een brutowinstopslag.
Begrote
nettowinst
Verwachte
begrotingsafwijkingen
(meestal 0)
Begroot
verkoopresultaat
+
Verwachte omzet
excl. BTW
Begrote
afzet
x
Verkoopprijs
excl. BTW
-
Begrote overige
opbrengsten
+
Begrote kostprijs
van de omzet
Begrote afzet
x
Kostprijs
Model 2.3 De berekening van de voorcalculatorische nettowinst van een niet-productieonderneming
bij toepassing van een nettowinstopslag
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
24
Nacalculatorische
nettowinst
Gerealiseerd
verkoopresultaat
Omzet excl. BTW
Werk.
afzet
x
Verkoop
prijs excl.
BTW
-
Gerealiseerd
budgetresultaat
+
Kostprijs van de
omzet
Werk.
afzet
x
Kostprijs
Resultaat op
inkopen
Toeg. bedrag
Werk.
inkoop
x
VVP
-
Resultaat op
overheadkosten
+
Werk.
bedrag
Werkelijke
inkoopwaarde
+
Gerealiseerde overige
opbrengsten
+
Toeg.
overhead
kosten
-
Werk.
overhead
kosten
Inkoopkosten
Toeg. = toegestaan; Werk. = werkelijk.
NB Bij dit onderwerp zal uitgangspunt steeds zijn dat ingekochte hoeveelheid gelijk is aan de verkochte hoeveelheid.
Model 2.4 De berekening van de nacalculatorische nettowinst van een niet-productieonderneming bij toepassing van een nettowinstopslag.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
25
2.3 De berekening van de verkoopprijs in een niet-productieonderneming
Voor de berekening van de verkoopprijs kan een handelsbedrijf gebruik maken van twee
achtergrondmodellen. De eerste gaat uit van een brutowinstopslag over de inkoopprijs (model 2.5) en
de tweede gaat uit van een nettowinstopslag over de kostprijs (model 2.6)
Verkoopprijs incl.
BTW
Verkoopprijs excl.
BTW
Inkoopprijs
+
Opslag%
brutowinst
+
BTW per product
Opslag
brutowinst
x
BTW%
x
Verkoopprijs
excl. BTW
Inkoopprijs
Model 2.5 De berekening van de verkoopprijs per product in een niet-productieonderneming via een
brutowinstopslag
Verkoopprijs incl. BTW
Verkoopprijs excl. BTW
Kostprijs
Vaste
verrekenprijs
Geschatte
inkoopprijs
+
Opslag voor
inkoopkosten
+
+
+
Opslag voor
overheadkosten
Opslag%
overheadkosten
x
BTW per product
Opslag nettowinst
Opslag%
nettowinst
x
Kostprijs
Vaste
verrekenprijs
Model 2.6 De berekening van de verkoopprijs per product in een niet-productieonderneming via een
nettowinstopslag
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
26
3. De productieonderneming (alleen voor vwo)
3.1 De balans
De externe verslaggeving richt zich op model D uit het Besluit Modellen Jaarrekening.
ACTIEF
A Vaste activa
-Immateriële vaste activa
-Materiële vaste activa
-Financiële vaste activa
B
C
PASSIEF
A Eigen vermogen
-Aandelenkapitaal
-Agioreserve
-Herwaarderingsreserve
-Wettelijke en statutaire reserves
-Overige reserves
-Nettowinst lopend boekjaar
Vlottende activa
-Voorraden
-Vorderingen en
overlopende activa
-Effecten
B Voorzieningen
C Langlopende schulden
D Kortlopende schulden en
overlopende passiva
Liquide middelen
3.2 De resultatenrekening
3.2.1 Het model voor de externe verslaggeving
Het model voor de berekening van de nettowinst van een productieonderneming is afgeleid van de
modellen E en F uit het Besluit Modellen Jaarrekening.
Nettowinst uit gewone
bedrijfsuitoefening
Resultaat uit gewone
bedrijfsuitoefening
Netto-omzetresultaat
Bruto-omzetresultaat
Netto
omzet
-
Kostprijs
van de
omzet
-
Overheadkosten
+
Vennootschapsbelasting
Financieringsresultaat
+
Verkoop
kosten
-
Interestbaten
-
Interestlasten
Algemene
kosten
Model 3.1 De berekening van de nettowinst van een productieonderneming waarbij geen rekening
wordt gehouden met voorrangmutaties.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
27
3.2.2 Modellen voor de interne verslaggeving
Bij de interne verslaggeving speelt in productieondernemingen met massaproductie de
standaardkostprijs een grote rol. Het bedrijfsresultaat splitst men in een verkoopresultaat en een
budgetresultaat. Dit is weergegeven in model 3.3 (alle grootheden, behalve de kostprijs, zijn
nacalculatorisch van aard). Uit model 3.3 is ook het model voor de voorcalculatorische berekening af
te leiden door alle nacalculatorische grootheden te vervangen door voorcalculatorische grootheden.
Verkoopprijs (incl.
BTW)
Verkoopprijs (excl.
BTW)
Standaard
kostprijs
Constante
standaardkosten per
eenheid product
Constante
standaard kosten
Afschr.
kosten
+
/
Grondstof
-kosten
SH
x
SP
BTW-bedrag
Winstopslag
Variabele
standaardkosten per
eenheid product
+
Variabele
standaard kosten
Normale productie
Overige
Rente
+ constante
kosten
kosten
+
+
Arbeids
kosten
+
SH
x
/
Begrote productie
Overige
variable
kosten
+
SP
SH
x
SP
Model 3.2 De berekening van de standaardkostprijs en de verkoopprijs in een productieonderneming
met homogene productie
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
28
Nacalculatorisch
bedrijfsresultaat
Gerealiseerd
verkoopresultaat
Nettoomzet
excl. BTW
Werk.
afzet
x
Afzet tegen
kostprijs
-
Verkoopprijs
excl. BTW
Gerealiseerd
budgetresultaat
+
Werk. afzet x
Afzet tegen
kostprijs
Commerciële
kostprijs
Werk. afzet x
-
Werkelijke kosten
van de afzet
Commerciële
kostprijs
Model 3.3 De berekening van het nacalculatorisch bedrijfsresultaat bij gebruik van de
standaardkostprijs in een bedrijf met homogene productie
Voor de bedrijven met heterogene productie staat de berekening van de verkoopprijs weergegeven in
model 3.4. Aansluitend volgt de berekening van het nacalculatorische resultaat in een periode in
model 3.5. De berekening van het voorcalculatorische resultaat is hieruit af te leiden door de
nacalculatorische grootheden door voorcalculatorische grootheden te vervangen.
Verkoopprijs (incl. BTW)
Verkoopprijs v.e.
product (excl.
BTW)
Kostprijs
Directe kosten van
een product
Toegestane
grondstofkosten
SH
x
+
SP
+
Toegestane
loonkosten
SH
x
SP
+
+
Opslag voor de
indirecte kosten
Opslag%
indirecte
kosten
x
BTW-bedrag
Winstopslag
Opslag%
voor winst
x
Kostprijs
Bedrag van
de
opslagbasis
Grondstofkosten
en/of
arbeidskosten
en/of directe
kosten
Model 3.4 De berekening van de gewenste verkoopprijs bij een productieonderneming met
heterogene productie die gebruik maakt van de opslagmethode met behulp van een opslagpercentage
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
29
Nacalculatorisch
bedrijfsresultaat
Gerealiseerd
verkoopresultaat
Gerealiseerd
budgetresultaat
+
Resultaat op directe
kosten
Som van de
winstopslagen van alle
verkochte producten
Toegestaan
bedrag
-
+
Werkelijk
bedrag
Resultaat op indirecte
kosten
Dekking
indirecte
kosten
-
Werkelijke
indirecte kosten
Model 3.5 De berekening van het nacalculatorisch bedrijfsresultaat in een productieonderneming met
heterogene productie
4. Niet commerciële organisaties
Bij de niet-commerciële organisaties zijn financiële verslagen gericht op de verantwoording van de
kasstromen. Voor deze organisaties is niet de vermogenstoename (c.q. de winst) de doelstelling, maar
het functioneren binnen de gestelde financiële grenzen. Deze andere insteek brengt van oudsher met
zich mee dat bedrijfseconomisch denken zinvol is zolang daarmee de uitgaven binnen het gestelde
budget blijven. Externe verantwoording beperkt zich tot een begroting op basis waarvan een
autorisatie voor de ontvangsten en uitgaven ontstaat en een rekening waarop de gerealiseerde
kasstromen in het afgesloten boekjaar zijn weergegeven. Daarnaast kan een balans plus een
toelichting op de vermogensverandering gepresenteerd worden.
4.1 Berekening op kasbasis
Verslaggeving in non-profit organisaties, zoals sportverenigingen, welzijnsinstellingen, zorginstellingen
e.d. bevatten een opsomming van ontvangsten en uitgaven, gerubriceerd naar keuze van de
opstellers van het verslag. De administratie richt zich uiteindelijk op het saldo van de totale
ontvangsten en de totale uitgaven (zie model 4.1).
Kassaldo
Totale ontvangsten
Eigen
bijdragen
+
Subsidies
+
-
Overig
Totale uitgaven
Uitgaven
- huur/pacht
- materiaalverbruik
- salarissen
- overige posten
+
Investeringen
Model 4.1 Het model voor de berekening van het kassaldo in een niet-commerciële organisatie
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
30
4.2 De staat van baten en lasten
Vermogenstoename
Totale baten
Eigen
bijdragen
+
Subsidies
-
+
Totale lasten
Lasten
- huur/pacht
- materiaalverbruik
- salarissen
- overige posten
Overig
+
Afschrijvingen
Model 4.2 Het model voor de berekening van de vermogenstoename in een niet-commerciële
organisatie
5. Overige modellen
De berekening van de verwachte nettowinst volgens de break-even analyse als een handelaar
één soort product verkoopt.
Verwachte nettowinst
Verwachte
dekkingsbijdrage
Verwachte
brutowinst
Omzet
excl. BTW
Afzet
x
Verkoopprijs
excl. BTW
-
-
Inkoopwaarde
omzet
Afzet
x
Inkoopprijs
-
Verwachte
constante kosten:
- inkoopkosten
- verkoopkosten
- algemene kosten
Verwachte
variabele kosten:
- inkoopkosten
- verkoopkosten
- algemene kosten
Afzet
x
Variabele kosten
per product
Model 5.1 De berekening van de verwachte nettowinst volgens de break-evenanalyse als een
handelaar één soort product verkoopt
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
31
Bijlage 2. Examenprogramma management en organisatie vwo
Het eindexamen
Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.
Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:
Domein A
Vaardigheden
Domein B
Interne organisatie en personeelsbeleid
Domein C
Financiering van activiteiten
Domein D
Marketingbeleid
Domein E
Financieel beleid
Domein F
Informatievoorziening met behulp van ICT
Domein G
Externe financiële verslaggeving.
Het centraal examen
Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen C, E en G, in combinatie met domein A.
De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.
De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.
Het schoolexamen
Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:
ten minste de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft;
indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het
centraal examen betrekking heeft;
indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen
verschillen.
De examenstof
Domein A: Vaardigheden
Subdomein A1: Economische aspecten van vraagstukken binnen organisaties
1. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen commerciële en niet- commerciële
organisaties de economische dimensie vanuit het perspectief van het management verklaren.
Subdomein A2: Economische instrumenten
2. De kandidaat kan:
economische werkwijzen toepassen;
economische begrippen hanteren;
economische grootheden hanteren;
economische relaties verklaren.
Subdomein A3: Economische perspectieven en belangen
3. De kandidaat kan economische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen
van de diverse betrokkenen bij de organisatie.
Subdomein A4: Informatievaardigheden
4. De kandidaat kan:
verschillende typen (onderzoeks)vragen herkennen en zelfstandig (onderzoeks)vragen
formuleren;
in relatie tot een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag informatie verwerven;
informatie vanuit een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag selecteren en
ordenen;
verbale, grafische, tabellarische en wiskundige/rekenkundige gegevens vertalen, mede met
gebruikmaking van ICT;
de resultaten van een leeractiviteit overdragen aan anderen.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
32
Subdomein A5: Strategische vaardigheden
5. De kandidaat kan:
verschillende typen organisaties identificeren;
modellen hanteren die op deze typen organisaties betrekking hebben;
met behulp van deze modellen vraagstukken binnen deze organisaties stapsgewijs oplossen.
Subdomein A6: Oriëntatie op studie en beroep
Domein B: Interne organisatie en personeelsbeleid
Subdomein B1: Interne organisatie
6. De kandidaat kan beschrijven en verklaren op welke manier(en) de functies binnen commerciële
en niet-commerciële organisaties dienen samen te hangen om tot goede beslissingen te komen.
Subdomein B2: Personeelsbeleid
7. De kandidaat kan:
analyseren en verklaren waarom een organisatie bij het selecteren van personeel grote
waarde hecht aan de economische voor- en nadelen die de organisatie heeft van nieuwe
personeelsleden;
verklaren waarom de overheid via wetgeving of andere maatregelen tracht de positie van
bepaalde sociale groeperingen op de arbeidsmarkt te beïnvloeden.
Domein C: Financiering van activiteiten
Subdomein C1: Rechtsvormen
8. De kandidaat kan de verschillende rechtsvormen beschrijven die commerciële en niet-commerciële
organisaties kunnen kiezen, en verklaren waarom de organisatie voor een bepaalde rechtsvorm
kiezen.
Subdomein C2: Aantrekken van geld
9. De kandidaat kan:
de werking van de vermogensmarkt beschrijven vanuit het perspectief van particulieren,
commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties;
verklaren welke mogelijkheden, beperkingen en redenen er zijn voor particulieren,
commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties voor het aantrekken van
vermogen;
de keuze voor het aantrekken van het vermogen cijfermatig ondersteunen.
Domein D: Marketingbeleid
Subdomein D1: Marketing van niet-commerciële organisaties
10.De kandidaat kan:
- verklaren wat het belang van marketing is voor niet-commerciële organisaties en welke
principes daarbij van belang zijn;
- de mogelijke marketingdoelstellingen herkennen en de relatie beschrijven tussen de
marketingdoelstellingen, de doelstelling van de organisatie en de belangen van de
consument.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
33
Subdomein D2: Marketing van commerciële organisaties
11.De kandidaat kan:
- de mogelijke marketingdoelstellingen en de marketinginstrumenten herkennen en de relatie
verklaren tussen de marketingdoelstellingen en de doelstelling van de organisatie;
- verklaren wat het belang van marketing is voor commerciële organisaties, beschrijven hoe een
commerciële organisatie informatie kan verzamelen voor de vaststelling van het
marketingbeleid en voor de evaluatie van de ingezette instrumenten;
- de kostenconsequenties berekenen van het inzetten van marketinginstrumenten op basis van
verstrekte gegevens.
Domein E: Financieel beleid
Subdomein E1: Financieel beleid in niet-commerciële organisaties
12.De kandidaat kan op basis van algemene modellen een overzicht van inkomsten en uitgaven
herleiden tot een staat van baten en lasten (en vice versa).
Subdomein E2: Financieel beleid in commerciële organisaties: handels-ondernemingen
13.De kandidaat kan:
- op basis van algemene modellen de verkoopprijs berekenen;
- de uitgaven en ontvangsten herleiden tot kosten en opbrengsten, een liquiditeitsbegroting en
de voorcalculatorische en de nacalculatorische resultatenrekening opstellen en de
samenhang verklaren;
- berekeningen uitvoeren die gericht zijn op de herleiding of vaststelling van data van een
algemeen model voor de interne verslaggeving.
Subdomein E3: Financieel beleid in commerciële organisaties: industriële ondernemingen
14.De kandidaat kan:
- op basis van algemene modellen voor een bedrijf met stukproductie of voor een bedrijf met
homogene massaproductie de fabricagekostprijs, de commerciële kostprijs en de verkoopprijs
vaststellen, en daarbij onderscheid maken tussen werkelijke kosten en toegestane kosten;
- de ontwikkeling in de resultaten analyseren, zowel met behulp van gegevens uit interne als uit
externe verslaggeving;
- op grond van geformuleerde doelstellingen geplande investeringen selecteren;
- de balans en de resultatenrekening zowel ten behoeve van de externe als ten behoeve van de
interne verslaggeving opstellen, en de relatie tussen de interne en externe verslaggeving
analyseren en beschrijven.
Domein F: Informatievoorziening met behulp van ICT
Subdomein F1: Informatiestromen in organisaties
15.De kandidaat kan analyseren welke informatie van belang is voor een organisatie om haar
bedrijfsvoering zo goed mogelijk uit te voeren en hoe met behulp van ICT de kwaliteit van de
informatievoorziening verbeterd kan worden.
Subdomein F2: Toepassing van computerprogramma’s in het kader van informatievoorziening
van organisaties
16.De kandidaat kan eenvoudige toepassingen van bestaande computerprogramma’s aanwenden ten
behoeve van de informatievoorziening van organisaties.
Domein G: Externe financiële verslaggeving
17.De kandidaat kan:
- de begroting en de jaarrekening van commerciële en niet-commerciële organisaties
analyseren, zoals deze worden voorgelegd aan medezeggenschapsraden,
ondernemingsraden en leden- of aandeelhoudersvergaderingen;
- een balans en de resultatenrekening voor het externe verslag opstellen en uit potentiële data
de relevante grootheden kiezen.
syllabus management en organisatie vwo centraal examen 2012
34
Download
Random flashcards
Create flashcards