`Alle honing, te verzamelen

advertisement
‘Alle honing, te verzamelen
uit alle bloesems van de aarde,
kan zo zoet niet wezen
als de edik en de gal
voor onze Heer aan ’t kruis.’
Toen ik enkele jaren geleden deze uitspraak van de heilige Ignatius van Loyola las, leek hij
mij tamelijk duister, melancholiek en raadselachtig. Toch kon ik deze zin van de vader van
alle Jezuïeten van toen af niet meer vergeten; vooral in moeilijke situaties heb ik er vaak aan
moeten denken.
Ik ben geprofest in de abdij ‘Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven’, bij Tilburg. In
de kruisgang daar hangt de in houtskool getekende kruisweg van de Vlaamse expressionist
Albert Servaes. Onder de indruk van de Eerste Wereldoorlog heeft hij die in het jaar 1919
gemaakt. In de katholieke vroomheidstraditie ligt de thematiek van de veertien ‘staties’ van
een kruisweg nauwkeurig vast; in deze veertien stappen volgt de kunstenaar Jesus’ kruisweg
vanaf de veroordeling door Pilatus tot aan de graflegging tegen de avond van Goede Vrijdag.
Gewoonlijk zijn deze Tilburgse kruiswegstaties niet voor publiek toegankelijk, omdat
ze zich bevinden in het ‘slot’ van het klooster. Met bijzondere toestemming heb ik als
gastenbroeder echter vrij vaak deze of gene gast mogen begeleiden naar dit zeer
indrukwekkende kunstwerk. Van tevoren werd wel steeds afgesproken dat de gast de staties
in stilte zou aanschouwen en ook dat ik (of een andere broeder) geen enkele toelichting zou
geven. Bijna alle gasten hebben voor het bezoek van het kunstwerk zich veel tijd gegund.
Ik herinner me in het bijzonder een jonge vrouw die bij de staties meer dan drie uren
in aandachtige meditatie verzonken was, - het meeste van de tijd zonder mij erbij, want ik
moest ook nog andere gasten ontvangen. Toen ik haar tenslotte weer ophaalde, was zij
helemaal in tranen. Bij de uitgang vertelde zij mij zonder verdere toelichting dat voor haar
deze kruiswegmeditatie een grote innerlijke bevrijding was geweest.
Het lijden van Jezus aanschouwen – zo meedogenloos, zo ‘ruig’ als Servaes het heeft
uitgebeeld – en zich dan bevrijd voelen? Ineens was de vraag er weer die de uitspraak van de
heilige Ignatius spontaan oproept: kunnen de edik en de gal van Jezus’ kruislijden zoeter zijn
dan alle honing van deze wereld? Intuïtief had ik het gevoel dat deze vrouw, die enkele
minuten geleden nog zo bitter had geweend, de vraag met ‘ja’ zou beantwoorden.
Het 90-jarige bestaan van deze kruisweg was voor mij uiteindelijk de aanleiding
daartoe dat ik in het kader van mijn practicum ‘geestelijke begeleiding’ wilde onderzoeken of
‘de edik en de gal’ van Christus’ kruislijden in de uitbeelding door Servaes ook voor een
grotere groep personen ‘zoeter dan honing’ zou smaken en als voedsel zou kunnen dienen
onderweg bij het zoeken naar God. Met andere woorden: het ging mij erom te testen of de
kruisweg van Servaes in staat is mensen innerlijk te raken op een wijze dat ze het uitgebeelde
lijden zouden kunnen zien in verbinding met hun eigen leven en de werkelijkheid om hen
heen, om zich zo door de-Jezus-van-Servaes te laten omvormen.
Wat heb ik in mijn scriptie gedaan?
Ik heb tijdens mijn practicum Servaes’ kruisweg samen met de mensen die ik begeleidde
bekeken. Ik heb toen nog een uitbeelding van Jezus’ opstanding aan de kruisweg toegevoegd,
- door Servaes in 1919 in dezelfde techniek gemaakt. Ik heb de kruisweg in drie
verschillende begeleidingssituaties besproken.
Ten eerste heb ik de kruisweg incidenteel gebruikt in gesprekken met mensen die ik al
langer begeleidde.
In de tweede plaats heb ik mensen geworven voor een project ‘Geestelijke oefeningen
in het dagelijkse leven’, waarbij vooropstond en van tevoren duidelijk was dat we zouden
1
mediteren over kruiswegstaties van Servaes. ‘Geestelijke oefeningen in het dagelijkse leven’
betekende in dit verband dat de deelnemers tijdens de ‘oefeningen’ gewoon in hun eigen
omgeving zouden blijven, met elke drie of vier weken een gesprek met mij in het klooster.
Nog een andere vorm van begeleiding ontstond toen enkele deelnemers aan het
project ‘Geestelijke oefeningen’ met mij via e-mail over de kruisweg gingen communiceren.
Meestal had ik met de mensen die ik begeleidde acht tot tien gesprekken. Met geen
enkel iemand heb ik overigens álle staties van de kruisweg besproken. Liever liet ik de
deelnemers zelf die staties uitkiezen waardoor zij zich aangesproken voelden; hoogstens deed
ik voorstellen. In een voorbereidend gesprek gaf ik de geïnteresseerden een boekje mee met
verkleinde kopieën van deze kruisweg, zodat zij goed de tijd konden nemen om over wat hen
bewoog na te denken. Steeds ging het in de gesprekken allereerst één keer over de volgende
twee vragen:
- wat ziet u in deze statie? - en: wat roept het geziene bij u op?
Wat heb ik ervan geleerd?
Zoals een kind dat moet leren zwemmen veel baat kan hebben bij het gebruik van
zwembandjes, zo mag ik dankbaar bekennen dat de kruisweg van Servaes mij op beslissende
wijze heeft geholpen om in mijn rol als geestelijk begeleider te groeien.
Het bleek een soort ‘eye-opener’ te zijn dat ik – anders dan gewoonlijk in gesprekken
– bij het samen kijken naar de voorstellingen niet tegenover de man of vrouw zat die ik
begeleidde; we waren juist samen gericht op eenzelfde voorwerp tegenover ons. Zo kon ik
mijzelf meemaken als begeleider naast en op gelijke hoogte met de persoon die ik
begeleidde. Hoewel mijn perspectief steeds net iets anders was dan van hem of haar, omdat
we verschillende mensen zijn, keken we toch beiden dezelfde kant uit: de relatie van de
begeleide persoon met het goddelijke geheimenis. In dit perspectief heb ik concreet ervaren
dat ik in de begeleiding geenszins de expert ben naar wiens deskundige inlichtingen de
aandacht van mijn ‘tegenover’ uitgaat. Eerder ben ik samen met de andere persoon vragend,
zoekend en vóór alles ‘horend’ onderweg.
Als nog waardevoller ervoer ik het dat ik tijdens onze gezamenlijke
kruiswegaanschouwing toegroeide naar een contemplatieve manier van waarnemen. Telkens
als we allebei onze ogen lieten rusten op een afbeelding, werd ik innerlijk rustig. In deze
verstilling kon ik mijn tegenover, mijzelf, onze band en de sfeer in de ruimte waar we waren
waarnemen. Als ik eenmaal innerlijk in deze ‘toestand’ aangekomen was, viel het mij niet
zwaar om me intens open te stellen voor wat de uitgekozen kruiswegstatie voor het leven van
de te begeleiden man of vrouw te zeggen zou hebben.
Wanneer daarna ons gesprek begon hoefde ik daarin nog steeds geen actieve rol te
spelen. Ik mocht juist in de letterlijke zin toehoorder zijn en een aandachtig oor hebben voor
de indrukken en gevoelens die de ander uitsprak, waarbij ik slechts af en toe
verhelderingsvragen stelde.
Bij de stap in het gesprek die nu volgde moest ik weliswaar zelf het woord nemen,
waarin ik bijvoorbeeld mijn eigen indrukken neerzette naast die van de begeleide persoon,
maar nog altijd beleefde ik mijzelf niet als actief in de eigenlijke zin van het woord. Ik kon
nog steeds putten uit dat wat ik in mijn meditatie had ontvangen.
Uit het bekijken van voorstellingen groeide in mij een contemplatieve houding, en die
maakte het voor mij stukken eenvoudiger om uit wat de begeleide persoon zei de boodschap
te horen die voor het geestelijke proces van betekenis zou zijn. Het verlangen van de
begeleide persoon naar een leven in volheid – dat God naar mijn overtuiging in ieder mens
gelegd heeft – diende daarbij als het kompas waarop ik mijn waarneming richtte en waardoor
ik mijn spontane reacties liet leiden.
2
Als het gesprek verliep zoals hierboven beschreven, vestigde zich in mij het besef: ‘ik
hoef niets te doen; het gebeurt eenvoudig; ik mag erop vertrouwen dat de
kruiswegvoorstellingen in hem/haar vruchtbaar werken en dat Gods Geest daarbij het
wezenlijke zal doen’. Van gesprek tot gesprek werd mij meer duidelijk dat het van cruciaal
belang was dat ik vertrouwen had in het waaien van Gods Geest, mij bij het bemediteren van
een statie richtte op hem en mijzelf niet – zoals ik in het alledaagse leven wél doe – onder
druk zou zetten om resultaten te behalen!
Wat betekent dit alles voor de praktijk van de geestelijke begeleiding?
Op grond van deze goede ervaringen beschouw ik de kruisweg van Servaes als een zeer
effectief hulpmiddel voor de geestelijke begeleiding. Ik noem de kruisweg bewust een
hulpmiddel om daarmee uit te drukken dat het bekijken van een kruisweg niet op zichzelf
maar alleen in een zinvol gebruik door de begeleider vruchtbaar kan zijn. Het
‘kruiswegbekijken’ mag mijns inziens niet centraal staan in de begeleiding maar is goed
inzetbaar als er voortdurende aandacht is voor wat de geestelijke ontwikkeling van de
begeleide persoon vereist. Een centrale plaats moeten daarbij altijd de vragen hebben
waarmee iemand expliciet of impliciet de begeleiding binnenkomt. Eenvoudiger gezegd was
mijn criterium voor het gebruik van de kruiswegstaties steeds of het bekijken van een
voorstelling een geestelijk proces van licht kon voorzien en vooruithelpen of er juist van zou
afleiden, het zou stilzetten of zou manipuleren.
Houden we het bij het kijken-naar-een-kruisweg op enkel een instrument in de
begeleiding, dan kan ik een rééks kansen noemen die daarmee geboden worden. Allereerst
heeft de kruiswegbeschouwing voor de begeleide persoon dezelfde stil-makende werking die
ik ook bij mijzelf als geestelijke begeleider heb ervaren. En dat met dezelfde effecten die
voor de geestelijke begeleiding zo bevorderlijk zijn. Zo mocht ik steeds weer meemaken dat
de stilheid in de begeleide persoon het eenvoudiger maakte om de eigen gedachten en
gevoelens die het geziene wakker riep sensibel waar te nemen.
Als kunstwerk brengt de kruisweg van Servaes in de geestelijke begeleiding ook alle
voordelen mee die je van non-verbale media mag verwachten, - vooral wanneer iemand
verbaal niet zo sterk is. Maar ook als een begeleid persoon een (te) goedgebekte kopwerker
is, wekt een tekening eerder dan een tekst associaties en een existentieel waarnemen op. Het
feit dat het bij deze kruisweg om expressieve kunst gaat maakt bij voorbaat een spontaan
gevoelsmatige indruk van de uitgebeelde situatie makkelijker.
Helemaal los van de concrete wijze van voorstellen van de kruisweg door Servaes
geldt natuurlijk dat de lijdens- en opstandingsvertellingen van de evangeliën in de voorbije
tweeduizend jaren ontelbaar vele mensen uit alle culturen hebben ontroerd en geboeid, omdat
daarin de centrale vragen van het menselijke leven gethematiseerd werden. Een ‘vertaling’
van passie en pasen door een kunstenaar bewerkt daardoor ‘automatisch’ ook steeds een
confrontatie met deze altijd actuele wezenlijke thema’s van het leven.
Wat daarentegen de kruisweg van Servaes naar mijn overtuiging bijzonder geschikt
maakt voor de geestelijke begeleiding is zijn inhoudelijke meerdimensionaliteit. Daaronder
versta ik het volgende: bijna altijd werd door de mensen die ik begeleidde eerst het
onzegbare lijden van Jezus waargenomen dat Servaes in zijn kruisweg uitbeeldt. Deze wat ik
noem ‘doodsaspecten’ van de kruisweg hielpen de personen die ik begeleidde in vele
gevallen om ervaringen van leed in eigen leven te kunnen herkennen, voelen, uitdrukken en
communiceren.
Geestelijke begeleiding is niet een statisch iets maar altijd een proces waarin de
begeleide persoon simpel gezegd zich openstelt voor God als de bron van zijn of haar leven.
Daarom is het goed dat Servaes niet halt houdt bij de voorstelling van Jezus’ lijden, resp. bij
de voorstelling van de ‘doodsaspecten’. Belangrijker is voor hem hoe Jezus midden in dit
3
lijden Jezus is. Servaes heeft eens over zijn kruisweg dit gezegd: ‘Ik heb in elke statie de
liefde willen schilderen’. Van daaruit schetst hij Jezus van het begin af als de
onvoorwaardelijk liefhebbende ‘nieuwe mens’ die innerlijk al opgestaan is. Deze
‘opstandingswerkelijkheid’ brengt Servaes tot uitdrukking wanneer hij de (lijdende) Jezus
rechtopstaand uitbeeldt, staande ‘op zijn voeten’, trouw aan zichzelf en gericht op de Vader
en op de mensen die hem tegemoet treden. In elke statie wordt duidelijk: hier leeft een mens
(Jezus) vanuit een kracht die hij niet uit zichzelf heeft maar van een ander, van God
ontvangen heeft. Deze boodschap ontvouwde zich tijdens mijn gesprekken vooral aan
mensen die een intensief verlangen naar leven in zich meedroegen.
Welnu, wanneer in de kruisweg de opstandigsaspecten herkend worden, dan helpt dat
ook om de reeds opgedane opstandingservaringen in het eigen leven te ontdekken en zich op
verdere opstandingservaringen voor te bereiden. In een situatie die gestempeld is door de
ervaring van lijden en dood wijst de kruisweg die Servaes getekend heeft dus steeds in een
richting die opstanding en nieuw leven belooft. Bij het aankijken en in zich opnemen van de
voorstellingen kan het gebeuren dat een mens op zijn geestelijke weg zich steeds meer laat
transformeren door de opstandingswerkelijkheid van Jezus, - die zelfs in het lijden werkzaam
blijft.
Mensen langs deze weg begeleiden – en de weg ook zelf gáán – naar de
opstandingswerkelijkheid waarvan het sleutelwoord de onvoorwaardelijke liefde is, dát zie ik
voor mij als geestelijk begeleider ook in de toekomst als mijn eigenlijke roeping.
4
Download