Regiorapport Volwassenen en Ouderenmonitor

advertisement
Volwassenen- en
ouderenmonitor
GGD Gelderland-Zuid
Een gezondheidsonderzoek onder
volwassen inwoners van regio
Gelderland-Zuid naar gezondheid,
welzijn, wonen, zorg en leefstijl
Auteur
Datum
Afdeling
Meta Moerman, Jolanda Terpstra (GGD Gelderland-Zuid)
Esther Poort, Annemarie Venemans (De Onderzoekerij)
maart 2014
Onderzoek, Innovatie, Gezondheidsbevordering en Beleid (OIBG)
3 van 81
Voorwoord
Voor u ligt het eerste monitorrapport van GGD Gelderland-Zuid!
Voor mij is dit bijzonder, omdat ik vanuit het RIVM aan de basis stond van dit eerste landelijke
volwassenen en ouderenmonitoronderzoek dat samen door alle GGD’en en het RIVM en het CBS is
uitgevoerd.
Voor gemeenten is inzicht in de gezondheidssituatie van de inwoners belangrijk om hun beleid op
te kunnen baseren. De onderwerpen die aan bod komen in dit onderzoek zijn samen met de
gemeenten opgesteld.
Zo biedt dit onderzoek, met het oog op de transities in het sociale domein, veel inzicht in
onderwerpen die voor gemeenten van belang zijn. Dat bleek ook uit de presentaties aan
wethouders en ambtenaren Volksgezondheid. Het gesprek ging over mantelzorg geven en
mantelzorg krijgen, wel of niet kunnen uitvoeren van de Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen
en ondersteuning bij bijvoorbeeld financiële zaken. Gemeenten realiseren zich dat preventie
bespaart op kosten en dat ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers steeds belangrijker
wordt. In dit rapport is de sociale uitsluitings-index opgenomen, is de kwetsbaarheid van ouderen
in beeld gebracht en is gevraagd naar leefstijl en omgeving.
Gezondheidswinst is te behalen door verandering van leefstijl. Opvallend is dat gemiddeld nog
bijna een kwart van de bevolking rookt. Bijna de helft van de inwoners heeft overgewicht.
Aangezien dit een zelf gerapporteerd overgewicht is, is het aantal inwoners met overgewicht
waarschijnlijk hoger. Bemoedigend hierbij is dat veel rokers en te dikke mensen aangeven hulp te
willen hebben bij het veranderen van hun gedrag/gewoonte.
In deze rapportage zijn, voor het eerst, de uitkomsten van de 18 gemeenten die het
verzorgingsgebied van GGD Gelderland-Zuid vormen bij elkaar gezet. Opvallend zijn de grote
verschillen tussen gemeenten. Dit vraagt om een aanpak op maat in iedere gemeente. Maar er
zijn ook verschillen binnen een gemeente. Verschillen in gezondheid die vaak samenhangen met
verschil in opleiding, maar ook met godsdienst of etniciteit.
Tot slot is opvallend het grote aandeel volwassenen dat een verhoogd risico loopt op een
depressie of angststoornis. Wetend dat psychische ongezondheid voor een groot deel van de
totale ziektelast zorgt, is het van belang hier blijvende aandacht voor te hebben en preventie al
op jonge leeftijd te starten.
De gemeenten gebruiken deze uitkomsten als input voor hun gemeente-, wijk- en regionaal
gezondheidsbeleid. Ik hoop dat ook regionaal en lokaal werkende instellingen hiermee hun
voordeel doen, net als de medewerkers bij de eerstelijnsvoorzieningen.
Wij gaan graag met u in gesprek over de uitkomsten van het onderzoek. Werken aan een
gezonde bevolking van Gelderland-Zuid doen we immers samen!
Moniek Pieters,
Directeur Publieke Gezondheid GGD Gelderland-Zuid
4 van 81
Inhoudsopgave
Samenvatting
7
1. Inleiding
1.1 Het wettelijk kader
1.2 De monitorcyclus van de GGD Gelderland-Zuid
1.3 Het model van Lalonde als uitgangspunt
1.4 Doelstelling gezondheidsmonitor 2012
1.5 Leeswijzer
13
13
13
14
15
15
2. Methode van onderzoek
2.1 Werkgebied GGD Gelderland-Zuid
2.2 Onderzoekspopulatie
2.3 Steekproef
2.4 Onderzoeksopzet
2.5 Vragenlijst
2.6 Gegevensverwerking en analyses
17
17
17
17
18
18
19
3. Respons
3.1 Respons
3.2 Representativiteit en weging
21
21
21
4. Algemene kenmerken
4.1 Leeftijd en geslacht
4.2 Burgerlijke staat en huishoudenssamenstelling
4.3 Etniciteit
4.4 Sociaaleconomische status
4.5 Financiën
23
23
24
25
26
27
5. Gezondheid
5.1 Gezondheid
5.1.1 Langdurige ziekten en aandoeningen
5.1.2 Valongelukken
5.1.3 Overgewicht
5.2 Functioneren en kwaliteit van leven
5.2.1 Ervaren gezondheid
5.2.2 Geluk
5.2.3 Lichamelijke beperkingen
5.3 Psychische gezondheid
5.3.1 Risico op angststoornissen en depressie
5.3.2 Vergeetachtigheid
5.3.3 Regie over eigen leven
5.3.4 Kwetsbaarheid
29
29
29
31
32
34
34
36
36
38
38
39
40
42
6. Leefstijlfactoren
6.1 Roken
6.2 Alcohol
6.3 Bewegen
6.4 Groente en fruit
6.5 Slaap- en kalmeringsmiddelen
45
45
46
47
50
51
5 van 81
7. Fysieke omgeving
7.1 Binnenmilieu
7.2 Geluid- en geurhinder
7.2.1 Geluidhinder
7.2.2 Geurhinder
7.3 Veiligheid
53
53
53
53
54
55
8. Sociale omgeving
8.1 Eenzaamheid
8.2 Huiselijk geweld
8.3 Contact buren en buurt
8.4 Sociale uitsluiting
8.5 Vrije tijd
8.6 Mantelzorg geven
8.7 Vrijwilligerswerk
57
57
58
59
60
61
62
63
9. Zorg en welzijnsvoorzieningen
9.1 Contact met de huisarts
9.2 Mantelzorg krijgen
9.3 Zelfstandigheid bij activiteiten in het dagelijks leven
9.4 Gebruik van en bekendheid met welzijnsvoorzieningen
65
65
66
67
68
10. Overzichtstabel
70
11. Conclusies en aanbevelingen
73
Bijlage 1: Wegen
Bijlage 2: Tabellenboek GGD Gelderland-Zuid 19+
Bijlage 3: Vragenlijst
79
81
97
6 van 81
7 van 81
Samenvatting
In dit rapport worden de resultaten beschreven van het GGD-gezondheidsonderzoek onder
zelfstandig wonende volwassenen (19 tot 65-jarigen) en ouderen (65-plussers) in de regio
Gelderland-Zuid. Dit onderzoek is in het najaar van 2012 uitgevoerd. In totaal hebben 22.332
personen de schriftelijke of digitale vragenlijst voor dit onderzoek ingevuld, een respons van 47%.
Door weging zijn de resultaten representatief voor de inwoners van Gelderland-Zuid. In
werkelijkheid zal de hier beschreven gezondheidssituatie echter iets ongunstiger zijn, omdat
gezondere mensen vaker meedoen aan gezondheidsonderzoek.
De onderwerpen in de vragenlijst zijn in overleg met gemeenten vastgesteld. Naast gezondheid
en leefstijl is er aandacht voor onderwerpen uit de fysieke en sociale omgeving. Risicogroepen
zoals kwetsbare ouderen, sociaal uitgeslotenen en mensen zonder regie over eigen leven zijn in
het kader van de transities in het sociale domein in beeld gebracht.
Er is gekozen voor het opstellen van een regiorapport Gelderland-Zuid waarin de resultaten van
de afzonderlijke gemeenten en van de beide regio’s Rivierenland en Nijmegen worden
beschreven. De tabellenboeken per gemeente met de cijfers van de volwassenen en ouderen, zijn
al eerder aan gemeenten verstuurd. In dit rapport wordt de achtergrond van de cijfers geschetst.
En worden de verschillen en overeenkomsten tussen de gemeenten inzichtelijk gemaakt.
In het vervolgtraject zullen, in overleg met de gemeente(n), en naar aanleiding van de cijfers,
factsheets worden gemaakt waarin per onderwerp, of per gebied, een verdieping van de
resultaten plaatsvindt.
Wie zijn de volwassenen in Gelderland-Zuid?
In regio Gelderland-Zuid is 48% van de bevolking van 19 jaar en ouder een man. De volwassen
bevolking bestaat voor circa 80% uit 19 tot 65 jarigen, 20% is 65 jaar of ouder. Van de inwoners
van 19 jaar en ouder is 69% gehuwd of woont samen. Dit percentage is in regio Rivierenland
significant hoger dan in regio Nijmegen (74% versus 66%). Gemiddeld is in de regio 16% van de
volwassenen van niet-Nederlandse afkomst, vooral in het grensgebied wonen veel Duitsers. De
grootste groep betreft personen van westerse herkomst (9%). In regio Nijmegen wonen meer
mensen van niet-Nederlandse herkomst dan in Rivierenland (18% versus 12%).
Bijna een kwart (23%) van de volwassenen in Gelderland-Zuid geeft aan moeite te hebben met
rondkomen. Van de ouderen in Gelderland-Zuid moet 19% rondkomen van alleen AOW.
Gezondheid: veel chronische klachten
In totaal heeft 62% van de inwoners in Gelderland-Zuid minstens één chronische aandoening of
klacht. Hoe ouder hoe meer klachten. Van de nagevraagde aandoeningen, komt hoge bloeddruk
het meeste voor (18%), gevolgd door migraine (17%) en gewrichtsslijtage van heupen of knieën
(15%). Het ministerie van VWS heeft diabetes aangewezen als een prioritaire ziekte en speerpunt
voor beleid. In Gelderland-Zuid heeft 6% van de volwassen bevolking diabetes, al zitten
risicogroepen hoger.
Valongevallen zijn een belangrijk gezondheidsprobleem. In Gelderland-Zuid is 17% van de
ouderen het afgelopen jaar gevallen, en 12% van de volwassenen.
8 van 81
Op basis van de door respondenten opgegeven waarden voor lengte en gewicht is bepaald of
iemand ondergewicht of overgewicht heeft. Van de inwoners van Gelderland-Zuid heeft in totaal
47% overgewicht, waarvan 12% obesitas. In regio Rivierenland heeft 50% van de inwoners
overgewicht, waarvan 14% obesitas. Deze percentages zijn significant hoger dan in regio
Nijmegen waar 45% overgewicht heeft, waarvan 12% obesitas. De werkelijke percentages
overgewicht kunnen hoger liggen door zelfrapportage van lengte en gewicht. Lengte wordt vaak
overschat, terwijl het gewicht meestal te laag wordt ingeschat.
Kwaliteit van leven; meeste mensen gelukkig
De ervaren gezondheid is een samenvattende gezondheidsmaat van alle relevante
gezondheidsaspecten voor de persoon in kwestie. In Gelderland-Zuid ervaart 76% de eigen
gezondheid als goed tot zeer goed, 21% ervaart de eigen gezondheid als gaat wel en 3% als
slecht of zeer slecht.
De respondenten konden in de vragenlijst door middel van het aankruisen van een rapportcijfer
(0-10) aangeven hoe gelukkig zij zich (over het algemeen) voelen. Gemiddeld voelt ruim negen
van de tien inwoners zich gelukkig en geeft 7% van inwoners zich een onvoldoende als
rapportcijfer voor geluk.
Lichamelijk functioneren is een maat voor de kwaliteit van leven. In Gelderland-Zuid heeft 9%
van de ouderen een beperking in zicht, 9% een beperking in gehoor en 22% geeft aan een
beperking in mobiliteit te hebben. In totaal heeft 30% van de ouderen minstens één van deze drie
lichamelijke beperkingen. Dit percentage is voor volwassenen drie keer zo laag (9% versus 30%).
Geestelijke ongezondheid, grote ziektelast
Psychische ongezondheid vormt een groot deel van de totale ziektelast onder de volwassen
bevolking. In dit onderzoek is het risico op angststoornissen en depressie in kaart gebracht. In
Gelderland-Zuid heeft 37% een matig risico op een angststoornis of depressie en 6% van de
inwoners heeft een hoog risico hierop.
Van de inwoners in Gelderland-Zuid vindt gemiddeld een kwart zichzelf vergeetachtig. Inwoners
van 65 jaar of ouder vinden zichzelf vaker vergeetachtig dan inwoners jonger dan 65 jaar (32%
versus 24%).
Mensen die het gevoel hebben controle te hebben over hun leven, kunnen beter omgaan met
problemen, waaronder gezondheidsproblemen. Regie over eigen leven is een beschermende
factor tegen achteruitgang in lichamelijk functioneren bij mensen met chronische ziekten. Het
grootste deel van inwoners heeft regie over eigen leven; gemiddeld geeft 8% aan niet de regie
over het eigen leven te hebben.
Kwetsbaarheid is een proces van het opeenstapelen van lichamelijke, psychische en/of sociale
tekorten in het functioneren dat de kans vergroot op negatieve gezondheidsuitkomsten. Het is op
te delen in fysieke, sociale en psychische kwetsbaarheid. In Gelderland-Zuid kan ruim een kwart
(27%) van de 65-plussers als kwetsbaar worden beschouwd. Bij 19% van de ouderen is er sprake
van sociale kwetsbaarheid, 11% is psychisch kwetsbaar en 15% is fysiek kwetsbaar.
9 van 81
Leefstijlverandering levert gezondheidswinst op
Van de inwoners van Gelderland-Zuid rookt gemiddeld bijna een kwart. Hoe ouder hoe minder
vaak er (nog) gerookt wordt. Een op de drie inwoners (33%) heeft vroeger wel gerookt en 43%
heeft nooit gerookt.
In Gelderland-Zuid is 10% van de volwassenen een zwaar alcoholgebruiker: men drinkt dan
minimaal één keer per week zes glazen of meer (mannen) of vier glazen of meer (vrouwen).
Onder overmatig alcoholgebruik wordt het drinken van meer dan 21 glazen alcohol per week
(mannen) of het drinken van meer dan 14 glazen alcohol per week (vrouwen) verstaan: 8% van
de inwoners is een overmatig alcoholgebruiker.
De norm voor gezond bewegen voor volwassenen is een half uur ten minste matig intensieve
lichamelijke activiteit op minimaal vijf, maar bij voorkeur alle dagen van de week. Voorbeelden
van matig intensieve lichamelijke activiteit bij volwassenen zijn wandelen met 5-6 km/uur (dus
flink doorwandelen) en fietsen met 15 km/uur. In Gelderland-Zuid voldoet 66% aan de norm voor
gezond bewegen.
Van de inwoners in Gelderland-Zuid eet 36% dagelijks fruit en 45% eet dagelijks groente.
Inwoners van regio Nijmegen eten vaker dagelijks groente dan inwoners van Rivierenland (49%
versus 39%). Er is geen verschil tussen beide regio’s wat betreft het dagelijks fruit eten.
Kalmerings- en slaapmiddelen zoals benzodiazepinen hebben een sterk verslavende werking. In
Gelderland-Zuid heeft 6% van de inwoners de afgelopen 2 weken slaap- en kalmeringsmiddelen
op doktersvoorschrift gebruikt. Hoe ouder hoe vaker deze middelen geslikt worden. Vrouwen
vaker dan mannen.
Fysieke omgeving ook van invloed op gezondheid
In Gelderland-Zuid gaf 5% van de inwoners aan schimmel in de woon- of slaapkamer te hebben.
Vier procent geeft aan dat het vaak te warm is in huis en 1% geeft aan dat het huis een geiser
zonder afvoer heeft. Dit laatste geeft een verhoogd risico op koolmonoxidevergiftiging indien deze
gassen niet via een schoorsteen het huis verlaten.
Blootstelling aan (ongewenst) geluid en geur kan uiteenlopende effecten op de gezondheid
hebben. Van de inwoners in Gelderland-Zuid geeft 12% aan ernstige geluidshinder te
ondervinden. De buren vormen de belangrijkste bron van geluidshinder, gevolgd door verkeer.
Daarnaast geeft 4% van de inwoners aan ernstige geurhinder te ondervinden, vooral van
openhaarden/allesbranders, riolering/zuivering en landbouw/veeteelt. Inwoners van regio
Rivierenland ervaren vaker geluidshinder (14% versus 10%) en ervaren ook vaker geurhinder
dan inwoners van regio Nijmegen (5% versus 3%).
Veiligheid en veiligheidsgevoelens kunnen een aspect zijn waardoor men minder tevreden is over
de woonomgeving. In Gelderland-Zuid geeft 5% van de volwassenen aan zich wel eens onveilig te
voelen overdag en 18% voelt zich ’s avonds of ’s nachts wel eens onveilig.
10 van 81
Sociale omgeving
Eenzaamheid wordt gedefinieerd als het negatief ervaren verschil tussen de gewenste en
gerealiseerde relaties. Zowel het aantal sociale contacten als de ervaren kwaliteit van de sociale
contacten zijn bepalend voor gevoelens van eenzaamheid. Langdurige eenzaamheid heeft directe
gevolgen voor de kwaliteit van leven en heeft een negatieve invloed op de gezondheid. Van de
inwoners in Gelderland-Zuid is in totaal 38% eenzaam: 30% is matig eenzaam, 5% is ernstig
eenzaam en 3% is zeer ernstig eenzaam. Ouderen zijn vaker eenzaam dan 19 tot 65 jarigen
(46% versus 36%).
Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer wordt
gepleegd. Van de inwoners in Gelderland-Zuid geeft 8% aan ooit slachtoffer te zijn geweest van
huiselijk geweld. Het gaat in de meeste gevallen om ‘psychisch en/of emotioneel geweld’ gevolgd
door lichamelijk geweld.
De sociale omgeving kan de gezondheid van een persoon zowel positief als negatief beïnvloeden.
Als onderdeel van de sociale omgeving, is in de vragenlijst aandacht besteed aan de buurt.
Driekwart van de inwoners in Gelderland-Zuid ziet de buren regelmatig (64% minstens één keer
per week en 11% drie keer per maand). Zeven op de tien inwoners in Gelderland-Zuid doen ook
wel eens iets voor de buren.
Sociale uitsluiting is een belangrijke indicator van risicogroepen op het gebied van geestelijke
gezondheid. In dit onderzoek is dit in kaart gebracht aan de hand van de sociale uitsluitingsindex.
Deze index beslaat vier dimensies: sociale participatie, materiële deprivatie, toegang tot sociale
rechten en normatieve integratie. Op basis van deze sociale uitsluitingsindex is in Gelderland-Zuid
9% van de inwoners enigszins sociaal uitgesloten en 4% is matig tot sterk sociaal uitgesloten.
In Gelderland-Zuid geeft 10% van de inwoners langer dan drie maanden minstens acht uur per
week mantelzorg. Ouderen en vrouwen geven vaker mantelzorg.
Een op de drie inwoners doet vrijwilligerswerk. Dit werk kan zin geven aan het leven en brengt
mensen met elkaar in contact, waardoor de kans op eenzaamheid verkleind wordt.
Gebruik en behoefte aan zorg en welzijnsvoorzieningen
De huisarts is een belangrijke schakel binnen de eerstelijn en het eerste aanspreekpunt voor
mensen met vragen of problemen over gezondheid en ziekte. Gemiddeld heeft in Gelderland-Zuid
73% van de inwoners het afgelopen jaar contact gehad met een huisarts.
Het voorgaande jaar heeft 6% van de inwoners mantelzorg ontvangen. Vrouwen vaker dan
mannen en ouderen vaker dan 19-65 jarigen. Mantelzorg wordt vooral gegeven door de
echtgenoot/partner of door kinderen.
11 van 81
Om zicht te krijgen op de mate van zelfstandigheid is voor acht activiteiten die regelmatig
uitgevoerd moeten worden, gevraagd in hoeverre men hier moeite mee heeft. Van de 65-plussers
kan 19% geen zware huishoudelijke werkzaamheden verrichten, kan 17% geen bedden
opmaken/verschonen, 15% niet wassen of strijken en 13% kan geen gebruik maken van eigen of
openbaar vervoer. Hoe ouder, hoe meer mensen de activiteiten niet kunnen uitvoeren.
Gemeenten zijn steeds vaker verantwoordelijk voor de financiering en organisatie van de
welzijnsvoorzieningen in een gemeente. Van de inwoners maakt 32% gebruik van sport of
bewegingsactiviteiten in de eigen gemeente en 8% zou deze willen gebruiken. 14% wil hulp bij
het afvallen, 11% wil hulp bij spanning of stress en 7% wil hulp bij het stoppen met roken.
Conclusies en aanbevelingen
De bevindingen van dit gezondheidsonderzoek in Gelderland-Zuid onderstrepen het belang van de
landelijke speerpunten voor gezondheidsbeleid (Roken, Overmatig alcoholgebruik, Overgewicht,
Bewegen, Depressie en Diabetes).
Binnen de regio Gelderland-Zuid zijn er daarnaast grote gezondheidsverschillen tussen hoog- en
laagopgeleiden. Maar gezondheidsverschillen zijn er ook tussen de diverse gemeenten in
Gelderland-Zuid. En de gezondheid in beide voormalige GGD regio’s verschilt op diverse punten;
zo hebben in Rivierenland meer inwoners overgewicht en voldoen minder inwoners aan de norm
gezond bewegen. Inwoners van regio Nijmegen ervaren minder geluid- en geurhinder.
Rivierenlanders doen vaker vrijwilligerswerk.
Het is van belang de gemeentelijke cijfers goed te duiden, betekenis te geven, en na te gaan op
welke manier een probleem aangepakt kan worden. Regionaal, gemeentelijk, maar vooral ook
lokaal, in de wijk of ‘op het dorp’. Het verdient daarbij aanbeveling aan te sluiten bij de vele
goede initiatieven die al lopen in het kader van Gezonde wijk/dorp, Gezonde gemeente en
Rivierenland Gezond en de vele initiatieven in het hele zorg en welzijnsveld. Daarnaast is het
belangrijk gebruik te maken van de kracht die al aanwezig is en deze, door verbindingen te
leggen, te versterken. Denk hierbij aan verbindingen tussen preventie en curatie. Ofwel de
thuiszorg en huisarts die samenwerkt met de gemeente, de GGD en welzijnsinstellingen.
Aandacht voor lage SES groepen blijft enorm belangrijk, dit om verschillen in gezondheid niet
groter te laten worden. Aandacht is ook belangrijk voor risicogroepen om te zorgen dat iedereen
mee blijft doen en mee kán doen.
12 van 81
13 van 81
1. Inleiding
1.1 Het wettelijk kader
Op grond van de Wet publieke gezondheid (Wpg) hoort elke gemeente een nota gemeentelijk
gezondheidsbeleid op te stellen. Deze nota moet elke vier jaar geactualiseerd worden. De nota
moet gebaseerd zijn op inzicht in de gezondheidssituatie van de lokale bevolking. De Wpg schrijft
daartoe voor dat iedere vier jaar op gestandaardiseerde wijze, door epidemiologische analyse,
inzicht wordt verkregen in de gezondheidssituatie van de bevolking. De gemeenten laten deze
taak uitvoeren door de GGD. Op basis van de resultaten van hun onderzoek signaleert en
adviseert de GGD de gemeenten bij de ontwikkeling van het gemeentelijk gezondheidsbeleid.
Gemeenten en instellingen kunnen hiermee prioriteiten stellen bij de inzet van geld en
menskracht voor maatschappelijk verantwoorde voorzieningen en activiteiten.
Naast de algemene taak van gemeenten om inzicht te krijgen in de gezondheidssituatie van de
bevolking, is in artikel 5a van de Wpg nog eens extra de taak van gemeenten over de
ouderengezondheidszorg vastgelegd. In dit artikel, dat per 1 juli 2010 in werking is getreden, is
de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventief gezondheidsbeleid vastgelegd. De
gemeente draagt hiermee zorg voor het monitoren, signaleren en voorkomen van
gezondheidsproblemen bij ouderen.
1.2 De monitorcyclus van de GGD Gelderland-Zuid
GGD Rivierenland en GGD regio Nijmegen hanteren een monitorcyclus van vier jaar, waarin de
gezondheid van de hele bevolking in kaart wordt gebracht. Omdat de problematiek in de
verschillende leeftijdsgroepen (0-12 jaar, 12-18 jaar, 19-65 jaar, 65 jaar en ouder) verschilt,
werden vier verschillende onderzoeken (monitors) uitgevoerd: elk jaar één. Door de monitors te
herhalen, kunnen veranderingen in gezondheid en leefstijl van de bevolking worden gesignaleerd.
De monitors zijn ook bedoeld om groepen in de bevolking te identificeren die naar verhouding een
slechtere gezondheidssituatie hebben of meer risico lopen op (toekomstige)
gezondheidsproblemen. Door het identificeren van deze risicogroepen kunnen beleidsmaatregelen
en preventieve activiteiten gerichter plaatsvinden. De vragen in de monitors worden beïnvloed
door nationale en lokale ontwikkelingen. Zo is een aantal jaren geleden gestart met een landelijk
project met als doel standaardisatie van vraagstellingen. Binnen dit project genaamd ‘Lokale en
Nationale Monitor’ werkt GGD Nederland samen met Actiz en het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en CBS. GGD Gelderland-Zuid gebruikt zoveel mogelijk de
standaardvraagstellingen van de lokale en nationale monitor. Deze vraagstellingen zijn
vastgesteld op advies van (inter)nationale experts. Hierbij is gekeken naar de begrijpelijkheid van
de vraag, maar vooral naar de betrouwbaarheid. Het zijn veelal gevalideerde vraagstellingen, die
zo goed mogelijk de werkelijkheid weergeven. Wanneer iedereen gebruik maakt van de landelijke
standaardvraagstellingen, kunnen regio’s met elkaar vergeleken worden en kunnen ook op
landelijk niveau uitspraken over de gezondheidssituatie van de bevolking worden gedaan.
In 2012 is voor het eerst een gezamenlijke Gezondheidsmonitor van GGD’en, RIVM en CBS
uitgevoerd. GGD’en voerden de gezondheidsmonitor uit zoals ze gewend waren, waarbij de
steekproef door het CBS is getrokken. CBS heeft eigen onderzoek uitgevoerd. In totaal hebben
landelijk ongeveer 400 duizend personen (19 jaar en ouder) meegedaan aan het grootschalige
onderzoek.
14 van 81
De resultaten van de gezondheidsmonitor worden onder meer gebruikt voor het lokale
gezondheidsbeleid (gemeenten) en de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) van het
RIVM. Er is een basisvragenlijst (CBS en GGD) afgenomen met acht onderwerpen: alcoholgebruik,
beperkingen, bewegen, chronische aandoeningen, ervaren gezondheid, lengte en gewicht,
mantelzorg geven en roken. Daarnaast is er een vragenlijst, die alleen door GGD’en is gebruikt.
Daarbij ging het om de onderwerpen: eenzaamheid, huiselijk geweld en psychische gezondheid.
GGD Gelderland-Zuid heeft daarnaast nog ‘eigen vragen’ toegevoegd, deze zijn in overleg met de
gemeenten bepaald.
1.3 Het model van Lalonde als uitgangspunt
De Canadese minister van volksgezondheid, Lalonde, stelde al in 1974 vast dat de meeste
gezondheidswinst buiten de gezondheidszorg is te behalen. Hij ging ervan uit dat factoren die de
gezondheid beïnvloeden in vijf groepen zijn in te delen:
- biologische factoren,
- gedrag/leefstijl,
- fysieke omgeving
- sociale omgeving,
- zorg- en welzijnsvoorzieningen (Lalonde, 1974).
De gezondheidstoestand van een mens is het resultaat van de onderlinge wisselwerking tussen
deze verschillende gezondheidsdeterminanten. In figuur 1.1 is het model van Lalonde, bewerkt
door het RIVM, schematisch weergegeven.
GGD Gelderland-Zuid streeft ernaar om in haar monitors vragen op te nemen naar al deze
determinanten van gezondheid. ‘Gezondheid’ wordt dus in brede zin opgevat, vergelijkbaar aan
de definitie van gezondheid die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteert (World Health
Organization, 1948). De WHO definieert gezondheid als een toestand van volledig lichamelijk,
geestelijk en maatschappelijk welzijn en niet alleen de afwezigheid van ziekte of andere
lichamelijke gebreken.
gedrag
&
leefstijl
biologische
factoren
(geslacht,
leeftijd etc.)
zorg- en
welzijnsvoorzieningen
gezondheid
fysieke
omgeving
sociale
omgeving
Figuur 1.1. Het model van gezondheid (Lalonde).
15 van 81
Een nieuw concept van gezondheid is opgesteld door Huber, genaamd ‘positieve gezondheid’.
Hierin is gezondheid het vermogen van mensen om zich aan te passen, en een eigen regie te
voeren, in het licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven. Dit concept richt
zich niet alleen op de toestand van ‘compleet welbevinden’, zoals dat centraal staat in de huidige
definitie van de WHO en waarbij bijna niemand gezond is. Deze WHO-definitie leidt – onbedoeldtot medicalisering. Volgens Huber stimuleert deze definitie de neiging van mensen en de zorg om
voortdurend bezig te zijn met het bestrijden van ziekte en veronachtzaamt de mogelijkheden om
een zinvol leven te leiden. Gezondheid is een dynamisch fenomeen en aandacht voor gezondheid
moet worden gezien als een onlosmakelijk onderdeel van de levenskunst en niet als iets dat pas
nodig is als zich ziekten aandienen. Ziekte moet, waar mogelijk, worden behandeld, maar
daarnaast moet er ook aandacht zijn voor het versterken van veerkracht, zelfregie en health
literacy - basisgezondheidsvaardigheden. In de vragenlijst van Gelderland-Zuid is geprobeerd aan
te sluiten bij deze nieuwe definitie door bijvoorbeeld vragen op te nemen over regie over eigen
leven, en een vraag over geluk. Ook wordt kwetsbaarheid in beeld gebracht, dat is een
samengestelde variabele.
1.4 Doelstelling gezondheidsmonitor 2012
Het doel van de gezondheidsmonitor is het bieden van inzicht in de lichamelijke, sociale en
geestelijke gezondheid en in factoren die gezondheid van de zelfstandig wonende 19-plussers in
de 18 gemeenten van Gelderland-Zuid beïnvloeden. De gezondheidsmonitor draagt hiermee bij
aan de ontwikkeling en evaluatie van beleid en interventies om de gezondheid van de inwoners te
bevorderen, ziekten te voorkomen en de zelfredzaamheid te vergroten.
1.5 Leeswijzer
In de rapportage die voor u ligt, worden de resultaten van de gezondheidsmonitor voor de regio
Gelderland-Zuid gepresenteerd. Deze regio bestaat uit de gemeenten Beuningen, Buren,
Culemborg, Druten, Geldermalsen, Groesbeek, Heumen, Lingewaal, Maasdriel, Millingen aan de
Rijn, Neder-Betuwe, Neerijnen, Nijmegen, Tiel, Ubbergen, West Maas en Waal, Wijchen en
Zaltbommel.
Iedere gemeente heeft al een tabellenboek met de cijfers van de eigen gemeente ontvangen. In
dit rapport worden de regionale resultaten gepresenteerd, indien er (opvallende) verschillen
tussen de gemeenten zijn wordt dit ook gepresenteerd per gemeente. Ook wordt in deze
rapportage ingegaan op verschillen tussen de twee ‘subregio’s’: regio Nijmegen en regio
Rivierenland. Regio Nijmegen bestaat uit de gemeenten West Maas en Waal, Druten, Beuningen,
Wijchen, Nijmegen, Heumen, Groesbeek, Ubbergen en Millingen aan den Rijn. Regio Rivierenland
bestaat uit de gemeenten Culemborg, Buren, Neder-Betuwe, Geldermalsen, Tiel, Lingewaal,
Neerijnen, Zaltbommel en Maasdriel.
16 van 81
In hoofdstuk 2 wordt de onderzoeksopzet beschreven. De respons, representativiteit en weging
worden besproken in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 komen de algemene kenmerken van inwoners
aan de orde. In de hoofdstukken 5 t/m 9 worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd
voor achtereenvolgens gezondheid, leefstijlfactoren, fysieke omgeving, sociale omgeving en zorgen welzijnsvoorzieningen. Hoofdstuk 10 bevat een overzichtstabel van de verschillen tussen de
gemeenten. Tot slot worden in hoofdstuk 11 de conclusies en aanbevelingen weergegeven.
Referenties hoofdstuk 1
Lalonde M(1974). A New Perspective on the Health of Canadians. Ottawa, Ontario, Canada:
Minister of Supply and Services
Huber M et al. (2011). How should we define health? 2011; 343: d4163 doi;
10.1136/bmj.d4163. 243: 235-237
17 van 81
2. Methode van onderzoek
2.1 Werkgebied GGD Gelderland-Zuid
Na de fusie van 1 juli 2013 bestaat GGD Gelderland-Zuid uit bovenstaande 18 gemeenten. De
gemeente Mook en Middelaar is uitgetreden. In de regio wonen ruim een half miljoen inwoners
(534.234).
2.2 Onderzoekspopulatie
Alle inwoners van de regio die op 01-01-2013 19 jaar of ouder waren, kwamen in aanmerking
voor deelname aan het onderzoek. Mensen die niet zelfstandig wonen, dat wil zeggen, mensen die
wonen in een verpleegtehuis, een psychiatrisch ziekenhuis of een instelling voor verstandelijk
gehandicapten, werden uitgesloten van het onderzoek.
2.3 Steekproef
Door het CBS is een steekproef van 1.000 personen van 19-65 jaar per gemeente en 900 65plussers per gemeente getrokken. Zo kunnen de resultaten per doelgroep op gemeenteniveau
bekeken worden. Daarnaast hebben de gemeenten Nijmegen, Groesbeek, Ubbergen en Beuningen
de steekproef opgehoogd. De gemeente Nijmegen heeft dit voor de aandachtsgebieden van de
stad gevraagd, de gemeente Groesbeek voor de Stekkenberg, de gemeente Ubbergen voor al
haar dorpskernen en de gemeente Beuningen voor de gebieden langs de snelweg. Hiervoor
komen aparte rapportages en besprekingen.
18 van 81
Door de steekproeftrekking door het CBS kon voorkomen worden dat inwoners in het onderzoek
van de GGD én in het onderzoek van het CBS terecht kwamen. Met inachtneming van de
inclusiecriteria (leeftijd en niet-geïnstitutionaliseerde) en benodigde aantallen per gebied is een
aselecte steekproef getrokken uit de gemeentelijke basisadministratie.
De respons, representativiteit en achtergrondkenmerken van de onderzoekspopulatie worden
besproken in hoofdstuk 3.
2.4 Onderzoeksopzet
De inwoners in de steekproef ontvingen eind september 2012 de eerste uitnodiging voor
deelname aan het onderzoek. De uitnodiging bestond uit een kaart met daarbij een inlogcode,
waarmee men de vragenlijst via internet kon invullen. Om de gelegenheid te geven de vragenlijst
op papier in te vullen, is half oktober met de eerste herinneringsbrief een papieren versie van de
vragenlijst meegestuurd. Tot slot is half november een tweede herinnering verstuurd. De
herinneringsbrieven zijn niet verstuurd aan inwoners die tussentijds de vragenlijst hadden
ingevuld of telefonisch hadden aangegeven niet aan het onderzoek mee te kunnen of willen doen.
De ingevulde vragenlijsten zijn verwerkt tot een databestand. Dit databestand is naar het RIVM
gestuurd voor een aantal analyses. Vervolgens heeft het CBS de weegfactoren en een aantal
variabelen (inkomen en etniciteit), en de CBS respondenten van hun onderzoek uit deze regio
toegevoegd. Het databestand wat terug is gegaan naar de GGD bevat dan alleen de antwoorden
van de respondenten en dus geen naam, adresgegevens en inlogcodes. De NAW gegevens zijn na
het onderzoek vernietigd.
2.5 Vragenlijst
In de vragenlijst kwamen de volgende onderwerpen aan de orde:
•
Algemene kenmerken (geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, huishoudenssamenstelling,
etniciteit, opleidingsniveau, financiële situatie);
•
Gezondheid (ziekten en aandoeningen, gebruik van slaap- en kalmeringsmiddelen,
valongevallen, ervaren gezondheid, lichamelijke beperkingen, psychische gezondheid, risico
op angststoornissen en depressie, regie over eigen leven, vergeetachtigheid);
•
•
•
•
Biologische factoren (lengte en gewicht);
Leefstijl (voeding, alcoholgebruik, roken en beweging);
Fysieke omgeving (binnenmilieu, geluidshinder, vervoer en veiligheid);
Sociale omgeving (contacten, eenzaamheid, tijdsbesteding, geluk, mantelzorg ontvangen en
geven en huiselijk geweld);
•
Zorg- en welzijnsvoorzieningen (gebruik, behoefte, bekendheid en bereikbaarheid van
voorzieningen).
De vragenlijst is tot stand gekomen op basis van de wensen van gemeenten en
ouderenorganisaties en het CBS. Daarnaast is rekening gehouden met de eisen van de Inspectie
voor de Gezondheidszorg (IGZ). Ook is de vragenlijst afgestemd met de andere GGD'en in Oost
Nederland. Met de vragen kunnen samengestelde variabelen berekend worden, zoals
verschillende vormen van kwetsbaarheid en de sociale uitsluitingsindex.
19 van 81
De vragenlijst bestaat uit drie delen. Het eerste deel bevat de vragen over etniciteit,
huishoudinkomen, opleiding, algemene gezondheid, lengte en gewicht, roken, mantelzorg geven
en de belasting van de mantelzorger. Alle respondenten van het onderzoek van de GGD en van
het onderzoek van het CBS hebben deze vragen ingevuld. In het tweede deel stonden de vragen
over chronische aandoeningen, beperkingen, alcoholgebruik en bewegen. Alle GGD respondenten
en een deel van de CBS respondenten hebben dit deel ingevuld. De overige vragen staan in deel
drie, dat alleen door de GGD respondenten is ingevuld.
Bij de formulering van de vragen is aangesloten bij de standaardvraagstellingen van de Lokale en
Nationale Monitor.
2.6 Gegevensverwerking en analyses
De resultaten in dit rapport betreffen de gehele 19 jaar en ouder doelgroep. De resultaten worden
weergegeven in percentages. Het kan door afronding voorkomen dat de percentages in figuren en
tabellen niet precies optellen tot 100%. Bij sommige onderwerpen kon men meerdere antwoorden
aankruisen. Bij deze onderwerpen zijn de percentages bij elkaar opgeteld hoger dan 100%.
In de figuren worden steeds de resultaten weergegeven voor de afzonderlijke gemeenten binnen
regio Gelderland Zuid. Daarnaast staan in de figuren de gemiddelde waarden voor de regio
Nijmegen en de regio Rivierenland weergegeven. Voor zover beschikbaar, worden in de tekst en
figuren ook de Nederlandse cijfers vermeld.
Voor een groot aantal onderwerpen (zie bijlage 2) zijn de verschillen tussen geslacht, leeftijd,
opleiding en de gemeenten getoetst op statistische significantie. Hiervoor is gebruik gemaakt van
een Chi-kwadraat toets. Een statistisch significant verschil betekent dat de rol van het toeval (zo
goed als) uitgesloten is. Ook de verschillen tussen regio Nijmegen en regio Rivierenland zijn op
deze manier getoetst. De analyses zijn gedaan binnen Complex Samples, zodat er rekening
gehouden wordt met de onderzoeksopzet, met het statistisch programma IBM SPSS Statistics
voor Windows versie 19.0 en versie 21.
20 van 81
21 van 81
3. Respons
Dit hoofdstuk beschrijft de respons op de monitor en de mate waarin de inwoners die hebben
meegedaan aan het onderzoek een goede afspiegeling zijn van de gehele bevolking van GGD
Gelderland-Zuid. Ook wordt de methode van weging uitgelegd die in het kader van de
representativiteit door het CBS is toegepast.
3.1 Respons
Eind september 2012 hebben 49.416 zelfstandig wonende 19-plussers in de regio Gelderland-Zuid
een uitnodiging gekregen om deel te nemen aan de monitor (inclusief 2.059 inwoners van de
gemeente Mook en Middelaar). In de regio hebben 21.972 inwoners meegedaan aan het
onderzoek (46%). Niet of zeer onvolledig ingevulde vragenlijsten zijn niet meegenomen in de
analyses. Per gemeente varieert de respons van 42% tot 56%, waarbij de gemeente Heumen de
hoogste respons heeft en de gemeente Groesbeek de laagste. Van het CBS zijn respondenten
toegevoegd die een deel van de vragenlijst hebben ingevuld bij het onderzoek uitgevoerd door
het CBS, de respons wordt dan 1% hoger.
3.2 Representativiteit en weging
Om de respons zo representatief mogelijk te laten zijn voor de Nederlandse bevolking, wordt deze
gewogen. Per respondent wordt een gewicht berekend, zodanig dat de achtergrondkenmerken
van de gewogen respons in dezelfde verhouding zijn als de achtergrondkenmerken van de
Nederlandse bevolking, die bekend zijn bij het CBS. Als er van een bepaalde bevolkingsgroep
relatief weinig mensen in de respons zitten, krijgen deze een relatief hoog gewicht, en vice versa.
Het CBS gebruikt het volgende weegmodel voor het gezondheidsonderzoek dat zij jaarlijks
uitvoeren:
Geslacht (2) x Leeftijd (17) +
Burgerlijke staat (4) +
Stedelijkheidsgraad (5) +
Provincieplus (16) +
Huishoudensgrootte (5) +
Geslacht (2) x Leeftijd (3) x Burgerlijke staat (2) +
Landsdeel (4) x Leeftijd (3) +
Etniciteit (4) +
Seizoen (4),
waarbij tussen haakjes het aantal categorieën staan vermeld.
Door te wegen op deze variabelen zal een selectieve respons binnen deze variabelen de resultaten
niet vertekenen. Het weegmodel zal de selectieve respons bij andere achtergrondkenmerken,
zoals gezondheid of opleiding, niet corrigeren.
Meer informatie over het wegen staat in bijlage 1.
22 van 81
23 van 81
4. Algemene kenmerken
Dit hoofdstuk beschrijft de algemene kenmerken van de inwoners van Gelderland-Zuid. Het gaat
hierbij om sociaal demografische kenmerken die een belangrijke rol spelen bij het verklaren van
verschillen in gezondheid, welzijn, zorgconsumptie en -behoefte.
4.1 Leeftijd en geslacht
De leeftijdsopbouw en de samenstelling van de bevolking naar geslacht zijn van invloed op de
gezondheid van de bevolking. Zo wordt de lichamelijke gezondheid bijvoorbeeld slechter
naarmate men ouder wordt. Ook tussen mannen en vrouwen bestaan verschillen in gezondheid.
Zo hebben mannen over het algemeen een slechtere leefstijl, maar vrouwen hebben vaker
lichamelijke beperkingen.
In regio Gelderland-Zuid is 48% van de volwassen bevolking van 19 jaar en ouder een man en
52% is vrouw. In Rivierenland is 49% man en in de regio Nijmegen betreft dit 48%.
Figuur 4.1 geeft de leeftijdsopbouw naar geslacht van de volwassen bevolking voor de regio
Gelderland-Zuid weer. De volwassen bevolking bestaat voor circa 80% uit 19 tot 65-jarigen; 20%
is 65 jaar of ouder.
100 jaar en ouder
95 - 99 jaar
90 - 94 jaar
85 - 89 jaar
80 - 84 jaar
75 - 79 jaar
70 - 74 jaar
65 - 69 jaar
60 - 64 jaar
55 - 59 jaar
50 - 54 jaar
45 - 49 jaar
40 - 44 jaar
35 - 39 jaar
30 - 34 jaar
25 - 29 jaar
19 - 24 jaar
15
10
5
0
Vrouw
Figuur 4.1: Leeftijdsopbouw naar geslacht
Man
5
10
15
24 van 81
4.2 Burgerlijke staat en huishoudenssamenstelling
De burgerlijke staat en de samenstelling van het huishouden zijn van invloed op de gezondheid.
De kans op overlijden is voor bijna alle doodsoorzaken lager bij gehuwden dan bij niet-gehuwde,
gescheiden of verweduwde mensen (Verweij, 2010). Deze verschillen in gezondheid zijn mogelijk
het gevolg van verschillen in leefstijl tussen gehuwden en niet-gehuwden. Alleenstaanden leven
gemiddeld genomen ongezonder en risicovoller dan gehuwden. Ook is een partner vaak een
belangrijke bron van steun bij (gezondheids)problemen.
Om een beeld te krijgen van de leefsituatie van de respondenten is gekeken naar de burgerlijke
staat. Ook is gevraagd met wie men momenteel samenwoont: een partner/echtgenoot, kinderen,
ouders of andere volwassenen of dat men alleen woont.
Van de inwoners van 19 jaar en ouder in Gelderland-Zuid is 69% gehuwd of woont samen (zie
tabel 4.1). Dit percentage is in Rivierenland significant hoger dan in regio Nijmegen (74% versus
66%).
Ruim één op de drie (36%) inwoners van Gelderland-Zuid woont in een gezin met thuiswonende
kinderen. Dit percentage is in regio Rivierenland significant hoger dan in regio Nijmegen (41%
versus 33%).
Zes procent van de volwassenen in Gelderland-Zuid woont in een eenoudergezin. Er is wat dit
betreft geen significant verschil tussen de regio Rivierenland (7%) en de regio Nijmegen (6%).
Tabel 4.1: Huishoudsamenstelling (%) naar regio
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
Gehuwd, samenwonend
69
74
66
Ongehuwd, nooit gehuwd geweest
19
14
22
Gescheiden
6
6
6
Weduwe, weduwnaar
6
6
6
In onderstaande figuur is het percentage alleenstaanden weergegeven per gemeente. Het
percentage alleenstaanden in Gelderland-Zuid is 17%. In de regio Nijmegen wonen significant
meer alleenstaanden dan in de regio Rivierenland (19% versus 13%).
In de gemeente Nijmegen wonen significant meer alleenstaanden (23%) vergeleken met de regio.
In de gemeenten Buren, Druten, Geldermalsen, Zaltbommel, West Maas en Waal, Lingewaal en
Neder-Betuwe wonen significant minder alleenstaanden.
25 van 81
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
2
4
6
8
10
12
14
16
18
20
22
24
Figuur 4.2: Percentage alleenstaanden
4.3 Etniciteit
De gezondheidstoestand van allochtonen is over het algemeen minder goed dan die van
autochtone Nederlanders (Verweij, 2012). Er blijken echter wel enkele uitzonderingen te bestaan,
zowel wat betreft gezondheidsprobleem als herkomstgroep. Ook het zorggebruik van allochtonen
wijkt af van dat van autochtone Nederlanders, maar niet altijd ten nadele van allochtonen.
Verschillen in het zorggebruik tussen allochtone en autochtone Nederlanders variëren sterk tussen
het soort zorgvoorziening en tussen herkomstgroepen.
In dit onderzoek is gebruik gemaakt van de definitie van het CBS om personen van nietNederlandse herkomst of Nederlandse herkomst te classificeren. Volgens die definitie wordt
iemand tot de niet-Nederlandse bevolkingsgroep gerekend wanneer minstens één ouder in het
buitenland is geboren. Een persoon is van Nederlandse herkomst indien beide ouders in
Nederland zijn geboren ongeacht het geboorteland van de persoon zelf.
In de regio Gelderland-Zuid is 16% van de volwassenen die de vragenlijst hebben ingevuld van
niet-Nederlandse afkomst. De grootste groep betreft personen van westerse herkomst (9%).
Daarnaast is 2% van Turkse herkomst, 1% van Marokkaanse herkomst, 0,6% van Surinaamse
herkomst, 0,5% van Antilliaanse/Arubaanse herkomst en 3% heeft een andere niet-westerse
herkomst.
In de regio Nijmegen wonen meer mensen van niet-Nederlandse herkomst dan in de regio
Rivierenland (18% versus 12%).
26 van 81
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0%
10%
20%
30%
Nederlands
40%
50%
Niet-Westers
60%
70%
80%
90%
100%
Westers
Figuur 4.3: Percentage inwoners van Nederlandse en niet-Nederlandse (westers of niet-westers) herkomst
4.4 Sociaaleconomische status
Daarnaast is de sociaaleconomische status een factor die de gezondheid kan beïnvloeden. Zo
leven mensen met een laag inkomen korter en hebben mensen met een laag inkomen een minder
goede ervaren gezondheid (Verweij, 2013).
Het opleidingsniveau is in gezondheidsonderzoek de meest gebruikte indicator voor SES. In
vragenlijstonderzoek krijgt de vraag over opleiding vaak een goede respons. Wel is het zo dat
opleiding bij ouderen een minder goede afspiegeling van de sociaaleconomische status is, omdat
de opleidingskansen door de jaren heen zijn toegenomen en ouderen daardoor gemiddeld lager
zijn opgeleid dan jongeren. Hierdoor hebben gezondheidsverschillen tussen laagopgeleiden en
hoogopgeleiden in veel gevallen voor een belangrijk deel te maken met het grote aandeel
ouderen onder de groep laagopgeleiden. Dus dan is het niet duidelijk of een verschil in
gezondheid door de leeftijd komt of door het opleidingsniveau. In de vragenlijst worden 10
opleidingsniveaus onderscheiden die teruggebracht worden naar 3 of 4 groepen. Laag (Lager
Onderwijs (LO)), midden 1 (MAVO, LBO), midden 2 (HAVO, VWO, MBO) en hoog (HBO, WO).
Indien er 3 opleidingsniveaus onderscheiden worden, dan zijn de twee laagste bij elkaar opgeteld
(laag en midden 1). In dit rapport gaat het bij laag onderwijs alleen over de groep LO.
27 van 81
Onderstaand figuur 4.4 geeft het opleidingsniveau per gemeente weer.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0%
Laag (LO)
10%
20%
30%
Midden 1 (MAVO, LBO)
40%
50%
60%
70%
Midden 2 (HAVO, VWO, MBO)
80%
90%
100%
Hoog (HBO, WO)
Figuur 4.4: Percentage inwoners met laag, midden of hoog opleidingsniveau
4.5 Financiën
Naast opleiding is ook het inkomen een belangrijke indicator voor sociaaleconomische status. Wel
dient hierbij te worden opgemerkt dat deze vraag in een enquête vaak niet wordt ingevuld,
vandaar dat de inkomensgegevens van het CBS gekoppeld zijn. Het besteedbaar inkomen is met
behulp van equivalentiefactoren gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het
huishouden. Alle inkomens zijn herleid tot het inkomen van een eenpersoonshuishouden,
waardoor de welvaartsniveaus van huishoudens onderling vergelijkbaar zijn.
Tabel 4.2 geeft de resultaten weer. Van de inwoners in Gelderland-Zuid heeft 15% een inkomen
van max € 15.200 en 24% heeft een inkomen van minimaal € 31.000.
Tabel 4.2: Gestandaardiseerd huishoudensinkomen1 (%) naar regio
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
Max. 15.200 euro
15
11
17
15.200 t/m 19.400 euro
17
17
18
19.400 t/m 24.200 euro
20
20
20
24.200 t/m 31.000 euro
23
24
22
Meer dan 31.000 euro
24
27
23
1. Dit is het gestandaardiseerd inkomen dat is gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Het
gestandaardiseerd inkomen is een maat voor de welvaart van een huishouden. CBS 2010
28 van 81
Ook is gevraagd of men in staat is om een onverwachte noodzakelijke uitgave van € 1.000 te
betalen zonder daarvoor schulden te maken of leningen aan te gaan. Dit zegt iets over de ruimte
die men heeft om bijvoorbeeld te sparen. Bijna een derde (31%) van de inwoners van
Gelderland-Zuid geeft aan soms, meestal niet of nooit een onverwachte uitgave van € 1.000 te
kunnen betalen.
Bijna een kwart (23%) van de volwassenen in Gelderland-Zuid geeft aan moeite te hebben met
rondkomen. Van de ouderen in Gelderland-Zuid moet 19% rondkomen van alleen de AOW. Er zijn
wat dit betreft geen significante verschillen tussen Rivierenland en regio Nijmegen.
Referenties hoofdstuk 4
Verweij A, Sanderse C (2010). Huishoudens: wat is de samenhang met gezondheid en zorg?
In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
Verweij A, Sanderse C, Beer J de (2012). Etniciteit samengevat . In: Volksgezondheid Toekomst
Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
Verweij A (2013). Sociaaleconomische status: Wat is de samenhang met gezondheid en zorg? In:
Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
29 van 81
5. Gezondheid
5.1 Gezondheid
5.1.1 Langdurige ziekten en aandoeningen
In dit onderzoek is het voorkomen van de belangrijkste chronische aandoeningen
geïnventariseerd. Het gaat hierbij onder andere om de acht ziekten die in Nederland
verantwoordelijk zijn voor het grootste gedeelte van de ziektelast (sterfte en ziekte samen):
coronaire hartziekten, diabetes mellitus, beroerte, angststoornissen, COPD, longkanker,
stemmingsstoornissen en nek- en rugklachten (Gommer et al., 2013). Ook is gevraagd naar
minder ernstige maar toch zeer beperkende ziekten en klachten zoals migraine, astma en
gewrichtsslijtage. In totaal is gevraagd naar twintig verschillende aandoeningen.
Uit de cijfers van de landelijke monitor blijkt dat 60% van de volwassenen in Nederland minstens
één chronische aandoening heeft (GGD'en, CBS en RIVM, 2012).
In totaal heeft 62% van de inwoners in Gelderland-Zuid minstens één chronische aandoening of
klacht. In regio Rivierenland heeft 64% van de 19-plussers minstens één chronische aandoening,
in regio Nijmegen is dit 61% (verschil is niet significant). In de gemeente Nijmegen is het laagste
percentage inwoners met minstens één chronische aandoening (zie figuur 5.1). In de gemeenten
Buren, Groesbeek, Maasdriel en Ubbergen is het percentage inwoners met minimaal één
chronische aandoening significant verhoogd.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
5
10
15
20
25
30
35
40
45
Figuur 5.1: Percentage inwoners met minimaal één chronische aandoening
50
55
60
65
70
30 van 81
Laagopgeleiden hebben significant vaker chronische aandoeningen dan hoogopgeleiden (84%
versus 51%). Bij inwoners van 65 jaar en ouder komen chronische ziekten significant vaker voor
dan bij inwoners jonger dan 65 jaar (87% versus 57%). Ook vrouwen hebben significant vaker
een chronische ziekte dan mannen (68% versus 56%).
In onderstaande tabel is per aandoening het percentage inwoners weergegeven dat deze
aandoening in de afgelopen 12 maanden had. Van deze aandoeningen komt in regio GelderlandZuid een hoge bloeddruk het meeste voor (18%), gevolgd door migraine (17%) en
gewrichtsslijtage van heupen of knieën (15%).
Tabel 5.1 Percentage inwoners met chronische aandoeningen in afgelopen 12 maanden naar regio
Regio
Regio
Gelderland-
Rivierenland
Nijmegen
Zuid
Diabetes
7
5
6
Beroerte, hersenbloeding of herseninfarct
1
1
1
Hartinfarct
<1
<1
<1
Andere ernstige hartaandoening
2
2
2
Kanker
2
2
2
Migraine
18
17
17
Hoge bloeddruk
20
18
18
Vernauwing van de bloedvaten in buik of benen
3
3
3
Astma of COPD
9
9
9
Psoriasis
3
4
3
Chronisch eczeem
5
6
6
Duizeligheid met vallen
4
4
4
Ernstige of hardnekkige darmstoornis
6
5
5
Onvrijwillig urineverlies
Gewrichtsslijtage van heupen of knieën
7
7
7
16
15
15
6
5
6
Chronische gewrichtsslijtage
Ernstige of hardnekkige aandoening van de rug
11
11
11
Andere ernstige of hardnekkige aandoening van de schouder
12
10
11
7
7
7
Andere ernstige of hardnekkige aandoening van elleboog, pols of
hand
Het aantal mensen met diabetes is sinds de tweede helft van de jaren negentig sterk gestegen
(Baan & Poos, 2013). Dit komt deels door demografische ontwikkelingen maar het grootste deel
van de stijging is te verklaren door epidemiologische ontwikkelingen, zoals de toename in
overgewicht en een actievere opsporing door huisartsen. Het ministerie van VWS heeft diabetes
aangewezen als een prioritaire ziekte en speerpunt voor beleid.
Uit de landelijke cijfers blijkt dat 6% van de volwassen bevolking in Nederland diabetes heeft
(GGD'en, CBS en RIVM, 2012).
31 van 81
In onderstaande figuur staat het percentage inwoners dat diabetes heeft per gemeente
weergegeven. Dit betreft 6% in Gelderland-Zuid. Het percentage inwoners dat diabetes heeft is
significant verhoogd in de gemeenten Buren (8%), Millingen aan de Rijn (9%) en Neder-Betuwe
(9%).
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Figuur 5.2: Percentage inwoners met diabetes
5.1.2 Valongelukken
Valongevallen zijn een belangrijk gezondheidsprobleem, dit geldt vooral voor ouderen.
De ernst van het probleem bij het vallen van ouderen blijkt uit het grote aantal doden,
ziekenhuisopnamen, spoedeisende hulpbehandelingen (SEH) en de hoge directe medische kosten
(Veiligheid NL, 2013). In 2012 zijn er 84.000 65-plussers na een valongeval behandeld op de
SEH-afdeling van een ziekenhuis. Per dag werden er 230 ouderen behandeld na een valongeval.
In 2012 zijn er 2.503 personen van 65 jaar of ouder overleden als gevolg van een valongeval.
In de monitor is aan zowel ouderen als volwassenen gevraagd hoe vaak men in de afgelopen drie
maanden is gevallen: geen, één, twee, of meer dan twee keer. In onderstaande figuur is het
percentage inwoners dat minimaal één keer is gevallen in de afgelopen drie maanden
weergegeven.
32 van 81
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
2
4
6
8
10
12
14
16
Figuur 5.3: Percentage inwoners dat de afgelopen drie maanden is gevallen
In Gelderland-Zuid is 14% van de inwoners het afgelopen jaar gevallen. Er is wat dit betreft geen
significant verschil tussen Rivierenland en de regio Nijmegen. Het percentage dat in de afgelopen
drie maanden minimaal één keer is gevallen is in de gemeente Millingen aan de Rijn significant
lager dan in Gelderland-Zuid. Andere gemeenten verschillen niet significant van de regio.
Het percentage vrouwen dat is gevallen in de afgelopen drie maanden is hoger dan het
percentage mannen dat de afgelopen 3 maanden is gevallen (15% versus 12%). Tevens vallen
65-plussers jaar significant vaker dan 19 tot 65-jarigen (17% versus 13%). Daarnaast komen
valongevallen vaker voor bij laagopgeleiden dan bij hoogopgeleiden (18% versus 12%).
5.1.3 Overgewicht
Op basis van de Body Mass Index (BMI) wordt bepaald of iemand ondergewicht of overgewicht
heeft. De BMI wordt berekend door het gewicht (in kilogram) te delen door de lengte (in meter) in
het kwadraat. Voor volwassenen wordt een BMI tussen de 20 en 25 als normaal beschouwd. Een
BMI tussen de 18,5 en 20 wijst op ondergewicht, bij een BMI lager dan 18,5 wordt gesproken van
ernstig ondergewicht. Bij een BMI van 25 of hoger is sprake van overgewicht. Bij een BMI van 30
of hoger spreekt men van obesitas.
33 van 81
Overgewicht is het resultaat van een verstoorde energiebalans: teveel energie-inname (voedsel)
bij een te laag energieverbruik (lichamelijke activiteit) Visscher et al, 2013). Bij het ontstaan van
overgewicht spelen psychische en sociale factoren zoals emoties een rol. Ook de sociale en fysieke
omgeving zijn van belang. Overgewicht neemt toe in een samenleving die mensen uitnodigt tot
veel eten en weinig bewegen, de zogenoemde obesogene samenleving.
Mensen met ernstig overgewicht zullen gemiddeld genomen eerder overlijden dan mensen met
een gezond gewicht. Voor mensen met ernstig overgewicht is dit ruim 3 jaar minder. Daarbij
zullen zij meer jaren in ongezondheid doormaken, omdat chronische ziekten en lichamelijke
beperkingen veel eerder optreden. Mensen met ernstig overgewicht verliezen op die manier 5,1
jaren aan gezonde levensverwachting. In totaal is ernstig overgewicht verantwoordelijk voor 5%
van de sterfgevallen.
Overgewicht, en vooral ernstig overgewicht (obesitas) hangt samen met tal van chronische
aandoeningen waaronder diabetes mellitus type 2, hart- en vaatziekten, een aantal soorten
kanker en aandoeningen aan galblaas en het bewegingsstelsel. Mensen met overgewicht hebben
meer te maken met stigmatisering en lopen meer kans op psychische en psychosociale problemen
als eenzaamheid, verdriet en gespannenheid. Mensen met ernstig overgewicht zijn ook vaker
depressief. Overgewicht kan zowel de oorzaak zijn als het gevolg van psychische problemen.
Uit de landelijke cijfers van de monitor blijkt dat 48% van de volwassen bevolking in Nederland
overgewicht heeft waarvan 13% obesitas (GGD'en, CBS en RIVM, 2012).
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
10
20
matig overgewicht
30
40
ernstig overgewicht
Figuur 5.4: Percentage inwoners met matig overgewicht en ernstig overgewicht
50
60
34 van 81
Van de inwoners van Gelderland-Zuid heeft 47% overgewicht waarvan 12% obesitas. In
Rivierenland heeft 50% van de inwoners overgewicht, dit is significant meer dan in regio
Nijmegen waar 45% overgewicht heeft. Er is tevens een significant verschil in het voorkomen van
obesitas tussen regio Rivierenland en regio Nijmegen (14% versus 12%). Overgewicht komt meer
voor in de gemeenten Buren, Druten, Millingen aan de Rijn, Lingewaal en Neder-Betuwe. In de
gemeente Nijmegen komt significant minder overgewicht voor dan in Gelderland-Zuid.
Het percentage inwoners met obesitas is significant verhoogd in Neder-Betuwe, in de gemeente
Nijmegen is dit significant verlaagd.
Van de mannen heeft 52% overgewicht wat significant hoger is dan het percentage vrouwen met
overgewicht (41%). Vrouwen hebben echter significant vaker obesitas dan mannen (13% versus
11%). Inwoners van 65 jaar of ouder hebben vaker overgewicht of obesitas (60% en 17%) dan
19 tot 65-jarigen (44% en 11%). Tevens hebben laagopgeleiden significant vaker overgewicht en
obesitas dan hoogopgeleiden (67% en 26% versus 35% en 7%).
5.2 Functioneren en kwaliteit van leven
5.2.1 Ervaren gezondheid
Ervaren gezondheid, ook wel subjectieve gezondheid of gezondheidsbeleving genoemd,
weerspiegelt het oordeel over de eigen gezondheid. Ervaren gezondheid is een samenvattende
gezondheidsmaat van alle relevante gezondheidsaspecten voor de persoon in kwestie (Galenkamp
en Deeg, 2013). Deze onderliggende gezondheidsaspecten variëren per persoon, maar hebben
vaak betrekking op zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid. Voorbeelden zijn ziekten,
lichamelijke beperkingen en handicaps, fitheid, vermoeidheid en depressieve gevoelens. Ook
leefstijlfactoren, zoals voeding, roken en lichamelijke activiteit kunnen het oordeel over de eigen
gezondheid mede bepalen: 'Ik wandel iedere dag, dus ik ben gezond'. Hoe slechter iemand zijn of
haar eigen gezondheid ervaart, hoe hoger de kans op overlijden. Dit lijkt een open deur, maar er
zijn weinig maten die zo sterk voorspellend zijn voor sterfte.
Van de volwassen bevolking in Nederland ervaart 77% de eigen gezondheid als goed tot zeer
goed, 20% ervaart de eigen gezondheid als gaat wel en 4% als slecht of zeer slecht (GGD'en,
CBS en RIVM, 2012).
In de regio Gelderland-Zuid ervaart 76% de eigen gezondheid als goed tot zeer goed, 21%
ervaart de eigen gezondheid als gaat wel en 3% als slecht of zeer slecht. Vrouwen rapporteren
vaker een matig of slecht ervaren gezondheid dan mannen (26% versus 23%) en 65-plussers
vaker dan 19 tot 65-jarigen (41% versus 20%). Met het ouder worden is er steeds een groter
deel dat zijn/haar gezondheid als niet goed beschouwt. Onder de 85-plussers is het percentage
met een matig of slechte ervaren gezondheid opgelopen tot 59%. Tot slot rapporteren
laagopgeleiden vaker een matig of slecht ervaren gezondheid dan hoogopgeleiden (54% versus
14%).
35 van 81
In onderstaande figuur is het percentage inwoners dat zijn of haar eigen gezondheid als matig of
slecht ervaart uitgesplitst naar gemeente. Geen enkele gemeente wijkt significant af van regio
Gelderland-Zuid.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
5
10
Gaat wel
15
20
Slecht tot zeer slecht
Figuur 5.5: Percentage inwoners dat de eigen gezondheid als matig of slecht ervaart
25
30
36 van 81
5.2.2 Geluk
De respondenten konden in de vragenlijst door middel van het aankruisen van een rapportcijfer
(0-10) aangeven hoe gelukkig zij zich (over het algemeen) voelen. In figuur 5.6 is aangegeven
welk percentage inwoners per gemeente een onvoldoende heeft gegeven op deze vraag.
In Gelderland-Zuid geeft 7% van de inwoners een onvoldoende als rapportcijfer voor geluk. In de
gemeenten Geldermalsen, Heumen en Zaltbommel geeft een significant lager percentage
inwoners een onvoldoende als rapportcijfer voor geluk. Het percentage met een onvoldoende lijkt
op basis van de grafiek verhoogd te zijn in de gemeente Tiel. Dit is echter niet significant.
Er is geen verschil gevonden tussen mannen en vrouwen met betrekking tot het rapportcijfer voor
geluk. Hoogopgeleiden geven significant vaker aan zich gelukkig te voelen dan laagopgeleiden
(96% versus 79% geeft een voldoende). Er is geen verschil gevonden tussen het ervaren geluk
van 19 tot 65-jarigen en inwoners van 65 jaar en ouder.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Figuur 5.6: Percentage inwoners met een onvoldoende als rapportcijfer voor geluk
5.2.3 Lichamelijke beperkingen
Lichamelijk functioneren is een maat voor de kwaliteit van leven. Lichamelijk functioneren
verwijst naar het kunnen uitvoeren van lichamelijke functies en dagelijkse routine-activiteiten.
Voorbeelden hiervan zijn lopen, eten, aan- en uitkleden en boodschappentassen dragen. Ook de
lichamelijke functies 'horen' en 'zien' zijn van belang voor het lichamelijk functioneren. Als er
moeilijkheden bestaan in deze functies of activiteiten, spreken we van lichamelijke beperkingen.
37 van 81
In de vragenlijst is gevraagd of men beperkingen heeft op het gebied van gehoor, gezicht en
mobiliteit (ondanks het gebruik van een hulpmiddel zoals bril of stok). In Nederland heeft 6% van
de volwassenen een beperking in zicht, 4% een beperking in gehoor en 10% geeft aan een
beperking in mobiliteit te hebben. In totaal geeft 15% van de Nederlandse volwassen bevolking
aan minstens één van deze drie lichamelijke beperkingen te hebben (GGD’en, CBS en RIVM,
2012).
In Gelderland-Zuid heeft 5% van de volwassenen een beperking in zicht, 4% een beperking in
gehoor en 8% geeft aan een beperking in mobiliteit te hebben. In totaal geeft 14% van de
inwoners aan minstens één van deze drie lichamelijke beperkingen te hebben. Zoals blijkt uit
figuur 5.7 is het percentage inwoners met een beperking in de gemeente Tiel significant verhoogd
(18%).
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
2
4
6
8
10
12
14
16
18
20
Figuur 5.7: Percentage inwoners met minstens één lichamelijke beperking in gehoor, gezicht of mobiliteit
Zoals kan worden verwacht, hebben ouderen vaker minstens één beperking dan 19 tot 65-jarigen
(30% versus 9%). Vrouwen hebben significant vaker minstens één lichamelijke beperking dan
mannen (16% versus 11%). Tevens hebben laagopgeleiden significant vaker minstens één
lichamelijke beperking dan hoogopgeleiden (44% versus 6%).
38 van 81
5.3 Psychische gezondheid
Psychische ongezondheid vormt een groot deel van de totale ziektelast onder de volwassen
bevolking. Psychische ongezondheid heeft vaak verstrekkende gevolgen voor de persoon zelf,
maar ook voor de omgeving van de persoon en de maatschappij. Hierbij kan gedacht worden aan
arbeidsongeschiktheid en daardoor verlies van werk en inkomen, maar ook aan sociale uitsluiting,
fysieke klachten of zelfmoordneigingen (Driessen, 2011).
Het is daarom belangrijk om psychische klachten vroegtijdig te onderkennen. Psychische klachten
omvatten gevoelens van bijvoorbeeld angst, depressie, slaapverstoring en stress. Psychische
stoornissen zijn o.a. dementie, schizofrenie, depressie en angststoornissen (Schoemaker, 2010).
5.3.1 Risico op angststoornissen en depressie
Er is mogelijk sprake van een angststoornis indien heftige angstklachten optreden zonder dat er
een reële bedreiging bestaat. Angststoornissen zijn te onderscheiden van normale gevoelens van
vrees of angst door het ontbreken van die reële bedreiging. In beide gevallen zijn de symptomen
hetzelfde: hartkloppingen, een droge mond, een beklemd gevoel, nerveuze spanning,
prikkelbaarheid, rusteloosheid, verhoogde spierspanning en/of slaap- en concentratieproblemen
(Balkom en Schoemaker, 2010). In 2007 werd het aantal personen van 18 tot 65 jaar met een
angststoornis geschat op 79 per 1.000 mannen en 124 per 1.000 vrouwen (bevolkingsonderzoek
NEMESIS) (de Graaf et al., 2010).
Een aanhoudende neerslachtige stemming en een ernstig verlies aan interesse in bijna alle
dagelijkse activiteiten zijn de belangrijkste symptomen van depressie. Iedereen ervaart wel eens
neerslachtigheid, dit moet echter niet worden verward met depressie; de neerslachtigheid bij een
depressie is heviger en klaart na een paar dagen niet vanzelf op (Meijer, 2012) .
Volgens het bevolkingsonderzoek NEMESIS leed in 2007 naar schatting 6% van de Nederlandse
bevolking van 18 tot 65 jaar aan een stemmingsstoornis (jaarprevalentie). Depressie komt
tweemaal zo veel voor bij vrouwen als bij mannen. Depressie komt vooral veel voor in de
leeftijdsgroep 25 tot 45 jaar en minder bij ouderen en kinderen (Schoemaker et al., 2012).
In dit onderzoek is gebruik gemaakt van een lijst van tien vragen (Kessler psychological distress
scale, K10) die het risico op een angststoornis of een depressie in beeld brengt. De K10 bestaat
uit vragen naar gevoelens in de afgelopen maand, zoals zenuwachtigheid, rusteloosheid,
hopeloosheid, somberheid en depressiviteit.
Uit de landelijke gegevens van de gezondheidsmonitor blijkt dat 34% van de volwassenen een
matig risico op een angststoornis of depressie en 6% heeft een hoog risico (GGD’en, CBS en
RIVM, 2012).
In Gelderland-Zuid heeft 37% een matig risico op een angststoornis of depressie en bij 6% van
de inwoners is dit risico hoog. In Rivierenland zijn deze percentages respectievelijk 35% en 6%,
in de regio Nijmegen 38% en 5%.
39 van 81
Vrouwen hebben significant vaker een matig of hoog risico op een angststoornis of depressie dan
mannen (48% versus 37%). Dit risico is tevens verhoogd bij laagopgeleiden ten opzichte van
hoogopgeleiden (54% versus 37%). Bij 65-plussers is het percentage inwoners met een matig
risico op angststoornis en depressie hoger dan bij inwoners jonger dan 65 jaar (43% versus
38%).
In figuur 5.8 is het percentage inwoners met een matig of hoog risico op een angststoornis of
depressie weergegeven per gemeente. Het risico op een angststoornis of depressie is significant
lager in de gemeenten Geldermalsen, Heumen, Ubbergen, West Maas en Waal en Lingewaal. In
de gemeente Nijmegen is het risico hoger dan gemiddeld in Gelderland-Zuid.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
5
10
15
20
matig
25
30
35
40
45
50
hoog
Figuur 5.8 Percentage inwoners met een risico op angststoornis of depressie
5.3.2 Vergeetachtigheid
Aan de respondenten is gevraagd of zij zichzelf vergeetachtig vinden. Als dat het geval is, kon
men aangeven in hoeverre men zich daar zorgen over maakte, variërend in vijf antwoorden van
’helemaal geen zorgen’ tot ‘zeer veel zorgen’.
Van de inwoners in Gelderland-Zuid vindt 25% zichzelf vergeetachtig, hierbij zit geen verschil
tussen Rivierenland en regio Nijmegen. Ook is er geen verschil tussen mannen en vrouwen.
Inwoners van 65 jaar en ouder vinden zichzelf vaker vergeetachtig dan inwoners jonger dan 65
jaar (32% versus 24%). Ook is er een significant verschil in vergeetachtigheid tussen de
opleidingsniveaus; laagopgeleiden vinden zichzelf significant vaker vergeetachtig dan
hoogopgeleiden (36% versus 21%).
40 van 81
In figuur 5.9 is het percentage inwoners met ervaren vergeetachtigheid uitgesplitst naar
gemeente. In de gemeente West Maas en Waal vinden de inwoners zichzelf significant minder
vergeetachtig vergeleken met de inwoners in de hele regio Gelderland-Zuid (20% versus 25%).
De overige gemeenten verschillen niet significant van de totale regio. Van de inwoners van
Gelderland-Zuid maakt 21% zich zorgen om zijn of haar vergeetachtigheid.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
5
10
15
20
25
30
Figuur 5.9: Percentage inwoners met ervaren vergeetachtigheid
5.3.3 Regie over eigen leven
Mensen die het gevoel hebben controle te hebben over hun leven, kunnen beter omgaan met
problemen, waaronder gezondheidsproblemen. Regie over eigen leven is een beschermende
factor tegen achteruitgang in lichamelijk functioneren bij mensen met chronische ziekten. Het
heeft ook een direct beschermend effect tegen depressieve symptomen, onafhankelijk van de
aanwezigheid van één of meerdere chronische ziekten. Regie over eigen leven is vooral voor
chronisch zieke ouderen belangrijk voor het behouden en bevorderen van hun welbevinden en
autonomie (Bisschop, 2004). Behoud van regie over eigen leven is nodig om de zelfredzaamheid
te bewaren en bij afnemende gezondheid en optredende beperkingen zich aan te passen aan de
gewijzigde omstandigheden. Op het moment dat de regiecapaciteit afneemt tot onder een
kritische grens dreigt het risico van afhankelijkheid (Schuijt-Lucassen, 2006).
41 van 81
In de monitor volwassenen/ouderen wordt regie over eigen leven gemeten met de Pearlin &
Schooler Mastery Scale. Deze vragenlijst bevat zeven items met antwoordcategorieën van 1
‘helemaal mee eens’ tot 5 ‘helemaal niet mee eens’.
In Gelderland-Zuid geeft 8% van de inwoners aan niet de regie over het eigen leven te hebben.
In regio Rivierland is dit 8% en in regio Nijmegen is dit 7%. Inwoners van 65 jaar en ouder geven
significant meer aan het gevoel te hebben niet de regie over het eigen leven te hebben dan
inwoners van 19 tot 65 jaar (11% versus 7%). Tevens geven laagopgeleiden significant vaker aan
niet de regie over het leven te hebben dan hoogopgeleiden (21% versus 4%).
In onderstaande figuur is per gemeente het percentage inwoners weergegeven dat aangeeft geen
regie over het eigen leven te hebben. In de gemeente Heumen zijn significant meer mensen die
wél regie over hun eigen leven hebben vergeleken met Gelderland-Zuid.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
1
2
3
4
5
6
7
8
Figuur 5.10: Percentage inwoners dat aangeeft geen regie over het eigen leven te hebben
9
10
42 van 81
5.3.4 Kwetsbaarheid
Kwetsbaarheid is een proces van het opeenstapelen van lichamelijke, psychische en/of sociale
tekorten in het functioneren dat de kans vergroot op negatieve gezondheidsuitkomsten
(functiebeperkingen, opname, overlijden) (Gobbens et al., 2010). Het is op te delen in fysieke,
sociale en psychische kwetsbaarheid. Bij fysieke kwetsbaarheid moet gedacht worden aan kracht,
voeding, uithoudingsvermogen, mobiliteit, lichamelijke activiteit, evenwicht en zintuigelijke
functies (zoals gehoor en zicht). Sociale kwetsbaarheid kent de elementen relaties en steun. Bij
psychische kwetsbaarheid zijn cognitie (bijvoorbeeld geheugen), stemming en coping
(bijvoorbeeld regie) meegenomen. Vragen met betrekking tot deze onderdelen zijn verspreid
opgenomen in de vragenlijst. Kwetsbaarheid is op basis van bovenstaande index alleen
uitgerekend voor ouderen. Onderstaande paragraaf gaat alleen over inwoners van 65 jaar en
ouder.
In Gelderland-Zuid kan 27% van de 65-plussers als kwetsbaar worden beschouwd, hierin is geen
verschil aanwezig tussen regio Rivierenland en regio Nijmegen (zie figuur 5.11). In de gemeenten
Beuningen, Heumen, Ubbergen en Lingewaal is het percentage algemene kwetsbaarheid lager dan
in de regio Gelderland-Zuid.
Algemene kwetsbaarheid wordt vaker ervaren door laagopgeleiden dan door hoogopgeleiden
(44% versus 17%). Van de vrouwen is 36% kwetsbaar, bij mannen is dit 18%.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
5
10
15
20
25
Figuur 5.11: Percentage inwoners (65+) dat kwetsbaar is (algemene kwetsbaarheid)
30
35
43 van 81
Zoals hiervoor reeds beschreven, is algemene kwetsbaarheid op te delen in sociale, psychische en
fysieke kwetsbaarheid. Bij 22% van de ouderen in Gelderland-Zuid is er sprake van sociale
kwetsbaarheid, 20% is psychisch kwetsbaar en 15% is fysiek kwetsbaar.
Er is een significant verschil in zowel sociale, psychische als fysieke kwetsbaarheid tussen
inwoners met verschillende opleidingsniveaus. Van de laagopgeleiden ervaart 27% sociale
kwetsbaarheid vergeleken met 20% van de hoogopgeleiden. Van de laagopgeleiden is 31%
psychisch kwetsbaar ten opzichte van 14% van de hoogopgeleiden. Laagopgeleiden zijn ook vaker
fysiek kwetsbaar dan hoogopgeleiden (27% versus 6%).
Vrouwen zijn vaker sociaal, psychisch en fysiek kwetsbaar dan mannen.
Referenties hoofdstuk 5
Baan CA, Poos MJJC (2013). Neemt het aantal mensen met diabetes mellitus toe of af?
In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
Balkom AJLM van , Schoemaker C (2010). Angststoornissen samengevat. In: Volksgezondheid
Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
Bisschop I (2004). Psychosocial resources and the consequences of specific chronic diseases in
older age; The longitudinal Aging Study Amsterdam. Leiden: VU University Amsterdam.
Driessen M (2011). Geestelijke ongezondheid in Nederland in kaart gebracht. Centraal Bureau
voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen
Galenkamp H, Deeg DJ (2013). Wat is ervaren gezondheid en hoe wordt het gemeten? In:
Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
Gobbens RJ, Luijkx KG, Wijnen-Sponselee MT, Schols JM (2010). In search of an integral
conceptual definition of frailty: opinions of experts. In: Journal of the American Medical Directors
Association. 2010;11(5):338-43. Epub 2010/06/01.
Gommer AM , Poos MJJC, Gool CH van (2013). Welke ziekten veroorzaken de grootste ziektelast
(in DALY's)? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM
Graaf R de, Have M ten, Dorsselaer S van (2010). De psychische gezondheid van de Nederlandse
bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut
Meijer S (2012). Depressie samengevat. In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal
Kompas Volksgezondheid.
44 van 81
VeilgheidNL (2013). Valongevallen 65-plussers. Amsterdam: VeilgheidNL
Visscher TLS, Bakel AM van, Zantinge EM (2013). Overgewicht samengevat. In: Volksgezondheid
Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM.
Visscher TLS, Bakel AM van, Zantinge EM (2013). Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van
overgewicht? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM.
Schoemaker C (2010). Wat is psychische gezondheid en hoe wordt het gemeten? In:
Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
Schoemaker, Poos MJJC, Spijker J, Gool CH van, Foets M , Lucht F van der (2012). Hoe vaak komt
depressie voor en hoeveel mensen sterven er aan? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning,
Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM.
Schuijt-Lucassen NY, Deeg DJ (2006). Predicting loss of mastery in older adults. Afdeling SociaalCulturele Wetenschappen, Faculteit der Sociale Wetenschappen, Vrije Universiteit, Amsterdam
45 van 81
6. Leefstijlfactoren
6.1 Roken
Roken was in 2011 verantwoordelijk voor bijna 19.000 sterfgevallen in Nederland (Harbers,
2013). Bij mensen boven de twintig jaar is een groot deel van de sterfgevallen door longkanker,
COPD en kanker in het hoofdhalsgebied te wijten aan roken. Roken is ook een risicofactor voor
diverse andere aandoeningen, zoals aandoeningen aan hart- en bloedvaten. Behalve rokers lopen
ook mensen die meeroken (passief roken) meer risico op onder meer longkanker en hart- en
vaatziekten. Wanneer moeders tijdens de zwangerschap (passief) roken, lopen hun kinderen
eveneens meer risico op gezondheidsproblemen. Ten opzichte van niet-rokers verliezen rokers in
Nederland gemiddeld 4,1 levensjaren en 4,6 gezonde levensjaren. In vergelijking met andere
risicofactoren is het verlies aan levensjaren voor roken het grootst.
In de vragenlijst konden de respondenten aangeven of ze momenteel roken of dat ze vroeger
gerookt hebben. In Nederland rookt in totaal 23% van de volwassenen en 33% heeft vroeger
gerookt maar rookt nu niet meer (GGD’en, CBS en RIVM, 2012).
Van de inwoners van Gelderland-Zuid rookt 23% wel eens, 33% rookt niet maar heeft vroeger
wel gerookt en 43% heeft nooit gerookt. Er is geen verschil in rookgedrag tussen Rivierenland en
regio Nijmegen. Inwoners van de gemeente Tiel roken significant vaker dan gemiddeld in de
regio, 31% van de inwoners in Tiel rookt. In de gemeenten Heumen en Wijchen wordt significant
minder gerookt dan in Gelderland-Zuid.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
2
4
6
Figuur 6.1: Percentage inwoners dat rookt
8
10
12
14
16
18
20
22
24
26
28
30
32
46 van 81
Mannen roken significant vaker dan vrouwen (26% versus 20%). Van de inwoners jonger dan 65
jaar rookt 25%; dit is significant meer dan inwoners ouder dan 65 jaar waarvan 13% rookt.
Tevens roken laagopgeleiden significant vaker dan hoogopgeleiden (26% versus 17%).
6.2 Alcohol
Het risico op gezondheidsschade door alcohol hangt af van het totale alcoholgebruik van de
drinker, maar ook van het drinkpatroon dat iemand heeft (Kuunders, 2010). Het drinkpatroon
houdt in hoeveel alcohol iemand per keer drinkt en hoe vaak. In het algemeen geldt:
•
Hoe hoger de totale consumptie van alcohol, hoe groter het risico op schade.
•
Hoe meer alcohol per keer wordt gedronken, des te ernstiger de schade (de aandoening of
verwonding).
Alcoholgebruik heeft invloed op bijna alle organen in het lichaam en hangt samen met ongeveer
zestig verschillende aandoeningen. Hieronder vallen zowel chronische aandoeningen als acute
aandoeningen en verwondingen.
In vergelijking tot andere leefstijlfactoren draagt alcoholgebruik relatief sterk bij aan de totale
ziektelast. Na roken (13%), overgewicht (10%) en verhoogde bloeddruk (8%) komt
alcoholgebruik namelijk op de vierde plaats van determinanten van ziekten, met een bijdrage van
4,5%. Mensen die te veel alcohol drinken, verliezen gemiddeld genomen 0,6 levensjaren en 0,9
gezonde levensjaren.
Er worden verschillende indicatoren voor alcoholgebruik gebruikt. Onder zwaar alcoholgebruik
wordt het percentage mensen verstaan dat minimaal één keer per week zes glazen of meer
(mannen) of vier glazen of meer (vrouwen) drinkt. Onder overmatig alcoholgebruik wordt het
drinken van meer dan 21 glazen alcohol per week (mannen) of het drinken van meer dan 14
glazen alcohol per week (vrouwen) verstaan.
In Nederland is in totaal van de mensen van 19 jaar en ouder 8% een overmatige drinker en 10%
een zware drinker (GGD’en, CBS en RIVM, 2012).
In onderstaande figuur (figuur 6.2) staat het overmatig en zwaar alcoholgebruik van inwoners van
Gelderland-Zuid per gemeente weergegeven. In Gelderland-Zuid is 8% van de inwoners een
overmatig alcoholgebruiker, in de regio Rivierenland is dit tevens 8% en in de regio Nijmegen is
dit 9%. Het overmatige alcoholgebruik is significant hoger in de gemeente Ubbergen.
Van de inwoners van Gelderland-Zuid is 10% een zwaar alcoholgebruiker. Regio Nijmegen en
Rivierenland verschillen significant van elkaar met betrekking tot zwaar alcoholgebruik (11% in
regio Nijmegen en 8% in Rivierenland). In de gemeente Culemborg is een significant lager
percentage inwoners een zwaar alcoholgebruiker (6%) vergeleken met het percentage zwaar
alcoholgebruikers in Gelderland-Zuid. In de gemeente Nijmegen zijn significant meer zwaar
alcoholgebruikers (13%).
47 van 81
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
1
2
3
4
5
6
overmatige drinker
7
8
9
10
11
12
13
zware drinker
Figuur 6.2: Percentage overmatige en zware alcoholgebruikers
Wanneer overmatig alcoholgebruik wordt uitgesplitst naar achtergrondkenmerken valt op dat het
percentage mannelijke overmatige drinkers (10%) significant hoger is dan het percentage
vrouwelijke drinkers (6%). Er is geen significant verschil in overmatig alcoholgebruik tussen 19
tot 65-jarigen en 65-plussers. Ook is er wat dit betreft geen verschil tussen laag- en
hoogopgeleiden.
Met betrekking tot zwaar alcoholgebruik wordt een significant verschil gezien tussen inwoners van
19 tot 65 jaar (11%) en inwoners van 65 jaar en ouder (6%). Meer mannen dan vrouwen zijn
zwaar alcoholgebruiker (13% versus 7%).
6.3 Bewegen
Onvoldoende bewegen is in Nederland jaarlijks verantwoordelijk voor naar schatting ruim 8.000
sterfgevallen (ofwel circa 6% van het totaal aantal sterfgevallen) en voor een aanzienlijk deel van
de gevallen van coronaire hartziekten (Wendel-Vos, 2012A). Zo verliezen mensen die te weinig
bewegen gemiddeld 0.9 levensjaren en 1,2 gezonde jaren. De bijdrage aan de totale ziektelast
van lichamelijke inactiviteit is vergelijkbaar met die van te weinig groente en fruit en teveel
verzadigd vet in de voeding.
48 van 81
Het risico op sportblessures is een nadeel van vooral intensieve lichamelijke activiteit (PAGAC,
2008). Jaarlijks zijn er circa 3,7 miljoen sportblessures, waarvan iets minder dan 40% (1,4
miljoen blessures) medisch wordt behandeld.
Om te meten hoeveel Nederlanders bewegen, sporten, zitten (sedentair gedrag) of lichamelijk
inactief zijn, zijn verschillende normen en richtlijnen opgesteld, waaronder de Nederlandse Norm
Gezond Bewegen (NNGB) (Wendel-Vos, 2012B). De NNGB is vooral gericht op het onderhouden
van gezondheid op de lange termijn. De norm is verschillend voor jongeren, volwassenen en
ouderen. De basis voor dit verschil ligt in het feit dat activiteiten meer energie kosten naarmate
iemand ouder wordt. De norm voor volwassenen is een half uur ten minste matig intensieve
lichamelijke activiteit op minimaal vijf, maar bij voorkeur alle dagen van de week. Voorbeelden
van matig intensieve lichamelijke activiteit bij volwassenen zijn wandelen met 5-6 km/uur (dus
flink doorwandelen) en fietsen met 15 km/uur.
De fitnorm is voor jong en oud gelijk en vereist tenminste drie keer per week gedurende minimaal
20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (Wendel-Vos, 2012B). Deze norm is vooral
gericht op het onderhouden van fysieke fitheid (uithoudingsvermogen, kracht en
coördinatievermogen).
Een derde Nederlandse norm is de combinorm, de optelsom van de NNGB en de fitnorm. Iemand
voldoet aan de combinorm wanneer hij/zij aan tenminste één van de beide normen voldoet.
In Nederland voldoet 66% aan de NNGB, 25% aan de fitnorm en 68% aan de combinorm
(GGD’en, CBS en RIVM, 2012).
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
5
10
15
20
25
30
35
40
45
50
55
60
Figuur 6.3: Percentage inwoners dat voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen
65
70
75
49 van 81
In Gelderland-Zuid voldoet 66% aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (figuur 6.3). In regio
Rivierenland voldoet 63% aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen, in de regio Nijmegen is dit
68%, dit is significant verschillend. In de gemeenten Zaltbommel en Neerrijnen voldoet een
significant lager percentage aan de NNGB vergeleken bij de regio Gelderland-Zuid. In de
gemeenten Nijmegen en Ubbergen daarentegen voldoen meer mensen aan de NNGB.
Mannen voldoen significant vaker aan de NNGB dan vrouwen (68% versus 64%). Inwoners jonger
dan 65 jaar voldoen minder vaak aan de NNGB (65%) dan inwoners van 65 jaar en ouder (68%).
Ook is er een significant verschil gevonden tussen inwoners met een laag of hoog
opleidingsniveau (55% versus 64%).
Zoals blijkt uit figuur 6.4 voldoet 23% van de inwoners van Gelderland-Zuid aan de fitnorm (22%
van de inwoners in Rivierenland en 24% van de inwoners van regio Nijmegen). In de gemeenten
Neerijnen en Neder-Betuwe voldoen significant minder mensen aan de fitnorm, het omgekeerde
geldt voor de gemeenten Heumen en Ubbergen.
In figuur 6.5 staan de drie verschillende normen naar achtergrondkenmerken weergegeven. Uit
deze grafiek blijkt het percentage inwoners dat voldoet aan de NNGB niet veel verschilt van het
percentage inwoners dat voldoet aan de combinorm.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
2
4
6
8
10
12
Figuur 6.4: Percentage inwoners dat voldoet aan de fitnorm
14
16
18
20
22
24
26
28
30
50 van 81
Man
Vrouw
Laag (LO)
Midden 1 (MAVO, LBO)
Midden 2 (HAVO, VWO, MBO)
Hoog (HBO, WO)
19-64 jaar
65+ jaar
Totaal
0
10
20
NNGB
30
fitnorm
40
50
60
70
80
combinorm
Figuur 6.5: Percentage inwoners dat voldoet aan de beweegnormen naar achtergrondkenmerken
6.4 Groente en fruit
Consumptie van groente en fruit en vezelrijke graanproducten vermindert waarschijnlijk zowel het
risico op hart- en vaatziekten als op sommige vormen van kanker: kanker in hoofd- en
halsgebied, slokdarmkanker, maagkanker en darmkanker (Kranen et al, 2013). Echter hoe meer
kwalitatief goede studies met een lange follow-up gepubliceerd worden, hoe zwakker het verband
tussen voeding en hart- en vaatziekten en kanker lijkt te worden. Ook blijkt steeds vaker dat de
gezondheidseffecten van groente hoger zijn dan die van fruit. Daarom is variatie in het gebruik
van verschillende soorten groente en fruit aan te bevelen. Groente, fruit en volkoren
graanproducten zijn belangrijke bronnen van vezels. Een vezelrijke voeding vermindert het risico
op coronaire hartziekten en op darmkanker.
Van de inwoners in Gelderland-Zuid eet 36% dagelijks fruit en eet 45% dagelijks groente.
Inwoners van regio Nijmegen eten vaker dagelijks groente dan inwoners van Rivierenland (49%
versus 39%). Er is geen verschil tussen beide regio’s wat betreft het dagelijks fruit eten. Vrouwen
eten vaker dagelijks fruit dan mannen (42% versus 28%) en vrouwen eten ook vaker dagelijks
groente (50% versus 40%). De groep 65-plussers eet in vergelijking met de groep 19 tot 65jarigen vaker dagelijks fruit (60% versus 30%) en eet ook vaker dagelijks groente (59% versus
42%). Hoogopgeleiden eten vaker dagelijks groente in vergelijking met laagopgeleiden (56%
versus 48%).
51 van 81
Onderstaande figuur geeft de groente en fruitconsumptie per gemeente weer. Inwoners van
Culemborg, Ubbergen en Zaltbommel eten vaker dagelijks fruit. Inwoners van Heumen, Ubbergen
en Nijmegen eten vaker dagelijks groente. Inwoners van Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen, NederBetuwe en Tiel eten daarentegen minder vaak dagelijks groente dan gemiddeld.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
5
10
15
20
25
30
35
40
45
50
55
60
Figuur 6.6: Percentage inwoners dat dagelijks fruit (geel) en percentage inwoners dat dagelijks groente
(blauw) eet
6.5 Slaap- en kalmeringsmiddelen
Kalmerings- en slaapmiddelen zoals benzodiazepinen hebben een sterk verslavende werking (van
Laar et al, 2012). Verslaving aan medicijnen kan leiden tot leveraandoeningen, neurologische
problemen en ongevallen. Ook ontstaan er vaak problemen als medicijnen in combinatie met
andere stoffen (harddrugs, alcohol) gebruikt worden (polydruggebruik). Dit geldt vooral voor de
benzodiazepinen (zoals Valium®). Het risico op intoxicaties is dan groot.
In Gelderland-Zuid heeft 6% van de inwoners de afgelopen 2 weken slaap- en
kalmeringsmiddelen op doktersvoorschrift gebruikt. Er is wat dit betreft geen verschil tussen
Rivierenland en regio Nijmegen. Wel wijken enkele gemeenten af van dit gemiddelde: inwoners
van de gemeente Neder-Betuwe hebben vaker slaap- en kalmeringsmiddelen gebruikt terwijl
inwoners van Millingen aan den Rijn en Geldermalsen minder vaak slaap- en kalmeringsmiddelen
hebben gebruikt (zie figuur 6.7).
52 van 81
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
Figuur 6.7: Percentage inwoners dat de afgelopen twee weken slaap- en kalmeringsmiddelen heeft gebruikt
op doktersvoorschrift
Referenties hoofdstuk 6
Gelder BM van, Poos MJJC, Harbers MM (2013). Wat zijn de gezondheidsgevolgen van roken? In:
Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM.
Harbers MM (2013). Roken samengevat. In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal
Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
Kranen HJ van, Raaij JMA van, Bakel AM van (2013). Wat is de relatie tussen voeding en
gezondheid? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM.
Kuunders MMAP, Laar MW van (2013). Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van
alcoholgebruik? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM.
Laar MW van, Harbers MM (2012). Wat is afhankelijkheid van drugs of andere middelen en wat is
het beloop? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM.
Wendel-Vos GCW (2012A). Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van lichamelijke
(in)activiteit? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM.
Wendel-Vos GCW (2012B). Normen van lichamelijke (in)activiteit. In: Volksgezondheid Toekomst
Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM.
53 van 81
7. Fysieke omgeving
7.1 Binnenmilieu
Gemiddeld brengen we ongeveer 85% van onze tijd binnenshuis door, waarvan 70% in de eigen
woning (Zantinge et al, 2011; Jongeneel, 2010). Ouderen brengen meer tijd binnenshuis door en
hebben een minder goed afweersysteem dan jongeren. Hierdoor zal een ongezond binnenmilieu
voor ouderen eerder schadelijk zijn (Zantinge et al, 2011; Jongeneel, 2010).
Ventilatie is belangrijk voor de luchtkwaliteit binnenshuis. Allerlei stoffen die in het binnenmilieu
vrijkomen, zoals vocht bij koken en wassen, tabaksrook en vluchtige stoffen uit meubels, kunnen
zich bij onvoldoende ventilatie ophopen. De concentraties stoffen zijn binnen vaak hoger dan
buiten en kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken, zoals vermoeidheid, hoofdpijn,
luchtwegklachten en hart- en vaatziekten (Zantinge et al., 2011; Jongeneel, 2010).
In de vragenlijst is een vraag opgenomen naar schimmelplekken in woon- en slaapkamer. In
Gelderland-Zuid gaf 5% aan schimmel in de woon- en slaapkamer te hebben. Ook is gevraagd of
het vaak te warm is in huis en of de geiser een afvoerpijp heeft of aangesloten is op een
schoorsteen. Dit laatste in verband met risico’s op koolmonoxidevergiftiging indien deze gassen
niet via een schoorsteen het huis verlaten. In Gelderland-Zuid geeft 4% aan dat het vaak te warm
is in huis en 1% geeft aan dat het huis een geiser zonder afvoer heeft.
7.2 Geluid- en geurhinder
7.2.1 Geluidhinder
Blootstelling aan (ongewenst) geluid kan uiteenlopende effecten op de gezondheid hebben. Hierbij
kan onderscheid gemaakt worden tussen welzijnseffecten, zoals hinder en slaapverstoring, en
klinische gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten (Kempen, 2011).
Van de inwoners in Gelderland-Zuid geeft 12% aan ernstige geluidshinder te ondervinden van één
of meer geluidsbronnen. Inwoners van regio Rivierenland ervaren vaker hinder dan inwoners van
regio Nijmegen (14% versus 10%). Zoals blijkt uit figuur 7.1 is dit percentage in de gemeenten
Tiel, Zaltbommel en Maasdriel hoger dan gemiddeld, terwijl inwoners van de gemeenten Millingen
aan de Rijn, Druten, Ubbergen en Groesbeek minder vaak ernstige geluidshinder ervaren.
Volwassenen (19 tot 65-jarigen) geven vaker aan ernstige geluidshinder te ervaren dan 65plussers (12% versus 9%).
54 van 81
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
2
4
6
8
10
12
14
16
18
Figuur 7.1: Percentage inwoners dat ernstige hinder ervaart van één of meer geluidsbronnen
De buren vormen de belangrijkste bron van geluidshinder (5%), gevolgd door verkeer met een
snelheid kleiner dan 50 km/u (4%), verkeer met een snelheid groter dan 50 km/u (3%) en
vliegtuigen (2%). Treinen en bedrijven/industrie geven de minste geluidshinder (beide <1%).
7.2.2 Geurhinder
Wanneer een geur als hinderlijk wordt ervaren, is er sprake van stank. Mensen kunnen
gezondheidsklachten overhouden aan stank, waaronder hoestbuien, hoofdpijn of een verstoorde
ademhaling. Stankoverlast kan veroorzaakt worden door verschillende factoren, zoals industrie,
verkeer, landbouw en huishoudens. De industrie en landbouw zijn daarbij vaak de grootste
boosdoeners. De stankoverlast veroorzaakt door huishoudens (bijvoorbeeld door een openhaard)
is in omvang de minst belangrijke bron. Maar omdat mensen vaak dicht bij elkaar wonen, kan de
overlast toch groot zijn
In de vragenlijst is gevraagd of men hinder ervaart van geur van riolering, openhaard, landbouw
en veeteelt of andere bedrijven/industrie.
In Gelderland-Zuid geeft 4% van de inwoners aan ernstige geurhinder te ondervinden van één of
meer van deze geurbronnen (figuur 7.2). Inwoners van regio Rivierenland ervaren vaker
geurhinder dan inwoners van regio Nijmegen (5% versus 3%). Alleen voor de gemeente
Maasdriel is er sprake van een significant verschil ten opzichte van de regio, 6% van de inwoners
van Maasdriel ervaart sterke geurhinder.
55 van 81
De ernstige geurhinder wordt veroorzaakt door geur van openhaarden/allesbranders, door
riolering/zuivering en landbouw/veeteelt (alle drie de bronnen geven voor 1% van de inwoners
ernstige geurhinder). Daarnaast ervaart <1% ernstige geurhinder door bedrijven en industrie.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
1
2
3
4
5
6
7
Figuur 7.2: Percentage inwoners dat geurhinder ondervindt van één of meer geurbronnen
7.3 Veiligheid
Veiligheid en veiligheidsgevoelens kunnen een aspect zijn waardoor men minder tevreden is over
de woonomgeving. Ook kan een gevoel van onveiligheid een belemmering zijn bij sociale
bezigheden. Veiligheid is meer dan de afwezigheid van criminaliteit: het heeft ook te maken met
het gevoel van veiligheid. Objectieve en subjectieve veiligheid hangen samen met de sociale
kwaliteit in een buurt. Die wordt gevormd door formele en informele sociale contacten, gevoel van
verantwoordelijkheid en gevoelens van gehechtheid.
In de vragenlijst is gevraagd naar het gevoel van onveiligheid overdag en ’s avonds/’s nachts.
In Gelderland-Zuid geeft 5% van de volwassenen aan zich wel eens onveilig te voelen overdag en
18% voelt zich ’s avonds of ’s nachts wel eens onveilig. Er is wat dit betreft geen verschil tussen
regio Nijmegen en regio Rivierenland.
56 van 81
Figuur 7.3 geeft per gemeente het percentage inwoners weer dat zich ’s avonds of ’s nachts
onveilig voelt. In de gemeente Tiel ligt dit percentage hoger dan gemiddeld, 24% van de inwoners
van Tiel voelt zich ’s avonds of ’s nachts onveilig. In de gemeenten Druten, Geldermalsen,
Ubbergen, Lingewaal, Heumen, Millingen aan de Rijn en Groesbeek ligt dit percentage lager dan
gemiddeld.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
2
4
6
8
10
12
14
16
18
20
22
24
Figuur 7.3: Percentage inwoners dat zich ’s avonds en ’s nachts onveilig voelt
Vrouwen voelen zich ‘s avonds en ’s nachts vaker onveilig dan mannen (24% versus 10%).
Laagopgeleiden voelen zich vaker onveilig dan hoogopgeleiden (23% versus 15%).
Referenties hoofdstuk 7
Jongeneel WP (2010). Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van een slechte
binnenmilieukwaliteit? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas
Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
Kempen EEMM van (2011). Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van geluid? In:
Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM
Zantinge EM, van der Wilk EA, van Wieren S, Schoemaker CG (2011). Gezond ouder worden in
Nederland. Bilthoven: RIVM
57 van 81
8. Sociale omgeving
8.1 Eenzaamheid
Eenzaamheid komt voor onder mensen van alle leeftijden. Eenzaamheid wordt gedefinieerd als
het negatief ervaren verschil tussen de gewenste en gerealiseerde relaties. Zowel het aantal
sociale contacten als de ervaren kwaliteit van de sociale contacten zijn bepalend voor gevoelens
van eenzaamheid. Langdurige eenzaamheid heeft directe gevolgen voor de kwaliteit van leven en
heeft een negatieve invloed op de gezondheid (Zantinge et al., 2011).
Eenzaamheid wordt vaak gemeten met de eenzaamheidsschaal van ‘De Jong-Gierveld’. Dit
meetinstrument bestaat uit elf uitspraken. De respondenten wordt gevraagd aan te geven in
hoeverre ze het met deze uitspraken eens zijn. Op basis van de antwoorden op de elf uitspraken
wordt een somscore berekend, die dient als maat voor eenzaamheid (de Jong-Gierveld &
Kamphuis, 1994).
In Nederland is in totaal 39% van de volwassen bevolking eenzaam: 31% is matig eenzaam, 5%
is ernstig eenzaam en 3% is zeer ernstig eenzaam (GGD’en, CBS en RIVM, 2012).
Van de inwoners in Gelderland-Zuid is in totaal 38% eenzaam: 30% is matig eenzaam, 5% is
ernstig eenzaam en 3% is zeer ernstig eenzaam. Er is wat dit betreft geen significant verschil
tussen regio Nijmegen en Rivierenland. Wel ligt dit percentage in één gemeente significant hoger
dan gemiddeld; in Tiel is 44% van de inwoners eenzaam (zie figuur 8.1).
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
5
10
15
20
25
Figuur 8.1: Percentage inwoners Gelderland-Zuid dat zich eenzaam voelt
30
35
40
45
58 van 81
Ouderen zijn vaker eenzaam dan 19 tot 65 jarigen (46% versus 36%) en laagopgeleiden zijn
vaker eenzaam dan hoogopgeleiden (55% versus 32%).
Binnen het begrip eenzaamheid kan onderscheid gemaakt worden tussen sociale en emotionele
eenzaamheid. Er is sprake van sociale eenzaamheid als contacten ontbreken met mensen
waarmee men bepaalde gemeenschappelijke kenmerken deelt, zoals vrienden of vriendinnen.
Emotionele eenzaamheid treedt op als iemand een hechte, intieme band mist met één ander
persoon, in de meeste gevallen een levenspartner. Hierbij dient te worden opgemerkt dat iemand
zich zowel sociaal eenzaam als emotioneel eenzaam kan voelen. Bij ruim een kwart (27%) van de
inwoners in Gelderland-Zuid is er sprake van emotionele eenzaamheid en bij 38% is er sprake
van sociale eenzaamheid.
8.2 Huiselijk geweld
Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer wordt
gepleegd. Daders zijn vaak gezinsleden, familieleden, (ex-)partners en huisvrienden. Slachtoffers
en daders van geweld kunnen zowel vrouwen, kinderen als mannen zijn. Het kan gaan om:
psychisch en/of emotioneel geweld (treiteren, kleineren, schelden), lichamelijk geweld
(mishandeling, geschopt en geslagen worden), ongewenste seksuele toenadering (ongewenst
aanraken, seksueel getinte opmerkingen) en seksueel misbruik (aanranding of verkrachting).
In de vragenlijst is, na een toelichting van het concept ‘huiselijk geweld’, gevraagd of men ooit
slachtoffer is geweest van huiselijk geweld. Vervolgens kon men aanvinken om welke vorm van
huiselijk geweld het ging en wie de dader(s) was of waren.
Van de inwoners in Gelderland-Zuid geeft 8% aan ooit slachtoffer te zijn geweest van huiselijk
geweld. Figuur 8.2 geeft dit percentage weer voor de twee regio’s en de afzonderlijke gemeenten.
Er zijn wat dit betreft geen significante verschillen tussen de regio’s of tussen de gemeenten.
Vrouwen zijn significant vaker het slachtoffer van huiselijk geweld dan mannen (11% versus 5%)
en huiselijk geweld komt in de leeftijdsgroep 19 tot 65 jaar vaker voor dan bij 65-plussers (9%
versus 4%).
Het gaat in de meeste gevallen van huiselijk geweld om ‘psychisch en/of emotioneel geweld’
(regio Rivierenland 5%, regio Nijmegen 6%), gevolgd door lichamelijk geweld (beide regio’s 4%).
Ongewenste seksuele toenadering en seksueel misbruik worden het minst genoemd. Deze twee
vormen van huiselijk geweld komen allebei voor bij 1% van de inwoners van beide regio’s.
In de meeste gevallen worden ex-partners en (stief)ouder(s) genoemd als de daders van het
huiselijk geweld (deze worden allebei door 3% genoemd).
59 van 81
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Figuur 8.2: Percentage inwoners dat ooit slachtoffer is geweest van huiselijk geweld
8.3 Contact buren en buurt
De sociale omgeving kan de gezondheid van een persoon zowel positief als negatief beïnvloeden.
Als de sociale omgeving sociale steun oplevert, heeft dit een positieve invloed op de gezondheid.
Wanneer de sociale omgeving stress oplevert, heeft het een negatieve invloed op de gezondheid.
Als onderdeel van de sociale omgeving, is in de vragenlijst aandacht besteed aan de buurt. Er is
gevraagd naar hoe men het contact met de eigen buren ervaart. Respondenten konden aangeven
of hun buurtgenoten goed met elkaar kunnen opschieten en hoe vaak zij contact hebben met hun
buren of de mensen die bij hen in de straat wonen. Bovendien is gevraagd of zij wel eens iets
voor hun buren doen.
Drie kwart van de inwoners in Gelderland-Zuid ziet de buren regelmatig (64% minstens één keer
per week en 11% drie keer per maand). Zeven op de tien inwoners in Gelderland-Zuid doen ook
wel eens iets voor de buren. Er is wat dit betreft geen verschil tussen de twee regio’s. Wel ligt dit
percentage in twee afzonderlijke gemeenten lager dan gemiddeld, namelijk in Tiel (63%) en
Nijmegen (62%). Ouderen doen vaker iets voor hun buren dan 19 tot 65-jarigen (82% versus
66%).
60 van 81
Tevens is gevraagd of men het eens is met de stelling ‘Mensen in de buurt kunnen slecht met
elkaar opschieten’. Driekwart van de inwoners van Gelderland-Zuid is het hier niet mee eens. Er is
wat dit betreft geen verschil tussen regio Nijmegen en regio Rivierenland. In de gemeente Tiel ligt
dit percentage echter wat lager dan gemiddeld, daar is 63% van de mensen het niet eens met
deze stelling. Ook is er een verschil tussen hoog- en laagopgeleiden: hoogopgeleiden zijn het hier
vaker niet mee eens dan laagopgeleiden (83% versus 59%).
8.4 Sociale uitsluiting
Sociale uitsluiting is een belangrijke indicator van risicogroepen op het gebied van geestelijke
gezondheid. Bovendien is het een factor in het ontstaan van gezondheidsverschillen tussen
groepen. De sociale uitsluitingsindex geeft een indicatie van ‘het onvermogen van bepaalde
groepen of individuen om als gevolg van individuele en maatschappelijke factoren volledig deel te
nemen aan het maatschappelijk leven’ (Hoff & Vrooman,2011). De index beslaat 4 dimensies:
sociale participatie, materiële deprivatie, toegang tot sociale rechten en normatieve integratie.
Een persoon is sociaal uitgesloten als hij of zij op meerdere dimensies uitgesloten is.
Op basis van deze sociale uitsluitingsindex is in Gelderland-Zuid 9% van de inwoners enigszins
sociaal uitgesloten en 4% is matig tot sterk sociaal uitgesloten. Er is wat dit betreft geen
significant verschil tussen regio Nijmegen (10% enigszins, 4% matig tot sterk) en regio
Rivierenland (9% enigszins, 5% matig tot sterk). Wel is er voor de gemeenten Tiel en Nijmegen
sprake van een significant verschil ten opzichte van de regio (zie figuur 8.3). In de gemeente Tiel
is 13% enigszins en 10% matig tot sterk sociaal uitgesloten. In de gemeente Nijmegen betreft dit
12% (enigszins) en 5% (sterk).
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
2
4
6
8
Enigzins
10
12
14
16
18
Matig tot sterk
Figuur 8.3: Percentage inwoners dat enigszins of matig tot sterk sociaal uitgesloten is
20
22
24
61 van 81
Laagopgeleiden zijn significant vaker sociaal uitgesloten dan hoogopgeleiden. Van de
laagopgeleiden betreft dit in totaal 35% (19% enigszins en 16% sterk) in vergelijking met 8%
van de hoogopgeleiden (6% enigszins en 2% sterk). Er is geen significant verschil gevonden
tussen mannen en vrouwen en tussen de leeftijdsgroepen 19 tot 65 jarigen en 65-plussers.
8.5 Vrije tijd
Vrije tijd is de tijd die mensen over hebben naast het arbeidsproces of de zorg voor kinderen. Het
uitvoeren van hobby, verenigingsleven of andere activiteiten kan (vooral voor gepensioneerden)
zin geven aan het leven. Bovendien leidt dit vrijwel altijd tot contacten met anderen, wat de kans
op vereenzaming zal verminderen.
In de vragenlijst is gevraagd naar de activiteiten in de vrije tijd en wat de frequentie is van deze
activiteiten. Men kon hierop reageren door een vinkje te plaatsen bij de keuzes ‘(vrijwel)
dagelijks’, ‘wekelijks’, ‘een paar keer per maand’, ‘één keer per maand of minder’ of ‘(vrijwel)
nooit’. Tabel 8.1 geeft het percentage inwoners weer dat de activiteit minimaal één keer per week
doet.
Tabel 8.1: Percentage inwoners dat minimaal één keer per week een bepaalde activiteit doet
bijhouden nieuws en actualiteiten
Regio
Regio
Gelderland-
Rivierenland
Nijmegen
Zuid
96
97
96
contacten onderhouden via telefoon of internet
82
87
85
informatie opzoeken via internet
78
83
81
op bezoek gaan / bezoek ontvangen
70
73
72
hobby uitvoeren of cursus volgen
54
60
58
verenigingsactiviteiten doen
34
37
36
op (klein)kinderen passen
29
23
26
klusjes doen
11
9
10
naar bibliotheek
4
6
5
recreatieve of culturele activiteiten (bijv. bezoek dierentuin,
4
6
5
park, museum of bioscoop)
Het percentage inwoners dat gebruik maakt van de bibliotheek is hoger dan in de tabel. Veel
inwoners gaan minder vaak dan 1 keer per week naar de bibliotheek.
62 van 81
8.6 Mantelzorg geven
Mantelzorg is langdurig en onbetaalde zorg voor een chronisch zieke, gehandicapte of
hulpbehoevende partner, kind, ouder of ander familielid, vriend of kennis. Mantelzorgers geven
deze zorg omdat zij een persoonlijke band hebben met degene voor wie zij zorgen. Doordat de
overheid inzet op het langer thuis laten wonen van ouderen wordt mantelzorg steeds belangrijker.
Mantelzorgers zijn nodig om de steeds grotere groep ouderen op te vangen, maar ook aan de
mantelzorgers moet aandacht worden besteed, zodat voorkomen kan worden dat deze mensen te
zwaar belast worden en zelf hulp nodig krijgen. In tegenstelling tot vrijwilligerswerk is mantelzorg
vaak geen bewuste keus. Het overkomt mensen. Zij kunnen de zorg vaak niet zomaar beëindigen.
In Nederland kan 12% van de volwassenen als mantelzorger worden beschouwd (GGD’en, CBS en
RIVM, 2012). Dit wil zeggen dat zij langer dan drie maanden minstens acht uur per dag
mantelzorg bieden.
In Gelderland-Zuid geeft 10% van de inwoners langer dan drie maanden minstens acht uur per
week mantelzorg. Er is wat dit betreft geen significant verschil tussen regio Nijmegen (9%) en
Rivierenland (10%). Wel wijkt een aantal gemeenten significant af van het regionale gemiddelde.
In Nijmegen geven minder mensen mantelzorg (8%), terwijl inwoners in Maasdriel (13%) en
Ubbergen (12%) vaker mantelzorg geven. Het percentage mensen dat mantelzorg geeft, lijkt ook
in de gemeente Tiel lager te zijn dan gemiddeld in de regio. Dit is echter niet significant.
Figuur 8.4 geeft het percentage mensen dat langer dan drie maanden minstens acht uur per week
mantelzorg geeft weer naar enkele achtergrondkenmerken. Vrouwen doen dit vaker dan mannen
en ouderen vaker dan volwassenen tot 65 jaar. Laagopgeleiden geven minder vaak mantelzorg
dan hoogopgeleiden.
man
vrouw
Laag (LO)
Midden 1 (MAVO, LBO)
Midden 2 (HAVO, VWO, MBO)
Hoog (HBO, WO)
19-64 jaar
65+ jaar
Totaal
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
Figuur 8.4: Percentage inwoners van Gelderland-Zuid dat langer dan drie maanden minstens acht uur per
week mantelzorg geeft naar achtergrondkenmerken
63 van 81
Aan degenen die mantelzorg geven, is gevraagd in hoeverre men zich hierdoor belast voelt.
Hierop gaf 16% van de mantelzorgers aan zich zwaar belast te voelen en 2% voelt zich
overbelast.
8.7 Vrijwilligerswerk
Vrijwilligerswerk is werk dat, in georganiseerd verband (bijvoorbeeld sportvereniging,
kerkbestuur, school), wordt uitgevoerd zonder dat daar een vergoeding tegenover staat. Deze
toelichting is ook gegeven in de vragenlijst waarop men kon aangeven of men dat wel of niet
doet. Meestal is dit werk met een maatschappelijk doel en voor anderen. Dit kunnen allerlei taken
en activiteiten zijn. Vrijwilligerswerk kan zin geven aan het leven en het brengt mensen met
elkaar in contact waardoor de kans op eenzaamheid verkleind wordt.
In Gelderland-Zuid geeft 31% van de inwoners aan vrijwilligerswerk te doen. Zoals blijkt uit figuur
8.5 doen inwoners van regio Rivierenland dit vaker dan inwoners van de regio Nijmegen (34%
versus 29%). Inwoners van de gemeente Nijmegen doen significant minder vaak vrijwilligerswerk
(27%). Ook in Tiel doet 27% van de inwoners vrijwilligerswerk, dit percentage wijkt echter net
niet significant af van het gemiddelde. In de gemeenten Geldermalsen, Ubbergen, Zaltbommel,
Neerijnen, Lingewaal en Neder-Betuwe is het percentage inwoners dat vrijwilligerswerk doet
hoger dan gemiddeld.
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Maasdriel
Millingen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
Wijchen
Zaltbommel
Neerijnen
WMW
Lingewaal
Neder-Betuwe
Gelderland-Zuid
Regio Rivierenland
Regio Nijmegen
0
5
10
15
20
Figuur 8.5: Percentage inwoners dat vrijwilligerswerk doet
25
30
35
40
45
64 van 81
Er is geen significant verschil in het percentage mannen (32%) en vrouwen (31%) dat
vrijwilligerswerk doet. Hoogopgeleiden doen vaker vrijwilligerswerk (38%) dan laagopgeleiden
(14%).
Referenties hoofdstuk 8
Bergen A van, Loon A van (2013) Methodologische toelichting bij Sociale Uitsluitingsindex
Gezondheidsenquete. Academische werkplaats OGGZ G4-USER, Amsterdam.
Hoff S, Vrooman C (2011) Dimensies van sociale uitsluiting: Naar een verbeterd meetinstrument.
Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau
Jong-Gierveld J de, Kamphuis F (1994). Eenzaamheidsschaal. In: König-Zahn C, Furer JW, Tax B.
Het meten van de gezondheidstoestand: beschrijving en evaluatie van vragenlijsten. 2.
Lichamelijke gezondheid, Sociale gezondheid. Assen: Van Gorcum
Zantinge EM, van der Wilk EA, van Wieren S, Schoemaker CG (2011). Gezond ouder worden in
Nederland. Bilthoven: RIVM
65 van 81
9. Zorg en welzijnsvoorzieningen
9.1 Contact met de huisarts
De huisarts is het eerste aanspreekpunt voor mensen met vragen of problemen over gezondheid
en ziekte. De huisarts, als belangrijke schakel binnen de eerstelijn, wordt gezien als aanjager van
het stimuleren van een gezonde leefstijl. Hiermee kunnen chronische ziekten als COPD, diabetes
en een hoge bloeddruk voorkomen of draaglijker gemaakt worden.
De respondenten is gevraagd wanneer zij voor het laatst voor zichzelf contact hebben gehad met
een huisarts (bezoek, huisbezoek of telefonisch consult; het aanvragen van een herhaalrecept is
hierin niet ingesloten).
In Gelderland-Zuid heeft 73% van de inwoners het afgelopen jaar huisartscontact gehad. Dit geldt
zowel voor inwoners van regio Rivierenland als voor inwoners van regio Nijmegen. Ook is er geen
significant verschil tussen de afzonderlijke gemeenten.
Figuur 9.1 geeft het percentage inwoners weer dat het afgelopen jaar contact heeft gehad met de
huisarts naar enkele achtergrondkenmerken. Hieruit blijkt dat vrouwen vaker contact hebben
gehad dan mannen. Het percentage inwoners dat contact heeft gehad met de huisarts neemt toe
met het stijgen van de leeftijd en laagopgeleiden bezochten vaker de huisarts dan
hoogopgeleiden.
Man
Vrouw
Laag (LO)
Midden 1 (MAVO, LBO)
Midden 2 (HAVO, VWO, MBO)
Hoog (HBO, WO)
19-64 jaar
65+ jaar
Totaal
0
10
20
30
40
50
60
70
80
Figuur 9.1: Percentage inwoners dat het afgelopen jaar contact heeft gehad met de huisarts naar
achtergrondkenmerken
90
66 van 81
9.2 Mantelzorg krijgen
In de vragenlijst is niet alleen gevraagd naar mantelzorg geven (zie paragraaf 8.6). Ook is
gevraagd of men in de afgelopen 12 maanden mantelzorg heeft ontvangen. Men kon aangeven
waaruit de mantelzorg bestaat, van wie men mantelzorg ontvangt en hoeveel uur per week men
hulp ontvangt.
In Gelderland-Zuid heeft 6% van de inwoners het afgelopen jaar mantelzorg ontvangen, waarvan
5% nog steeds mantelzorg ontvangt. Er is wat dit betreft geen verschil tussen regio Nijmegen en
Rivierenland. In de gemeente Millingen aan de Rijn is het percentage inwoners dat mantelzorg
ontvangt significant lager, in deze gemeente heeft 3% van de inwoners het afgelopen jaar
mantelzorg ontvangen.
Zoals weergegeven in figuur 9.2 hebben vrouwen het afgelopen jaar vaker mantelzorg ontvangen
dan mannen en ontvangen ouderen vaker mantelzorg dan volwassenen. Laagopgeleiden krijgen
vaker mantelzorg dan hoogopgeleiden.
Man
Vrouw
Laag (LO)
Midden 1 (MAVO, LBO)
Midden 2 (HAVO, VWO, MBO)
Hoog (HBO, WO)
19-64 jaar
65+ jaar
Totaal
0
2
4
6
8
10
12
14
16
18
20
22
Figuur 9.2: Percentage inwoners van Gelderland-Zuid dat het afgelopen jaar mantelzorg heeft ontvangen naar
achtergrondkenmerken
De mantelzorg wordt vooral gegeven door de echtgenoot/partner (2%) of door kinderen of een
schoondochter/schoonzoon (2%). Men krijgt vooral hulp in het huishouden (4%), gevolgd door
hulp bij begeleiding of vervoer (3%), hulp bij geldzaken en administratie (2%) en hulp bij de
persoonlijke verzorging (2%).
67 van 81
9.3 Zelfstandigheid bij activiteiten in het dagelijks leven
Om zicht te krijgen op de mate van zelfstandigheid, is in de vragenlijst voor acht activiteiten die
regelmatig uitgevoerd moeten worden, gevraagd in hoeverre men hier moeite mee heeft. Het
gaat hierbij om het maken van ontbijt of lunch, zware of lichte huishoudelijke werkzaamheden,
het wassen en strijken van kleding, het verschonen van beddengoed, boodschappen doen en
gebruik van openbaar vervoer.
Van de inwoners in Gelderland-Zuid kan 9% minstens één van de nagevraagde activiteiten niet
geheel zelfstandig uitvoeren. In regio Rivierenland is dit 10% en in regio Nijmegen is dit 9%.
Hoewel het om een klein verschil gaat, is het wel significant. Ook is er voor een aantal gemeenten
sprake van een significant verschil. In de gemeente Nijmegen ligt het percentage lager dan
gemiddeld (8%), terwijl het percentage in de gemeenten Groesbeek, West Maas en Waal en
Neder-Betuwe hoger dan gemiddeld is (12%).
Figuur 9.3 geeft het percentage inwoners dat minstens één van de nagevraagde activiteiten niet
geheel zelfstandig uitvoeren weer naar enkele achtergrondkenmerken. Zoals blijkt neemt dit
percentage toe met de leeftijd en zijn laagopgeleiden vaker niet zelfstandig dan hoogopgeleiden.
Man
Vrouw
Laag (LO)
Midden 1 (MAVO, LBO)
Midden 2 (HAVO, VWO, MBO)
Hoog (HBO, WO)
19-64 jaar
65+ jaar
Totaal
0
5
10
15
20
25
30
35
Figuur 9.3: Percentage inwoners dat minstens één van de nagevraagde activiteiten niet geheel zelfstandig kan
uitvoeren naar achtergrondkenmerken
68 van 81
Tabel 9.1 geeft voor de groep 65-plussers per nagevraagde activiteit het percentage weer dat de
activiteit niet geheel zelfstandig kan uitvoeren.
Tabel 9.1: Percentage ouderen (65+) dat bepaalde activiteiten niet geheel zelfstandig kan uitvoeren naar
leeftijdsgroep
65-74 jaar
75-84 jaar
85+ jaar
<1
2
7
warm eten klaarmaken
5
10
21
lichte huishoudelijke werkzaamheden verrichten
2
5
18
zware huishoudelijke werkzaamheden verrichten
9
28
60
kleren wassen en strijken
9
19
38
bedden verschonen en/of opmaken
9
24
47
boodschappen doen
5
16
41
gebruik maken van eigen of openbaar vervoer
5
18
50
ontbijt of lunch klaarmaken
9.4 Gebruik van en bekendheid met welzijnsvoorzieningen
Gemeenten zijn steeds vaker verantwoordelijk voor de financiering en de organisatie van de
welzijnsvoorzieningen in een gemeente. Deze trend zal in de komende jaren waarschijnlijk
doorzetten.
Daarom is voor diverse onderwerpen aan de respondenten gevraagd of zij hulp en ondersteuning
ontvangen bij de betreffende onderwerpen zoals stoppen met roken, afvallen, schulden of het
geven van mantelzorg. Als men aangaf geen hulp te ontvangen, kon worden aangevinkt of er wel
behoefte is aan de betreffende hulp. Tabel 9.2 geeft de beantwoording weer. Voor twee
onderwerpen geeft meer dan 10% van de inwoners aan hier hulp bij te zouden willen maar deze
hulp momenteel nog niet te krijgen. Dit betreft afvallen (14%) en spanning en stress (11%).
Tabel 9.2: Percentage inwoners dat gebruik maakt van welzijnsvoorzieningen of hier behoefte aan heeft
Hulp bij......
Maakt gebruik van
Maakt geen gebruik van, heeft
wel behoefte aan hulp
stoppen met roken
1
7
afvallen
4
14
opvoeden van kinderen
2
3
spanning of stress
7
11
problemen met relaties of seksualiteit
3
6
schulden
2
3
aanvragen van voorzieningen)
21
7
huishouden
11
8
2
<1
2
2
administratieve of financiële activiteiten (bijv. belastingaangifte,
uw persoonlijke verzorging (zoals wassen en aankleden)
het geven van mantelzorg (bijv. respijtzorg, gesprek met
hulpverleners)
69 van 81
Daarnaast is voor enkele voorzieningen gevraagd of men er bekend mee is en of men er gebruik
van maakt of behoefte aan heeft. Tabel 9.3 geeft dit weer.
Tabel 9.3: Gebruik, behoefte en bekendheid voorzieningen (%)
Maakt
Geen
Geen
Nooit van
gebruik
gebruik,
gebruik,
gehoord
van
wel
geen
behoefte
behoefte
sport- of bewegingsactiviteiten in de eigen gemeente
32
8
52
8
activiteiten van een buurthuis of dienstencentrum
13
4
74
9
9
3
81
7
vervoersvoorzieningen (bv. regiotaxi, vervoersdienst,
boodschappentaxi)
10. Overzichtstabel
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Lingewaal
Maasdriel
Millingen a/dRijn
Neder-Betuwe
Neerijnen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
West Maas & Waal
Wijchen
Zaltbommel
Gelderland-Zuid
Rivierenland
Regio Nijmegen
Belangrijkste gezondheidsverschillen tussen gemeenten en tussen de regio’s in Gelderland-Zuid (in %)
Alleenwonend
14
12
17
13
12
18
14
13
14
18
11
14
23
13
19
13
14
13
17
13
19
Eenoudergezin
8
5
8
6
6
5
6
6
5
5
6
6
5
10
4
5
6
4
6
7
6
Achtergrondkenmerken
Moeite met rondkomen
21
21
22
21
16
20
17
17
24
25
24
18
25
26
21
18
20
21
23
22
23
Nederlandse etniciteit
89
93
83
90
93
87
87
92
93
80
95
93
76
74
86
94
88
91
84
88
82
Hoog opgeleid (HBO/WO)
29
26
39
25
27
25
41
25
21
21
16
25
46
26
38
23
31
25
33
26
38
Laag opgeleid (LO)
4
8
8
6
6
8
4
7
10
9
8
8
7
12
6
9
6
8
7
9
7
6
8
6
5
5
5
5
6
5
9
9
7
5
7
6
5
5
7
6
7
5
Minimaal één langdurige ziekte/aandoening
62
68
60
67
59
68
64
62
68
66
67
60
58
65
67
62
64
59
62
63
61
Gevallen in de afgelopen drie maanden
12
13
14
12
13
12
12
11
15
10
15
13
14
15
12
13
15
14
14
14
13
Overgewicht
49
53
45
55
48
51
47
53
50
57
57
48
40
47
47
51
50
52
47
50
45
Ernstig overgewicht
12
15
11
15
13
12
11
15
13
15
19
12
10
13
12
15
13
15
12
14
11
22
25
25
27
20
27
24
22
28
24
25
22
24
28
23
22
22
22
24
25
24
6
6
7
8
4
6
5
5
7
7
5
7
9
10
5
5
6
4
7
6
7
12
13
14
15
12
14
12
13
14
14
14
12
12
18
13
15
14
13
13
14
13
Matig of hoog risico angststoornis
38
41
43
43
37
42
37
35
43
43
41
40
47
43
39
33
41
42
42
41
43
Vindt zichzelf vergeetachtig
22
23
26
24
23
25
23
23
28
25
27
23
27
26
25
20
24
23
25
25
25
Gezondheid
Diabetes
Functioneren en kwaliteit van leven
Matige tot slechte ervaren gezondheid
Voelt zich ongelukkig
Eén of meer lichamelijke beperkingen
Psychische gezondheid
Geen regie over eigen leven
7
7
6
7
9
8
5
6
7
5
9
8
8
9
7
6
7
9
8
8
7
Algemeen kwetsbaar (65+)
23
24
25
27
27
27
21
23
30
27
28
28
32
28
21
26
26
25
27
27
28
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Lingewaal
Maasdriel
Millingen a/d Rijn
Neder-Betuwe
Neerijnen
Nijmegen
Tiel
Ubbergen
West Maas & Waal
Wijchen
Zaltbommel
Gelderland-Zuid
Rivierenland
Regio Nijmegen
71 van 81
Beuningen
pagina
Roker
22
23
18
23
22
19
14
20
22
23
24
19
26
31
20
20
19
20
23
23
23
Zware drinker
10
8
6
9
7
9
8
9
9
11
7
7
13
9
12
11
11
9
10
8
11
Leefstijl
Overmatige drinker
8
8
7
10
7
6
8
8
8
9
7
7
8
8
11
8
10
9
8
8
9
Voldoet aan de NNGB
64
64
64
64
62
66
69
64
65
65
63
59
70
62
69
65
64
60
66
63
68
Voldoet aan fitnorm
25
19
26
26
22
22
29
21
22
26
16
19
24
23
29
24
24
23
23
22
24
Eet dagelijks fruit
34
37
41
35
40
36
40
38
34
34
35
33
34
32
43
35
37
41
36
37
35
Eet dagelijks groente
42
41
48
44
41
44
55
37
36
45
36
37
51
36
52
45
47
40
45
39
49
5
8
8
8
4
7
6
6
6
4
10
7
5
7
5
8
7
6
6
7
6
Ernstige geluidhinder
9
11
12
7
13
8
9
13
14
5
13
13
11
18
8
12
9
14
12
14
10
Ernstige geurhinder
2
5
3
3
3
2
4
5
6
3
3
6
2
6
3
4
4
5
3
5
3
19
15
19
12
13
14
13
13
17
13
17
14
20
24
13
15
14
18
18
18
18
36
39
43
34
38
34
37
40
38
36
35
39
38
44
35
36
37
36
38
40
37
7
7
8
7
5
7
7
6
7
8
8
6
9
10
7
5
7
7
8
7
8
Gebruikt slaap- of kalmeringsmiddelen
Fysieke omgeving
Voelt zich wel eens onveilig ’s avonds/’s nachts
Sociale omgeving
Eenzaamheid
Slachtoffer huiselijk geweld
Matige tot sterke sociale uitsluiting
3
3
5
2
2
3
2
4
4
4
3
4
5
10
1
2
4
4
4
5
4
Mantelzorger
10
12
10
12
9
12
11
10
13
11
11
11
8
7
12
9
10
12
10
10
9
Vrijwilligerswerk
31
34
35
35
38
32
34
42
32
34
38
37
27
27
40
35
29
38
31
34
29
76
73
73
72
70
74
74
71
72
69
73
73
73
74
73
71
72
73
73
73
73
Heeft afgelopen jaar mantelzorg ontvangen
5
6
7
6
6
7
7
5
7
3
7
7
6
6
5
7
6
8
6
7
6
Kan >=1 ADL activiteiten niet zelfstandig uitvoeren
8
10
9
10
10
12
9
10
10
8
12
11
8
10
9
12
8
11
9
10
8
Zorg en welzijnsvoorzieningen
Huisartscontact in afgelopen jaar
Vetgedrukt is een significant verschil. Groene vakjes geven aan dat het percentage significant beter is dan gemiddeld, rode vakjes geven aan dat het significant slechter is dan gemiddeld.
Datum
pagina
maart 2014
72 van 81
Pagina 73 van 81
11. Conclusies en aanbevelingen
De resultaten van de Volwassenen- en Ouderenmonitor worden op hoofdlijnen beschreven in dit
rapport en tabellenboek. Omdat dit het eerste rapport is voor de hele nieuwe regio GelderlandZuid is de nadruk gelegd op verschillen tussen gemeenten. Het onderzoek bevat een schat aan
informatie die ook op andere manieren geanalyseerd kan worden. Dit rapport is daarom ook een
uitnodiging om de cijfers goed te bekijken, te duiden en betekenis te geven. Bij iedere gemeente,
bij iedere leeftijdsgroep, geslacht of opleidingsniveau zijn er verschillen. Soms zijn de verschillen
groot. Dan is het goed om samen te kijken wie welke rol kan krijgen in het verkleinen van deze
gezondheidsverschillen. Dus samen met gemeenten, de GGD, de eerstelijn, de vrijwilligers, de
mantelzorgers en de instellingen in onze regio.
De bevindingen van dit regionale gezondheidsonderzoek in Gelderland-Zuid onderstrepen het
belang van de landelijke speerpunten (Roken, Overmatig alcoholgebruik, Overgewicht, Bewegen,
Depressie (ofwel mentale gezondheid) en Diabetes), zoals genoemd in de meest recente
gezondheidsnota ‘Gezondheid dichtbij’. Ook laten de resultaten duidelijk zien dat het lokale
gezondheidsbeleid van de gemeenten zich op deze punten dient te (blijven) richten. Zo rookt
gemiddeld nog altijd 23% van de bevolking, is er bij 10% van de bevolking sprake van zwaar
alcoholgebruik, heeft 47% van de inwoners overgewicht, 42% een verhoogd risico op een
depressie of angststoornis en heeft 6% diabetes. Ook de cijfers over bewegen laten zien dat hier
nog gezondheidswinst te behalen is. Positief is dat uit het onderzoek blijkt dat we mensen kunnen
ondersteunen. Zij hebben behoefte aan hulp bij stoppen met roken (7%), bij afvallen (14%), bij
spanningen/stress (11%) en bij schulden (3%).
Sociaal economische gezondheidsverschillen
Naast landelijke speerpunten is het van belang om aandacht te hebben voor de sociaaleconomische gezondheidsverschillen. In Rivierenland is 44% van de inwoners laagopgeleid (t/m
MAVO/LBO), in regio Nijmegen is dit 33%. Mensen met een hoog inkomen hebben ongeveer
veertien gezonde jaren meer dan mensen met een laag inkomen. In Gelderland-Zuid geeft bijna
een kwart van de bevolking aan moeite te hebben met rondkomen.
Een lage opleiding, geen werk, arbeidsongeschiktheid, of een bijstandsuitkering zorgt voor meer
gezondheidsproblemen. De inwoners in deze risicogroepen hebben vaker chronische
aandoeningen en lichamelijke beperkingen en het medicijngebruik ligt hoger. Daarnaast is hun
leefstijl minder gezond. Zij vormen een risicogroep op een slechtere gezondheid, waardoor hun
zelfredzaamheid vermindert en ze, naast een minder goede gezondheid, minder kunnen bijdragen
aan de maatschappij. Bijvoorbeeld met vrijwilligerswerk en mantelzorg.
Transities in het sociale domein
Nu gemeenten met ingang van 2015 verantwoordelijk zijn voor taken zoals ondersteuning van
inwoners op de gebieden wonen, werken, inkomen, opvoeden en gezondheid, wordt preventie
(van gezondheidsproblemen) steeds belangrijker. Dit zijn veelal taken die nu nog door het Rijk en
Provincie worden uitgevoerd. Gezonde burgers zijn van belang voor een gemeente, want gezonde
burgers zijn zelfredzaam, voeren regie en hebben minder hulp nodig op tal van gebieden.
Pagina 74 van 81
Daarnaast verdient ondersteuning van mantelzorgers de aandacht. De groep mantelzorgers is
veelal de groep die ook vrijwilligerswerk verricht, nog thuiswonende kinderen heeft en volop
deelneemt aan de arbeidsmarkt. Het is dus belangrijk dat mantelzorgers kunnen blijven zorgen.
In het nieuwe concept van gezondheid wordt meer aandacht besteed aan de mogelijkheid om
mee te doen aan de maatschappij, ondanks allerlei beperkingen die iemand kan hebben.
Belangrijk hierbij is het vermogen van mensen zich aan te passen aan veranderingen, veerkracht
te hebben, eigen regie te voeren en een zinvol leven te leiden. Een positieve gezondheid is hierbij
cruciaal, en het is dus van belang zo’n positieve gezondheid te krijgen of te behouden.
Van belang bij de komende transities is het zo klein mogelijk houden van de doelgroep van de
Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ). Doel van de OGGZ is het voorkomen en
verminderen van sociale uitsluiting en dakloosheid van de doelgroep en het realiseren van een
aanvaardbare kwaliteit van leven voor kwetsbare mensen. Risicofactoren voor OGGZ zijn
bijvoorbeeld het hebben van schulden of niet kunnen rondkomen, huisuitzetting, zwaar
alcoholgebruik, ernstige depressiestoornissen, sociaal isolement en problemen met (huiselijk)
geweld. De sociale uitsluitingsindex meet het percentage mensen wat buiten de boot (dreigt) te
vallen. Dat is de (mogelijke) OGGZ doelgroep.
Regionaal en lokaal gezondheidsbeleid
De meeste gemeenten hebben in hun lokale gezondheidsbeleid gekozen voor het terugdringen
van gezondheidsachterstanden en voor één of meer landelijke speerpunten. Preventief
gezondheidsbeleid bij ouderen is gericht op het zolang mogelijk zelfstandig blijven wonen en
participeren in de samenleving. Het wordt door gemeenten bijvoorbeeld ingevuld met cursussen
valpreventie, proberen eenzaamheid te verminderen en het samenwerken met Ouderbonden door
middel van ouderenadviseurs.
Hoe preventief gezondheidsbeleid voor volwassenen eruit kan zien is beschreven in het kader van
een project van de academische werkplaats Amphi (Fransen en Molleman, 2013). Kerndomeinen
waar kansen bij preventie liggen zijn bijvoorbeeld:
•
Helpen bij het waarmaken van intenties om gezonder te gaan leven.
•
Stimuleren van participatie en zelfredzaamheid.
•
Interventies via werk, vrije tijd, gezin, wonen en zorg.
De genoemde strategie daarbij bevat de volgende onderdelen: opstellen gezondheidsagenda,
infrastructuur voor preventie versterken, onder andere in de 1e lijn, in gesprek gaan met
stakeholders en het vieren en zichtbaar maken van successen.
De landelijke speerpunten krijgen in beide regio’s aandacht binnen verschillende projecten, op
scholen, in wijken, dorpen en gemeenten. Bij een gezonde wijkaanpak werken gemeenten
vraaggericht en sluiten ze aan bij wensen van bewoners of professionals en ondersteunen ze
burgerinitiatieven, waarbij vrijwilligers een belangrijke rol spelen. Er wordt meer
verantwoordelijkheid bij de burger gelegd, bijvoorbeeld het beheer van een wijkcentrum of
dorpshuis.
Pagina 75 van 81
In Gelderland-Zuid wordt bij preventie-activiteiten samengewerkt met de regionaal werkende
instellingen met preventieve taken, zoals NIM, STMR, STMG, ZZG, OCE, Iriszorg en Indigo. Ook is
er samenwerking met St. OOGG en Robuust.
Handreikingen voor lokaal gezondheidsbeleid voor elk speerpunt
Het Centrum Gezond Leven (CGL) van het RIVM heeft voor de meeste landelijke speerpunten
handreikingen gemaakt voor het maken, uitvoeren en evalueren van lokaal gezondheidsbeleid op
deze terreinen. Deze zijn te vinden op de website www.loketgezondleven.nl. Daarnaast is er ook
een handleiding letselschade (over valpreventie) en nieuw is de integrale aanpak van
drugsproblemen.
Roken
Het gemeentelijk beleid dient in te spelen op de verschillende factoren die (mee)roken
veroorzaken. Dit betekent dat gemeenten niet alleen moeten inzetten op maatregelen vanuit
gezondheidsbeleid, maar ook vanuit andere gemeentelijke beleidsterreinen. Op de site
www.loketgezondleven.nl staat beschreven wat de mogelijkheden voor gemeenten zijn ten
aanzien van een integrale aanpak van roken. Hierbij worden de volgende drie punten uitgelicht:
voorkomen van meeroken, stoppen met roken en voorkómen van roken. In veel gemeenten,
wijken of dorpen zijn (of worden) afspraken gemaakt met huisartsen over het geven van stopmet-roken-cursussen.
Alcohol
Voor een effectieve alcoholpreventie is integraal beleid nodig. Dat betekent dat gemeenten beleid
ontwikkelen dat inspeelt op verschillende factoren die het alcoholgebruik beïnvloeden:
maatschappelijke normen, persoonlijke motivatie, toezicht en beschikbaarheid van alcohol. Er zijn
maatregelen op verschillende beleidsterreinen nodig, zoals openbare orde en veiligheid,
verkeersveiligheid, onderwijs, jeugdbeleid, horecabeleid, toerisme en sportbeleid. Voor de
doelgroep ouderen verscheen onlangs een advies van het Trimbos-instituut en Victas in opdracht
van de Stichting Resultaten Scoren betreffende ouderen en verslaving. De nieuwe drank- en
horecawet gaat niet alleen over het verhogen van de leeftijd naar 18 jaar. Ook de
beschikbaarheid en het verstrekken van alcohol is van groot belang, zowel in de horeca, sport als
supermarkt. Het gaat daarbij niet alleen om handhaving van regels, maar ook om de opstelling
van ouders en volwassenen.
Overgewicht
Gemeenten kunnen veel doen om overgewicht te voorkomen en terug te dringen. Vooral door het
stimuleren van een gezonde en gevarieerde voeding en door mensen in beweging te krijgen en te
houden. Voor een effectieve preventie van overgewicht is integraal beleid nodig. Gemeenten
ontwikkelen hiervoor beleid dat overgewicht vanuit verschillende invalshoeken aanpakt. Belangrijk
uitgangspunt hierbij is: zorg dat mensen een gezonde keuze kunnen maken op het gebied van
voeding en beweging. Zorg dat alle partners die iets met (over)gewicht te maken hebben
samenwerken.
Pagina 76 van 81
Mentale gezondheid
Een groot deel van de ziektelast wordt veroorzaakt door psychische aandoeningen. Het gaat hier
niet alleen om depressie maar ook om angststoornissen, suïcide en verslavingsproblematiek. Het
bevorderen van een goede mentale gezondheid is gericht op het vergroten van de
zelfredzaamheid en controle bij mensen. Bij de taken van de gemeente past preventie gericht op
mensen die (nog) geen klachten hebben, maar wel tot de risico- of kwetsbare groepen behoren.
Hier liggen ook relaties met andere beleidssectoren, zoals de Wmo, welzijn, onderwijs, jeugd en
sport. Het Wmo-beleid vormt een belangrijke schakel omdat veel interventies in het kader van
het bevorderen van mentale gezondheid in dit beleid kunnen worden geplaatst. De gemeente kan
prioriteit geven aan bepaalde risicogroepen. In de handreiking van het RIVM voor
depressiepreventie staat een overzicht van bruikbare indicatoren die gebruikt kunnen worden om
risicogroepen te identificeren in bepaalde gebieden of wijken. Het betrekken van burgers bij
activiteiten vergroot de kans op doelmatigheid en effectiviteit.
Bewegen
Bewegen is goed voor zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid en hangt positief
samen met de andere speerpunten. Ongezonde leefgewoonten komen namelijk vaak in
combinatie voor: mensen die minder bewegen eten vaker ongezond, roken vaker en drinken
vaker excessief alcohol. Bewegen leidt ook tot minder depressie en diabetes. Ook voor een
effectieve stimulering van sport en bewegen is integraal beleid nodig. Dat betekent dat
gemeenten beleid ontwikkelen dat inspeelt op verschillende factoren die lichamelijke activiteit
stimuleren. De omgeving speelt hierbij een centrale rol, dus ook de afdeling ruimtelijke ordening.
Diabetes
De preventie van diabetes richt zich vooral op leefstijlfactoren, met name gezonde voeding en
bewegen. De handreikingen met betrekking tot bewegen en overgewicht bieden daarom ook
handvatten voor de preventie van diabetes. Diabetes als medisch probleem hoort bij de huisarts
en zorgverzekeraar, en niet bij de gemeente. De preventie van diabetes (overgewicht voorkomen,
gezond eten en voldoende bewegen) hoort echter wél bij de gemeente en de GGD. De kunst is
om deze twee (preventie en zorg) goed aan elkaar te verbinden.
Tot slot
In het bepalen van preventief gezondheidsbeleid heeft de gemeente de regie, maar samendoen is
hierbij essentieel. Samen met relevante stakeholders en de doelgroep is het zaak tot een
gemeenschappelijk gedragen gezondheidsagenda voor volwassenen en ouderen te komen. Samen
kan dan een strategie bepaald worden, waarbij planmatig maar flexibel en goed getimed
gehandeld moet worden. Dit geeft ruimte om in te kunnen gaan op mogelijkheden die zich
aandienen (bijvoorbeeld in de vorm van financiering/menskracht/etc.) en op onderwerpen/
activiteiten waar energie zit bij relevante stakeholders. Het beleid moet daarbij ingebed zijn in
een breder beleid en worden vormgegeven met zorgverzekeraars en zorgverleners, zowel over
het vormgeven van voorzieningen en netwerken dicht in de buurt als over afstemming van taken
op het gebied van preventie.
Pagina 77 van 81
Het verdient aanbeveling aan te sluiten bij de vele initiatieven die al lopen in het kader van
Gezonde wijk, dorpskern, gemeente en Rivierenland Gezond en de vele initiatieven in het hele
zorg en welzijnsveld. En gebruik te maken van de kracht die hier al aanwezig is en deze, door
slimme verbindingen te leggen, te versterken.
Aandacht voor lage SES groepen blijft enorm belangrijk, om verschillen in gezondheid niet groter
te laten worden en iedereen mee te kunnen laten doen/participeren. Aandacht voor de lokale
situatie is daarbij van belang. Dan kunnen we, samen met relevante partners, de burger lang
gezond houden. Dat is goed voor de burger én de gemeente.
Referenties
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2011). Landelijke nota gezondheidsbeleid
Gezondheid dichtbij, Den Haag, 2011.
Fransen G, Molleman M. Hoe kan preventief gezondheidsbeleid voor volwassenen in de leeftijd 30
tot 65 jaar in Wijchen eruit zien? Amphi, 2013
www.loketgezondleven.nl
Pagina 78 van 81
Bijlage 1: Wegen
Om de respons zo representatief mogelijk te laten zijn voor de Nederlandse bevolking, wordt deze
gewogen. Per respondent wordt een gewicht berekend, zodanig dat de achtergrondkenmerken
van de gewogen respons in dezelfde verhouding zijn als de achtergrondkenmerken van de
Nederlandse bevolking, die bekend zijn bij het CBS. Als er van een bepaalde bevolkingsgroep
relatief weinig mensen in de respons zitten, krijgen deze een relatief hoog gewicht, en vise versa.
Het CBS gebruikt het volgende weegmodel voor het gezondheidsonderzoek dat zij jaarlijks
uitvoeren:
Geslacht (2) x Leeftijd (17) +
Burgerlijke staat (4) +
Stedelijkheidsgraad (5) +
Provincieplus (16) +
Huishoudensgrootte (5) +
Geslacht (2) x Leeftijd (3) x Burgerlijke staat (2) +
Landsdeel (4) x Leeftijd (3) +
Etniciteit (4) +
Seizoen (4),
waarbij tussen haakjes het aantal categorieën staan vermeld. Een enkelvoudige term,
bijvoorbeeld Burgerlijke staat (4), houdt in dat de verhoudingen van iedere categorie binnen de
respons door de weging gelijk worden getrokken aan verhoudingen binnen de populatie. Als er
bijvoorbeeld relatief weinig gescheiden mensen in de respons zitten, krijgt deze groep een relatief
hoog gewicht. Voorwaarde is wel dat er per categorie genoeg mensen in de respons moeten
zitten, zodat deze als representatief kunnen worden geschouwd. Een gekruiste term, bijvoorbeeld
Geslacht (2) x Leeftijd (17) houdt in dat de verhoudingen van iedere geslacht-leeftijd combinatie
in de respons door de weging gelijk worden getrokken met die in de populatie.
Weging Gezondheidsmonitor (GM)
Voor de GM zijn drie wegingen uitgevoerd. De eerste weging heeft betrekking op de vragen die in
deel 1 zitten en in alle GGD-enquêtes. Alle respondenten die in de GM zitten krijgen hierbij een
gewicht. De doelpopulatie is 19+ jaar en in enkele GGD’en 17+ jaar. De tweede weging heeft
betrekking op de vragen die in GEZO deel 2 zitten en in alle GGD-enquêtes. Het deel van de
GEZO respondenten dat wel deel 1 heeft ingevuld, maar niet deel 2, valt hierbij weg. Alle
overgebleven respondenten, worden opgehoogd naar dezelfde doelpopulatie als in de eerste
weging. De derde weging heeft betrekking op alleen de GGD enquêtes VGZ en GZO.
Voor de drie wegingen is hetzelfde weegmodel gebruikt. Voor consistentie met de GEZO is het
bovenstaande weegmodel als basis genomen voor het opstellen van het weegmodel voor de GM.
Er zijn echter enkele punten waar het weegmodel is aangepast.
Ten eerste zijn alle termen (extra) gekruist met tenminste een GGD regio. Dit komt erop neer dat
iedere GGD afzonderlijk is gewogen. Hierdoor worden de schattingen binnen een bepaalde GGD
niet beïnvloed door enquêtedata van de overige GGD’en. Dit heeft als grote voordeel dat GGD’en
onderling te vergelijken zijn.
Verder is de term primaire eenheid toegevoegd. De categorieën van deze term komen overeen
met de steekproefstrata.
Van enkele categoriale variabelen, zoals leeftijd en burgerlijke staat, zijn de categorieën
heringedeeld. De reden is dat er anders te weinig respondenten in een bepaalde categorie zitten.
De laatste term, Seizoen (4), is weggelaten. Binnen de GEZO heeft deze term betrekking op
mogelijke seizoenseffecten. Echter, omdat de GGD’en alleen in de herfst en in een deel van de
winter hebben geworven, kan niet voor seizoenseffecten worden gecorrigeerd.
Tenslotte is Inkomen(5) meegenomen. Dit is het gestandaardiseerd huishoudinkomen uit 2010,
ingedeeld in vijf kwintielen. Deze variabele is meegenomen als sociaal-economische indicator.
Het weegmodel dat is toegepast is:
Primaire eenheid (2128) +
GGD(28) x Geslacht (2) x Leeftijd (12) +
GGD(28) x Burgerlijke staat (4) +
Gemeente ingedikt (391) x Burgerlijke staat (2) +
Gemeente ingedikt (391) x Geslacht (2) +
GGD(28) x Stedelijkheidsgraad (5) +
GGD(28) x Huishoudgrootte (5) +
GGD(28) x Geslacht (2) x Leeftijd (3) x Burgerlijke staat (2) +
GGD(28) x Etniciteit (3)+
GGD(28) x Inkomen(5).
Bij de variabele Gemeente ingedikt (391) is iedere gemeente met minstens 100 respondenten als
een aparte categorie opgenomen. De overige gemeenten zijn in één restcategorie gestopt. Deze
indikking is uitgevoerd om voor de gemeenten met voldoende respons extra uitsplitsingen te
maken naar geslacht en burgerlijke staat.
Op verzoek zijn de GGD data ook gewogen met een eenvoudig weegmodel:
Primaire eenheid (2128) +
GGD(28) x Geslacht (2) x Leeftijd (6).
Dit weegmodel zal de selectiviteit van de respons met betrekking tot andere
achtergrondkenmerken dan geslacht en leeftijd niet corrigeren. Daarom is het gebruik van dit
weegmodel niet aan te bevelen (CBS, Memo weging gezondheidsmonitor).
Bijlage 2: Tabellenboek GGD Gelderland-Zuid 19+
Tabellenboek GZ uitgesplitst naar: geslacht, 6 leeftijdsgroepen, 4 opleidingsniveaus, regio
Nijmegen, regio Rivierenland, (Oost) NL.
Download