abstracts van de diverse lezingen

advertisement
NAAR MEER GELIJKE KANSEN
IN EN DOOR ONDERWIJS
Abstracts

van de presentaties tijdens de
parallelsessies

Studiedag georganiseerd door het
Vlaams Forum voor Onderwijsonderzoek (VFO)

Gent, 24 oktober 2003
Vormingscentrum Guislain
Jozef Guislainstraat 43 te 9000 Gent
(Tel. 09/216.35.95)
Inhoudsopgave

Welk schoolklimaat bevordert gelijke onderwijskansen?
Een vergelijking van het prestatiegericht en het gemeenschapsgericht klimaat
Bieke De Fraine
Nieuwe leeromgevingen en gelijke onderwijskansen aan de universiteit.
Literatuurstudie
Hilde De Wilde
Indicatoren van sociale ongelijkheid in het Vlaamse onderwijs.
Resultaten van een onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Steunpunt Loopbanen van
Leerlingen en Studenten in het Onderwijs en de Overgang van Onderwijs naar Arbeidsmarkt
Steven Groenez, Inge Van den Brande & Ides Nicaise
Voorbij een gelijke kansen-discours.
Jürgen Jaspers
Ongelijke kansen in het secundair onderwijs in Vlaanderen.
Een longitudinale analyse van de interactie-effecten van geslacht, etniciteit en socioeconomische status op de bereikte onderwijspositie
Dirk Hermans, E. Van de gaer & J. Van Damme
Maar hoe groot is de (on)gelijkheid écht?
Selectie-valkuilen in evaluatiemaatstaven.
Ides Nicaise, Anna D’Addio & Steven Groenez
Gelijke kansen in secundaire scholen?
Een onderzoek naar de relatie tussen lesgroepsamenstelling, indicatoren voor de klaspraktijk,
inzet en wiskundeprestaties
Marie-Christine Opdenakker & Jan Van Damme
Het inschrijvingsrecht: Hoeksteen voor meer gelijke kansen in het onderwijs?
Een juridische benadering
Frank Ornelis & Brecht Steen
De uitstroom naar het buitengewoon onderwijs: Gewikt en gewogen.
Lieve Ruelens
De doorstroming van ex-onthaalklassers in het regulier secundair onderwijs.
Mie Sterckx
Hoe vernieuwend denken studenten in de lerarenopleiding over taalonderwijs?
Een onderzoek naar de percepties van eerstejaars- en derdejaarsstudenten kleuteronderwijs en
lager onderwijs op het vlak van taalvaardigheidsonderwijs
Koen Van Gorp
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
2
Welk schoolklimaat bevordert gelijke onderwijskansen?
Een vergelijking van het prestatiegericht en het gemeenschapsgericht klimaat

Bieke De Fraine
Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -Evaluatie K.U.Leuven
Dekenstraat 2, 3000 Leuven
[email protected]
In de internationale onderzoeksliteratuur bestaat er geen consensus over welk
schoolklimaat het meest bevorderlijk is voor leerlingen uit zwakkere sociaaleconomische milieus. Sommigen menen dat het voor scholen die rekruteren uit de
lagere sociaal-economische milieus vooral belangrijk dat ze hun leerlingen een
zorgdragende en ondersteunende omgeving bieden. Deze onderzoekers vermoeden
dat de school kan compenseren wat de leerling daarbuiten aan steun moet missen.
Anderen daarentegen zijn van oordeel dat leerlingen uit sociaal zwakkere milieus meer
gebaat zijn bij een prestatiegerichte school. Leerlingen uit meer gegoede gezinnen
worden immers van thuis uit sterker gemotiveerd om te presteren op school, terwijl die
stimulans bij de overige leerlingen meer moet uitgaan van de school.
Gebaseerd op deze tegenstrijdige opinies onderzochten we mogelijke interactieeffecten tussen het schoolklimaat en de gemiddelde socio-economische status (SES)
van de leerlingen op school. Twee schoolklimaat-types werden onderscheiden: een
prestatiegericht en een gemeenschapsgericht klimaat. Een prestatiegericht klimaat is
gekenmerkt door onder meer een hoge effectieve leertijd, een uitgebreid curriculum en
hoge verwachtingen ten aanzien van de prestaties van leerlingen. In scholen en
klassen met een gemeenschapsgericht klimaat is er veel inspraak, zijn de relaties
positief en worden gemeenschappelijke waarden en doelstellingen nagestreefd.
Met behulp van multiniveaumodellen analyseerden we de gegevens van het
Longitudinaal Onderzoek Secundair Onderwijs (LOSO) waarin een cohorte van meer
dan 6000 leerlingen werd gevolgd tijdens hun loopbaan in 90 Vlaamse secundaire
scholen. De beide klimaten werden geoperationaliseerd op basis van zowel antwoorden
van leerlingen als leerkrachten en directie. Drie effectiviteitscriteria werden bestudeerd:
de prestaties wiskunde, de prestaties Nederlands en het welbevinden.
Wat het klimaat betreft stellen we vast dat leerlingen beter presteren en een hoger
welbevinden hebben in klassen die meer prestatiegericht of meer gemeenschapsgericht
zijn.
Maar de onderzoeksresultaten bieden over het algemeen geen bevestiging van de
veronderstelling dat de invloed van het klimaat functie is van de groepssamenstelling
naar sociaal-economische status. Klimaatkenmerken die effectiviteitsverhogend zijn in
scholen met leerlingen van een gemiddeld hoge sociale afkomst, zijn over het
algemeen ook positief voor scholen die leerlingen rekruteren uit lagere sociale
middens. Slechts twee interactie-effecten werden vastgesteld. Enerzijds bleek dat het
effect van de regelgeving op school (een indicator van een prestatiegericht klimaat)
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
3
functie was van de gemiddelde SES op school. In hoge SES-scholen was er een sterk
negatief effect van de regelgeving op de prestaties wiskunde. In lage SES-scholen
was het effect minder sterk. Daarnaast stelden we ook vast dat het effect van de
relaties op school (een indicator van een gemeenschapsgericht klimaat) functie is van
de gemiddelde SES op school. De relaties op school hebben een positief effect op het
welbevinden van de leerlingen in hoge SES-scholen, maar in lage SES-scholen is het
effect negatief. Deze vaststelling weerlegt het pleidooi van sommige auteurs om lage
SES-leerlingen vooral een warme en zorgende schoolomgeving te bieden. Zo'n
omgeving blijkt uit onze analyses eerder negatief voor de leerlingen uit gezinnen met
een minder gunstige socio-economische status.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
4
Nieuwe leeromgevingen en gelijke onderwijskansen
aan de universiteit
Literatuurstudie

Hilde De Wilde
Centrum voor Studiebegeleiding en Onderwijsvernieuwing
Centrum voor OnderwijsSociologie - Faculteit Sociale Wetenschappen - KULeuven
[email protected]
Over Informatie- en Communicatietechnologieën (ICT) en hoger onderwijs is er de laatste
decennia een explosie van literatuur terug te vinden, zeer gevarieerd, gaande van casussen en
praktische tips over beschouwende, eerder pedagogisch filosofische artikels naar verslagen van
empirisch onderzoek tot zelfs, al weze het sporadisch, theoretische stukken.
In het merendeel van deze literatuur gaat het over het nut van ICT in onderwijs, waarbij
de verleiding zeer groot is (al dan niet getemperde) hoera-verhalen te verkondigen en
slechts zelden op een kritische wijze de zaak te bestuderen. Ook, maar veel minder,
wordt echt onderzoek gedaan naar het welbevinden van de student in dit soort
omgevingen, de efficiëntie en effectiviteit, de noodzakelijke randvoorwaarden, de
sociale context, …
Een literatuuroverzicht in verband met ICT en onderwijs, heeft dan ook de bedoeling om, vooral
op het vlak van hoger onderwijs een beeld te schetsen van reeds gevoerd onderzoek en al dan
niet geteste theorieën.
Daarbij zal de aandacht voornamelijk gaan naar (onderwijs-)
sociologische vraagstukken en invalshoeken (sociale cohesie en sociale ongelijkheid) en
meteen gezocht worden naar de wijze waarop deze literatuur kan bijdragen tot theorie- en
hypothesevorming i.v.m. nieuwe leeromgevingen. Algemene maatschappijtheorieën waarin
informatie- en communicatietechnologieën of nieuwe media een belangrijke rol spelen, worden
daarbij niet uit het oog verloren. Immers, de sociale context van onderwijs is een veranderende
samenleving. Die samenleving wordt gekarakteriseerd als een post-industriële maatschappij
(Bell, 1973; Bell, 1974), een kennis- (Machlup, 1971) of informatiesamenleving (Porat, 1977 ; de
Sola Pool, 1984; Nora & Minc, 1978; Miles, 1985; Miles, Rush e.a., 1988), een
netwerksamenleving (Castells, 1997, 2000, 2001). IT spelen een belangrijke rol in verschillende
van deze visies, maar worden onvoldoende geplaatst binnen de sociale context waarin zij
ontwikkeld, geïmplementeerd en gebruikt worden. Technologisch determinisme is daarom een
vaak gehoord verwijt.
Het literatuuroverzicht wil rekening houdend met bovenstaande en binnen het kader van de
sociale informatica (waarvoor de sociale context van technologische systemen en netwerken
belangrijk zijn) een stand van zaken geven met betrekking tot de vraag naar nieuwe
leeromgevingen en gelijke onderwijskansen aan de universiteit.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
5
Indicatoren van sociale ongelijkheid in het Vlaamse onderwijs
Resultaten van een onderzoek uitgevoerd in opdracht van het
Steunpunt Loopbanen van Leerlingen en Studenten in het Onderwijs
en de Overgang van Onderwijs naar Arbeidsmarkt

Steven Groenez
Handelsingenieur en Licentiaat politieke wetenschappen,
Senior onderzoeker bij het Hoger Instituut Voor de Arbeid (HIVA) - KULeuven.
[email protected]
Inge Van den Brande
Doctor in de toegepaste Economische Wetenschappen.
Senior onderzoeker bij het Hoger Instituut Voor de Arbeid (HIVA), K.U.Leuven.
Ides Nicaise
Doctor in de Economische Wetenschappen.
Projectleider Onderwijs en Arbeidsmarkt - Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA), K.U.Leuven.
Oorzaken van ongelijkheid kunnen worden opgedeeld in ‘ongelijke kansen’ enerzijds
en ‘ongelijke behandeling’ anderzijds. Ongelijke kansen verwijzen naar de ongelijke
verdeling van verschillende vermogensbronnen waarover gezinnen beschikken, en die
de onderwijskansen van jongeren bepalen (menselijk, financieel, sociaal en cultureel
kapitaal. Ongelijke behandeling daarentegen verwijst naar bewuste of onbewuste
discriminatiemechanismen vanuit de school zelf (bv. verschillende verwachtingspatronen, communicatiestoornissen, financiële drempels, toelatings- en uitsluitingsbeleid van de scholen). Omdat gegevens op schoolniveau ontbreken in onze data, gaat
onze aandacht voornamelijk naar de ‘kansenongelijkheid’ in het onderwijs en dit zowel
in het kleuter, het lager, het secundair als het hoger onderwijs.
Hierbij maken we gebruik van reeds bestaande data verzameld in het kader van de
Panel Studie van Belgische Huishoudens (PSBH). De PSBH-gegevens worden
verzameld bij een panel van Belgische huishoudens die sinds 1992 elk jaar bevraagd
worden. Op het ogenblik van de analyses waren reeds 8 golven beschikbaar (1992
t.e.m. 1999 of nog schooljaar 1991-1992 t.e.m. schooljaar 1998-1999). Dankzij het
longitudinaal opzet van de data is het mogelijk jongeren doorheen hun
onderwijsloopbaan te volgen en verschillende aspecten van sociale ongelijkheid te
bestuderen. Zo wordt naast participatie-effecten ook gekeken naar segregatie-effecten
(sociaal bepaalde oriëntatie) en naar ongelijkheid in effectiviteit. Die effectiviteit wordt
hier gemeten in termen van schoolse vorderingen (normale vordering versus achterstand) en rendement (behalen van het diploma).
Bij sociale ongelijkheid in doorstroming doorheen het onderwijs denken we aan
verschillende sociale breuklijnen, zowel aan het sociaal-economisch milieu waarin het
kind of de jongere vertoeft als aan de culturele en etnische achtergrond van het kind of
de jongere als aan verschillen tussen jongens en meisjes.
Om de kansenongelijkheid in het onderwijs na te gaan, worden in eerste instantie
eenvoudige kruistabellen berekend. De verschillende onderwijsvariabelen (participatie,
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
6
achterstand, studie-oriëntatie, etc.) worden telkens gekruist met de verschillende
indicatoren van sociale ongelijkheid.
In tweede instantie worden een aantal logistische regressiemodellen getest. Logistische regressies hebben het voordeel dat de invloed van meerdere variabelen tegelijkertijd kan gemeten worden, daar waar we met kruistabellen enkel verbanden kunnen
onderzoeken tussen slechts 2 variabelen. Zo kunnen deze modellen bv. (een begin
van) inzicht bieden op de vraag in hoeverre de achtergestelde positie van
migrantenkinderen samenhangt met hun cultureel-etnische positie dan wel met hun
sociaal-economische positie.
Op basis van onze analyses kunnen we algemeen concluderen dat de ongelijkheid in
het onderwijs groot blijft, en dit zowel in het (quasi-universele) kleuteronderwijs als in
het lager onderwijs, het secundair onderwijs en het hoger onderwijs. De PSBH-data
leveren voor het eerst sinds 20 jaar quasi representatieve gegevens over de sociale
ongelijkheid in het kleuteronderwijs en voor de eerste maal gegevens over de sociale
ongelijkheid inzake doorverwijzingen naar het buitengewoon onderwijs. Het
longitudinaal karakter van de analyses legt tevens de basis voor een eventuele
monitoring van het beleid inzake gelijke onderwijskansen.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
7
Ongelijke kansen in het secundair onderwijs in Vlaanderen
Een longitudinale analyse van de interactie-effecten van geslacht, etniciteit
en socio-economische status op de bereikte onderwijspositie

Dirk Hermans
Steunpunt Loopbanen doorheen Onderwijs naar Arbeidsmarkt. Unit onderwijsloopbanen.
Dekenstraat 2, 3000 Leuven.
[email protected]
E. Van de gaer
Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –evaluatie. K.U.Leuven.
Departement Pedagogische Wetenschappen.
Dekenstraat 2, 3000 Leuven.
[email protected]
J. Van Damme
Steunpunt Loopbanen doorheen Onderwijs naar Arbeidsmarkt. Unit onderwijsloopbanen.
Dekenstraat 2, 3000 Leuven.
[email protected]
In deze paper worden de interactie-effecten tussen geslacht, etniciteit en socioeconomische status op de bereikte onderwijspositie nagegaan. Hiermee willen we de
vragen beantwoorden of deze effecten al dan niet additief zijn en wat de impact van het
secundair onderwijs op deze effecten is.
De analyses werden uitgevoerd op de data van het LOSO-project waarvoor de
schoolloopbanen van een 6000-tal leerlingen gedurende meer dan tien jaar opgevolgd
werden.
De bereikte onderwijsposities worden gemeten aan de hand van het bereikte
onderwijsniveau zes jaar na intrede in het secundair onderwijs, uitgedrukt in de afstand
(in jaren) tot universitair onderwijs en aan de hand van het aantal uren wiskunde per
week dat een leerling heeft opgenomen in het zesde leerjaar van het secundair
onderwijs. In de analyses worden respectievelijk 4175 en 2801 leerlingen onderzocht.
De interactie-effecten worden aan de hand van multilevel modellen geanalyseerd. Voor
beide criteria worden de modellen al dan niet onder controle van de intelligentie en het
prestatieniveau bij aanvang van het secundair onderwijs en van de beoordeling door
de leerkracht lager onderwijs, met elkaar vergeleken. Deze vergelijking geeft ons,
vanuit een meritocratische opvatting over het onderwijs, een beeld van de bijdrage van
het secundair onderwijs aan de interactie-effecten. Deze werkwijze is gebaseerd op het
onderzoek van Dekkers et al.1 In een derde analyse worden complexere modellen met
extra verklarende variabelen opgesteld.
1
Dekkers, H.P.J.M., Bosker, J.R. & Driessen, G.W.J.M. (2000). Complex Inequalities of Educational
Opportunities. A Large-Scale Longitudinal Study on the Relation Between Gender, Social Class,
Ethnicity and School Success. Educational Research and Evaluation, 6, 59-82.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
8
De resultaten van de analyses wijzen erop dat meisjes op zes jaar tijd een hoger
onderwijsniveau bereiken maar dat ze minder voor wiskundig georiënteerde richtingen
kiezen. Bij autochtone jongeren constateerden we steeds een positief effect van de
socio-economische status. Bij allochtone jongeren is de invloed van de socioeconomische status daarentegen niet eenduidig.
Wat de analyse van het hoogst bereikte onderwijsniveau zes jaar na intrede in het
secundair onderwijs betreft, vonden we steeds een positief effect van de socioeconomische status. In de analyse zonder controlevariabelen is het positieve effect
van de socio-economische status het sterkst bij allochtone meisjes. Bij allochtone
jongens is dit effect even sterk als bij de autochtone jongeren.
Wat de analyse van het aantal uren wiskunde per week in het zesde jaar secundair
onderwijs betreft, nemen we drie verschillende effecten waar. In het model zonder
controlevariabelen vinden we geen effect van de socio-economische status. In het
model onder controle van de leerlingkenmerken vinden we een negatief effect van de
socio-economische status. In het complexe model met extra verklarende variabelen
vinden we een positief effect van de socio-economische status.
Etniciteit heeft enkel een uitgesproken negatieve impact op het bereikte
onderwijsniveau indien we geen rekening houden met de leerlingkenmerken
prestatieniveau en intelligentie bij aanvang van het secundair onderwijs. Indien
gecontroleerd wordt voor leerlingkenmerken alsook voor andere variabelen, zien we
dat allochtonen een onderwijsniveau behalen gelijk aan dat van autochtone jongeren
die bij de start van het secundair onderwijs gelijkaardig zijn wat de variabelen betreft
die in deze analyses werden opgenomen.
Wat het aantal uren wiskunde per week in het zesde jaar secundair onderwijs betreft
blijkt dat etniciteit enkel een negatieve impact heeft in de analyse zonder
controlevariabelen. Indien enkel voor leerlingkenmerken gecontroleerd wordt zien we
dat bij leerlingen met de laagste socio-economische status de allochtonen meer uren
wiskunde hebben opgenomen dan autochtone jongeren. Het omgekeerde vinden we
bij jongeren met de hoogste socio-economische status.
In het complexe model zien we dat er geen invloed is van etniciteit op het aantal uren
wiskunde dat men in het laatste jaar secundair onderwijs heeft opgenomen.
De vergelijking tussen de modellen zonder en met controlevariabelen geeft een beeld
van de bijdrage van het secundair onderwijs aan de interactie-effecten. Op basis
hiervan besluiten we dat het voordeel van meisjes met betrekking tot het bereikte
onderwijsniveau zes jaar na intrede in het secundair onderwijs nog vergroot wordt door
het onderwijssysteem en dat met betrekking tot het aantal uren wiskunde de kloof
tussen meisjes en jongens eerder gedicht wordt. Het effect van etniciteit wordt voor
beide criteria verkleind onder invloed van het onderwijssysteem. Het effect van de
socio-economische status wordt voor autochtone jongeren verkleind voor beide criteria.
Voor allochtone jongeren wordt het effect van de socio-economische status verkleind
wat de analyse van het bereikte onderwijsniveau zes jaar na intrede in het secundair
onderwijs betreft, maar wat de analyse van het aantal uren wiskunde per week in het
zesde jaar secundair onderwijs betreft, vergroot het effect van de socio-economische
status. Zoals hoger vermeld vonden we daar geen effect van de socio-economische
status en na controle voor leerlingkenmerken een klein negatief effect.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
9
Voorbij een gelijke kansen-discours

Jürgen Jaspers
Universiteit Antwerpen
[email protected]
‘Gelijke kansen’ is een mainstream concept geworden in het sociale veld, en het lijkt
meer dan op z’n plaats in het onderwijs: daar zou tenslotte iedereen zich ongehinderd
moeten kunnen ontplooien. In mijn presentatie wil ik er echter op wijzen dat in weerwil
van de goede intenties die erin vervat zitten, het gelijke kansen-discours precies de
mechanismen reproduceert die aan de grondslag liggen van de ongelijkheid die het
wenst te bestrijden.
Een gelijke kansen-discours doet namelijk drie dingen: (1) het normaliseert het
wedstrijdkarakter van het onderwijs, in functie waarvan de deelnemers gelijke kansen
behoeven. Een educatieve competitie creëert echter onvermijdelijk falende leerlingen,
maar die lijken geaccepteerd te worden als legitieme slachtoffers, die op basis van nu
‘eerlijke’ criteria de toegang tot bepaalde domeinen of onderwijstrajecten wordt
versperd; (2) een gelijke kansen-discours abnormaliseert de doelgroep: de
andersculturele of –talige achtergrond van bepaalde groepen wordt vrij snel – via een
logica die individuen ziet als dragers van de kenmerken die tot ‘hun’ cultuur behoren –
gezien als een individueel stigma dat door remediëring moet worden weggewerkt; (3)
het gelijke kansen-discours focust net zo goed op het individuele schoolsucces of –
falen. Het zicht wordt zo verhinderd op de fundamenteel sociale evaluatie van
leerlingproducten, en op de gezamenlijke organisatie van, en dus de collectieve
verantwoordelijkheid over, zowel slagen als falen op school tijdens o.a. momenten van
leerling-leerkracht-interactie (cf. Varenne & McDermott 1999).
De manier waarop met taal wordt omgegaan is hier een illustratie van: de verwerving
van Algemeen Nederlands is in Vlaanderen van cruciaal belang voor een makkelijke
toegang tot prestigieuze sociale posities. Niettemin is het evident dat niet alle sprekers
even competent zijn of zullen worden in het schrijven of spreken van A.N., of dat niet
iedereen met dezelfde talige middelen aan de start staat. Het remediëren van die talige
ongelijkheid (via bv. extra taallessen) gaat eraan voorbij dat talige en communicatieve
verschillen zullen overblijven, en dat die sociaal consequentieel zullen zijn: de school is
nl. georganiseerd om die verschillen op te merken en negatief te evalueren, of om
‘goed Nederlands’ of bepaalde ‘goede’ communicatieve vaardigheden te herkennen en
waarderen. ‘Goede’ of ‘slechte’ taal zijn in dit geval geen ‘objectieve’ parameters, maar
concepten van een samenleving waarin stratificatie wordt georganiseerd a.d.h.v. de
evaluatie van bepaalde, willekeurige, en soms zeer subtiel verschillende, talige en
communicatieve competenties. Het organiseren van gelijke kansen ontneemt m.a.w.
het zicht op de hiërarchische ordening van manieren van spreken binnen dewelke
kans-ongelijkheid voorafgaandelijk wordt geconstrueerd. Hoewel er geen bewijs is dat
de school een talige scheidsrechter moet zijn, organiseert ze een talige wedstrijd die
gefaalde en vervolgens in hun sociale mobiliteit begrensde leerlingen oplevert. De
school reproduceert op die manier sociale stratificatie.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
10
Illustraties van talige evaluatie, van de hiërarchie van talen en talige competenties, en
van hoe talige ongelijkheid kan opgemerkt worden op momenten van contestatie wil ik
voorzien a.d.h.v. voorbeelden uit schooletnografisch onderzoek waarin wordt gefocust
op hoe een aantal 17 tot 21-jarige Marokkaanse jongens dagelijks omgaan met
Nederlandstalige variëteiten op school.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
11
Maar hoe groot is de (on)gelijkheid écht?
Selectie-valkuilen in evaluatiemaatstaven.

Ides Nicaise
Doctor in de Economische Wetenschappen.
Projectleider Onderwijs en Arbeidsmarkt - Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA), K.U.Leuven.
[email protected]
Anna D’Addio
HIVA, K.U.Leuven
Steven Groenez
Handelsingenieur en Licentiaat politieke wetenschappen,
Senior onderzoeker bij het Hoger Instituut Voor de Arbeid (HIVA) - KULeuven.
[email protected]
Social inequality in education can be measured in many different ways. Usually, a
given positive or negative output indicator (learning progress, grade repetition, early
dropout, referrals to special education…) is related to one or more socio-demographic
background variables (educational or occupational level of parents, gender, ethnic
background etc.). Unequal outcomes are then monitored over time; upward or
downward shifts are related to the implementation of policy measures and may be used
as a measure of their success or failure.
Correct measurement of educational performance is of utmost importance in assessing
the impact of equal opportunity policies. Some expensive cohort studies tend to neglect
selective attrition, e.g. by confining a sample to ordinary education,2 or to a cohort of
normally progressing students,3 or to a given set of schools.4 Selective attrition
(through early dropout, reference to special education, grade repetition etc.) may
seriously bias the measures of performance and even lead to erroneous policy
conclusions.
We will first clarify the concept and dangers of selective attrition. Next, this will be
illustrated by an analysis of grade repetition in Flemish education by social background.
A bivariate probit technique will be applied to correct for selectivity bias. Finally, we will
discuss the potentially erroneous findings of inadequately designed evaluation studies
of equal opportunity policies.
2
3
4
thus neglecting selective referrals to special education
and thus disregarding the outcomes for students who repeat grades
thus overlooking the selective outflow of the weakest students
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
12
Gelijke kansen in secundaire scholen?
Een onderzoek naar de relatie tussen lesgroepsamenstelling, indicatoren voor
de klaspraktijk, inzet en wiskundeprestaties

Marie-Christine Opdenakker
Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie en Steunpunt Loopbanen
doorheen Onderwijs naar Arbeidsmarkt, K.U.Leuven
[email protected]
Jan Van Damme
Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie en Steunpunt Loopbanen
doorheen Onderwijs naar Arbeidsmarkt, K.U.Leuven
[email protected]
Uit onderzoek in het secundair onderwijs blijkt dat er een positief verband bestaat
tussen kenmerken van het leerlingenpubliek van scholen (samenstellingsvariabelen)
en kenmerken van de onderwijspraktijk op school. Tevens blijkt dat het effect van
onderwijspraktijkvariabelen op leerlingprestaties zwakker is wanneer men bij het
analyseren rekening houdt met schoolsamenstellingsvariabelen (Opdenakker & Van
Damme, 2001; Opdenakker & Van Damme, 1999). Onderzoek waarbij in de analyses
ook het klasniveau wordt opgenomen, geeft aan dat de klassamenstelling vaak een
reflectie is van de schoolsamenstelling (Van Damme et al., 2000).
In het onderzoek waarover hier gerapporteerd wordt, vormt de onderwijspraktijk in
lesgroepen wiskunde voorwerp van onderzoek en wordt nagegaan wat de relevantie
van onderwijspraktijkkenmerken is voor de inzet en de wiskundeprestaties van
lesgroepen wiskunde. Hierbij wordt expliciet nagegaan of er onderwijspraktijkkenmerken zijn die voor alle lesgroepen ongeacht hun intellectuele
samenstelling goed zijn. Verder wordt onderzocht of en in welke mate
lesgroepvariabelen leerkracht- en/of schoolgebonden zijn.
Op basis van het theoretisch/conceptueel werk van Opdenakker (2003) werd een
model van lesgroepvariabelen opgebouwd en geanalyseerd aan de hand van LISREL.
De leerkracht- en schoolgebondenheid van variabelen werd geanalyseerd met behulp
van het multilevelprogramma MLwiN.
De dataset is ontleend aan het LOSO-project (Van Damme et al., 1997) en omvat 132
lesgroepen wiskunde van het tweede gemeenschappelijk leerjaar (secundair
onderwijs),
78
wiskundeleerkrachten
en
47
secundaire
scholen.
Als
lesgroepsamenstellingsvariabelen werd geopteerd voor de gemiddelde numerieke
intelligentie, de gemiddelde onderwijsgerichtheid van de ouders en de gemiddelde
prestatiemotivatie bij de start van het secundair onderwijs. Verder werden twee soorten
lesgroeppraktijkvariabelen geselecteerd: indicatoren van de leeromgeving (bijv.
didactische ondersteuning) en indicatoren van het lesgroepklimaat. Wiskundeprestaties
eind tweede leerjaar en inzet voor wiskunde werden gebruikt als lesgroepoutputvariabelen. Als leerkrachtvariabelen werden het geslacht, de arbeids-
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
13
tevredenheid en indicatoren van onderwijsstijlen van het klassenmanagement
opgenomen.
De 'goodness of fit' indices van het model indiceren een behoorlijke fit (bijv.
Chi²/df=1.87). In het model kan 70% van de variantie in wiskundeprestaties tussen
lesgroepen verklaard worden en 96% van de variantie in inzet.
Globaal genomen kunnen we uit de studie besluiten dat er aanwijzingen zijn voor
ongelijke kansen in het secundair onderwijs. De lesgroepsamenstelling speelt hierbij
een niet onbelangrijke rol. Immers, de intellectuele samenstelling van de lesgroep
wiskunde bepaalt (mee) het tot stand komen van een welbepaalde leeromgeving
tijdens de wiskundelessen en die beïnvloedt op zijn beurt de wiskundeprestaties.
Bovendien bepaalt de samenstelling van de lesgroep in termen van de gemiddelde
onderwijsgerichtheid van de ouders (mee) het tot stand komen van een welbepaald
klimaat in de lesgroep, dat op zijn beurt de inzet gedurende het schooljaar (en indirect
ook de wiskundeprestaties) beïnvloedt.
Anderzijds hebben we aanwijzingen gevonden voor correctiemechanismen en
aanknopingspunten om de leeromgeving en het klimaat in lesgroepen te verbeteren.
Zo stellen we vast dat de arbeidstevredenheid van leerkrachten wiskunde invloed heeft
op de relatie tussen de intellectuele samenstelling van de lesgroep en de mate waarin
lesgroepen didactische ondersteuning krijgen (hoge arbeidstevredenheid zorgt voor
een zwakker verband) en blijkt een leerlinggerichte onderwijsstijl alle lesgroepen ten
goede te komen met betrekking tot de leeromgeving (en het klimaat). Ook blijkt de
relatie tussen de gemiddelde onderwijsgerichtheid van ouders en de relatie van de
lesgroep met de leerkracht van school tot school te variëren, wat erop wijst dat op
schoolniveau correctiemechanismen mogelijk zijn.
Referenties
Opdenakker, M.-C. (2003). Leerling in Wonderland? Een onderzoek naar het effect van
leerling-, lesgroep-, leerkracht- en schoolkenmerken op prestaties voor wiskunde in het
secundair onderwijs. Leuven: K.U.Leuven, Afdeling Didactiek, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie. Doctoraatsproefschrift.
Opdenakker; M.-C. (1996a). Onderzoek naar de invloed van individuele leerlingen-, lesgroep-,
leerkracht- en schoolkenmerken op leerprestaties van leerlingen. K.U.Leuven, Centrum voor
Secundair en Hoger Onderwijs. Doctoraatsproject.
Opdenakker, M.-C. (1996b). An explorative study of the effect of school, teacher and classroom
characteristics on achievement in secondary education in Flanders. Paper gepresenteerd
tijdens de ‘Graduate Student Conference ICO on school effectiveness’, Groningen.
Opdenakker, M.-C., & Van Damme, J. (1999, January). Relationship between School
Composition and School Process Characteristics and their Effect on Individual Academic
Achievement. Paper gepresenteerd tijdens het ICSEI’99 congres, San Antonio, Texas, USA.
Opdenakker, M.-C., & Van Damme, J. (2001). Relationship between School Composition and
Characteristics of School Process and their Effect on Mathematics Achievement, British
Educational Research Journal, 27, 407-432.
Van Damme et al. (in druk). Maakt de school het verschil? Effectiviteit van scholen, leraren en
klassen in de eerste graad van het middelbaar onderwijs. Leuven: Acco
Van Damme, J., De Troy, A., Meyer, J., Minnaert, A., Lorent, G., Opdenakker, M.-C., & Verduyckt,
P. (1997). Succesvol doorstromen in de aanvangsjaren van het secundair onderwijs. Leuven:
Acco.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
14
Het inschrijvingsrecht:
Hoeksteen voor meer gelijke kansen in het onderwijs?
Een juridische benadering

Frank Ornelis
Praktijkassistent UGent - Vakgroep Publiek Recht
Wet. Medewerker ICOR
[email protected]
Brecht Steen
Assistent K.U. Leuven - Instituut Onderwijsrecht
Wet. Medewerker ICOR
[email protected]
1. Een juridische benadering binnen het onderwijsonderzoek?
De overheid geeft haar gelijke kansenbeleid gestalte door gebruik te maken van het
juridische instrumentarium. Om inzicht te krijgen in de effecten van het met juridische
instrumenten gevoerde beleid, moet dus ook een juridische analyse worden
uitgevoerd. Een rechtswetenschappelijke benadering van dit thema vormt een
verrijking en biedt een beter (en vollediger) inzicht in de effecten van het gevoerde
beleid. Aldus kan men via een wisselwerking tussen de rechtswetenschap en de
expertise uit de humane wetenschappen, tot een volwaardige(r) kritische evaluatie
komen van het gevoerde beleid. Het recht is immers niet enkel een instrument dat de
doelstellingen van het beleid (al dan niet zorgvuldig) articuleert. Het recht vormt ook
een eigen autonoom ‘systeem’, waarvan de principes kaderstellend zijn t.o.v. de
voorgenomen en ondernomen beleidsbeslissingen.
2. Krachtlijnen juridisch onderzoek
Op juridisch vlak betekenen de twee eerste luiken van het gelijke kansendecreet
(inschrijvingsrecht en rechtsbescherming) een trendbreuk met het vorige beleid. Onze
bijdrage voor het VFO-forum wil deze beide luiken situeren in het grondwettelijke en
het mensenrechtelijke kader, ondermeer door ze te verbinden met andere domeinen
waar een gelijkaardige spanning bestaat tussen de grondwettelijke principes van de
actieve onderwijsvrijheid en het recht op onderwijs. Tegelijk wordt de nieuwe regeling
geplaatst tegenover de voorgaande regeling van het non-discriminatiebeleid. Deze
analyse laat toe aan te geven voor welke andere (juridische) keuzes het beleid had
kunnen opteren. Vanuit de grondrechtelijke en mensenrechtelijke situering wordt in de
analyse vervolgens stil gestaan bij verschillende knelpunten die in het huidige model
besloten liggen en worden voorstellen geformuleerd die aan deze knelpunten kunnen
verhelpen. Tot slot situeren we de Vlaamse ontwikkelingen, via een
rechtsvergelijkende analyse, tegenover de bestaande juridische regelingen op dit vlak
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
15
in de Franse Gemeenschap en Nederland ((deel)staten met dezelfde of een verwante
grondwettelijke context).
3. Methodologie
Het onderzoek wordt gevoerd conform de gangbare juridisch-wetenschappelijke
methodologie (studie van alle rechtsbronnen, interpretatieregels, citeerwijze…), die
kenmerkend is voor een kwaliteitsvolle juridisch-wetenschappelijke analyse. Op het
vlak van de rechtsbronnen betekent dit dat niet alleen de Vlaamse regelgeving wordt
bestudeerd, maar ook de internationaalrechtelijke bepalingen, (internationale)
rechtspraak (o.a. van de commissie leerlingenrechten) en de (internationale)
rechtsleer. Bovendien biedt het onderzoek niet alleen een overzicht van de bestaande
juridische regeling, maar problematiseert het ook de thematiek (in de betekenis van:
probleemstelling aanduiden, krijtlijnen van en botsingen met grondrechten) vanuit een
grondrechtelijke en mensenrechtelijke benadering.
Volledigheidshalve moet aangestipt worden dat ons onderzoek geen onderdeel vormt
van een onderzoeksprogramma, maar voorspruit uit de bundeling van onze
wetenschappelijke-juridische expertise die we rond deze thematiek hebben
opgebouwd.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
16
De uitstroom naar het buitengewoon onderwijs:
gewikt en gewogen

Lieve Ruelens
Wetenschappelijk medewerkster
Hoger Instituut voor de Arbeid
[email protected]
Sinds het begin van de jaren negentig zien we, ondanks maatregelen als het
zorgverbredingsbeleid en het onderwijsvoorrangsbeleid, een toename van het aantal
doorverwijzingen naar het buitengewoon onderwijs. Daarnaast valt de
oververtegenwoordiging van autochtone kansarme en allochtone leerlingen op. Zonder
de waarde van het buitengewoon onderwijs te willen onderschatten, kunnen we stellen
dat een doorverwijzing voor deze leerlingen opnieuw uitsluiting uit het reguliere
systeem betekent en op die manier een vorm van achterstelling inhoudt. Scholen en
Centra voor Leerlingenbegeleiding hebben in beide ontwikkelingen een gedeelde
verantwoordelijkheid.
Twee onderzoeken in opdracht van het Departement Onderwijs moesten een licht
werpen op de rol van elk van beide actoren. Van Heddegem et al. (2001) bestudeerden
de invalshoek van de scholen, meer bepaald: welke is de betekenis van de uitstroom
naar
het
buitengewoon
onderwijs
tegen
de
achtergrond
van
het
zorgverbredingsbeleid? Ruelens et al. (2001) bestudeerden de rol van de verwijzende
instantie, het CLB.
In deze paper willen we de resultaten van beide onderzoeken confronteren. We geven
een analyse van de huidige stand van zaken en schetsen het spanningsveld
waarbinnen de school en het CLB gezamenlijk ‘zorg’ dragen voor de leerlingen. De
confrontatie van de onderzoeksresultaten van beide onderzoeken leidt ons tot een
analyse van de rol van het CLB in het huidige gelijkeonderwijskansenbeleid.
Referenties
Ruelens L., Dehandschutter R., Ghesquière P., Douterlungne M., Maes B. & Vandenberghe R.
(2001), De overgang van het gewoon naar het buitengewoon basisonderwijs. Analyse van
de verwijzingspraktijk in PMS-centra, K.U.Leuven- HIVA, Leuven.
Van Heddegem I., Douterlungne M. & Ghesquière P. (2001), Zorgverbreding in relatie tot het
buitengewoon onderwijs, K.U.Leuven-HIVA, Leuven.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
17
De doorstroming van ex-onthaalklassers
in het regulier secundair onderwijs

Mie Sterckx
Steunpunt NT2 - KULeuven
[email protected]
In 2003 gaf het Steunpunt NT2 een toets uit voor anderstalige nieuwkomers tussen 12 en 16
jaar die doorstromen naar het secundair onderwijs: de TASAN (Taalvaardigheidsttoets Aanvang
Secundair onderwijs Anderstalige Nieuwkomers). Aan de ontwikkeling van deze toets wordt een
vervolgonderzoek gekoppeld. Op basis van interviews met onthaalleerkrachten, reguliere
leerkrachten, anderstalige nieuwkomers en een ruime dataverzameling (o.a. rapportcijfers)
worden een 30-tal ex-onthaalklassers van vrij nabij gevolgd in het jaar na het onthaaljaar. Deze
bevindingen worden gekoppeld aan hun prestaties op de TASAN-toets. Verder gebeurt er een
dataverzameling bij een 100-tal ex-onthaalklassers zodat duidelijk wordt wat de voorspelbare
waarde is van de TASAN voor het functioneren van deze leerlingen in het regulier secundair
onderwijs. Dit onderzoek is nog lopende, maar tegen het najaar zullen wij al over de meeste
gegevens beschikken. Na een korte voorstelling van de TASAN, volgen een bespreking van de
voorlopige resultaten van het onderzoek en van de voornaamste knelpunten bij de doorstroming
van anderstalige nieuwkomers naar het reguliere onderwijs. Er zal ook ingegaan worden op
oplossingen die al in sommige scholen ingang vinden (bijvoorbeeld snuffelstages,
vervolgschoolcoach, …) en op mogelijke manieren van ondersteuning van ex-onthaalklassers in
de reguliere klas.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
18
Hoe vernieuwend denken studenten
in de lerarenopleiding over taalonderwijs?
Een onderzoek naar de percepties van eerstejaars- en derdejaarsstudenten
kleuteronderwijs en lager onderwijs op het vlak van taalvaardigheidsonderwijs

Koen Van Gorp
Steunpunt NT2 - KULeuven
[email protected]
In deze bijdrage wordt verslag uitgebracht van een exploratief en
hypothesegenererend onderzoek van het Centrum voor Taal en Migratie / Steunpunt
NT2 (K.U.Leuven) naar de percepties over taalonderwijs van eerste- en
laatstejaarstudenten van de lerarenopleiding kleuteronderwijs en lager onderwijs. Met
name werd nagegaan in hoeverre de vernieuwing die zich onder impuls van het
onderwijsvoorrangsbeleid en het zorgverbredingsbeleid in Vlaamse basisscholen op
het vlak van taalvaardigheidsonderwijs heeft voorgedaan, tot in de lerarenopleiding is
doorgedrongen.
1. Situering van het onderzoek
Tijdens de jaren negentig hebben het onderwijsvoorrangsbeleid en het
zorgverbredingsbeleid voor behoorlijk wat beweging in het basisonderwijs gezorgd op
het vlak van het creëren van gelijke onderwijskansen. Een van de actieterreinen in
beide beleidsinitiatieven was taalvaardigheidsonderwijs. Naar aanleiding van een
evaluatie van tien jaar onderwijsvoorrangsbeleid besluit Hillewaerde (2001) dat het
taalvaardigheidsonderwijs in de onderzochte scholen vernieuwd is, en dat die
vernieuwing waarneembaar is, niet alleen in het denken van de leerkracht, maar ook in
het didactisch handelen in de klas. In de loop van de jaren negentig groeide de idee in
het onderwijsveld en het onderwijsbeleid dat de lerarenopleiding de vernieuwing die
zich in de scholen voordeed, had gemist. De Minister van onderwijs reageerde hierop
in 1999 met het project “Aansluiting en Maatschappelijke Differentiatie in de
Lerarenopleiding” dat er onder andere op gericht was een aantal basisinzichten met
betrekking tot de vermelde onderwijsvernieuwingen te doen doorstromen naar de
lerarenopleiding. Onder meer dit project vormde de concrete aanleiding voor dit
onderzoek.
2. Onderzoeksvraag
De centrale vraag aan de basis van dit onderzoek was in welke mate de krachtlijnen
van het vernieuwende denken rond taalonderwijs doorgedrongen zijn in de
lerarenopleiding kleuteronderwijs en lager onderwijs. Deze vraag werd verder
geoperationaliseerd tot de volgende vragen:
- Denken studenten aan het einde van de lerarenopleiding (derdejaarsstudenten)
anders over taalonderwijs dan studenten die aan het begin van de opleiding staan
(eerstejaarsstudenten)?
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
19
-
Welke verschillen in visie op taalonderwijs, en in gerapporteerd gedrag met
betrekking tot taalonderwijs, vertonen deze beide groepen?
En, zo er aanwijsbare verschillen bestaan, sluit de visie van de
derdejaarsstudenten dan nauwer aan bij de vernieuwde visie op taalonderwijs dan
die van de eerstejaarsstudenten?
3. Informanten
Tijdens het academiejaar 2000-2001 en 2001-2002 werden op acht Vlaamse
departementen lerarenopleidingen telkens een kleine tweehonderd eerste- en
laatstejaarsstudenten kleuteronderwijs en lager onderwijs bevraagd naar hun
percepties over taalonderwijs.
Ter vergelijking werd hetzelfde onderzoek uitgevoerd bij een veertigtal leerkrachten die
reeds een tijd in een OVB-school werkten, en een kleine dertig schoolbegeleiders die
tot taak hadden het vernieuwend gedachtengoed rond taalvaardigheidsonderwijs over
te brengen naar de scholen
4. Methode
Alle informanten werden gevraagd om, onder supervisie van een onderzoeker,
individueel een vragenlijst bestaande uit twee luiken in te vullen. Een eerste luik
bevatte 4 situatieschetsen uit de klaspraktijk en een tweede luik bevatte een aantal
stellingen over taalonderwijs.
5. Bespreking van de resultaten
De resultaten van dit onderzoek en de patronen die uit de resultaten afgeleid kunnen
worden, zullen voorgesteld en besproken worden. Ook de vragen die dit onderzoek
opwerpt naar de lerarenopleidingen toe worden op een rijtje gezet.
Referenties
Hillewaerde, K. (2001). OBPWO 99.15: Evaluatieonderzoek van het onderwijsbeleid ten
aanzien van etnische minderheden in het lager onderwijs. Deelrapport: Implementatie.
Universiteit Gent: Steunpunt Intercultureel Onderwijs.
VFO-studiedag 24 oktober 2003 – abstracts parallelsessies
20
Download