GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE MYTHOLOGIE.

advertisement
GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE MYTHOLOGIE.
WAT IEDEREEN VAN DE
GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE
MYTHOLOGIE
WETEN MOET.
DOOR
P. VERKRUIZEN.
AMSTERDAM,
COHEN ZONEN.
INLEIDING.
Onder de kundigheden, welke zich voornamelijk onderscheiden door de aantrekkelijklieid van het onderwerp,
door de diepzinnige gedachten welke er in verborgen
liggen, en door de alom verspreide toepassing welke haar
gedurende alle eeuwen ten deel is ge'vallen, mag wel op
een der eerste plaatsen de fabelleer, en meer in het bijzonder die der Oude Grieken en Romeinen genoernd worden.
De meesten onzer, ook al zouden wij slechts een zeer
elementair onderwijs genoten hebben, weten weliswaar
jets van deze fabelleer ; wij hebben wel eens gehoord
van een Jupiter, van een Apollo of een Minerva; in
boeken, in decoratie-werk, op de openbare pleinen
onzer steden, aan gevels van gebouwen hebben wij
wel eens nimfen of venussen of satyrkoppen aanschouwd wij gebruiken zelfs talrijke woorden en uitdrukkingen in het gewone dagelijksche leven, die rechtstreeks aan de fabelleer ontleend zijn of er ons op
een of andere wijze aan herinneren ; wij spreken van
herculische krachten, van junonische schoonheid, wij
kennen alle de sterreteekens van den Grooten en den
Kleinen Beer, de . planeten Uranus, Mars, Neptunus, en
planten die haar namen aan de fabelleer ontleend heb-
6
ben, zooals de narcis, de heliotroop, de iris, de cypres,
ja dikwijls spreken wij zelfs woorden of benaming -en uit,
zooals maart, mei, juni, oceaan, atlas, vulkaan, parnassus
en tallooze anderen, zonder de herkomst van deze uitdrukkingen te kennen, of de oorzaak van haar gebruik
te bevroeden, of het verband, waarin zij staan tot de
oude godenleer in te zien ; en vaak bewonderen wij
in musea of in rnuurschilderingen van particuliere
gebouwen de heerlijkste tafereelen, zonder hun beteekenis te doorgronden, zoodat er niet zelden veel van
het belangwekkende, wat daarin gelegen is, voor ons
verloren gaat.
Het moet inderdaad een zeer scheeve verhouding
genoemd worden, dat wij meer belangstelling weetgierigheid aan den dag zouden leggen voor onderwerpen of zaken, die ver buiten den kring van onze gewone
kundigheden of bezigheden of beschouwing-en liggen,
dan voor die, welke wij dagelijks en in allerlei omstar.digheden voor oogen hebben, die onophoudelijk op onze
lippen zijn, en waaraan wij door tallooze voorwerpen,
kunst- of nijverheidsproducten, op de meest verschillende
wijze herinnerd worden.
Hieruit blijkt, welk groot nut er gelegen is in de
kennis, zij moge dan aanvankelijk eenigszins oppervlakkig
zijn, van de fabelleer. Deze leert ons woorden, uitdrukkingen of voorwerpen begrijpen, waarvan wij dikwijls de
ware beteekenis nooit zouden hebben vermoed ; zij is
daarenboven van zeer groot nut voor al degenen
welke besloten hebben hun leven aan de studie te
wijden ; zij leert de latijnsche en grieksche talen, zoo
noodzakelijk voor hem die ook maar de geringste stappen
wil doen in de wetenschap, dieper en juister begrijpen,
7
daar het geheele maatschappelijke en publieke lever
der Grieken en Romeinen met de ideeen van hun label
en godenleer doorweven was eindelijk heeft geen schilder, geen beeldhouwer of wie zich ooit op de beoefening der schoone kunsten heeft toegelegd, eenige begaafdheid, bedrevenheid of vermaardheid in zijn vak
verkregen, zonder een omvangrijke en diep doorgedrongen kennis van de fabelleer der oude Grieken en
Romeinen te hebben.
Wij moeten hier echter meer in het bijzonder wijzen
op de aantrekkelijkheid, de bekoorlijkheid, de diepzin
nige ideeen welke wij in de fabelleer kunnen vinden.
Het schoone is ontegenzeggelijk aantrekkelijk en de
beoefening der schoone kunsten, het gevoel, de waardeering van al wat schoon en verheven is, achten wij
alle zeer hoog. Nu is de mythologie steeds het allereerste en voornaamste onderwerp geweest der schoone
kunsten. Zij is het, die aan de beroemdste beeldhouwers en schilders, Praxiteles, Phidias, Apelles, Rafael,
litiaan, de onderwerpen, tafereelen of personen uit de
fabelleer hebben verschaft, waarin zij op de volmaaktste
wijze, — zoo volmaakt dat zij nooit overtroffen zullen
worden ! — de grondregels en de wetten van het schoone
hebben uitgedrukt, evenals de muzen der fabelleer de
zangers en dichters inspireerden en hun de wetten der
toonkunst en dichtkunst deden opstellen.
Zooals later het Christendom zijn idealen zocht in
den Christelijken godsdienst, zoo zocht het heidendom
de zijnen in zijn mythologie. Daarom molten wij veilig
zeggen, dat zooals geen christenkunstenaar er ooit in
zal slagen een ideaal voor te stellen zonder de kennis
van zijn godsdienst, men ook geen ideaal uit het heiden-
.
.
8
dom zal kunnen voorstellen zonder grondig bedreven
te zijn in de godenleer der Ouden.
Maar met de kunst van voor te stellen, staat ook de
kunst van te bewonderen, van te genieten, van zich in
zulk een ideaal te verlustigen, in een zeer innig verband
Onbekend maakt onbemind, en wat wij niet beminnen,
kunnen wij ook niet bewonderen, en daarom zullen wij
zonder eenige kennis van de mythologie maar weinig
g-enot smaken van tallooze bewonderenswaardige schoonheden die ons omringen.
In de mythologische tafereelen van een museum zullen wij dan meestal niets anders zien dan schoone copien van een reeks schildersmodellen, die haar koude
naaktheid en haar bekoorlijke vormen ten toon spreiden ;
tivi zullen den diepen zin en de veel omvattende beteekenis, die er in opgesloten ligt, niet achterhalen, en
onkundig blijven met hetgeen juist de waarde geeft aan
dergelijke kunstproducten.
Daarom hebben wij getracht, in deze weinige bladzijden een voldoend overzicht te geven van het voornaamste, wat wij, als gewoon ontwikkelde menschen, die
66k de liefde voor het schoone bezitten en gevoelen,
behooren te weten. Wij willen derhalve niet beweren,
een in alle opzichten volledige uiteenzetting te geven
van het zoo omvangrijke gebied der Grieksch-Romeinsche fabelleer, waartoe, goed beschouwd, verscheidene
folianten vereischt zouden worden. Eenige gravures,
kunstproducten van beroemde schilders of beeldhouwers,
die zich voornamelijk op het weergeven van mythologische tafereelen hebben toegelegd, en zich daarin op schitterende wijze hebben onderscheiden, dienen ter opheldering van den tekst. Om eindelijk een goede volg-
9
orde to geven aan dit heirleger van goden en godinnetjes hebben wij de algemeene verdeeling der twaalf
groote godheden gevolgd, rondom welke alle overige
goden gegroepeerd zijn, of met wie zij in eenig verband
stonden.
Ter vergemakkelijking is aan het einde van dit werkje
een naamlijst der goden gevoegd, met verwijzing naar
de bladzijden, waar over hen gehandeld wordt.
OVER DE GRIEKSCH-ROMEINSCHE GODHEDEN
IN HET ALGEMEEN.
Onder de godheden, welke door de Grieken en de
Romeinen vereerd en aangeroepen werden, bestond een
bepaalde rangschikking, hetzij volgens haar oorsprong -,
of de macht die zij bezaten, hetzij volgens haar hoedanigheden, de werken die zij volbrachten of de ambten
waarin zij, in den hemel of op de aarde of in den tartarus, aangesteld waren.
De eenvoudigste rangschikking is die welke de Ro
meinen volgden zij verdient ook de voorkeur omdat
zij een menigte goden en godinnen omvat, die aanvankelijk aan de Grieken onbekend, maar later door
de Romeinen uitgedacht of aangesteld waren. Omgekeerd Dmvat zij tevens alle Grieksche goden en godinnen, daar ten slotte nagenoeg de geheele Grieksche
mythologie door de Romeinen werd overgenomen.
De Romeinen onderscheidden hun goden volgens
hun eigen maatschappelijke toestanden [de Romeinsche
staat bestond uit Patriciers, Ridders (ordo equester) en
het yolk (plebs)].
Volgens deze orde verdeelden zij ook hun goden
n.l. in goden, halfgoden en volksgoden.
JUPITER.
II
De eersten, de goden, onderscheidden zij in twee af-deelingen : de groote goden of Dii selecti, die als heware den Hoogen Hemelraad uitmaakten ; en de mindere goden of Dii conscripti.
Den half-goden was het, wegens hunne groote vert
diensten, gegund eveneens onder de goden te leven,
of onder hun getal opgenomen te worden, daarom werden zij D22 adscriptitii genoemd.
Eindelijk ontstond er een ontelbare menigte yolks
godheden, volgens de streken, waar en de wijze waarop
zij aanbeden werden ; zij heetten Dii plebeji.
De Groote Goden of Dii Selecti waren twaalf in getal
Jupiter, Apollo, IWercurius, Vulcanus, Neptunus, Mars,.
Juno, Minerva, Venus, Vesta, Diana en Ceres.
De Mindere Goden of Dii Conscripti waren acht in
getal : Sol, Luna, Saturnus, Tellzts, Pluto, Bacchus,
Ionia en Genius,
De Halfgoden of Heroes (holden) of Dii adscrz:ptitii
waren menschen, die onder de godheden werden opge-nomen, daar zij wegens hun bijzondere verdienste in den
hemel werden verheven ; het waren ook wel zonen van
goden of godinnen, die dezen bij stervelingen verwekt
hadden en daarom in zekeren zin van goddelijke afstamming waren. Hun aantal was zeer groot en omvatte somtijds geheele groepen of geslachten. Onder hen kunnen o.a. genoemd worden : Hercules, Castor
en Pollux, Aeneas, Romulus, enz. Eindelijk werd ook
een zeker aantal - Romeinsche Keizers na hun dood
onder de halfgoden opgenomen.
De Volksgoden of Dii Plebeji, waren die, welke niet
bij de Raadsvergaderingen der goden in den hemel
werden toegelaten. Zij stonden in dezelfde verhouding-
I2
tot de godenwereld als het plebs tot den Romeinschen
Staat. Het waren voor het meerendeel herdersgoden,
zooals Pan, Faunus, Sylvanus,
bosch- en woudgo•clen, tuingoden, nimfen, dryaden, hamadryaden, satyrs,
.enz. enz. Overigens waren de Grieken en Romeinen gewoon,
alles door een godheid te laten besturen, bij alles zich
de inmenging van een of andere godheid te denken,
alles aan haar invloed toe te schrijven, of van haar afhankelijk te doen zijn. Zoo kenden zij godheden voor
•*cle geboorte, voor de kraamvrouw, voor de veeteelt,
voor den landbouw, voor den dag en den nacht,
voor Bergen en steden en geheele gewesten, voor de
geneeskunde, het bruiloftsfeest, voor deugden en ook
ondeugden, voor grootsche en verheven daden, maar
ook voor misdaden en schandelijkheden.
Zooals het Forum in Rome de verzamelplaats werd
van alle volkeren der aarde, zoo werd het ook het punt
van bijeenkomst voor alle goden en godinnen der getheele wereld. Zoowel de Egyptische godheden en de
goden uit het verre oosten als de Grieksche en Romeinsche werden daar aanbeden. Voor een groot aantal werden te Rome zelfs tempels opgericht en haar
priesters vormden somtijds voorname en machtige partijen, zooals bijv. de priesters van de Egyptische goden
Isis en Osiris.
Aan al deze goden werden bloedige of onbloedige
offeranden gebracht. Onder de oudste, de onbloedige
,offeranden, werden gerekend het offeren van de eerstelingen des velds, en van boom- en tuinvruchten ; het uitstorten of plengen van water en wijn over een altaar ; het branden van reukwerken, voornamelijk van wierook, het offeren
Tan melk, honing, olie of in honing gebakken koeken.
-
:
I3
De bloedige offeranden bestonden bij de Grieken ent
Romeinen in het slachten, dooden of verbranden van
dieren, welke offeranden somtijds een grooten omvangaannamen ; zoo bestond de hecatombe in het dooden
van honderd dieren.
Aanvankelijk werd het dier in zijn geheel geofferd of verbrand ; later bepaalde men zich slechts bij gedeelten ;
sommige deelen, voornamelijk de achterbouten en het
vet, werden geofferd en het overige als voedingsmiddel
gebruikt. Dit was veelal gewoonte bij dieren die eetbaarwaren ; gold het namelijk dieren, die niet door men
schen gegeten konden worden, dan werden zij geheel
geofferd. Zoo werd b.v. aan Neptunus of aan een riviergod een paard geofferd, door het geheel in de zee of in een rivier onder te dompelen en te verdrinken ; aan
Apollo werden ezels geofferd, door hun den hals of tesnijden.
In de eerste tijden was de vereering der goden
de Grieken en de Romeinen zeer levendig. Maar naarmate er in Griekenland en Italie onder de philosopheni
meer en meer wereldopvattingen en theogonien ontstonden, de weelde en de verdorvenheid toenamen en
ook de wetenschap vorderingen maakte, geraakte het
godendom in verval en minachting en gebruikte men
de namen der goden en hun eigenschappen meer
rhetorische figurer.. Men richtte ter hunner eere tempels op, meer ter wille van de feesten waartoe zij jaarlijks of op vastgestelde tijden aanleiding gaven dan one
hen te vereeren of te smeeken. Men gebruikte hen ook
om zich onder hun voorwending of bescherming aan
allerlei losbandigheden over te leveren of misdaden te
bedrijven ; Mercurius was evenzeer de god der dieven,
14
als der kooplieden, en de schandelijkheden welke
onder de hooge bescherming van Vrouwe Venus of
Isis to Rome en elders gepleegd werden, kunnen
hier zelfs niet genoemd worden. Eindelijk werden er
onder de belachelijkste voorwendsels goden aangesteld en men richtte zelfs tempels op aan den onbekenden God.
Toen het Christendom langzamerhand verspreid
werd, verdreef het deze godenwereld geheel uit de.
maatschappij. Dat de vereering der Grieksche en Romeinsche goden echter zeer diep ingeworteld was,
en altijd een verbazenden invloed heeft uitgeoefend op
alle maatschappelijk en intellectueel leven, blijkt wel
uit het feit, dat men tot zelfs in de tiende eeuw op
sommige Zwitsersche bergtoppen heiligdommen aantrof
waar Jupiter en Hercules vereerd werden.
Was het godendom der Grieken en Romeinen uit de
maatschappij verbannen, in de schoone Letteren bleef
het steeds, en is het nu nog een geliefkoosd onderwerp
voor dichters, en in de schoone Kunsten voor schilders
en beeldhouwers. Meer" dan in andere takken van wetenschap, beschaving en ontwikkeling is ons van de
Goden-antiquiteiten, het schoone, het verhevene over
gebleven.
Van alles wat schoon en verheven is, en wat wij
tegenwoordig ook als zoodanig nog beschouwen, heeft
het godendom der Grieken en Romeinen ons de prototypen gegeven, voorgesteld hetzij in de dichtkunst,
hetzij in de schilderkunst, hetzij in de beeldhouwkunst. De macht en de majesteit in den Olympischen Jupiter van Phidias; de vrouwelijke schoonheid
in de _ Venus van Praxite/cs; de smart en vertwij-
15
feling- in de Laocoon-groep ; de schranderheid in den
van Praxiteles ; de mannelijke moed en
kracht in den Apollo van Belvedere enz. ; voorts de
poezie : de epische in de heldendichten van Hornerus
en Virg,ilius ; de lyrische in de Oden van Pindarus en
Horatius, enz. enz. De heerlijke schilderingen uit den
Renaissance-tijd toonen ons eindelijk aan, wrAken invloed
de heidensche godenwereld ook op den tak der schoone
kunsten heeft uitgeoefend.
Het zou ons inderdaad te ver voeren, wanneer wij
alle goden en godjes der Grieksche en Romeinsche
hemelen wilden beschrijven, en ook maar in het kort
hun beteekenis, hun herkomst en geschiedenis vermelden. Een groot aantal lijvige boekdeelen zouden hiertoe
vereischt worden. Wij moeten ons dus in dit werkje
bepalen tot de voornaamste, en zullen ons beperken tot de twaalf groote goden, waarbij dan ook de
goden of halfgoden behandeld zullen worden welke
met dezen in nauw verband staan, zoodat wij op deze
wijze toch een tamelijk . volledig en algemeen overzicht
over de geheele godenwereld kunnen verkrijgen.
Rondom deze twaalf groote godheden, die wij met
de vaste sterren aan den hemel kunnen vergelijken,
draait en groepeert en wentelt zich het geheele overige
sterrenheir van planeten en andere beweeglijke hemellichamen.
Alvorens tot de beschouwing dezer goden
oden encrgodinnen
over te gaan, moeten wij opmerken dat zij niet
alleen veelal een griekschen en een latijnschen naam
dragen, maar dat dezelfde godheid, hetzij een griekschc,
hetzij een romeinsche, zeer dikwijls een groot aantal
verschillende andere namen draagt, volgens de eigen
Hermes-kop
16
schappen die hun toegeschreven, of de plaatsen waar
zij vereerd werden.
jupiters,
Hermessen, zijn o nder alle denkbarevormen voorhanden, en de Venussen, als de godin van
den hevigsten hartstocht in den mensch, n.l. der liefde,.
en van de meest verspreide der menschelijke zwakheden, den liefdeloozen hartstocht, zijn nagenoeg ontelbaar..
JUPITER OF ZEUS.
Jupiter was de hoogste god, zoowel bij de Grieken,
die hem Zeus noemden, als bij de Romeinen. De grieksche naam Zeus of Zeen is ontleend aan het feit dat
hij algemeen beschouwd werd als de oorzaak en de
onderhouder van het leven door middel van de lucht.
De latijnsche naam Jupiter moet afgeleid worden van
de woorden : juvans pater, d.w.z. : helpende vader, n.l.
de Vader, door wien alles bestaat, alles bestuurd en
geregeld wordt.
Naar zijn afkomst van Kronos (den Tijd) en Rhea,
wordt hij ook Kronion genoemd. De lucht was het eigenlijke verblijf en de sfeer van Jupiter. Daarom werd alles
wat daarin gebeurde en de veranderingen, die erin
plaats grepen, aan hem toegeschreven, en droeg hij
daarmede overeenkomende benamingen. Hij werd zelfs
dikwijls vereenzelvigd met de lucht zoo lezen wig b.v.
bij Horatius (1 Od. I. 25)
„Manet sub jove frigido venator."
De jager brengt den nacht door onder den kouden hemel.
Van uit den aether deed hij zijn stem hooren, waarbij het geheele aardrijk daverde. Dit geluid was de
donder, waarom hij dan ook genoemd werd : Jupiter
Mythologic.
2
i8
tonans of hypsibremetes : de donderende Jupiter. Zijn lange
zwarte haren, die als dichte regenstralen naar omlaag
hingen, doelden op den regen : Jupiter p/uvius. Vooral
echter kenmerkte hij zich door de ontwikkeling en de
openbaring van zijn hoogste macht, n.l. door het uitzenden van den bliksem, en droeg daarom den naam van :
Jupiter fulg-urans, of fulminans, of keraunios, de bliksemende Jupiter. Evenzoo was hij de god van de sneeuw
en den hagel ; maar als opperste god, als de Vader
der goden en der menschen, en als de voornaamste, de
beste en grootste werd hij genoemd : Optimus en Maximus.
Wanneer het hem behaagde, raad te houden met de
andere goden, begaf hij zich naar den berg Olympus,
die in Thessalia gelegen was, en zijn top boven de wolken
verhief. Deze berg werd door de Grieken over het algemeen als de eigenlijke zetel van Jupiter beschouwd,
waarom zij hem Olympischen Jupiter noemden, zooals
hij bij de Romeinen op het Kapitool zetelde en door
hen Kapitolijnsche Jupiter genoemd werd. In den voornaamsten tempel van Jupiter bij beide volkeren werd hij
door een wereldberoemd standbeeld voorgesteld.
In den tempel te Olympia was dit vervaardigd door
Phidias, en wel uit goud en ivoor, en bezat kolossale
afmetingen, het was namelijk vijftig voet hoog. Op de
rechterhand droeg hij het beeld van de godin der Overwinning, die zelf een lauwerkrans in de hand had om
hem te kronen ; in de linkerhand voerde hij den scepter
der opperste godheid. Het voetstuk, en de troon waarop
hij zetelde was opgeluisterd met verschillende tafereelen
uit de godenwereld. Het beeld, dat een meesterstuk van
beeldhouwkunst was, werd aan het einde der vijfde eeuw
door een brand verwoest.
19
De Jupiter van het Kapitool was niet minder beroemd onder zijn oogen als het ware, werd over het
lot der wereld, waarover de Romeinsche heerschappij
den scepter zwaaide, beslist van den tempel van Jupiter
begaf de veldheer zich met zijn legioenen naar de verst
verwijderde hemelstreken en keerde er in triomftocht
terug Jupiter openbaarde zijn macht ook door verschillende Orakels, ten opzichte waarvan voornamelijk drie
heiligdommen bekend zijn, waar hij zijn orakelspreuken
gaf, n.l. te Dodona, te Olympia en op den berg Ida
op Creta.
Te Dodona in Griekenland bestond dit heiligdom in
een gewijd woud van eikeboomen de eik was dan ook
op geheel bijzondere wijze aan Jupiter toegewijd, wellicht omdat de eikel een der voornaamste voedingsmiddelen was van het vroegste menschdom. Daar de Pelasgiers, de oudste bewoners van Griekenland, op die plaats
gevestigd waren geweest, werd de Dodonaische Jupiter
ook de Pelasgische geheeten.
Ook de Egyptische Jupiter Ammon gaf orakelspreuken. Deze Jupiter, wiens naam in de Lybische taal dezelfde beteekenis heeft als het grieksche Zeus, werd daar
voorgesteld door een beeld met rams-horens aan het
hoofd de fabelleer verhaalt, dat de beroemde Ammontempel gebouwd werd door Hercules of Bacchus.
Jupiter droeg vervolgens nog tallooze andere namen :
als god der vreemdelingen en gasten, werd hij genoemd:
Zeus xenios of Jupiter hospitalis als beschermer van
het goede recht, en bestraffer van onrecht en misdaden :
Jupiter vindex als de beschermer van het verbond tusschen de bewoners van Latium en de Romeinen, heette
hij Jupiter Latiaris.
20
Ofschoon Jupiter de hoogste God was, was hij toch
niet de eerste. De fabelleer weet hem nog wel een vader en zelfs een grootvader te geven. Ook verheugde
hij zich in het bezit van twee broeders, n.l. Neptunus
en Pluto, en verscheidene zusters, waarvan Juno, zijn
latere vrouw, de voornaamste was, en zelfs de hoogste
godin werd.
Wij zagen reeds dat de vader van Jupiter, Kronos
genoemd werd. Deze was de god van den tijd, zooals
zijn naam aanduidt, maar ook van de eeuwigheid, als
den onafgebroken voortdurenden tijd. Hij werd voorgesteld als een grijsaard met een zeis in de hand; later
gaf men hem ook een slang, die zijn staart in den bek
houdt, in de hand, als zinnebeeld van de eeuwigheid,
daar de slang in deze houding een cirkel zonder einde
vormt ; somtijds gaf men den slang ook vleugels om
daardoor de snelheid en het rusteloos voortvliegen van
den tijd of te beelden.
Kronos werd door de Romeinen Saturnus genoemd.
Zijn vader was, bij de Grieken, Uranus, en bij de Latijnen Coelus.
De fabelleer verhaalt ons omtrent deze drie geslachten,
van goden, het volgende. De drie zoons van Kronos of
Saturnus, die op Creta regeerde, hadden hun vader van
dit eiland verdreven, waarna hij naar Italie vluchtte en
zich daar geruimen tijd schuil hield in het land van.
Latium (hiernaar genoemd, van het latijnsche latere : verbergen, schuil houden.) Hier volgde hij op aan Janus,
die toen dit land regeerde en hem gastvrijheid verleend
had. Zijn regeering werd zelfs zoo beroemd dat onder
zijn bestuur de Gouden Eeuw op de aarde heerschte.
De Saturnus-feesten of Saturnalien, die jaarlijks in De-
jUNO.
2I
cember te Rome gevierd werden, herinnerden aan deze
gelukkige tijden.
De verdrijving van Kronos uit zijn land was de rechtmatige straf voor dezelfde behandeling, die hij zijn vader Uranus of Caelus had aangedaan. Deze Uranus was
de echtgenoot van Gaea (de aarde) en was, indien wij
nog hooger op willen gaan in de afstamming der goden,
voortgebracht door den aether, die voortsproot uit Erebos
of de duisteris, welke ten laatste voortgebracht werd
door den Chaos.
Uranus, die het heelal beheerschte, werd van zijn
macht beroofd door Kronos, den Tijd, die aan alles een
einde maakt, maar tot straf werd hem voorspeld, dat
hijzelf eveneens verdreven zou worden door zijn kinderen.
Om de voltrekking van deze straf onmogelijk te maken, verslond hij al de kinderen welke Rhaea zijn trouwe
Bade, hem schonk. Rhaea, ziende dat zij op deze wijze
zonder nakomelingschap zou blijven, besloot haar gemaal
om den tuin te luiden. Vijf barer kinderen, Pluto, N ephtnus, Vesta, Ceres en Juno hadden reeds dit verschrikkelijke lot ondergaan. Om het zesde, Jupiter, van dezen
ondergang te redden, bakerde zij een steen, wond hem
in een dierenhuid en bood hem Kronos aan, als de
vrucht van haar schoot. De gemaal verslond onmiddellijk den gewaanden goden-zuigeling, maar de moeder
vluchtte intusschen naar den berg Ida, waar zij in het
geheim haar zoon Jupiter ter wereld bracht. Opdat de
aandacht van den vader Kronos niet zou getrokken
worden door het geschrei van den kleinen god, veroorzaakte een aantal jongelingen, Corybanten genoemd,
een geweldig geraas, door luidruchtige, maar klagende
gezangen aan te heffen, met hun speeren op bun schil-
22
den te slaan en in kletterende wapenrusting dansen uit
te voeren.
De kleine Jupiter werd vervolgens verzorgd en opgevoed door nimfen, die hem voedden met room en
honig en met de melk van de geit Amalthaea. Zijn
verslonden broeders en zusters schenen echter niet reddeloos verloren ; nauwelijks had Jupiter den leeftijd van
een jaar bereikt, of hij noodzaakte zijn vader Kronos,
door middel van een braakmiddel, hem zijn broeders
en zusters terug te schenken. Bovendien besloot hij zich
op zijn vader te wreken, door diens broeders, de Titans,
die hij uit vrees van door hen uit de regeering verdreyen te worden, in den Tartarus had nedergeploft, te
bevrijden. Jupiter verjoeg nu ook zijn vader en zetelde
zelf op den Olymp. Maar hierdoor werd opnieuw de
naijver opgewekt van de oudere broeders van Kronos,
der Tftans. Dezen riepen de hulp in van de honderdarmige Reuzen of Giganten en omgordden zich ten strijde
tegen Jupiter, nu den oppersten god.
Zij stapelden bergen op elkander, om de hoogte des
hemels te bereiken : op den Olympus den Ossa, en op
den Ossa den Pelion. Door hun eigenschap van vuur
te kunnen spuwen, joegen zij den goden aanvankelijk
schrik aan, daar zij vreesden dat dientengevolge het
geheele hemelrijk gevaar liep in vlammen op te gaan.
Maar Jupiter behaalde eindelijk de overwinning, dank
aan de vervaarlijke bliksems, welke de Cyclopen voor
hem gesmeed hadden. De Titans werden opnieuw in
den Tartarus nedergeploft, en de Giganten aldaar als
hun bewakers aangesteld. De Titan Atlas was de eenige
die zich aan de zijde van Jupiter geschaard had ; hij
kwam den oppersten god te hulp, door den hemel met
23
zijn schouders te ondersteunen, opdat hij niet zou wankelen, in welken zwaren arbeid Hercules hem eenige
oogenblikken afloste.
Ofschoon Jupiter nog geruimen tijd te strijden had,
om zijn heerschappij over het heelal te bevestigen, begon hij toch, met zijn rijk te deelen met zijn twee broeders Pluto en Neptunits. Neptunus viel het rijk der zeeen
en oceanen ten deel ; Pluto verkreeg het rijk der onderwereld of den Hades en poiter behield het hemelrijk, d.w.z. de opperheerschappij over alle goden, voor
zichzelf.
Hij huwde achtereenvolgens met drie godinnen : met
Metis, die hij verslond, om er, meer dan Kronos, verzekerd van te zijn, dat Been kinderen hem van zijn
troon konden stooten ; met Themis, die hem de Florae
en de Parcae schonk en eindelijk met zijn zuster, de
schoone Juno of Hera.
Hij was echter zijn wettige gade weinig getrouw ; de
listen, welke hij gebruikte tegenover Europa, Sonde,
Danae, Leda, Alcmene en vele andere godinnen, zijn
hiervan een bewijs.
Europa, de schoone dochter van Agenor, werd door
Jupiter ontvoerd. Deze had zich namelijk onder de gedaante van een witten stier bij de kudde van Agenor
gevoegd. Door zijn makheid trok hij de aandacht van
de godin, die hem uit haar hand voederde, met hem
speelde, en zich zelfs, al schertsende, boven op hem
plaatste. Om van haar bezit zeker te zijn, snelde de
stier nu naar den oever der zee, begaf zich te water,
en bracht zijn prooi over naar Creta, waar hij haar onder bewaking stelde van een opzichter, dien Vulcanus
voor them uit koper gesmeed had.
24
Nu vertoonde Jupiter zich in zijn ware gedaante, als
een schoon jongeling, en bezocht haar meermalen op
dit eiland. Zij schonk hem drie zonen : Rhadamantus,
Minos en Sarpedon.
Senzele, de moeder van Bacchus, werd eveneens door
Jupiter bemind. Maar toen zij, op aanstoken van de
jaloersche Juno, den oppersten god verzocht had, zich
in zijn ware gedaante aan haar te vertoonen, zooals hij
gewoon was voor Juno te verschijnen, werd zij door
den glans zijner majesteit en de vervaarlijke bliksemstralen, die aan alle zijden van hem uitgingen, gedood.
Bacchus werd uit den schoot zijner moeder gered
door /Viler zelf, die hem voorloopig een veilig plaatsje
inruimde in zijn eigen heup.
Dance was de dochter van Acrisius, een vorst in den.
Peloponnesus. Jupiter beminde haar wegens haar buitengewone schoonheid, Maar Acrisius, wien voorspeld
was, dat hij door zijn kleinzoon om het leven zou gebracht worden, had zijn dochter in een burgt opgesloten en liet haar streng bewaken.
Om haar te bereiken, veranderde Jupiter zich in een
regen van gouden mu nten en daalde door de bovenste
opening in het vertrek, waardoor de rook van den haard
ontsnapte, over Dance neder.
Dance bracht een zoon, Perseus, ter wereld. Dit bleef
haar vader Acrisins eenigen tijd verborgen, maar na het
gebeurde ontdekt te hebben, beval hij, dat zij met haar
zoon in een kist zou geplaatst worden, en deze in zee
geworpen. Deze kist dreef echter of naar het eiland
Seriphus in den Griekschen Archipel, waar zij door
Dictys uit hun onaangenamen toestand verlost en gastvrij
opgenomen werden.
25
Leda, was de echtgenoote van Tyndareus, vorst van
Laconie, en de dochter van Thestios. Een dochter van
haar was de beruchte Clytemnestra, die een belangrijke
rol speelde in den Trojaanschen oorlog. De schoonheid
van Leda bracht den machtigen god in verzoeking, ook
tegenover haar een list te verzinnen. Hij nam dus de gedaante aan van een zwaan en wist Leda zoozeer te
misleiden en te bekoren, dat deze haar gemaal onttrouw
werd.
Zij bracht twee eieren ter wereld, die Castor en Pollux en Helena bevatten. Leda met den goddelijken
zwaan is steeds een geliefkoosd onderwerp geweest voor
schilders en beeldhouwers. Een der merkwaardigste en
schoonste meesterstukken, dit onderwerp voorstellende,
bevindt zich in de Vaticaansche beeldengalerij.
Bij Alcmene, evenzeer beroemd door haar schoonheid,
verwekte Zeus, gedurende de afwezigheid van haar gemaal Anzphytrio, een tweeling, Hercules en Iphicles.
Juno koesterde een grooten haat jegens Alcmene, bemoeilijkte op buitengewone wijze haar bevalling en zond
op de tweelingen twee groote draken af, om ze te verslinden ; maar reeds toen onderscheidde Hercules zich
door zijn buitengewone spierkracht, door met iedere
hand een der draken te wurgen.
Later verloor Alcmene haar gemaal en huwde den
hierboven genoemden _Rhadamantus; met de Heracliden,
de afstammelingen van Heracles, begaf zij zich naar
Athene.
Deze geheime minnarijen leidden tot herhaalde twisten en oneenigheden met zijn wettige gemalin Juno, die
haar mededingsters steeds met haar wraak vervolgde.
Het zou ons echter te ver voeren, hier in verdere bij
26
zonderheden to treden ; vooral nu wij ook het karakter
van Juno afzonderlijk zullen leeren kennen.
Ofschoon Pluto niet tot de twaalf groote goden behoort, zullen wij hem hier toch eenigszins uitvoeriger
behandelen, daar hem bij de verdeeling van het heelal
het onderaardsche Rijk ten deel viel. De Grieken noemden dit Rijk het rijk der Idola, der beelden ; de Latijnen
het rijk der Umbrae, der schimmen. Dit rijk werd ook
genoemd : Hades of Aides, of Avernus of Orcus, onder
welke namen somtijds ook Pluto zelf bedoeld wordt,
daar men hem zich ook voorstelde als een toestand,
n.l. 'als den staat des doods.
Pluto, als god van dit schimmenrijk, werd bijna op
gelijken rang met Jupiter gesteld en daarom wel eens
de Zeus van het rijk der schimmen genoemd, of Jupiter Inferus. Zoo heette hij ook : Jupiter Summanus of
Summus manium, de beheerscher der schimmen. Zijn
onderaardsch Rijk bestond uit een gedeelte waar de
gelukzaligen verbleven, het Elyseum, en een ander voor
hen die zich aan misdaden hadden schuldig gemaakt,
of niet de eer der begrafenis hadden genoten.
Het Elyseum, of de Elyseesche velden, de Eilanden
der zaligen (Insulae beatorum) kunnen wij de plaats
noemen, waaronder de Grieken en de Romeinen zich
hun paradijs voorstelden. Eenigen plaatsten dit rijk in
het binnenste der aarde, evenver verwijderd van haar
oppervlakte, als de hemel boven de aarde verheven is
anderen dachten het zich als een eiland, gelegen aan
de overzijde van den Atlantischen Oceaan ; noch anderen plaatsten het zelfs dichterbij, n.l. aan de westkusten van Afrika, op de eilanden der Hesperiden, met hun
boomen, waaraan de bekende gouden appelen groeiden.
2
7
Rondom het Elyseum vloeide de stroom der Verge-telheid, de Lethe, door welker wateren bij de schimmen alle herinnering-en aan de smarten en rampen, die
zij gedurende het bovenaardsche leven ondergaan hadden, weggewischt werden.
Het behoeft niet gezegd te worden, dat de Grieken
en Romeinen zich het Elyseum voorstelden als het ge
lukkigste oord, wat hun verbeelding zich kon uitdenken ;
daar heerschten geen lijden en smarten meer, maar
eeuwige vreugde en het verzekerde bewustzijn van een
ongestoord geluk. De bewoners verheugden zich in een
eeuwige lente en een eeuwige jeugd, genoten den aan
genamen omgang met de goden en zagen al hun ver
langens vervuld. Daar was ook Been afwisseling van dag
of nacht, of verandering van weersgesteldheden, want
de zon bescheen dit oord onafgebroken met haar verkwikkende stralen.
De Tartarus, het verblijf der schimmen die veroordeeld waren, geen vaste woonplaats te hebben, maar
eeuwig rond te zwerven in de duisternissen, was het
tegenovergestelde van het Elyseum.
Rondom de geheele onderwereld stroomde de Styx,.
ook Acheron genoemd, een sombere, donkere, rivier,
wier woest voortbruischende golven een ontzettend geraas veroorzaakten.
Om in de onderwereld binnen te gaan, moesten de
schimmen door den bootsma.n Charon over deze onstuimigen stroom overgezet worden. Om dezen god
gunstig te stemmen, legde men den overledene een muntstukje in den mond ; deze obolum was de prijs welke
Charon eischte voor zijn arbeid.
Nadat de schimmen aan gene zijde der Styx waren
28
-aangekomen, doemden ter linkerzijde voor hen de Tartarus, ter rechterzijde het Elyseum op.
Nabij ‘de plaats, waar Charon de schimmen weder aan
land bracht, lag de Cerberus, de groote helhond, de bewaker van het onderaarsche Rijk. Hij lag aan honderd
ketenen vastgeklonken, en zijn kop was met slangen
bedekt.
Men kan zich 'moeilijk een afgrijselijker monster uitdenken, dan dat waaronder de Grieken en Romeinen
zich dezen Cerberus voorstelden hij scheen namelijk
alle verschrikkingen in zich te vereenigen en op het
-enkele (geluid van zijn vervaarlijk gebrul sidderde de
geheele Tartarus. Zijn voornaamste doel was, doze te
bewaken, opdat niemand daaruit zou kunnen ontsnappen.
Achter Cerberus zetelde de Rechter der onderwereld,
Minos genaamd, die het beslissende oordeel over de
aangekomen schimmen uitsprak.
Volgens dit vonnis, dat onherroepelijk was, werden de
goeden naar de Elyseesche Velden geleid, of de kwaden in
den Tartarus nedergestort. Hier stroomden twee rivieren,
de Periphlegeton, in wier bedding slechts vlammen voortrolden, en de Eridanus, die tot het toepassen van ver.schillende straffen aangewend werd.
Behalve door de schimmen werd de Tartarus ook bewoond door de Furien, welke de Grieken Erynnien
noemden. Zij werden afgebeeld onder de gedaante van
afschuwwekkende vrouwspersonen, met slangen om het
.hoofd in plaats van Karen, met brandende fakkels in de
-eene hand en een geesel van slangen in de andere.
De voornaamste onder haar was Tisiphone, met haar
twee jongere zusters Alecto en Megaera.
De macht dezer wraakgodinnen bepaalde zich niet uit-
29
sluitend tot den Tartarus, waar zij de veroordeelde
schimmen verontrustten en pijnigden,. maar strekte zich
ook uit tot op de aarde, waar zij de nog in leven zijnde
misdadigers achtervolgden, voornamelijk echter hen die
zich aan doodslag hadden schuldig gemaakt,, en. hen,
die meer bepaald misdrijven hadden gepleegd tegen hun
ouders of andere gewijde personen. Zij d.eden ook haar
invloed gevoelen op de gewetens, door wroegingen en
gewetensknagingen op to wekken.
Voorts werd de Tartarus bewoond door de drie rechters : Aeacus, Minos en Rhadamanizts, die- ook de meest
verschillende straffen toepasten.
Eindelijk behoorden tot zijn bewoners ook de Droomen, die in dit rijk der duisternissen en van den nacht
uitstekend op hun plaats waren. Zij werden voorgesteld
onder de gedaante van gevleugelde jongelingen met een
somber, donker uiterlijk ; zij waren uiterst talrijk en..
konden de grootste verscheidenheid van vormen en gedaante aannemen.
Zij verlieten den Tartarus door twee verschalende deuren, waarvan de eene uit hoorn bestond, de andere uit
ivoor. Zij die door de eerste deur naar het aardrijk opstegen, waren ware droomen ; die door de ivoren deur,
waren niets beteekenende, bedriegelijke droomen.
Rondom het voorhof van Pluto lagen de verschillende
dienaren van de Tartarus verspreid, die voor het meerendeel een schrikwekkeiid karakter droegen, en wier functie bestond in het pijnig-en der veroordeelde schimmen,
of in het ten uitvoer brengen van de 1Develen van Pluto.
Zoo de Centauren, de Chimaera, de veelhoofdigedraken
en andere dergelijke monstergoden.
De meest bekenden, die in den Tartaru€. gestraft
30
werden, en wier bijzondere goddeloosheid een meer verfij nde wraak van Pluto over zich hadden afgeroepen,
moeten hier genoemd worden.
De Danaiden, alien dochters van Danaus, die op een
enkele uitzondering na, n.l. Hypermnestra, in denzelfden nacht haar echtgenooten om het leven hadden gebracht. Zij werden veroordeeld om in een vat, waaruit
de bodem verwijderd was, gedurende de geheele eeuwigheid water te scheppen.
Ixion en zijn vader Plilegyas. De eerste had zijn
schoonmoeder om het lzven gebracht, door haar in een
vuur te storten. Daarna beleedigde hij de godin Juno
en werd door Jupiter zelf in den Tartarus nedergeploft.
Hier werd hij met slangen aan een rad vastgeboeid,
dat onder de onafgebroken geeseling door de furien,
in eeuwigdurende beweging rondwentelde.
Zijn vader, die koning was in Thessalie, had zich aan
een buitengewone misdaad schuldig gemaakt door den
tempel van Appollo in vlammen te doen opgaan. Hij
werd onder een ontzettend rotsblok vastgeklonken, waar
vreeselijke angsten hem in alle eeuwigheid verteren, daar
deze geweldige steenmassa hem onophoudelijk dreigt
te verpletteren.
Tantalus, was een afstammeling der goden, en maakte
zich schuldig aan een lange reeks van misdaden, waardoor
hij zich ten siotte de wraak der goden op den hals haalde,
waarin geheel zijn geslacht, de Tantaliden, moest deelen.
Tantalus klapte uit de school der goden, ontsluierde
hun geheimen aan de aardsche stervelingen, schonk
hun nectar en ambrozijn, die hij aan de tafel der goden
.ontstolen had, en zette dezen zijn eigen noon Pelops
voor, dien hij zelf geslacht en gebraden had.
.
31
Tot straf voor zijn misdaden werd Tantalus in de reeds
genoemde rivier Eridanus geplaatst, waarvan het water
hem tot aan de kin reikte. Door een onverdragelijken
Horst gekweld, Wilde hij deze steeds lesschen door van
dit water te drinken ; maar bij de minste beweging
zakte dit naar omlaag, zoodat hij door eeuwigen dorst
gefolterd werd. Boven hem daalden ook de rijk beladen
takken van vruchtboomen, die op den oever stonden,
over hem neder, wier vruchten door haar aanlokkelijkheid zijn begeerte om zijn honger te stillen, nog verhoogden. Maar wanneer hij er de hand naar uitstrekte,
om er zich meester van te maken, weken zij plotseling
terug, zoodat hij, te midden van dien overvloed, steeds
door een eeuwigdurenden honger gekweld werd.
Sisyphus werd in den Tartarus nedergeploft, omdat
hij Anticlea, de dochter van den rooverhoofdman Antolicus, onteerd had. Hij stond bekend als een groote
wijze en schrandere, maar tevens slimme en geslepen man ;
maar al zijn wijsheid en slimheid redden hem niet van
den Erebus, waar hij veroordeeld werd, een zwaren steen
tegen een berg op te rollen. Zoodra hij bijna den top
van den berg bereikt had, zonk de steen weder naar
omlaag, zoodat zijn straf de geheele eeuwigneid onafgebroken voortduurde.
Het bijna bereiken van den top van den berg, door
Sisyphus, het bijna verpletterd worden door de steen
van Phlegyas, het bijna grijpen van de verlokkelijke'
appels door Tantalus, geven ons een duidelijk idee van
van het nagenoeg gelijkvormige karakter van de straffen,
welke in den Tartarus werden toegepast.
Over deze geheele wereld van gelukzaligen, veroordeelden, straffende goden en wraakgodinnen heerschte
32
Pluto, de zoon van Kronos en de broeder van Jupiter
en Neptunus.
Het behoeft niet gezegd te worden, dat Been enkele
onder de schoonen van den Olymp zich bijzonder getrokken gevoelde, het huwelijksgeluk met Pluto te deelen
in die onderaardsche verblijven. Ofschoon hij ook den
scepter zwaaide over de Elyseesche velden, was zijn
karakter toch overwegend ernstig en somber, en zijn
rijk niet zoo onbegrensd als dat van Jupiter.
Pluto besloot dus, tot geweld zijn toevlucht te nemen,
en roofde de schoone Proserpina, de dochter van
Jupiter en Ceres. Deze jeugdige maagd beyond zich op
zekeren dag op een wandeling op niet verren afstand
van den berg Etna, nabij de stad Enna, waar zij zich
vermaakte met bloemen te verzamelen. Onverwachts
kwam Pluto op zijn wagen te voorschijn, tilde haar bij
zich in zijn voertuig en voerde haar, niet ver van Syracuse, naar zijn onderaardsch verblijf.
Haar ongelukkige moeder, Ceres, werd door smart
en wanhoop verteerd, en daar de ontvoering zoo plotseling had plaats gehad, en Jupiter zoo snel met Proserpina onder de aarde verdwenen was, dat zij zelfs
niet vermoeden kon, waar haar dochter zich ophield,
wendde zij zich tot den zonnegod Helios, die haar door
een zijner stralen ontdekte in de onderwereld.
Uit wrack deed Ceres, die de godin der vruchtbaar
heid was, de geheele aarde verdorren en wendde zij
zich tot Jupiter zelf, om zijn hulp in te roepen, en haar
hear dochter terug te schenken.
Jupiter beraadslaagde nu met de overige goden en
dezen sloten zich bij hem aan, om hun invloed bij
Izipiter's broeder te doen Belden, en Pluto over te halen,
33
Proserpina aan de ongelukkige moeder weder te geven.
Zij konden echter van den machtigen god slechts verkrijgen, dat hij zijn gemalin gedurende een vierde gedeelte van ieder jaar aan haar moeder afstond, terwijl
zij den overigen tijd van het jaar bij hem in de onderwereld moest doorbrengen.
Proserpina schikte zich langzamerhand in het droevige lot, dat haar beschoren was zij werd Pluto zelfs
een getrouwe gade, maar schonk hem geen kinderen.
Proserpina, wat een Latijnsche naam is, en ook door
dezen Libera genoemd werd, heette bij de Grieken :
Persephone, een woord dat den toestand van verderf
en verwoesting van het lichaam door den dood te
kennen geeft. Wij kunnen hierin een afbeelding of een
zinnebeeldige voorstelling zien van het zaad, waarvan
haar moeder Ceres de godin was, en dat vooraf in de
aarde nederdaalt, om na daar ontbonden en als het
ware verwoest te zijn, weder boven de aarde opschiet,
zooals Proserpina gedurende de zomermaanden naar
haar moeder terugkeerde.
Proserpina werd voornamelijk in Sicilie, waar haar
ontvoering had plaats gehad, vereerd bij de Dorische
Grieken droeg zij den naam van Cora. Ook werd haar
op bijzondere wijze eer gebracht in de Mysterien van
Eleusis.
Pluto was ook de beer en meester van alle kostbare
metalen en edelgesteenten, die in de aarde verborgen
zijn, en daarom de god van den rijkdom. In dit opzicht wordt hij ook Plutus of Ploutos genoemd en als
een blinde voorgesteld.
Ook de schimmen werden beschouwd als deelgenooten in den rijkdom van Pluto, daar zij niet de geringste
Mythologic.
3
34
ibehoefte meer gevoelden aan de schatten welke zij
weleer op de aarde bezeten hadden. De herinnering er
aan verloren zij zelfs bij bun overtocht over de Styx.
En daar de Romeinen het Bemis aan behoeften als den
grootsten rijkdom beschouwden, werden de schimmen
de rijksten genoemd.
Pluto werd in tallooze tempels zoowel bij de Romeinen als bij de Grieken vereerd ; men bracht hem blocdige offeranden, en stelde hem voor, beklced met
nagenoeg dezelfde majesteit als zijn broeder
ofschoon zij bij den onderaarschen god een meer
ernstig- en somber karakter draagt.
Anderen maken onderscheid tusschen Phan en P/11111S,
welken laatste zij voorstellen, als gedragen op den arm
van de godin Fortuna, terwijl Pluto, de god der onderwereld gewoonlijk afgebeeld wordt, begeleid door zijn
hellehond, den schrikwekkenden Cerl,cras.
,
DE NIJLGOD.
NEPTUNUS OF POSEIDON.
117eptunus, de zoon van Kronos en Rhea, de broeder
van Jupiter en Phito, ontving bij de verdeeling van het
heelal, de onbeperkte macht over het water-element.
De Grieken noemden hem Poseidon, of Fosidan of Fosidaijn, alien namen waardoor degene aangeduid wordt
die het aardrijk besproeit en drenkt. Hij droeg ook de
naam van Melanthos, van de zwarte baren, die als het
ware een witte bloemkroon van schuim dragen.
Men noemde hem ook Oceanus, onder welken naam hij
voornamelijk als de oudste der goden en hun aller vader
voorgesteld werd. Want uit den Oceaan duiken de zon, de
maan en de sterren op, die zij als goden beschouwden.
_ATeptunus oefende een onbeperkte heerschappij uit
over alle wateren, over oceanen en zeeen, over stroomen, rivieren, meren, beken, vijvers en moerassen,
over de stormen en winden waarmede hij de baren opzweepte, over de aardbevingen, waardoor hij te midden
van de golven eilanden deed verrijzen, of andere, reeds
bestaande, in de diepte verzinken. • In deze laatste hoedanigheid werd hij door de Grieken ook Sisithion, Enosichaeus of Enosidas genoemd, Welke woorden de macht
aanduiden om de aarde te bewegen.
36
Ncptunus wordt afgebeeld onder de g -edaante van een
krachtigen man, met langen baard, en een drictand, tridens of triaena genaamd, in de hand. Gewoonlijk stelt
men hem voor in een zeewagen, bespannen met halfvischvormige paarden, waarmede hij over de baren snelt.
Door dezen Drietand oefende hij voornamelijk zijn macht
uit, hij zweepte er de golven mede op, of bracht ze tot
bedaren ; wanneer hij er mede op de aarde sloeg, werd
deze tot in haar grondvesten geschokt. Hij joeg en de
waterstroomen mede over het land, om zich op andere
goden of stervelingen to wreken, of brokkelde de kuststreken er mede af, zoodat steden en dorpen, die daarop
gelegen waren, door de onstuimige wateren verzwolg -en
werden.
Op tallooze plaatsen was aan dezen god het paard
toegewijd. Aanvankelijk werd hij zelfs alleen als een
veldgod beschouwd, die uitsluitend een beschermgod
van paardenrassen was. Hierom werd van hem gezegd
dat hij de paarden leerde toomen en breidelen, en wend
hij Hippios of Equester genoemd.
Meer in het bijzonder werd Neptunus vereerd als de
god van bepaalde stroomen, hij werd dan een riviergod
en nam als zoodanig vaak andere namen aan. Sommige
dichters noemden deze riviergoden afzonderlijke goden,
en zonen van Neptunus of zonen van den Oceaan.
Veelal werd de riviergod afgebeeld onder de gedaante
van een g-rijsaard, met een langen, van water doorweekten baard, en een krans van zeewier om de verwarde
haren ; hij was in liggende houding geplaatst en leunende
op een groote kruik, waaruit water vloeide.
Een der meest bekende beelden, Welke zulk een riviergod voorstelt, is dat van de Nijl, wat zich in Va-
37
ticaansch Museum bevindt. De god rust hier op een
sphinx, het zinnebeeld van Egypte, en naast hem
zien wij een Hoorn van Overvloed, welke de vruchtbaarheid voorstelt, die door de wassende wateren van
de Nij1 over de dorre zandvlakten van Egypte verspreid
wordt.
Ook de Tiber werd door een riviergod afgebeeld,
dragende in zijn opgehcven rechterhand een palmtak,
terwijl aan zijn zij de een wolvin geplaatst is, die twee
kleine knapen Romulus en Rem/12/s zoogt.
Het paleis van Neptunus was op den bodem der zee
gelegen ; het bestond geheel uit kristal, parelmoer en
kostbare edelgesteenten. Daar troonde hij met zijn gemalin Amphitrite, een dochter van Nereus en de zuster
van Thetis. Volgens de onstuimige beroeringen der zee,
welke zij kon veroorzaken, werd zij ook Htzlosydne genoemd, en wanneer zij, zonder vergezeld te zijn van
}mar goddelijken gemaal, alleen in haar wagen over de
zeeen zwierf, was ook zij gewapend met haar drietand.
Nooit trokken zij over de schuimende baren der zee,
zonder vergezeld te zijn van een talrijk gevolg zeegoden
en godinnen, zeemonsters en visschen, vooral van dolfijnen, die hun bijzonder toegewijd, en zelfs hun boden
waren ; aan alle zij den werden zij omstuwd door Tritons,
Nereideu, en Waternimfen, die door middel van schelpen
een luid weerklinkend geschal deden hooren ; voorts
Ivaren zij gewoonlijk overdekt met schuim, zeewier en
andere zeeplanten, terwijl hun wagers gesierd waren
met schelpen en parelen. In alles herkende men dus
bet karakter van den zeegod, die over de wateren gehood, daarin woonde, en zijn waar element vond.
Triton, die zijn naam gaf aan de tritons, die Nep-
38
tunits vergezeiden, was de zoon van Neptunus. De tritons
hadden een halfmenschelijke, halfvischvormige gedaante,
met kieuwen en vinnen, ofschoon zij ook een breeder
mond hadden ; hun ambt bestond voornamelijk hierin ;
om niet alleen Neptunus te vergezellen, maar ook de
schoone Nereiden over de wateren te drag -en, zoodat zij
in het gevolg van Poseidon den laagsten rang bekleedden. Op het hoofd droegen zij een krans van zeewier,
en in de handen groote schelpen, of zeehoorns, waarmede zij den aantocht van den god AV/units aankondigden.
De vijftig- 'Nereiden, die tot het gevolg van Wept/in/Lsbehoorden, waren • de dochters van Nereus en Doris;
zij droegen elk een afzonderlijken naam en waren buiteng-ewoon schoone nimfen die eveneens een onderzeesch
paleis bewoonden ; naar haar moeder Doris werden zij
ook dikwijls Doriden genoemd.
Een deter Nereiden was de beroemde Thetys die ook
Argyropeza, de wit-gezoomde of de zilver-voetige werd
genoemd. Zij was de moeder van Achilles.
Zooals Jupiter werd ook A/rept/in/is zijne gemalin menigmaal onttrouw en zijn er van hem een aantal andere
zonen dan Triton bekend. Een der voornaamsten was
de cycloop Polyphemus, van Siciliaanschen afkomst.
Hij had zich een verblijf opgericht aan de kusten der
zee, waar hij zich verrijkte met de goederen der schipbreukelingen, die aan zijn strand kwamen aanspoelen.
Over het algemeen werd hij afgebeeld als een onbeschaafde, woeste natuur, die zich zelfs niet ontzag, zich
met menschenvleesch te voeden, en de aangedreven
schipbreukelingen te verslinden ; iets waardoor hij zich
onderscheidde van de overige cyclopen, die rondom
39
hem woonden en een meer zachtaardiger karakter bezaten.
Utyssus, die op zijn zwerftochten door een storm op,
de Siciliaansche kusten werd geslagen, haalde zich de
wraak van Xcptunus op den hals, door diens Z0011
PO/JP/LC/M/S, met een in het vuur puntig en gloeiend
gemaakte balk het eenige oog uit te branden, wat demonsterachtige cycloop in het midden van het voorhoofd bezat.
Ook Agiizor van wien hierboven reeds melding gemaakt is als den vader van Europa, was een noon van
Neptunus en Lybia, de dochter van Epaphus. Zijn broeder Bc/us, die Neptunus eveneens door dezelfde Lybia
geschonken werd, was de vader van Danaiis en Aegyp/us, naar wien de landstreken langs de mondingen der
Nijl, waar hij regeerde, Egypte genoemd werden.
Nip/inns beminde vervolgens een zekere Cacnis, die
zich bijzonder onderscheidde in een gevecht tegen de
Centauren. Om haar voor haar liefde te beloonen, had
Nepiunus haar op haar verzoek in een man veranderd,.
die niet alleen begaafd was met buitengewone lichaamskrachten, maar ook onkwetsbaar was. In dezen staat
versloeg hij een groot aantal Centauren, maar daar hij,
door Been enkel wapen kon gewetst worden, stapelden
zij zulk een hoeveelheid hout op zijn lichaam, dat hij
er onder verstikte. Zijn ontzield lichaam werd in een
grooten
roofvogel veranderd.
oo6
Men verhaalt van Neptunus, dat hij met Apollo de
muren van Troje opgebouwd heeft. Om hun den prijs,
welke zij daarvoor bedongen hadden te betalen, had
Laomedon, koning van Troje, de tempels van deze twee
godheden van al hun kostbaarheden beroofd en voldeed
hiermede zijn schuld.
.
40
Hij had intusschen gezworen, deze schatten weder
aan de tempels terug te schenken, maar was niet getrouw aan zijn eed. De vertoornde ATeptunus zond daarom een schrikwekkend zeemonster naar de Trojaansche
kusten, waar het tallooze onheilen verspreidde.
Laomedon kon van deze ramjen niet verlost Ivorden,
tenzij door zijn schoone dochter Hesione op te offeren.
Op bevel van het orakel moest deze vastgebonden en
op het strand geplaatst worden, waar zij ten prooi-zou
dienen aan het zeemonster. Intusschen werd dit \\Teedaardig bevel wel ten uitvoer gebracht, Maar Hesione
werd door Hercules uit haar hachelijken toestand verlost, nadat hij het monster verslag-en had.
Meer in het bijzonder moeten hier onder de godheden
van het natte element, waarover Neptulius zijn drietand
zwaaide, genoemd worden de Sirenen, Galatea en Proteus.
Volgens eenigen waren de Sirenen waternimfen die
tot het gevolg van Proserpina behoorden anderen vermelden dat zij dochters Ivaren van Ackethus, den riviergod, die met Hercules om het bezit van de schoone
Dejanira streed, en de gave bezat, zich in velerlei gedaanten te kunnen veranderen.
Zij bewoonden eenige klippen in den omtrek van het
eiland van Circe. Door haar heerlijke gezangen lokten
zij de voorbijvarenden naar haar woonplaats, waar zij,
na genaderd te zijn, op de klippen gesleurd en door
de Sirenen gedood werden. De tallooze beenderen en
geraamten, die de omliggende rotsen overdekten, getuig -den van de slachtoffers die zij door haar bekoorlijke zangen
verleid hadden. Gewoonlijk worden de Sirenen afgebeeld als
nimfen, met een menschelijk bovenlichaam en het onderlijf in den vorm van een visch, op rotsen zittende zing-en,
4'
of op zeeschelpen blazend somtijds worden haar ook
vleugels gegeven. Sommigen onderscheiden twee Sirenen,
n.l. Aglaopheme en Thelxiepia, anderen drie : Parthenope,
waarnaar weleer de stad Napels genoemd werd, Lib is
en Leucosia ; anderen eindelijk nemen er een groot onbepaald aantal aan.
Galatea was een vermaarde zeenimf, voor vie de
wanstaltige Polyphemus liefde koesterde. Daar zij echter
doof bleef voor zijn liefdesaanzoeken, en den schoonen
Acis, den zoon van de nimf Simethis, beminde, besloot
Polyphemus zich op haar te wreken. Hij betrapte hen
aan den voet van den Etna, waar hij een vervaarlijk
rotsblok op hen nederslingerde. Galatea vluchtte in zee,
maar Acis werd verpletterd en veranderd in een kleine
beek.
Proteus was de wijste der zeegoden hij bezat alle
kennis, de gave van voorspelling en kon zich onophoudelijk van gedaante veranderen. Hij bezat een overschoone dochter, Idothea genaamd, die, evenals hij, zich
op waarzeggerij toelegde. De latere fabelleer stelt hem
voor als den opzichter over de kudden zeerobben van
Neptunus, phocae genaamd. Alleen aan hen die in staat
waren, hem onder dezelfde gedaante vast te houden,
voorspelde hij de toekomst.
Proteus werd vooral vereerd te Athene en in Egypte,
waar sommigen ook zijn verblijf plaatsen.
JUNO OF HERA.
Juno, in het Grieksch Hera genaamd, en uit den Tijd,
Kronos of Sit/trims geboren, was de zuster van Jupiter,
wiens gemalin zij later werd.
Wij moeten ons deze zonderlinge verhouding van het
huwelijk tusschen deze twee godheden voorstellen als
een verpersoonlijking van natuurkundige toestanden, zooals de oude Grieken zich deze dachten.
Zij zagen namelijk in de lucht twee elementen, of
twee afdeelingen de bovenlucht, de ijlere, fijnere lucht„
waarin de bliksem heerscht, en waarin zij Jupiter plaatsten, en de benedenlucht, de grovere, zwaardere lucht,
of aer (vanwaar ook de Grieksche naam Hera),.
waarin zij de opperste godin Juno plaatsten, terwijl zij
haar als bode Iris of den Regenboog gaven de wolken
namelijk, waaruit de regen nederdaalt, en de regenboog
die opnieuw den glans der zon aankondigt, bevinden
zich dichter bij de aarde, in de lagere luchtstreken.
Geen wonder dus, dat zij zich deze twee luchtsoorten,
die van nature zooveel overeenkomst vertoonden, als
broeder en zuster voorstelden, en daar de twee soorten,
de bovenlucht en de benedenlucht, onmerkbaar en geheel en al in elkander overgaan en met elkander sa-
43
mensmelten, versterkten zij in bun voorstelling client
innigen band tusschen de twee godheden nog, doorzich broeder en zuster als gehuwd te denken.
In deze hoedanigheid deelde Juno dan ook in dezelfde koninklijke waardigheid als Jupiter, en was zij de
verpersoonlijking van alles wat statig, voornaam, edel
en verheven genoemd kan worden. Daarom was haar
gewone bijnaam : regina, d. w. z. koningin.
De liefdesgeschiedenis van god Jupiter- en de wonder-lijke gebeurtenissen, welke het huwelijk van den oppersteder goden met de schoone Juno ten gevolge had,.
herinneren aan de andere reeds vermelde listen van den
slimmen beheerscher van het heelal.
In die dagen, waarin Jupiter liefde begon te g-evoelen,
voor zijn maagdelijke zuster, leefde deze op het eiland_
Samos (waarnaar haar benaming : Sarnia) en bood her-haaldelijk weerstand aan de dringende aanzoeken van,
den hoogen god. Daar zijn bidden en smeeken vruchteloos bleven, besloot hij zijn toevlucht te nemen tot een
list, om, door haar medelijden op te wekken, haar hart
te verteederen. Hij bespicdde haar gedurende een,
wandelingen in den omtrek van den berg Thornax, deed
plotseling een hevigen storm ontstaan, en veranderdezichzelf in een koekoek, onder welke gedaante hij zich,
op weg begaf, blootgesteld aan de hevigste plasregens,.
de stormwinden en de bliksems die het luchtruim ,
dorkliefn.
Daar zijn vleugels doorweekt werden door den overvloedigen regen, en hij in het vliegen belemmerd werd,,
liet hij zich nedervallen aan de voeten van Juno, die,,
overvallen door het onweder, haar woning schijnbaar
nog niet bereikt had.
44
,
Deze, door medelijden bewogen op het gezicht van
den doorweekten vogel, nam hem op, droogde hem, en
verwarmde hem aan haar boezem. Toen Jupiter zich
echter zoo dicht nabij haar hart gevoelde, slaagde hij
er g-emakkelijker in, haar van zijn liefde te overtuigen
en haar tot het huwelijk te bewegen.
Nadat hij zijn aangenomen gedaante weder had afgelegd, de storm bedaard en van beide zij den tot
het huwelijk besloten was, werden de eerste maatregelen
tot de plechtige viering getroffen en het huwelijk later
voltrokken op het eland Creta. De koekoek was haar,
naar aanleiding van dit merkwaardige voorval, geheel
bijzonder toegewijd.
Juno were, over het algemeen bescli -iouwd en vereerd als de
godin, die bij de geboorte van den mensch hulp verleende.
Door de geboorte begint de mensch het daglicht fe
aanschouwen ; daaroni werd Juno, die den mensch deze
gave schonk, lucina genoemd naar het latijnsche : lux,
wat licht beteekent. Om dezelfde reden werd zij ook
aanbeden en aangeroepen als de godin van het huwelijksverbond en van- den huwelijks-trouw, en droeg zij in
deze hoedanigheid velerlei namen, welke alle op het
huwelijk betrekking hebben, zooals : de grieksche : GameTelia, Zygi a, en de latijnsche : Pronuba, Adulta,
Fuga, enz. ; zij was tevens de beschermgodin van het
geheele vrouwelijke geslacht ; daarentegen wreekte zij
zich op geheel bijzondere wijze aan hen, die zich schuldig
maakten aan overtredingen van de huwelijkswetten.
Zooals van het huwelijk, zoo was zij ook de beschermgodin van het huisgezin, dat het gevolg er van is ; zij
was het toonbeeld der ware trouwe echtgenoote en de
prototype der naarstige en zorgzame huismoeder.
-
45
Haar onveranderlijke huwelijkstrouw, die zoo vaak inY
strijd was met de listige liefdesavonturen van haar hoogen
maar lichtzinnigen gemaal, was oorzaak dat het huwelijksleven van de twee opperste godheden niet tot de gelukkigsten kon gerekend worden. De gebreken van haar
eig-en karakter, dat niet vrij te pleiten was van trotschheid, ijdelheid en jaloerschheid, voegden er het hunne
bij, om de huiselijke twisten van dit godenpaar tot de
ergerlijkste tooneelen te doen stijgen. De lichtzinnigheden
en vrijheden welke Jupiter zich veroorloofde tegenover
een groot aantal andere godinnen in zijn uitgestrekt
rijk, die vaak om de gunst van den verhevenste der
goden wedijverden, wekten herhaaldelijk de achterdocht
van de trouwe en jaloersche /w/o, die zich niet tevreden
stelde met zich weinig zachtzinnig te betoonen tegenover
haar gemaal, maar ook de godinnen, die haar plaats
tijdelijk ingenomen en de kinderen welke zij den god
der bliksems geschonken hadden, met haar onverzoenlijken haat en wraak te vervolgen.
Zoo zien wij dat zij, toen Hercules nog slechts een
zuigeling was, twee monsterachtige slang -en op hem afzond, om hem reeds in den wieg te dooden.
/o, die in een koe veranderd was. order welke ge-daante Jupiter haar trachtte te onttrekken aan de oogen
van zijn gemalin, werd door haar achtervolgd met een
zwerm bijen, die haar onophoudelijk verwondden.
Ook /no, een dochter van Cadmus moest de wrekendemacht van Juno ondervinden. Zij was de min geweest
van Bacchus, dien Semele, een zuster van Juno, aan
Jupiter geschonken had. Zij veroorzaakte den dood van_
/no's oudsten zoon, Learchus, doordat deze tegen een,
rots verpletterd werd.
46
Callisto, (de schoonste), een dochter van Lycaon, belloorde tot het gevolg van Diana. Jupiter geraakte verliefd op deze schoonste aller nimfen en bezocht haar
onder de gedaante van Diana zelve. De vrucht van deze
liefde was een zoon, Arcas genaamd, die later ziju naam
schonk aan het land van Arcadie en aan zijn bewoners
de Arcadiers. Uit jaloerschheid veranderde Juno Callisto
in eene berin ; onder deze gedaante zwierf zij geruimen
tijd rond, maar behield toch het gebruik van haar verstandelijke vermogens.
Toen Arcas inmiddels opgegroeid was, ontmoette hij
op zekeren dag zijn moeder in die dierlijke gedaante
op de jacht, en maakte zich gereed, de berin neder te
vellen. Callisto herkende haar zoon, maar trachtte niet
door de vlucht aan zijn doodelijke pijlen te ontkomen.
Jupiter werd echter bij dezen aanblik door medelijden
bewogen, belette den zoon zijn moeder te dooden, veranderde ook Arcas in de gedaante van een beer, en
plaatste beiden aan den hemel, waar zij, als de sterrenbeelden van den Grooten en den Kleinen Beer, schitteren.
iresias, de zoon van Eucres en de nimf Chariclo
werd door Juno met blindheid ,g-eslag,en, omdat hij ten
haren nadeele beslist had in den strijd tusschen heL
verheven huwelijkspaar, wie van beiden, de man of de
vrouw, het grootste genot smaakte in het huwelijk.
Tiresias was narnelijk weleer gedurende eenigen tijd in
een vrouw veranderd geweest door de aanraking van
twee slangen, zoodat hij ter wergild de eenige was, die
slit eigen ondervinding in deze moeilijke vraag kon
beslissen.
Middelerwijl mishaagden deze minnonijd en Nvraakz u c h
van Juno aan Jupiter, waarom hij haar op zekeren
..
,
,
47
keer op den Olymp in boeien liet slaan en haar verschillende straffen deed ondergaan.
Werd Juno als godin van het huwelijk, en zelf als
gehuwde godin vereerd, ook als toonbeeld van maag-,delijke schoonheid werd zij overal aanbeden.
De Junonische type werd zelfs als het ideaal van vrouwelijke schoonheid beschouwd, ofschoon Paris in den bekenden strijd op den berg Ida ten gunste van Venus besliste.
Haar schoonheid werd echter geheel verschillend voor; de bekooro-e
s
z, teld van die van de laatstgenoemde godin
6lijke bevalligheid van Venus maakte bij haar plaats voor
de indrukwekkende majesteit ; Venus' schoonheid was
verleidelijk ; die van Juno, eerbiedwekkend ; Venus' verlokkelijke blikken boeiden den beschouwer aan haar
-onvergelijkelijke schoonheid en deden hem er zich in
verlustigen ; Juno's gebiedende blikken dwongen hem,
-de hare te bewonderen. fimo wordt veelal door Homerus kzeco/cnos genoemd, d. w. z. de blankarmig-e —
weg-ens de buitengewone schoonheid van, haar voile
blanke armen. Dit afzonderlijk kenmerk der schoone
godin treedt op bijzondere wijze op den voorgrond
het beroemde standbeeld van Juno, dat in het Vaticaaa
te Rome bewaard wordt, waarvan het geheele lichaam
.g-edrapeerd is, maar alleen de armen en een klein
.deelte van den maagdelijken boezem ontbloot zijn.
Over het algemeen was in de schoonheid van Juno
het edele, het verhevene en majestueuze, het statige
en ideale overheerschend en bezat dus, voor de gewone
.sterveling-en, niet die aantrekkelijkheid, welke de schoonheid van Venus wekte. Uit het huwelijk van Jupiter en
Juno sproten vier godenkinderen voort : Hele en Iliikyfa,
Mars en Uzi/callus of Hephaest3s.
--
-
-
.
48
Daar deze twee laatsten tot de groote goden behooren, zullen wij later op hen terugkomen.
Hebe, de eerste dochter, werd door de latijnen //wentas, de huwbare jeugd, en door de grieken Dia, de
goddelijke, en Ganymeda, de opgeruimde, genoemd ;.
deze laatste naam was zelfs de oudste, dien zij droeg,
en onder hem werd zij in Griekenland vereerd in een
woud van heilige cypressen nabij de stad Phliaesia.
Wegens haar frissche, schoone jeugd, waardoor zij
aan alle goden welgevallig was, werd zij op den Olympus aangesteld in het ambt van Schenkster der goden.
Toen later Hercules na zijn vuurdood in het gewaad
van Dejanira op den berg Oeta, naar den hemel was
opgestegen, trad hij met Hebe in het huwelijk.
llytkia, de tweede dochter, wordt niet zelden ver
ward met Diana, die eveneens dezen naam droeg. Zij
wordt ook Eilithyia of Eleutho genaamd ; somtijds wordt
er ook gesproken van meer dan eene Ilythyia, die alle
dcchters van Juno zouden geweest zijn.
Ilythia, de dochter van Jupiter en funo, was de godin
der geboorte, en werd door haar hemelsche moeder
naar het aardrijk tot de stervelingen uitgezonden, om
de in barensnood verkeerende vrouwen bij te staan, of
haar smarten te verhoogen en de bevalling te bemoeilijken. In deze hoedanigheid werd zij afgebeeld onder
de gedaante van een vrouw met een scherpe speer in
de hand, om daardoor de vlijmende smarten van het
baren zinnebeeldig voor te stellen.
Juno wordt veelal afgebeeld met een pauw aan haar
zijde. De oorsprong van dit gebruik moet gezocht worden in hetgeen de fabelleer ons mededeelt omtrent de
in een koe veranderde Io, de dochter van Thachus,.
,
MINEl{V\
.
49
welke schoone door Jupiter bemind en onder deze
gedaante verborgen werd, om haar voor Juno schail te
houden.
De achterdocht van de opperste godin was echter te
spoedig opgewekt, dan dat zij niet aanstonds bemerkt
had, dat Jupiter weder in een avontuur gewikkeld was.
Zij verzocht derhalve haar gemaal, haar de koe te schenken ; deze durfde haar, uit vrees van ontdekt te zullen worden, dit verzoek niet weigeren, en Juno vertrouwde de
koe aan de hoede en de bewaking van Argus, een zoon
van Arista-, die haar geruimen tijd verzorgde.
Deze Argus bezat honderd oogen, waarvan er beurtelings slechts twee sliepen, terwijl hij de anderen geopend
hield om over de koe te waken.
Jupiter kon echter die strenge bewaking van de koe
niet langer dulden, en zon op middelen om zich weder
van haar meester te maken. Hij zond dus den god
Mercurius, die door zijn liefelijke gezangen een groot
aantal van de oogen van Argus, en de weinige overigen
door de betooverende macht van zijn wonderstaf, in slaap
wist te wiegen.
Nu sloeg hij Argus het hoofd of en bevrijdde op
deze wijze de koe, die hij medevoerde. Juno nam de oogen
van den gedooden Argus, en plaatste ze in den staart van
de pauw ; de uitctrukking van : Argusoogen, is aan
deze fabel ontleend, en de pauw werd een der onderscheidende kenmerken van Juno. Somtijds wordt zij zelfs
afgebeeld als gezeten in een zegekar, welke door pauwen getrokken wordt.
Juno droeg verscheidene namen of benamingen,
volgens de plaatsen, waar zij meer in het bijzonder vereerd werd. De Romeinen noemden haar AlMythologie.
4
50
bana, naar het heiligdom, dat ter harer eere opgericht
was in het gebergte van Albanum, op niet verren afstand van Rome.
Naar de stad Argos in Griekenland, waar zij hooge
vereering genoot, xverd zij de Arginische Juno genoemd.
Te Rome, waar zij op gelijke wijze als Jupiter vereerd
werd, bezat zij zeven tempels, en heette Juno Sospita.
Naar haar noemden de Romeinen ook de maand Juni.
Als gemalin van den hoogsten god, werd zij overigens
overal vereerd, waar Jupiter aanbeden ward, niet alleen
in het Romeinsche Rijk en in Griekenland, maar ook
in andere gewesten van de in die tijden bekende wereld, b.v. te Carthago.
Onder de standbeelden van Juno, welke het meest
beroemd zijn geworden, moet vooral het Hera-beeld genoemd worden, dat Paydetus vervaardigde voor het
Heraion te Argos. Een namaak hiervan bevindt zich in
het Museum te Napels, terwijl een andere Junokop, die
van de villa Ludovisi in Rome, de schoonste aller Junokoppen, waarschijnlijk beschouwd moet worden als gebeiteld naar een oorspronkelijk werk van Alcamcncs,
terwijl zij tot dusverre gewoonlijk aan Polycletus Nverd
toegeschreven.
Een bijzonder kenmerk, dat ook aan Venus eigen is,
bestaat hierin dat zich onder het"gevolg van Juno steeds
de Gratien bevinden. Op deze godinnen, zullen wig bid
onze beschouw ingen over 170111S terugkomen.
,
PSYCHE DOOR ZEPHYRUS GEDRAGEN.
VENUS OF APHRODITE.
Geen persoonlijkheid uit de Grieksche en Romeinsche
oudheid is in alle takken der schoone kunsten, in de
schoone letteren, in de dichtkunst, in de schilderkunst,
in de beeldhouwkunst, zoo diep doorgedrongen, als die
van Venus. De liederen en zangen waartoe zij aanleiding
heeft gegeven zijn ontelbaar, en raken ook nu nog niet
uitgeput, en de Venussen die onze Musea, onze openbare gebouwen en pleinen en parken en tuinen bevolken, en min of meer versieren of ontsieren, zijn waarlijk legio.
Als de godin der liefde, der reine hemelsche liefde,
heeft zij tot de heerlijkste scheppingen aanleiding gegeven, en als de godin van den zinnelijken hartstocht
en wellust heeft zij groote genien zich doen verlagen
tot het voortbrengen van de walgelijkste ontaardingen.
Zoo verheven en ideaal haar oorspronkelijke vereering
bij de oudste Grieken was, die in haar het toonbeeld
van hemelsche, reine bekoorlijkheid zagen, zoo ontuchtig
en losbandig werd deze vereering bij de Romeinen
onder de regeering der keizers, die in haar slechts het
voorbeeld en de beschermgodin van alle lage wulpschheid ontdekten. Terecht mogen wij zeggen, dat toen
52
het geheele g-odendom aan een, groote Venus-ziekte
begon te lijden, waardoor het ten slotte volkomen
ten order ging. Hoe hooger Venus op den troop
verheven werd, des te lager zonken de andere godheden, zij geraakten in volslagen minachting, het geloof
aan de goden verzwakte, verdween geheel en werd een
der krachtigste oorzaken van het verval van het onmetelijke Romeinsche Rijk, en toen eindelijk het heidendom moest wijken voor het Christendom, had dit niet
zoozeer te strijden tegen den bliksemenden Jupiter- en
den ijzeren krijgsgad Mars, als wel tegen de verstrikkende Venus en haar trouwe gezel, den wijngod Bacchus.
Venus, door de grieken Aphrodite genoemd werd, genoot
de eer, haar afkomst aan verschillende goden toegeschreven zien te worden. Zoo noemt men haar de dochter
van Jupiter en Dione, of van Uranus en Hemera; anderen
beweren zelfs dat zij een zuster van Jupiter zou geweest
zijn. De meest bekende oorsprong echter, welke haar
toegeschreven wordt, is die uit het schuim van de baren
der zee, waaruit zij was opgedoken.
Saturnus had zijn vader met een diamanten sikkel
ontmand, en het afgesneden lid in de zee geworpen,
waardoor het schuim der baren bevrucht werd. Hierdoor
ontstond Aphrodite (de uit schuim geborene). In dezen
staat wordt zij zees dikwijls en in de meest verscheidene
vormen afgebeeld, als de schoonste aller vrouwen, met
eene ideale evenredigheid en bekoorlijkheid van vormen,
welke door niets overtroffen worden.
Zij, die haar op het eiland Cyprus geboren geloofden
noemden haar Cypria; zij die haar uit het schuim der
zee ontstaan waanden, gaven haar den naam van
Aphrodite, of Anadyomene , de opduikende, en naar de
53
plaats waar zij zich het eerst aan land begat, n.i. het
eiland Cythera, Venus Cytherea. Naar het eerste eiland
noemt men haar ook dikwijls de Paphische, of Lesbische
Venus.
De voortplanting van het menschelijk geslacht en de
natuurlijke geslachtsdrift, die door de liefde beheerscht
wordt, wordt in het latijn aangeduid door versus; liefde
verwekken, en INTel een zoodanige liefde, welke vereischt
wordt voor de instandhouding en de voortplanting van
het menschelijk geslacht, was dus het allereerste en
voornaamste ambt van de godin der liefde ; het groote
middel daartoe bestond in haar schoonheid ; haar doel
was echter niet, zinnelijken hartstocht te wekken, dierlijken wellust en wulpschheid te patroneeren, maar
uitsluitend, de harten der minnenden te vereenigen, en
dezen band van liefde door een nieuwe vrucht te versterken en te bevestigen. In deze hoedanigheid werd zij
Venus Urania, de hemelsche Venus, of Venus Genitrix,
de levendmakende Venus, genoemd.
Uit dit allereerste attribuut van Venus, n.l. het kweeken
van liefde, worden vervolgens alle andere eigenschappen
afgeleid Nv elke de geregelde of ongeregelde hartstochten
van den mensch aan deze godin hebben toegeschreven.
De voornaamste onder deze eigenschappen was, dat
zij leven schonk aan alles ; daartoe bezat zij den Venusgordel, waarin zij alle machten bewaard hield, welke
haar ten dienste stonden, en waarvan zij zich ook bediende om liefde en leven te wekken. Wilde zij haar
dankbaarheid betuigen, dan stortte zij liefde in ; wilde
zij zich wreken, dan onttrok • zij haar liefde, waardoor
ook tegelijkertijd alle leven verwoest werd, want beiden
waren onafscheidelijk aan elkander vereenigd.
54
Behalve in den mensch, wekte zij ook leven in de
geheele natuur : in boomen en planten, in bloemen en.
velden ; zij verzachtte de woeste natuur der verscheurende
dieren in het woud en hernieuwde en verlevendigde
jaarlijks het aardrijk door een nieuwe, verrukkelijke
lento ; in een woord, zij schonk de levendmakende kracht
aan de geheele natuur, waardoor alles groeide en bloeide,
de schoonste vormen aannam en de rijkste vruchten
voortbracht.
Zooals zij leven wekte door de liefde, zoo wekte zij
liefde door haar schoonheid. Daarom legden de oude
Grieken er zich op toe, haar eigen beeltenis te sieren
met alle wondervolle eigenschappen, welke zij in haar
gordel bewaarde, om ze aan anderen mede te deelen,
zooals : de bevalligheid, de bekoorlijkheid, maagdelijke
bedeesdheid, bewonderenswaardige evenredigheid van
gestalte, smachtende liefde ; -daar zij, meer dan Juno,
voornamelijk als de godin der schoonheid werd vereerd,
werd zij, bij uitzondering van alle andere twaalf groote
goden, volkomen naakt afgebeeld, daar de schoonheid,
en in het geheele lichaam, en in het geringste deel
ervan in den hoogsten graad in het vrouwelijk lichaam
vertegenwoordigd is. Wilde men de schoonheid in een
dezer deelen afzonderlijk voorstellen, dan bedekte men
ook wel de andere deelen van het lichaam, zooals dit
geschiedde in het beroemde beeld, waarin zij als Venus
Calliftygos voorgesteld is, en zij, met den rug naar den
toeschouwer gekeerd, alleen van de heupen tot aan de
hielen geheel naakt is, terwijl de voorzijde en de rug
door een sierlijke drapeering bedekt zijn.
Wij behoeven hier niet verder te treden in eene gedetailleerde beschrijving van de lichamelijke schoonheden
55
welke de vereering der oude geloovige Grieken en
Romeinen, en de beeldhouwkunst, de schilderkunst en
de poezie aan Venus hebben toegekend het thema is
te algemeen, te goed bekend, en de middelen, om er
zich een oordeel over te kunnen vormen, zooals de Venusbevolking der Museums, de tallooze reproducties door de
drukkunst, de photografie, de lichtdruk, enz. enz., die
onder ieder's bereik zijn, te overvloedig, dan dat wij er
hier breedvoeriger over uit zullen weiden. Wij meenen
dus te kunnen volstaan, met de beroemdste standbeelden
te noemen waardoor de oudheid ons met de godin der
schoonheid bekend heeft gemaakt. De meeste oorspronkelijke werken van de beroemdste beeldhouwers of schilders, die zich in dit onderwerp onderscheiden hebben,
zooals Scopas, Praxiteles, Phidias, Apelles, Polycletus,
zijn voor de latere eeuwen verloren gegaan, zoodat zij
slechts uit copien of namaken gekend kunnen worden.
Zoo, de Venus Urania te Florence, de Venis de Medicis,
eveneens te Florence, de Venus Genitrix te Parijs, de
reeds genoemde Venus Callipygos, de Venus Victrix, enz.
Vows werd ook dikwijls voorgesteld als een schoone
jonge vrouw, in een licht gewaad, met een paar duiven
in haar nabijheid of rijdende op een wagen, welke getrokken werd door eenige duiven of zwanen. In de hand
droeg zij gewoonlijk een hart, een brandenden fakkel
of een gouden appel meer bijzonder waren aan haar
de appelboom en de myrthenstruik toegewijd. Niet zelden treft men in haar omgeving ook een kapel aan,
die beschouwd werd als het zinnebeeld der ziel. Ook
treft men haar aan met een schildpad onder den voet,
of een ronden bal, waardoor de veranderlijkheid, het onbestendige van de liefde moest te kennen gegeven worden.
56
Tot het gevolg van Venus behoordan : de Gratien,
de Horae en de god Amor, en daar zij niet alleen de
beschermgodin der lichamelijke schoonheid, maar ook
van de voortreffelijke eigenschappen der ziel en van de
hoogste vermogens des verstands was, kunnen wij ook
Psyche en de Muzen met haar in verband brengen.
Zij was voorts de wettige g,emalin van den god Unit-anus, maar versmaadde toch niet, zich, zooals de
meeste godinnen en goden, tot merkwaardige liefdesavonturen te laten verleiden. Zoo schonk de krijgsgod
11Tars haar den kleinen Amor en de lieftallige godin
Harmonia ; — Anchises, Aeneas den stamvader der Romeinen, terwijl zij zelve ook liefdesbetrekkingen aanknoopte met den schoonen jongeling Adonis.
Over al deze persoonlijkheden deelt de fabelleer ons
de uitvoerigste bijzonderheden mede ; de geringe omyang van dit werkje noodzaakt ons echter, deze slechts
in het kort en in hoofdlijnen weder te geven.
De Gratien, of Charites, de godinnen der bevalligheid, waren de dochters van Jupiter en Euunonc. Aanvankelijk werden zij in sierlijke bevallige kleederen voorgesteld, en was haar aantal onbepaald. Later begon
men haar getal te beperken tot drie, namelijk A lain,
Thalia en Eupkrospze en werden zij als maagden van
wondervolle schoonheid, geheel naakt afgebeeld, elkander met de armen omstrengelend en in dansende
ding. In dezen zin werden zij ook dochters van Fonts
en Bacchus genoemd. De gaven, welke zij over de jonge
maagden uitstrooiden, waren de bevalligheid, de schoonheid van gestalte, de teederheid en de dankbaarheid ;
vooral veredelden zij de liefde, door haar van alle onreine lusters, grofheden en losbandigheden to vrijwaren ;
57
zij waren steeds de getrouwe gezellinnen van Venus.
De Horae, of Horen, die wij reeds in het E2,-evolg van
Juno ontmoet hebben, waren dochters van Jupiter en
Themis, en worden ook wel eens de zusters der Gratien
genoemd, welke verhouding dan meer berust op de
wondervolle schoonheid, welke aan beiden gemeen was,
dan op eenigen graad van bloedverwantschap of afkomst. De horen waren de godinnen der jaargetijden
en werden als zoodanig voorgesteld onder de gedaante
van schoone, dansende maagden, getooid met de bloemen of vruchten, welke de jaargetijden, waarover zij
waren aangesteld, voortbrachten. Daar zij de bloemen
deden bloeien en haar heur schoone kleuren schonken,
alsmede de vruchten deden rijpen, werden zij ook dochters der zon genoemd. De ouden verdeelden het jaar
slechts in drie jaargetijden, daarom kenden zij slechts
drie horae later wend haar aantal vermeerderd, maai
de drie voornaamste onder haar meer in het bijzonder
aangesteld als beschermgodinnen van de orde in den
staat in dezen zin zijn zij bekend onder de namen
Eiwomia, (de wetsregeling) Dike, (de rechtvaardigheid)
en Irene, (de Vrede.)
Zij waren ook dienaressen van Jupiter en Juno, bij
de uitoefening van hun heerschappij in de hoogere en
lagere luchtstreken. Haar ambt bestond dan voornamelijk in het openen of sluiten van de deuren des hemels,
die door de wolken gevormd werden. Waren deze deuren
gesloten dan was de hemel met wolken bedekt waren
zij geopend, dan lieten zij den bliksem van Jupiter, den
zonnewagen van Helios die met zijn verwarmende stralen
het aardrijk koesterde, of den bode van Juno, Iris, den
regenboog, door. De voornaamste onder haar, en wier
58
bekoorlijke schoonheid het meest bezongen werd, was
Hora, die aan de aarde de liefelijke lente schonk.
Amor, de zoon van Venus, was de vrucht van haar
liefde voor den krijgsgod Mars, de Latijnen noemden
hem ook Cupido, den god der begeerte, en de Grieken,
Eros of Himeros, ofschoon anderen onder deze verschillende namen ook afzonderlijke godheden veronderstellen.
Ofschoon Amor in de alleroudste tijden eigenlijk als
den oorsprong van alle goden beschouwd werd, zooa!s
de liefde de eenige bron van alle andere hartstochten
genoemd kan worden, werd hij toch reeds vroegtijdig
voorgesteld als de zoon van Venus, de allereerste uitdrukking en openbaring van haar liefde, en in deze
hoedanigheid afgebeeld onder de gedaante van een
kleinen naakten knaap, met twee vleugels, in de hand
of naast zich een boog en op den rug, tusschen de
vleugelen, een koker vol pijlen. Somtijds hield hij een
brandenden fakkel in de hand of een scherpe, aan de
punt vergulden pijl, waarmede hij de harten der stervelingen, en zelfs der goden trachtte te verwonden, om
ze door het liefdevuur van Venus te doen ontvlammen.
Gewapend met deze pijlen, waaraan Venus een onoverwinnelijke macht had toegekend, begaf Amor zich
op weg om het heelal, door de liefde en voor de liefde,
te veroveren, waarin wij een zinnebeeldige voorstelling
van de kracht der liefde moeten zien, die alles overwint, hetzij ten goede, hetzij ten kwade.
De ouden stelden hem zelfs bij voorkeur voor als begaafd met dit attribuut der onwederstaanbare macht,
door hem of te beelden als overwinnaar van den leeuw,
van Hercules en van Mars, waardoor zij te kennen wil-
59
den geven dat zelfs de hoogste machten en krachten ,
vordelifmtnb2wjk.Delifdsoyndingrijk en slim, en daarom droeg Amor het karakter
van een schalkschen knaap, die noch listen noch macht
spaarde om zijn doel te bereiken zoo ontroofde hij aan
Jupiter zijn bliksems, aan Neptunus zijn drietand en aan.
Hercules zijn knods. Volgens de omstandigheden riep
hij ook andere goden te hulp, om den zegepraal te be
halen, en ging hij vaak vergezeld van Bacchus, den god
van den wijn, van Cupido, den god der begeerte (waaruit wij zien, dat deze ook als een afzonderlijke godheid
beschouwd werd) van Hymen, den god des huwelijks, enz_
Hij bezat ook een eigen gevolg van kleine godjes,
minnegoden, of amoretten, die hem in alles behulpzaam,
en even onoverwinnelijk waren als hijzelf.
Eindelijk vergezelde hem ook zijn broeder, Anteros,
de god der wederliefde, welken Mars eveneens aan Venus schonk. Deze werd zoowel als een vriendschappelijk
als een vijandig gezinde god voorgesteld. Hij deed vooral_
zijn tegenwoordighid gevoelen, wanneer Amor zich verwijderde, door smachtend verlangen te wekken naar den
afwezige, of vereenigde zich ook met zijn broeder om
zich te wre-ken - op hen, die Amor's liefde versmaaddenZeer merkwaardig en overvloeiend van diepzinnigen
wijsgeerigen inhoud is de episode, welke de fabelleer
ons mededeelt over de liefde van Amor voor Psyche,
onder wier gedaante, een kapel, de ziel verpersoonlijkt.
werd.
Psyche was onder de drie dochters van een onbekencl
gebleven koning van Creta, de jongste en de schoonste.
Zij wekte de jaloerschheid van Venus op, die haar op
verschillende wijzen begon te vervolgen. Daar zij nog
6o
'ongehuwd was, en haar vader begon te vreezen, dat zij
zonder nakomelingschap zou blijven, raadpleegde hij het
'Orakel te Delphi over haar lot, en schrok niet \veinig,
toen hem bevolen Nv erd zijn dochter uit zijn huis te
verwijderen, en haar aan haar lot over te laten op een
der toppen van de omliggende bergen.
Daar aangekomen zijnde zond Venus den god Amor
-op haar af, om haar hart te doorboren, en haar, in
strijd met haar edele en verheven gevoelens, slechts met
een lager verachtelijken hartstocht te vervullen.
De gebeurtenissen namen echter een anderen loop,
want in plaats van zich aan deze wreedheid tegen de
onschuldige Psyche schuldig te maken, Nverd de god
A/110r zoozeer van liefde voor haar vervuld, dat hij haar
de vurigste wederliefde voor hem inboezemde.
Nu werd Psyche door een zachten wind, welke de
Ouden zich onder de gedaante van den god Zcphyrus
voorstelden, opgenomen, en naar gene zijde van den
berg overgebracht, in een alleraangenaamste landstreek,
waar hij haar in een gouden paleis, een heerlijk lusthof
door tuinen omringd, plaatste.
Vol nieuwsgierigheid wandelde zij door deze verrukkelijke dreven, en bewonderde de bekoorlijkheden en.
.de kostbaarheden van dit wondervolle verblijf. Zij vernam ook gezangen en liederen en een stem die haar
zeide : «Al wat gij bier aanschouwt, Psyche, is het uwe,
behoort aan u, maak er gebruik van naar hartelust wij,
die gij hoort, maar niet ziet, zijn uwe dienaressen, die
al uwe verlangens zullen vervullen, en ten uitvoer brengen, wat gij slechts begeeren kunt.
Nu zag zij een rijk voorziene tafel, hoorde opnieuw verrukkelijke gezangen, en iederen avond, wan
-
.
-
neer de duisternis begon te dalen, kwam een onbekende, een onzichtbare, haar gezelschap houden. Het.
was de god Amor, die haar zijn liefde bewees, den
nacht bij haar doorbracht, en bij het aanbreken van
den dageraad weder verdween, na haar iederen keerten strengste verboden te hebben, te onderzoeken wiehij was en hoe hij heette.
Op deze wijze werd zij gedurende geruimen tijd dooronzichtbare dienaressen gediend en genoot zij het:
zaligste genot in de armen van den onzichtbaren minnaar.
Het toeval wilde echter, dat haar beide andere zusters kennis kregen van den overgelukkigen staat, waarin
haar jongste zuster, aan gene zijde der bergen, haar
jeugdig leven doorbracht. Haar minnaar, dien zij wel
hoorde en gevoelde, maar niet zag, vermaande haar,,
niet naar den omgang met haar zusters te verlangen
voorspelde haar, dat zij zouden komen om haar tebezoeken maar wetende, dat zij„ gedreven door jaloerschheld slechts kwade bedoelingen koesterden, spoorde hij
haar aan, haar geheim zorgvuldig te bewaren, en zelfs,
niet met haar te spreken, in het tegenovergestelde geval
zouden er ongetwijfeld verschrikkeliike rampen overhaar nederdalen.
Hoe gelukkig Psyche zich ook gevoelde, toch begon
meer en meer en steeds krachtiger de vurige begeertein haar te ontwaken om ook met zichtbare personen
te verkeeren, en vooral om nog eenmaal haar zusters,
in haar tegenwoordigheid te zien, en haar haar zalig-
heid en onvergelijkelijk geluk te laten aanschouwen.
Zij smeekte dus haar onzichtbaren minnaar, haar te
veroorloven, haar zusters bij, zich toe: te laten. Hoe
62
-ongaarne ook, stemde de god eindelijk in haar aanhoudend verzoek in, maar vermaande haar tevens nog,maals en op de nadrukkelijkste wijze, zich niet door de
xvoorden en de raadgevingen harer zusters te laten
misleiden.
Gedreven door haar natuurlijke neiging tot nieuws•gierigheid kwamen de twee zusters dikwijls naar den
voet van den berg, om aldaar rondwandelende, te bespieden, of zij niets van haar gelukkige zuster konden
ontdekken. Op bevel van Psyche naderde haar nu dezelfde
god Zephyr/is die haar naar den top van den berg over
had gebracht, nam haar beiden op zijn wieken, en droeg
haar over naar den lusthof, waar Psyche haar wachtte.
zij zagen en hoorden nu alles wat haar jongere zuster
111 dit zalige verblijf genoot, en werden niet alleen met
verbazing en bewondering, maar ook met jaloerschheid
vervuld bij de gedachte dat zij, schoon gehuwd zijnde,
bij haar echtgenooten ongelukkiger waren, dan haar
zuster met den onzichtbaren minnaar.
Om haar in het verderf te storten, raadden zij Psyche
aan, pogingen in het werk te stellen, om dien minnaar
te zien ; zij vermoedden namelijk, zoo zeiden zij, dat hij
zich slechts onzichtbaar voor haar maakte, om haar zijn
Nva n st altig en gedrochtelijk uiterlijk te verbergen, en op
deze wijze het genot van haar liefde niet te verliezen.
Overig-ens voorspelden zij haar ook, dat hij ongetwijfeld
plan moest hebben, haar na korten tijd te dooden.
Daarom schonken zij haar een vlijmend wapen, opdat zij zich, wanneer zij van de zijde van dit monster bedreigd werd, zou kunnen verdedigen, zich van hem
sontdoen, en aldus de eenige, onbetwiste bezitster worsden van deze onmetelijke goederen en kostbare schatten.
-
63
De zusters werden nu weder door den gedienstigen
Zephyrus over den berg gedragen, en de eenvoudige,
niets kwaads vermoedende Psyche gaf in haar hart gehoor aan de boosaardige raadgevingen van haar jaloersch zusterpaar.
Den eerstvolgenden nacht voorzag zij zich van het
wapen, dat haar zusters haar geschonken hadden ; nam,
tegen het bevel van haar minnaar, een brandend olielampje, en naderde daarmede het bed, waar god Amor
sluimerde.
Nu ontdekte zij, in plaats van een afschuwelijk monster, den allerbeminnelijksten persoon, welken zij zich onder
de gedaante van god Amor zelf kon voorstellen. Bij den
aanblik van dezen wonderschoonen jongeling die al
haar zinnen als door een betooverende macht geboeid
hield, doorzag zij de sluwe planner van haar boosaardige zusters, en verloor zich in zalige verrukking bij
het aanschouwen van zulk een volmaakte schoonheid.
Maar het was reeds to laat, en zwaar moest zij boeten
voor haar onvoorzichtigheid en lichtgeloovigheid. Door
de opgewondenheid waarin zij verkeerde, vergat zij zichzelf geheel en al, en liet ongelukkigerwijze eenige druppels van de heete olie uit haar lampje op den ontblooten schouder van god Anzor druppelen.
Deze ontwaakte plotseling, zag het wapen in Psyche's
hand flikkeren, en begreep aanstonds wat er moest
voorgevaIlen zijn. Hij overstelpte haar met de bitterste
verwijten over haar ongetrouwheid en de overtreding
van zijn bevelen ; deed vervolgens den geheelen lusthof
met al zijn pracht en luister, alsmede de geheele omgeving van tuinen en parken verdwijnen, zoodat slechts
naakte rotsen die vroegere heerlijkheid vervingen, en
64
verdween daarna zelf, Psyche aan vertwijfeling ten prooi
achterlatend.
Door wanhoop en spijt gedreven besloot de rampzalige zich in een nabijgelegen rivier het leven te benemen maar deze droeg haar behouden naar de
overzijde, waar zij een ouden geitenhoeder ontmoette,,
die de god Pan zelf was.
Dank aan de ingeving van zijn goddelijke natuur
moist Pan reeds, vat er had plaats gehad, en raadde haar
aan, zich niet door haar wanhoop te laten overmeesteren, maar door smeekbeden de harten der goden voor
zich te winnen.
Psyche doolde geruimen tijd rond, om haar beminden
Amor te zoeken, maar daar al haar pogingen vruchteloos bleven, besloot zij een voetval voor Venus, de
moeder van haar verloofde, te doen. De latere dichters,
weiden zeer uitvoerig uit over de beproevingen welke
de wraakzuchtige VellltS de teedere Psyche oplegde,.
alvorens zij opnieuw door haar in genade aangenomen
werd. Het zou ons echter te ver voeren, wanneer wij'
ons tot al deze bijzonderheden wilden uitstrekken. Voldoende zij het dat god Amor haar in vele opzichten behulpzaam was en haar eindelijk zelf naar den godenhemel,
overbracht, waar Jupiter haar met de onsterfelijkheid
bedeelde, en Amor met haar op de luisterrijkste wijze
in het huwelijk trad.
Zij, die zich de moeite willen getroosten, deze fabelen
breedvoerig te lezen in het Boek der «Herscheppingen»
van Apulejus, of zooals Praschius ze in zijn «Psyche
Cretica» mededeelt, zullen hierover geen spijt gevoelen.
Het zinnebeeld van Psyche was de vlinder, die alvorens dezen vorm aan te nemen, in een lichaam van.
65
geheel andere gedaante gewoond heeft. De ziel — want
daarvan is Psyche de verpersoonlijking werd door de
ouden afgebeeld als een jengdige slanke, naakte vrouw,
van groote teederheid en bevalligheid, met dubbele,
uiterst fijne en doorschijnende vlindervleugels op den
rug. Gewoonlijk staat zij in deze voorstelling over bloemen gebukt.
Zooals Venus voornamelijk de godin der lichamelijke
schoonheid was, zoo waren de Muzen de godinnen van
de schoonheid des geestes en van alle voortreffelijke
eigenschappen, die het verstand van den mensch kunnen
opluisteren.
Zij zijn daarom dochters van Jupiter, d. w. z. voortgesproten uit den hoogsten geest in het heelal. Haar
getal werd reeds in de vroegste oudheid tot negen beperkt ; dit getal is onder de enkelvoudige getallen van
I tot 9, het grootste en het volmaaktste ; tevens overtreffen de verstandelijke vermogens even ver de lichamelijke schoonheid, waarvan Venus alleen de godin was,
als het getal negen het getal een overtreft.
De IVIoeder der Muzen was Mizeine, het geheugen,
zonder hetwelk alle vermogens des geestes onvruchtbaar
blijven en in waanzin ontaarden. Zij droegen de vdlgende
namen en waren over de daarachtervolgende wetenschappen of schoone kunsten aangesteld : Clio, de Geschiedenis ; Melpomene, de Tragedie ; Thalia, de Comedie ; Calliope, het Heldendicht ; Polyhymnia, de Zangkunst
Euterpe, de Lyrische Poezie ; Erato, de Erotische Poezie
of het Minnedicht ; Terpsichore, de Danskunst en Urania
de Sterrenkunde. Uit deze opsomming harer namen blijkt
reeds aanstonds dat zij hoofdzakelijk de dichtkunst begunstigden en beschermden. Haar gewone verblijfplaats
Mythologic.
5
66
was daarom Thessalie, het vaderland der dichters, en
meer bijzonder in overeenstemming met haar voortdurend streven naar hoogere sferen, op de bergtoppen
van den Helicon, den Olympus, den Parnassus, van het
Pierische en Aonische gebergte, die alle op korten afstand van elkander gelegen zijn.
Op een dezer bergen, den Helicon, beyond zich een
bron, de Hippocrene of Paardebron, die door een hoefslag van het paard Pegasus te voorschijn was g -ebracht ;
zij bezat het vermogen om dengene, die er van dronk,
eene dichterlijke begaafdheid mede te deelen.
Drie andere dergelijke bronnen, die zich daar bevonden, de Pimpla, de Castalia en de Aganippe, gaven aan
de Muzen de benamingen van : Pimpleae, Castalides en
Aganippides.
De Muzen worden afgebeeld als schoone statige vrouwen, steeds gekleed en met kransen op het hoofd ;
terwijl zij in de hand de symbolen van haar kunst, —
muziek-instrumenten, of geometrische figuren, — dragen.
Zij stonden meestal onder de leiding van den god
Apollo, die daarom Musagetes, de aanvoerder der Muzen,
genoemd werd.
Over het algemeen werden de Muzen beschouwd als
zeer zachtaardige, edele godinnen, die zich voornamelijk
toelegden op de beoefening der wetenschappen en der
schoone kunsten, en zich tevens beijverden om de schoonste
gaven des geestes, ware wijsheid, talenten en verstand
aan de stervelingen mede te deelen. Wanneer Apollo en
de Muzen tegelijkertijd en in vereeniging met elkander
worden genoemd, wordt Apollo gewoonlijk als de beschermgod der Dichtkunst beschouwd, de Muzen echter
als de godinnen van de Zang-, de Muziek- en de Danskunst.
-
67
Hierboven zagen wij, dat Venus gehuwd was met
Vulcanus of Hephaestus, een der twaalf groote goden,
die, als de god des vuurs, de bliksems voor Jupiter
smeedde. Deze god was kreupel, en bovendien weinig
aantrekkelijk van uiterlijk, waartoe • zijn bedrijf, dat hem
met allerhande onreine stoffen deed omgaan, — hij was
namelijk smid en leefde onafgebroken in rook en roet
— in niet geringe mate bijdroeg. Dit is waarschijnlijk
de reden, waarom hij Venus als gemaal toegedacht
werd, opdat door het contrast van zijn leelijkheid, de
bewonderenswaardige schoonheid van Venus in des to
hoogeren graad zou uitschitteren.
Of dit tevens een reden geweest is, dat Venus hem
minder genegen is geweest, wordt niet door de dichters
verhaald wel echter dat zij zich heeft laten verleiden
tot een omwettigen omgang met den krijgsgod Mars.
De fabelleer geeft slechts weinig pphelderingen omtrent de aanleiding van deze liefde van Venus voor den
weinig beminnelijken god, die overeenkomstig het krijgsbedrijf wat hij uitoefende, zeer ruw en onstuimig van
card was en daarenboven om zijn persoonlijk karakter,
waarin list en boosaardigheid den boventoon voerden,
door de meeste goden gehaat werd, en geen enkele
onder de schooner van den Olymp met hem in het
huwelijk wilde treden.
Wat hiervan zij, zeker is het, dat de fabelleer hem
bemind laat worden door Venus, en zij verscheidene
namen van kinderen aangeeft, welke uit deze onwettige
liefde voortsproten.
Deze liefdesbetrekkingen van Venus verschaften het
geheele heirleger der bewoners en bewoonsters van den
Olymp eenige vermakelijke oogenblikken. De zonnegod
68
Helios, die met zijn stralen overal doordrong en voor
wien niets verborgen kon blijven, had de geheime plaats
voor de bijeenkomst van het goddelijk liefdespaar ontdekt en verwittigde den wettigen echtgenoot van den
ontrouw zijner gade.
In toorn ontstoken, besloot Vulcanus zich te wreken,
'en smeedde in allerijl eed kunstig satneng-esteld net van
uiterst dunne en onzichtbare, maar zeer sterke en lenige stalen draden.
Hiermede zond hij Mercurius naar het bewuste verblijf hij trof daar de beide goden, in heete liefde elkander omstrengelend, spreidde zijn onzichtbaar net
over hen uit en hield beiden gevangen.
Onmiddellijk ontbood hij nu Vulcanus, die zich, vergezeld van den geheelen Olymp, naar de trouwelooze
echtgenoote begaf, en haar, in den staat waarin hij haar
onder het onzichtbare net aantrof, blootstelde aan de
bespotting en de beschimping aller goden.
Behalve de reeds genoemde god Amor, sproten uit
deze liefde voort de godin Harmonia en haar twee
broeders Demios en Phobos, de goden van den Angst
en de Schrik, die hun moordzuchtigen vader steeds
vergezelden.
De bekende martneren groep van Venus en Mars,
een der grootste meesterstukken van beeldhouwkunst,
bevindt zich op het Kapitool te Rome.
Harmonia, de godin der Eendracht, en zeer vereerd
om haar beminnenswaardig karakter, werd later de vrouw
van Cadmus, toen deze uit Phenicie naar Griekenland
was overgestoken. Hij bereikte met haar een hoogen
ouderdom, zoodat hij bij het einde zijns levens een
menigte kinderen en kleinkinderen rand zich geschaard
69
zag. Toch werd zijn grijze ouderdom vergald door tallooze rampen, die voornamelijk over zijne dochters nederdaalden, hij begaf zich zelfs met Harmonia naar
Illyrie, waar de fabelleer zegt, dat zij in twee slangen
veranderd Nv erd en . Een dezer bovenbedoelde dochters
was Senzele, waarvan de liefdesavonturen met Jupiter
ons reeds bekend zijn.
Ook Anchises genoot de eer, door Venus bemind te
worden, een omstandigheid welke de Romeinen, en onder
hen vooral Virgi/ius in zijn «Enekle», zich ten nutte
gemaakt hebben, om aan hun stad een goddelijke stichting toe te schrijven en eenige hunner voornaamste geslachten tot de goden te doen opklimmen. Anchises zelf
was afkomstig van het godengeslacht. De Trojaansche
koning Tros, naar wien de stad, die hij gesticht had,
Troje genoemd werd, was de kleinzoon van Dardanus,
dien Jupiter bij een der Plejaden, Electra, verwekt had,
en zelf de vader van drie zoons : Ilus , Assaracus, en
Ganymedes; de tak van //us zette zich voort in Laoznedon en Priamus die de laatste der Trojaansche koningen
was Assaracus had een zoon, Kapys genaamd, die de
vader werd van Anchises.
Jupiter wist Venus een hevigen hartstocht in te boezemen voor den schoonen jongeling, dien zij een bezoek
bracht op den berg Ida, onder de gedaante van eene
gewone sterfelijke vrouw van bewonderenswaardige
schoonheid. Verlegen over haar eigen zwakheid, zich
aan een eenvoudigen aardschen sterveling overgeleverd
te hebben, maakte zij zich bekend aan Anchises en beval hem, deze gebeurtenis zorgvuldig geheim te houden.
Deze kortstondige liefde bracht Aeneas voort, den
held van den Trojaanschen oorlog. Deze begaf zich, na
70
de verwoesting van zijn vaderstad door de verbonden
Grieksche Machten, met een talrijke volksplanting naar
Italie ; de zoon van ..-ieneas was Ascanius, die later den
naam van Jilts aannam, en een koninkrijk stichtte te
Alba Longa, niet verre van de plaats, waar later Rome
opgebouwd werd. Tot hem deed het geslacht der fullers te Rome zijn oorsprong opstijgen, en door een der
nakomelingen van Ju/us, namelijk Romulus, werd Rome
gesticht. Anchises werd later door zijn zoon Aeneas uit
den algemeenen brand van Troje gered. Hij was door
ouderdom verlamd, en werd door zijn zoon op de
schouders uit de brandende stad gedragen. Eenige beweren echter dat hij te Troje als een tachtigjarige grijsaard overleed, v66r de verwoesting der stad ; anderen,
dat hij zijn zoon vergezelde op zijn tocht naar Italie,
maar op het eiland Sicilie om het leven kwam.
Adonis heeft een groote rol gespeeld in. hetgeen de
fabelleer ons mededeelt omtrent de lotgevallen van
Venus. Zijn naam beteekent : de verblijdende, en hij
was in zijn tijd de schoonste jong-eling ter aarde. Hij
werd ter wereld gebracht door Myrrha, de dochter van
Ciizyras, een zoon van Apollo, en vorst op het eiland
Cyprus.
Deze Myrrha was reeds verscheidene malen aangezocht geworden tot een huwelijk, maar zij weigerde
haar hand aan alien die er naar dongen en bekende eindelijk aan haar min, dat zij op haar vade verliefd was
geraakt ; de min kende het licht tot wanhoop en vertwijfeling geneigde karakter van de jonge schoone ; zij
had haar reeds eenmaal het leven gered, toen zij zich
uit wanhoop verhangen had, en om een herhaling van
een dergelijke ramp te voorkomen, beloofde zij haar,
71
hoezeer deze onnatuurlijke liefde haar ook tegen de
borst stuitte, behulpzaam. te zijn.
Zij slaagde er werkelijk in, op listige wijze de twee min
nenden met elkander te vereenigen, zonder dat de vader
argwaan koesterde, dat de schoone, die hij in zijne armen drukte, zijn dochter was. Maar toen Cinyras eindelijk dit noodlottige geheim ontdekte, wilde hij in zijn
eerste opwelling van drift zijn dochter aanstonds dooden.
illyrrha slaagde er echter in te vluchten, en begaf zich
naar Gelukkig Arabie. Hier werd zij ten slotte haar leven
moede, en o fschoon in staat van zwangerschap verkeerende, smeekte zij de goden, haar in eene andere gedaante te herscheppen, om noch het rijk der levenden,,
noch dat der dooden door haar bestaan te ontreinigen.
De goden verhoorden hare bede en veranderden haar
in een struik, die onophoudelijk tranen schreit, n.l. de
myrrestruik, waarvan de gom de bekende myrrhe verstrekt. Inmiddels ontfermde Lucina zich over het kind
dat .1/yrr/uz in haar schoot, den bast van den boom,
droeg, en hielp het zijn gevangenis verlaten. Dit
kind was de overschoone Adonis die door de boschnimfen zorgvuldig opgevoed werd.
Toen Adonis tot een jongeling was opgegroeid, werd
hij de lieveling van Venus. Zij verkeerde op zeer vertrouwelijke wijze met hem, vergezelde hem op de jacht
en terwijl zij zonder zijne tegenwoordigheid zelfs niet
scheen te kunnen leven, wekte dit de jaloerschheid op
van den krijgsgod Mars, die den beminden jongeling
naar het leven begon te staan.
Venus, de plannen van Mars doorziende, vermaande
Adonis zich nooit aan de gevaren van wilde of verscheurende dieren bloot te stellen, daar zij vermoecide,
.
72
dat deze hoogstwaarschijnlijk door den oorlogsgod op
hem afgezonden werden. De moedige Adonis, medegesleept door zijn hartstochtelijke voorliefde voor de jacht,
sloeg, de vermaningen van de bekoorlijke godin in den
wind en wierp zich, terwijl deze afwezig was, op een
wild zwijn, dat hem ongelukkigerwijze een doodelijke
wonde toebracht in de onderbuik. Toen Venus op zijn
angstkreten toesnelde, trof zij den schoonen jongeling
reeds stervende aan ; zij smolt in tranen weg op het
lijk van den geliefde en veranderde zijn bloed in een
bloem, welke in het Grieksch anemone genoemd werd,
en bij ons veld- of windroosje beteekent. Na verloop
van twaalf maanden werd Adonis echter weder ten leven
opgewekt.
Na zijn dood werd deze Adonis op de bekende Adonien vereerd, niet alleen in Griekenland, maar in het
geheele oosten, in Egypte en tot in Perzie. Op zijn
feestdagen, de zooeven genoemde Adonien, die jaarlijks twee dagen duurden, werd zijn herinnering vooral
door de vrouwen met luide jammerklachten gevierd,
terwijl de tweede dag gewijd was aan meer opgewekter
feesten. Bij deze gelegenheid droegen zij korven met
aarde, waarin bloemen geplaatst waren, naar fonteinen
en bronnen, en stortten ze er in uit, ter herinnering
aan het bloed, dat de schoone jongeling vergoten had.
Aan Adonis en Venus was dikwijls een zelfde tempel
gewijd.
Eenigen zien in Adonis een geschiedkundig persoon
en noemen hem een regeerend vorst van Arabie of
Egypte ; anderen stellen hem gelijk met den Egyptischen Osiris, waarbij Venus als Astarte of Isis gedacht
wordt ; Thammus, die door den Profeet Ezechiel (cap.
73
VIII 14) genoemd wordt, is waarschijnlijk deze zelfde
Adonis, die jaarlijks in de maand Juni in Phenicie en
andere omliggende landstreken door treurfeesten vereerd werd.
Wij kunnen moeilijk over Venus spreken, zonder
daarbij tevens de merkwaardige lotgevallen van Paris
in herinnering te brengen. Aan het huwelijksfeest van
Pekus en Thetis waren alle goden en godinnen van den
Olymp uitgenoodigd, uitgezonderd Eris, de godin der
Twist en Tweedracht, opdat de vreugde van het feestmaal door niets zou gestoord worden.
Alle goden brachten geschenken aan het bruidspaar,
maar Eris, die ontroostbaar was over het verbod dat
haar gedaan was om aan het feest deel te nemen, en
naar wraak dorstte over deze minachtende behandeling, wierp een gouden appel in de bruiloftszaal, met
het opschrift : «Aan de schoonste der godinnen.» Op
deze wijze bereikte zij toch haar doel, en zwaaide zij
zelfs na eenige oogenblikken geheel alleen den scepter
in die zaal, daar alle aanwezige godinnen, jaloersch
op eigen schoonheid, weldra in de hevigste twisten geraakten aan wie van haar de gouden appel toekwam,
wie onder haar met het volste recht de schoonste moest
genoemd worden.
De strijd bepaalde zich ten slotte voornamelijk tusschen
Juno, Minerva en Venus, • die onder alle godinnen de
hoogste, maar tevens gelijke aanspraken op onovertroffen
schoonheid deden Belden.
Daar de oneenigheid tusschen deze drie bleef voortbestaan besloten zij, na Jupiter geraadpleegd te hebben,
zich te onderwerpen aan het oordeel van een sterveling, en
kozen eenstemmig Paris, als scheidsrechter in dit merk-
74
waardige geschil. Paris, een Trojaansch prins, die ook
Alexander genoemd werd, was een zoon van koningPriamus en Hecuba, en volgde in ouderdom op den
prins Hector, den beroemden held van den Trojaanschen
oorlog, waarin hij door Achilles gedood werd. Reeds bij
zijn geboorte hadden er wondere dingen plaats gegrepen.
In een droom werd aan zijn moeder voorspeld dat zij
een brandenden fakkel ter wereld zou brengen, die aan
haar vaderstad uiterst noodlottig zou worden.
Om dit te voorkomen, en de orakelspreuk te logenstraffen liet Priamus het kind blootstellen aan de wilde
dieren op den berg Ida. Maar eene berin beschermde
den zuigeling en zoogde hem, waarna hij, opgegroeid
zijnde, onder de herders van den berg Ida bleef leven.
Hij werd zelfs zeer hoog door hen geacht en bemind,
en oefende in zekeren zin het opzicht over hen alle
uit Paris was inmiddels in het huwelijk getreden met
Oenone, een dochter van Cebren, uit welke echtverbindtenis reeds een zoon was voortgesproten, Corythus
genaamd.
Tot dezen Paris nu wendden zich de drie jaloersche
godinnen om zijn oordeel omtrent haar schoonheid te
vernemen. Nadat Mercurius haar naar den berg Ida
begeleid had, deelde hij aan Paris het veilangen der
godinnen mede, waarop deze den gouden appel aannam,
en er gaarne mede instemde dat de schoonste aller godinnen hem om strijd haar behoorlijkheden zouden toonen.
Eenige fabeldichters stellen het «oordeel van Paris>>
op deze wijze voor, dat de .drie godinnen zich tegelijkertijd en in elkanders tegenwoordigheid voor Paris ontkleedden, en elk harer door de betooverende verrukking
van haar schoonheden, het hart en het oordeel van den
75
herdersknaap voor zich trachtten te winnen ; anderen
daarentegen, — en dit komt ons, naar den aard der
gebeurtenissen, wel waarschijnlijker voor laten de
drie godinnen beurtelings naakt voor Paris verschijnen.
Want elk harer begon, zoodra zij in zijn tegenwoordigheid
kwam, en hem in verrukking gebracht had door den
glans harer schoonheid, ieder volgens haar eigen karakter, geschenken, en macht en roem en eer te beloven,.
om hem als het ware om te koopen, — een omstandigheid, welke moeilijker zou verklaard worden wanneer
zij zich tegelijkertijd aan hem getoond hadden. Toch
worden zij meestal, in de tegenwoordigheid van Paris
vereenigd, op schilderingen voorgesteld, ook wel om
deze reden, dat op een enkel schilderij het tafereel niet
gesplitst kan worden.
Nu begon Juno hem de hoogste heerschappij over
geheel Azie te beloven ; Minerva evenzoo de hoogste
wijsheid ; maar Venus begon hem om zijn eigen
schoonheid te prijzen, beloofde hem liefde in te zullen
storten en hem tevens een gelukkig leven te doen leiden
in vereeniging met de schoonste vrouw, welke in Griekenland te vinden zou zijn.
Ook bier overwon Venus, de godin der liefde,
en ontving van Paris den gouden appel, waardoor hij
haar als de schoonste aller godinnen prees, maar tot
welken stap hij zich waarschijnlijk niet zou hebben laten
verleiden, indien hij er de onberekenbare gevolgen van
had kunnen voorzien.
Intusschen kon het huwelijk van Paris met Oenonehem niet weerhouden, zich op zijn onderzoekingstocht
te begeven naar de schoonste der Grieksche vrouwen,
welke Venus hem beloofd had.
76
Reeds had Venus hem den naam van Helena, de
getnalin van koning Menelaus genoemd, en daar er ook
vele geruchten omtrent de buitengewone schoonheid van
deze vorstin tot hem waren doorgedrongen, brandde hij
van begeerte om haar te zien, en kwam met een schitterend gevolg te Sparta, waar Menelaus regeerde, aan.
De Oostersche weelde en rijkdom waren, vooral bij
de Spartanen, nog niet bekend, en daarom werd deze
jonge, schoone Prins met zijn luisterrijk g -evolg- met de
grootste bewondering ontvangen, en in overeenstemming
met zijn hoogen rang behandeld.
Menelaus was te dien tijde afwezig en beyond zich
op een reis naar Creta wat de plannen van den stoutmoedigen Paris niet weinig vergemakkelij kte. Toch
was de invloed, dien hij op Helena kon uitoefenen, niet
zoo machtig, dat hij haar aanstonds kon bewegen, hem
te volgen, maar moest hij de hulp inroepen van dezelfde
godin die hem haar beloofd had. Venus geholpen door
haar bondgenooten en gezellinnen deed echter weldra
zulk een hevige liefde in het hart van Helena voor Paris
ontbranden, dat zij niet draalde zich door den schoonen Prins te laten schaken en hem naar Troje te vergezellen, vooral nu zij van meening was, dat Menelaus
noch den lust, noch de macht had, om terwille van een
vrouw, iets ernstigs tegen het machtige Troje te ondernemen, en dit om zoo meer, daar Menelaus van nature
goedaardig en vredelievend gestemd was.
De latere gebeurtenissen, waarbij het geheele Grieksche Rijk in het harnas gejaagd werd, en het oorlogs2waard omgordde tegen het Trojaansche Rijk, moesten
deze meening weldra logenstraffen.
Helena ontvluchtte dus met Paris uit Sparta, en nam
,
,
77
niets met zich mede dan haar schoonheid en eenige
sieraden, alsmede een harer vriendinnen en een dienares, Clymene genaamd.
Op den terug-weg naar Troje vermeed het Trojaansche schip van Paris de Peleponnesische kusten, omi
van daaruit niet achtervolgd te worden, maar zeildelangs Egypte, Phenicie en de stad Sidon naar Troje,.
waar Helena met den grootsten luister ontvangen
werd. Zij kwamen daar aan als gemaal en gemalin„
want reeds had Paris op het eiland Cranae zijn huwe-lij k met Helena gesloten.
Helena, die buitengewoon schoon en daarom buitengewoon gevierd werd, en daarbij jong, overvaren en,
lichtzinnig van karakter was, vergat al zeer spoedig
haar vroegeren gemaal, en bracht haar dagen te Troje
door in een aaneenschakeling van genot, van feesten
en van liefde, welke zij met Paris deelde.
In Sparta bleek men echter al aanstonds veel minder ingenomen met deze brutale schaking dan in Troje,
waar Ariamus zich niet tegen deze misdaad van een,
zijner zoons en onderdanen verzet had.
Men began met een gezantsc-hap naar Troje te zenden om op vriendschappelijke en vredelievende wijze
de schoone Helena terug te eischen. Maar toen deze
afgezanten onverrichter zake naar Sparta waren teruggekeerd, riep Menelaus, alle Grieksche vorsten, die zich,
door een eed verbonden hadden om elkander in een
mogelijken oorlog bij te staan, op, om aan dezen eed
gevolg te geven.
Gedurende tien joren werden er ontzaglijke toebereidselen gernaakt voor den oorlog Troje was een
machtig rijk, Prianzus heerschte over verscheidene vasal-
78
'stater, en alvorens de Grieken eenige hoop konden
koesteren om zich van Troje zelf meester te maken,
moesten zij Brie en twintig versterkte steden bemachtigen.
Nadat de Grieksche vloot eindelijk de kusten van
Troje bereikt had, en de schepen aldaar op den oever
verbrand waren, om slechts te kunnen overwinnen of
sterven, verliepen er nog tien jaren, alvorens de ver- -enigdGrkstaoenvrm .Zij
zouden hierin zelfs niet geslaagd zijn, als verraad, of
peter gezegd de slimme list van het bekende Houten
Paard, hun de stad niet in handen had gespeeld.
Paris was inmiddels in het tiende jaar van den oorlog in den strijd gesneuveld, en Helena trad opnieuw
in het huwelijk met den broer van Paris, n.l. Dei-
Phobos.
Maar toen de stad eindelijk bezweken, en in vlammen opgegaan was, werd Helena door Menelaus weder
naar Griekenland teruggevoerd.
De reis, die hij daartoe aflegde, verlengde zich echter
tot een tijdsverloop van acht jaren, waarin hij in vele
g-ewesten verdwaalde, en zich ook met opzet naar de
Egyptische en Lybische kusten begaf om bezit en schatten te verzamelen.
Volgens de berekening van den tijd, welke nu verToopen was, sedert de heillooze oorlog een aanvang
had genomen, moest Helena den leeftijd van ongeveer
vijftig jaren bereikt hebben. Maar toen zij te Sparta
aankwam, was zij nog zoo schoon, dat men haar algemeen als een wonder van haar tijd beschouwde. .
Na haar dood, die later plaats greep dan die van
haar g-emaal Menelans, werd zij onder den rang der
halfgodinnen opgenomen.
79
Deze zijn, in korte trekken, de voornaamste lotgevallen en personen, die rechtstreeks of indirect met de
godin der liefde en der schoonheid in verband kunnen
o-ebracht worden. Alhoewel onder verschillende namen,
is Venus de meest verspreide en de meest geeerde geweest, onder ails godheden. De geheele oudheid, alle
volkeren en staten, ja men mag wel zeggen nagenoeg
alle steden kenden een Venus, hetzij onder den algemeenen naam, hetzij onder een afzonderlijk aangenomen of toegedichten naam.
Verschilden de namen echter, dan was toch het
lcarakter van al deze Venussen in de voornaamste
punten nagenoeg hetzelfde, en de Aphrodisien, of
Venusfeesten werden door alien met een eenparigen geestdrift gevierd. De Arabische Venus, Alitta,
de Assyrische Mylitta, de Egyptische Isis. de Phoenicische Astarte en zoovele andere Oostersche oppergo• innen dragen alle dezelfde kenmerken van de Grieksche
Venus of Aphrodite, om welke de in die verschillende
-linden in zwang zijnde fabelgeschiedenissen de afzon•derlijke lotgevallen, die onderling vaak maar zeer weinig
verschillen, gegroepeerd hebben.
De beroemdste tempels van Venus in de oudheid
waren die van Paphos en Cnidus, op Cyprus, naar welke
zij Paphia en Cnidia genoemd werd. Vervolgens de
tempel op den berg Eryx in Sicilie, vanwaar zij de benaming : Erycina droeg en vooral de tempel van Corinthe, waar aan den dienst van het heiligdom duizend
schoone dienaressen verbonden waren, die hierodulen
of gewijde slavinnen genoemd werden, en door middel
van haar schoonheid verdiensten trachtten to verzamelen voor zichzelf en voor den tempel. Ook op den berg
-
8o
Libanus leefden vele priesters en priesteressen van hen us
waarom zij Libanitis genaamd werd.
Eindelijk werden sommige personen van hoogen rang
door de oudere dichters Zonen van Venus genoemd.
Dit diende vaak als een voorwendsel om de eigenlijkemoeder, die somtijds van veel geringeren stand was,
in het duister to laten. In dezen zin moeten wij het
verstaan, wanneer de dichters zeggen dat Anchises Aeneas
verwekt heeft bij Venus op den berg Ida, waardoor de
eigenlijke moeder van Aeneas ons onbekend is gebleven..
,.
.
DIANA OF ARTEMIS.
Diana, in het Grieksch Artemis, was de dochter van
Jupiter en Latona, en behoorde tot de twaalf groote
godheden. Zij was de godin der Maan, en in deze hoedanigheid verwant aan Apollo, of den god van de zon
Zooals venu droeg ook Diana ontelbare namen, volgens de plaatsen waar zij vereerd werd, of de karaktertrekken, de ambten, de macht of de eigenschappen die
de Oudheid haar toekende.
Horatius noemt haar Noctiluca, d. w. z. die des nachts
haar licht verspreidt. De Grieken vereerden haar ook
onder de renaming van Phosphoros, of de lich'tdraagster,
en voornamelijk onder den hierboven vermelden naam
van Artemis, die : de voleindigende, de volkomen makende, beteekent. Naast den zon is namelijk de voile
maan voor ons het volmaaktste licht zij • vuit aan gedurende den nacht, wat de zon, door achter den horizon
to verdwijnen, aan lichtverspreiding laat ontbreken.
Zooals de zon Phoebus en Oulios genoemd werd, zoo
noemden de Grieken Diana of de Maan, ook Phoebe of
Ou/ia en in dezen zin beschouwden zij haar voornamelijk als de tweelingzuster van Apollo. Andere benamingen, zooals Cynthia, Delia werden eveneens van de
Mythologic.
6
mannelijke namen van den zonnegod afgeleid. Aanvan-
kelijk onderscheidde men een bijzondere maangodin,
Luiuz of Seme/e genaamd, die echter langzamerhand
vereenzelvigd werd met Diana.
Artemis was voornamelijk de godin van alles wat betrekking had op de jacht, op den nacht, op de geboorte,
en op den maagdelijken staat en de kuischheid.
Daar de roofdieren gewoonlijk gedurende den nacht
hun holen verlaten en op buit uitgaan, werden er veelal
groote jachtpartijen georganiseerd gedurende den nacht.
De jagers stelden zich onder de bescherming van Diana
om haar te bewegen, het terrein van hun jachtpartijen
overvloedig te verlichten door de heldere stralen der
maan. Dit had ten gevolge dat zij algemeen beschouwd
werd als de godin der jacht, en bestempeld met den
naam : Agrotera.
In deze hoedanigheid wordt zij afgebeeld als een
schoone maagd, die op het hoofd een halve maan draagt
en in de hand een boog-, met pijlen of met een pijlkoker op den rug en een bong in de hand, terwijl zij
vergezeld . gaat van een hert. Meestal is zij gekleed, daar
zij tevens de godin der kuischheid was, maar somtijds
wordt zij ook geheel naakt afgebeeld, om daardoor te
kennen te geven, dat niets haar belemmerde, wanneer
zij het wild achtervolgde.
De maagden, die den gehuwden staat niet wilden
omhelzen, stelden zich onder de bescherming van Diana
en wijdden zich aan haar toe. Zij vereenigden zich dikwijls bij nacht in bosschen, vooral bij helderen maneschijn, om haar onder den naam van Selene te aanbidden en liederen ter hare eere te zingen. Behalve dat
Diana steeds zelf haar kuischheid bewaarde, eischte zij
83
ook van de nimfen die haar vergezelden, dat zij maag -den waren en bleven. Het was geen sterveling geoorloofd, de oogen op haar of op een harer nimfen te
slaan, wanneer zij naakt waren, en deze overtreding
svist zij op de verschrikkelijkste wijze te straffen.
Dit lot onderging onder anderen een zekere Actaeon, een der kleinzonen van Cadmus, die door Aristaeus
verwekt was bij Antinoe, de dochter van Cadmus. Evenals zijn vader was Actaeon een groot lief hebber van de
jacht. Zich op zekeren dag in een woud bevindende,
geraakte hij verdwaald, en verwijderde zich meer. en
meer van zijn jachtgezellen. Plotseling ontdekte hij in
ten vijver de schoone Diana met haar nimfen, die zich
daar in het heldere water baadden en verlustigden.
Actaeon kon den lust niet bedwingen, om haar heerlijke
vormen van meer naderbij te bewonderen. Hij sloop
dus heimelijk dichter naar de schoone groep, en begluurde haar van achter eenige rotsen.
Zijn nieuwsgierigheid werd echter zwaar gestraft. Diana
ontdekte hem en wierp hem een handvol water in het
gelaat, waarna hij plotseling in een hert veranderd
werd. Door het woud wegvluchtend, werd hij echter
door zijn eigen honden opgespeurd en verslonden, daar
deze in hem een rijken prooi meenden te vinden.
Wat de fabelleer ons echter mededeelt omtrent
dymion, getuigt, dat Diana ook niet altijd tegen Venus
bestand was. Volgens sommigen verwekte Endynzion bij
haar vijftig zonen. Deze was een schoone jongeling in
Carie, die een bijzondere voorliefde koesterde om op
den berg Latmos te jagen, en daar ook den nacht door
te brengen, wanneer hij zich, uitgeput van vermoeienis,
ter ruste legde. Diana gevoelde liefde voor hem en be-
84
zocht hem dikwijls op den genoemden berg. Zij kuste
hem dan vol vuur, maar Endymion ontwaakte niet onder haar liefkozing-en. De slaap van Endpnion is intusschen een spreekwoord geworden voor iemand die
het grootste en beste gedeelte van den dag slapende
doorbrengt.
De Latynen noemden Diana ook Triformis, en de
Grieken Trioditis, naar de drie gedaanten welke de maan
kon aannemen : de sikkel, de halve maan en de voile
maan daarom werd zij tevens afgebeeld met een hoofd
en drie aangezichten. Ook treft men haar aan met een
sluier boven het hoofd, waarin talrijke sterren geplaatst
zijn, en een brandenden fakkel in de hand. Orpheus
noemde haar zelfs in zijn gezangen, de godin der sterren of Astrarche. En ten tijde van keizer Heliogabalus werd zij te Rome vooral onder den naam van
Urania vereerd.
De tooveressen, die voornamelijk gedurende den nacht
en bij maneschijn haar zonderling-e bezigheden verrichtten, haar kruiden verzamelden en haar toovermiddelen
bereidden, vereerden op geheel bijzondere wijze de godin
Diana, die met betrekking tot haar Hecate genoemd
werd. Deze Hecate voerde het bevel over de nachtspoken, die door de Romeinen Mostella of Larvae genoemd
werden. Dezen waren drie in getal : Empitsa, Lamia
Monizo, en werden afgebeeld door afschuwwekkende
vrouwengestalten met ezels- of bokspooten.
Een der beroemdste onder de tallooze tempels van
Diana was die te Ephesus, waar haar beeld onder een
zonderlincr
credaante vereerd was.
be 6
Haar boezem was met talrijke g-ezwollen borsten bedekt, ais een zinnebeeld van he leven wat zij schonk
85
bij de geboorte, terwijl het onderste gedeelte van het
lichaam uitliep in een massief blok, waarop verschillende symbolische figuren en gedaanten prijkten. De
Romeinen kenden ook een god Lunus, van het mannelijk geslacht, en eveneens de maan voorstellende.
MINERVA OF ATHENE.
Minerva, door de Grieken Pallas Athene genoemd,
was de dochter van Jupiter. Zij verpersoonlijkt de hoogste
gave van den hoogsten god Jupiter, namelijk : de wijsheid. Daarom is zij uit zijn hoofd voortgesproten, en
om aan deze voorstelling een meer bevattelijken vorm te
geven, heeft de fabelleer dit aldus ingekleed, dat Vulcanus
door Jupiter zelf bevolen werd, hem het hoofd open te
splijten, waarna ./V/inerva, onder de gedaante van een
wonderschoone vrouw, maar gewapend met de wapenrusting van een strijder, uit zijn opengelegde hersens
opsteeg. Paeon, de geneesheer der goden, heelde de
wonde van Jupiter. Hierom wordt Minerva ook Tritogenia, uit een hoofd geboren, genoemd.
Minerva werd voornamelijk vereerd als de godin die
beleid schenkt in de regeering, zoowel in vredestijd als
in oorlog daarom werd zij gewapend afgebeeld. Van
haar helm zegt Homerus zelfs, dat deze groot genoeg
was, om het hoofd van vele duizenden krijgslieden
tegelijkertijd te bedekken.
In Minerva heerschten de verstandelijke vermogens
over de zinnelijke evenals Diana verkoos zij den maagdelijken staat boven het huwelijk.
87
Toch was zij niet blind voor lichamelijke schoonheid,
en was zelfs zeer naijverig over haar eigen wondervolle
schoonheid, wat wij reeds bij het «oordeel van Paris»
op den berg Ida gezien hebben.
Haar achterstelling bij Venus verwekte zooveel haat
in haar hart, dat zij zich in den oorlog van Troje in
alles tegen de plannen van deze godin verzette en steeds
de zijde der Grieken koos. Naar haar naam
heette ieder beeld van Minerva : Palladium meer in
het bijzonder was dit de naam van een Minerva-beeld,
dat uit den hemel in het land van Troje zou nederge
daald zijn, Avaarbij de orakelen voorspeld hadden, dat
de plaats of de stad, waar dit beeld bewaard werd,
onoverwinnelijk zou zijn. Gedurende den Trojaanschen
oorlog werd dit Palladium bewaard in den Minervatempel op den burgt van • Troje, en waren de Grieken,
wilden zij de stad zelve veroveren, genoodzaakt om vooraf dit beeld te verwijderen of te bemachtigen. Werkelijk
werd het Palladium, door de listigheid van Ulysses en
Diomedes uit de stad verwijderd, maar later door Aeneas
naar Italie overgebracht, alwaar het te Rome, in den
tempel van Vesta, vereerd werd.
Minerva werd gewoonlijk afgebeeld als een statige,
schoongevormde vrouw, met een helm op het hoofd,
en een schild aan den arm of op de borst, terwijl zij
in de rechterhand een lans draagt. Zij gaat gewoonlijk
vergezeld van een uil. Op het hoofd draagt zij een toren
of muurkroon, waardoor aangeduid werd, dat zij de
beschermgodin der steden, vooral van Athene was, en
dat de wijsheid en het goede gebruik der verstandelijke
vermogens de ware grondslag was van alle staten en
steden en staatsbestuur. De vederbos op den helm wordt
SS
somtijds vervangen door drakenfiguren ; niet zelden versierde men haar helm ook met de afbeeldingen van de
gelaatstrekken van Socrates en Plato.
Alle uitvindingen en kunsten werden aan Minerva
toegeschreven ; zoo, het spinnen en weven. de bouwkunde, de boomkweekerij, voornamelijk die van den
olijfboom en de kunst van de bereiding der olijfolie,
de krijgskunde en de vervaardiging van oorlogstuig.
De Olijfboom was zelfs een van haar meest kenmerkende symbolen. Deze boom werd haar toegewijd, omdat
zij hem geschonken had aan de Atheners, wier stad zij
gesticht had, als de nuttigste gave, welke den inwoners
van dit land door de goden aangeboden kon worden.
Anderen verhalen hieromtrent de volgende fabel :
Toen Cecrops uit Egypte naar de landstreek van Athene
was overgestoken, verzamelde hij de verspreid wonende
menschen in dorpen en steden en stelde onder hen het
huwelijk in, dat hun tot dusverre onbekend was. Daarom
werd deze Cecrops later : Dipkycs, genaamd en afgebeeld met twee gezichten, een mannelijk en een vrouwelijk. Tusschen Minerva en Neptunus ontstond nu een
oneenigheid, wie hunner aan de stad haar naam zou
schenken. Cecrops werd aangesteld als scheidsrechter
in dezen twist, en besloot, dat degene, die aan dit land
de nuttigste gave schonk, ook het recht zou verkrijgen,
de stad haar naam te geven. Door met zijn drietand
op de aarde te stooten, bracht Neptunus een paard te
voorschijn, maar Minerva deed den olijfboom opschieten. Cecrops beslistte ten gunste van Minerva.
De olijftak werd sedert deze gebeurtenis beschouwd
als het zinnebeeld van den vrede, die alle Nverkzaamheden van den geest bevordert en stater en steden
MEDUSA-HOOFD.
89
in welvaart en bloei doet toenemen ; eveneens werden
zij, die op de Panathenaeen de overwinning behaalden,
met een krans van olijfbladeren beloond. Onder de
talrijke feesten welke ter eere van Minerva gevierd
werden, waren deze Panathenaeen de grootste en luisterrijkste. Daar stroomde alles wat zich in Griekenland
onderscheidde door lichamelijke of geestelijke begaafdheden bijeen, om onderling te wedijveren.
Minerva onderscheidde zich vooral door de bescherming en den steun, die zij aan Perseus verleende in zijn
strijd tegen de Gorgonen. Dezen waren de dochters
van Phorcus, een zoon van Neptunus. Zij heetten Stheno,
Euryale en Medusa, en verbleven op een der eilanden
van de Middellandsche Zee, het itegenwoordige Sardinie
of een der Balearische Eilanden. De twee eerste zusters
waren onsterfelijk, Medusa echter was sterfelijk.
Met haar drieen bezaten zij slechts een oog, wat zij
aan elkander leenden ; zij kwamen ook in al haar handelingen steeds op de nauwkeurigste wijze met elkander
overeen, zoodat zij met haar drieen slechts een daad
schenen te verrichten.
Om haar buitengewone schoonheid werd Medusa bemind door Neptunus, die haar overviel in een heiligdom
van Minerva, en haar in deze gewijde plaats onteerde.
Daar Minerva zich niet op Neptunus kon wreken, richtte
zij al haar toorn en wraak op Medusa, wier schoone
lokken zij in slangen veranderde, terwijl zij. aan haar
gelaat een zoo afschuwwekkende uitdrukking gaf, dat
bij haar aanblik alleen reeds alles in steen veranderde.
Voorts zond zij Perseus op haar af, en geleidde hem
naar Medusa gedurende haar slaap, zoodat zij haar oogen
niet op hem kon richten en hij .dus Been gevaar liep,
90
versteend te worden. Hij sloeg haar het hoofd of en
nam dit met zich mede ; het hoofd bleef de eigenschap
behouden van alles in steen te kunnen veranderen, en
uit het bloed, dat bij den dood van Medusa vloeide,
ontstond een vliegend paard, de Pegasus, waarvan Perseus zich voortaan steeds bediende. Terwijl hij op zijn
terugreis naar de kusten van Phenicie door Afrika trok,
vielen er talrijke bloeddruppelen uit het pas afg-ehou
wen hoofd op den Afrikaanschen bodem, waaruit ontelbare slangen voortkwamen. Minerva had Perseus, voor
zijn strijd tegen de Gorgonen, ook voorzien van een
helm, die den drager onzichtbaar maakte.
Perseus toonde zich dankbaar jegens de groote godin die hem op zoo wonderlijke wijze toegerust en beschermd had, en schonk haar het hoofd van Medusa,
hierom treft men, bij de beelden van Minerva dikwijls
een Medusa-kop aan, hetzij op den helm, hetzij op haar
gordel, of naar schild.
De schoonste standbeelden van .'llinerva, ook het
meesterstuk van Phidias, dat uit goud en ivoor was
vervaardigd, zijn voor ons verloren gegaan.
Dit laatste beeld bezat kolossale afmetingen, bereikte
een hoogte van omstreeks veertig,- voet, en was bestemd
voor Minerva's tempel op den Acropolis. Eenige beroemde Minerva-koppen, maar geen oorspronkelijke
werken, zijn tot ons gekomen.
De Ro- meinen bouwden deze godin een luisterrijken
tempel op het Forum Romanum. De beteekenis en de
afleiding van den latijnschen naam is in het duister gebleven, reeds ten tijde van Keizer Augustus waren zij
ook den Romeinen niet meer bekend.
APOLLO.
APOLLO.
Apollo, meestal Phoebus of Phoebus Apollo genaamd,.
de Zonnegod en de aanvoerder der Muzen, was de god
van het licht, van het gezang, van de geneeskunst en
der mannelijke schoonheid.
Hij was de zoon van Jupiter en Latona, die door Juno,
de wettige gemalin, op schrikwekkende wijze vervolgd
werd, en tevens de zuster van Diana. Hij was in vele
opzichten het mannelijk evenbeeld van Minerva. Zooals
de wijsheid of Minerva de grootste geestesgave van Jupiter was, zoo verpersoonlijkte Apollo, of het licht, de
grootste stoffelijke gave van den machtigen god.
Nadat Juno de trouweloosheid van haar hoog-en gemaal met Latona ontdekt had, verdreef de jaloersche
godin haar niet alleen uit den hemel, maar gunde haar
zelfs niet de geringste plaats op de aarde, om er het
uur barer verlossing of te wachten. Daarom zwierf zij
steeds rond totdat zij op het eiland Delos, dat Neptunus voor haar uit de zee had doen opstijgen, tusschen een
palm- en een laurierboom haar verheven tweeling baarde.
Zij moest echter het eiland aanstonds weder verlaten,
en begaf zich naar Lycie. Daar eenige bewoners haar onderweg wilden beletten van het water van een moeras te
.
92
drinken, veranderde zij ze in kikvorschen. Apollo werd
vervolgens in Lycie opgevoed.
Ofschoon men voor den zonnegod aanvankelijk een
afzonderlijke godheid aannam, namelijk Helios, werd
Apollo langzamerhand vereenzelvigd met deze persoonlijkheid, en werden zij als een zelfde god beschouwd.
Apollo of Phoebus werd afgebeeld als een jonge schoone
man van edele houding, zonder baard maar met lange
golvende lokken, waarin een krans van laurierbladeren
gevlochten was ; geheel zijn uiterlijk droeg het stempel
van volmaakte mannelijke sclioonheid. In de eene hand
droeg hij gewoonlijk een harp, in de andere een zilveren boog en op den rug een gouden pijlkoker.
Het wereldberoemde beeld van den «Apollo van Belvedere,» dat in het Vaticaan to Rome bewaard wordt,
stelt hem voor als den Pythischen Apollo.
Deze naam werd hem gegeven, vvegens het dooden
van den draak Pytho, en wordt hij ook afgebeeld met
een harnas, dat zijn lichaam en zijn beenen bedekt.
Deze draak verbleef in een donkere spelonk onder den
tempel van Delphi, waar de Pytkia haar beroemde orakelspreuken gaf, gewoonlijk gevat in den vorm van
Grieksche verzen.
Bij haar voorspellingen plaatste deze Pythi a zich op
een gouden drievoet, boven een vuur, dat zware bedwelmende walmen verspreidde, en haar in een soort van
geestvervoering overbracht ; in dezen staat gaf zij haar
wonderspreuken. Apollo doodde den draak, en bouwde
zelf een tempel, waar hij de plaats van Zeus verving
en sprak door den mond van de Pythia. Deze tempel
is gedurende de geheele oudheid beroemd gebleven
onder den naam van Tempel van Delphi.
,
,
93
Apollo was ook de beschermgod der geneeskunde met
welke gave hij ook zijn zoon Aesczilapins op overvloedige
wijze verrijkte. In deze hoedanigheid werd hij Pawn of
Ozdios genoemd, en afgebeeld met een slang naast zich,,
daar ook dit dier een aloud zinnebeeld der geneeskunde
was ; ook andere dieren, zooals de zwaan, de wolf, de
raaf, enz., waren hem toegfewijd.
Maar bewees Apollo den stervelingen weldaden door
zijn orakelen en zijn bescherming en genezing in ziekten en verwondingen, dan wist hij zich ook te wreken
op hen die hem versmaadden of beleedigden. De droevige lotgevallen van Niobe geven hiervan een bewijs.
Deze was een dochter van Tantalus, en gehuwd aan
Amphion, zij verheugde zich ook in het bezit van zeven
zonen en zeven dochters.
Gedurende haar leven had men de vereering van Lalona, de moeder van Apollo en Diana in willen voeren,
vat de jaloerschheid van Niobe opwekte. Zij beweerde
namelijk meer recht te hebben op vereering, daar zij
aan zoovele kinderen het leven geschonken had, dan
Latona die er slechts twee gebaard had. Dit deed detwee godheden van het licht in woede ontsteken. Apollo
doodde met zijn pijlen de zeven zoons van Niobe, terwijl Diana de zeven dochters met de hare doorschoot.
Niobe was vol vertwijfeling-, en ontroostbaar over het
verlies harer kinderen ; zij weigerde alle voedsel en Nverd
door de goden, die zich over haar ontfermden, in een.
steen veranderd.
Een derg-elijk lot overkwam den vermetelen satyr
Marsias, die het waagde, Apollo, den god der zang- en
dichtkunst, tot een wedstrijd op de fluit uit te dagen.
Apollo wreekte zich op hem, door hem de geheele huid_
94
van het lichaam te stroopen. Alle boschbewoners, faunen
en satyrs, beweenden den ongelukkigen Marsias, en de
herders en herderinnen stortten overvloedige tranen,
waaruit het riviertje Marsias samenvloeide, dat weleer
door Phrygie stroomde, en onder dien naam bekend stond.
Horatius zinspeelt in een zijner satiren (I sat. VI
120, 121) op dezen gevilden Marsias, waarvan men te
Rome een zeer kunstig vervaardigd metalen standbeeld
vertoonde. Ook gaf men in de Phrygische stad Celenae,
aan denzelfden stroom gelegen, een menschelijke hand
te aanschouwen, welke die van den ongelukkigen satyr
moet geweest zijn.
Talloos zijn de namen, welke aan Apollo door de Grieken en de Romeinen toegekend werden, en die alle een
eigenschap, een karaktertrek, een weldaad of een heldendaad van den hoog vereerden god vertolkten.
Niet minder talrijk waren ook de tempels die overal
te zijner eere opgericht, alsmede de voorwerpen of personen die hem toegewijd werden.
Hij werd gediend door een schaar van priesters die
evenals hij, met de gave der voorspelling bedeeld waren, en onder zijn zonen werden de beroemdste zangers,
dichters en toonkunstenaars gerekend. Alles wat het
licht des geestes verspreidde onder de menschen, de
-schoone kunsten, de wetenschappen, de muziek, allerlei
uitvindingen en bekvc aamheden of talenten, vonden bescherming en begunstiging bij den vredelievenden god
de harp, de Tier, de drievoet, de zon, en alle onderscheidingsteekenen der muzen waren zijn bijzondere
kenmerken.
Onder de beroemdste tempels die aan dezen god gewijd waren moeten genoemd worden, die te Patara, aan
95
de rivier Xanthus, in Lycie, waarnaar hij Patareus genoemd werd ; die te Colophon in Klein-Azie, een te
Actium in Griekenland en een andere, op niet verren
afstand op het eilandje Leucadia, die hem de benamingen van Actischen en Leucadischen Apollo bezorg -den ; in het land van Troje bezat hij twee tempels, te
Thymbra en te Grymium. Op den berg Cynthus op het
.eiland Delus, verhief zich een zijner tempels, waarnaar
hij Cynthius genoemd werd.
Op sommige plaatsen werd de zonnegod ook vereerd
under den naam van Apollo smintheus, naar het woord
sminthos, dat muffs beteekent.
De fabelleer zegt ons, dat hij in een zekere landstreek
de bewoners weleer verloste van een vreeselijke plaag
van muizen, door aanhoudende, overvloedige regens
over hen uit te storten. Op zijn standbeelden treft men
hem om deze reden somtijds aan met den voet op een
Timis geplaatst.
Zoo bevrijdde hij ook het Attische gebied van een
plaag van sprinkhanen, en werd daarom Apollo Pornopes
:genoemd. Keizer Augustus richtte hem te Rome op
den Palatijnschen Heuvel een heerlijken tempel op.
Behalve dat Apollo zich schuldig maakte aan ong-eoorloofde liefdesbetrekkingen, waardoor hij in het bezit
geraakte van een groot aantal kinderen, wekte hij ook
den toorn van Jupiter op, door de Cyclopen te dooden.
De opperste god strafte hem, door hem voor den tijd
van een jaar uit den Olymp te verbannen, en hem te
veroordeelen om de paarden en het vee van een zekeren
Admetus te weiden.
Horatius verhaalt hieromtrent (1 Ode X 9-----I2) dat
Mercurius in het geheim eenige runderen van de kud-
96
den, die door Apollo gehoed werden, ontvoerde. Bathushad van verre dezen diefstal gadegeslagen, waarop
Mercurius hem een schoone koe aanbood, om hem
daardoor te bewegen, zijn misdaad niet aan het licht
te brengen. Maar als de god der dieven, en hoogst
ervaren in het zonderling bedrijf dezer lieden, Wilde hij
zich voorzichtigheidshalve vergewissen, of hij op de belofte van Bathos kon vertrouwen.
Hij nam dus een andere gedaante aan, en begaf zich
naar denzelfden Bathos, die hem in deze nieuwe gestalte niet herkende, en ondervroeg hem, of hij niemand
voorbij had zien gaan met een kudde van een zeker
aantal stuks hoornvee. Bathos antwoordde bevestigend
en wees hem de richting, waarin Apollo zich met zijn
vee verwijderd had. Tot straf voor zijn trouweloosheid
veranderde Mercurius hem in een steen.
Dit verhinderde echter niet dat de slimme godenbode
door Apollo ontdekt werd deze bedreigde den dief op
zoo schrikwekkende wijze, dat hij de gestolen runderen
terugschonk.
De dageraad, die steeds de opkomende zon voorafgaat,
werd eveneens door de ouden onder de gedaante eener
godheid vereerd. Het was de rozenvingerige Aurora,
die op een gouden wag-en, met twee jonge hengsten
bespannen, langzaam den zonnewagen van Apollo voorafg-ing.
Haar gelaat was rosig en op haar voorhoofd flonkerde
een schitterende ster. Haar gewaad was echter safraankleurig, daar de dageraad somtijds bij somber weder
en zware wolken, een vaal onbestemd licht verspreidt.
Aurora trad in het huwelijk met Tithonus ; deze
smeekte zijn goddelijke echtgenoote, om hem de gave
97
der onsterfelijkheid te verleenen ; daarbij verzuimde hij
echter haar tevens het genot van een eeuwigdurende
jeugd te verzoeken, zoodat hij op hoogen ouderdom
gekomen zijnde, het leven moede werd. Hij smeekte
nu de goden, hem te laten sterven, maar zijn bede werd
niet verhoord ; hij werd veranderd in een krekel, die
door zijn gezang steeds den opkomenden dageraad
begroet.
Mythologie.
7
MAR S OF ARES.
Mars, de schrikwekkende god van den oorlog, genoot
grootere vereering bij de Romeinen, die het zwaard
over de wereld zwaaiden, dan bij de Grieken, die haar
meer door de wijsheid van Minerva regeerden.
Hij verkreeg ook bij de Romeinen, ondanks zijn
liefdesbetrekkingen met Venus, nooit dat meer zachtaardige karakter, wat de Grieken hem in de tijden die
kort op Homerus volgden, trachtten toe te kennen.
Voor de eersten was hij de god van den oorlog, van
het zwaard, van roof en buit, van bloedvergieten, moorden en menschelijke offeranden ; en zijn twee zoons
Demos en Phobos, de schrik en de angst, gingen hem
steeds vooraf. Het wekt dus Been verwondering dat deze
god bij de Romeinen, bij wie de tempel van Janus
slechts driemaal gesloten werd tot aan de regeering van
keizer Augustus, d.w.z. dat Rome slechts drie korte
tijdperken van vrede kende, hoog vereerd werd en de
Romeinen er prijs op stelden zijn bescherming over
hun wapenen of te smeeken. De Grieken verbanden
hem daarentegen meestal naar de woeste, onbeschaafde
bewoners van Scythie en Thracie en stelden zich hun
eigen Mars onder een meer ideale godsgestalte voor.
99
Mars was de zoon van Jupiter en Juno, ofschoon ook
een andere fabel zegt, dat hij de zoon van Juno alleen
was, die door het aanraken van een zeker kruid bezwangerd werd en den krijgsgod baarde. In overeenstemming met het. hierboven beschreven karakter van
den griekschen Mars, namen de Grieken een afzonderlijken Thracischen Afars aan, Bien zij zoon van Kronos
en Rhea noemden.
Behalve van zijn twee zoons, was Mars ook steeds
vergezeld van de oorlogzuchtige godin Bellona, die door
de Grieken Enyo genoemd werd, en van de godin Eris,
die twist zaaide, en daardoor vijandschappen en oorlogen verwekte. Bellona, die vooral in Cappadocie en
in Rome vereerd werd, verscheen steeds onder de gedaante van een razende vrouw, in voile wapenrusting,
met schild en speer, en in de hand een geeselroede of
een brandenden fakkel. Naar deze Enyo werd Mars
Enyalios genoemd.
Over het algemeen werd alles, wat betrekking had
op het verdelgen van menschen, toegeschreven en toegewijd aan Mars. Zijn Grieksche naam Ares beteekent
een overweldiger, een verwoester. Bij de oude Latijnen
heette hij Mamers, of Mayors. Naar de verschrikkelijke,
onweerstaanbare wapenen, die hij droeg, werd hij Arimanios genoemd, en naar het krijgsgeschreeuw dat hij
bij den aanvang van het gevecht aanhief, en dat hemel
en aarde deed daveren, heette hij Briepios. Ook de
Areopagus, op den Marsheuvel to Athene, werd naar
hem genoemd.
Oorlogzuchtige vorsten werden door de oude Grieken
en Romeinen tonen van Mars genoemd. Zoo b.v. Ascalaphus en Jalmenus, welke in het geheim door Mars
TOO
verwekt waren bij Astyoche. Ook Romulus en Remus,
de stichters van Rome, noemden de Romeinen tweelingzonen van Mars, door hem verwekt bij Rhea Sylvia,
de dochter van den Albaanschen koning Numitor, die
tevens eene Vestaalsche Maagd was. Deze twee kinderen werden te vondeling gelegd nabij de Tiber, alwaar
zij door een wolvin gezoogd werden.
ilfars verlustigde zich niet alleen in het aanschouwen
van de gruwelen, welke hij, door oorlogen te verwekken, order de stervelingen veroorzaakte, maar leefde
zelf eveneens in voortdurende oneenigheid met andere
personen, waarbij hij, ofschoon de hoogste god der
wapenen, zelf meer dan eens het onderspit moest delven.
Otus en Ephialtes, twee zoons van Aloeus namen den
beruchten god zelfs gevangen en hielden hem gedurende
dertien maanden opgesloten. De slimme godenbode,
Mercurius, wiens hulp steeds ingeroepen werd, wanneer
er list en verraad moest aangewend worden, wist hem
weder uit zijn gevangenschap te verlossen.
In den Trojaanschen oorlog werd hij door Minerva
gewond en moest vluchten. Neptunus maakte zich ook
eenmaal van hem meester, en sleurde hem voor de
goden, van wie hij voldoening eischte omdat Mars zijn
zoon Halirrhotios vermoord had, toen deze op het punt
stond, Alcippe, de dochter van den krijgsgod, te verkrachten. Mars werd echter door de goden vrijgesproken.
Zooals de meeste goden nam ook Mars deel aan den
strijd tegen de Reuzen, maar werd gedwongen te
vluchten.
Mars, als de vader van Romulus, had bij de Romeinen tallooze tempels, bij de Grieken daarentegen slechts
zeer weinige. Te Rome was voor de bediening van een
IOI
zijner voornaamste tempels een hoogepriester aangesteld, die Flamen Martians genoemd werd. Hij stond
aan het hoofd van de Salii, een vereeniging van
priesters van Mars, die op bepaalde dagen in het
jaar door de straten van Rome plechtig rondtrokken, en onder het uitvoeren van dansen in voile
wapenrusting, liederen zongen ter eere van den oorlogsgod. Zij werden daarna op kosten van den Staat aan
een feestmaal uitgenoodigd. Aanvankelijk waren zij twaalf
in getal later stegen zij tot vierentwintig en werd er
een afzonderlijke aanvoerder, een praesul, over hen aangesteld, die hen in hun dansen geleidde.
In den stoet, welke zij vormden, werden eenige
schilden gedragen, Ancilia genaamd, ter herinnering aan
het reusachtige schild, dat uit den hemel was nedergedaald, en waarbij tevens voorspeld was, dat het volk,
bij wie dit schild bewaard werd, de heerschappij over
de wereld zou voeren. Opdat het eigenlijke schild nooit
ontdekt en geroofd zou worden, vervaardigde men verscheidene andere schilden van denzelfden vorm, en
bewaarde deze in de tempels van Mars.
Ondanks zijn bloeddorstige natuur, versmaadde de
woeste god de liefde niet. Bij Venus hebben wij reeds
gezien welke betrekkingen hij aangeknoopt had met de
godin der liefde zelve en welke lieftallige en bekoorlijke
kinderen, Amor en Harmonia, hij bij haar verwekte. Hij
hield ook omgang met tallooze andere godinnen waardoor hij de vader werd van een groot geslacht van
oorlogzuchtige amen. Volgens deze karaktertrekken was
er in de beelden, welke de Grieken van hem vervaardigden, niets afschuwwekkends, niets dat aan een woeste
natuur herinnerde, to bespeuren. Aan zijn helm en speer
102
alleen kon men dikwijls herkennen, dat hij de god van
den oorlog was. In latere tijden werd bij de Romeinen
zelfs de gewone soldaat, of een sterk gespierd man,
zoon van Mars genoemd.
VESTA OF HESTIA.
Evenals de eeredienst van Mars was ook die van
Vesta veel meer verspreid bij de Romeinen dan bij de
Grieken. Terwijl er bijna geen afzonderlijke tempels voor
haar opgericht werden, was zij bij de eersten toch een
der meest populaire en vereerde godinnen. Gelijk de
wijsheid in Minerva, en het licht in Apollo van Jupiter
uitstraalden, zoo het vuur in Vesta, het vuur dat verwarmde en den huiselijken haard onderhield. De Grieken
noemden haar het eerst Hestia, wat vuurhaard beteekent,
en de Romeinen vormden van dezen naam Vesta. Zij
behoorde tot de twaalf groote godheden en was de
beschermgodin van den huiselijken haard, van de maatschappij, van den geheelen Staat, en meer in het bijzonder van de Vestaalsche Maagden, die in den tempel
het Heilig vuur verzorgden, bewaakten en onderhielden.
Van haar smeekte men zegen en welvaart of voor het
huisgezin op een altaar, dat in iedere woning aanwezig
was, werden haar dagelijks kleine offeranden gebracht.
Zij werd ook als een dochter van Kronos beschouwd,
daar zij de menschen geleerd had, zich huizen te bouwen,
en daarvan een huiselijk verblijf te maken.
Het eigenlijke zinnebeeld dus, waaronder zij werd
104
voorgesteld was het vuur, en dit werd dan ook in ieder
huisgezin zorgvuldig onderhouden.
Werd dit uitgedoofd, dan kon men voor allerlei
rampen en onheilen vreezen. Dit was dan ook de oorzaak dat zij een der meest vereerde groote godinnen bij
de Romeinen was.
In iedere stad werd, zooals in ieder huisgezin, een
openbaar vuur onderhouden, om daardoor Vesta te
eeren. Vooral te Rome zelf stond zij in hoog aanzien.
Haar tempel werd daar bediend door de Vestalinnen
of Vestaalsche 1VIaagden, die gedurende haar bediening
niet in het huwelijk mochten treden, en haar kuischheid
moesten bewaren. Zij waren zelfs verplicht, hiervan een
plechtige belofte of te leggen, en werden door vreeselijke
straffen getroffen, wanneer zij zich dienaangaande aan
overtredingen schuldig maakten. Zij werden levend begraven, of ook levend in een onderaardsch verblijf ingemetseld, waar men haar niets medegaf dan een slang,
een aap en een kruik olie.
De Vestaalsche maagden leefden afgezonderd in den
tempel, dien zij bedienden ; er waren er aanvankelijk
slechts twee, maar haar aantal steeg langzamerhand tot
negen. Zij werden gekozen en aangenomen door den
hoogepriester, onder de Latijnsche meisjes van zeven
tot tien jaren. Zij werden, onder het ten uitvoer brengen
van bepaalde voorgeschreven plechtigheden aangenomen
en ingewijd en moesten zich verbinden, dertig jaren in
den tempel te leven, waarna zij ophielden, Vestalinnen
te zijn en in het huwelijk mochten treden.
Evenals bij overtredingen tegen haar maagdelijken
staat, werden zij ook zeer zwaar gestraft, wanneer door
haar schuld het Heilig Vuur in den tempel uitdoofde.
105
Dit werd als een groote ramp beschouwd, daar men
hierin het voorteeken zag van allerlei onheilen in
den Staat.
Vesta is een van de zeer weinige godheden, die niet
in liefdesavonturen in of buiten den Olymp verwikkeld
werden. Zij werd wel door eenige goden aangezocht, maar
had een eed gezworen, dat zij steeds haar maagdelijken
staat zou bewaren.
MERCURIUS OF HERMES.
Mercurius, de zoon van Jupiter en de nimf Maja,
vereenigde in zich een aantal ambten, waardigheden en
eigenschappen, waardoor het zeer moeilijk is, zijn eigenlijk karakter in een beeld voor to stellen. Hij was een
herdersgod, de gids der schimmen in de onderwereld,
de bode der goden, voornamelijk van Jupiter zelf, de
god der kooplieden, maar ook der dieven en de beschermer van velerlei wetenschappen en kunsten. Hij
was echter vooral vermaard, en daarom niet zelden berucht door zijn slimheid en listigheid, waarin hij alle
andere goden overtrof en waarvan zij meermalen de
noodlottige gevolgen moesten ondervinden.
Zoo vereenigde hij in zijn karakter een groot aantal
goede en afkeurenswaardige eigenschappen, waardoor
hij een zeer populaire god werd en in de meest verschillende omstandigheden, zoowel gunstige als ongunstige, aanbeden en aangeroepen werd. De persoon, waarin zijn karakter het best weerspiegelt, is die van den
zaakgelastigde, maar van een weinig angstvalligen, die
zich tot alle diensten bereid verklaart.
Mercurius werd in Arcadie op den berg Cyllene geboren, vanwaar zijn benaming : Cyllenius. Zijn moeder,
107
de nimf Maja, naar wie de maand Mei genoemd is
geworden, was de dochter van Atlas, die door het
Medusa-hoofd in steen veranderd werd.
Het listige karakter scheen Mercurius aangeboren,
want reeds kort na zijn geboorte sloop hij, door honger
gekweld, uit zijn wieg, en ontstal aan Apollo een kudde
runderen, waarvan hij er eehigen braadde om zijn honger
te stellen.
Om den zonnegod het spoor bijster te doen worden
bond hij bladeren aan de staarten der dieren en trok
zijn schoeisels in een verkeerde richting aan zijn voeten.
Apollo achterhaalde echter de sluwe listen van den jeugdigen dief en dwong hem zijn geroofde kudde terug te geven.
Daar Mercurius echter gedurende deze gebeurtenissen
de her had uitgevonden, onderhandelde hij met den
zonnegod, die gaarne in het bezit wenschte te geraken
van dit wonderschoone muziekinstrument, en bedong
als koopprijs voor zijn her de kudde vee, welke hij hem
ontstolen had. De beide goden kwamen overeen omtrent
den verkoop, en Mercurius bleef de eigenaar van het
vee, waarom hij algemeen als herdersgod vereerd werd.
De groote schranderheid en scherpzinnigheid van
Mercurius, deden Jupiter besluiten, hem als zijn bode
of zaakgelastigde aan te stellen, en sedert dit oogenblik werd hij in nagenoeg alle lotgevallen der goden en
godinnen op den Olymp of op de aarde en onder de
aarde gemengd. Geen god zien wij in de fabelleer op
zoo talrijke wijzen werkzaam als Mercurius. Vulcanus
zond hem met zijn kunstig stalen net uit, om Venus en
Mars er in te verwikkelen en aan de spotternijen der
goden bloot te stellen ; aan Ino bracht hij den jongen
Bacchus, de zoon van Jupiter en Sonde, om door haar
.
1°8
opg- evoed te worden, en ./o bevrijdde hij door den honderdoogigen Argus te dooden ; de schimmen leidde hij
naar de onderwereld, om ze in het bootje van Charon
te plaatsen, waarom hij als de god der reizigers vereerd
werd. Ruwe vormlooze steenen beelden, of beter gezegd,
steenen palen, met een Hermeskop gekroond en Hermae genoemd, dienden meestal als wegwijzers bij de
oude Grieken en Romeinen.
Mercurius was ook de god der welsprekendheid, der
bespraaktheid en van alles wat tot de spraak en de behendigheid in het spreken behoorde ; hij vond het letterschrift uit, schonk den kooplieden buitengewone omzichtheid en geslepenheid in hun onderhandelingen,
leerde den dieven liegen, en zich aan een eenmaal gezworen eed onttrekken door de gesproken woorden
een andere wijze uit te leggen, en oefende de redenaars in de rhetorica.
De kunst om woorden uit te leggen, of een tekst
woordelijk te verklaren wordt naar zijn naam Herm&
veutica genoemd.
Daar hij vooral uitblonk door een scherpzinnigen en
vindingrijken geest, was er bijna geen wetenschap, waarvan de uitvinding niet aan hem werd toegeschreven ;
daar hij door de goden in alle aangelegenheden gewikkeld werd, wist hij achter alle geheimen te komen, en van
alle omstandigheden partij te trekken, vat zijn aangeboren sluwheid en schranderheid niet weinig begunstigde.
Daarom werd hij niet alleen gezocht, maar ook gevreesd
door de goden, en Apollo verzocht hem zelfs op zekeren keer, zich steeds op een eerbiedigen afstand van
hem te houden, om te voorkomen dat hij herhaaldelijk
het slachtoffer werd van den sluwen dievengod.
109
Door zijn veelzijdig-e werkzaamheid kwam hij ook
met tallooze godinnen in aanraking, waardoor hij in
velerlei liefdesavonturen gewikkeld werd.
Hij wist zelfs het hart van Venus te veroveren, en
verwekte bij haar den schoonen Hermaphroditus.
Volgens sommigen werd deze godheid als een tweeslachtige god, half man en half vrouw, door Venus of
Aphrodite voortgebracht ; volgens anderen geraakte hij
in dezen staat door toedoen van de nimf Salmacis.
Deze zap-, den schoonen jongeling op zekeren dag baden
en werd, bij den aanblik zijner buitengewone bekoorlijkheid, in liefde voor hem ontstoken. Zij begaf zich te
water, omstrengelde den jongeling, maar daar hij haar
liefde niet wilde beantwoorden, bad zij den goden haar
lichaam voor eeuwig met het zijne te vereenigen. De
goden gaven haar gehoor, en nu werden Hermaphro
ditus en Salmacis zoo innig vereenigd, dat zij slechts
een persoon uitmaakten.
Hermes wordt meestal afgebeeld als een naakt man,.
met zeer schoon, vlug, en schrander uiterlijk, gewapend
met den Hermesstaf, dien hij van Apollo ten geschenke
ontving ; bovendien draagt hij vleugels aan de voeten
en dikwijls ook aan het hoofd, en draagt hij gewoonlijk een beurs in de hand, waaraan hij als de god der
kooplieden herkend wordt.
De Hermesstaf is omwonden door twee slangen en
van vleugeltjes voorzien, waardoor zijn sneiheid
het ten uitvoer brengen van de bevelen der goden afgebeeld wordt. De staf was van goud en daarom werd
Mercurius ook Chrysornzpis genoemd. Door hem kon
hij slaap verwekken of wakker schudden, deuren openen
en sluiten ens bezat velerlei wonderlijke krachten, waar-
I I0
van hij zich op de meest verschillende wijzen wist to
bedienen. Voorts waren hem voornamelijk de maand
Mei, en in deze de 1 se dag, alsmede de hond en de
slang, als zinnebeelden der waakzaamheid, de schildpad,
wiens schaal den allereersten vorm der her leverde,
de laurierboom, enz. toegewijd. Hij werd ook in tallooze tempels vereerd.
VULCANUS OF HEPHAESTOS.
Vulcanus, door de Grieken _Hephaestos genoemd, was
de zoon van Jupiter en Juno. De fabelleer zegt van
hem dat hij buitengewoon leelijk van gedaante en gestalte en kreupel was.
Hij was de verpersoonlijking van het vuur, dat door
de stervelingen bij velerlei bedrijven en bezigheden van
het dagelijksche leven aangewend wordt, en meer bijzonder door de smeden. Vulcanus oefende zelf dit bedrijf
uit, en de rook, het roet en de warm, te midden waarvan hij onophoudelijk leefde en die hem met onreinheden besmeurden, verhoogden nog zijne natuurlijke leelijkheid en terugstootend uiterlijk. Om zijn smidsvak
noemden de Latijnen hem ook Mulciber en als smid
vverd hij gewoonlijk afgebeeld met een puntige muts
op het hoofd, het bovenlijf naakt, in de eene hand een
hamer en in de andere een nijptang, en in zittende
houding.
Ook de uitdrukking van zijn gelaat was somber en
droefgeestig, en over het algemeen was er in zijn gestalte niets verhevens, niets edels, niets goddelijks te
bespeuren.
Zijn leelijkheid was oorzaak, dat Juno niet diezelfde
112
teedere moederlijke liefde voor hem gevoelde, als voor
haar andere goddelijke kinderen. Zij verstootte hem zelfs
en slingerde hem uit den Olymp naar omlaag. Eenige
zeenimfen ontfermden zich over den kleinen zuigeling,
die in zee gevallen was en in zijn val een zijner been en
gebroken had. Hij werd door haar opgevoed en keerd e
laterwdn Oympusterg.
Maar opnieuw werd hij, nu door Jupiter, uit den
hoogen hemel verjaagd en op het eiland Lemnos ge
slingerd, waar hij door de bewoners gastvrij ontvangen
werd. Dit eiland werd beroemd om zijn vuurspuwende
bergen, zijn warme bronnen, en de vaardigheid en
schranderheid der talrijke smeden, die daar hun bedrijf
uitoefenden.
Vulcanus smeedde de bliksems voor Jupiter, en de
wapenen waarvan zij zich bedienden in hun verschillende
oorlogen eenige cyclopen waren zijn dienaren en waren
hem behulpzaam bij het vervaardigen van zijn wapenen
en kunstvoorwerpen. Zijn kunst strckte zich namelijk
niet alleen uit tot grove, zware voorwerpen, zooals de
bliksems van Jupiter en zijn vervaarlijk schild Aegis,
maar ook tot kunstige voorwerpen, die buitengewone
behendigheid vereischten, zooals het fijne stalen net
waarin hij de schoon e Venus, zijn trouwelooze gemalin,
liet gevangen nemen. Evenzoo bouwde hij de heerlijke
paleizen der goden op den Olymp ; hij vervaardigde de
pijlen van Amor, de wapenrustingen van Achilles en den
god Mars en den gouden wagen van Apollo.
Het verblijf van Vulcanus werd veelal geplaatst in
een spelonk van een' der vuurspuwende bergen waar het
onafgebroken gedonder, veroorzaakt door het hameren
van hem en zijn cyclopen, hun tegenwoordigheid verried.
1'3
Ondanks zijne bestraffing van de trouwelooze Venus,
maakte hij zichzelf schuldig aan vele ongetrouwheden
met andere godinnen, wat hem een talrijk kroost
verschafte, zooals de drie Cabiren, een soort geheimzinnige goden, wier eeredienst vooral in het oosten
verspreid was ; voorts de reus Cacus, en Caeculus, die
in Italie van roof en moord leefden. De Romeinen vierden ter eere van Hephaestos feesten, welke Vulcanalien
genoemd werden.
CERES OF DEMETER.
De godin Ceres was een zuster van Jupiter, dus een
dochter van Kronos en Rhea. Zij verpersoonlijkte het
vermogen der aarde om vruchten voort te brengen de
naam Ceres is afgeleid van het dragen der vrucht de
Romeinen noemden haar ook Annona, daar het voortbrengen van vruchten door de aarde jaarlijks terugkeert. De Grieken gaven haar den naam van Demeter,
of in het Dorische dialict, Damater, waardoor de aarde
als de moeder der menschen aangeduid werd. Later
werd zij ook Sito genoemd, naar het Grieksche woord
Silos, dat koren beteekent.
Haar beelden stelden haar gewoonlijk voor als een
statige vrouw, met een krans van korenaren om het
hoofd in de hand droeg zij eveneens korenaren, of een
brandenden fakkel of ook de bloem van den slaapbol.
:Zij had eveneens zware, gezwollen borsten, als zinnebeeld
van vruchtbaarheid en overvloed. Niet zelden stelde men
Saar ook voor gezeten op een wag -en, die door gevleugelde draken getrokken werd.
Daar de landbouw een der krachtigste en voornaamste
middelen is, om de beschaving en de ontwikkeling bij
den mensch te bevarderen, werd zij ook beschouwd als
,
-
1
15
de beschermgodin van de wetten der samenleving -, en
daarnaar door de Grieken Thesmophoros, en door de
Latijnen Leg ifera genoemd, en sommige feesten, die
ter harer eere gevierd werden, heetten Thesmophoria.
Wij hebben reeds gezien dat Ceres een dochter had,
met name Proserpina; de fabelleer zegt van haar dat
zij op Sicilie geboren werd, en waarschijnlijk moeten
wij hierin een zinnebeeldige voorstelling zoeken van het
feit, dat op Sicilie de akkerbouw veeleer in bloei geweest is, dan in verschillende andere landen.
Toen de schoone Proserpina geroofd was geworden,
zwierf Ceres geruilmen tijd rond, om haar dochter, `vier
schuilplaats haar onbekend was, te zoeken, en kv.Tam
ook te Eleusis aan, waar zij in onderhandeling trad met
de goden om tot de ontdekking en de terugvoering van
Proserpina uit de onderwereld te geraken. Daar nam
zij ook een zekeren jongeling Tripto/enzus genaamd, tot
haar zoon aan, leerde hem den akkerbouw, het gebruik
van den ploeg, het zaaien enz. en zond hem, in haar
met draken bespannen wagen, over de geheele aarde
uit, om deze nuttige kunst overal te verspreiden.
De Eleusinische Mysterien dragen naar de bovengenoemde plaats hun naam. . Het waren aanvankelijk geheime feesten en plechtigheden, waarbij alleen de ing -ewijden werden toegelaten. Later gingen zij gepaard met
akkerfeesten, zooals de Rotneinen haar ook de Cerealien
of feesten van Ceres toewijdden.
De groote Eleusinische feesten, die gedurende negen dagen voortgezet werden, waren vooral bij de
Atheners in hooge eere.
De craven of straffen welke deze godin kon uitdeelen,
waren geheel in overeenstemming met haar karakter van
I16
voedende en onderhoudende beschermgodin. Zij kon
iemand beloonen door hem de gave te schenken van
onophoudelijk te kunnen eten, zonder door den overvloed van spijzen gehinderd te worden maar zij kon ook.
de gehecle aarde, of afzonderlijk akkers en landerijen
met onvruchtbaarheid treffen, iemand door een nooit
te stillen of te verzadigen honger kwellen, of zijn oog -sten laten verwoesten, door wilde zwijnen op zijn land,
te jag-en. Het laat zich zeer goed begrijpen, dat de vereering dezer godin van den landbouw zoowel bij de
Romeinen als bij de Grieken algemeen verspreid was
NAA1VI-REGISTER.
A.
.Achelous
Acheron
Achilles
Acis
Acrisius
Actaeon
Admetus
Adonis
Aeacus
Aegyptus
Aeneas
Aesculapius
Agenor
Aglaia
Aglaopheme
Alcamenes .
Alcmene
Pag.
40
27
38
41
24
83
95
56-76
29
39
11-56-69
93
23-39
56
41
5o
25
18
Pag.
56-5S
Amor
Amphion
Amphytrite
Amphytrio
Anchises
Anteros
Anticlea
Antinoe
Antolicus
Apelles
Aphrodite
Apollo
Arcas .
Ares .
Argus
Aristaeus
Aristor
Artemis
Ascanius
Assaracus
Atlas .
Aurora .
93
37
25
56-69
59
31
83
3L
7
51
I I--91—I07
46
9&
49
83
4 ►
8r
69
69
22-107
96
B.
Bacchus
Bathus .
Bellona
Belus .
I I-19-24-45
•
96
99
39
11 9
Pag..
C.
.
Cacus .
113;
45-68.
Cadmus
.
Caeculus
113.
Caelus .
21
Caenus.
39'
65,
Calliope
Callisto
46'
I I--25,
Castor .
88
Cecrops
29-39,
Centauren
28
Cerberus
Ceres. .
11-21-32-114
Chaos '.
21_
Chariclo
Charon
46 '
27;
Chimaera
29
Circe
Clio
65,
Clytemnestra
25,
Cora .
33;
Corybanten
21
Corythus
.
74.
Cupido
D.
Danae
24.
Dan aiden
30
120
Pag.
69
78
Dardanus
Deiphobos
Dejanira
Demeter
Demos
Diana .
Dictys
Dii adscriptitii
• conscripti
• plebeji
• selecti
Dike .
Dione
Dodona
Doris
Droom en
40-48
114
98
I 1-46-48-81
24
II
II
II
II
57
52
19
38
29
E.
Electra
Elyseum
En dymion
Enyo
Epaphus
Erato
Erebos
Eridanus
Eris
Eros
Erynnien
69
26
83
99
39
65
21
28
73
58
28
121
Pag.
!Eucres
Eunomia
.
Euphrosyne
Europa
Euryale.
Eurynone
Euterpe
46
57
56
23
89
56
65
F.
Faunus
Fortuna
Furien
12
34
29
G.
Gaea .
Galatea.
Ganymeda .
Ganymedes .
Genius .
Giganten
Goden .
Gorgonen
Gratien.
Groote goden
21
40-41
48
69
II
22
II
89
56
II
H.
Halfgoden .
Iarmonia
Hebe .
II
56-68
47-48
122
Pag_
Hecate
Hector
Hecuba
Helena
Helios
Hemera
Hephaestus
Hera .
Heracles
Hercules
Hermaphroditus
Hermes
Heroes
Hesione
Hesperiden
Hestia
Hierodulen
Himeros
Hippocrene
Homerus
Hora .
Horae
Horatius
Hymen
Hypermnestra
84
74
74
25-76
32-57
52
47-67-111
42
25,
II-14-19-22-25-45-48
109
I 06
II
40
26,
103
•
79
5g
66
15.
57
57
15-17
59
3ch
I.
Ida
.
Idola .
19*
26,
12 3
Pag..
•
Idothea,
Ilithyca
.
Ilus
Inachus
Ino
Jo
Iphicles
Irene
Iris
Isis
Ixion
4'
47 —'
48
69
48
45,
45,
25,
57
42- 57
12-72
3 0'
J.
—9
I8'
Janus
Julus
Juno
Jupiter
Juventas
7 0'
I
K.
69.
17-20'
Kapys
Kronos .
L.
Laocoon
Laomedon
Larvae .
Latium
Learchus
15
39-69
84
19-20
.
.
45
4
11
Pug.
Leda .
.
‘.
liethe .
.
.
,
.
.
Leucosia
-
Libera .
.
Ligia .
.
Luna.
.
.
Lunus .
,
.
27
.
.
.
.
,
.
.
.
.
••
33
.
41
II-8 2
.
,
.
„
„
^
Maja
.
,
.
.
Marsias
.
.
.
.
Medusa
.
.
,
.
85
39
.
,
,
.
.
•
Mars
.
106
11-47-98
Megaera .
Melpomene
.
.
.
.
Mercurius
•
.
,
.
.
.
,
,
.
Metis .
,
93
89
28
.
„
65
.
76
II-13-49-96-106
,
,
„
„
,
.
,
Minerva
.
.
„
•
.
,
Minos .
.
.
.
.
„
,
.
,
.
•
•
,
Muzen .
.
•,
„
,
•.
,
Myrrha.
.
.
,
-
-
„
.
.
.
Mindere Goden .
Mulciber
25
41
1,ybia .
Menelaus
.
23
.
.
II
I 1-73-86
24-28
„
•.
111
.
65
.
7o
N.
Nereiden
37-38
12 5,
Pag;..
Nereus.
Neptunus
Niobe
37
----2O-21.-35---88!
•..
0.
a.
Oceanus
Oenone
Olympia
Olympus
Osiris .
Oulia
Oulios
Paeon
.
Pallas Athene
Pan
Paris .
Parthenope
Pegasus
.
Pelops
Periphlegeton
Persephone
Perseus
Phidias
Phlegias
Phobos
Phoebe
Phoebus
.
.
.
,
..
,
..
..
,
..
..
.
•
„
..
•
.
..
.
•.
.
•.
..
..
..
..
•
..
..
..
•.
..
.
•_
•.
..
.
..
..
..
.
-
.
„
.
.
,
35,
7419,
18,
I2-722
.
81
81
..
86,
86,,
1 2-64
.
.
.
•.
„
..
.
.
.
.
.
.
.
.
..
.
.
47- 73,
41.
90,
30,
28,
.
33,
24-89
7-18.
304
o8
81
81,
.
.
126
Pag.
89
.
.
Phorcus
15
Pindarus
33
11-20-21-26
Ploutos
.
Pluto .
.
Plutus .
33
11-25
.
Pollux
50
.
Polycletus
Polyhymnia
.
Polyphemeuss
.
65
.
38
Poseidon
.
Praxiteles
.
35
Priamus
.
Proserpina .
.
Proteus
.
.
Psyche .
Pythia .
7
69
32
.
.
.
.
.
.
.
.
40-4 1
.
59
92
R.
Rafael .
.
Rhadamantus
.
7
24-25
.
17-21
Rhea .
.
Romulus
.
.
.
.
II
S.
Salmacis
.
.
Saturnalien
.
Saturnus
.
Selene .
109
24
.
Sarpedon
,
21
11-20-52
-
.
82
I 27
.
'Semele
Sirenen
Sysyphus
.
Sito
Stheno
Styx
Sylvanus
.
.
-
.
Sol
.
.
.
.
.
.
40
31
.
.
.
.
Pag.
24-45----82
.
11 4
11
89
27
12
T.
*Tantalus
Tartarus
Tellus
'Terpsichore
Thalia
Thelxiepia
Themis
Thestios
Thetis .
Thetys .
Tiresias
Tisiphone
Titans .
Titiaan .
Triptolemus
Triton .
Tritons
Tros .
Tyndareus
30-93
27
II
65
56-65
41
23
25
37
38
46
28
41
•
•
22
7
115
38
37
69
25
128
rag.
U.
Ulysses
Umbrae
Urania .
Uranus .
39
26
6s
2 I-5 Z
V.
Venus .
Vesta .
Virgilius
.
Volksgodheden
Vulcanus
.
.
.
.
.
.
.
..
.
.
..
11-47—I 1 1
11-21-103
Is
II
11-47— I I I
Z.
Zephyrus
Zeus .
6o
7
Download