hoogervorst`s plichtrecht en het geldende en

advertisement
KEUZEVRIJHEID VOOR ‘PENSIONADOS’ OF ‘PLICHTRECHT?
EEN RECHTSVRAAG !
Vooraf: de tekst van dit Internet-artikel was rond 18 april voltooid en in kleine kring
rondgezonden voor commentaar. Op 27 april heeft minister Hoogervorst in antwoord op een
kamervraag expliciet toegegeven, dat de Europese regelgeving ‘betrokkenen’ niet verplicht tot
aanmelding of inschrijving bij enige lokaal orgaan van sociale zekerheid.
Mijn eerste reactie was, dat dit geschrift door deze volte-face volstrekt overbodig werd. Later
bedacht ik, dat dezelfde minister iets soortgelijks al eens in januari 2006 had gedaan. Vóór die
tijd had hij het hele art.69 Zvw-stelsel opgehangen aan de mededeling, dat hij van Europa wel
‘moest’. In januari gaf hij toe zich vergist te hebben, maar even later zat hij weer volledig op de
plichtrecht-toer. De erkenning van 27 april van de communautaire keuzevrijheid vind ik dus
fraai, maar de minister blijft vasthouden aan de art.69 verplichting en daarmee aan de
(verlaagde) bijdragen. In strijd met Europees recht, zal ik op de inmiddels klassieke wijze
betogen.
Ook voor dit geval geldt, dat een gewaarschuwd persoon voor twee telt. De ervaring leert dat
je bij deze minister nooit weet je welke kant hij morgen weer opdraait, dus ik zet bijgaande
speurtocht toch maar op Jan E’s forum!
I. Inleiding.
1. NL heeft middels de Zorgverzekeringswet (Zvw) met bijbehorende regelgeving m.i.v. 1
januari 2006 een nieuw zorgstelsel ingevoerd. Als onderdeel van deze Zvw schrijft art.69 voor
dat bepaalde in het buitenland wonende personen zich vóór 1 mei 2006 moeten aanmelden bij
het College Zorgverzekeringen (Cvz), op straffe van een boete.
Verder wordt aan deze personen een reeks bijdragen opgelegd, die worden ingehouden op
hun uitkering (verder aan te duiden als ‘pensioen’) .
2. Artikel 69 Zvw heeft betrekking op twee op één grote hoop gegooide, maar nauwkeurig te
onderscheiden groepen:
a. personen, die – in geval van behoefte aan zorg - recht hebben op woonland-verstrekkingen
op grond van enige Verordening van de Europese Raad (de correcte term hiervoor zou zijn
‘verordeningsgerechtigden’);
b. personen, die dergelijke rechten hebben op grond van enig Verdrag inzake sociale
zekerheid.
Alleen voor de tweede groep is de algemeen gebruikte term ‘verdragsgerechtigden’ juist.
3. Onderwerp van discussie is de vraag of al die verordenings- en verdragsgerechtigden
tevens v&v-verplichten zijn in die zin, dat ze verplicht zijn van hun rechten gebruik te maken
(alleen dan kunnen voor NL kosten ontstaan, zie onderdeel IV) of dat zij daartoe vrij zijn.
M.a.w.: ‘Zijn de personen genoemd in artikel 69 Zvw verordenings- dan wel
verdragsgerechtigden of v&v-verplichten?’
4. Veelal wordt deze discussie gevoerd via de omweg van de vraag naar een–door de NL
wetgever/bevoegde autoriteit- te verlenen individueel recht tot opt-out.
De vraag zelf lijkt de juistheid te accentueren van het door de minister in het begin van de
discussies en nu weer opnieuw geuite standpunt, dat ‘Europa’ geen keuzevrijheid toelaat. (zie
echter het woord vooraf!)
We zullen in het aan NL gewijde deel van deze beschouwing ruim aandacht geven aan
uitspraken, die in dit verband gedaan zijn.
5. Elke stelling, dat v&v-gerechtigden verplicht zijn van hun recht gebruik te maken zal in
juridische termen staan of vallen met het identificeren van een wettelijke regeling,
houdende de vestiging van een rechtsplicht voor betrokkene om de betreffende
verordening of het betreffende verdrag de facto ‘toe te passen’ (terminologie art.69).
Als een dergelijke verplichting niet rechtsgeldig is neergelegd in enige wettelijke regel (van NLof gemeenschaps/verdragsrecht of beide), bestaat de individuele keuzevrijheid van
rechtswege. Wie geen rechtsplicht heeft tot het toepassen of gebruik maken van bepaalde
rechten, (en dat is de normale juridische situatie) moet zelf de beslissing daartoe nemen, in
volle vrijheid. Hij hoeft niet om een opt-out te vragen, want er is een ‘opt-in’ zijnerzijds nodig !
6. Opmerkelijk is dat de onontbeerlijke wettelijke regel, die recht transformeert tot plicht,
nergens door of zijdens de Staat wordt geïdentificeerd. De zienswijze van de minister is
derhalve nog steeds niet meer dan een (verre van liberale!) wensdroom van wat juridischspottend hierna aangeduid gaat worden als ’s ministers plichtrecht, een niet bestaande
rechtsfiguur dus.
7. In de praktijk heeft de Staat met dit veronderstelde plichtrecht echter meer succes dan de
tegenstanders, die zich beroepen op de eigenlijk vanzelfsprekende keuzevrijheid. Het hele
stelsel van aan in het buitenland wonende personen, die uitsluitend een Nederlands wettelijk
pensioen als inkomen hebben, opgelegde bijdragen wordt nu in feite met een beroep op dit
plichtrecht staande gehouden.
Reden om de wereld op z’n kop te zetten en zelf te gaan zoeken naar het al dan niet bestaan
van de noodzakelijke wettelijke regeling, een speurtocht die de Nederlandse wet omvat en het
geldende en komende, reeds door de Raad vastgestelde Europese gemeenschapsrecht. Een
onderzoek naar de inhoud van specifieke verdragen zou te ver voeren.
II. Voorwaarden voor en grenzen van de verplichtingen
ex art.69 Zvw.
8. De tekst van artikel 69, lid 1 Zvw luidt als volgt:
1. (A)In het buitenland wonende personen die (B) met toepassing van een verordening van
de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening
krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag
inzake sociale zekerheid (C) in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of
vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor
zorg van hun woonland, (D) melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig
zijn, bij het College Zorgverzekeringen aan.
(De letters zijn door mij, HFr., ingevoegd.)
Ad (A) : Het begrip ‘personen’ is niet in artikel 1 Zvw gedefinieerd en betekent dus gewoon:
mensen. Volgens deze tekst is dus art. 69 van toepassing op bijv. de Engelsman, die in
Spanje, de Fin die in Zweden en de Argentijn die in de VS woont, voorzover dezen voldoen
aan het gestelde in (B) en (C) .
In concreto, gezien art.28 en 28bis van VO 1408/71 die we in het volgende onderdeel
behandelen, dus in elk geval op de Engelsman die uitsluitend een Engels wettig pensioen
ontvangt en bijv. in België woont.
Het moge duidelijk zijn dat een beroep op de MvT –zoals meestal bij inferieure formuleringen- niet baat.
De tekst van 69 is op zich volmaakt duidelijk, alleen evenzeer volmaakt onjuist. Bovendien heeft een MvT
geen gezag. Hij is afkomstig van de indiener van het wetsontwerp en dient dus ter info en/of overtuiging
van de medewetgever, meestal dus van de Tweede Kamer der Partijen-Generaal.
Dezelfde rek zit overigens in de simpele omschrijving ‘of een verdrag inzake sociale
zekerheid’. Dat hoeft dus helemaal geen verdrag te zijn waarbij NL partij is! Als Engeland zo’n
verdrag heeft met Argentinië dan is volgens art.69 de Engels gepensioneerde, die woont in
Argentinië aanmeldingsplichtig bij het Cvz.
Het wordt nog erger: volgens de letterlijke tekst van 69, lid 1 hoeft dat verdrag niet eens
bepalingen te bevatten inzake de sociale zorg- of ziekte(kosten)verzekering, zolang het maar
een verdrag is inzake sociale zekerheid!
Conclusie: de kring van aanmeldingsplichtige personen is zo ruim geformuleerd, dat daarmee
art. 69, lid 1 Zvw zichzelf eigenlijk bij het juridische afval zet.
9. Ad (B) en (C) : naast het feit dat hier verordenings- en verdragsgerechtigde naast elkaar
worden gezet valt op, dat het gaat om personen die toepassing geven aan VO of verdrag en
dan in geval van behoefte aan zorg bepaalde woonlandrechten aan VO of verdrag ontlenen.
Er is dus actie nodig van de kant van betrokkenen en die actie vooronderstelt een door
betrokkenen op basis van behoefte gemaakte keuze. Artikel 69 zelf gaat dus uit van de
gedachte dat een individuele ‘opt-in’ nodig is, willen verplichtingen ex Zvw voor betrokkene
ontstaan.
10. (D) legt aan alle in enig buitenland wonende personen, die met toepassing van.... (v&v)...
in geval van behoefte aan zorg bepaalde woonlandrechten hebben, een aanmeldingsplicht op
bij het Cvz.
Deze wordt vervolgens door het Cvz zelf overbodig gemaakt doordat dit bestuursorgaan
zonder wettelijke basis ambtshalve registreert en doordat op basis van door het Cvz verstrekte
gegevens uitkeringsinstanties al inhoudingen plegen. In rond Nederlands: bij niet-(tijdige)
aanmelding is het de pot die de ketel verwijt…!
11. Artikel 69 behandelt in de volgende drie leden de verplichte bijdrage, de boete bij niet(tijdige) aanmelding en in het algemeen de taak van het College Zv in dezen:
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage
verschuldigd die voor de toepassing van artikel 22 alsmede, voor een bij die regeling te
bepalen gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als
premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd.
3. Indien de melding niet is geschied binnen vier maanden nadat het recht, bedoeld in het
eerste lid, is ontstaan, legt het College zorgverzekeringen degene die de melding had moeten
doen een boete op die gelijk is aan 130% van een bij ministeriële regeling te bepalen gedeelte
van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, over een periode gelijk aan de periode gelegen
tussen de dag waarop het recht ontstond en de dag waarop de melding is geschied, maar met
een maximum van vijf jaren.
4. Het College zorgverzekeringen is belast met de administratie voortvloeiend uit het eerste lid
en de daar genoemde internationale regels, alsmede met de heffing en de inning van de
bijdrage, bedoeld in het tweede lid.
De leden 2 en 3 zijn duidelijk verbonden met lid 1. Alles wat in de voorgaande paragrafen is
ingebracht terzake van lid 1 is derhalve evenzeer van toepassing op de leden 2 en 3.
Hetzelfde geldt voor lid 4, dat verwijst naar lid1 enerzijds, lid 2 anderzijds.
Voor alle duidelijkheid echter: volgens de tekst is ook onze Engels gepensioneerde resident in
Argentinië bijdrageplichtig op grond van de Nederlandse Zvw, tenminste, indien Engeland en
Argentinië een verdrag inzake sociale zekerheid hebben.
Over de boete bij niet-(tijdige) aanmelding (die ook onze imaginaire Engelsman boven het
hoofd hangt) kan enigszins badinerend gezegd worden dat elk onderdeel van onze analyse
van artikel 69 Zvw op zich en a fortiori alle onderdelen tezamen het moeilijk zullen maken een
bestuursrechter te vinden, die de aan niet- (tijdige) aanmelding door betrokkene gekoppelde
boete zal handhaven.
12. De tekst van artikel 69 vooronderstelt, als gezegd, een door betrokkene gemaakte keuze,
hier de ‘opt-in’ genoemd. Een bepaling die de v&v-gerechtigden moet transformeren tot v&vverplichten ontbreekt in de NL wetgeving.
Desondanks verzet de Staat zich natuurlijk, met name in de persoon van de verantwoordelijke
minister, met hand en tand tegen het bestaan van een individueel keuzerecht van de
betrokken burger om al dan niet van zijn rechten gebruik te maken. (Met het caveat uit het
woord vooraf!)
III Het Plichtrecht in de pleitnota van de Landsadvocaat
(3 maart 2006), de uitspraak van de Voorzieningenrechter
(31 maart 2006) en de brief van Minister Hoogervorst over de mogelijkheid
van een ‘opt-out’ (ZVW-2670248, april 2006) .
13. De Landsadvocaat besteedt een groot deel van zijn pleitnotities aan het bestrijden van
eiser’s stellingen terzake van het bestaan van individuele keuzevrijheid om gebruik te maken
van de rechten ex VO 1408/71, maar hij laat schrijver dezes –in zijn eigen woorden- op zijn
honger zitten.
Qua positieve uitspraken terzake is de pleitnota aanzienlijk kariger dan in het negatieve.
Nergens wijst de Landsadvocaat een wettelijke regel aan die met zoveel woorden
verordeningsgerechtigden verplicht hun verordeningsrechten te gebruiken of toe te passen.
Het dichtst erbij komt waarschijnlijk het volgende citaat:
“2.4.a De Staat zal uiteenzetten dat de Nederlandse overheid niet de vrijheid had de aansluiting bij het sociale
zekerheidsstelsel van het woonland facultatief te maken, omdat uit Vo. 1408/71 voortvloeit dat gepensioneerden
van rechtswege aan dat stelsel zijn onderworpen.......................”.
Een paar regels verderop leest men nog:
“Wat de toetsing aan het gemeenschapsrecht betreft, stellen eisers niet dat de genoemde elementen van de Zvw
in strijd zouden zijn met Vo. 1408/71 of Vo. 574/72. Te dien aanzien stellen zij alleen dat de verordeningen niet
dwingen tot de keuze die de nationale wetgever heeft gemaakt. Zelfs als die stelling juist zou zijn, volgt daaruit
nog niet dat het de nationale wetgever verboden zou zijn te kiezen voor een stelsel zoa!s neergelegd in art. 69
Zvw. Eisers stellen alleen dat dat keuzerecht bestaat omdat de verordeningen aansluiting bij het sociale
zekerheidsstelsel van het woonland niet dwingend zouden voorschrijven.”
Wat de Landsadvocaat hier doet is gebruik maken van een gebruikelijke vechttactiek: men laat
het stelling nemen inzake de inhoud van een bewering (in dit geval het vet weergegeven
fragment hierboven) achterwege, omdat men op min of meer technische gronden de relevantie
van die bewering ontkent.
14. In de berichtgeving en commentaren rond de uitspraak van de Voorzieningenrechter van
31 maart 2006 in het Kort Geding tegen de Staat vindt men steeds weer de medeling, dat de
voorzieningenrechter het bestaan van het door eisers gestelde keuzerecht ontkent en derhalve
vindt dat de ‘pensionados’ verplicht zijn zich aan te sluiten bij de sociale zekerheid van hun
woonland. Reden om de uitspraak op dit punt ‘ff te checke’, zoals dat in reclametermen heet.
De vraag, die aan de orde is, wordt door de Voorzieningenrechter correct geformuleerd:
4.7 “...hebben betrokkenen de vrijheid geen gebruik te maken van het woonlandpakket ? ...........”
Dan komt 4.10:
“In beginsel bevat Verordening 1408/71 een gesloten – en daarmee dwingend – stelsel van regels, dat zoals
gezegd dubbele verzekeringen en lacunes beoogt te voorkomen.”
Na het terzijde schuiven van art. 17bis van VO 1408/71 en 29 van VO 574/72 en van de
relevantie van uitspraken van het EhvJ terzake concludeert de rechter tot een dubbel
negativum in 4.14:
“De conclusie ten aanzien van de eerste in onderdeel 4.8 vermelde kernvraag is dat niet gezegd kan worden dat
artikel 69 Zvw onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met het gemeenschapsrecht (...................) voorzover
dit een keuzerecht zou inhouden zoals door eisers gesteld.”
Nergens stelt de voorzieningenrechter ipsis verbis, dat vlg. zijn (voorlopige) rechtsoordeel
degene, die verordeningsrechten heeft , verplicht is die te gebruiken. Een dergelijke positieve
uitspraak hoeft hij ook niet te doen om de gevraagde voorzieningen op dit punt te kunnen
weigeren, maar de kardinale denkfout die hij overneemt van de Staat –en die keer op keer
terugkomt in uitspraken van of zijdens de minister- is duidelijk. In een van de eerste alinea’s
van mijn bezwaarschrift tegen Zvw-inhoudingen heb ik het als volgt geformuleerd:
“Voorshands lijkt het bezwaarde nuttig..................... te benadrukken dat het al dan niet dwingende karakter van
de Europese verordening (in casu 1408/71) twee logisch te onderscheiden aspecten kent.
Het eerste wordt door niemand in twijfel getrokken: als de betrokken burger een beroep doet op de verordening
(en hij valt binnen de termen ervan) dan kan hem dat beroep niet ontzegd worden. In zoverre kan men spreken
van dwingend recht, voortvloeiend uit een Europese verordening.
Een geheel andere kwestie is echter de vraag of die burger gedwongen is dat beroep op die verordening te doen.
Als dat zo zou zijn, dan moet die rechtsplicht in een geldige regeling zijn vastgelegd: in de
verordening zelf of in de NL wet bijv.
15. Nog onlangs heeft de minister uitgebreid gemotiveerd waarom volgens hem een opt-out
zelfs niet kan, niet haalbaar is. (ZVW-2670248, april 2006.) Tot nu toe is echter de juridische
basis voor het bestaan van v&v-plichten nog steeds niet aangetoond. We zetten dus onze
speurtocht voort met het nauwkeurig lezen van wat de minister als onderbouwing voor zijn
stelling aanvoert.
16. Minister Hoogervorst geeft de uitspraak van de voorzieningenrechter op het punt van de
keuzevrijheid als volgt weer (p.1):
In zijn voorlopig oordeel concludeert de rechter dat het Europees recht niet meebrengt dat gepensioneerden die
in een andere lid-staat wonen de vrijheid hebben ervoor te kiezen dat zij in het woonland géén aanspraken
hebben …
(en daarvoor dus ook niet hoeven te betalen. Nederland mag van gepensioneerden een bijdrage heffen. De
bepaling in de Zorgverzekeringswet die dat regelt, is niet in strijd met het gemeenschapsrecht.)
Ik heb al op die even merkwaardige als kardinale denkfout gewezen, dat het bestaan van een
rechtsplicht tot het gebruik van rechten gelijkgesteld zou kunnen worden aan het niet-bestaan
van de mogelijkheid van deze rechten af te zien. Dat Europese Verordeningen bepaalde
onvervreemdbare rechten geven, die dwingend door de betrokken staten gerespecteerd
dienen te worden zegt niets over de vraag die aan de orde zou moeten zijn, nl. of betrokkenen
een plichtrecht hebben tot het feitelijke inroepen van die rechten.
‘Elementary’!
17. Minister Hoogervorst vergroot de denkfout vervolgens door zijn stellingen op te hangen
aan een betoog rond de vraag of de Europese Verordeningen buiten toepassing gesteld
kunnen worden. M.a.w., er kan alleen keuzevrijheid zijn voor het individu om de rechten die hij
ongetwijfeld en onvervreemdbaar heeft o.g.v. bijv. VO 1408/71 te ontkennen indien die rechten
buiten toepassing gesteld zouden kunnen worden. Een citaat:
Kan de toepassing van de Verordening en de verdragen via de Verordening en de verdragen buiten werking
worden gesteld?
De Verordening voorziet thans niet in de mogelijkheid van een “opt-out”. Die zou theoretisch kunnen worden
gecreëerd door in de Verordening te bepalen dat een persoon met een Nederlands pensioen die in een andere
EU-lidstaat woont en op 31 december 2005 een particuliere verzekering had, niet valt onder de toepasselijkheid
van artikel 28 en 28bis van de Verordening, wanneer hij dat wenst. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de
verdragen.
Daar gaat het helemaal niet om, maar zolang de minister met deze drogredenering wegkomt
hoeft hij niet met de billen bloot m.b.t. het ontbreken van enige tot zijn plichtrecht leidende
wettelijke regel!
18. De minister heeft het dan al gehad over freerider-gedrag als je mensen individuele keuze
zou laten (het liberale gehalte van zijn uitspraken zou wel eens getoetst mogen worden), nu
haalt hij een geheel andere argumentatie van stal.
In zijn brief over de mogelijkheid van een opt-out leunt de minister zwaar op de
solidariteitsgedachte, nationaal maar ook Europees niveau.
Het streven naar, zelfs de noodzaak van solidariteit is natuurlijk geen basis voor het aannemen
van een willekeurige rechtsplicht. De identificatie van de individuele keuze door de burger om
te zeggen: “bedankt voor mijn rechten maar ik heb niet de behoefte of de noodzaak om er
gebruik van te maken; ik ben al prima verzekerd “ met freerider-gedrag of een gebrek aan
solidariteit is natuurlijk belachelijk. Prima toch, om geen staatszorg te vragen als je die niet
nodig hebt? Uitermate liberaal, lijkt me.
19. Erger is echter de sterke suggestie in ’s ministers brief, dat er met de Europese
Verordening een zelfstandig stelsel van communautaire sociale zekerheid in het leven is
geroepen, terwijl én de bestaande VO én de komende expliciet stellen, dat het enkel gaat om
coördinatie ter bescherming van de migrerende burger. Het gaat om het voorkomen van
onverzekerd zijn of het verplicht dubbel verzekerd zijn door wonen in een ander EU-land,
niet meer en niet minder.
20. Overigens is het onthullend om te controleren in hoeverre de diverse Europese teksten
verwijzen naar het begrip ‘solidariteit’, waar de Nederlandse minister zo zwaar op leunt.
Daartoe zijn de teksten van de complete VO 1408/71 (geconsolid.), 574/72 (gecons.) 883/04
(geconsol.) ; wijziging 574/72 middels 207/06 en het wijzigingsvoorstel van de EC op 883
doorzocht op het woord solidariteit.
Dat leverde twee treffers op:
- 883, wijz. voorstel EC, Considerans(14):
Aangezien de onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende
socialezekerheidsregelingen gebaseerd zijn op de solidariteit van alle verzekerden,
..........................................
Dit fragment heeft enkel betrekking op een karakteristiek van nationale regelingen van de LidStaten en zegt niets over solidariteit als basisbeginsel voor een Euopees sociaal
zekerheidsrecht.
- 574/72 consol., in een van de bijlagen:
►A1 H. FRANKRIJK: ◄ 1. Ministre des affaires sociales et de la solidarité
nationale (Minister voor Sociale Zaken en Nationale Solidariteit), Paris.
Dit is nog eens een onderbouwing van het basisthema van ‘s Ministers opt-outbrief !
20. Voor wie desondanks voelt voor de suggestie, dat er nu een communautair stelsel van
sociale zekerheid zou zijn waaraan de burger ’s ministers plichtrecht zou ontlenen ter
waarborging van de communautaire solidariteit (ondanks de afwezigheid van enige expliciete
wettelijke regel terzake), volgt hier de juridische doodsteek: een dergelijk stelsel zou een
flagrante schending zijn van een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, het
subsidiariteitsbeginsel.
20bis. Een van mijn commetatoren (Onno Fokkens) tekende hierbij het volgende aan:
“ Er is een scherp onderscheid te maken tussen de verordening 883/2004 en de toepassingsverordening
van 883/2004. De verordening sluit m.i. aan bij 1408/71: recht i.p.v. (rechts)plicht, of zie ik iets over het
hoofd?
De toepassingsverordening voegt hieraan een heel stuk wetgeving toe (wat m.i. niet kan) inhoudend:
1. Ter vaststelling van rechten en plichten van europese burgers moet iedereen zich laten registreren
(Dat is nogal wat!)
2. De (uitvoerings)organen van sociale zekerheid (en belastingdiensten) hebben het recht deze gegevens
naar believen uit te wisselen (privacy???)
3. Iedereen moet zich aansluiten bij het lokale ziekenfonds. Wie het niet doet wordt op initiatief van het
bevoegd orgaan “voorlopig” vast ingeschreven (de ambtshalve inschrijving)
4. Grensoverschrijdende incassoprocedures
- etc. etc.”
Waarschuwende commentaren op het Commissie-voorstel m.b.t. de toepassing van het
komende, maar reeds door de Raad vastgestelde gemeenschapsrecht terzake, zijn uitermate
relevant. De toepassingsverordening 883/2004 valt echter buiten het kader van dit artikel.
Laat ik er dit van zeggen: Big Brother Brussel is klaar voor de grote sprong. Burgers die zelf
niet meer voor hun individuele vrijheid opkomen (kijk eens hoe makkelijk thans de in de jaren
‘60 als ‘Ausweis bitte!’ weggehoonde identificatieplicht erdoor is gekomen!) krijgen de
bestuursvormen die zij verdienen.
IV. Geldend en komend, reeds door de Raad vastgesteld,
gemeenschapsrecht.
21. Er wordt wel eens beweerd, dat NL bevoegd is om het geheel van aanmeldingsplicht,
bijdrageplicht, plus boetebepalingen op te leggen aan in het buitenland, in casu in de Euopese
Unie wonende burgers, en wel op basis van de artikelen 28 en28bis van 1408/71. Deze
zouden een uitzondering vormen op de bevoegdheidsregeling elders in de VO. Mutatis
mutandis zou dit ook gelden voor de overeenkomstige bepalingen van beoogd opvolger, VO
883/04. We zullen dus allereerst moeten bezien of een dergelijke stelling in juridische zin
correct is.
22. VO 1408/71 beoogt niet het in het leven roepen van een geharmoniseerd Europees stelsel
van sociale zekerheidsrecht. De preambule is daarin zeer duidelijk: er dient enkel een
coördinatiemethode uitgewerkt te worden. Onderdeel van die coördinatie is, dat vastgesteld
wordt in welke omstandigheden welke Lid-Staat bij uitsluiting bevoegd is.
VO 1408/71 werkt dit uitgangspunt uit in TITEL II:VASTSTELLING VAN DE TOE TE PASSEN
WETGEVING, Artikel 13 (Algemene regels).
Lid 1 luidt als volgt:
1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze
verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen.
De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel
vastgesteld.
(HFr.: beide artikelen 14 zijn voor ons onderwerp onbelangrijk.)
Lid 2:
Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat
zonder dat hij opgrond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één
van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de
wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van
toepassing van de Lid-Staat ophet grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de
bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.
23. Het moge duidelijk zijn dat dit onderdeel (13,2f dus) van toepassing is op de degene, die
uitsluitend inkomen heeft uit een Nederlandse wettelijke uitkering of wettelijk pensioen en
woont in een ander EU-land. Het woonland is bij uitsluiting bevoegd.
Even duidelijk is, dat artikel 13 zelf nauwkeurig aangeeft welke uitzonderingen er zijn op deze
hoofdregel. Art.28 en 28bis horen daar niet bij.
Deze vaststelling kan alleen terzijde gesteld worden als de betreffende artikelen (28/28bis) aan
een andere Lid-Staat dan het woonland expliciet bepaalde bevoegdheden zouden geven. Het
principe dat de lex specialis derogeert aan de lex generalis zou dan, ondanks de toch vrij
duidelijke redactie van artikel 13, prevaleren boven de voorschriften van dit laatste artikel. Het
is ’n redenering.
We zullen dus bij de behandeling van de artikelen 28 en 28bis allereerst aandacht moeten
besteden aan dit punt.
De artikelen 28 en 28bis van VO 1408/71.
24. Artikel 28 (Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke
regelingen van een of meer Lid-Staten, terwijl in het land van de woonplaats geen recht
op prestaties bestaat)
1. De rechthebbende op een pensioen........ verschuldigd krachtens
de wettelijke regeling van een Lid-Staat, ........., (A) die geen recht op prestaties heeft op
grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, (B)
heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, (C) voorzover hij op
grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat, ......,
..............................recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de
betrokken Staat woonde.
De prestaties worden verleend op de volgende voorwaarden:
a) de verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verleend door het
orgaan van de woonplaats, alsof de betrokkene recht had op een pensioen of een rente
krachtens de wettelijke regeling van de Staat op het grondgebied waarvan hij
woont, en hij recht op verstrekkingen had;
b) ……………..
2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het
overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:
a) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht op
bedoelde verstrekkingen heeft, komen (D) deze voor rekening van het bevoegde orgaan van
deze Staat;
b) .................................
(HFr. Weggelaten zijn met name de fragmenten die zien op de situatie, dat de migrant
pensioen trekt van meerdere landen, niet zijnde het woonland.)
25. Onderdeel (A) is volkomen duidelijk, maar we zullen zien dat op deze regel een
uitzondering gemaakt wordt in art. 28bis.
(B) verleent de onder A bedoelde pensioentrekker ondanks het feit, dat deze geen
aanspraken kan maken op de prestaties die het wettelijke stelsel van zijn woonland verleent
aan de ‘eigen’ burgers, toch een recht en wel op dezelfde prestaties. Dit recht ontleent de
betreffende pensioentrekker derhalve aan deze regel van gemeenschapsrecht en het is in
overeenstemming met de suprematie van het gemeenschapsrecht boven het nationale recht
van enige Lid-Staat, dat alleen expliciete regels van gemeenschapsrecht dit recht kunnen
inperken of teniet doen.
De voorwaarde voor het bestaan van dit ‘Europese’ recht, dat dus de betrokken
pensioentrekker geldend kan maken tegen zijn woonland, is gegeven in onderdeel (C) : hij
heeft alleen dan recht op de prestaties die het wettelijke stelsel van sociale zekerheid van zijn
woonland omvat, voorzover hij recht op prestaties zou hebben op grond van het wettelijke
stelsel van zijn woonland indien hij daar woonachtig zou zijn.
Bedoelde prestaties worden verleend door het sociale zekerheidsorgaan van het woonland
maar de rekening ervoor mag (het is geen verplichting) o.g.v. deze Europese verordening
verhaald worden op (het bevoegde orgaan van) het pensioenland.
26. Het is mogelijk, dat het woonland een wettelijk stelsel heeft dat recht op prestaties geeft
aan elke inwoner, ongeacht diens bron van inkomen of diens nationaliteit. Het gaat dan om
een zuiver inwonersstelsel zonder dat er aan nadere voorwaarden voldaan moet worden om in
aanmerking te komen voor de prestaties. Voor die situatie is artikel 28bis geschreven:
Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regeling van een of meer
andere Lid-Staten dan het land van de woonplaats, terwijl in het laatstbedoelde land
recht op verstrekkingen bestaat
Indien de rechthebbende op een pensioen..............., verschuldigd krachtens de wettelijke
regeling van een Lid-Staat, ..........................., woont op het grondgebied van een Lid-Staat (A)
waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake
de verzekering of de arbeid en krachtens de wettelijke regeling waarvan geen pensioen ...
verschuldigd is, (B) komen de aan hem en aan zijn gezinsleden verleende verstrekkingen (C)
voor rekening van het overeenkomstig artikel 28, lid 2, bepaalde orgaan van een van de ter
zake van pensioenen bevoegde Lid-Staten, voorzover de betrokken rechthebbende en zijn
gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling die
wordt toegepast door het bedoelde orgaan indien zij woonden op het grondgebied van de LidStaat waar dit orgaan is gevestigd.
(A) beschrijft de situatie, dat de pensioentrekker van Lid-Staat A woont in Lid-Staat B, en dat
de laatste (het woonland) hem op grond van zijn ingezetenschap sociale zekerheidsprestaties
biedt zonder dat daaraan nadere voorwaarden verbonden zijn. Het woonland geeft betrokkene
echter geen pensioen.
(B) : het is logisch dat aan betrokkene dus prestaties verleend kunnen worden/zijn. De
formulering heeft tot dusverre een puur feitelijk karakter, niets normatiefs. De norm volgt in
(C) : De rekening (voor verleende verstrekkingen, scil.) gaat naar het pensioenland, onder
dezelfde voorwaarde die ook aan het slot van artikel 28 staat, alleen is het hier niet ‘op grond
van’, maar ‘krachtens’ de wettelijke regeling van het pensioenland.
Dit verschil in tekst mag geen betekenis hebben, maar de voorwaarde is duidelijk. De rekening
gaat alleen naar het pensioenland als dit diezelfde rekening ook zou moeten betalen indien
betrokkene daar woonachtig zou zijn, nl. de rekening voor de wettelijke sociale
zekerheidsprestaties van het betreffende pensioenland. (Of het pensioenland aan zijn
inwoners voor de sociale zekerheid bijdragen laat betalen, of dat de kosten gedekt worden uit
belastingen doet niet terzake: het gaat er in 28 en 28bis enkel om, dat de in een ander EUland wonende pensioentrekker in eigen land ook, krachtens of op grond van de wettelijke
regeling, recht op sociale zekerheidsprestaties –in casu terzake van ziekte- zou hebben
gehad.)
27. In art. 28bis wordt derhalve aan betrokkene geen ander recht verleend, dan het recht dat
hij al heeft op grond van de wettelijke woonlandregeling, terwijl art.28 eenzelfde recht geeft,
maar nu rechtstreeks op basis van gemeenschapsrecht. Daartegenover schrijft geen van
beide artikelen hem enige verplichting voor.
Het woonland heeft in beide gevallen, zowel dat van 28 als dat van 28bis, de plicht om aan
betrokkene die prestaties van sociale zekerheid bij ziekte te verlenen die de wettelijke regeling
van het woonland voorschrijft. In het geval van 28 is dat een verplichting, die rechtstreeks
voortvloeit uit gemeenschapsrecht, in 28bis is het de verplichting, die het woonland krachtens
zijn eigen wettelijke regeling al heeft tegenover al zijn inwoners.
Daar staat voor het woonland in beide gevallen een gemeenschapsrecht tegenover, nl. op
vergoeding van de kosten, en wel door de pensioenstaat. Deze ontleent noch aan artikel 28,
noch aan artikel 28bis enig recht, maar wel een duidelijke plicht, nl. om de rekening te
vergoeden.
Wellicht ten overvloede: indien het woonland de buitenlandse pensioentrekker
dwingend opneemt in zijn sociale zekerheidsstelsel, dan heeft deze nog altijd het recht
om op grond van art. 17bis ontheffing hiervan (= van het wl.-stelsel in zijn geheel)
vragen.
Voor alle duidelijkheid volgt op de volgende pagina een schematisch overzicht.
Rechten
28
Pensioentrekker
Plichten.
Gemeenschapsrecht op
prestaties vlg. wett.regeling
woonland
Geen
Woonland
Vergoeding kosten
door pensioenstaat
op basis 1408/71.
Verlenen
verstrekkingen
op basis 1408/71
Pensioenland
Geen
Betalen
rekening
op basis 1408/71
____________________________________________________________________________
_____________________________________________________________
28bis
Pensioentrekker
Prestaties conform en
krachtens wett.regeling
woonland
Geen
Woonland
Vergoeding kosten
door pensioenstaat
op basis 1408/71
Verlenen
verstrekkingen
op basis eigen
wett. regeling
Pensioenland
Geen
Betalen
rekening
op basis 1408/71
(en Vo574/72)
28. Tot dusver is er geen spoor te vinden van enige verplichting voor de in een ander EU-land
wonende pensioentrekker, laat staan een verplichting om van zijn recht op lokale sociale zorg
daadwerkelijk gebruik te maken.
Er wordt aan dit gebruik echter een duidelijke voorwaarde gesteld, te weten in de
toepassingsverordening 574/72:
Toepassing van de artikelen 28 en 28 bis van de verordening
Artikel 29
Verstrekkingen aan pensioen- of rentetrekkers en aan hun gezinsleden die hun
woonplaats niet hebben in een Lid-Staatkrachtens de wettelijke regeling waarvan zij een
pensioen of rente genieten en recht op prestaties hebben
1. Om op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij woont in aanmerking te komen voor
verstrekkingen krachtens artikel 28, lid 1, en artikel 28 bis van de verordening, is de pensioenof rentetrekker verplicht zich en zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden te doen
inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring waarin
wordt bevestigd dat hij krachtens de wettelijke regeling of krachtens één der wettelijke
regelingen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zich zelf en voor zijn
gezinsleden recht op genoemde verstrekkingen heeft.
29. De Landsadvocaat weet aan deze, op zich toch duidelijke voorwaarde, wel een draai te
geven. Hij verzet zich niet tegen wat er geschreven staat, maar tegen de stelling van eisers
dat, zolang betrokkene zich niet heeft ingeschreven, hij niets met de wettelijke regeling van het
woonland te maken zou hebben. Dat vergelijkt hij dan met het verblijfsrecht, dat van
rechtswege bestaat o.g.v. gemeenschapsrecht en waarvoor een eventuele verblijfsvergunning
slechts declaratoire werking heeft.
Nu gaat het schrijver dezes tever om te controleren of eisers zich inderdaad zo ongelukkig
hebben uitgedrukt als de Landsadvocaat beweert (hij neemt zonder meer aan, dat het allemaal
wat genuanceerder werd gesteld) maar wie eens op z’n gemak wil bekijken hoe je een
juridisch rookgordijn legt doet er goed aan via de zoekfunctie het woord ‘inschrijving’ op te
zoeken in het pleidooi namens de Staat. Een simpele en volmaakt heldere bepaling – wie in
aanmerking wil komen voor het genieten van zijn recht op prestaties moet zich eerst
inschrijven....- wordt hier, via een verwijzing naar administratieve belangen van woon- en
pensioenland en hun loyale samenwerking gevoerd naar de conclusie, dat die inschrijving
beslist niet facultatief is en dat daarom ook art.69 Zvw die inschrijving (via aanmelding bij het
Cvz) verplicht kan stellen.
Lees die conclusie nog eens: die inschrijving bij het lokale orgaan van sociale zekerheid is
geenszins facultatief en daarom is de aanmeldingsplicht bij het Cvz correct. Juridische
acrobatiek.
Het fraaie is, dat natuurlijk niemand beweerd heeft dat die inschrijving facultatief is. Natuurlijk
is hij dat geenszins, om dat te weten hoef je alleen te lezen wat er staat in art. 29 der
toepassingsverordening.
Die inschrijving is, om ‘ volks te zeggen, hartstikke verplicht ..... voor wie in aanmerking wil
komen voor de prestaties waar hij recht op heeft.
Het recht is er, wil je er gebruik van maken dan ben je verplicht je in te schrijven. Dat is, om de
woorden van de Landsadvocaat in tegengestelde richting te gebruiken: “een gecombineerde
lezing van art. 28 van Vo. 1408/71 en art. 29 van Vo. 574/72”.
30. Schrijver dezes hoeft in wezen niet een tekst op te delven, waaruit een keuzerecht voor
betrokkenen expliciet voortvloeit. Hij heeft zijn werk gedaan als hij na gedegen tekstonderzoek
kan concluderen, dat nergens in enige wettelijke regeling een transformatie heeft
plaatsgevonden van het recht op prestaties naar de plicht, om van dat recht de facto gebruik te
maken.
Tot dusver is een dergelijke wettelijke bepaling niet gevonden, noch in de NL
Zorgverzekeringswet, noch in VO 1408/71 of toepassingsVO 574/72.
31. Een expliciete keuzevrijheid voor de migrant is echter wel te vinden in VO 1408/71, en wel
in artikel 17bis:
Bijzondere regels inzake personen die recht hebben op pensioen(en)........krachtens de
wetgeving van een of meer Lid-Staten
Degene die recht heeft op een pensioen........ overeenkomstig de wettelijke regeling van een
Lid-Staat of ..........., en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont, kan op zijn
verzoek worden vrijgesteld van de toepassing van de wettelijke regeling van
deze laatste Lid-Staat mits hij niet uit hoofde van de uitoefening van een
beroepswerkzaamheid aan deze wettelijke regeling is onderworpen.
Deze bepaling levert in de ogen van de Landsadvocaat (en later evenmin in die van de
voorzieningenrechter!) een argument op voor het toekennen van een opt-out in de artikelen 28
en 28bis.
Het is een technisch argument in de zin: als ten aanzien van het meerdere uitdrukkelijk een
keuzevrijheid wordt verleend, dan mag deze ook gepresumeerd worden ten aanzien van het
mindere. Afgezet tegen het al eerder, het laatst in nr. 30 hierboven, gestelde een vrij overbodig
argument, maar een met illustratie-waarde.
32. Ook ik was aanvankelijk verrukt over de vondst van artikel 17bis. Dat enthousiasme is
inmiddels bekoeld en wel omdat degene, die dit argument gebruikt eigenlijk meepraat in de
gedachtenwereld van de tegenstander, nl. dat er geen keuzevrijheid zou bestaan tenzij deze
wordt aangetoond. En het is natuurlijk precies andersom.
33. Waarom is art. 17bis inderdaad irrelevant voor de positie van betrokkene ex 28 of 28bis?
De correcte redenen vindt men niet in het betoog van de Landsdavocaat, noch in de
overwegingen van de voorzieningenrechter van 31 maart.
Mijns inziens zit het zo:
17bis gaat ervan uit dat betrokkene, die immers woont in een bepaald land, verplichtingen
opgelegd krijgt door de wetgeving van dat land. Logisch.
Voorzover dat echter verplichtingen zijn in de sfeer van de sociale zekerheid (in zijn geheel,
niet slechts t.a.v. ziekte bijv.) kan hij –op zijn verzoek- worden vrijgesteld van de toepassing
van deze bepalingen.
28 en 28bis zijn bepekt tot de sociale zekerheid terzake van ziekte.
28 gaat ervan uit dat er op dit punt nu juist geen wettelijk stelsel bestaat dat betrokkene in zijn
personele werking brengt. Er is dus geen wettelijke regeling terzake van ziekte in zijn
woonland, die betrokkene verplichtingen oplegt. Hij zal dus geen enkele behoefte hebben om
vrijstelling van toepassing te verzoeken, ergo: 17bis is irrelevant.
28bis daarentegen regelt het geval, dat betrokkene wel behoort tot de personele werkingssfeer
van een wettelijke woonlandregeling, maar dat deze geen voorwaarden stelt. Zonder
voorwaarden zijn drukkende verplichtingen moeilijk denkbaar, ergo, ook in dit geval zal
betrokkene geen behoefte aan een vrijstelling hebben. Wederom is de conclusie dus: 17bis is
irrelevant.
Meer fundamenteel is de volgende redenering. Bij het vraagstuk van ‘de keuzevrijheid van
pensionados’ , zoals het inmiddels in de volksmond wordt genoemd (let wel: het correcte
Spaanse woord zou pensionista zijn!!), gaat het om keuzevrijheid terzake van rechten
gebaseerd op communautaire wetgeving. Keuzevrijheid ten aanzien van communautaire
regels derhalve.
Art.17bis daarentegen is een communautaire rechtsregel die keuzevrijheid verleent ten
aanzien van nationale wettelijke regels (in het woonland).
Het bovenstaande doet natuurlijk niet af aan de technisch-illustratieve waarde van het
art.17bis-argument zoals deze in de laatste alinea van nummer 31 werd aangegeven
Kostenverhaal.
34. Tot zover de beschouwing over bepalingen van gemeenschapsrecht die rechtstreeks
betrekking hebben op de betrokkene, die in deze studie centraal staat. Er is in 1408/71 echter
nog een bepaling, die zich weliswaar richt tot het pensioenland, maar toch van immens belang
is voor de positie van betrokkene, nl. artikel 33:
Bijdragen of premies voor rekening van pensioen- of rentetrekkers
1. (A) Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen....verschuldigd is en dat een (B)
wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen...trekker
bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en
moederschapte (te) dekken, (A) is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de
betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen ......welke (A) dit orgaan
verschuldigd is, (C) voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32
voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.
2. Wanneer de pensioen- of rentetrekker in de in artikel 28 bis bedoelde gevallen krachtens de
wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, uit hoofde van zijn
woonplaats aldaar, premies of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor de dekking
van de kosten van prestaties wegens ziekte of moederschap, zijn deze niet invorderbaar.
Wat levert dit artikel in termen van rechten en plichten op?.
Allereerst zij erop gewezen dat de tekst van art.33 een ander orgaan noemt dan de NL Zvw,
immers, het Cvz verstrekt geen pensioenen en de instanties, die deze pensioenen wel
verstrekken krijgen de rekening voor zorgkosten vanuit het buitenland niet gepresenteerd. Zie
de drie onderdelen die gemerkt zijn met de letter (A) tezamen. Dit is volgens schrijver dezes
echter een puur administratieve aangelegenheid, waarin het pensioenland bevoegd is zijn
eigen procedures te bepalen.
Fragment (B) moet aldus gelezen worden dat er een wettelijke regeling is voor
premiebetaling, waarin ook pensioengerechtigde begrepen zijn. De pensioentrekker uit dit
fragment is dus niet specifiek de in het buitenland wonende ..etc. pensioengerechtigde. In het
Nederlandse zorgstelsel zijn pensioengerechtigden niet uitgezonderd van premiebetaling. Zij
moeten hun eigen (particuliere) zorgverzekering betalen en worden aangeslagen voor de
AWBZ.
Als we nu (A) gemakshalve even aanduiden als het pensioenland(orgaan) dan levert de
combinatie van (A) en (B) dus een recht op voor het pensioenland (en we hebben gezien dat
28 en 28bis enkel verplichtingen voorschreven!), nl het recht op kostenverhaal.
35. Dit recht is echter uitdrukkelijk beperkt in fragment (C): inhoudingen op pensioenen zijn
toegestaan voorzover de prestaties ten laste van het pensioenland komen.
Een geclausuleerd en gemaximeerd recht op kostenverhaal voor de pensioenstaat derhalve,
dat overigens geheel in overeenstemming is met het krachtens de teksten van 28 en 28bis op
dezelfde wijze gemaximeerde recht van het woonland om de kosten te verhalen op het
pensioenland:
28,2: ” komen de verstrekkingen voor rekening van”.....
28bis: “komen de ............... verleende verstrekkingen voor rekening van”....
36. Het stelsel van rechten en plichten van 1408/71 in combinatie met 574/72, tezamen het
terzake geldende gemeenschapsrecht, kan nu gecompleteerd worden door uitbreiding van het
eerder gegeven schematische overzicht.
Hierbij is Ptr de pensioentrekker (wettelijk pensioen uit Lid-Staat A, wonend in Lid-Staat B);
Wl. Is het woonland en Pl. Is het pensioenland.
Rechten
Plichten.
17bis
Ptr.
Recht op vrijstelling gehele
wettelijke regeling sociale
zekerheid van het Wl.
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
28
Ptr.
Gemeenschapsrecht op
prestaties vlg.wett.regeling Wl.
Geen
Wl.
Vergoeding kosten door Pl.
op basis 1408/71.
Verlenen verstrekkingen
op basis 1408/71
Pl .
Geen
Betalen rekening
op basis 1408/71
____________________________________________________________________________
____________________________________________________________________________
28bis
Ptr.
Prestaties conform en
krachtens wett.regeling Wl.
Geen
Wl.
Vergoeding kosten door
Pl. op basis 1408/71
Verlenen verstrekkingen
op basis eigen wett. regeling
Pl.
Geen
Betalen rekening op basis
1408/71
____________________________________________________________________________
____________________________________________________________________________
29,1
Ptr.
Inschrijving bij lokale soc. zekerheidsorgaan indien hij in aanmerking wil
komen voor verstrekkingen 28/28bis
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
33,1
Pl.
Geclausuleerd en gemaximeerd
recht op kostenverhaal d.m.v.
inhoudingen op pensioen betrokkene
37. Omtrent de berekening van de door het woonland te verhalen en door het
pensioenland te vergoeden kosten zijn door de Lid-Staten onderling methodes
ontwikkeld, die afwijken van het uitgangspunt dat het kostenverhaal
gemaximeerd is gekoppeld aan daadwerkelijke kosten. Ik zal hier niet nader
ingaan op vragen, of er met gemiddelde kosten gewerkt mag worden, op basis
waarvan die gemiddelden berekend worden etc.
Wel wil ik benadrukken, dat afspraken tussen Lid-Staten onderling niet mogen
afwijken van de voorschriften die aan deze afspraken ten grondslag liggen. Een
gemiddelde van werkelijke, over de hele linie gemaakte kosten, als
berekeningsmethode tussen de Staten onderling kan worden geaccepteerd
onder het mom van ‘administrative expediency’.
De toepassingsverordening 574/72 is daar duidelijk over in artikel 95:
Vergoeding van de verstrekkingen van de ziekte- en moederschapsverzekering,
die zijn verleend aan pensioen- of rentetrekkers en hun
gezinsleden die hun woonplaats niet hebben in een Lid-Staat
krachtens de wettelijke regeling waarvan zij een pensioen of rente
genieten en recht op prestaties hebben
1. Het bedrag van de krachtens de artikelen 28, lid 1, en 28 bis van
de verordening verleende verstrekkingen wordt door de bevoegde
organen vergoed aan de organen die genoemde verstrekkingen hebben
verleend, op basis van een vast bedrag dat het bedrag van de
werkelijke uitgaven zo dicht mogelijk benadert.
2. Het vaste bedrag wordt verkregen door de gemiddelde jaarlijkse
kosten per pensioen- of rentetrekker te vermenigvuldigen met het
gemiddelde jaarlijkse aantal pensioen- of rentetrekkers waarmede
rekening moet worden gehouden en de uitkomst daarvan met 20 % te
verminderen.
3. (Exacte beschrijving van toegestane berekeningswijze)
4. Het aantal pensioen- of rentetrekkers waarmede ingevolge lid 3,
onder b), rekening moet worden gehouden, wordt vastgesteld aan de
hand van een inventaris welke te dien einde wordt bijgehouden door
het orgaan van de woonplaats, zulks op basis van bewijsstukken inzake
de rechten van de belanghebbenden, welke door het bevoegde orgaan
worden verstrekt. In geval van geschillen worden de opmerkingen van
de betrokken organen voorgelegd aan de rekencommissie bedoeld in
artikel 101, lid 3, van de toepassingsverordening.
5. ..................
6. ..................
Duidelijk is dat volgens het geldende recht de relatie tussen werkelijk gemaakte
kosten en overeengekomen vaste bedragen een reële moet zijn. We zullen de
wijzigingsvoorstellen hierop nog nader bezien in een volgende paragraaf. Nu
reeds kan vastgesteld worden dat ook in die voorstellen er een fundament is
van werkelijk gemaakte en met bewijsstukken aantoonbare kosten en de Staat
die hiervan afwijkt geeft zichzelf in wezen het testimonium paupertatis van de
ondeugdelijke administrator.
38. Dat alles staat echter helemaal los van de vraag of het pensioenland de
bevoegdheid heeft om er, wat betreft de inhoudingen op pensioenen van
betrokkenen, met de pet naar te gooien (in het eigen voordeel, dat spreekt) .
Al die administratieve regelingen betreffen immers de declaraties en
vergoedingen tussen Lid-Staten onderling.
Als NL de sociale zekerheidskassen van andere EU-landen wil subsidiëren,
bijv. als quid pro quo in de onderhandelingen over het miljard
korting op de NLse EU-bijdrage , moet NL dat vooral zelf weten.
Een land als Spanje zal heus wel bereid zijn om mee te werken aan een
systeem van gedwongen inschrijving, want het levert per persoon een flink
jaarbedrag op en Spanje weet uit ervaring, dat het meerendeel van die
buitenlandse pensioentrekkers toch wel zullen zorgen voor een volledige
particuliere dekking. Handjeklap op de gepensioneerdenmarkt!
Voor de relatie tussen het pensioenland, in casu NL, en betrokkene blijft echter
de maximering van 1408/71, art. 33, lid 1 gelden zolang van dit voorschrift niet
door een nieuwe Verordening wordt afgeweken. Een regel van
gemeenschapsrecht kan immers enkel gewijzigd worden door een (qua status
gelijkwaardige of hogere) regel van gemeenschapsrecht, niet door welke regel
van welk nationale recht van welke Lid-Staat dan ook.
Met andere woorden, wat NL in het kader van het onderlinge handjeklap
ook aan vaste jaarlijkse vergoedingen aan woonlanden overeenkomt, aan
de betrokken pensioentrekkers mag niet meer ingehouden worden op hun
pensioenen dan dat er voor hen aan kosten in rekening is gebracht.
(Dit is overigens ook het standpunt van het EhvJ.)
Komend, door de Raad reeds vastgesteld gemeenschapsrecht (VO 883/2004).
39. Rest ons te bezien of het komende, maar reeds door de Raad vastgestelde
gemeenschapsrecht met name afwijkingen bevat t.o.v. de regeling met betrekking tot de
exclusieve wettelijke bevoegdheid van het woonland, van het recht op prestaties voor
migranten-gepensioneerden, en voor de bevoegdheid van het pensioenland om de kosten te
verhalen via inhoudingen op pensioen.
Teneinde het spoor niet bijster te raken roep ik in herinnering waar het in deze discussie om
gaat: is er enige wettelijke regel aanwijsbaar die het recht van de migrant-pensioentrekker op
prestaties terzake van ziekte in het woonland transformeert tot een rechtsplicht om van die
rechten ook werkelijk gebruik te maken.
40. Qua doelstellingen en gekozen methode wijkt VO 883/2004 niet af van zijn voorganger, dat
blijkt wel uit de preambule. Ook de regeling met betrekking tot de vraag welk land bij uitsluiting
bevoegd is wijkt niet af van 1408/71. (Nu: Artikel 11, lid 1 en lid 3, sub e.)
41. Het recht op prestaties door het woonland ten behoeve van de gemigreerde
pensioentrekker is geregeld in de artikelen 24 en 25.
Artikel 24
(Geen recht op verstrekkingen krachtens de wetgeving van
de lidstaat van de woonplaats)
1. Degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer
lidstaten en geen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de
lidstaat waar hij woont, (A) ontvangt desalniettemin verstrekkingen voor
zichzelf en zijn gezinsleden voorzover hij hierop recht zou hebben (B)
krachtens de wetgeving van de (pensioenstaat). De verstrekkingen worden
voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verstrekt door het orgaan van
de woonplaats alsof de betrokkene recht had op pensioen en verstrekkingen
krachtens de wetgeving van die lidstaat.
Er is een nieuwigheidje: het woord ‘ontvangt’ in fragment (A) , i.p.v. het ‘heeft
recht op’.
Op zich geeft ‘ontvangt’ niet meer aan dan een feitelijk gebeuren. Vergeleken
met de oudere formulering is de nieuwe, in termen van wetgevingstechniek,
duidelijk van mindere kwaliteit.
Of een pensioentrekker feitelijk prestaties ontvangt hangt af van feitelijkheden,
met name van zijn beslissing om terwille van die ontvangst de nodige stappen
te zetten. Als feitelijk gegeven is het woord ongeschikt. Mag dit ‘ontvangt’
gelezen worden als een norm, als imperatief? Zit hierin verscholen de basis
voor de transformatie van ‘recht op’ naar de ‘plicht om’ dat recht te gebruiken?
42. In de eerste plaats behoeft zo’n onwaarschijnlijke constructie een expliciete
bepaling, niet iets wat verstopt is in een dubieuze formulering. Maar zelfs als
men bereid is, pour besoin de la cause, over dit bezwaar heen te stappen blijft
nog, dat uit een overzicht van de diverse talen –waarvan er geen enkele als
authentiek/gezaghebbend wordt aangeduid- het tegendeel blijkt. De
verandering in bewoordingen heeft geen enkele betekenis.
Mr. Harry Ebbink, pensionista in Andalucía, heeft in elf talen art 28 van
1408/71 vergeleken c.q. laten vergelijken met art 24 van 883/04.
In 28 staat het equivalent van "ontvangt" in het spaans, du, fr, ital, maltees,
eng, portug, zweeds en deens; "recht op" in het ned en tsjechisch.
In 24 staat "ontvangt" in het sp, du, it, malt, eng, port, zweeds en ned ; "recht op" in het frans,
deens en tsjech. Ebbink wijst op het merkwaardige feit dat het in het frans en deens gaat van
"ontvangt" naar "recht op", en alleen in het ned. van "recht op" naar "ontvangt". Aan die
wisseling valt natuurlijk geen conclusie te verbinden m.b.t. de keuzevrijheid.
43. Dan artikel 25, VO 883/2004:
Pensioenen krachtens de wetgeving van een of meerandere lidstaten dan de lidstaat
van de woonplaats in gevallen waarin er een recht op verstrekkingen bestaat in een
andere lidstaat dan de lidstaat van de woonplaats
Ingeval degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten,
woont in een lidstaat waarvan de wetgeving voor het recht op verstrekkingen geen
voorwaarden stelt inzake verzekering of inzake het al dan niet in loondienst verrichten
van werkzaamheden, en waarvan de betrokkene geen enkel pensioen ontvangt, komen (A)
de kosten voor verstrekkingen voor de betrokkene en zijn gezinsleden voor rekening van
het krachtens de regels van artikel 24, lid 2, aangewezen orgaan van een van de
lidstaten die bevoegd zijn voor zijn pensioenen, (B) voorzover genoemde
pensioengerechtigde en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen
indien zij zouden wonen in die lidstaat.
Het eerste (kleine) verschil in de tekst, dat opvalt, is aangeduid met (B).
Weggelaten is ‘op grond van’ of ‘krachtens’ de wettelijke regeling (van het pensioenland)......
Levert deze tekstwijziging (die niet nader onderzocht is in de andere talen) een oplossing voor
het bij 28 en 28bis van 1408/71 gesignaleerde probleem, dat men, wonend in NL, prestaties
ontvangt op basis van particuliere verzekeringen en niet op basis van een wettelijke regeling?
Ik dacht het niet. Immers, ook in deze nieuwe formulering blijft het probleem bestaan, dat men
niet ‘zomaar’ recht op deze verstrekkingen heeft, maar alleen indien en voorzover men
hiervoor verzekerd is.
Wie de nieuwe tekst nauwkeuriger bekijkt, ziet echter dat er geen enkel verband meer wordt
gelegd tussen de verleende prestaties in het woonland en de wettelijke regeling van dat
woonland als basis van deze prestaties. (Niet van het recht van betrokkene op prestaties, dat
is en blijft een gemeenschapsrecht, maar van het soort prestaties dat betrokkene in een
bepaald woonland kan verkrijgen.)
Er valt nog wel een verschil in formulering aan te duiden dat mogelijk consequenties zou
hebben voor de omvang van de door het woonland te verlenen prestaties, maar de redenering
die dan opgezet moet worden is buitengewoon ingewikkeld en vergezocht.
Laten we hier volstaan met de conclusie, dat de artikelen 24 en 25 van VO 883/2004 ten
aanzien van het vraagstuk ‘keuzevrijheid of plichtrecht’ geen enkele wijziging brengen ten
opzichte van de voorgangers, de welbekende artikelen 28 en 28bis van 1408/71.
44. We kunnen ons onderzoek nu afsluiten, als we ook nog een blik hebben geworpen op de
opvolger van artikel 33, lid 1 van 1408/71.
In VO 883/2004 is dit artikel 30:
Premies of bijdragen ten laste van de pensioengerechtigden
1. Het orgaan van een lidstaat dat krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving belast
is met het inhouden van de premies of bijdragen ter dekking van prestaties bij ziekte en van
moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, kan slechts deze premies
of bijdragen, welke worden berekend overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste
wetgeving, heffen en innen voorzover de kosten voor de verstrekkingen die moeten
worden verleend krachtens de artikelen 23 tot en met 26, worden gedragen door een orgaan
van genoemde lidstaat.
2. Wanneer een pensioengerechtigde, in de in artikel 25 bedoelde gevallen, krachtens de
wetgeving van de lidstaat waar hij woont, premies of bijdragen, of soortgelijke inhoudingen
verschuldigd is voor het verkrijgen van prestaties bijziekte en van moederschaps- en daarmee
gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, zijn deze niet invorderbaar uit hoofde van zijn
woonplaats aldaar.
Het verschil met artikel 33 uit 1408/71 is wel het woord ‘moeten’, verstrekkingen die moeten
worden verleend.....Zou men dit willen uitleggen als: de kosten van verstrekkingen die in
theorie, als alle pensioentrekkers hun rechten zouden toepassen, zouden moeten worden
verleend, dan zinkt men toch weg in drijfzand. Er zijn nl. geen theoretische kosten. Kosten zijn
er als verstrekkingen worden verleend, niet eerder en niet anders.
45. Er wordt ook wel gejammerd over free-ridergedrag. Mensen zouden wachten met het
gebruikmaken van hun rechten o.g.v. de Europese Verordening todat ze ziek zouden worden.
Dat zou dan buitengewoon, ja wat eigenlijk, buitengewoon onelegant, a-sociaal of zoiets zijn.
Free-ridergedrag!
In de eerste plaats zal het bij de tegenstanders van het door de minister aan hen toebedachte
plichtrecht voornamelijk gaan om mensen, die voldoende particulier verzekerd zijn, mensen
die dus ook als ze ziek worden geen kosten voor NL zullen veroorzaken, maar afgezien
daarvan. Stel dat mensen inderdaad zich pas aanmelden bij de lokale sociale zekerheid op het
moment dat ze ziek worden, wat is daar dan mis mee? Pas dan worden er door het woonland
kosten gemaakt, pas dan is er de reële grond voor kostenverhaal door het woonland op het
pensioenland, en pas dan is er aanleiding voor het pensioenland om een bijdrage te gaan
vragen van betrokkene.
Hier zou men aan toe kunnen voegen, dat de enige groep die GEEN belang heeft bij
het veronderstelde free-rider gedrag bejaarden zijn. Immers, bij een op solidariteit
gebaseerde sociale verzekering profiteren bejaarden juist. Zij betalen in zo’n stelsel
dezelfde premie als jongeren, wat gemiddeld neerkomt op de helft van hun zorgkosten.
46. En tot slot van dit onderdeel nog voor de goede orde: ook artikel 35 van VO 883/2004
m.b.t. het onderlinge kostenverhaal tussen woonland en pensioenland heeft een stevige basis
in de werkelijkheid. De verleende verstrekkingen worden volledig vergoed (1); op basis van
documenten betreffende de werkelijk gemaakte kosten; pas als het gaat om een woonland met
inadaequate juridische en administratieve procedures kan hiervan in de
toepassingsverordening worden afgeweken.
NL kan niet met de ene hand een exacte berekening overleggen van de kosten in diverse
landen en met de andere een verontschuldigend gebaar maken, van, nou ja, die berekeningen
kan dat land nou eenmaal niet aan, dus doen we het maar bij wege van.....handjeklap!
V. Samenvatting en conclusies.
47. Aan de orde was de vraag of de binnen de EU gemigreerde pensioentrekker, die nu dus in
land A woont en pensioen krijgt uit land B, rechten heeft op bepaalde verstrekkingen terzake
van ziekte (en moedersschap!) , met de logische implicatie dat hij vrij is om al dan niet van die
rechten gebruik te maken, of dat er bevoegdelijk vastgestelde wettelijke bepalingen zijn, die
deze rechten omzetten in even zovele verplichtingen, nl. om deze rechten in werkelijkheid ook
toe te passen. Alleen op basis van een dergelijke wettelijke bepaling komt de dwangpositie tot
stand, waarvoor men desgewenst het voorrecht van een ‘opt-out’ kan nastreven (of:
weigeren!).
Zonder een dergelijke bepaling is die dwangpositie nonsensikaal, vandaar het woord
‘plichtrecht’, een niet-bestaande, maar juridisch klinkende term.
48. We hebben geconstateerd dat zijdens de Staat geen serieuze poging wordt gedaan om te
komen tot identificatie van de noodzakelijke wettelijke bepaling.
Toch is, aldus een recente brief van de bevoegde minister, een ‘opt-out’ niet haalbaar.
Zelfs als hij zou willen, dan zou het –gezien het bestaande Europese gemeenschapsrecht- niet
kunnen.
Omdat de door de minister wél aangevoerde argumenten hooguit zouden kunnen dienen om
de wenselijkheid of moraliteit van zijn denkbeelden te ondersteunen, maar juridisch irrelevant
zijn zolang die ene wettelijke transformatiebepaling ontbreekt, zijn we zelf op zoek gegaan
naar deze wettelijke regel.
49. Noch in het geldende Nederlandse recht, noch in het geldende gemeenschapsrecht, en
evenmin in het komende, maar door de Raad reeds vastgestelde gemeenschapsrecht is ook
maar een schim van een dergelijke wettelijke bepaling te vinden.
Men kan in Den Haag, en straks in Brussel wellicht, aanmeldingsplichten voorschrijven zoveel
men maar wil –als het om Brussel gaat daarbij vooral het subsidiariteitsprincipe met handen
en voeten tredend!- zolang men niet duidelijk, expliciet en bevoegdelijk voorschrijft dat de
betrokken burger verplicht is van zijn gemeenschapsrechten gebruik te maken, ontbreekt de
basis van een rechtsplicht en blijft het bij het wangedrocht van het plichtrecht.
Zelfs het argument, dat betrokkene geen afstand kan doen van zijn op gemeenschapsrecht
gebaseerde prestaties is logisch van een heel andere orde dan de vraag naar het bestaan van
individuele keuzevrijheid of niet.
50. Het plichtrecht is dus een illusie, maar wel een gevaarlijke.
Wie om heel andere, nl. financiële doelstellingen te bereiken (wie zegt daar: détournement de
pouvoir?) met de automatische transformatie komt aanzetten van elk recht, waarvan
betrokkene geen afstand kan doen, tot een recht, waarvan toepassing door hem verplicht is,
moet zich voorbereiden op groteske gevolgen. Immers, er bestaat geen enkel rechtsregel, die
voorschrijft dat een dergelijke automatische transformatie alleen geldt voor het beperkte
gebied van de prestaties bij ziekte en moederschap in het kader van sociale zekerheid.
Waarom niet ook voor andere, onvervreemdbare ‘Euopese’ rechten voor de burger?
Hoe grotesk de gevolgen zouden zijn van ‘consequent zijn’ kan nauwelijks op serieuze toon
verhaald worden.
Vandaar de hierna volgende satire:
51. Uit de vrije encyclopedie, Wikipedia.nl, oktober 2009.
Nederland: Republiek gelegen aan de Noordzee. In het Oosten begrensd door de Duitse
Bondsrepubliek, in het Zuiden door het Koninkrijk der Belgen.
Oppervlakte: variërend tussen 30.000 en 40.000 km2, afhankelijk van het Noordzee-peil.
Recente geschiedenis.
In 2007 vond de anti-liberale staatsgreep plaats, waarbij het Huis van Oranje van de troon
werd gestoten en de toenmalige Minister van Volksgezondheid, Hans Hoogervorst zichzelf tot
President voor het leven benoemde. In een interview zei hij later, dat hij er als klein kind al van
gedroomd had om een heel land bij decreet te regeren en dat hij er trots op was deze droom
waargemaakt te hebben.
De oorsprong van zijn groeiende macht lag in de door hem ingevoerde wijziging van het
zorgstelsel. Hij ontdekte toen dat –als hij iets maar vaak genoeg verkondigde- het parlement al
snel in slaap viel.
Het was aan het begin van de z.g. opstand der Buiten-Nederlanders –veelal Pensionados
genoemd-dat hij de term ‘plichtrecht’ introduceerde. Die Buiten-Nederlanders hadden, zo
betoogde hij, op grond van Europese rechtsregels bepaalde rechten (m.n. het recht op sociale
zorg in hun woonland, ten laste van NL; voor dat recht moesten zij aan NL een bijdrage
betalen, die de meeste van hen noopte tot terugkeer. Deze spijtoptanten meldden zich bij de
nagenoeg leegstaande vluchtelingencentra en vormden broeinesten van sociale onrust.)
Het was toen, zei President Hoogervorst in bedoeld interview, dat ik erachter kwam, dat er nog
veel meer Europese rechten voor de burgers bestonden.
Hij kwam op het geniale idee om ook deze rechten tot ‘plichtrecht’ te bestempelen. En zo
decreteerde hij op een goed gekozen moment, toen het parlement in winterslaap was, in 2007
dat de Nederlandse staatsburgers, die immers op grond van Europees verdragsrecht een
recht hadden op vrije vestiging in andere EU-landen, verplicht waren om van dit recht gebruik
te maken. Toen de emigratie-operatie goed en wel op gang was –een gladjes verlopen
mammoetoperatie noemde hij het zelf, een waar stukje topmanagement- profiteerde hij van de
afwezigheid van het Staatshoofd, dat op familiebezoek was in Argentinië, om de Republiek uit
te roepen, met zichzelf als President. Hij kon dat doen omdat alle parlementsleden, maar ook
alle rechters inmiddels genoten van een mediterraan zonnetje. Excellentie Hoogervorst was zo
verstandig geweest aan alle hoogwaardigheidsbekleders een ruime villa met privé-zwembad
ter beschikking te stellen en een ongelimiteerde hoeveelheid plaatselijke prikwijn. (Plus Oranje
zonnebrillen, red.)
President Hoogervorst is niet alleen de ontdekker van het later zo beroemde woord
‘plichtrecht’ geweest maar van hem stamt ook de formule, die men de Hoogervorst-wet wilde
noemen, maar die bij presidentieel decreet werd verheven tot het ‘Hoogervorsti-grondrecht’.
De oorspronkelijke werkformule luidde als volgt:
Bu + (EUR-VO)R= Bu+ (EUR-VO)Pr, waarbij:
Bu staat voor Buiten-Nederlander;
EUR-VO voor Verordening van de Europese Minsterraad (scil.)
R voor recht en
Pr voor plichtrecht.
Toen deze formule gemeengoed was geworden, het parlement, de voorzieningenrechter te
Den Haag en de media hadden haar eenstemmig omarmd, zette Excellentie Hoogervorst de
logische volgende stap, in de Angelsaksische literatuur bekend als ‘the Macchiavelli Principle’:
Bi + (EUR-VD)R = Bi + (EUR-VD) Pr, waarbij
Bi staat voor Binnen-Nederlander, m.a.w. elke Nederlandse ingezetene;
VD staat voor Verdrag.
Het einddoel is uitbreiding van het grondrecht (of beter: grondplicht) tot alle inwoners van de
EU en zo de Grootste Volksverhuizing op zijn naam te brengen in het Guinness Book of
Records.
President Hoogervorst resideert in Paleis Noordeinde, met een huishoudelijke staf van 27
personen, allen voormalige Groen-Linksers, die geen loon hoeven te hebben. Zij genieten al
ten volle van het tot de natuurlijke staat terugkerende compleet ontvolkte land.
Om problemen met het Hoogervorst-grond(plicht)recht te voorkomen is Paleis Noordeinde tot
extraterritoriaal gebied verklaard. Onderhandelingen met de EU over toetreding als nieuw lid
wijst President Hoogervorst ferm van de hand: hij wenst geen situatie, waarin hij het plichtrecht
tot vrije vestiging binnen de EU voor zichzelf en zijn staf zou verkrijgen.
50. Met dank aan: Riet, Onno, Harry, JandeV, Roelof, Willeke, Albert en al degenen die
gereageerd hebben of gaan lezen. Natuurlijk ook aan Jan E., voor de plaatsing op zijn
voortreffelijke forum.
(En aan ‘President’ Hoogervorst voor de verrijking van ons gedachtengoed).
Met excuus voor het negeren van de waarschijnlijk tijdelijke en even waarschijnlijk door
de Tweede Kamer noch de media opgemerkte ommezwaai van de minister op het punt
van het Europese plichtrecht (voorbereiding overleg 27 april 2006).
Download