Beschouwing wetsvoorstel Interventiewet financiële ondernemingen

advertisement
Beschouwing wetsvoorstel
Interventiewet financiële
ondernemingen
Mr. drs. S.W. van den Berg
Op 4 maart 2011 is het ontwerpwetsvoorstel voor de Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen
(Interventiewet) openbaar gemaakt en tot en met 6 mei 2011 was er voor belanghebbenden de mogelijkheid
om te consulteren.1 Op 26 oktober 2011 heeft de minister van Financiën het wetsvoorstel ingediend bij
de Tweede Kamer.2 De Interventiewet heeft voornamelijk betrekking op wijzigingen van de Wet op het
financieel toezicht (Wft) en de Faillissementswet (Fw).3 Het doel van de Interventiewet is om de bestaande
interventiemogelijkheden ten aanzien van financiële ondernemingen uit te breiden. Dit alles ten behoeve
van een tijdige en ordentelijke afwikkeling van probleeminstellingen en met het oog op de stabiliteit van het
financiële stelsel. In dit artikel zullen de belangrijkste punten uit het wetsvoorstel worden besproken.
1. Achtergrond
De afgelopen jaren – en niet alleen tijdens de kredietcrisis
– zijn verschillende financiële ondernemingen in de problemen geraakt. Ik noem willekeurig Levensverzekeringsmaatschappij Vie d’Or NV, Van der Hoop Bankiers NV, De
Indonesische Overzeese Bank NV (Indover Bank), Lehman
Brothers Treasury Co. BV, het Nederlandse bijkantoor van
Landsbanki Islands HF (IceSave), DSB Bank NV en International Insurance Corporation NV (Ineas). Na de kredietcrisis is het besef gegroeid dat het huidige instrumentarium
niet toereikend is en daarom is het vorige kabinet overgegaan tot actie.4 Dit uitgangspunt is overgenomen en verder
uitgewerkt door het huidige kabinet. Het resultaat is het
wetsvoorstel Interventiewet. Grofweg kaart de memorie
van toelichting op de Interventiewet (MvT) twee tekortkomingen van de huidige wetgeving aan. Ten eerste ligt het
1
2
3
4
48
Voluit wordt het voorstel genoemd: Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet, alsmede enige andere wetten
in verband met de introductie van aanvullende bevoegdheden tot
interventie bij financiële ondernemingen in problemen, 4 maart 2011.
Kamerstukken II 2011-2012, 33 059, nr. 2.
Hiernaast worden toevoegingen voorgesteld met betrekking tot Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht en de Bankwet.
Kamerstukken II, 32 013, nrs. 1-15: Kabinetsvisie toekomst financiële
sector.
accent van het huidige instrumentarium op preventie: het
tijdig proberen in te grijpen om te voorkomen dat een financiële onderneming in verdere problemen raakt. Daarbij
ontbreekt voor de overheid de mogelijkheid om tijdig aan
te sturen op een ordentelijke afwikkeling van financiële ondernemingen of op een andere uitkomst met minder maatschappelijke kosten dan een faillissement. Dit principe, dat
een falende financiële onderneming failliet moet kunnen
gaan, houdt de Interventiewet echter ook voor ogen: kredietinstellingen (hieronder vallen banken), entiteiten voor
risico-acceptatie,5 verzekeraars en andere financiële ondernemingen (hierna tezamen: financiële ondernemingen)
moeten kunnen falen.6 Het vorige kabinet omschreef dit
als volgt: “Uitgangspunt is dat elke instelling failliet moet
kunnen gaan, zolang dit maar op een ordentelijke manier
gebeurt en de negatieve externe effecten voor het financiële
stelsel als geheel beperkt blijven.”7 De tweede tekortkoming
van het huidige instrumentarium is dat de focus daarvan
ligt op de individuele onderneming en de belangen van de
5
6
7
Art. 1:1 Wft definieert een entiteit voor risico-acceptatie als een “instelling, niet zijnde een verzekeraar, die door een verzekeraar overgedragen
risico’s accepteert en de acceptatie van die risico’s uitsluitend financiert
door van derden gelden aan te trekken ter zake waarvan de terugbetalingsverplichtingen zijn achtergesteld bij de betalingsverplichtingen die
ontstaan uit het accepteren van de overgedragen risico’s”.
MvT, p. 2.
Kamerstukken II, 32 013, nr. 6, p. 13.
SDU uitgevers / nummer 2, MAART 2012 TIJDSCHRIFT FINANCIERING, ZEKERHEDEN EN INSOLVENTIERECHTPRAKTIJK
Beschouwing wetsvoorstel Interventiewet financiële ondernemingen
betrokkenen bij die onderneming. Aldus wordt niet erkend
dat ook het algemeen belang (namelijk de stabiliteit van het
financiële stelsel) het ingrijpen bij een in zwaar weer opererende financiële onderneming kan rechtvaardigen. Ondanks
dat de onrust in het Nederlandse financiële systeem het afgelopen jaar is afgenomen,8 blijft de toekomst – waaronder
de gevolgen van de internationale schuldencrisis – immers
onzeker. Ook in de literatuur zijn er punten gesignaleerd
waarop het instrumentarium van onder andere DNB kan
worden verbeterd.9 Om in de toekomst beter met mogelijke
problemen in de financiële sector te kunnen omgaan acht
het kabinet het wenselijk het bestaande instrumentarium
uit te breiden. Om te kunnen analyseren waaruit de uitbreiding bestaat, moet eerst het huidige instrumentarium van
de overheid worden onderzocht. Dit vormt dan ook het
vertrekpunt in paragraaf 2. Daarna volgt de uiteenzetting
van de voorgestelde uitbreiding van het instrumentarium
zoals vormgegeven in de Interventiewet (paragrafen 3, 4 en
5). Vervolgens wordt kort stilgestaan bij de internationale
context van de Interventiewet (paragraaf 6).
2. Huidig instrumentarium
De Nederlandsche Bank komt verschillende mogelijkheden
toe om in te grijpen bij financiële ondernemingen. Bijvoorbeeld het geven van een aanwijzing (art. 1:75 Wft), een last
onder dwangsom (art. 1:79 Wft), een bestuurlijke boete
(art. 1:80 Wft), een publieke waarschuwing (art. 1:94 Wft)
en/of het intrekken van vergunningen (art. 1:104 Wft). Bij
een bank of beleggingsonderneming zijn er voorts diverse
maatregelen voor te schrijven (art. 3:111a Wft), bijvoorbeeld om een bank een bepaald voorzieningenbeleid te
laten voeren.10 Veel van deze mogelijkheden zijn niet adequaat genoeg op het moment dat een financiële onderneming in zwaar weer terecht is gekomen en niets meer kan
worden gedaan om het tij te keren. Op dat moment bestaat
het instrumentarium uit: (i) aanstellen van een stille curator
(art. 1:76 Wft), (ii) het aanvragen van de noodregeling (art.
3:160 Wft) en (iii) het aanvragen van het faillissement (art.
212a Fw). Deze drie mogelijkheden zijn blijkens de MvT
echter niet toereikend om in te grijpen bij een financiële onderneming met onomkeerbare problemen. De redenering
is dat de twee fundamentele randvoorwaarden (te weten
de doorzettingsmacht en de afwezigheid van een moratorium) bij geen enkele variant tegelijkertijd aanwezig zijn.
Kort gezegd, een moratorium is een situatie waarin crediteuren stil moeten blijven zitten en hun rechten niet kunnen
uitoefenen. Op het moment dat DNB via de stille curator
de gedeeltelijke overdracht van een onderneming wenselijk
acht (bijvoorbeeld aan een private derde partij of een over-
8
9
DNB: Overzicht Financiële Stabiliteit, 2011, nr. 13, p. 22.
V.P.G. de Serière, ‘Is versterking van het toezichtinstrumentarium van De
Nederlandsche Bank wenselijk?’, Ondernemingsrecht 2011, 3.
10 Voor een gedetailleerde bespreking van de bestaande mogelijkheden
verwijs ik naar het artikel van V.P.G. de Serière, ‘Mogelijkheden tot
ingrijpen door De Nederlandsche Bank N.V. bij kredietinstellingen in de
pre-insolventiefase’, Ondernemingsrecht 2010, 5.
bruggingsinstelling), is er geen sprake van een moratorium
en kan de stille curator de overdracht niet afdwingen. Aangezien de organen en de vertegenwoordigers van de financiële onderneming hun functie behouden, is de invloed, of
de doorzettingsmacht, van de stille curator nogal beperkt.
Weliswaar mogen de organen en de vertegenwoordigers
geen handelingen verrichten zonder de goedkeuring van de
stille curator, de curator mag niet onafhankelijk van het bestuur optreden. Hij heeft altijd hun medewerking nodig.11
Bij de noodregeling en het faillissement (de mogelijkheden
onder (ii) en (iii)) is er daarentegen sprake van een moratorium. Desalniettemin biedt dit onvoldoende soelaas om het
tij te keren. Weliswaar kunnen de bewindvoerder en de curator gedurende de noodregeling respectievelijk het faillissement veel meer invloed uitoefenen dan een stille curator,
de financiële onderneming is eigenlijk ten dode opgeschreven. Wat betreft het faillissement is dit, tenzij er een doorstart plaatsvindt, vanzelfsprekend. Meer aandacht verdient
de noodregeling. Als voorbeeld neem ik een bank (in het
jargon van de Wft een kredietinstelling). Een bank, die zich
onder andere bezighoudt met het aangaan van kortlopende
verplichtingen om langlopende leningen te verstrekken,
zal door het moratorium, de ‘standstill’, geïsoleerd raken.
Sterker nog, op het moment dat de noodregeling – die dan
inmiddels onder ieders aandacht is gebracht – wordt opgeheven, zal elke spaarder naar de bank rennen als gevolg
waarvan de bank niet aan zijn betalingsverplichtingen kan
voldoen en alsnog failliet zal gaan met alle gevolgen van
dien. Om in de woorden van de MvT te spreken: “In de regel hebben de aangetrokken geldoverschotten (de verplichtingen van de bank) een kortere looptijd dan de uitzettingen, hetgeen een bank kwetsbaar maakt voor een massale
bank run en tevens, in geval van een moratorium, een doorstart of sanering vrijwel uitgesloten maakt.”12 Een redding
kan zijn dat er een koper op de markt is die een gezond gedeelte van de bank overneemt. Over zo’n verkoop beslist de
bewindvoerder echter niet, dat doen de eigen vermogensverschaffers: de aandeelhouders. Als de aandeelhouders
vervolgens niet welwillend tegenover een (gedeeltelijke)
overgang of doorstart van de financiële onderneming staan
(waarna de onderneming met nieuwe financiële middelen
verder gaat), dan leiden zowel de noodregeling als het vaak
daaropvolgende faillissement tot zeer hoge waardevernietiging. De kern van het probleem is dat de bewindvoerder
geen zeggenschap heeft over het aandelenkapitaal in de betreffende financiële onderneming. Weliswaar wel over de
aandelen van de financi:ele onderneming (een deelneming
in bijvoorbeeld een dochtervennootschap) maar niet over
aandelen in de betreffende financiële onderneming.
Om onder andere aan dit soort tekortkomingen tegemoet
te komen, introduceert de Interventiewet drie categorieën
maatregelen. Met betrekking tot de individuele financiële ondernemingen is dat een nieuwe afdeling 3.5.4A Wft
(Overdracht). Dit geeft DNB bevoegdheden om te bewerkstelligen dat een financiële onderneming die in onomkeer11 Zie noot 10.
12 MvT, p. 3.
TIJDSCHRIFT FINANCIERING, ZEKERHEDEN EN INSOLVENTIERECHTPRAKTIJK nummer 2, MAART 2012 / SDU uitgevers
49
bare problemen verkeert, geheel of gedeeltelijk aan een
derde wordt overgedragen – en de verschaffers van eigen
vermogen dus mogelijk aan de kant kunnen worden gezet. De tweede categorie bestaat uit een nieuw Deel 6 Wft
(Bijzondere maatregelen betreffende de stabiliteit van het
financiële stelsel). Hierin worden aanvullende bevoegdheden voor de Minister van Financiën opgenomen waaronder
het ingrijpen in de interne huishouding van de financiële
onderneming (art. 6:1 Wft) en de onteigeningsbevoegdheid (art. 6:2 Wft). Om de effectiviteit van bovengenoemde
maatregelen te waarborgen, wordt tot slot een nieuwe afdeling 3.5.8 Wft voorgesteld (Rechten wederpartij na een
gebeurtenis).
3. Interventiewet – Afwikkeling van financiële
ondernemingen in problemen
De Interventiewet biedt DNB in afdeling 3.5.4A Wft de
mogelijkheid om onder hierna te noemen omstandigheden
ten aanzien van een financiële onderneming een plan op te
stellen tot overdracht van deposito-overeenkomsten, overige passiva of activa, of door de financiële onderneming uitgegeven aandelen. De overdracht dient dan plaats te vinden
aan een private derde partij of een overbruggingsinstelling
(3:159a sub e Wft). Aan de uiteindelijke overdracht van
die goederen gaat een overdrachtsplan vooraf. DNB kan
reeds nu al een overdracht voorbereiden. Dit heeft echter
alleen een vrijblijvend karakter. In de Interventiewet zijn
daarentegen gevolgen verbonden aan de mededeling van
DNB aan de financiële onderneming dat het overdrachtsplan wordt voorbereid. Zo kan DNB de financiële onderneming daardoor verplichten gegevens of inlichtingen aan
potentiële overnemers te verschaffen en toe te staan dat
zij de plaats van de financiële onderneming betreden. Dit
zijn opgelegde verplichtingen waartegen – alsmede tegen
de mededeling zelf – tijdens de voorbereiding van het overdrachtsplan geen bezwaar en beroep openstaat.13 Wel kan
de probleemstelling zich tegen dergelijke beslissingen van
DNB verweren bij de rechtbank tijdens de behandeling van
het overdrachtsplan (art. 3:159x lid 1 Wft). Ook geldt dat
deze mededeling ex art. 3:159d lid 1 Wft ertoe leidt dat de
probleeminstelling, de organen en de vertegenwoordigers
van de probleeminstelling, op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid tegenover de financiële onderneming, verplicht zijn medewerking te verlenen aan de voorbereiding
van het overdrachtsplan.
Op grond van art. 3:159c lid 1 Wft gaat het initiatief van
het overdrachtsplan uit van DNB. Wanneer kan DNB daartoe overgaan? Het thans geldende criterium uit art. 3:160
Wft bepaalt dat de noodregeling kan worden uitgesproken
ingeval: (1) de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling vertoont en (2) redelijkerwijs in die ontwikkeling geen verbetering te voorzien is. Daarnaast bepaalt art. 3:160 Wft dat
de noodregeling wordt uitgesproken in het belang van de
13 MvT, p. 19.
50
gezamenlijke schuldeisers. Op grond van het voorgestelde
art. 3:159c lid 1 Wft kan DNB een overdrachtsplan voorbereiden als er “tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling
zijn met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit
of de liquiditeit onderscheidenlijk de technische voorzieningen en redelijkerwijs is te voorzien dat die ontwikkeling
niet voldoende of niet tijdig ten goede zal keren”. Dit criterium Deze alternatieve criteria dienen te gaan gelden voor
zowel de intrekking van de vergunning als het uitspreken
van de overdrachtsregeling, de noodregeling en het faillissement van een financiële onderneming.14 Aldus wordt
voorgesteld het eerste en het tweede element uit art. 3:160
Wft te wijzigen en het derde element te laten vervallen.
Het door DNB op te stellen overdrachtsplan dient het
volgende te beschrijven: wat er wordt overgedragen, wie
de overnemer is, de prijs die de overnemer bereid is te betalen en de grond waarop dit een redelijke prijs dient te
worden geacht dan wel de wijze waarop de prijs wordt
vastgesteld en op grond waarvan dit een redelijke methode
moet worden geacht. Wat kan er worden overgedragen?
De Interventiewet voorziet in drie soorten overdrachten: (i)
deposito-overdracht, (ii) activa/passiva-overdracht (anders
dan deposito) en (iii) aandelenoverdracht. Een combinatie
van soorten overdrachten is mogelijk. Een aandelenoverdracht is het meest vergaand omdat daarmee de gehele
financiële onderneming wordt overgedragen. Een activa/
passiva-overdracht zal naar verwachting ingewikkeld zijn,
omdat deze vaak zal neerkomen op een complete splitsing
van de probleeminstelling. Bovendien kunnen daardoor
de achterblijvende schuldeisers worden benadeeld (MvT,
p.12/13). Ten aanzien van deposito’s moet worden gewezen
op het depositogarantiestelsel krachtens welke DNB aan
rekeninghouders maximaal € 100.000 uitbetaalt, de positie van de depositohouder overneemt (en dus schuldeiser
wordt), vervolgens voor deze vordering een uitdeling uit
de boedel ontvangt en het overgebleven verschil verhaalt
op de andere aan het depositogarantiestelsel deelnemende
banken. De Interventiewet voorziet erin om het geld van
het depositogarantiestelsel in een eerder stadium te gebruiken, namelijk om een deposito-overdracht te faciliteren.
Het werkt als volgt. De overnemende partij neemt het deposito over waartoe hij enerzijds bereid is geld te betalen
maar anderzijds middelen wenst om de schulden uit de deposito’s te kunnen voldoen. Bij een noodleidende bank zal
vaak onvoldoende liquide actief aanwezig zijn en daarom
ontvangt de overnemer van DNB op grond van art.3:159h
lid 1 Wft een vergoeding uit de middelen van het depositogarantiestelsel (tot € 100.000). Mocht het over te nemen deposito meer dan € 100.000 bedragen, dan hangt de
volledige overdracht hiervan af van de daartoe strekkende
bereidheid van de overnemer. Door deze constructie is de
periode dat spaarders niet over hun geld kunnen beschikken veel korter. Door de deposito-overdracht kan worden
14 In de het gewijzigde art. 3:160 Wft (aanvraag noodregeling) wordt dan
ook verwezen naar art. 3:159c lid 1 Wft. In het nieuwe art. 212ha Fw
wordt dit criterium zelfstandig opgenomen als voorwaarde voor de
aanvraag van het faillissement.
SDU uitgevers / nummer 2, MAART 2012 TIJDSCHRIFT FINANCIERING, ZEKERHEDEN EN INSOLVENTIERECHTPRAKTIJK
Beschouwing wetsvoorstel Interventiewet financiële ondernemingen
bewerkstelligd dat een depositohouder over zijn spaartegoed (tot € 100.000) kan blijven beschikken. Vervolgens
heeft DNB voor de uitgekeerde vergoeding een vordering
op de probleeminstelling waarvoor DNB als concurrent
schuldeiser in de noodregeling of het faillissement kan opkomen (art. 3:159k lid 3 Wft). Het tekort wordt, net zoals
in de huidige situatie, omgeslagen over de andere aan het
depositogarantiestelsel deelnemende banken. Een ander
voordeel is dat deze deposito-overdracht goedkoper is: de
overnemende partij zal waarschijnlijk bereid zijn te betalen
voor een nieuw klantenbestand en DNB zal minder uitvoeringswerkzaamheden hebben. Tot slot wordt als voordeel
genoemd dat de deposito-overdracht bijdraagt aan de stabiliteit van het financiële stelsel. Of er vervolgens echter
niet een run ontstaat op het overgedragen deposito bij de
partij die het deposito heeft overgenomen, is een risico dat
in de MvT onvermeld blijft.
De overdracht15 kan slechts worden uitgevoerd indien er
een geschikte overnemer wordt gevonden. Waar de overdracht dus wel tegen de wil van de probleeminstelling kan
plaatsvinden, kan de overdracht de private derde partij niet
worden opgedrongen.16 Gezien verstrekkende gevolgen van
de Interventiewet besteedt de MvT uitvoerig aandacht aan
de rechtsbescherming van de probleeminstelling en de aandeelhouders daarvan. De MvT beargumenteert dat een mogelijke overdracht voldoet aan de door het EVRM gestelde
eisen, omdat (1) er een toereikende wettelijke grondslag is,
(2) de maatregel in het algemeen belang is, (3) het een proportionele maatregel is en (4) er voldoende rechtsmiddelen
voor de probleeminstelling en de aandeelhouders zijn. Gezien de reikwijdte van dit artikel verwijs ik voor een nadere
onderbouwing met betrekking tot de rechtsbescherming
naar de MvT.17
Op het moment dat het overdrachtsplan gereed is, kan
DNB de rechtbank verzoeken toepassing te geven aan de
overdrachtsregeling, de noodregeling of het faillissement.18
De Rechtbank Amsterdam behandelt het verzoek tot goedkeuring van het overdrachtsplan en het uitspreken van de
overdrachtsregeling met de meeste spoed en op een niet
openbare terechtzitting (art. 3:159v Wft). Naast de probleeminstelling hebben slechts aandeelhouders met een belang van minimaal 5% het recht te worden gehoord, tenzij
belangen van spoed of geheimhouding zich daartegen verzetten (art. 3:159w Wft). Aandeelhouders die niet zijn gehoord kunnen, gedurende acht dagen na de dag van de goedkeuring, in verzet komen tegen het overdrachtsplan (art.
3:159aa lid 3 Wft). Aandeelhouders die wel zijn gehoord en
15 Dit kan ook een combinatie van deposito-overdracht activa/passivaoverdracht en/of aandelenoverdracht zijn.
16 Het is overigens ook mogelijk dat een overbruggingsinstelling als tijdelijke overnemer optreedt.
17 MvT, p. 14 e.v.
18 Ook zonder het opstellen van een overdrachtsplan behoudt DNB
de mogelijkheid om de rechtbank te verzoeken de noodregeling of
het faillissement uit te spreken. Als DNB pas na het opstellen van het
overdrachtsplan besluit over te gaan tot het verzoek de noodregeling of
het faillissement uit te spreken, dan kan DNB bij dit verzoek alsnog een
overdrachtsplan overleggen.
de probleeminstelling kunnen zich voegen. Krachtens art.
3:159ij lid 1 Wft spreekt de rechtbank de overdrachtsregeling uit indien zij het overdrachtsplan goedkeurt, en indien
summierlijk blijkt dat zich een situatie als bedoeld in art.
3:159c lid 1 Wft voordoet. De voorgestelde marginale toets
wordt ook voorgesteld voor de noodregeling en het faillissement.19 De rechtbank keurt het overdrachtsplan goed,
tenzij de prijs of wijze waarop de prijs die de overnemer
bereid is te betalen wordt vastgesteld, gegeven de omstandigheden van het geval, niet een redelijke prijs of wijze is.
Daarbij moet worden uitgegaan van het te verwachten
toekomstperspectief van de probleeminstelling in de situatie dat het overdrachtsplan niet wordt goedgekeurd en de
overdrachtsregeling niet wordt uitgesproken. Ingeval de
schuldeisers die een vordering houden op de probleeminstelling door een activa/passiva-overdracht zouden worden
benadeeld, keurt de rechtbank het overdrachtsplan niet
goed (art. 3:159ij lid 3 Wft). Bij het uitspreken van de overdrachtsregeling wordt door de rechtbank een overdrager
benoemd die het overdrachtsplan dient uit te voeren. Deze
overdrager kan worden voorgedragen door DNB. Bij het
uitspreken van de noodregeling of het faillissement verandert de rol van de bewindvoerder c.q. de curator, in die zin
dat zij gehouden zijn een door de rechtbank goedgekeurd
overdrachtsplan uit te voeren.
4. Interventiewet – Bijzondere maatregelen betreffende de stabiliteit van het financiële stelsel
De tweede categorie maatregelen waarin het wetsvoorstel
voorziet, betreft de stabiliteit van het financiële stelsel. Volgens de MvT vormt deze categorie maatregelen de meest
vergaande vorm van overheidsinterventie in de financiële
sector, die zijn rechtvaardiging vindt in het grote algemene
belang dat gemoeid is met een stabiel financieel stelsel.20
Dat het instrumentarium dient te worden uitgebreid, komt
doordat het huidige instrumentarium van de Wft te veel is
gebaseerd op de soliditeit van individuele ondernemingen
onder normale marktomstandigheden. Daarom bevat het
wetsvoorstel twee bijzondere bevoegdheden die door de
Minister van Financiën kunnen worden aangewend in de
uitzonderlijke omstandigheid dat er “ernstig en onmiddellijk gevaar” dreigt voor de stabiliteit van het financiële stelsel. Allereerst is dit de bevoegdheid om in te grijpen in de
interne bevoegdheden van een financiële onderneming (art.
6:1 Wft). Hierbij worden als voorbeelden genoemd het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van aandeelhouders, het
afwijken van statutaire bepalingen of het schorsen van een
bestuurder of commissaris. Als ultimum remedium wordt
de Minister van Financiën de bevoegdheid toegekend om
bepaalde vermogensbestanddelen of door de financiële onderneming uitgegeven effecten te onteigenen (art. 6:2 Wft).
De MvT erkent dat dit vergaande middelen zijn en licht toe
dat de voorwaarde op grond waarvan beide bevoegdheden
mogen worden uitgeoefend zeer streng is. Er moet een con19 Art. 3:162 lid 5 Wft en art. 212hd lid 5 Fw.
20 MvT, p. 25.
TIJDSCHRIFT FINANCIERING, ZEKERHEDEN EN INSOLVENTIERECHTPRAKTIJK nummer 2, MAART 2012 / SDU uitgevers
51
creet en ernstig gevaar zijn en er moet een rechtstreeks verband zijn tussen de situatie van de financiële onderneming
en de gevolgen voor het financiële stelsel. Uit voorzorg
toepassen van de bevoegdheden valt hier dus niet onder.
Volgens de MvT volgt hieruit dat deze bevoegdheden met
grote terughoudendheid en slechts in uitzonderlijke omstandigheden dienen te worden gebruikt. De Minister van
Financiën dient zich er namelijk van te vergewissen dat er
in redelijkheid geen bruikbare alternatieven zijn.21 Bovenstaande dient allemaal plaats te vinden in overleg met DNB
en de Minister-President. Ook stelt de MvT dat Deel 6 Wft
de bevoegdheden van DNB niet aantast, zoals het geven
van een aanwijzing of het aanstellen van een stille curator.22
Hoofdstuk 6.2, Rechtsbescherming, voorziet in de mogelijkheid voor belanghebbenden om tegen een besluit van de
Minister van Financiën tot onteigening, of tot het treffen
van onmiddellijke voorzieningen, beroep aan te tekenen
bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
voor (waarbij uiterlijk 14 dagen na indiening van het beroepschrift uitspraak moet worden gedaan) (art. 6:6 en 6:7
Wft). Deze procedure ziet overigens niet op de hoogte van
de schadeloosstelling; de schadeloosstelling wordt vastgesteld door de Ondernemingskamer zulks op basis van een
door de Minister van Financiën gedaan aanbod (art. 6:10
Wft).23 De op een onteigend vermogensbestanddeel of effect rustende rechten van pand of vruchtgebruik en beslagen komen te rusten op het recht op schadeloosstelling (art.
6:8 lid 3 Wft).
Aangezien onteigening een vorm van eigendomsontneming
is in de zin van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM,
wordt in de MvT toegelicht dat is voldaan aan de in het
EVRM gestelde vereisten van wettelijke basis, algemeen
belang, compensatie en rechtsmiddelen.24
5. Interventiewet – Rechten wederpartij na een
gebeurtenis
Events of default, Notification events en/of Cross default
clauses zijn bepalingen in een overeenkomst tussen de financiële onderneming en de wederpartij die laatstgenoemde, bij het zich voordoen van nader omschreven Trigger
events, bepaalde bevoegdheden geeft. Denk hierbij aan een
vordering tot nakoming en/of beëindiging van de overeenkomst. Deze Trigger events kunnen zich ook voordoen op
het moment dat bepaalde toezichthoudende maatregelen
wordt genomen.25 Afdeling 3.5.8 Wft zorgt er voor dat, op
21 MvT, p. 31.
22 Het ligt echter niet voor de hand dat DNB een curator aanstelt, wanneer
de Minister van Financiën reeds heeft ingegrepen op grond van Deel 6
Wft. MvT, p. 34.
23 Eenzelfde regeling geldt bij het overdrachtsplan, inhoudende dat een
aandeelhouder, indien hij van mening is dat de door de overnemer te
betalen prijs geen volledige vergoeding vormt voor de schade die hij
rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn aandeel leidt, de
Ondernemingskamer kan verzoeken een aanvullende schadeloosstelling
vast te stellen (art. 3:159ab lid 1 Wft)..
24 MvT, p. 32.
25 Art. 3:267e Wft somt op wat er onder een gebeurtenis wordt verstaan.
52
het moment dat zich bepaalde Trigger events voordoen,
de wederpartij de omschreven rechten juist niet mag uitoefenen, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst.
Hiermee beoogt de Interventiewet de effectiviteit van de
maatregelen te vergroten en te voorkomen dat het nemen
van toezichthoudende maatregelen ten behoeve van een
ordentelijke afwikkeling van de probleeminstelling of het
waarborgen van de stabiliteit van het financiële stelsel juist
averechts werken.
De Interventiewet heeft ook tot gevolg dat enkele bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek worden gewijzigd. Teneinde
ervoor te zorgen dat de goederen waarop het overdrachtsplan betrekking heeft snel en eenvoudig kunnen overgaan
op de overnemer, zonder dat toestemming of medewerking
van derden nodig is en zonder dat per actief of passief afzonderlijk de voor levering of contractsoverneming geldende vereisten moeten worden vervuld, zal art. 3:80 BW
worden gewijzigd teneinde een overgang onder algemene
titel mogelijk te maken. De overgang van de betreffende
deposito-overeenkomsten, activa/passiva en/of aandelen
vindt van rechtswege plaats door de goedkeuring door
de rechtbank van het overdrachtsplan, tenzij in het overdrachtsplan anders is bepaald (art. 3:159l, 3:159p c.q. art.
3:159s Wft). Voorts zal art. 7:666 BW worden aangepast,
in die zin dat net als bij faillissement ook in geval van de
noodregeling de regels met betrekking tot de bescherming
van werknemers bij de overgang van een onderneming niet
van toepassing zullen zijn. De overdrachtsregeling wordt
niet toegevoegd aan art. 7:666 BW, dus bij een overdracht
gaan de bij de overgedragen activa/passiva behorende
werknemers van rechtswege over naar de overnemer.
6. Internationale context – Stabiliteit van het
financiële stelsel
Vanwege de internationale verwevenheid van financiële
stelsels is het relevant om het wetsvoorstel te plaatsen in
een internationale context. Zo is in het kader van de G20
en de Financial Stability Board (het forum van internationale en nationale autoriteiten op het gebied van financiële
stabiliteit) mondiaal afgesproken dat landen een wettelijk
raamwerk voor crisisinterventie introduceren. Ook heeft
het Basel Committee on Banking Supervision (het internationale comité van nationale toezichthouders op banken)
in maart 2010 een rapport met aanbevelingen ten aanzien
van de afwikkeling van grensoverschrijdende banken gepubliceerd. In de MvT, p.5/6 wordt gerefereerd aan de
ontwikkelingen op dit gebied in andere EU-lidstaten zoals België,26 Duitsland (Restrukturierungsgesetz), Ierland
(Anglo Irish Bank Coporation Act 2009), Oostenrijk (Interbankmarktstärkungsgesetz), het Verenigd Koninkrijk
(o.a. de Banking Act 2009)27 en Zweden (Lag om statligt
26 In België is op 2 juni 2010 een wet in werking getreden die voorziet in de
mogelijkheid dat bij Koninklijk Besluit activa en passiva of aandelen ten
gunste van de Staat of een derde kunnen worden overgedragen indien
de stabiliteit van het financiële stelsel dreigt te worden aangetast.
27 In februari 2011 zijn voorts ‘The Investment Bank Special Administration
SDU uitgevers / nummer 2, MAART 2012 TIJDSCHRIFT FINANCIERING, ZEKERHEDEN EN INSOLVENTIERECHTPRAKTIJK
Beschouwing wetsvoorstel Interventiewet financiële ondernemingen
stöd till kreditinstitut). Voorts zijn er op EU-niveau plannen uitgedacht. Zo is de Europese Commissie in oktober
2009 gestart met het ter consultatie publiceren van een EUraamwerk voor crisismanagement.28 In 2010 heeft dit vervolg gekregen met een zogenoemde ‘Mededeling’ over het
EU-raamwerk29 en een nieuwe consultatieronde met betrekking tot de technische details van het EU-raamwerk.30
Ondanks het feit dat de Europese Commissie een richtlijn
in voorbereiding heeft, heeft het kabinet besloten de Europese regelgeving niet af te wachten, maar zelf met de InRegulations 2011 and The Investment Bank (Amendment of Definition)
Order 2011’ opgesteld. Mede naar aanleiding van het faillissement van
Lehman Brothers heeft de Britse regering het plan opgevat om voor
Investment Firms een Special Administration Regime (SAR) te introduceren. Dit om de gevolgen van het faillissement van een Investment Firm
voor de financiële markt te verminderen. Zie ook: A. Campbell and P.
Moffatt, ‘Dealing with financially distressed Investments banks: the new
‘rescue’ proposals’, Journal of International Banking and Financial Law,
januari 2011.
28 Commissie van de Europese Gemeenschappen, Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch
en Sociaal Comité, het Europees Hof van Justitie en de Europese Centrale
Bank, ‘Een EU-kader voor grensoverschrijdende crisisbeheersing in de
banksector’ (COM(2009) 561), 20 oktober 2009.
29 Commissie van de Europese Gemeenschappen, Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch
en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Centrale
Bank, ‘Een EU-kader voor crisisbeheersing in de financiële sector’
(COM(2010), 579), 20 oktober 2010.
30 ‘Consultation on technical details of a possible European crisis management framework’, 6 juni 2010.
terventiewet een regeling in het leven te roepen om tot een
tijdige en ordentelijke afwikkeling van een probleeminstelling te kunnen komen. Het feit dat de Interventiewet naar
alle waarschijnlijkheid al vrij snel na invoering ingrijpend
zal moeten worden herzien, vindt het kabinet onvoldoende
reden om de wet niet op korte termijn in te voeren.
7. Slot
In dit artikel is de Interventiewet beschouwd waarbij aan
bod zijn gekomen de achtergrond van en de argumenten
voor het wetsvoorstel, het huidige instrumentarium voor
de overheid om in te grijpen, en de mogelijkheden die de
Interventiewet moet gaan bieden aan DNB en de Minister van Financiën om tijdig te kunnen interveniëren bij
financiële ondernemingen in problemen. Hoewel de kans
op een succesvolle sanering van een probleeminstelling met
het wetsvoorstel aanmerkelijk lijkt te verbeteren, is het de
vraag of aan DNB zulke ruime discretionaire bevoegdheden moeten worden toegekend als in het wetsvoorstel
voorzien. Het feit dat de problemen bij financiële ondernemingen veelal grensoverschrijdend zijn en dat er Europese
regelgeving in de maak is die beoogt een gecoördineerde
aanpak te bewerkstelligen, maakt eveneens dat vraagtekens
kunnen worden geplaatst bij het wetsvoorstel.
Over de auteur
Mr. drs. S.W. van den Berg is advocaat bij Houthoff Buruma in Rotterdam.
Hier had uw
advertentie
kunnen staan
SDU_Stopper WPNR 172x62.indd 16
TIJDSCHRIFT FINANCIERING, ZEKERHEDEN EN INSOLVENTIERECHTPRAKTIJK nummer 2, MAART 2012 / SDU uitgevers
Meer informatie over
adverteren in dit blad?
Kijk op www.bereikdejurist.nl
of neem contact op met de
afdeling Advertentie Juridisch
(advertentie.juridischAsdu.nl
of 070 - 37 805 62)
27-01-12 11:53
53
Download