Inteelt - KU Leuven

advertisement
ERFELIJKHEID EN INTEELT
BIJ SCHAPEN EN GEITEN
September 2015
KU Leuven – Livestock Genetics
Wat zijn eigenlijk lokale rassen?
Hoe zit genetica ineen?
Wat is het belang van genetische diversiteit?
Hoe kunnen we dit toepassen in de praktijk?
Wat zijn eigenlijk lokale rassen?
Hoe zit genetica ineen?
Wat is het belang van genetische diversiteit?
Hoe kunnen we dit toepassen in de praktijk?
Wat zijn lokaal rassen?
Gelinkt aan een specifiek gebied
Zijn origin
Zijn actuele locatie
Bedrijfsysteem
Kenmerken
Minder productief
Meestal gebieden met natuurlijke beperkingen
Bijna alle zeldzame rassen zijn lokaal maar
lokale rassen kunnen groot zijn
Problemen?
Kwetsbaar
Demografisch (kleine populatie)
Genetisch (inteelt, lage diversiteit)
Extra aandacht nodig voor
Promotie van het ras
Genetisch management
Waarde lokale rassen
Levende populaties
Cultuur-historische waarde
Ecologische waarde
Sociaal-economische waarde
Unieke genetische samenstelling
Toekomstige vragen uit de markt
Verzekering tegen toekomstige veranderingen
Behoud lokale rassen
Lokale rassen zijn minder geschikt voor
massaproductie van voedsel
Nood aan originele voedselketen voor
hoogwaardige producten
Behoud lokale rassen
Karditsel vzw
Biologisch gecertificeerd melkgeitenbedrijf
Natuurbeheer
Kemp vzw
Ecologisch natuurbeheer met schapen
Natuurboerderij het Bolhuis
Hoeveproducten Kempens rund en Ardense voskop
Behoud kleine rassen
Biobank
Opslag genetisch materiaal
Mogelijkheid tot terugkruisen indien ras uitgestorven
Genetisch materiaal opnieuw inzetten
Reeds in:
Wallonie
Nederland ( Centrum voor Genetische bronnen
Nederland)
Wat zijn eigenlijk lokale rassen?
Hoe zit genetica ineen?
Wat is het belang van genetische diversiteit?
Hoe kunnen we dit toepassen in de praktijk?
Wat zijn genen?
Gen 2
Gen 1
Cel
Chromosoom
DNA
Sequentie
Wat zijn genen?
Gen = een moleculaire eenheid die codeert voor een
eigenschap en wordt doorgegeven aan de nakomelingen
Allelen = varianten van één gen
 Bepaalde allelen zorgen voor een verschil in werking en
zijn ontstaan uit een mutatie
Wat zijn genen?
Schapen hebben 26 paar chromosomen en 1 paar
geslachtschromosomen (XX of XY)
Wat zijn genen?
Voor elk gen heeft ieder individu 2 allelen, gelegen op beide
chromosomen
Wat zijn genen?
Voor elk gen heeft ieder individu 2 allelen, gelegen op beide
chromosomen
Chromosoom 1 Chromosoom 2
Gen 1
Gen 1
Wat zijn genen?
Voor elk gen heeft ieder individu 2 allelen, gelegen op beide
chromosomen
Chromosoom 1 Chromosoom 2
Allel 1
Allel 2
Wat zijn genen?
KOE
KOK
KOEK
Substitutie Insertie
KO
E
OKE
KOEKOEK
Deletie
Inversie
Duplicatie
Genotype en Fenotype
Genotype
verzameling van genen (allelen) die een individu
bezit (> 20 000)
Fenotype
de waarneembare eigenschappen van een individu
(kg melk, uierdiepte, schofthoogte, enz.)
Genotype en Fenotype
Fenotype
=
Omgeving
+ Genotype
Hoe worden genen doorgegeven?
Aa
AA
Homozygoot
Aa
Aa
Heterozygoot
aa
Homozygoot
Hoe worden genen doorgegeven?
In sperma of eicellen is er van één gen telkens maar één van
de twee allelen aanwezig
Welk allel er aanwezig is wordt door het toeval bepaald
Bij bevruchting:
toevallige combinatie van spermacel en eicel
25%
AA
25%
Aa
25%
aA
25%
aa
Dominante en recessieve genen
Bij dominantie zal het dominante allel de expressie van een
recessief allel maskeren
bijv. het gen voor hoorns bij runderen
Dominant gen: hoofdletter
Recessief gen: kleine letter
Hoorns
Hoornloos
PP
pp
pP
pP
PP
Hoornloos
pP
Hoornloos
Hoornloos
pp
Hoorns
Additief genetisch effect
Kenmerken waarop geen dominantie speelt
Het totale effect van dit gen kan eenvoudigweg berekend
worden door de individuele effecten van de allelen op te
tellen
Elk allel heeft een bepaalde waarde die het toevoegt aan het
fenotype
Gen 1= -0,2kg
Gen 2= +0,4kg
Totaal= +0,2kg
Gen 1= +1kg
Gen 2= +0,2kg
Totaal= +1,2kg
AA
bb
aa
BB
Aa
bB
Gen 1
A = +0,5kg
a = - 0,1kg
Gen 2
B = +0,2kg
b = +0,1kg
Gen 1= +0,4kg
Gen 2= +0,3kg
Totaal= +0,7kg
Monogeen versus polygeen
Monogeen kenmerk:
Aan/uit fenotype
bv. hoornloos bij runderen
Polygeen kenmerk:
Enkele genen met elk een effect
bv. vachtkleur
Enorm veel genen met een zeer klein effect
bv. melkproductie
bv. vleesaanzet
Kleurvererving bij schapen
Gen
Kleuren
Basis-kleurgen (B-locus)
Zwart
Bruin
Wit
Grijs
Badgerface
Mouflon
Solid (=basiskleur)
Zwart
Onderdrukt A-locus of niet
Kleurpatroon-gen (A-locus)
Extensie-gen (E-locus)
Vlekken-gen (S-locus)
Vlekken
Geen vlekken
Kleurvererving bij schapen
Basis-gen (B-locus)
2 mogelijkheden
B (dominant)  zwarte kleur
b (recessief)  bruine kleur
BB en Bb
Zwart
bb
Bruin
Kleurvererving bij schapen
Kleurpatroon-gen (A-locus)
12 mogelijkheden
Awh
Ab
Aw
Ag
Agw
Aa
 Wit
 Dassenkop / Badgerface
 Wildtype, solid
 Grijs
 Mouflon
 Zwart
Kleurvererving bij schapen
AwhAwh of Awh x
Wit
AbAb
Bruin
AwAw
Wildtype
AgAg
Grijs
AgwAgw
Mouflon
AbAw
Combinatie van de 2 kleuren
AaAa
Recessief zwart
Aax
Nooit zwart
Kleurvererving bij schapen
AaAa
Recessief zwart
Aax
Nooit zwart
B-locus en A-locus?
bb AaAa
Bruin als basiskleur
Maar
A-locus is dominant over het B-locus
 Zwarte vachtkleur
Kleurvererving bij schapen
AaAa
Recessief zwart
Aax
Nooit zwart
B-locus en A-locus?
Bb AgAg
Zwart als basiskleur
Maar
A-locus is dominant over het B-locus
 Grijze vachtkleur
Kleurvererving bij schapen
Extensie-gen (E-locus)
E-locus bepaalt of A-locus tot uiting komt
Ed (dominant)  A-locus komt niet tot uiting
Ee (recessief)  A-locus komt wel tot uiting
Kleurvererving bij schapen
EeEe
A-locus wordt niet onderdrukt
EdEe of EdEd
A locus wel onderdrukt, zwart of bruin,
afhankelijk van je basis-kleurgen B
B-, A- en E- locus??
Bb AgwAgw EdEe
Bb = Zwart als basiskleur
A-locus is dominant over het B-locus 
Mouflon kleur
MAAR
Ed-locus is dominant over het A –locus en
schakelt deze uit
 Zwarte vachtkleur (want basiskleur Bb)
Kleurvererving bij schapen
Vlekken-gen (S-locus)
Slechts 2 mogelijkheden
S (dominant) Niet gevlekt
s (recessief) Gevlekt
Kleurvererving bij schapen
B-, A- en E- én S-locus??
SS AgAa bb EeEe
bb = bruine onderkleur
A locus dominant over B locus
Ag  Grijze kleur
E-locus bepaalt of A-locus tot uiting komt
Ee  A locus wordt niet onderdrukt
SS  wijst op geen vlekken
Resultaat: Grijs schaap zonder vlekken
Wat zijn eigenlijk lokale rassen?
Hoe zit genetica ineen?
Wat is het belang van genetische diversiteit?
Hoe kunnen we dit toepassen in de praktijk?
Wat is inteelt?
Inteelt
=
Het paren van dieren die met elkaar verwant zijn
 Lam ingeteeld
Wat is inteelt
Inteeltgraad =
½ vd genetische verwantschap tussen ram en ooi
Ouders 12.5% verwant
lam is 6.25% ingeteeld
Inteeltgraad kan variëren tussen
0% = niet ingeteeld
100% = compleet ingeteeld
(muizen en ratten in labo)
 6.25%
ingeteeld
Wat is inteelt?
Bella
Genetisch materiaal komt dubbel
voor
1/2
1/2
Één van beide kopieën wordt
doorgegeven (50% kans)
1/2
1/2
Kans op rood gen van Bella
=½x½x½x½
= 6,25%
Wat is inteelt?
æ1ö
F = åç ÷
è2ø
1+m+n
m = aantal dieren langs vader = 2
n = aantal dieren langs moeder = 2
F = 3.125%
Grootvader
Vader
Bella
Grootmoeder
Grootvader
Lam
Moeder
Grootmoeder
41
Inteelt verhoogt fokzuiverheid…
 Raseigenschappen vastleggen
MAAR
Fokzuiverheid treedt tegelijk op voor
gunstige/gewenste genen en voor
ongunstige/ongewenste genen
Inteelt leidt tot teloorgang van het ras
(inteeltdepressie)
Inteeltdepressie
Meest duidelijke effect is een daling in de algemene fitheid
(fitness) van het dier
 Belangrijk voor kenmerken met een lage erfelijkheidsgraad,
zoals vruchtbaarheidskenmerken, langleefbaarheid,…
Runderen:
Per 10% stijging in inteeltgraad -3,2% kg melk (in
vergelijking met een niet-ingeteeld dier) (Robertson 1954 –
Falconer 1996)
!
Niet elk ingeteeld individu heeft een slechtere prestatie
 Gemiddelde voor een hele populatie
Oorzaken van inteelt
Ongewild
Toeval (ram dekt zijn dochters / ramlam dekt moeder)
Zeldzaam ras (weinig dieren, weinig fokkers)
(Strenge) selectie
Bewust
Fixeren van bepaalde eigenschappen
Creëren van nieuwe rassen
Veelvuldig gebruik van een bepaald top-dier
Inteelt heeft dus veel te maken met de
fokstrategie
Inteelt op rasniveau
Bereken voor elk dier de inteeltgraad
 Bereken gemiddelde inteeltgraad van het ras
Groepeer de dieren per generatie (3 à 4 jaar)
 Evolutie van de inteeltgraad per geboortejaar
Inteelt bij vleesrassen
Ras
Populatie
F% Gem
F% Max
F% Totaal
Texel
62442
2.14
35.55
1.03
Suffolk
12080
3.54
33.16
0.76
Hampshire
3281
6.80
33.59
1.72
Bleu DM
6635
5.66
37.50
0.64
Ile de France
1326
10.41
37.50
0.18
Rouge de l'O
982
3.55
25.78
0.47
Swifter
2476
4.03
33.59
2.37
Zwartbles
1773
3.63
32.31
1.57
Inteelt in een gesloten ras stijgt
Stamboek(en) zijn gesloten, geen invoer van nieuw
erfelijk materiaal
Na een aantal generaties zijn (alle) dieren verwant aan
elkaar, inteelt neemt toe in de tijd
Snelle inteelttoename duidt op een kleine effectieve
populatie (Ne) en lage genetische variatie
Voor overleving van een ras/populatie is de
genetische variatie cruciaal!
Effectieve populatiegrootte
Effectieve populatiegrootte (Ne)
De effectieve grootte van een ras komt overeen met de
grootte van een « ideale » populatie met
dezelfde genetische variatie
Bijvoorbeeld: populatie van 1 miljoen dieren kan Ne= 50 hebben
Dit betekent dat de 1 miljoen dieren dezelfde genetische variatie
vertonen als een ideale populatie van 50 dieren
Effectieve grootte en inteelttoename
Toename van inteelt (ΔF) per generatie is
omgekeerd evenredig met effectieve
populatiegrootte (Ne)
Grote populatie  inteelt stijgt langzaam
Kleine populatie  inteelt neemt snel toe
Effectieve populatiegrootte
Lage effectieve populatiegrootte
 Grotere kans op inteeltdepressie
(de opstapeling van de negatieve effecten als gevolg van inteelt)
 Minder ruimte om zich aan te passen aan een veranderende omgeving en populatie subdivisie
 vergroten op hun beurt de kans dat het ras
gaat uitsterven.
Effectieve populatiegrootte
Volgens het FAO is een ras met een effectieve
populatiegrootte onder 100 bedreigd en moet de genetische
diversiteit goed gemonitord worden om dit ras op termijn te
behouden.
Effectieve populatiegrootte
Verlies van genetische
diversiteit over 10
generaties
25
50
100
125
250
500
18,00%
10,00%
5,00%
4,00%
1,60%
0,80%
It is very hard for populations to recover from loss of genetic variation
(Meuwissen, 1998)
Effecten van inteelt…
Aan de hand van praktijkvoorbeelden
Rambouillet-kudde in Parijs
Soay schapen op eiland St Kilda
Inteelt experimenten van Wiener
Merinos van Rambouillet
Wolschapenras uit Spanje
°1786, sinds 1801 gefokt als gesloten kudde
150-200 ooien, 15 rammen
F = 54 % (in 1993)
Ne= 50
Hoge inteeltgraad maar
beperkte inteelttoename!
Geen Relatie
regels ouders
Creatie ras
Rambouillet
Dracht% varieert van 0,68 tot 0,94
Worpgrootte stijgt van 1,12  1,32
Geboortegewicht stabiel 2,8 tot 3,5 kg/lam
Sterfte 13%  21%  17%
… consanguinité”. Finalement, si vraiment le troupeau a subi une dépression
de consanguinité, celle-ci est restée minime car le troupeau a bien survécu
depuis plus de 36 générations avec une augmentation moyenne du taux de
consanguinité de 1% par génération
Rambouillet
• Beginjaren: geen fokregels
• Later: gebaseerd op het vermijden van
gemeenschappelijke voorouders
Poging om “rammen”cirkels op te zetten
(niet gelukt)
• Sinds 2006: gebruik van software voor
“optimale genetische bijdrage”
Soay
Natuurlijke populatie
n=1190 (700-1800)
Eiland Hirta, St Kilda (637 ha)
Typische populatiecrashes om de 3-4 jaar
Vooral zichtbaar bij rammen
Soay
Inteelt per dier gemiddeld = 1.7%
(berekend via pedigree / DNA test)
MAAR:
tot 20% van de dekkingen zijn dichte inteelt
(eerste graad familie)
Geen inteeltdepressie op geboortegewicht en sterfte
bij geboorte
Soay
Gegevens over wormgevoeligheid (Faecal Egg Count)
Fokzuiverheid bepaald door DNA merkers
meer homozygoot (dus meer gevoelig aan wormen)
= meer kans op sterfte
 Natuurlijke selectie tegen inteelt :
heterozygote dieren overleven gemakkelijker dan
fokzuivere (=ingeteelde) dieren
Experimenten Wiener
Scottish Blackface, Welsh Mountain en Cheviot
4 generaties met toepassing van nauwe inteelt
Inteelt% van 25%, 37.5%, 50% en 59%
Wiener: effecten van inteelt
Effect op drachtpercentage
daalt van 0.71 (eerste bronst, F=0%) naar
0.44 (eerste bronst, F=59%)
Worpgrootte
1.73 (F=0%)
1.37 (F=25%)
1.24 (F=59%)
Overleving van de ooien
per +10% inteelt, +20% meer sterftekans
Inteelt bij
Belgisch
Melkschaap
Schattingen effectieve populatiegrootte
Belgisch Melkschaap
Volgens de toename van de inteelt: 47
DUS inteelt stijgt per generatie met >1%
Dit is ongunstiger dan de situatie van de Merinos van
Rambouillet (210 jaar gesloten)
Conclusies
Snelle stijging van de inteelt is nefast voor fitness
(experimenten Wiener, natuurlijke selectie bij Soay schapen)
Geleidelijke toename van de inteelt kan wel succesvol zijn
met zelfs verbetering van bepaalde kenmerken
(Rambouillet kudde)
 Er is veel tijd nodig om dit te realiseren
 Belang van natuurlijke selectie om ongunstige
genen
kwijt te spelen (“genetic purging”)
Conclusie
Inteelt is gevolg van paren van ouders die verwant zijn
Inteelt neemt onvermijdelijk toe in een gesloten ras
Inteelttoename is belangrijke parameter voor overleving van
het ras
Vuistregel: Ne minimaal 50, beter is Ne =100
Wat zijn eigenlijk lokale rassen?
Hoe zit genetica ineen?
Wat is het belang van genetische diversiteit?
Hoe kunnen we dit toepassen in de praktijk?
Hoe omgaan met inteelt?
A) als fokker
B) fokorganisatie / ras-commissie / stamboek
 belangen lopen niet gelijk
 lange termijn visie
Inteelt-beheersing op fokkersniveau
Waarom ?
Om negatieve effecten te vermijden…
Expressie van recessieve defecten
Inteeltdepressie (fitness vermindert)
Hoe?
Vermijd paringen die leiden tot een te hoge inteeltgraad van de
lammeren
Limieten op inteelt
Rundvee
Varkens (BN)
3.25%
5%
Fokken = selectie  behoud ??
Voor behoud van de diversiteit…
 veel rammen gebruiken
 alle rammen evenveel “geselecteerde”
nakomelingen
Voor selectie:
 enkel fokken met de beste dieren
Behoud van diversiteit gaat in tegen
fokkersdrang om te selecteren
Rol van fokorganisatie
Maatregelen verschillen per ras
Internationaal  lokaal ras
Status van het ras
Selectie  behoud
Rol van fokorganisatie?
Monitoring van de populatie
Bepalen populatie-structuur, inteeltniveau, ...
Rasspecifieke aanpak (internationaal<->lokaal, status,
selectie <-> behoud)
Management van de populatie
Advies aan fokkers of bindende regels??
Mogelijke maatregels
Gebruik veel rammen
Gebruik rammen maximum 1 of 2 jaar in het stamboek
(niet doorverkopen aan collega’s)
Fok alleen met ramlammeren uit goede, oudere ooien
 jonge rammen zijn genetisch beter dan hun vader
en oude ooien garanderen gebruiksduur en vitaliteit
Max. 1 ramlam van elke vader
Beperk aantal ooien/dekkingen per ram
Mogelijke keuzes
Ramcirkels
Computer-programma (geeft paringsadvies, welke rammen
en ooien inzetten en in welke combinatie)
Kruis met ander(e) rassen
Meerdere rammen inkruisen ipv. Één
Niet het F1, F2, F3 systeem want hierdoor fok je de
vreemde “genetica” er terug uit
Rammencirkels
Ramlammeren (1 jaar gebruikt)
A levert aan B
B levert aan C
C levert aan A
Bedrijf
C
Bedrijf
A
Dit kan ook binnen een groot bedrijf
door ooi-groepen te maken
MAAR!
- kwaliteit tussen bedrijven
- ziektestatus
Bedrijf
B
Inteelt controle
via de SLE databank
http://khv.falcooonline.com/
Na inloggen en klikken op
RAMMENADVIES
verschijnt een lijst met de
actieve ooien
Ooien op
bedrijf 7887
Geef eigen of
vreemde ram
in
Inteeltcoëfficiënt van de toekomstige
lammeren
OK voor de oudere
ooien
Extreem hoog voor
ooilam want paring
vader- dochter
En ram is zelf ook
ingeteeld !!!
Ram
7636-0071
Ingeteeld
op A27401795
Inteeltcoeff
= 6,25 %
Meer
details
Meer info over inteelt
Volgnummer Stamboeknummer Intern nummer Generatie
Rechts:
tabel met
voorouders
Aantal keer voorkomen Inteelt
Een andere ram zoeken dan maar…
Is OK voor de
ooilammeren
Voorbeeld gebruik genomica
Kempisch Rund
Lokale rassen
Lokale rassen bezitten genetische variatie
en speciale eigenschappen niet aanwezig in
conventionele rassen
Witrode ras
van OostVlaanderen
Witblauwe
Dubbeldoel
ras
Rood ras van
WestVlaanderen
Kempisch
Rund
Roodbonte Kempisch Rund
Een oud Belgisch dubbeldoel ras dat voorkwam in de
Kempen (provincies Antwerpen en Limburg)
In 1972 ging het over in het roodbonte ras van België waarna
er steeds meer werd ingekruist met rode Holstein tot een
gespecialiseerd melkveeras
De originele Kempische runderen waren bijna verdwenen op
enkele landbouwers na die nog vasthouden aan het oude
type koe
In 2012 werd een stamboek opgestart met de landbouwers
die nog het oude type koe hadden
Project
Tot nu toe zijn er ongeveer 400 dieren fenotypisch
geregistreerd bij 6 veehouders verspreid over Limburg en
Antwerpen
Op twee bedrijven moeten dieren nog worden geregistreerd
Doel
Er is slechts weinig tot geen pedigree informatie beschikbaar
Zicht krijgen op de zuiverheid/samenstelling van het
Kempische ras naar aanleiding van de oprichting van het
stamboek in 2012 met behulp van genomische informatie
Vergelijken van het genetische profiel met verschillende
runderrassen
Merkers
Genetische merker is een deel van een DNA
Delen waarbinnen een stuk gelijk is voor iedereen
en een ander stuk van individu tot individu verschilt
Gelijke delen  herkennen tussen de rest van het
DNA.
Unieke delen  variatie tussen individuen
93
Merkers
Gen 2
Gen 1
Cel
Chromosoom
DNA
Sequentie
SNP merker
Een variatie in het DNA van een
enkele nucleotide (letter) lang
Op één plaats in het genoom kan men dan bij verschillende dieren
een ander nucleotide aantreffen.
SNP's ontstaan door kopieerfoutjes in de DNA replicatie.
Ongeveer 90% van alle genetische variaties in het genoom zijn
SNP's
95
SNP merker
Bepalen van de status van een SNP = genotyperen
Gebruikt voor
o Genetische vingerafdrukken
o Ouderschapscontrole
o Onderzoek of DNA variatie invloed hebben op de
gevoeligheid voor een ziekte
o Onderzoek naar de gehele variatie die aanwezig is in
een populatie = genetische diversiteit
96
SNP merker
Gen 2
G
G
Gen 1
GG
Cel
Chromosoom
DNA
Sequentie
Sequentie
Gen 2
A
Gen 1
Cel
Chromosoom
DNA
Sequentie
97
G
AG
SNP merker
Met SNP chip wordt voor een dier bepaald welke
varianten er aanwezig zijn op 50 000 plaatsen in
het genoom
Illumina 54K SNP chip
Gebruik voor de analyses
98
Analyse
340 bloedstalen werden geanalyseerd (Illumina 54K SNP
chip)
Proportioneel over de bedrijven
Alle fokstieren
Alle oude koeien (ouder dan 7 jaar)
Analyse
Dieren groeperen volgens gelijkenis van de de merkers
Controle op de data => 37 874 SNPs en 334 dieren
De omzetting gebeurt op die manier dat de eerste
as/component, de grootste bron van informatie weergeeft.
Deze as/component verklaart de meeste variatie in de data.
Elke volgende component verklaart telkens minder variatie en
alle componenten zijn onafhankelijk van elkaar.
Variatie binnen het Kempisch rund
Variatie binnen het Kempisch rund
Variatie binnen het Kempisch rund
Inteelt
Gemiddeld inteeltpercentage = 3,7%
Effectieve populatiegrootte
Voor het Kempisch rund is de effectieve populatiegrootte 67
Volgens het FAO is een ras met een effectieve
populatiegrootte onder 100 bedreigd en moet de genetische
diversiteit goed gemonitord worden om dit ras op termijn te
behouden.
Toekomst
Zwartbonte
Holstein
MRIJ
Belgisch
witblauw
Roodbonte
Holstein
Brandrood
WestVlaamse
Rode
Maine
Anjou
Verbeterd
Roodbont
Pie Rouge
Mixte
INRA
WUR /
CGN
AWE
CRV
WUR / CGN
CRV
AWE /
INRA
WUR /
CGN
ULG
60
142
49
17
43
27
27
6
50
Data
Data
Data
Sperma
Haar/Sperma
Sperma
Data/Sperm
a
Haar/Sperm
a
Data
Samenvoegen met andere rassen
Bij het samenvoegen van alle rassen, moet de voorgaande
analyse opnieuw gedaan worden
 21 113 SNPs en 761 dieren
Vergelijking verschillende rassen
Kempische populatie
Besluit
Genetische verschillen tussen 3 van de 6 bedrijven en
vervolgens ook voor een 4de bedrijf (3de as).
 Oorsprong in een verschillend fokdoel
De fokstieren zijn meer centraal gelegen, ze zijn meer
gemiddeld in vergelijking met de rest van de populatie. Dit zal
leiden tot een meer uniforme populatie in de toekomst.
Besluit
Op basis van deze genetische analyses is het mogelijk om
stieren in te zetten in bedrijven met een ander genetisch
profiel om zo sneller tot een uniforme populatie te komen.
Het inteeltpercentage (3.7%) en de effectieve
populatiegrootte (67) zijn momenteel niet alarmerend maar
monitoring is aan te raden.
Besluit
Er is een hoge verwantschap tussen het Kempisch rund en
Brandrood en Pie Rouge mixte
Indien er te weinig Kempische stieren zijn omdat de inteelt
(-toename) of verwantschapsgraad te hoog wordt, dan is het
mogelijk om stieren van deze rassen te gebruiken. Zo zouden
zij een oplossing kunnen zijn op korte termijn.
Genomica bij schapen en geiten?
In de nabije toekomst (10 jaar) zal de kost van deze analyse
drastisch dalen waardoor routine gebruik mogelijk zal worden
Hierdoor kan genomische informatie ingezet worden in het
behoud en de ondersteuning van lokale rassen
Conclusies
Behoud van rassen op lange termijn vereist behoud van
genetische diversiteit
Lokale rassen bezitten mogelijks interessante
eigenschappen/genen voor nichemarkten en/of voor de
toekomst.
Er bestaan heel wat hulpmiddelen om de genetische spreiding
op te volgen (analyse pedigree, genomica)
Inteelt controle is voor de fokker een goede eerste stap
Conclusies
Hoge inteeltgraden zijn niet per definitie slecht maar een snelle
toename van de inteelt wel
Nauwe inteelt doet de fitness dalen.
Op lange termijn is de toename van inteelt in een ras
onvermijdelijk maar deze moet geleidelijk gaan
Beperk de invloed van individuele rammen op de totale
populatie door één of andere maatregel
Dank voor uw aandacht
Vragen?
www.livestockgenetics.be
www.livestockgenetics.be
Download