24 april 2008

advertisement
EMERITIFORUM K.U.LEUVEN
p.a. Senaat K.U.Leuven
“Eygen Heerd”
Minderbroedersstraat 5
B-3000 Leuven
KATHOLIEKE
UNIVERSITEIT
LEUVEN
ONS KENMERK
UW KENMERK
LEUVEN,
4 maart 2011
EMERITIFORUM
Forumgesprek nr. 63
Energie in de toekomst
Sprekers: - ir. Joost Van Roost, president-directeur Exxon Mobil
- dhr. Jos Delbeke, Directorate General Climate Action EC
Moderator: prof. Paul De Meester
Plaats: Willem van Croÿzaal in het Convent van Chièvres, Faculty Club
Datum: donderdag 27 januari 2011
Aantal ingeschrevenen: 94
Aantal verontschuldigden: 23
Aantal deelnemers aan de lunch: 48
_____
Ter beschikking gestelde documentatie:
- Gedichten, gebracht door em. prof. Annie Van Avermaet
- Inleiding (twee dia’s), em. prof. Paul De Meester
- The Outlook for Energy, a view to 2030, PowerPointpresentatie van ir. Joost Van Roost
- EU Climate Change Policy, PowerPointpresentatie van de heer Jos Delbeke
_____
Secretariaat : tel. 016/32 07 77 - Fax 016/32 37 38
e-mail : [email protected]
BLAD NR.
2
ONS KENMERK
UW KENMERK
LEUVEN,
Volgens de voorzitter van het Emeritiforum kunnen energie en energieprijzen uiteraard niet los gezien
worden van economie. Maar hoelang kunnen we nog toekomen met de klassieke energiebronnen?
Kunnen we energie zomaar blijven verbruiken (CO2 ) en moeten we niet overschakelen naar andere
vormen, zoals wind- en zonne-energie? Voor deze laatste vormen zijn we natuurlijk afhankelijk van
natuurfenomenen en dus pieken, en is de opslag ervan niet evident. En wat met waterstof… en met
kernenergie?
De beide sprekers worden met hun c.v. voorgesteld door collega De Meester, gewezen vicerector en
zelf metaalkundig ingenieur, die o.m. over nucleaire centrales doceerde na een succesvolle carrière in
het kerncentrum te Mol, waar hij vooral betrokken was bij de ontwikkeling van BR2-splijtstofelementen.
Op deze Gedichtendag toont collega Van Avermaet ons dat zelfs in de poëzie de elektriciteit niet
afwezig bleef: J. Bernlef met zijn ‘De elektriciteit’, Vladimir Majakovski in de sociaal-realistische stijl van
1917 over de Koeznetsk-werven, en Miriam Van hee die na Tsjernobyl haar ontgoocheling uitdrukt in
‘Afscheid in Poleskoje’.
Voor de moderator is het onderwerp weliswaar complex, maar ook in volle actualiteit: na de recente
‘World Energy Summit’ met 148 aanwezige landen in Abu Dhabi, kondigt zich al in november van dit
jaar de klimaatconferentie van Durban aan. Aardolie blijft nog de belangrijkste energiebron, maar de
hernieuwbare energie is duidelijk stijgend (dia 1: wereld-België).
De reserve aan aardolie in de wereld zou nog voor 40 jaar volstaan, steenkool voor 164 jaar. De twee
belangrijkste bronnen zijn nog altijd fossiele grondstoffen en windenergie. Hout maakt ongeveer 10 %
uit van het wereldenergieverbruik, maar dit is moeilijker te meten. Alhoewel belangrijk voor het koken in
ontwikkelingslanden, wordt hout niet in de statistieken opgenomen; het gebruik ervan is dalend en dit
betekent een gevaar voor deze landen.
Na de industriële revolutie met o.m. de stoommachines en de opkomst van elektriciteit (Watt, Faraday,
Siemens), werd in de 20ste eeuw vooral steenkool aangewend. De eerste petroleumboringen vonden
pas in 1859 in Pennsylvania plaats, en na Wereldoorlog I kwam er de benzinemotor (Daimler) en de
dieselmotor. 1938 was het begin van de splijting van uranium in Berlijn, en in 1942 volgde de
kettingreactie CP nr.1 (Chicago Pile nr.1), met een eerste industriële toepassing in 1957 (Shippingport).
Elke energiebron heeft natuurlijk haar problemen in de afvalcyclus.
Het bekijken van de wereldreserves moet wel met de nodige voorzichtigheid gebeuren (dia 2:
energiebronnen en energievormen). Zonne-energie en gesteente zijn de oorsprong van alle energie;
ook elektriciteit is geen bron maar een afgeleide drager.
De criteria voor een goede keuze zijn: rationeel verbruik, reserves en beschikbare voorraden, de
economische factor, veiligheid en milieu. De belangrijkste energiedragers of -vormen blijven elektriciteit
en waterstof. Aardolieproducten en koolstof vinden we tegenwoordig in alle sportmaterieel, in voeding
en in kledij.
2
BLAD NR.
3
ONS KENMERK
UW KENMERK
LEUVEN,
De heer Van Roost licht zijn inleiding toe aan de hand van de bovengenoemde PPt. Hij geeft een
overzicht van het ontstaan van ExxonMobil, van de verplichte opsplitsing van ‘Standard Oil’ in 1910 tot
de thans ontstane fusie van twee maatschappijen met complementaire activiteiten, met het
Beneluxhoofdkwartier in Breda, met 2 raffinaderijen en 11 chemische vestigingen in de omgeving, en
met een tewerkstelling in België van om en bij de 3000 mensen. Ook in de richting van winning van
aardgas worden door deze maatschappij de eerste stappen gezet.
De spreker stelt een aantal bijzonder gedetailleerde grafieken voor, in de overgrote meerderheid met
een perspectief naar 2030. Er worden immers nauwkeurige cijfers over energie per sector en per land
bijgehouden - het overheidsingrijpen ingebouwd - wat ons een ernstige ‘energy outlook’ moet kunnen
bieden. De algemene te trekken conclusies daaruit zijn: een belangrijke toename van de energieefficiëntie, een zeer sterk uit elkaar groeien van de cijfers van enerzijds de OESO-landen en anderzijds
de andere landen (met vooral China en India!), en de belangrijke rol die weggelegd blijft voor de
elektriciteit, waar momenteel 1,5 miljard mensen nog altijd geen toegang toe hebben... Tegen 2030
mag op wereldschaal op een groei van ongeveer 35 % energieverbruik gerekend worden in vergelijking
met 2005. Economische ontwikkeling en energieverbruik blijven duidelijk samengaan.
De economische en energie-ontwikkeling steeg vooral sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw. Het
energieverbruik per capita zal echter tussen 2005 en 2030 in de OESO-landen dalen, maar wel stijgen
in landen als China en India, waar het in 50 jaar tijd niet steeg; het BNP zal in de OESO-landen
nochtans spectaculair de hoogte blijven ingaan, en ook relatief belangrijk toenemen in de andere,
zogeheten nieuwe landen (dia’s 5 en 6; 7= energiestijging). In die niet-OESO-landen zal de expansie in
de verschillende economische sectoren leiden tot een sterke stijging van de vraag naar energie, zowel
in de transportbranche, als in de industrie en voor huishoudelijk/commercieel gebruik. Bij transport blijft
benzine een prominente plaats innemen, minder echter in de Europese OESO-landen, waar een
belangrijk component diesel blijft o.a. als gevolg van de gevolgde accijnspolitiek [Zou één belasting per
ton uitgestoten CO2 uiteindelijk niet het meest efficiënt zijn?], maar ook volledige hybride, stekkerhybride, en elektrische voertuigen - aangemerkt als ‘advanced’ - zijn in opmars zoals overigens ook
CNG (compressed natural gas).
De elektriciteit zal blijven groeien in de verschillende sectoren, zij het ook minder sterk in de OESOzone. De opwekking ervan - met het oog op het tegengaan van CO2-emissie - kan op verschillende
manieren gebeuren, wat in de praktijk leidt tot een evolutie in de vermenging van keuzes die zeer
verschillend is in de verschillende werelddelen (dia 18). Naast de aantrekkelijkheid van de prijzen speelt
bijvoorbeeld ook de snelle leveringstermijn van aardgas - gestookte elektriciteitscentrales - daar een rol
in. Het is wel duidelijk dat bij dit alles de CO2 -emissie daalt, behalve in landen als China en India
(dia 21).
De vraag stelt zich eveneens of er genoeg olie (dia 22) en aardgas (dia’s 23 - 24) aanwezig blijft.
De aarde, met haar 8 miljard inwoners op dat moment, zal tegen 2030 een 100 % stijging van het BNP
kennen, en een stijging met 35 % van de energievraag, maar zal 300 quads = 10 15 BTU’s (British
3
BLAD NR.
4
ONS KENMERK
UW KENMERK
LEUVEN,
thermal units, eenheden van energie) moeten sparen. Dit vereist een doorgedreven verdere
ontwikkeling van de technologie. Voor dit laatste wordt ondermeer gekeken naar het ‘Global Climate &
Energy Project’ van de universiteit van Stanford, en de ontwikkeling van biobrandstoffen uit algen, te
telen op gronden die voor niets anders in aanmerking komen. Volgens de spreker: een fascinerende
wereld!
Ook de heer Delbeke verduidelijkt zijn stellingen met een PPt, ‘Climate Action, Energy for a Changing
World’. Het wordt een complementair verhaal, want energie en klimaatwijziging zijn met elkaar
verbonden. De klimaatwijziging heeft bovendien zowel een Europese als een nationale dimensie.
Met de ‘Single European Act’ van 1986/87 werd milieu een nieuw hoofdstuk, wat o.m. betekent dat er
met een gekwalificeerde meerderheid kan over beslist worden. De wereld staat de volgende decennia
voor enorme uitdagingen (dia 3) en een nieuw gecombineerd beleid dringt zich op: inzake energie,
grondstoffen en het behoud van een leefbaar klimaat. De broeikasgassen moeten vanaf 2020 ernstig
dalen, maar door de delokalisering van industriële activiteit is dit een probleem voor de
ontwikkelingslanden geworden… De CO2 - emissie per capita toont aan dat in een aantal landen
milieubeleid gewoon onbestaande is. Terwijl ‘Kopenhagen’ een vermindering van 25-40 % en 15-30 %
voor resp. de geïndustrialiseerde en de ontwikkelingslanden als doelstelling voor 2020 formuleerde, en
voor 2050 een globale reductie van 50-85 % vooropstelde, werd dit laatste cijfer nu al voor Europa
aangenomen. In Cancun werd in 2010 alleszins een akkoord bereikt over het optreden tegen
ontbossing (dia 11), verantwoordelijk voor 1/5 van het broeikasprobleem, en over een internationale
supervisie, d.i. een begin van engagement van de nieuwe landen. ‘Kyoto’ loopt slechts tot 2013 en bindt
alleen - en minder en minder - industrielanden.
Zowel de EU van de 15 als van de 27, heeft de stijging van de welvaart (BNP) steeds aan
milieubescherming weten te koppelen, en heeft aldus een geloofwaardigheid opgebouwd, zodat
groeilanden die het milieuprobleem beginnen te onderkennen graag van onze kennisoverdracht gebruik
maken.
Het resultaat van onze in Kyoto aangegane verbintenissen is inderdaad indrukwekkend (dia 16) en
Europa heeft nu al 20 %-doelstellingen aangenomen tegen 2020, zowel inzake de uitstoot van
broeikasgassen als inzake hernieuwbare energie.
Vanaf 2005 installeerde de EU een ‘European Trading System’, d.w.z. dat zij een prijs stelt op de
uitstoot van broeikasgassen en dat het overschot aan quota kan verkocht worden. Dit ETS heeft tot
gevolg dat er een daling in de CO2-uitstoot van 21 % zal optreden tussen 2005 en 2020, van 2.3 naar
1.72 miljard ton. Tegen 2050 zou de daling 70 % zijn vergeleken met 1990 als de economische
schaarste aan quota gerealiseerd wordt. De prijs van die quota is de marktprijs, nu 15 € per ton.
Maar hoe kom je aan die quota? Vermits energie-intensieve industrie onderworpen is aan internationale
concurrentie blijft de uitstoot gratis; vanaf 2013 wordt de helft van de quota op de beurs verkocht.
‘Credits’ worden toegekend aan wie schone energie ontwikkelt (met technologiesteun; zie de
4
BLAD NR.
5
ONS KENMERK
UW KENMERK
LEUVEN,
stimuleringspolitiek voor de ‘Carbon Capture and Storage’- en de ‘Renewable Energy Sources’projecten), onder een aantal voorwaarden vermeld op (dia 22). Ook alle Europese luchtvaart - intern,
maar ook die vanuit en naar Europa! - zal vanaf 2012 aan dit systeem onderworpen zijn, behalve
wanneer het ‘derde’ land gelijkwaardige maatregelen neemt. De EU-richtlijn over hernieuwbare energie
van haar kant legt de lidstaat België 13 % op tegen 2020, dit is een verviervoudiging van het huidige
cijfer; het globale cijfer voor de Unie is 20 %. Nog een andere maatregel is die inzake CO 2 - uitstoot van
wagens: maximum 130 g/km tegen 2015 en 95 tegen 2020, een cijfer waarmee de EU aan de top van
de wereld staat. En ook aangaande het labelen van de energie-efficiëntie van producten neemt Europa
het voortouw. De energieprestatie van gebouwen is evenzeer een bekommernis van de Unie : alle
nieuwbouw zal tegen einde 2020 nagenoeg zero energieverbruikend moeten zijn. Daarnaast is er nog
een richtlijn in verband met de kwaliteit van brandstoffen en werden objectieven per lidstaat
uitgeschreven, iets dat zeer belangrijk is. De Unie ontwikkelde ook een visie op lange termijn met o.a.
de bedoeling de klimaatverandering tot 2°C te beperken en op de tekentafel liggen de plannen 2050
voor een lage koolstof-economie (minus 20-30 %?), vanuit de zorg over de toenemende import van
fossiele brandstoffen.
_____
V. Is het inderdaad zo dat tegen 2050 er nog alleen hernieuwbare energie zal zijn binnen de EU?
A. Er zijn vele consultatiemechanismen in Europa, vele ‘think tanks’ die allemaal hun opinie hebben.
Niemand in de Europese Commissie denkt echter dat dit nog de enige energiebron zal zijn. En er is
daaromtrent geen enkele beslissing genomen.
V. Verschillende sprekers hebben elkaar schijnbaar tegengesproken, zowel wat betreft het percentage
alternatieve energiebronnen, als wat betreft de reserves aardolie (aantal vaten per dag). Aangaande dit
laatste is volgens de ‘International Energy Agency’ de piek nu bereikt…
A. Wereldwijd zijn er inzake de ‘renewals’ inderdaad nogal verschillende opinies te noteren. Dit is o.m.
het gevolg van het feit dat biobrandstoffen daarin niet opgenomen zijn en dat voor hydro-elektriciteit, de
meest verspreide vorm van hernieuwbare energie, geen brandstoffen nodig zijn en die zitten dus ook
niet in de telling.
Het komt er bijgevolg op aan realistisch te blijven!
Wat de aardolie betreft, zal men na 2030 ongetwijfeld diepere boringen uitvoeren, en zullen de fossiele
brandstoffen beperkt worden. In werkelijkheid vinden we elk jaar evenveel olie als we gebruiken… (is
het ook hier de geschiedenis van de kip en het ei?)
Er is in deze materie een voortschrijdend inzicht en op de duur vallen de cijfers wel samen.
Is er bij de vraag naar ‘renewals’ dus niet eerder een definitieprobleem? Maar de EU-doelstelling van
20 % van het finale energieverbruik in 2020, is wel een enorm signaal naar de markt toe.
5
BLAD NR.
6
ONS KENMERK
UW KENMERK
LEUVEN,
De (extreme) energieschaarste - aldus het ‘International Energy Agency’ - begint zich op de markt te
vertalen. Europa is zeer afhankelijk van energie, het probleem wordt dit van de betaalbaarheid ervan. In
het diepste van de huidige economische recessie kostte de aardolie 95 $ per vat, nog altijd het dubbele
van 2005!
V. Er werd in de discussie over energieproductie weinig ingegaan op de mogelijkheden van
waterkracht. Waarom?
A. De mogelijkheden van waterkracht zijn enorm. De Inga stuwdam in Congo kan 4 à 5 maal meer aan
dan nu. Maar er is het probleem van de energiedragers. Thans wordt er opnieuw veel in geïnvesteerd
(voorbeeld: Brits onderzoek op de Thames).
V. Moeten we over de nucleaire energie niet vrij optimistisch zin? Of blijft de reglementering
dienaangaande gebaseerd op de publieke perceptie van de risico’s ervan?
A. Helemaal akkoord wat het optimisme aangaat.Maar de (relatieve) perceptie wordt steeds maar
opnieuw aangezwengeld. In de koolmijnen vallen inderdaad nog steeds veel meer doden dan in
Tsjernobyl…
Het moratorium voor kernenergie in België kwam alleen onder politieke invloed tot stand.
We gaan ook naar een geliberaliseerde elektriciteitsmarkt, met een afnemende rol van de overheid. De
privé sector heeft in het verleden niet geaarzeld te investeren ondanks risicopremies en lange
duurtijden (gascentrales zijn immers veel sneller en flexibeler), maar het nucleaire was van in den
beginne gepokt en gemazeld in de staat.
V. Waarom zijn de biobrandstoffen wat buiten het gesprek gebleven?
A. Men komt ervan terug omwille van het verlies aan voedselproductie. Dit argument wordt nu mee in
vraag gesteld. Sommige biobrandstoffen komen immers niet zo direct in conflict met de voedselketen,
maar in Europa blijft het een zeer ambivalent debat omwille van de zeer dure plaatselijke vorm van
deze alternatieve energie.
V. 40 % van het primaire energieverbruik gaat hier naar de gebouwen en alle thermische
elektriciteitscentrales bijvoorbeeld stoten uit in de lucht. Waarom legt Europa niet meer de nadruk op
afstandsverwarming of afvalwarmte?
A. Dit is geen communautaire competentie en valt onder het subsidiariteitprincipe. Het enige wat
Europa dus kan doen is informatieverspreiding; er werden wel standaarden voor gebouwen ontwikkeld
(zie ‘Energy performance of buildings’, Delbeke dia 32), maar de gebouwen in Noord- en Zuid-Europa
zijn wel erg van elkaar verschillend.
6
BLAD NR.
7
ONS KENMERK
UW KENMERK
LEUVEN,
V. Stelt er zich toch geen probleem van eerlijke verdeling: de dure kWh wordt vooral door arme mensen
betaald? Kan anderzijds de elektriciteitssector de huidige prijzen volhouden?
A. Hierover wordt op lidstaatniveau beslist. Men opent in Europa nu wel een debat over verstoringen in
de markt.
De prijzen moeten aangepast worden aan de recente technologische ontwikkelingen. Gedurende jaren
was deze energievorm goedkoper dan 5 jaar geleden, maar toch bleven de subsidies… Dit is een
kwestie van spanning tussen de korte en de lange termijn.
7
Download