Introductie Dit naslagwerk geeft een opsomming van mogelijke

advertisement
1. Introductie
Dit naslagwerk geeft een opsomming van mogelijke ongevallen en ziekten bij baby's en kinderen en de daarbij
te verlenen eerste hulp maatregelen. Dit naslagwerk is gebaseerd op het leerboek Eerste Hulp aan Kinderen
van het Oranje Kruis, tweede druk, vierde oplage.
Voor aanvullende informatie kijk op:

www.ehbo.nl

www.rescue.nl

www.kindermishandeling.info

www.kinderbrandwond.nl

www.brandwonden.nl

www.consument-en-veiligheid.nl

www.reanimatieraad.nl

www.ggdkennisnet.nl/kinderopvang
2. Kinderen en hun omgeving
We onderkennen op basis van de ontwikkeling, lichaamsbouw, ademhaling en bloedsomloop een onderverdeling
van het kind binnen de eerste hulpverlening in:

De baby (01- 1 jaar)

Het kind
•
Eerste periode: de peuter-/kleuterleeftijd (1-5 jaar)
•
Tweede periode: het kind vanaf 5 jaar - 12 jaar
2.1 De baby
Het jonge kind (0-1 jaar)
Leeftijd
5-6 maanden
7-9 maanden
10-12 maanden
2.2 De peuter, kleuter
De peuter/kleuter (1-5 jaar)
Leeftijd
18 maanden
2 jaar
3 jaar
4-5 jaar
Ongevallen
Val van tafel, commode, uit maxicosi of
commode
Verslikken
Omvallen, val van kinderstoel
Verbranden aan hete vloeistoffen of hete
voorwerpen
Inslikken van medicijnen, huishoudmiddelen,
giftige planten
Verbranden aan hete vloeistoffen of hete
voorwerpen
Snijden of prikken aan scherpe voorwerpen
Verdrinking in bad
Ongevallen
Inslikken gevaarlijke stoffen
Zich verbranden
Te water raken in sloot/vijver bij huis
Val van stoep, trap en dergelijke
Val uit raam
Elektrische stroom
Val van trap
Vallen, struikelen, vallen van fiets
Te water raken in sloot/vijver bij huis
Snijden aan gereedschap, glas, speelgoed
Vallen, vallen van fiets
Botsen of stoten
Snijden
Inslikken van gevaarlijke stoffen
Te water raken
Elektrische stroom
Vallen van grote hoogte
Te water raken (ook verder van huis)
Verbranden aan vuur
Snijden aan scherpe voorwerpen
Bekneld raken
Vallen van fiets
2.3 Het kind
Het kind (5-12 jaar)
Leeftijd
18 maanden
2 jaar
3 jaar
4-5 jaar
Ongevallen
Inslikken gevaarlijke stoffen
Zich verbranden
Te water raken in sloot/vijver bij huis
Val van stoep, trap en dergelijke
Val uit raam
Elektrische stroom
Val van trap
Vallen, struikelen, vallen van fiets
Te water raken in sloot/vijver bij huis
Snijden aan gereedschap, glas, speelgoed
Vallen, vallen van fiets
Botsen of stoten
Snijden
Inslikken van gevaarlijke stoffen
Te water raken
Elektrische stroom
Vallen van grote hoogte
Te water raken (ook verder van huis)
Verbranden aan vuur
Snijden aan scherpe voorwerpen
Bekneld raken
Vallen van fiets
3. De veiligheid van kinderen
Inleiding
Kinderen kunnen niet voor hun eigen veiligheid zorgen, ze zien nog onvoldoende gevaren en overzien niet altijd
wat de gevolgen van hun handelingen zijn.
Met het nemen van veel maatregelen om de veiligheid van het kind te vergroten kun je veel maar niet alle
ongevallen voorkomen.
Dit hoofdstuk zal niet volledig zijn en geeft zeker geen garantie voor tips en aandachtspunten bij het
voorkomen van ongevallen met kinderen. Veel of bijna alles staat en valt met de aandacht die je zelf kunt of
wilt hebben voor de genomen maatregelen en het handhaven daarvan.
Algemeen
Kleding

Geen licht ontvlambare kleding.

Niet te warm (oververhitting) en niet te koud (onderkoeling) kleden.

Geen losse touwtjes en dergelijke aan de kleding.

Knoop sjaal, schoenveters, en dergelijke goed dicht.

Schaf goede schoenen aan: goed passend en stroeve zolen.

Pas op voor zonnestraling.
Speelgoed

Kies speelgoed zonder giftige lak of verf.

Kies speelgoed zonder kleine, losse onderdelen.

Kies niet brandbaar speelgoed.

Kies speelgoed zonder scherpe randen of hoeken.

Voor peuters moeten blokjes, kralen en dergelijke zo groot zijn dat ze niet in de mond passen.
Vervoer

Als je een kind draagt, zorg dan voor goede grip op de vloer.

Vervoer een kind in de auto in een goedgekeurd zitje.

Zorg voor en gebruik een kinderslotje op de achterdeuren van de auto.

Laat een kind nooit alleen in de auto.

Gebruik op de fiets een veilig kinderzitje.

Gebruik een fietshelm.
Let op!
Hou rekening met de leeftijd en gewoonten van het kind bij het geven van speelgoed.
3.1 Thuis
Bed en box

Gebruik nooit een tuigje in een babybedje.

Span geen touwen met speelgoed boven het ledikantje.

Zet het ledikantje niet onder het raam, bij openstaande ramen of bij de verwarming.

Leg een baby niet in een groot bed zonder toezicht.

Leg een zacht kleedje voor het bedje bij een harde vloer.

Zorg dat er een deken tussen kruik en kind ligt; verpak de kruik in stof (textiel); leg de kruik met de
stop richting het voeteneinde en maak de kruik niet te heet!

De afstand tussen de spijlen van een ledikantje moet tussen 6 en 7,2 cm zijn.

Gebruik geen hoofdkussentje en geen losse lakentjes in een wieg en babyledikantje.

Gebruik een ledikantje met gladgeschuurde niet scherpe randjes en geen uitstekende schroeven.

Gebruik een ledikantje met loodvrije, speeksel- en krabvaste verf.
Kinderkamer

Zorg voor stevige opstaande randen bij het aankleedkussen en/of commode.

Laat een kind nooit alleen op de commode liggen.

Plaats tegen insecten horren voor de open ramen.

Rol van de luxaflex/rolgordijnen de touwtjes op.

Beveilig snoeren en stopcontacten.

Huisdieren horen niet in de kinderkamer.
Huiskamer

Houd hete vloeistoffen buiten het bereik van kinderen. Gebruik een thermoskan.

Leg onder losse vloerkleden antislipmatjes.

Houd giftige en gevaarlijke materialen buiten bereik.

Zorg dat elektrische snoeren onbereikbaar zijn voor kinderen.

Bevestig kindersluitingen op stopcontacten.

Zorg dat ramen door een kind niet zelfstandig te openen zijn.

Scherm scherpe hoeken aan tafels, enz. af.

Zorg dat gebruikte glasplaten van beveiligd glas zijn.

Leg geen kleedjes op tafels als het kind zich daaraan kan optrekken.
Badkamer en toilet

Controleer altijd de temperatuur van het badwater met je huid.

Bij voorkeur thermostaatkranen bij bad en douche.

Kinderen niet zonder toezicht in bad.

In bad en douche antislip aanbrengen.

Medicijnen en schoonmaakmiddelen buiten bereik zetten.

Zorg voor kinderveilige sluitingen bij wasmachine en centrifuge.

Geen geurblokjes of luchtverfrissers gebruiken.

Laat geen schoonmaakmiddel (bleek, enz) in de wc staan. Spoel de wc direct door na het gebruik van
die middelen.

Zet de toiletborstel buiten bereik, hij kan resten van schoonmaakmiddelen bevatten.

Spoel na gebruik van heet water de kraan door met koud water.

Zet de kattenbak buiten bereik.
Gang en trap

Zorg voor een goede leuning aan de trap.

Plaats een hekje onder en boven aan de trappen (liefst geen harmonicamodel, kans op beknelling!).

Zorg voor stevige bevestiging van traploper.

Zorg dat buitendeuren goed gesloten blijven.
Let op!
Laat een baby nooit alleen thuis.
3.2 Buitenshuis

Zorg voor goede en veilige kleding (geen losse touwtjes, knopen, veters).

Let op giftige planten en vruchten.
Zie voor overzicht:http://www.neerlandstuin.nl/algemeen/giftig.html



Berg tuingereedschap goed op.
Let op de omgeving:
o Hoe is het verkeer?
o Is er open water in de buurt? (Een kind kan in 20 cm diep water al verdrinken).
o Is er toezicht op klimtoestellen?
Controleer de zandbak op vuil, zoals glasscherven, katten-/hondenpoep, sigarettenpeuken, naalden,
enzovoort.
3.3 Kinderopvang, school
Er zijn wettelijke regels voor huizen van gastouders, crèches, kinderdagverblijven en scholen op het gebied van
veiligheid en hygiëne. Regelmatig vinden er inspecties plaats door de GGD.
Een aantal mogelijke aandachtpunten zijn:

Afgeschermde/ beschermde speelplaats;

Stabiele, vastzittende speeltoestellen;

Zachte ondergrond bij klim- en glijtoestellen b.v. zand of rubber tegels.

Jaarlijkse verversing van speelzand.
4. Kindermishandeling
Zie je in je directe omgeving als hulpverlener regelmatig letsel bij het zelfde kind, dan kan dat toeval zijn, maar
er kan ook sprak zijn van kindermishandeling.
De gevolgen van kindermishandeling zijn niet of nauwelijks in woorden te vatten. Een kind dat slachtoffer is of
is geweest, blijft dit levenslang met zich meedragen.
4.1 Vormen van kindermishandeling
Vijf vormen van kindermishandeling
1. Lichamelijke mishandeling
2. Psychische mishandeling
3. Lichamelijke verwaarlozing
4. Psychische verwaarlozing
5. Seksueel misbruik
Ook een combinatie van deze vormen is mogelijk.
4.2 Signalen van kindermishandeling
Algemeen
Wees alert, maar trek uit letsels bij kinderen geen overhaaste conclusies. Er kunnen tientallen signalen wijzen
op kindermishandeling, terwijl daar absoluut geen sprake van is. Er is dus een gevaar dat ouders of verzorgers
ten onrechte het etiket van kindermishandeling opgeplakt krijgen!
Mogelijke gedragssignalen bij kinderen

Agressief gedrag

Terugtrekken in zichzelf

Concentratieproblemen

Seksueel uitdagend gedrag

Angst voor (bepaalde) volwassenen
Mogelijk gedragssignalen bij ouders

Bij lichamelijk letsel van kind vreemde verklaringen geven.

Geen of nauwelijks belangstelling voor schoolprestaties.

Kinderen regelmatig laten verzuimen bij kinderdagverblijf, peuterspeelzaal of school.
5. Het vijfstappenplan
Inleiding
Wanneer je te maken krijgt met een ongeval moet je ervoor zorgen dat de
toestand van het betrokken slachtoffer niet verslechtert.
Het is daarom heel belangrijk dat je niet in paniek raakt. Kalm blijven en zo
snel mogelijk proberen inzicht te krijgen in de situatie en de toestand van
het slachtoffer is de basis voor het verlenen van deskundige eerste hulp.
Systematisch denken en handelen is daarbij essentieel. Als je daarbij
handelt volgens het zogenaamde vijfstappenplan weet je zeker dat alles wat
je doet in de juiste volgorde gedaan wordt en je geen dingen door spanning
of haast zult vergeten of overslaat.
Let op!
Elke situatie waarin eerste hulp moet worden verleend, is weer anders,
maar telkens komen de volgende vijf punten aan de orde:
1.
2.
3.
4.
5.
Veiligheid
Informeren
Beschutten
Alarmeren
Helpen
5.1 Veiligheid
Algemeen
Let bij het verlenen van eerste hulp op gevaar voor jezelf, voor omstanders en voor het slachtoffer. Neem geen
onnodige risico's. Zorg ervoor dat je zelf geen slachtoffer wordt. Probeer gevaren op te heffen, bijvoorbeeld
door het verkeer te stoppen of om te leiden, door stroom uit te schakelen of door gevaarlijke stoffen te (laten)
verwijderen. Soms kan het zelfs nodig zijn om het slachtoffer te verplaatsen. Daar is een speciale greep voor
die alléén in noodgevallen wordt toegepast: de Rautek-greep.
Uitvoering

Luister, kijk en ruik of er gevaar is.

Neem het gevaar weg als dat mogelijk is, eventueel met behulp van omstanders. Verplaats het
slachtoffer alleen als dat noodzakelijk is, bijvoorbeeld wanneer een levensbedreigend gevaar niet bij
het slachtoffer weggehaald kan worden, zoals een grote brand.
Als er een ongeluk gebeurt met kinderen dan is je eerste impuls meestal om meteen naar het kind toe te gaan.
En dat is heel natuurlijk. Hoewel helpen van het kind erg belangrijk is, mag je niet vergeten eerst te kijken of jij
zelf, de omstanders en het slachtoffer geen gevaar lopen.
Als je deze stap overslaat loop je de kans dat jij zelf, één van de omstanders of het slachtoffer (verder) gewond
raakt.
5.1.1 Noodvervoersgreep van Rautek
Algemeen
Door het verplaatsen van een slachtoffer kan zijn toestand verergeren. Verplaats het slachtoffer dus alleen als
de plek waar het zich bevindt onveilig is of zijn toestand doet verslechteren.
Uitvoering

Houd het kind zo horizontaal mogelijk.

Zorg vooral voor voldoende ondersteuning van het hoofd.

Is het kind te groot of te zwaar pas dan de noodvervoersgreep van Rautek toe.
Noodvervoersgreep van Rautek

Kniel aan de linkerkant van het kind bij zijn schouder.

Plaats je rechtervoet achter het hoofd.

Ga met je rechterhand onder zijn nek door.

Leg je linkerhand vanaf de rugzijde in zijn linkeroksel.

Breng hem in een vloeiende beweging in zittende houding en je lichaam achter hem.

Schuif je armen onder zijn oksels door.

Breng een van zijn onderarmen horizontaal voor zijn borst.

Leg je handen met aaneengesloten vingers en duimen over deze onderarm.

Ga in hurkhouding zo dicht mogelijk tegen het kind aan zitten, met je voeten achter hem en je knieën
aan weerskanten van het kind.

Til het kind op door je benen te strekken.

Versleep het kind uit de gevarenzone.

Leg het kind weer voorzichtig neer en ga door met hulp verlenen.
Als je aan de rechterkant van het kind knielt, voer je handelingen in spiegelbeeld uit.
5.2 Informeren
Algemeen
Vraag als dit mogelijk is aan het kind of aan de omstanders wat er is gebeurd. Observeer de situatie zelf of
hieruit iets is op te maken. Dit geeft je vaak een aanwijzing over het mogelijke letsel.
Uitvoering
Kijk als eerste of de vitale functies in orde zijn. Dus:

Is het kind bij bewustzijn?

Is de ademhaling en daarmee de circulatie in orde?

Zijn er geen ernstig bloedingen die direct ingrijpen vergen?
Let op!
Handel in deze volgorde! Stoornissen in de vitale functies kunnen snel tot de dood of latere invaliditeit leiden.
Plaatselijke letsels zullen zelden dodelijk zijn. Vitale functies hebben daarom eerste prioriteit.
5.3 Beschutten
Algemeen
Bij een ongeval is een kind vaak angstig en geschrokken. Veel bloed kan een paniekreactie geven bij het kind
en bij omstanders. Andere kinderen kunnen bij het zien van het slachtoffer angstig worden en in paniek raken.
Uitvoering

Stel het kind gerust en zorg voor beschutting door kalm, vriendelijk en eerlijk te zijn.

Spreek rustig in voor een kind begrijpelijke taal.

Geef het kind het gevoel in goede handen te zijn.

Dek veel bloed af.

Indien mogelijk geef het kind een knuffel, probeer deze zichtbaar of voelbaar neer te leggen.

Stimuleer het kind niet om te gaan staan of zitten.

Voorkom afkoeling door het kind toe te dekken. vergeet daarbij het hoofd niet.

Zorg bij teveel zonnewarmte voor voldoende schaduw vooral voor het hoofd.
5.4 Alarmeren
Algemeen
Wanneer je 1-1-2 belt, krijg je contact met een centrale meldkamer. De melder moet altijd duidelijk om een
ambulance vragen. Vervolgens word je doorverbonden met de meldkamer van de ambulancedienst.
Uitvoering

Blijf bij het kind en laat iemand anders professionele hulp waarschuwen.

Vraag altijd diegene die gaat waarschuwen om terug te komen om te vertellen welke hulp komt en hoe
snel.

In het uiterste geval, mag je het kind alleen laten om hulp te gaan halen, maar liever als het kan het
kind meenemen.

Bij de melding aan 1-1-2 moet je altijd doorgeven:
o Je naam;
o Waar het ongeval gebeurd is;
o Wat er gebeurd is;
o De leeftijd van het slachtoffer;
o Aantal slachtoffers;
o Wat het slachtoffer mankeert. Meld het als het slachtoffer beademd of gereanimeerd wordt.
Let op!
Als de professionele hulpverlening de zorg voor het kind overneemt, is je rol als hulpverlener beëindigd. Je hebt
de eerste opvang gedaan en het vertrouwen van het kind. Blijf dan bij het kind als dit enigszins mogelijk is.
5.5 Helpen
Algemeen
Als je alarm hebt geslagen, moet je een slachtoffer eerste hulp verlenen tot de hulpdiensten er zijn. Ken daarbij
je beperkingen. Geef alleen noodzakelijke hulp.
Help, wanneer mogelijk, op de plaats waar het slachtoffer zich bevindt!
Als het kind een wond heeft die je zelf kunt behandelen, of je moet het kind helpen in afwachting van de
hulpdiensten, dan doe je dat op de plaats waar het kind zich bevindt tenzij dat onmogelijk is door gevaar. De
behandeling die je het kind geeft, hangt af van het soort letsel dat het kind heeft opgelopen.
De drie vitale functies
De drie vitale functies zijn bewustzijn, ademhaling en bloedsomloop (circulatie). Een stoornis in één of meer
van deze functies is levensbedreigend. Je moet een stoornis zo snel mogelijk herkennen. Je kunt dan
maatregelen nemen om de gevolgen te beperken. Je begint met de bewustzijnscontrole.
5.5.1.1. Bewustzijnscontrole
Algemeen
Benader het slachtoffer aan de kant van zijn gezicht. Spreek rustig, duidelijk en luid. Probeer het kind op zijn
niveau aan te spreken, dan kan het je begrijpen en reageren. Stelp tegelijk een eventuele ernstige bloeding
door druk op de wond.
Bij bewustzijn:

Het kind huilt duidelijk, vraagt om zijn mama of geeft een juist antwoord op je vraag.
Vervolgactie:
Beoordeel de ademhaling.
Verminderd bewustzijn:

Het kind kreunt, jammert of praat onsamenhangend.

Het kind kijkt niet gericht.

Het kind maakt een suffe indruk.
Vervolgactie:

Roep om hulp.

Beoordeel de ademhaling.
Bewusteloos:

Het kind reageert niet op aanspreken en schudden.

Het kind voelt slap aan.
Vervolgactie:

Roep om hulp.

Draai het kind op de rug, behalve bij mogelijk wervelletsel.

Beoordeel de ademhaling.
5.5.1.2 Oorzaken van stoornissen in het bewustzijn
Algemeen
Verschillende oorzaken kunnen bij kinderen leiden tot bewustzijnsstoornissen.
Vallen

Vallen van de commode, van de trap, bij het fietsen, van het paard.

Vallen bij het leren lopen.

Vallen door een aanrijding.
Verstikking, vergiftiging, verdrinking.

Verstikking door dingen in de mond stoppen, het hoofd in een plastic zak stoppen.

Verstikking door onder zand bedolven worden.

Vergiftiging door het eten of drinken van giftige stoffen of planten.

Verdrinking door val in het water of uitglijden in het bad.
Andere





oorzaken
Hoge koorts of koortsstuip
Onderkoeling
Suikerziekte
Epilepsie
Hersenvliesontsteking.
5.5.1.3 Flauwte
Algemeen
Een flauwte is een kortdurende bewusteloosheid als gevolg van een tijdelijk vermindering van de bloedtoevoer
naar de hersenen. De oorzaak van flauwte kan zijn:



Uitputting
Psychische oorzaken
Benauwde omgeving
Jonge kinderen vallen bijna nooit flauw, dat komt over het algemeen pas voor bij kinderen vanaf 6 jaar.
Verschijnselen

Bleek gezicht, zweten en geeuwen

Nauwelijks reageren op aanspreken

Uiteindelijke kortdurende bewusteloosheid
Hulp




Probeer te voorkomen dat het kind bewusteloos raakt, zorg voor toevoer frisse lucht.
Leg het kind plat neer en blijf rustig tegen hem praten.
Valt het kind toch flauw, laat het dan rustig liggen. Het komt meestal binnen de minuut vanzelf bij.
Als het kind niet snel bijkomt, handel dan zoals bij bewusteloosheid.
5.5.2.1 Ademhalingscontrole
Het kind is bij bewustzijn
De aanname dat de ademhaling normaal is, is juist als je geen gierende geluiden hoort en de borst en/of buik
van het kind regelmatig op en neer gaan en het kind geen tekenen van benauwdheid vertoont.
De ademhaling is belemmerd of afwezig als hij onregelmatig is, de buik en/of de borst niet of nauwelijks op en
neer gaan, of slechts af en toe, een luchtstroom bij mond en neus voelbaar is.
Hulp
Als het kind bij bewustzijn is en normaal ademt, laat het in de positie waarin je het vond.
Vervolgactie
Beoordeel het kind op shock.
Het kind is bewusteloos
Wanneer je bewusteloosheid hebt geconstateerd, beoordeel je de ademhaling door te:

Kijken

Voelen

Luisteren
Uitvoering

Open de luchtweg, bij voorkeur in de positie waarin je het slachtoffer aantreft.

Plaats je hand op het voorhoofd. kantel het hoofd voorzichtig achterover om de luchtweg vrij te
maken.

Breng met je andere hand de kin omhoog door je vingertoppen onder de kin te plaatsen (kinlift).

Breng je gezicht dicht bij de mond en neus van het kind.

Kijk naar de beweging van de borst en/of buik.

Luister aan de mond en de neus naar ademhalingsgeluiden.

Voel met de wang of er een luchtstroom is.

Doe dit 10 seconden voordat je een conclusie trekt of wel of geen ademhaling aanwezig is.
Let op!
Druk niet op de weke delen onder de kin, daardoor kun je juist de luchtweg blokkeren.
Bij een bewusteloos slachtoffer kan de luchtweg geheel of gedeeltelijk afgesloten worden door het inzakken van
de zachte weefsels in de mond (tong, enz) en keel of door braaksel of vreemde voorwerpen ( tanden, snoep,
kauwgom, enz).
Vervolgactie
Breng een normaal ademend slachtoffer in de stabiele zijligging. Beadem een slachtoffer met onvoldoende of
geen ademhaling.
5.5.2.2 Vrij maken van de ademweg
Uitvoering

Open de luchtweg, bij voorkeur in de positie waarin je het slachtoffer aantreft.

Plaats je hand op het voorhoofd. kantel het hoofd voorzichtig achterover om de luchtweg vrij te
maken.

Breng met je andere hand de kin omhoog door je vingertoppen onder de kin te plaatsen (kinlift).

Verwijder voorzichtig duidelijk zichtbare voorwerpen.
Vervolgactie
Ademhalingscontrole.
5.5.2.3 Beademen
Algemeen
Begin na de vaststelling dat het kind bewusteloos is en de ademhaling niet normaal, onmiddellijk met 5
beademingen.
Krijgt het kind dan een normale ademhaling terug, plaats het dan in de stabiele zijligging en ga over op het
controleren op ernstige bloedingen.
Krijgt het kind geen normale ademhaling terug, ga dan over op reanimatie met 15 borstcompressies en wissel
af met 2 beademingen.
Reanimeer als je alleen bent eerst 1 minuut en bel dan pas 1-1-2. Neem het kind zo mogelijk mee, als de
telefoon niet in de buurt is.
Let op!
Een snelle start van de reanimatie (beademen of met borstcompressies) leidt tot een grotere overlevingskans.
Uitvoering
Baby (0 - 1 jaar)

Breng het hoofd voorzichtig achterover met de kinlift.

Plaats je mond over de mond en neus van de baby.

Zorg voor een luchtdichte afsluiting.

Blaas rustig lucht in tot de borstkas omhoog komt.

Haal je mond van het kind en laat het uitademen.

Herhaal dit tot je vijf (pogingen tot) beademingen hebt gegeven.
Let op!
Als het beademen niet lukt maak dan een keer de ademweg vrij. Doe niet meer dan 5 pogingen totaal!
Vervolgactie

Als het kind geen normale ademhaling terugkrijgt ga dan over op borstcompressies.

Als het kind weer normaal gaat ademen leg het dan in de stabiele zijligging en ga door met controleren
op ernstige bloedingen.
Kind (1 jaar - puberteit)

Breng het hoofd voorzichtig achterover met de kinlift.

Plaats je mond over de mond van het kind.

Zorg voor een luchtdichte afsluiting.

Blaas rustig lucht in tot de borstkas omhoog komt.

Haal je mond van het kind en laat het uitademen.

Herhaal dit tot je vijf (pogingen tot) beademingen hebt gegeven.
Let op!
Als het beademen niet lukt maak dan een keer de ademweg vrij. Doe niet meer dan 5 pogingen totaal!
Vervolgactie

Als het kind geen normale ademhaling terugkrijgt ga dan over op borstcompressies.

Als het kind weer normaal gaat ademen leg het dan in de stabiele zijligging en ga door met controleren
op ernstige bloedingen.
5.5.2.4 Stabiele zijligging
Uitvoering

Kniel naast het slachtoffer aan de kant van zijn gezicht. Zorg ervoor dat de benen gestrekt zijn.

Pak de arm die, het dichts bij je is, vast bij de elleboog en pols en breng die schuivend over de
onderlaag omhoog, totdat hij loodrecht op het lichaam staat. Buig vervolgens de arm in de elleboog in
een rechte hoek met de handpalm omhoog.

Buig de andere arm over de borst en leg die met de handrug naar de wang op de schouder die het
dichtst bij je is. Houd deze hand vast.

Buig het been dat het verst van je verwijderd is in de knie, terwijl de voet op de grond is. Houd de knie
van het gebogen been vast.

Draai het slachtoffer in de zijligging naar je toe door aan zijn gebogen knie te trekken. Houd
tegelijkertijd de hand tegen de wang geduwd. Leg de heup en knie in een rechte hoek.

Zorg dat de elleboog van de bovenliggende arm op de onderliggende arm op de grond rust.

Kantel het hoofd wat naar achteren om er zeker van te zijn dat de luchtweg vrij is. Leg de hand goed
onder de wang. Richt de neus en mond naar de grond, zodat vloeistoffen en braaksel gemakkelijk uit
mond kunnen lopen.

Leg zo nodig een klein kussen of opgerolde deken achter zijn rug om de houding stabieler te naken. Er
mag geen druk op de borst zijn die de ademhaling kan bemoeilijken.
Let op!
Forceer niet, bij het bewegen van lichaamsdelen.
5.5.2.5 Verslikken, Heimlichmethode
Algemeen
Kinderen steken vaak iets in hun mond. Nootjes, snoepjes, stukjes fruit, klein speelgoed of delen daarvan,
knopen, kralen, loshangende touwtjes aan hun kleding enzovoort, kunnen er de oorzaak van zijn dat hun
luchtweg belemmerd raakt en ze kunnen stikken. Andere oorzaken van een belemmerde luchtweg zijn een
plastic zak over hun hoofd doen of verward raken in een slaapzak of tuigje.
Het is bij verslikken van belang om als eerste te bepalen of het kind effectief of niet effectief hoest.
Effectief hoesten
Verschijnselen

Het kind huilt of spreekt.

Het kind ademt diep in voor het hoesten.

Het kind hoest luid en/of braakt. Meestal wordt hierdoor het vreemde voorwerp of voedsel verwijderd.

Bij een scherp voorwerp kan plotseling heesheid optreden door beschadiging van de stembanden.
Hulp


Moedig aan tot hoesten, voor zover nodig.
Bij plotseling optredende heesheid, vraag advies aan de huisarts.
Niet effectief hoesten
Verschijnselen

Het kind kan plotseling niet spreken of huilen.

Zacht hoesten of stil.

Onrustig en borstkas intrekken om lucht te krijgen.

Gierende ademhaling (hoe sterker het gieren, hoe groter de afsluiting).

Bij volledige afsluiting kan het slachtoffer geen geluid maken en niet ademen.

De huidskleur wordt blauw.

Het bewustzijn verminderd.
Hulp


Roep om hulp.
Geef stoten op de rug, buikcompressies of borstcompressies. Stoten op de rug zijn effectiever als het
hoofd naar beneden is gericht.
Uitvoering
Baby (0-1 jaar)

Ga zelf zitten of kniel neer.

Houd het kind in buikligging op je onderarm en laat je onderarm op je bovenbeen rusten, klem daarbij
een beetje tussen lichaam en arm waardoor je het kind goed vast hebt. Ondersteun het hoofd door de
duim van een hand op de hoek van de onderkaak en twee vingers op de andere hoek van de kaak te
plaatsen. Druk niet op het zachte deel onder de kaak; dit kan de belemmering verergeren.

Geef met de muis van je hand 5 stoten tussen de schouderbladen.

Leg je vrije hand/arm op het achterhoofd/rug van het kind.

Draai het kind op de rug (de sandwichmethode), met het hoofd naar beneden. Leg zware baby's op
een harde ondergrond (aankleedkussen weghalen).

Geef in 5 seconden 5 compressies van de borst op de zelfde plaats als bij reanimatie, maar met een
kortere en krachtiger beweging.
Let op!
Herhaal, vanaf het 5 x stoten met de muis van de hand, de handelingen als de belemmering blijft. Zorg voor
professionele hulp, wanneer dit nog niet gedaan is. Onderbreek de serie stoten of borstcompressies, wanneer
duidelijk is dat de belemmering is opgeheven. Geef bij baby's geen buikcompressies. Er worden dus bij een
baby ook borstcompressies gegeven, als het kind nog bij bewustzijn is.
Kind (1 jaar - puberteit)

Geef 5 stoten tussen de schouderbladen en controleer tijdens het stoten of er verbetering optreedt.
Indien er geen verbetering optreedt, ga over op buikcompressies.

Sta of kniel achter het zittende of staande kind of neem het kind op schoot.

Omvat de romp met je armen vlak onder zijn oksels.

Plaats een vuist (met de duim onder de vingers) met de duimkant tegen de buik, iets boven de navel
in de middellijn.

Omvat de vuist met je andere hand en trek 5 keer beide handen met een snelle beweging schuin
omhoog naar je toe. Let erop dat je handen niet op de ribben of het borstbeen van het kind drukken.
Herhaal dit in series van vijf.

Controleer na iedere serie de mondholte en verwijder zichtbare, losliggende voorwerpen. Pas daarbij
op dat het voorwerp niet dieper geduwd wordt.
Let op!
Herhaal deze stappen als de belemmering blijft. Zorg voor professionele hulp, wanneer dit nog niet gedaan is.
Onderbreek de serie stoten of buikcompressies, wanneer duidelijk is dat de belemmering is opgeheven. Na de
buikcompressies moet het slachtoffer altijd door een arts op inwendig letsel worden onderzocht.
Bewusteloos kind.

Leg een bewusteloos kind met een belemmering of afsluiting van de luchtweg neer op een harde platte
ondergrond.

Laat 1-1-2 bellen, indien dat nog niet is gebeurd.

Maak de ademweg vrij zoals beschreven in hoofdstuk 'Vrij maken van de ademweg'.

Beadem 5 keer en ga dan reanimeren.
5.5.2.6 Verdrinking
Algemeen
Helaas verdrinken er in Nederland jaarlijks veel kinderen. Met name kinderen tussen de 0 en 4 jaar kunnen zich
niet redden in het water. Het hoeft niet eens diep water te zijn, de vijver in de tuin en even niet opgelet bij het
kind in het bad kan fataal zijn.
Probeer rustig te blijven als je een kind moet redden. Zeker een al wat ouder kind kan erg sterk zijn en je
onder water trekken. Zorg dat er daarom altijd minstens nog 1 iemand in de buurt is die kan helpen.
Als je een kind dat een tijdje in het water gelegen heeft moet reanimeren, kun je soms weerstand voelen bij
het geven van beademing en borstcompressies. Dit komt omdat er dan sprake is van onderkoeling. Laat je daar
niet door weerhouden. Niets doen is dodelijk. Gebruik iets meer kracht.
5.5.3 Reanimatie
HBAlgemeen
Start met reanimeren. Wanneer na beademen een normale ademhaling uitblijft, na de 5 beademingen met
borstcompressies.
Verschijnselen
Er is geen normale ademhaling en er zijn geen tekenen van circulatie of je twijfelt sterk.
Uitvoering
Baby (0 - 1 jaar)

Plaats 2 vingers op het onderste 1/3 deel van het borstbeen.

Houd je vingers recht en verticaal.

Druk de borstkas voor 1/3 deel in.

Laat de borstkas weer volledig omhoog komen, maar blijf met je vingers contact houden met de
borstkas.

Doe dit in een tempo van 100 keer per minuut.

Geef 15 compressies en geef dan weer 2 beademingen.

Bel na ongeveer 1 minuut 1-1-2.
Herhaal:

15 keer de borstkas indrukken en loslaten (compressies0.

2 beademingen geven.

Blijf doorgaan tot deskundige hulp het overneemt.
Kind (1 jaar- puberteit)

Plaats de hiel van de 1 hand op het onderste 1/3 deel van het borstbeen.

Houd je arm recht en verticaal.

Druk de borstkas voor 1/3 deel in gaat dat moeilijk of zwaar gebruik dan 2 handen.

Laat de borstkas weer volledig omhoog komen, maar blijf met je hand contact houden met de
borstkas.

Doe dit in een tempo van 100 keer per minuut.

Geef 15 compressies en geef dan weer 2 beademingen.

Bel na ongeveer 1 minuut 1-1-2.
o Meld dat je een ambulance nodig hebt.
o Dat het om reanimatie van een kind gaat.
o Geef het adres door.
o Geef de (geschatte) leeftijd van het kind door.
o Hang niet op voordat de centralist dat zegt.
o Neem het kind zo nodig mee, of bel bij het kind zodat je zo snel mogelijk verder kunt.
Herhaal:

15 keer de borstkas indrukken en loslaten (compressies).

2 beademingen geven.

Blijf doorgaan tot deskundige hulp het overneemt.
5.5.4 Ernstige Bloedingen, shock, brandwonden
Algemeen
Als een kind te maken krijgt met de verschijnselen van ernstig uitwendig bloedverlies, raakt het meestal
overstuur door de pijn en het zien van het bloed. Vaak lijkt het of het kind nauwelijks benaderbaar is. Maar
directe actie is noodzakelijk om levenreddend te kunnen zijn.
Kinderen hebben een veel kleiner circulerend bloed en vochtvolume. Een kind van 10 kg heeft maar 800cc
bloed en een verlies van 250 cc komt overeen met 30% van het volume.
Shock is een levensbedreigende toestand, waarbij de bloeddruk te laag is om de vitale functies te onderhouden.
Wanneer niet genoeg bloed door de bloedvaten wordt gepompt, krijgen de lichaamscellen te weinig zuurstof en
lopen daardoor schade op.
De meest voorkomende oorzaken van brandwonden bij kinderen zijn verbrandingen door hete vloeistoffen en
verbranding door contact met hete objecten en vuur.
Maar ook buiten in de natuur zijn er gevaren die brandwonden kunnen veroorzaken. Er zijn planten die bij
kneuzing van blad of stengel sap laten vrijkomen dat vervelende brandplekken kan veroorzaken. Een voorbeeld
hiervan is de berenklauw.
Verder kunnen ook chemische stoffen brandwonden veroorzaken.
5.5.4.1 Bloedingen stelpen
Algemeen
Als je druk uitoefent op de wond om de bloeding te stoppen doet dat pijn, hierdoor ontstaat angst die kan
omslaan in boosheid op jou. Ben doortastend en blijf rustig. Vertel het kind wat je doet. Heb je de bloeding
kunnen stelpen en een verband aangebracht, blijf dan bij het kind en probeer het te troosten. Zorg dat zo snel
mogelijk professionele hulp wordt ingeroepen indien dat niet al is gebeurt.
Verschijnselen
Je ziet een wond waaruit in korte tijd veel bloed komt Het bloeden kan stootsgewijs of gelijkmatig zijn.
Hulp




Laat het slachtoffer bij voorkeur liggen.
Stelp de bloeding door het gewonde lichaamsdeel omhoog te brengen en door 10 minuten druk op de
wond uit te oefenen:
o De bloeding stopt: leg een wondsnelverband of snelverband aan;
o De bloeding stopt niet: leg een wonddrukverband aan; is er geen verband aanwezig, handhaaf
druk op de wond totdat professionele hulp het overneemt.
Geef rust aan het gewonde lichaamsdeel.
Beoordeel het kind op shock.
5.5.4.1.1 Druk uitoefenen op de wond
Uitvoering

Gebruik (zo mogelijk) een opgevouwen snelverband en leg dit op de wond.

Druk met je hand op de plaats van de wond. Gebruik bij voorkeur handschoenen.

Gebruik elk ander hulpmiddel als je geen verbandmateriaal hebt (handdoek, theedoek, kleding of zelfs
de blote hand).

Verwijder geen vreemde voorwerpen die uit de wond steken (bijvoorbeeld een stuk glas of een mes)
Druk in dat geval zo goed mogelijk aan weerszijden van het vreemde voorwerp.
5.5.4.1.2 Wondsnelverband
Uitvoering

Laat het slachtoffer liggen of zitten.

Maak de verpakking aan 1 kant open en haal het verband eruit zonder het open te vouwen.

Verwijder het beschermstrookje van het stukje kleefpleister aan het einde van de korte zwachtel.

Neem de korte zwachtel in de ene hand en de opgevouwen lange zwachtel in de andere hand.

Trek het verband open en breng het wondkussen op de wond.

Plak de kleefpleister aan de korte zwachtel vast op de huid.

Leg de lange zwachtel zo om arm of been dat het wondkussen aan alle kanten is afgesloten.

Verwijder het beschermstrookje van het stukje kleefpleister aan het einde van de lange zwachtel en
leg het verband vast.
5.5.4.1.3 Wonddrukverband
Uitvoering

Laat het kind zitten of liggen.

Leg een paar lagen synthetische watten gelijkmatig verdeeld over het wondsnelverband, rondom het
gewonde lichaamsdeel.

Zorg dat de watten aan beide kanten ruim over de rand van het wondsnelverband uitsteken.

Leg het geheel vast, bij voorkeur met een ideaalzwachtel.

Kijk in de rol, leg de eerste slag circulair bij de rand van de watten, laat de watten uitsteken.



Zwachtel in de richting van de romp, waarbij iedere volgende slag de vorige voor tweederde overdekt.
Er wordt niet 'terug gezwachteld'.
Zorg dat de watten buiten de rand van de laatste slag uitsteken.
Zet het eind van de zwachtel vast met kleefpleister of een verbandklemmetje.
Let op !
Welk verband je ook aanlegt, ga altijd voor het slachtoffer staan. Je kunt zo beter verbinden en het slachtoffer
kan zien wat je doet.
5.5.4.2 Shock
Algemeen
Door uitwendig bloedverlies te stelpen kun je shock voorkomen of beperken. Aan inwendig bloedverlies kun je
als hulpverlener niets doen.
Voor het behandelen van een shock is altijd professionele hulp nodig. De maatregelen hebben tot doel erger te
voorkomen en het slachtoffer zo comfortabel mogelijk te maken. Mogelijk verbruikt het hierdoor minder
zuurstof, zodat de aanwezige hoeveelheid zuurstof in het lichaam maximaal benut kan worden voor de
hersenen.
Oorzaken

Ernstig uitwendig of inwendig bloedverlies

Vochtverlies bij ernstige brandwonden

Ernstige diarree, vooral als dit gepaard gaat met braken en koorts

Ernstige infectie

Overgevoeligheid, bijvoorbeeld insectensteken
Let op!
Een shock kan nog enige tijd na een ongeval optreden.
Verschijnselen

Bleke/grauwe gelaatskleur, maakt een zieke indruk

Voelt zich ellendig, misselijk, heeft het koud en neigt tot braken

Voelt koud en klam (zweterig) aan

Is onrustig, slap en krachteloos

Heeft dorst
Hulp








Stop een eventuele uitwendige bloeding.
Waarschuw (als dat al niet is gedaan) met spoed professionele hulp of laat dit doen.
Controleer de vitale functies.
Laat het slachtoffer liggen.
Stel het slachtoffer gerust en laat het niet alleen.
Zorg dat het slachtoffer niet praat of beweegt. Blijf zelf wel tegen hem praten.
Bescherm het slachtoffer tegen afkoeling (het mag niet rillen), maar warm het niet op (dus
bijvoorbeeld geen kruik of warm drinken geven).
Laat het slachtoffer niet drinken!
Let op!
In het begin kan een shock erg veel lijken op flauw vallen. Maar als het slachtoffer gaat liggen, komt het bij een
flauwte binnen 1 minuut weer bij. Bij een shock zal de toestand van het slachtoffer niet verbeteren.
5.5.4.3 Brandwonden
Graden van verbranding
Er zijn drie gradaties in brandwonden.

Eerstegraads
o Rode huid
o Licht gezwollen
o Pijnlijk

Tweedegraads
o Rode huid
o Gezwollen
o Pijnlijk
o Blaren

Derdegraads
o Grauwwitte huid
o Zwarte huid
o Verlies van normale soepelheid
o Plek is niet pijnlijk omgeving wel.
Regel van negen
Is van het lichaam meer dan 10% verbrand dan kan shock ontstaan. Bij het schatten van het percentage
verbranding wordt de 'regel van 9' gebruikt. Elk deel van het lichaam neemt een percentage van het totale
lichaamsoppervlakte in.

Bij een baby is het hoofd een vijfde deel van het lichaamsoppervlakte (circa 20%) en vormt samen
met de romp de helft van het totale lichaamsoppervlak.

Bij het kind neemt het hoofd en de romp steeds minder lichaamsoppervlak in en neemt het percentage
van armen en benen toe.

Als grove regel voor het bepalen van het getroffen percentage lichaamsoppervlak kun je stellen dat de
oppervlakte van de hand van het slachtoffer 1% is.
Hulp






Koel de brandwond minstens 10 minuten met zacht stromend lauw leidingwater of maak gebruik van
het Burn-shield.
o
Burn-shield: de antiseptische, schimmeldodende eigenschappen, de lokaalpijnstillende werking en
het vermogen om diep in de wond door te dringen, zijn de meest in het oog springende
kwaliteiten. In contact met de huid koelt de hydrogel het beschadigde oppervlak geleidelijk en
beheerst af. Na vijf tot tien minuten schommelt de huidtemperatuur tussen de 4 à 5 °C onder de
normale waarde. De onderkoeling die vaak in een latere fase bij slachtoffers van verbranding
optreedt, wordt daardoor vrijwel uitgesloten. Burn-shield zorgt ook voor vermindering van
oedeemvorming met ongeveer 50%. Na applicatie van het steriele kompres op de wond, kan in
afgedekte vorm, als occlusieverband (met niet-absorberend materiaal) de koeling 6 tot 12 uur
aanhouden.
Houd het kind zo vast dat het zelf niet aan de brandwonden kan komen in verband met infectie en
beschadiging van de brandwond.
Houd als dat kan het verbrande lichaamsdeel hoog in verband met zwelling.
Dek na het koelen een tweede en derde graads brandwond af met gemetalliseerd verband of steriel
gaas of anders met en schone theedoek, servet of zakdoek. Bij grote oppervlakten kun je een schoon
laken losjes om de verbrande delen wikkelen.
Laat blaren intact.
Bescherm het slachtoffer tegen afkoelen.
Beslist niet doen!

Vastgebrande kleding lostrekken (behalve bij verbranding door een chemische stof), dit geeft extra
beschadigingen aan de huid.

Iets op de brandwond smeren (ook geen brandzalf), dit geeft extra kans op infecties en maakt het
beoordelen van de diepte van de brandwond door de professioneel behandelaar erg moeilijk.

De wonden aanraken.

Het slachtoffer laten eten of drinken.

Het slachtoffer in een koud bad/koude douche zetten. De kans op onderkoeling is dan groot.
Let op!

Tot 1 uur na de verbranding is koeling zinvol.

Als het kind een luier draagt moet je die zo snel mogelijk uitdoen.

Als de kleding vlam heeft gevat, is de beste methode dit te blussen met leidingwater ( bij brandende
benzine moet je de vlammen doven met een branddeken, kleed of schuimblusser; nooit in het gezicht
van het slachtoffer spuiten.

Wanneer er geen water voorhanden is, kun je het kind in een blusdeken, jas, trui, sprei of iets
dergelijks wikkelen vanaf de hals naar beneden. Houd het hoofd vrij. Sluit de deken goed aan de hals
af. Leg het kind op de grond en doof het vuur door op de (brand)deken te kloppen (niet wrijven). Rol
het kind eventueel over de grond om de vlammen te doven.

Ga bij vlamverbranding niet lopen met het kind. hierdoor wordt extra zuurstof toegevoerd en worden
vlammen geactiveerd.

Gebruik voor het doven geen synthetisch materiaal zoals nylon kleding, enz.
Brandwonden door bijtende, chemische stoffen
Bijtende, chemische stoffen op de huid kunnen brandwonden veroorzaken. Maar kunnen ook
vergiftigingsverschijnselen veroorzaken. Schakel altijd professionele hulp in en meld, als je dat weet, welke stof
het betreft.
Als de stof via de kleding op de huid komt moet je de kleding zo snel mogelijk verwijderen en de huid
afspoelen. Pas daarbij op dat jezelf niet met de stof in aanraking komt. Sommige bijtende stoffen zijn vluchtig.
Dit kan bij het inademen gevaar opleveren voor het slachtoffer als ook voor jou.
Hulp





Verwijder de met de bijtende, chemische stof doordrenkte kleding. Bescherm jezelf hierbij zo mogelijk
met handschoenen.
Spoel minstens 30 minuten met veel lauw stromend water. Zorg dat de stof zich niet over het lichaam
verspreidt.
Trek de schoenen uit.
Behandel de wonden als brandwonden.
Schakel professionele hulp in.
5.5.5 Botbreuken, ontwrichting
Botbreuken
Algemeen
De belangrijkste oorzaken van een botbreuk bij kinderen zijn vallen en verkeersongevallen. Bij een gesloten
botbreuk is het bot gebroken maar de huid rondom intact. Bij een open botbreuk is er een wond in de
omgeving van de breuk en soms steekt een deel van het gebroken bot door de huid naar buiten.
Het is niet altijd goed mogelijk een botbreuk vast te stellen. Wanneer het kind langere tijd, soms meer dan 2
dagen, pijn blijft houden, kan er sprake zijn van een greenstick-fractuur (de naam is afkomstig van een twijg of
jonge boomtak die wel doorbreekt maar niet afbreekt). Neem bij twijfel contact op met de huisarts.
Verschijnselen

Het kind heeft pijn.

Er is een zwelling zicht- of voelbaar.

Het kan het getroffen lichaamsdeel minder of niet gebruiken.

Soms is er een abnormale stand, abnormale beweeglijkheid of een wond.
Hulp







Doe zo weinig mogelijk, kijk of het kind gaat staan en hoe het zich beweegt, zonder hem daarbij te
helpen.
Zorg dat het getroffen lichaamsdeel zo onbeweeglijk mogelijk blijft.
Als je denkt dat kind een gebroken been heeft, laat het kind dan liggen. Bel 1-1-2 zodat het kind
verantwoord vervoerd kan worden.
Steun het been met een dekenrol of jas.
Als het kind een gebroken onderarm, pols of hand heeft, kun je de arm steunen met een mitella.
Als het kind een breuk van de elleboog, bovenarm, sleutelbeen, of schouder heeft, leg je een smalle of
brede das aan.
Laat het kind bij een open botbreuk liggen en dek de wond - als deze zichtbaar is- af met een
opengevouwen snelverband. Bel 1-1-2. De kans op extra beschadigingen en infectie is groot.
Controleer de vitale functies.
Beweeg het lichaamsdeel niet.
Wervelbreuk
Verschijnselen

Het kind geeft pijn aan in de nek of rug.

Als er ook sprake is van letsel aan het ruggenmerg, kan het slachtoffer aangeven dat de benen of
vingers prikken of tintelen, of kan het zijn benen en eventueel zijn armen niet of minder bewegen.
Hulp




Laat het slachtoffer liggen zoals je het aantreft en stel het gerust.
Voorkom elke beweging, tenzij het slachtoffer vanwege gevaar verplaatst moet worden, sleep het dan
met behulp van de noodvervoersgreep van Rautek in zijn lengterichting weg.
Stabiliseer bij onrust zijn hoofd en rug.
Waarschuw (als dat nog niet gedaan is) professionele hulp.
Ribbreuk
Verschijnselen

Het slachtoffer heeft pijn op zijn borst.

Het slachtoffer ademt moeilijk en oppervlakkig, ziet bleek en is duidelijk geconcentreerd op zijn
ademhaling.
Hulp



Laat het slachtoffer halfzittend tegen je aanleunen en ondersteun het zodat het makkelijk kan ademen.
Dwing het slachtoffer hier niet toe als het al een prettige houding heeft gevonden.
Waarschuw (als dat nog niet gedaan is) professionele hulp.
Ontwrichting
Algemeen
Bij kinderen kan een ontwrichting ontstaan door een korte ruk aan de armen, zoals tussen twee personen in het
kind rond laten zwieren of door het aan de armpjes op te tillen als het uit bed of de box komt. Een ander
voorbeeld is een bal hard op de vingers krijgen. Dit kan ontwrichting van een vinger geven.
Ontwrichting gaat gepaard met schade aan de spieren maar soms ook aan de zenuwen, de bloedvaten en de
huid. Hierbij is altijd professionele hulp nodig. Eerste hulp is erop gericht beweging en daardoor verergering van
het letsel te voorkomen.
Verschijnselen

Pijn

Het slachtoffer kan het lichaamsdeel minder of helemaal niet gebruiken

Een abnormale stand

Een verminderde beweeglijkheid

Zwelling of bult
Hulp




Doe zo weinig mogelijk, kijk hoe het kind zich beweegt.
Laat het kind zelf de houding bepalen van het getroffen lichaamsdeel.
Leg bij een ontwrichte schouder of elleboog een smalle of brede das aan.
Waarschuw (als dat nog niet gedaan is) professionele hulp.
5.5.5.2 Smalle das, brede das
Algemeen
Afhankelijk van de grootte van het slachtoffer leg je een brede of smalle das aan.
Uitvoering

Vouw een driekante doek in zessen tot een smalle das of in vieren tot een brede das.

Breng een slip tussen de gewonde arm en de romp door tot op de schouder aan de gewonde zijde.

Breng de ander slip over de schouder aan de gewonde zijde achter de nek om naar de schouder aan de
gezonde zijde.

Knoop de slippen aan elkaar vast onder het oor aan de gezonde zijde met een platte knoop.

Zorg dat pols en middenhand in de das rusten.
5.5.5.2 Mitella
Uitvoering

Ga schuin voor het slachtoffer staan.

Afhankelijk van de grootte van het slachtoffer kun je doek eerst in tweeën vouwen.

Pak de driekante doek vast bij een punt en een slip.

Houd de uitgespreide doek met de punt bij de elleboog van het slachtoffer.

Breng de bovenste slip tussen de romp en de arm tot op de schouder aan de gezonde zijde.

Breng de andere slip voor de gewonde arm over de schouder aan dezelfde zijde om de nek tot op de
schouder aan de gezonde zijde.

Knoop de slippen met een platte knoop aan elkaar, zo dat de knoop onder het oor aan de gezonde
zijde komt te liggen.

De vingertoppen moeten iets buiten de mitella steken.

Vouw de punt bij de elleboog naar voren en zet hem vast met een veiligheidsspeld of kleefpleister.
5.5.6 Oogletsel
Algemeen
Er zijn verschillende oorzaken voor het ontstaan van oogletsel. Het slachtoffer kan zand in zijn ogen krijgen
tijdens het spelen in de zandbak, of vliegjes tijdens het fietsen. Het kind kan ongelukkig vallen en een vinger
van een ander kind in het oog krijgen. Alles wat meer is dan een vuiltje in het oog moet worden beschouwd als
ernstig oogletsel.
Een ernstig oogletsel kan leiden tot verminderd gezichtsvermogen, zelfs tot blindheid. Je moet dus altijd
professionele hulp inschakelen.
Verschijnselen.

Het slachtoffer heeft pijn in een of beide ogen.

Het heeft een rood oog.

Het oog traant en het slachtoffer knippert met het oog en knijpt de oogleden toe.

Soms huilt het slachtoffer en houdt de hand voor het oog.

Het slachtoffer heeft een (tijdelijk) verminderd gezichtsvermogen.
Hulp


Zorg dat het slachtoffer niet in het oog wrijft!
Zoek de oorzaak van het letsel:
o een loszittend vuiltje: verwijder het;
o bijtende stof, verbranding of vreemd voorwerp: neem maatregelen en breng het kind naar
een (oog)arts.
Loszittend vuiltje

Trek met de duim en wijsvinger de oogleden voorzichtig van elkaar.

Als het vuiltje zichtbaar is: verwijder het vuiltje door het met de natte punt van een gaasje of schone
zakdoek in de richting van de dichtstbijzijnde ooghoek te vegen. Veeg nooit over het gekleurde deel
van het oog (hoornvlies)!

Als het vuiltje niet zichtbaar is: probeer het kind dan eerst naar boven te laten kijken en trek het
onderste ooglid naar beneden; laat het kind daarna naar beneden kijken en trek het bovenste ooglid
omhoog.

Verwijder het vuiltje als het op het oogwit in de ooglidplooi zichtbaar is.

Meestal traant het oog al zo erg en knippert het kind zo heftig met het oog, dat het vuiltje zich vanzelf
verwijdert.
Bijtende stof en verbranding

Laat het slachtoffer zo mogelijk gaan liggen.

Houd het oog open.

Laat het minimaal 30 minuten zacht stromend lauw water over het oog lopen.

Breng het slachtoffer zittend naar de (oog)arts.
Zorg ervoor dat het water in de richting van de buitenkant van het oog loopt. Hiermee voorkom je dat de
bijtende vloeistof, vermengd met water, in het 'gezonde' oog terecht komt. Dat kan bijvoorbeeld onder de
douche. Reken erop dat het slachtoffer kan tegenstribbelen.
Vreemd voorwerp

Verwijder het voorwerp niet.

Praat tegen het slachtoffer en zorg dat het niet aan/in het oog kan komen.

Dek het oog zo mogelijk af met een kapje.

Vervoer het kind halfzittend naar de (oog)arts.
5.5.7 Vergiftiging
Algemeen
Ondanks het goed opbergen van schadelijke stoffen en het hebben van veiligheidssluitingen op flessen en
potten, zijn kinderen toch nog vaak in staat om in aanraking te komen met schadelijke stoffen, zoals
bijvoorbeeld: medicijnen, tabak, knoopbatterijen, giftige vruchten en planten, giftige paddenstoelen of giftige
kamerplanten.
Het is niet altijd even makkelijk om te ontdekken dat een kind iets heeft ingenomen. Vergiftigingsverschijnselen
zijn gevarieerd en lang niet altijd direct herkenbaar.
Chemische stoffen kunnen naast vergiftiging bovendien ook brandwonden veroorzaken.
Wat je moet doen hangt af van het soort gif dat een slachtoffer heeft binnengekregen. Hieronder worden een
paar richtlijnen gegeven, maar het is niet altijd even duidelijk of je te maken hebt met bijvoorbeeld een
vloeistof op petroleumbasis of een bijtende vloeistof.
Bij de apotheek kun je informatie krijgen over de diverse soorten stoffen en hoe je daarbij moet handelen. Zorg
dat je die informatie beschikbaar en gelezen hebt. Zorg ervoor dat je de middelen voor hulp beschikbaar hebt
die in de informatie beschreven zijn. (Hang een lijst met giftige stoffen en hoe te handelen op een handige plek,
bv in de keuken).
Verschijnselen

Het slachtoffer heeft huidirritatie rondom de mond of vertoont ongewoon gedrag of is suf.

Meestal zie je het slachtoffer in de nabijheid van de stof.
Hulp





Als het



Inspecteer de mond op resten van de stof.
Ruik aan de mond.
Controleer de verpakking van de giftige stof: mis je wat of lijkt de hoeveelheid verminderd.
Vraag belangstellend, op een normale manier, aan het slachtoffer of het gesnoept heeft of iets
gedronken heeft.
Bel altijd 1-1-2 voor informatie over hoe verder te handelen.
slachtoffer suf is
Laat het nooit drinken of braken.
Schakel zo snel mogelijk professionele hulp in.
Als je naar het ziekenhuis gaat: neem de stof en/of verpakking mee.
Als het slachtoffer niet suf is
Bij bijtende stoffen via het spijsverteringskanaal:

Laat het zo snel mogelijk een half tot een vol glas water drinken en daarna de mond spoelen.

Wek geen braken op.

Schakel professionele hulp in.
Bij petroleumproducten via het spijsverteringskanaal:

Niet laten drinken.

Geen braken opwekken.

Schakel professionele hulp in.
Bij overige stoffen via het spijsverteringskanaal:

Vooral niet laten drinken.

Wek braken op.

Schakel professionele hulp in.
5.5.8 Bijtwond, scheurwond, krabwond
Algemeen
Veel kinderen zijn gek op dieren en doordat zij vaak de gevaren onderschatten, kunnen ze dieren onverwacht
en plotseling benaderen. Al zijn dieren nog zo betrouwbaar en lief, als ze schrikken kunnen ze gaan bijten of
krabben.
Verschijnselen

Pijn

Vaak rafelige en slordig ogende wond

Soms is er een stuk weefsel afgescheurd

De huid om de wond is vaak gekneusd

Bij krabwonden is meestal alleen de huid beschadigd
Hulp




Haal eerst het dier weg! Het kan in paniek zijn en anders reageren dan normaal.
Maak de wond schoon met leidingwater.
Raadpleeg altijd de huisarts in verband met infectiegevaar en eventueel vaccinatie tegen tetanus.
Een grote wond of een wond met afgescheurd weefsel moet altijd op de EH van een ziekenhuis worden
behandeld. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld een afgebeten vinger. Neem het afgescheurde weefsel mee
in een gesloten plastic zak die verpakt is in een andere plastic zak met smeltend ijs.
Let op!
Na een krab of beet van een kat kan na enkele dagen zwelling ontstaan van de lymfeklieren bij de wond of in
de hals, lies of oksel. Ook kan het slachtoffer temperatuurverhoging krijgen en vermoeidheidsklachten
vertonen. Dit wijst op de 'kattenkrabziekte'. Neem contact op met de huisarts.
5.5.9 Snijwond
Algemeen
Kinderen spelen graag met papier, maar kunnen zich hier ook aan snijden. Verder zijn alle scherpe voorwerpen,
zoals messen, scharen, naalden, spijkers enzovoort, een gevaar voor elk kind.
Verschijnselen

Pijn

Een scherpe, diepe, duidelijk begrensde wond

Soms veel bloedverlies

Soms wijkende wondranden
Hulp




Houd de wond onder zacht stromend koud leidingwater. Dit spoelt de wond schoon en je kunt de wond
beter behandelen.
Maak een oppervlakkige, kleine wond schoon met een huidontsmettingsmiddel, dek de wond af met
een wondpleister of een steriel gaas met kleefpleister.
Bij een groter snijwond (meer dan 1 cm) kunnen de wondranden van elkaar wijken en is het bloeden
minder gemakkelijk te stoppen. Gebruik dan zwaluwstaartjes om de wond dicht te drukken:
o Plak een breed uiteinde van de pleister aan een zijde van de wond;
o Trek licht aan de pleister, zodat de wondranden tegen elkaar gedrukt worden;
o Plak de pleister verder vast aan de tegenoverliggende zijde van de wond;
o Dek de wond daarna steriel af.
Wanneer het bloeden niet stopt, raadpleeg dan professionele hulp. Deze kan bepalen of er meer
beschadigd is dan alleen de huid en of de wond gehecht moet worden.
Let op!
Het hechten van een wond moet in het algemeen binnen 6 uur plaats vinden.
6. Overige aandoeningen, ziekten
De 'EH aan kinderen (acute zorg)' omvat naast de levensbedreigende aandoeningen en ongevallen zoals die
behandeld zijn in het hoofdstuk 'Het vijfstappenplan' nog een aantal mogelijke letsels, kleine ongevallen en
plotseling optredende ziekteverschijnselen.
In dit hoofdstuk zijn zij samengevat onder de titel 'Overige aandoeningen en ziekten'. Alhoewel deze overige
aandoeningen en ziekten meestal niet levensbedreigend zullen zijn, zijn zij voor de slachtoffers op het moment
dat zij optreden van groot belang doordat zij zich niet lekker voelen, pijn voelen, angstig zijn enz.
Handel hierbij ook altijd zoveel mogelijk in de geest en volgorde van het vijfstappenplan. Het spreekt echter
voor zich dat b.v. bij een tekenbeet niet allereerst het bewustzijn, de ademhaling en de circulatie in gevaar zijn.
Bij koude of warme letsels of een koortsstuip kan dit echter wel het geval zijn.
Blijf dus altijd alert!
6.1 Koude letsels
Algemeen
Bij koudeletsels kun jij onderscheid maken in:

Lichte onderkoeling

Ernstige onderkoeling

Bevriezing
Er is sprake van onderkoeling als de lichaamstemperatuur zakt beneden de 36,5 °C. Als de
lichaamstemperatuur onder de 35 °C daalt, spreken we van ernstige onderkoeling. Bij bevriezing is het lichaam
niet in staat plaatselijk de lichaamstemperatuur op peil te houden.
Lichte onderkoeling
Verschijnselen

Het kind heeft het koud.

De huid is bleek en soms met blauwe vlekken.

Bij baby's is er soms een blauwe verkleuring rond de mond te zien, baby's kunnen nog niet rillen.

Bij bewustzijn.
Hulp





In een warme beschutte omgeving brengen.
Verwijder zonodig natte kleding.
Langzaam opwarmen met b.v. dekens (ook om het hoofd) of douche maximaal 38 °C.
Lauwwarme drank met veel suiker laten drinken als het slachtoffer het zelf kan drinken.
Regelmatig temperaturen om oververhitting te voorkomen.
Ernstige onderkoeling
Verschijnselen
Hulp






In een warme beschutte omgeving brengen.
Natte kleding verwijderen, als het kan zonder veel te bewegen, zoniet alleen toedekken.
Beschermen tegen verdere afkoeling door:
o In dekens wikkelen, zo mogelijk armen, benen en romp afzonderlijk;
o Het hoofd zorgvuldig in te pakken (zorg dat gezicht vrij blijft).
Warm verder niet actief op.
Beoordeel de vitale functies en stel ze veilig.
Schakel snel professionele hulp in.
Bevriezing
Vingers, tenen, neus en oren zijn kwetsbaar voor bevriezing omdat zij meer dan andere lichaamsdelen aan de
kou zijn blootgesteld.
Er zijn drie graden van bevriezing:
1. Eerstegraads
de huid kleurt bleekgrijs (na ontdooien rood tot violet en wordt dan pijnlijk).
2. Tweedegraads
blaren op de huid, gevuld met helder of bloederig vocht, zeer pijnlijk.
3. Derdegraads
spierwitte en gevoelloze huid.
Hulp:


De getroffen lichaamsdelen opwarmen met bijvoorkeur je eigen lichaamwarmte.
Blaren heel laten en afdekken.
Let op!
Eerstegraads bevriezing kun je zelf behandelen door op te warmen. Bij tweede- en derdegraads bevriezingen
altijd professionele hulp inschakelen. Tijdens het wachten opwarmen.
Voorzichtig met warm water (gevoel van het kind kan door de bevriezing verstoord zijn).
Absoluut niet wrijven over de getroffen huiddelen. Dit kan de huid beschadigen en helpt niet om op te warmen.
6.2 Warmte letsels
Algemeen
Hoe meer een kind zich inspant, hoe warmer het wordt. Een deel van die warmte gebruikt het lichaam om de
temperatuur rond de 37 °C te houden. Overtollige warmte verlaat het lichaam door straling en transpiratie.
Daarbij gaan ook zout en mineralen verloren.
In een warme en vochtige omgeving vermindert die afgifte van warmte. Als het lichaam meer warmte
produceert dan afgeeft, zal de lichaamstemperatuur gaan stijgen en meer gaan transpireren.
Als je heftig transpireert gaat veel vocht (en zout) verloren, uitdroging en mogelijk shock kunnen dan
voorkomen.
Het lichaam van het kind kan oververhit raken. Voorbeelden hiervoor zijn:

Spelen op een zonnige en windvrije plaats.

Zitten in een stilstaande auto in de zon.

Een baby in de draagzak van de vader of moeder die buiten in de zon loopt.
Verschijnselen

Rode, warm aanvoelende huid

Hevig transpireren mogelijk

Temperatuur boven 38 °C

Soms braken

Dorst, weinig plassen en snelle ademhaling

Suf en soms huilen
Hulp:






Onbedekt in de schaduw leggen (op een koelere plaats).
Bij heel erg warm aanvoelen, deppen met lauw water. (absoluut geen ijskoud water)
Regelmatig temperaturen.
Goed laten drinken, liefst water met wat zout.
Zout laten eten, b.v. zoute koekjes of chips.
Ga naar een arts.
Let op



Geef geen drinken bij bewustzijnsstoornissen.
Beoordeel de vitale functies en stel ze veilig.
Geef geen koorstwerendmiddel dit helpt niet bij oververhitting.
NB. Gezouten water:
Glas gekookt en weer afgekoeld water met een afgestreken theelepeltje zout (eventueel wat suiker voor de
smaak).
Alternatief: afgekoelde bouillon of zakjes ORS poeder uit apotheek of drogisterij.
6.3 Electrocutie
Algemeen
Kinderen kunnen een elektrische schok krijgen als ze met een metalen voorwerp in het stopcontact prikken, in
snoeren knippen of bijten of water op elektrische apparaten gooien.
De schade is afhankelijk van de spanning, stroomsterkte en de weg van de stroom door het lichaam. Stroom
die door de hersenen gaat, veroorzaakt bewusteloosheid en soms stilstand van de circulatie en de ademhaling.
Verder kan de stroom brandwonden veroorzaken.
Verschijnselen

Het slachtoffer

Het slachtoffer

Het slachtoffer

Het slachtoffer
kan spierkrampen hebben waardoor het de stroombron niet meer kan loslaten.
kan (tweede- en derdegraads) brandwonden hebben.
is soms bewusteloos met ademstilstand en/of circulatiestilstand.
is moe, wil gaan liggen, raakt versuft en na enige tijd bewusteloos.
Hulp









Zorg dat je zelf niet onder stroom komt te staan!
Beoordeel of je de stroombron kunt uitschakelen:
o Ja: schakel de stroombron uit
o Nee: schakel deskundigen in en doe verder niets
o Eventueel: isoleer jezelf en verbreek daarna het contact tussen het slachtoffer en de
stroombron.
Controleer de vitale functies.
Als het slachtoffer bewusteloos is en normaal ademt: leg het in stabiele zijligging.
Als het slachtoffer niet (normaal) ademt: begin met beademen.
Als de normale ademhaling afwezig blijft: begin met borstcompressie en vervolg met reanimatie.
Koel brandwonden 10 minuten met lauw stromend water of gebruik Burn-shield.
Bewaak het slachtoffer in verband met eventuele shock en circulatiestoornissen.
Waarschuw (als het al niet gedaan is) professionele hulp of laat dat doen.
Je schakelt de stroombron uitdoor:

De stekker uit het stopcontact te trekken.

De groep- of hoofdschakelaar om te zetten.
Je isoleert jezelf door:

Op een droog, niet-metalen voorwerp te gaan staan (plank, deken, jas, rubbermat).

Dikke handschoenen aan te trekken of je handen te omwikkelen met een dikke laag niet-geleidend
materiaal, zoals droog textiel, rubber, papier of leer.

De stroombron te verwijderen (draad, apparaat) of het slachtoffer weg te trekken aan zijn droge
kleding.
6.4 Kleine ongevallen
Kleine ongevallen kunnen zijn:

Bloedneus

Vreemd voorwerp in neus, oor of huid

Insectensteken

Kwallensteken

Tekenbeten

Tandletsel
6.4.1 Bloedneus
Oorzaken:

Stoot tegen neus, neuspeuteren, een verkoudheid of sterke wisselingen van temperatuur.

Neusbloedingen kunnen ook spontaan optreden. Als een kind herhaaldelijk spontaan een bloedneus
krijgt adviseer dan om contact op te nemen met de huisarts.
Verschijnselen

Bloed uit één of beide neusgat(en).

Bloed kan stromen of druppelen.
Hulp:




Laat het kind in de schrijfhouding zitten of houd het kind met het hoofdje iets voorover.
Als het kan het kind 1 x laten snuiten om eventuele stolsels te verwijderen.
Knijp 10 minuten met duim en wijsvinger de neus dicht direct onder het neusbeentje.
Als het bloeden niet stopt neem contact op met huisarts.
Let op!

Leg geen ijs of koude voorwerpen in de nek van het kind. Dit is volstrekt zinloos.

Laat het kind niet aan de neus wrijven.

Zorg dat het kind het bloed niet inslikt, laat het hoofd niet naar achter houden. Het kind kan gaan
braken.

Een neusbloeding bij hoofdletsel niet proberen te stelpen. Roep professionele hulp in.
6.4.2 Vreemd voorwerp in neus, oor of huis
Algemeen

Peuters en kleuters kunnen tijdens het spel van alles in hun neus en oren stoppen. Door te snuiven of
juist door het er weer uit te willen peuteren schuift het voorwerp vaak verder de neus of het oor in.
Tijdens het spelen kunnen splinters of scherpe voorwerpen zoals spelden in de huid dringen.
Vreemd voorwerp in de neus
Hulp:



Laten snuiten, het niet verstopte neusgat hierbij dicht houden. Niet eerst diep laten inademen via de
neus, het voorwerp kan dan nog vaster gaan zitten.
Door wat peper op je vinger onder de neus te houden een niesprikkel opwekken.
Lukt het niet: blijf er verder af en schakel professionele hulp in.
Vreemd voorwerp in het oor
Hulp:


Schakel bij een vreemd voorwerp in het oor altijd professionele hulp in.
Bij een insect in het oor, druppel lauw water in het oor. Als het insect niet naar buiten komt, schakel
professionele hulp in.
Vreemd voorwerp in de huid
Hulp:




Splinter of naald alleen uit de huid halen als er een grijpbare punt uitsteekt.
Altijd zo dicht mogelijk bij de huid met een pincet vastpakken en verwijderen in de lengterichting.
Ontsmet de huid.
Als het verwijderen niet makkelijk gaat schakel professionele hulp in. Doe dat altijd bij een vishaak in
de huid of huid tussen de ritssluiting.
6.4.3 Insectensteken
Algemeen
Ondanks alle mogelijke voorzorgsmaatregelen kan een kind vooral in de zomermaanden gestoken worden door
een mug, wesp, bij of hommel.
Een muggen-, bijen- of wespensteek is zelden gevaarlijk. Jeukende muggenbulten zijn wel erg vervelend voor
kinderen en kunnen ontsteken als ze eraan krabben.
Verschijnselen

Plotseling huilen

Rode bult op de huid met bleke huidranden

Pijn en/of jeuk plaatselijk

Bij een bijeensteek zit de angel soms nog in de bult
Hulp:


Let op



Verwijder de angel met een pincet of strijk hem er met je nagel uit. Zorg ervoor dat je het eventueel
aanwezige gifblaasje niet leeg knijpt.
Leg 10 minuten een koud, nat kompres op de steekplaats of gebruik speciale zalf om de pijn te
verzachten (verkrijgbaar bij drogist of apotheek).
Als het kind in de mond of keel is gestoken moet het onmiddellijk naar een arts of ziekenhuis.
Raadpleeg professionele hulp bij:
o Kind jonger dan 3 jaar en meerdere steken.
o Steken in mond, keel of hals of vlak bij oog.
o Eerdere allergische reactie op een steek ( uitslag, uitgebreide roodheid, flinke zwelling,
benauwdheid).
o Verschijnen van een pijnlijke rode streep (mogelijke ontsteking van een lymfevat).
Vertonen van andere symptomen die op een allergische reactie kunnen wijzen, b.v. stoornis in het
bewustzijn of algehele roodheid.
6.4.4 Kwallensteken
Algemeen

Kwallen kunnen voorkomen in elk natuurlijk zwemwater dat een verbinding met de zee heeft. De kans
erop is het grootst in zeewater, dus op en aan het strand.
Verschijnselen

Plaatselijk geïrriteerde huid. Gepaard met pijn, heftige brandende jeuk, roodheid, zwelling en soms
blaren.

Bij contact met de ogen, brandend pijnlijk gevoel.

Kans op misselijkheid, braken, duizelig en bewustzijnsstoornis.

Soms stoornis in de andere vitale functies.
Hulp:





Gerust stellen.
Afspoelen van de getroffen plek met zeewater ( niet met azijn, ammonia of drinkwater).
Wrijven met b.v. zand of handdoek verergert de pijn en helpt dus niet.
Uitdrogen van de huid verergert de pijn. Houd de huid dus nat.
Als de ogen zijn geraakt roep professionele hulp in. Voorkom wrijven in de ogen.
6.4.5 Tekenbeten
Algemeen
Teken leven van bloed. Ze hangen aan grashalmen en takken en klampen zich aan passerende dieren of
mensen vast. Het duurt even voordat ze zich volledig in de huid hebben vastgebeten. Pas dan spuiten ze hun
speeksel in de bijtwond.
Het speeksel kan bacteriën bevatten die de ziekte van Lyme kunnen veroorzaken.
Verschijnselen

Korstje of teek op de huid in de lies, enkel, hals, knieplooien of achter de oren.
Hulp:






Zo snel mogelijk verwijderen.
Pak met een tekentang of pincet de teek zo dicht mogelijk bij de huid vast.
Trek hem met een draaiende beweging uit de huid.
Ontsmet het wondje met een desinfectans, bij voorkeur alcohol.
Als het niet lukt raadpleeg dan zo snel mogelijk professionele hulp.
Noteer de datum van de tekenbeet en controleer een maand lang dagelijks of er op de plek van de
beet een rode kring ontstaat. Neem dan contact op met je huisarts. Doe dat ook als er na de
tekenbeet vermoeidheid, koorts of verminderde eetlust of pijn aan de gewrichten optreedt.
Let op
Het gebruik van alcohol of benzine vóór het verwijderen van de teek is ongewenst! Teken schrikken als zij met
een vloeistof worden bedruppeld of besmeerd. Als reactie spuiten ze hun speeksel in de wond.
6.4.6 Tandletsel
Algemeen
Kinderen verliezen nogal eens een tand als zij vallen tijdens het rennen, of tijdens het spel. Ook slaan of
vechten kan tandletsel tot gevolg hebben.
Verschijnselen

Een of meer loszittende tanden.

Een of meer uit de mond geslagen tanden.

Tand door de lip.
Hulp:











Laat het kind zitten.
Zoek de losse tand(en).
Neem direct contact op met de (dienstdoende) tandarts.
Pak de uitgeslagen tand(en) vast aan de kroon (nooit aan de wortel) en spoel ze vluchtig schoon met
melk.
Neem de tand(en) in een bekertje met wat melk of speeksel mee (de tand mag niet uitdrogen). De
tand kan soms worden teruggezet (ook melktanden).
Als er veel bloed uit de mond komt, kun je een steriel gaasje tegen de wond duwen en hierop laten
bijten.
Laat een loszittende tand altijd zitten.
Zorg dat het kind niet op een loszittende tand bijt.
Als de tand door de lip gegaan is, is er sprake van een snijwondje in de lip. Dit bloedt meestal flink.
Druk een paar minuten met duim en wijsvinger met een steriel gaasje de wond dicht.
Controleer of de tand nog compleet is en goed in de kaak staat. Kijk of er niet een stukje tand of een
ander vreemd voorwerp in de wond zit.
Bij een wond langer en dieper dan 1 cm, raadpleeg professionele hulp.
Let op!
Laat letsel aan de melktanden altijd door de tandarts nakijken, het kan de vorming van het blijvend gebit
aantasten.
7. Verbandmiddelen, hulpmiddelen
Dit hoofdstuk bevat een overzicht van de verband- en hulpmiddelen die worden aanbevolen voor het verlenen
van eerste hulp aan kinderen.
7.1 Verbandmiddelen
De verbandmiddelen beschreven in dit hoofdstuk zijn:

Wondpleister

Steriel gaas

Kleefpleister

Wondsnelverband

Gemetalliseerd verband

Watten

Zwachtels

Driekante doek
7.1.1 Wondpleister
Wondpleister is een strookje steriel gaas, vastgemaakt op kleefpleister. Het word in allerlei uitvoeringen
gebruikt voor kleine wondjes.
Een speciale wondpleister is het zwaluwstaartje, dit wordt gebruikt om bij een kleine wat diepe wond de
wondranden naar elkaar toe te brengen
7.1.2 Steriel gaas
Steriel gaas is kiemvrij en zodanig verpakt dat het in een donkere en droge omgeving vier a vijf jaar steriel
blijft. Er zijn verschillende maten: 5 x 5 cm en 10 x 10 cm voldoen bij kinderen.
7.1.3 Kleefpleister
Kleefpleister wordt gebruikt om verband op de (droge) huid vast te plakken. Handig is kleefpleister die van de
rol kan worden afgescheurd.
Maten: 1 cm breed en 2,5 cm breed.
7.1.4 Wondsnelverband
Wondsnelverband bestaat uit een steriel, vochtopnemend wondkussen met aan de ene kant een lange en aan
de andere kant een korte elastische hydrofiele zwachtel. De vrije einden zijn voorzien van een stukje
kleefpleister. De meest gebruikte wondsnelverbanden hebben een wondkussen van gemetalliseerd verband van
6 x 8 cm en 8 x 10 cm.
7.1.5 Gemetalliseerd verband
Gemetalliseerd verband is een glad, kiemvrij, sterk vochtopnemend verband, dat bedekt is met geperforeerd
aluminium. De aluminium kant moet op de wond komen, waardoor het niet aan de wond plakt. Dit maakt het
verband heel geschikt voor brandwonden, schaafwonden, open botbreuken met uitstekende boteinden,
enzovoort.
Gemetalliseerd verband is beschikbaar als wondpleister, wondsnelverband en kompressen in verschillende
maten.
7.1.6 Watten
Bij het verlenen van eerste hulp worden voornamelijk synthetische watten gebruikt.
Deze zijn veerkrachtig en daardoor goed te gebruiken om een regelmatig verdeelde druk te krijgen bij
voorbeeld bij een drukverband of wonddrukverband. Zij nemen ook vocht op.
7.1.7 Zwachtels
Een zwachtel is een lange strook textiel met meestal een lengte van 4 meter.
In de eerste hulp worden meestal de elastische hydrofiele zwachtel en de ideaalzwachtel gebruikt. De elastische
hydrofiele zwachtel is gemaakt van los geweven elastisch materiaal. Hij sluit goed aan en plooit niet en ook de
kans op verschuiven is zeer klein.
De ideaalzwachtel is een stevige zwachtel van elastisch materiaal dat alleen in de lengterichting rekbaar is.
Deze zwachtel sluit goed aan, 'lubbert' niet en is bijzonder geschikt voor het aanleggen van het
wonddrukverband.
7.1.8 Driekante doek
Een driekante doek is meestal gemaakt van katoen of vlieseline en heeft een lange zijde van ongeveer 130 cm
en twee korte zijden van ongeveer 90 cm. De doek kan op verschillende manieren worden gebruikt: geheel
uitgevouwen, eenmaal dubbelgevouwen (voor kinderen), in vieren gevouwen (brede das) of in zessen
gevouwen (smalle das, voor kinderen).
Download