een volwassen bijdrage aan kinderrechten in de wereld?

advertisement
Karin Arts
21 Jaar VN-Verdrag voor de Rechten van
het Kind
Een volwassen bijdrage aan kinderrechten in
de wereld?
In november 2010 vierde het VN-Verdrag voor de
Rechten van het Kind (IVRK) zijn 21ste verjaardag.
In vele landen, culturen en juridische systemen wordt
het bereiken van de leeftijd van 21 jaar gezien als het
moment waarop men volledig volwassen wordt. Deze
verjaardag vormde dan ook een passende aanleiding
om stil te staan bij de vraag in hoeverre het IVRK inmiddels een volwassen bijdrage levert aan kinderrechten in de wereld.1
In het omgaan met maatschappelijke en ontwikkelingsvraagstukken in alle landen van de wereld, arm en
rijk, is aandacht voor de positie, problemen, behoeften
en rechten van kinderen2 heel belangrijk. Zij maken
immers een groot deel van de huidige wereldbevolking
uit, vooral in ontwikkelingslanden. Ook vertegenwoordigen zij de toekomst. Helaas zijn er nog talloze
tekortkomingen in de levensomstandigheden van veel
te veel kinderen. Voorbeelden van ernstig misbruik
en uitbuiting van kinderen of van zeer gebrekkige of
ontoegankelijke gezondheidszorg of onderwijs onderstrepen deze constatering.
Universeel kader
Deze bijdrage bespreekt de rol van het IVRK bij het
aanpakken van dit soort problemen en bij het verbeteren van de levensomstandigheden en het ontwikkelingspotentieel van kinderen en jongeren in de wereld.
Het IVRK biedt een belangrijk, geschikt en inderdaad
volwassen kader voor zowel analyseren van problemen
als ontwikkelen van concrete actielijnen en aanduiding
van verantwoordelijkheden en verplichtingen.
Het IVRK is immers het meest geratificeerde
VN-mensenrechtenverdrag in de wereld. Er zijn 193
landen partij bij het Verdrag – dat komt neer op alle
landen in de wereld, behalve Somalië en de Verenigde
Staten. Beide landen hebben het Verdrag wel ondertekend. Somalië heeft dit nog niet kunnen vervolgen
met een ratificatie vanwege het aanhoudende conflict
in het land en het gebrek aan een effectieve regering.
Bij de onderhandelingen over het IVRK in de jaren
’80 van de vorige eeuw bleek Washington op inhou336
delijke gronden moeite te hebben met bepaalde onderdelen van het Verdrag. Voorbeelden zijn art. 5 (over
de rol, rechten en plichten van ouders, en de verhouding ouderlijk gezag en kinderrechten), art. 14 (over
godsdienstvrijheid van kinderen), art. 37 (dat de doodstraf verbiedt voor mensen die een misdrijf pleegden
toen zij nog geen 18 jaar oud waren) en art. 38 ten
aanzien van de leeftijdsgrens voor rekrutering in het
leger. Voor de laatste twee onderwerpen is de positie van de Verenigde Starten nu anders. In verscheidene Amerikaanse staten is de doodstrafpraktijk recent immers vrij drastisch ingeperkt. Sinds 2005 is de
doodstraf voor minderjarigen overal in de Verenigde
Staten verboden. Ook is het land inmiddels wél partij
geworden bij het Facultatieve Protocol over Kinderen
en Gewapend Conflict, dat de IVRK-bepalingen ten
aanzien van rekrutering aanscherpt. Hoewel er al een
tijd een lobby plaatsvindt om de regering-Obama te
overtuigen van de noodzaak van ratificatie, is het nog
niet duidelijk of dat er in de nabije toekomst inderdaad van zal gaan komen.
Ondanks de afwijkende positie van de Verenigde
Staten maakt de nagenoeg universele ratificatie het
IVRK tot een zeer belangrijk kader voor dialoog en
actie met betrekking tot kinderrechten in de wereld.
Daar komt bij dat het Verdrag ontworpen is om in allerlei omstandigheden relevant te zijn. De opstellers
ervan hebben bewust gestreefd naar een tekst die in
uiteenlopende landen, culturen, juridische systemen,
economische, politieke en andere omstandigheden
uitgevoerd kan worden. Dit lijkt goed gelukt, gezien
de grote aanhang die het verdrag inmiddels heeft, zowel onder regeringen als onder niet-gouvernementele
organisaties (NGO’s). Het is vrij bijzonder dat naast
regeringen ook zoveel NGO’s en andere maatschappelijke actoren zich zo uitdrukkelijk achter het Verdrag
geschaard hebben. Velen van hen hebben de uitvoering van het IVRK opgenomen in hun officiële doelstellingen en proberen dagelijks vorm te geven aan een
kinderrechtenbenadering tot hun werk. Dit resulteert
in een zeer dynamische praktijk, waaruit vele lessen
Internationale Spectator Jaargang 65 nr. 6 | Juni 2011
te trekken zijn over de voor- en nadelen van zo’n kinderrechtenbenadering, alsmede over de theoretische
en praktische uitdagingen die zich op dit gebied voordoen.
Kinderrechten in de wereld
Het zou voor de hand liggen deze bijdrage te vervolgen met een inventarisatie van de stand van zaken met
betrekking tot kinderrechten in de wereld. Dit is echter niet zo’n eenvoudige opdracht als het op het eerste
gezicht wellicht lijkt. Om zowel praktische als methodologische redenen is meten en beoordelen van de
mate van naleving van mensenrechten, inclusief kinderrechten, immers een complexe zaak. Een praktisch
probleem is dat er in veel landen nog veel te weinig
relevante statistische gegevens, uitgesplitst naar leeftijd, beschikbaar zijn. Vaak zijn er ook geen nulmetingen gedaan. Dat maakt het moeilijk betrouwbare
uitspraken te doen over de vraag of een bepaalde situatie na verloop van tijd verbeterd of verslechterd is.
Een methodologisch aspect is dat het moeilijk kan
zijn mensenrechten, inclusief kinderrechten, precies
te definiëren en met gebruik van indicatoren te meten. Veel problemen ten aanzien van mensen- en/of
kinderrechten hebben immers meervoudige oorzaken
en zijn lastig toe te schrijven aan de rol van één bepaalde actor. Dit soort complicerende factoren maakt
het soms moeilijk tot gefundeerde objectieve beoordeJaargang 65 nr. 6 | Juni 2011 Internationale Spectator
lingen te komen. Mede daardoor hebben subjectieve
waardeoordelen, vooringenomen ideeën over een bepaalde situatie, casus of standaard, politieke agenda’s,
of eisen van donoren van ontwikkelingshulp nog te
vaak te ruim baan. Specifiek op het terrein van kinderrechten heeft verwarring over de verschillen tussen het
welzijn, de behoeften en de rechten van kinderen ook
in de weg gestaan aan accurate beoordelingen van de
mate van naleving in de praktijk.
Dit alles maakt het moeilijk een eenduidig beeld
te schetsen van de staat waarin de kinderrechten in de
wereld verkeren. Afhankelijk van de gekozen invalshoek en de bronnen zijn er zowel positieve als negatieve ontwikkelingen te melden. Positief is dat, volgens
gecombineerde cijfers van onder andere UNICEF,
de Wereldgezondheidsorganisatie WHO en de
Wereldbank, in de periode 1990-2008 de kindersterfte onder de vijf jaar met 28% omlaag is gegaan.3 Ook
kwam er in 2010 wetenschappelijk bewijs voor de stelling dat UNICEF en andere organisaties een tijd lang
uitgegaan zijn van te hoge kindersterftecijfers. Dat
houdt in dat in 2010 naar schatting 7,7 miljoen kinderen onder de vijf jaar stierven, in plaats van de 8,8
miljoen waar UNICEF tot voor kort van uitging.4 Dit
is natuurlijk nog steeds veel te veel, maar de nieuwe cijfers lijken wel aan te geven dat er wat bereikt is. Ook in
Nederland is in 2010 op bepaalde onderwerpen vooruitgang geboekt, bijvoorbeeld ten aanzien van kortere
337
wachtlijsten in de jeugdzorg, aanstelling van een kinderombudsman en juridische bijstand tijdens politieverhoor van kinderen.5
Tegelijkertijd is overduidelijk dat er nog veel te
doen is. Longontsteking en diarree zijn de belangrijkste doodsoorzaken voor kinderen onder de vijf
jaar, terwijl beide relatief gemakkelijk en goedkoop te
voorkomen zijn.6 De sterfte onder kinderen in subSahara Afrika is 24 keer hoger dan die in geïndustrialiseerde landen.7 Veel aspecten van het verwezenlijken van kinderrechten beginnen met het registreren
van het kind bij de geboorte. Wat de normaalste zaak
van de wereld zou moeten en kunnen zijn, blijkt in de
praktijk een groot probleem: slechts de helft van alle
kinderen onder de vijf jaar in ontwikkelingslanden is
geregistreerd.8
Maar ook in zogenaamde ontwikkelde landen is
werk aan de winkel. Kindermisbruik en de behandeling van Roma-kinderen in Europa zijn slechts twee
van de vele ernstige voorbeelden die er bestaan. De
Nederlandse regering wordt steeds vaker door internationale instanties, maar ook door Nederlandse rechters, op de vingers getikt voor het niet-nakomen van
internationale mensenrechtenverplichtingen, bijvoorbeeld ten aanzien van zogenaamde ‘illegale’ kinderen.
In plaats van de kritiek te aanvaarden en te gebruiken
om Nederlands beleid en wetgeving te verbeteren, reageert Den Haag steeds vijandiger. Zo kondigde het
gaandeweg werkelijkheid worden. Naar mijn mening,
vooral gevoed door onderzoek naar en ervaring met
de werking van het Verdrag in ontwikkelingslanden,
is dat inderdaad het geval. Een sterke kant van het
Verdrag is dat het zeer bewust op een aantal punten
ruimte biedt aan omstandigheden en contexten waarin
het uitgevoerd moet worden. Hoewel sommigen beweren dat het IVRK een ‘westerse uitvinding’ is,10 is
zijn tekst de uitkomst van een onderhandelingsproces
waaraan 19 westerse, 6 Oost-Europese, 15 Aziatische,
9 Afrikaanse en 8 Latijns-Amerikaanse landen, over
het algemeen met veel inzet, hebben deelgenomen.11
Er zijn legio voorbeelden van aanknopingspunten
die het IVRK biedt om rekening te houden met lokale
omstandigheden en wellicht tot op zekere hoogte zelfs
met lokale prioriteiten. Dat begint al bij de, enigszins
open, definitie van het kind. Volgens art. 1 is ieder
mens jonger dan 18 jaar een kind, en valt hij of zij
dus onder het IVRK, tenzij ‘volgens het op het kind
van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt’ . Artikel 3 introduceert ‘de belangen
van het kind’ als eerste leidraad bij alle handelingen
ten aanzien van kinderen. Met opzet wordt de notie
‘belangen van het kind’ nergens in het Verdrag gedefinieerd. Op deze manier is er geen consensus-definitie
nodig én hoopt men af te dwingen dat het begrip in
concrete gevallen in overeenstemming met de lokale
context en omstandigheden wordt ingevuld. Een stij-
Er zijn legio voorbeelden van aanknopingspunten die het IVRK
biedt om rekening te houden met lokale omstandigheden
regeerakkoord van september 2010 aan dat de regering
haar terugkeer- en uitzetbeleid zal intensiveren en dat
gezinnen met kinderen daarbij ‘prioriteit’ zullen krijgen.9 Wellicht is de hoofdreden hiervoor dat kinderen
onder het IVRK relatief snel rechten opbouwen, zoals
inderdaad steeds vaker bevestigd wordt door internationale en nationale rechters.
Ruimte voor diversiteit
Er is dus een gemengd beeld van positieve en negatieve ontwikkelingen, en van grote verschillen in aard
en omvang van de problemen waar kinderen mee te
maken hebben. Ook is er veel variatie in de economische, culturele, juridische, politieke en andere relevante
omstandigheden waarin kinderrechten vorm moeten
krijgen. De vraagt rijst dan hoe het IVRK met deze
verschillen omgaat of er rekening mee houdt. Daarbij
komt ook de vraag op of het Verdrag bijdraagt aan de
‘universalisering’ van kinderrechten, oftewel aan het
proces waardoor kinderrechten overal in de wereld
338
gend aantal landen heeft nationale wetgeving waarin
de ‘belangen van het kind’ wel concreet omschreven
worden, terwijl jurisprudentie op dit terrein groeit.
Ook de persoonlijke kenmerken van kinderen zijn
divers. Het Verdrag probeert daar recht aan te doen
door een aantal keren te verwijzen naar ‘de zich ontwikkelende vermogens van het kind’ en ‘leeftijd en
rijpheid van het kind’.12 Artikel 5 (over de rol van opvoeders) beseft dat kinderen niet overal in een westers
kerngezinsverband leven. Het spreekt dus niet alleen
over de ouders, maar ook over, ‘indien van toepassing,
de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen’. Artikel 20, over alternatieve
zorg voor kinderen die niet in hun gezin kunnen verblijven, erkent dat niet in alle landen of rechtssystemen
een concept als adoptie bestaat. Dus wordt er ook naar
‘kafalah volgens het islamitisch recht’ verwezen.
Een laatste voorbeeld van ruimte voor diversiteit
én voor differentiatie in het IVRK is te vinden in art.
Internationale Spectator Jaargang 65 nr. 6 | Juni 2011
4. Dat zet de verplichtingen van staten tot uitvoering
van het Verdrag op een rij en verwijst daarbij een aantal keren naar te nemen ‘passende’ actie: ‘staten […]
nemen alle passende wettelijke, bestuurlijke en andere
maatregelen om […] dit Verdrag […] te verwezenlijken. Ten aanzien van economische, sociale en culturele rechten [gebeurt dit] in de ruimste mate waarin
de hun ter beschikking staande middelen dit toelaten,
en, indien nodig, in het kader van internationale samenwerking.’ Op deze manier stelt het IVRK de reikwijdte van de verplichtingen tot uitvoering van het
Verdrag dus (mede) vast op basis van de capaciteit en
beschikbare middelen van de betrokken regering. Ook
de beschikbaarheid van eventueel noodzakelijke internationale ondersteuning speelt daarbij een rol. Een serie andere verdragsartikelen neemt eenzelfde positie in
wat betreft uitvoering van specifieke rechten, zoals het
recht op onderwijs, het recht op gezondheidszorg of
de rechten van kinderen met een of meer handicaps.13
Daarbij worden de behoeften van ontwikkelingslanden en de verplichting internationale samenwerking
te bevorderen steeds benadrukt.
In het verleden verbond Nederland consequenties
aan deze aspecten van het IVRK. Dit gebeurde onder
meer door middel van het beleidsmemorandum Beleid
in de Kinderschoenen (1994), dat een aantal implicaties
van het IVRK voor Nederlandse ontwikkelingssamenwerking toelichtte.14 Door de jaren heen is dit soort
inzet voor kinderrechten in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking echter verminderd. In de onlangs
verschenen herziene Mensenrechtenstrategie van de
Nederlandse regering wordt zelfs aangekondigd dat de
bevordering van kinderrechten in de toekomst minder
prioriteit zal krijgen en dat Nederland op dit terrein
vaker aansluiting zal zoeken ‘bij de voortrekkersrol van
partners in de Europese Unie’.15
De hier gepresenteerde inhoud van het IVRK geeft
aan dat het Verdrag uitdrukkelijk probeert ruimte te
bieden aan juridische, politieke, culturele en economische contexten en omstandigheden waarbinnen het
Verdrag in de praktijk vorm moet krijgen. Daar zitten
niet alleen voordelen aan, maar ook risico’s. Een voordeel zou kunnen zijn dat een realistische benadering
die rekening houdt met lokale omstandigheden, meer
kans van slagen heeft en waarschijnlijk resulteert in
een groter draagvlak. Een nadeel zou kunnen zijn dat
het bieden van ruimte voor interpretatie en diversiteit
ook ruimte geeft voor misbruik en het zich onttrekken
aan verplichtingen. In de praktijk lijken de voordelen
van de geschetste aanpak echter sterker te zijn dan de
nadelen.
Het IVRK-Comité speelt overigens een belangrijke rol bij het inperken van de ruimte tot interpretatie van het Verdrag, en stelt dus ook grenzen aan de
ruimte voor diversiteit. Het Comité heeft bijvoorbeeld
Jaargang 65 nr. 6 | Juni 2011 Internationale Spectator
bepaald dat art. 4 (over ‘passende’ uitvoeringsmaatregelen) inhoudt dat regeringen hun ‘best beschikbare
budget’ ter beschikking moeten stellen voor kinderen.
Wat dat precies is, daar kan misschien nog steeds over
getwist worden, maar dat is wellicht onvermijdelijk
en zelfs nuttig. In ieder geval is er zo een meer realistische, meer concrete, maar ook contextuele en dus
werkbare verplichting ontstaan.
Universele Inspiratie voor Actie
Deze aanpak heeft ertoe geleid dat zeer veel regeringen
(en ook andere actoren) zich achter het Verdrag hebben geschaard. Een statistische analyse van het ratificatiegedrag van landen16 laat zien dat Zuid-Amerika,
het Caraïbisch gebied en Afrika consequent hoger
scoren met betrekking tot ratificatie van het IVRK
dan Europa. Azië en de Stille-Zuidzeelanden kwamen langszij in 1995. Het Midden-Oosten en NoordAfrika bleven langere tijd achter, maar zijn nu ook nagenoeg op het niveau van de rest van de wereld. In
de begintijd van het Verdrag hadden veel landen nog
voorbehouden, waarvan sommigen heel ingrijpend
waren. De meeste daarvan zijn inmiddels ingetrokken.
Een andere aanwijzing voor de universele inspiratie
voor actie die het IVRK door de jaren heen is geworden, is het feit dat veel landen nationale wetgeving
hebben aangenomen die de details van het Verdrag
op nationaal niveau verwerkt. Onderzoek dat hiernaar
gedaan is, wijst uit dat ook hier het beeld gemengd
positief en negatief is. In een aantal landen is integrale
kinderwetgeving ingevoerd, zoals in Zuid-Afrika via
de Children’s Act, en heeft het IVRK een zichtbare invloed gehad op nationale jurisprudentie. Elders, ook
in Nederland, bestaat zulke integrale kinderwetgeving
niet, en is de invloed van het IVRK op nationale wetgeving en jurisprudentie nog relatief klein.
Het feit dat ook vele niet-statelijke actoren, natio­
nale en lokale maatschappelijke actoren zich aan het
Verdrag verbonden hebben, en dagelijks actief zijn met
het ontwikkelen en operationaliseren van kinderrechtenbenaderingen tot hun werk en doelstellingen, toont
aan dat het Verdrag in brede kring mondiaal als relevant wordt gezien.
Tevredenheid en verbetering
Deze analyse heeft in kort bestek aangegeven dat het
IVRK inderdaad een bijdrage aan kinderrechten in
de wereld levert, die gerust ‘volwassen’ genoemd mag
worden. Dit omdat het Verdrag een manier heeft gevonden om te gaan met de complexe economische, politieke, culturele en juridische diversiteit waarbinnen
het Verdrag uitgevoerd moet worden.
Deze complimenten voor het IVRK betekenen
geenszins dat het Verdrag perfect is. Op een aantal
punten is verbetering hard nodig. De vele dagelijkse
339
schendingen van kinderrechten in de wereld vormen
daarvan het bewijs. Ten eerste moeten kinderrechten
nog veel beter geïntegreerd worden in regeringsbeleid
en op alle relevante beleidsterreinen aan de orde komen, ook in agenda’s en beleid voor handel of klimaatverandering. Ten tweede is er dringend behoefte aan
meer en kwalitatief betere informatie over de situatie
van kinderen in de wereld en aan meer expertise en
technische capaciteit voor de verwezenlijking van kinderrechten, zowel binnen regeringen als in NGO’s. In
dit verband zijn er zeker ook meer middelen nodig,
inclusief de best beschikbare nationale budgetten, om
de taakstelling van het IVRK volledig uit te voeren.
Daar komt bij dat niet alle kinderrechten adequaat opgenomen zijn in het IVRK. Bepaalde politieke rechten (zoals de vrijheid van vereniging), zaken
rondom seksualiteit, of bepaalde burgerrechten (zoals
het recht op eigendom) behoeven nog veel meer detail.
Gezien de nadruk die het Verdrag legt op participatierechten van kinderen, is het ook opvallend dat er
destijds voor gekozen is geen klachtenprocedure in het
leven te roepen. Gebruik makend van zo’n procedure
zouden kinderen, en/of volwassenen namens kinderen, hun klachten over niet-naleving van het Verdrag
aan het VN-Kinderrechtencomité kunnen voorleggen.
Wel is er een Facultatief Protocol in de maak, dat zo’n
klachtenprocedure zou instellen voor de landen die het
Protocol ratificeren. De onderhandelingen daarover
verlopen op bepaalde punten moeizaam en het is nog
niet duidelijk wanneer het Protocol een feit zal zijn.17
Tot slot is het de realiteit dat het Verdrag onder zeer
diverse omstandigheden uitgevoerd dient te worden.
Het ontwikkelingsniveau van een land is een factor
die de uitvoeringscapaciteit van dat land mede bepaalt.
Het IVRK bepaalt vrij prominent dat de behoeften
van ontwikkelingslanden in dit opzicht speciale aandacht behoeven, en dat internationale samenwerking
een vereiste is voor de mondiale verwezenlijking van
kinderrechten. Het VN-Kinderrechtencomité heeft
zich duidelijk uitgesproken over de verplichting van
landen die in dit verband hulp kunnen bieden, dat ook
werkelijk te doen. Daar moet in de praktijk nog veel
meer van gemaakt worden. In dat verband is het teleurstellend dat de Nederlandse regering onlangs besloot dat het wel wat minder kan met aandacht voor
kinderrechten in het Nederlands mensenrechtenbeleid. Dat zal immers waarschijnlijk ook effect hebben
op het niveau van de Nederlandse bijdragen aan de zo
broodnodige internationale samenwerking op dit terrein.
340
Karin Arts is hoogleraar internationaal recht en ontwikkeling aan het EUR International Institute of Social Studies
te Den Haag.
Noten
1 Deze bijdrage is een ingekorte en geactualiseerde vertaling van mijn oratie Coming of Age in a World of Diversity? An
Assessment of the UN Convention on the Rights of the Child,
International Institute of Social Studies, Erasmus Universiteit
Rotterdam, 18 november 2010. De integrale Engelse tekst is
beschikbaar via: http://www.iss.nl/News/Past-Events/Coming-ofAge-in-a-World-of-Diversity.
2 In navolging van art. 1 IVRK betekent ‘kind’ hier ieder mens
jonger dan 18 jaar oud.
3 UNICEF, ‘Global Child Mortality Continues to Drop’, persbericht 10 september 2009 (www.unicef.org/media/media_51087.
html).
4 J. Knoll Rajarathan e.a., ‘Neonatal, Postneonatal, Childhood,
and Under-5 Mortality for 187 Countries, 1970-2010: A Systematic
Analysis of Progress Towards Millennium Development Goal 4’, in:
The Lancet, juni 2010, blz. 1988-2008.
5 Defence for Children-ECPAT Nederland en UNICEF Nederland,
Jaarbericht Kinderrechten 2010, Leiden/Voorburg, 2010 (www.unicef.nl/media/417979/jaarbericht%20kinderrechten%202010.pdf).
6 UNICEF, a.w. noot 3.
7 UNICEF, Progress for Children: Achieving the MDGs with
Equity, no. 9, New York, september 2010, blz. 7.
8 Ibid. blz. 10.
9 Zie ook K. Arts, ‘Mensenrechten in Nederland: Mag het
een Onsje Meer Zijn?’, in: Prof. Mr. Bert Niemeijer e.a. (red.),
Internationalisering, Veiligheid en Recht, Den Haag: Ministerie
van Veiligheid en Justitie, 2011, blz. 28-34. Het regeerakkoord
van september 2010 bevat maar liefst 11 verwijzingen naar
nieuwe beleidsvoornemens die waarschijnlijk in zullen gaan
tegen bestaande internationale verplichtingen van Nederland,
vooral op het terrein van immigratie. In plaats van het uitvoeren
van die internationale verplichtingen neemt de CDA-VVD-coalitie
zich voor om deze te heronderhandelen. Waar dat geen resultaat
heeft, wordt opzegging van verdragen overwogen.
10 Zie bijv. A.K. Bentley, ‘Can There Be Any Universal Children’s
Rights?’, 9 International Journal of Human Rights no. 1, blz. 107123; K. Valentin & L. Meindert, ‘The Adult North and the Young
South: Reflections on the Civilizing Mission of Children’s Rights, 25
Anthropology Today no. 3, blz. 23-28; en V. Pupavac, ‘Misanthropy
Without Borders: The International Children’s Rights Regime’, 25
Disasters no. 2, blz. 95-112.
11 D. Johnson, ‘Cultural and Regional Pluralism in the Drafting
of the UN Convention on the Rights of the Child’, in: M. Freeman
& P. Veerman (red.), The Ideologies of Children’s Rights, Dordrecht:
Martinus Nijhoff, 1992, blz. 95-114, in het bijzonder blz. 96.
12 IVRK. artt. 5 en 12(1).
13 Respectievelijk IVRK art. 28, 24 en 23.
14 Voorlichtingsdienst Ontwikkelingssamenwerking,
Beleid in de Kinderschoenen: Beleidsnotitie over Kinderen in
Ontwikkelingslanden, Den Haag: Ministerie van Buitenlandse
Zaken, 1994.
15 Verantwoordelijkheid Voor Vrijheid: Mensenrechten in het
Buitenlands Beleid, 5 april 2011 (www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2011/04/05/notitie-verantwoordelijk-voor-vrijheid.html, blz. 6).
16 Arts, a.w. noot 1.
17 Zie voor meer informatie: www.crin.org/petitions/petition.
asp?petid=1007.
Internationale Spectator Jaargang 65 nr. 6 | Juni 2011
Download