Mijn sterrenwacht - Waarnemen.com Norbert Schmidt

advertisement
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
MIJN
STERRENWACHT
SPEURTOCHTEN LANGS HET FIRMAMENT
DOOR
P. G. MEESTERS
Met een inleiding van Dr J. HOUTGAST
Wnd. Directeur van de Sterrenwacht der
Rijks-Universiteit te Utrecht
SCHELTENS & GILTAY - AMSTERDAM
INLEIDING
Als een der vooraanstaande amateur-astronomen in Nederland
heeft Meesters meermalen van zich doen spreken. Met zijn Sterrenwacht te Halfweg vertegenwoordigt hij een begrip, waarvan de
beteekenis moeilijk onder woorden is te brengen. Men zal zich
misschien verwonderd afvragen hoe het mogelijk is, dat deze
amateur, ook al is hij de bezitter van een eigen sterrenwachtje,
iets te beteekenen kan hebben in de sterrenkunde. Heeft hij opzienbarende ontdekkingen gedaan of waren de door hem geteekende
sterrenkaarten zoo belangrijk?
Volgens mijn meening mogen de resultaten van zijn waarnemingen en de ervaringen, verkregen met het bouwen van zijn
kijkers, aan Meesters een zekere autoriteit hebben verschaft, zijn
1 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
beteekenis is toch meer indirect: hij is een bemoedigend voorbeeld
voor allen, die, gedreven door hun aard, buiten hun dagelijkschen
arbeid om, den sterrenhemel door een zelfgebouwden kijker willen
aanschouwen.
Ik leerde Meesters pas persoonlijk kennen, toen hij zijn speciale
sterrenkaarten, die op de Utrechtsche Sterrenwacht worden bewaard, kwam uitzoeken om enkele ervan in dit boek te laten
reproduceeren. Hij was toen met het schrijven vrijwel gereed en
slaakte de verzuchting: "Het heeft me veel moeite gekost, want
ik hanteer nu eenmaal beter de spade dan de pen".
Wanneer Meesters desondanks naar de pen greep, beteekende
dit, dat hij ons iets te zeggen had en de lezer, op zijn beurt, mag
iets unieks verwachten. Hij wordt hierin niet teleurgesteld, want
van de gevoelens, die den auteur noopten tot het beschouwen van
den sterrenhemel en van zijn belevenissen bij zijn astronomische
werk, vertelt hij ons op een geheel eigen wijze. Treffende tafereelen
trekken aan ons voorbij. Inderdaad, nog nooit beleefden wij het
enthousiasme, de moeiten en de vreugde van een amateurastronoom van zoo nabij.
Maar niet alleen heeft Meesters zijn eigen sterrenkijkers gebouwd en gebruikt. Door zelfstudie heeft hij zich met de problemen van de sterrenwereld vertrouwd gemaakt en ook daarvan
vertelt hij ons. Het was wellicht in een boek als dit niet noodig
geweest om zoo uitvoerig over de zuiver-astronomische onderwerpen uit te weiden. De auteur zou dan zeer zeker minder moeite
hebben gehad met de samenstelling van zijn geschrift, want het
is voor den amateur niet mogelijk om de moderne astronomie
in haar geheel te overzien. Maar ook hier bepaalt Meesters' voorliefde voor technische hulpmiddelen de keuze van zijn onderwerpen,
zoodat de persoonlijke sfeer gehandhaafd blijft.
Het is jammer, en dit wordt door den auteur wel het meest
betreurd, dat de door hem verkregen resultaten van vele, binnen
het bereik van den amateur liggende, astronomische waarnemingen
niet meegedeeld konden worden, omdat ze bij den rampzaligen
brand in zijn zoo moeizaam verwezenlijkte sterrenwacht verloren
gingen.
Als beroeps-astronoom heb ik hiermede de rijk geschakeerde
vrucht van Meesters' ingespannen arbeid bij den lezer ingeleid.
Hoewel men daar bij hem niet aan behoeft te twijfelen, kan ik
ten overvloede mededeelen, dat het astronomische gedeelte vrijwel
in alle opzichten verantwoord is. De beperking geldt slechts voor
de beschijving van het beroepsleven van een astronoom. Want als
dit zoo was, als Meesters het ons schildert, zou ik zoo spoedig
mogelijk van beroep veranderen. In het raam van dit geschrift
is de beschijving echter wel geslaagd.
Ik twijfel er niet aan, dat velen met mij dit boek zullen waardeeren.
2 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Utrecht, December 1943.
J. HOUTGAST.
EERSTE HOOFDSTUK
Ook nu nog is het niet gewoon, dat een jongmensch van
15-16 jaar zich bezighoudt met sterrenkunde, en zeker niet,
wanneer men dit doet als arbeiderskind. Doch een kleine 40 jaar
geleden was dit nog heel iets anders! Toen was het zóó, dat
men óf voor een wonder aangezien werd, óf men werd voor
krankzinnig versleten.
In ieder geval stond men in dien tijd te boek als een zeer
buitenissig mensch, wanneer men zich om de hemellichamen en
hun geheimen bekommerde. Zeer dikwijls wordt mij ook nu nog
gevraagd, hoe het toch komt, dat ik mij juist met deze materie heb
beziggehouden. Hierop zou ik geen ander antwoord weten, dan dat
er een drang in mij was, om zoo veel mogelijk van alles te weten
te komen. Ik interesseerde mij voor allerlei dingen, waarover ik
maar lectuur te pakken kon krijgen. Zoo kwam het, dat door mij
over allerlei onderwerpen gelezen en gedacht werd, zoowel over
den bijbel als over het anarchisme, over geologie en aardrijkskunde,
over vegetarisme, geneeskunde, diepzee-onderzoek, en ten slotte
over sterrenkunde. Waren het de ontzagwekkende afstanden, het
mechaniek van ons zonnestelsel, die mij fascineerde? Ik weet het
niet, doch een feit is het, dat vanaf dien tijd mijn belangstelling
bijna uitsluitend uitging naar de schijnbaar zoo geheimzinnig
bewegende hemellichamen.
Idealen en nog eens idealen, een drang tot het vergaren van
wijsheid. En dat alles met vijftig cent zakgeld per week!
En toch, is dit in het leven van den mensch geen mooie tijd,
wanneer men in alles en een ieder vertrouwen heeft en het meest
in zichzelf?
Ik las in mijn jonge jaren alles wat ik te pakken kon krijgen;
het duizelt mij nog als ik er aan denk! Doch in jeugdigen overmoed gelooft men nu eenmaal alles te kunnen leeren en begrijpen!
Meer houvast kreeg ik echter pas, toen ik bij toeval in het bezit
kwam van het aan velen thans waarschijnlijk niet meer bekende
werk "De Natuurkrachten" van Dr. Wilhelm Meyer. Dit boek,
dat op populaire wijze het geheele gebied der natuurkunde bestrijkt, was voor mij een openbaring. Overdag had ik mijn werk
als grondarbeider, van 's morgens vijf tot 's avonds zes, waarbij
dan nog een uur loopen kwam, alvorens ik op het werk was;
niettemin zat ik avond aan avond over mijn "Natuurkrachten"
gebogen. Wanneer ik eens een enkele keer met mijn kameraden
3 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
sprak over het mooie van het natuurgebeuren in het algemeen en
b. v. de uiterst teere ijskristallen trachtte te beschrijven en verklaren of hun iets van microscopische preparaten vertelde, of
sprak over andere werelden, dan die, waarop wij leven, dan werd
er gewoonlijk een loopje met me genomen; de meesten van hen
dachten dat ik niet goed wijs was. Ook later heb ik dit nog
dikwijls ondervonden; soms werd het mij openlijk, vaak ook in
bedekte termen gezegd.
Gelukkig voor mijn medemenschen, en natuurlijk ook wel voor
mijzelf, is hierin veel ten goede veranderd. Toch gebeurt het nog
wel, dat men mij, wanneer ik op een vreemde karwei kom - want
ik ben nog altijd arbeider - met een scheel oog aankijkt en er
gefluisterd wordt: "dat is die vent, die in sterren doet", alsof
de hemellichamen manufacturen zijn!
Gewoonlijk tracht men dan een gesprek aan te knoopen over
sterrenkunde, met de kennelijke bedoeling mij er eens goed
tusschen te nemen, doch zooals vroeger anderen met mij een
loopje namen, zoodra ik daarover begon, zoo doe ik het tegenwoordig meestal met hen, met het gevolg, dat men al gauw het heele
onderwerp vergeten is; en daar is het mij dan ook om te doen.
Tref ik iemand aan, die voor dit onderwerp meer dan gewone
belangstelling heeft, dan merk ik dit gauw genoeg en ga ik er
ook altijd gaarne op in.
Al spoedig nadat ik het boek "natuurkrachten" in handen had
gekregen, trokken de gedeelten, welke over de planeten, telescopen
en het licht handelden, mij het meest aan. Daar kwam nog bij, dat
ik op een avond, in gezelschap van enkele vrienden, onverwachts
getuige was van een maansverduistering. Niemand van hen begreep
eigenlijk goed, hoe dat in zijn werk ging, maar dank zij "De Natuurkrachten", kon ik voor leeraar spelen. Zij keken mij eerst wel een
beetje vreemd aan, maar toch ben ik ervan overtuigd, dat zij blij
waren eindelijk iets van dit "wonder" begrepen te hebben.
Zoo langzamerhand begon het mij hoe langer hoe duidelijker te
worden, dat de sterrenkunde wel iets zou zijn om mij verder in
te verdiepen. Toen ik dan ook in een boekwinkel een werk zag
liggen over "de wonderen des hemels" van Flammarion, had ik
rust noch duur vóór ik het kon koopen, hetgeen vanzelfsprekend
met zich meebracht, dat ik ettelijke weken zeer zuinig met mijn
zakgeld moest zijn.
Hoeveel nachtelijke uren heb ik niet over dit boek gebogen
gezeten om van de uiteenzettingen van den schrijver iets te
begrijpen over dat zoo wondere samenstel van zon en planeten
met hun manen! Met hoeveel bewondering heb ik het verhaal
der ontdekking van "Neptunus" door Adams en Leverier gelezen!
En hoe verheugd was ik, toen ik aan de hand van "De wonderen
des hemels" verschillende dingen en bewegingen ontdekte, die ons,
arbeidersjongens, totaal onbekend waren en die, als men ze een4 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
maal gezien heeft, toch o zoo gemakkelijk te volgen zijn. Voor
allen, die onbekend zijn met deze materie, is b. v. elke heldere ster,
die 's avonds aan den hemel staat, de "avondster", waarmede zij
onbewust steeds de planeet Venus bedoelen. Het doet er voor hen
weinig toe, of die avondster in het Noord-Westen of in het
Zenith staat, voor hen is de eerst zichtbare ster vanzelf "de
avondster".
***
Het was een mooie tijd! Vol enthousiasme ging ik aan het
werk om den hemel te veroveren. Hoeveel moeite en teleurstellingen
zou ik echter op dit gebied nog ontmoeten! Wanneer ik dat toen
in de sterren had kunnen lezen, - men dacht bijna altijd, dat ik
zulks deed - dan zou ik er misschien dadelijk mee opgehouden zijn. En toch, wanneer ik nu achter mij kijk, moet ik
toegeven, dat deze studie mij over veel dingen heen geholpen
heeft, die anders zwaar, zeer zwaar te dragen zouden zijn geweest.
Neen, werkelijk spijt heb ik er nog nooit van gehad, dat het
levenslot mij ertoe voorbestemd heeft om juist dááraan al mijn
arbeid en tijd te besteden, en er zelfs het kleine beetje geld in te
beleggen, dat mij overbleef, buiten de zorg voor het dagelijksch
brood. En die zorg was gewoonlijk al zwaar genoeg! Want deze
"liefhebberij" kost vrij veel geld en wanneer men van een sober
weekloontje moet rondkomen, kan er meestal niet veel af voor
andere dingen.
Dit was ongeveer de tijd, dat men mij in mijn omgeving
spottend "den sterrenkijker" begon te noemen en dit zou zoo
blijven tot op den huidigen dag! Hoevele malen is mij in den loop
der jaren al niet gevraagd, hoe ik er eigenlijk toe gekomen was
om "sterrenkijker" te worden en of men zooiets worden kon als
men maar wilde. Ik antwoordde dan steeds, dat dit natuurlijk mogelijk was, doch dat het gewoonlijk zóó is, dat men eerst door iets
bepaalds, iets dat men leest of waardoor men op andere wijze
getroffen wordt, in een bepaalde richting gestuurd wordt. Natuurlijk niet door een van den hak op den tak springende liefhebberij
voor alles en nog wat, doch juist door die liefhebberij, of hoe
men het noemen wil, waarbij men zijn geheele leven blijft. Zoo
zijn er op velerlei gebied tal van menschen, die hun bevrediging
vinden in "iets zelf zoeken" en daarin juist kracht vinden tot
het volbrengen van hun, doorgaans vervelend, dagelijksch werk.
Hoevele malen heb ik b. v., onder mijn dagelijkschen arbeid,
den omlooptijd van Mercurius, van Venus en de andere planeten
tot aan Neptunus, en de afstanden der verschillende planeten tot
de zon gerepeteerd. Het duurde op deze manier slechts enkele
maanden,toen kende ik al die getallen reeds op mijn duimpje.
Maar om mijn doel te bereiken, heb ik nog heel wat meer moeten
5 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
leeren. Zag ik in dien tijd niet met groote verwondering op naar
de reusachtige instrumenten, die men toen hier en daar in populair
geschreven boeken vond? Was het niet ontzagwekkend, met welk
een technische kennis die instrumenten gebouwd werden? En dan
zou een doodgewone amateur zich verstouten óók iets op dit
gebied te willen presteeren? Met welk een verbazing zag ik voor
de eerste maal een sterrenkoepel! Neen, dacht ik, daar hoef
je nooit aan te beginnen, dat is niets voor jou! De meeste instrumenten, die op een sterrenwacht gebruikt worden, zijn van een
uiterste precisie en bij hun vervaardiging wordt een werkmethode
gevolgd, die voor een amateur bijna niet mogelijk is. Maar toch
is het instrument, waaraan iedere amateur zoo'n groote behoefte
heeft, door goed onderlegde amateurs wel te bouwen. Natuurlijk
bedoel ik hier niet het "kijkertje", waarover men de laatste jaren
nogal eens hoort en dat men met een hamer, een knijptang en een
pot plaksel plaagt te maken! Nee, hier wordt een min of meer
groote kijker bedoeld, die voor al het serieuse werk op dat gebied
te gebruiken is. (foto 1). Er zijn er niet zoo heel velen, die iets
behoorlijks kunnen bouwen, doch er zijn er wel, die een instrument bouwden, dat zelfs niet te onderscheiden is van dezelfde soort
kijkers, vervaardigd door firma's met een wereldreputatie.
Vanzelfsprekend is het, dat ook ik al dadelijk begon te verlangen, zelf een kijker te bezitten, hoe bescheiden die uit den
aard der zaak ook zou dienen te zijn. Doch een allereerste
vereischte was om wegwijs te worden in den sterrenhemel, want
al meermalen had ik hooren zeggen, dat het voor een "gewoon"
mensch niet goed mogelijk is om in die wirwar van sterren den
weg te vinden. Toch zou mij dat, na verloop van enkele maanden,
erg meevallen.
In den loop van mijn sterrenkundige "studie", was ik al zoover
gevorderd, dat ik mij een goede voorstelling kon maken van
meridianen, declinatie, azimuth en aequator. Bovendien was ik al
min of meer vertrouwd geraakt met het vlak der ecliptica, de
praecessie enz. enz. Doch om dit alles practisch te kunnen toepassen, thuis te kunnen brengen aan den hemel zelf, daarmee
moest ik feitelijk nog beginnen. Mijn trouwe leidsman, die mij
reeds eenig inzicht in den bouw van het zonnestelsel had gegeven,
was het boek "De wonderen des hemels". "Het rijk der sterren",
eveneens door Flammarion, zou nu verder mijn gids langs den
hemel worden.
Vanzelfsprekend, zou ik haast zeggen, kostte ook dit mij weer
menige weken zakgeld, maar ja, voor de goede zaak moet men
iets over hebben. En dat ik er wat voor over had en nog heb,
zal men nu wel begrijpen!
Zoo kon ik op een goeden dag beginnen te trachten de sterrenbeelden te leeren kennen. Reeds jaren daarvoor had ik de menschen weleens hooren spreken over "De Wagen", "De Groote-"
6 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
en "De Kleine Beer", maar dat was dan ook alles. En evenals
de meeste menschen, wist ik op geen stukken na, aan welk deel
van den hemel die sterrenbeelden te vinden waren. Doch mijn
enthousiasme was groot en zou wel een weg weten te vinden
om die moeilijkheden te overwinnen.
Kan men het schuurtje, waarin ik toen mijn krachten beproefde
om den weg te leeren vinden tusschen de sterrenbeelden, als mijn
eerste sterrenwachtje beschouwen? Dat is wel wat sterk uitgedrukt, en toch, voor mijn gevoel, is dit eigenlijk de tijd geweest,
dat ik mij vertrouwd begon te voelen met alles, wat daarboven
te zien is. Daarvóór was het meest lezen en nog eens lezen geweest; thans kwam de eigenlijke periode van "zelf zien". Waaruit
bestond nu dat observeeren en zoeken der sterrenbeelden? Mijn
ouders hadden, zooals op het platteland overal het geval is, bij
hun woning een klein schuurtje van ongeveer 2½ bij 3 meter.
Hierin werd tuingereedschap, winterbrandstof enz. bewaard, en
hoewel het voor al dien rommel feitelijk te klein was, moest ik
daar ook nog een plaatsje in vinden om mijn sterrenkundige
aspiraties uit te kunnen leven. En toch... het lukte!
Van eenige plankjes maakte ik een tafeltje en bevestigde dit
met scharnieren aan den wand, zoodat het overdag naar beneden
geklapt kon worden, wanneer men voor allerlei bezigheden in
en uit moest loopen, waarbij het dan te veel plaats innam. 's Avonds
klapte ik het weer omhoog, zette er een stok onder, en klaar was ik.
Er was echter ook nog verlichting noodig, anders kon ik de
sterrenconstellaties uit het boek niet vergelijken met die aan den
hemel. Een klein petroleum-nachtlampje van het primitieve model,
dat toen in gebruik was, bracht uitkomst.
Nu ging dit observeeren als volgt in zijn werk. Het licht van
het lampje werd zóó laag gedraaid dat de kleine kaartjes in het
boek nog juist te zien waren; nu was het zaak, zich de figuren
scherp in het geheugen te prenten, om die dan aan den hemel op
te zoeken. Dat zich daarbij menigmaal het minder prettige geval
voordeed, dat het lampje uitwaaide, zoodra men door de deur
naar buiten liep, moest men maar op den koop toe nemen. En
toch viel het observeeren op deze wijze erg mee. In ongeveer
drie à vier weken was ik zóó ver gevorderd, dat ik zonder moeite
de meeste groote sterrenbeelden aan het nachtelijke uitspansel
vinden kon. Een aardige ervaring was het ook, nu eens te zien,
hoe met het vorderen van den winter andere sterrenbeelden en
groepen in het Oosten opkwamen, terwijl in het Westen mij reeds
bekende beelden verdwenen. Theoretisch was ik, dank zij "De
wonderen des hemels" al aardig op de hoogte, maar dat alles zelf
zien, is toch nog iets anders! Nu begreep ik ook, waarom de
menschen in de oudheid den hemel bevolkt dachten met allerlei
levende wezens, zoowel menschen als dieren, waaruit later de
namen der sterrenbeelden ontstaan zijn. Bij menig sterrenbeeld
7 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
is de schikking der sterren zoo gelijkend op het beeld dat zij
voorstellen, dat het zeer begrijpelijk is, dat bepaalde groepen die
namen gekregen hebben. Voor de vuist weg noem ik er hier eenige:
"Orion", "De Tweelingen", "De Stier", "De Zwaan". Als men
op die manier den sterrenhemel leert kennen, heeft men ook de
voldoening dat men allengs meer bizonderheden ziet dan bij een
oppervlakkige beschouwing mogelijk is. Natuurlijk had ik de hoofdstukken over dubbelsterren, veranderlijke sterren, nevelvlekken,
sterrenhoopen, kometen en vallende sterren in theorie reeds op
mijn eigen manier doorgewerkt. Maar dit alles zelf vinden en zien,
is toch eigenlijk pas je ware!
Echter deed ik in deze waarnemingsperiode óók eenige onaangename ervaringen op. Niet alleen, dat deze liefhebberij altijd
nachtwerk moest zijn, maar het was ook dikwijls bitter koud,
vooral 's morgens, tegen den tijd, dat de zon opkomt. Dit waken
in koude nachten vooral, ontlokte aan mijn kennissen de ontboezeming, dat ik toch beslist gek moest zijn, want wie gaat
er nu een heele nacht, soms zelfs bij vriezend weer, naar de sterren
staan kijken! En als hij er nou maar iets mee verdiende, oordeelden
ze, maar het kost hem bovendien nog geld ook, als het tenminste
waar is, wat hij zegt! Zoo was indertijd de mentaliteit van de
menschen en zoo is deze soms ook nu nog wel.
Maar laat ik niet van mijn onderwerp afdwalen. Zooals ik boven
reeds zeide, beschouwde ik deze periode feitelijk als het begin
van mijn amateurschap. Menige bizonderheid van den sterrenhemel heb ik mij toen eigen gemaakt. De dubbelsterren Mizar en
Alcor, en 'thèta 1' en 'thèta 2' in de Stier en zoowaar 'epsilon' in de Lier, en
nog menige andere, kon ik, gemakkelijk of moeilijk, doch zeker
dubbel zien. (kaart 1). De Pleiaden als sterrenhoop: welk een mooi
object is dit om eens te probeeren hoeveel sterren men er in tellen
kan; in latere jaren zou blijken, dat ik het, met een bepaalde
methode van waarneming, tot 14 stuks bracht, terwijl er voor
de meeste menschen normaal toch maar 6 te zien zijn. De groote
nevelvlek in Andromeda, van den dubbelen sterrenhoop in Perseus
en in de Kreeft, kon ik in het voorjaar, volgende op den winter,
waarin ik met het observeeren begon, spelenderwijs vinden. Nu
heeft het buiten de stad wonen dit voor, dat men, als het
's avonds helder weer is, veel meer ziet dan in de stad en geen
last heeft van overmatige verlichting. Daar komt nog bij, dat men
bij helder weer, als het ware automatisch, den blik naar boven richt
en ook dan de verschillende sterrengroepen observeert, al is het
maar terloops. Welk resultaat dit zoo terloops nagaan der sterrenbeelden kan opleveren, zal later nog eenige malen blijken. Bij de
bizonderheden, die alle met het bloote oog - dus zonder kijker meer of minder goed te zien zijn, mag ik een bepaalde soort
sterren zeker niet vergeten en wel de veranderlijke sterren.
Dit zijn sterren, die meestal tamelijk regelmatig van helderheid
8 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
wisselen. Twee mooie voorbeelden daarvan zijn "Algol", een ster
in "Perseus" en"o Ceti" of "Mira", "De Wonderlijke". De eerste
is op bepaalde tijden veel lichtzwakker dan gewoon, doch blijft
altijd voor het bloote oog nog te zien. De tweede is meermalen
een heldere ster, die bij haar grootste helderheid goed in het oog
valt, terwijl ze in haar kleinste helderheid voor het bloote oog
geheel onzichtbaar is. Dit soort sterren zou al, van het begin af,
mijn meer dan gewone belangstelling blijven trekken.
Op de boven aangegeven manier kon ik dus al heel gauw menige
bizonderheid aan den hemel vinden. Het is echter bekend, dat in
het genoemde boek "Het rijk der sterren" bij elk sterrenbeeld,
naast een historische beschrijving, ook veel bizonderheden gegeven
worden, die met het bloote oog niet te zien zijn. Trouwens, het
boek is bedoeld als leidraad te dienen voor bezitters van
kleine en middelmatige kijkers, hetgeen ook blijkt uit een opgave,
achterin, van kijkers, geschikt voor amateurs. Het lag dus voor
de hand, dat reeds van het begin af, mijn verlangen uitging naar
een kijker, hoe klein die ook slechts zijn mocht. Intusschen had ik
mij op mijn manier beholpen om door middel van een "kijker"
naar de sterren te zien en wel op de volgende manier. Op de
onderneming, waar ik toen als grondarbeider werkte, had ik een
mooi stuk gegalvaniseerde waterleidingsbuis gevonden, dat ik van
mijn baas mocht houden. Na eenig geknutsel had ik die buis
zoodanig gemonteerd, dat zij zoowel heen en weer - "horizontale
beweging" - als op en neer - "verticale beweging" - kon
draaien, waardoor ik mijn "azimuthaal" gemonteerde kijker gemaakt had. Deze azimuthale beweging voor een kijker zal men
later nog wel meer tegenkomen. Doch lenzen zaten er niet in
die buis! Mijn observaties bestonden daarin, dat ik probeerde door
mijn buis de sterren waar te nemen, die ik in dat kleine stukje
hemel te zien kon krijgen. Dit viel in het begin niet mee, doch,
na geruimen tijd geëxperimenteerd te hebben, kon ik zonder moeite
de sterren door mijn kijker beschouwen. Onnoodig te zeggen, dat
ik met dezen kijker geen bizonderheden kon zien, doch ik had
althans de voldoening, nu door een kijker aan het werk te zijn.
Mijn ideaal bleef echter een echten kijker met lenzen te bezitten. Eindelijk dacht ik mijn wensch te kunnen verwezenlijken. Doch
hoe zou ik bedrogen uitkomen!
Ik had de gewoonte om op de markten in Amsterdam en Haarlem
te zoeken naar dingen, die voor mij van belang konden zijn. Zoo
had ik een paar boeken gevonden o. a. Kaiser's "Sterrenhemel",
dien goeden ouden vriend, met een daarbij behoorende draaibare
sterrenkaart. Ik zal later nog gelegenheid hebben op deze kaart
terug te komen.
Op een dag, rondneuzende op een dezer markten, vond ik een
mooie, groote lens, van wel tien centimeter middellijn, aan den
éénen kant mooi plat, aan de andere zijde mooi rond geslepen en in
9 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
het midden zeker wel 3 à 4 c. M. dik. Ik kocht het ding en was
er wekenlang mee aan het experimenteeren, doch zonder succes.
Onnoodig te zeggen, dat een kijker bouwen met behulp van een
halve condensorlens - want dàt was het stuk glas - niet gaat,
maar ja, toen wist ik dat nog niet, en met struikelen leert men
loopen!
Intusschen was ik voortdurend blijven observeeren met mijn
"sterrenkijker" zonder lenzen en toch ontdekte ik daar op mijn
manier allerlei bizonderheden mee. Deze manier van sterren zien
heeft voor mij toch zijn nut gehad, want toen ik later in het bezit
kwam van een echten sterrenkijker, was het vrij eenvoudig om verschillende objecten, zonder of slechts met weinig moeite, zóó te
"bemikken", dat ik ze voor den kijker kon krijgen en zoodoende
het geld, benoodigd voor een zoeker op dezen beteren kijker, voor
het koopen van boeken kon gebruiken. Dat ik later toch tot aankoop van een zoeker zou overgaan, lag in den aard der zaak
opgesloten; je bent nu eenmaal geen goede amateur, als je er
niet steeds op uit bent, je instrumentarium te verbeteren en uit
te bouwen!
Het bezitten van een goeden, zij het dan ook kleinen kijker,
werd een obsessie voor mij, maar hoeveel moeite ik ook deed het
geld ervoor bijeen te krijgen, het lukte mij niet.
Er zat niets anders op dan te blijven sparen, net zoo lang totdat
ik in staat zou zijn, een goede objectief-lens en een oculair te
koopen, om daarmede zelf mijn kijker te bouwen. Eindelijk was
het toch zoo ver, dat ik mijn eerste goede objectief en één oculair
bij een firma in Utrecht kon bestellen. Wat duurde mij den tijd
lang, vóór het zoo ver was, dat ik het objectief in mijn bezit
had! Een objectief der firma Reinfelder & Hertel in München.
Deze firma, die zulke uitermate scherp teekenende objectieven
leverde, bestaat helaas niet meer. Nu was het zaak om met dit
objectief een volwaardigen kijker te bouwen. Een onverwachte
omstandigheid kwam echter de boel voorloopig bederven. Ik was
namelijk intusschen opgeroepen voor de loting voor den militairen
dienst en trok een zoogenaamd twijfelnummer. De onzekerheid,
of ik dienen moest of niet, bleef bestaan tot in 1908, toen ik
plotseling bericht kreeg, dat ik op moest komen, juist eenigen
tijd, nadat ik mijn objectief en oculair ontvangen had.
In den tijd, dat ik mijn plicht ten opzichte van het vaderland
vervulde, bleek mij echter maar al te duidelijk, dat het zelf
bouwen van een kijker niet zoo gemakkelijk zou zijn. Immers was
het een lens van 75 m. M. opening met 114 c. M. brandpuntafstand.
Ik voelde als bij ingeving, dat het knoeiwerk zou zijn, daarvoor
een cartonnen buis te plakken. Hoe zou ik dat objectief daar goed
centrisch in krijgen, en hoe zou ik ook het oculair er zoo in kunnen
bevestigen, dat het goed verstelbaar was?
Neen, ik voelde dat zulk een onderneming op een desillusie
10 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
uit moest loopen. Daarom bestelde ik eenigen tijd later bij dezelfde
firma in Utrecht een mooie, geel koperen buis en liet hiervan
geruimen tijd later een complete kijkerbuis voor mijn objectief
vervaardigen. Nu was dan eindelijk mijn zoolang gekoesterde
wensch vervuld! Nog gauw even een driepoot gemaakt, in dezelfde
trant als die, welke ik indertijd gebruikte voor mijn allereersten
kijker zonder lenzen. Die behoefde heusch niet aan zulke hooge
eischen te voldoen, meende ik, maar wat zou ik ook daar bedrogen
mee uitkomen! De zeer geringe bewegingen, die zoo'n zelf in elkaar
geflanste driepoot maakt, waren onmerkbaar bij mijn kijker zonder
objectief. Met den goeden kijker erop, gaf dat echter moeilijkheden.
Zoodra ik het geluk had om een ster of planeet in het veld van
den kijker te krijgen, kon ik er zeker van zijn, dat zoo'n object,
bij de minste aanraking van den kijker of bij het minste windzuchtje, in het kijkerveld heen en weer stond te springen, met
het gevolg, dat het zelfs meestal ineens uit het veld verdwenen was.
Dat deze wijze van observeeren niet weinig mijn ergernis opwekte, laat zich denken. Na weer eenige maanden zoo voort
getobd te hebben, kon ik echter bij dezelfde Utrechtsche firma
een bij mijn kijker passend statief bestellen. En zoo had ik dan
eindelijk mijn eersten astronomischen kijker verworven. (foto 2).
***
Hoewel ook de opstelling hiervan niet bepaald ideaal was, bleek
het geheel toch een in alle opzichten zeer begeerenswaardig
instrument voor den amateur, dat bizonder scherpe beelden gaf.
Deze eerste kijker zou ik behouden tot in het voorjaar van 1914,
toen ik mijn eersteling kon verkoopen om een veel grootere aan
te schaffen.
Welk een spijt en ergernis, toen eenige jaren later de toenmalige
eigenaar het noodzakelijk vond, dit zéér goede objectief uit elkaar
te nemen om het zoogenaamd schoon te maken! Zooals wellicht
niet algemeen bekend is, bestaat zoo'n objectief-lens uit twee
afzonderlijke lenzen, die niet geheel tegen elkaar liggen, dus door
een kleine tusschenruimte gescheiden zijn. Op drie plaatsen nu
liggen drie kleine staniolplaatjes om die kleine afstand op de
juiste maat te houden. Bij het schoonmaken (!) door den nieuwen
eigenaar was een der staniolplaatjes zoekgeraakt en hij had dit
vervangen door een stukje carton van willekeurige dikte, waardoor hij natuurlijk het objectief bedierf. Toen mij eenigen tijd
later verzocht werd te trachten dit euvel te verhelpen, leek mij
dit volkomen hopeloos; toch mocht ik, na veel moeite, erin
slagen.
Dit moge echter een waarschuwing zijn voor vele, vooral pas
beginnende amateurs, om vooral met hun vingers van objectieven
af te blijven. Ik haal nu juist dit geval aan, omdat het met een
11 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
kijker gebeurde, waaraan ik min of meer gehecht was geraakt,
doch meerdere gevallen, soms veel ergere, als het breken van
objectieven en spiegels van spiegel-telescopen, zouden mij in latere
jaren nog bekend worden.
Toen ik dan eindelijk in het bezit was van een goeden Astrokijker, kon ik met observeeren beginnen. Alle mogelijke objecten
kregen vanzelfsprekend een beurt en in mijn exemplaar van Kaiser's
"Sterrenhemel", kan men, bij de lijst van dubbelsterren, nevels
en sterrenhoopen, door de met groene inkt aangebrachte aanteekeningen aan den rand der pagina's, nagaan, hoe ik die objecten
met mijn kijker kon zien. Dit is echter een manier van boekhouden,
welke sterk te veroordeelen is, want een boek wordt op deze wijze
ontsierd; maar bovendien was de boekhouding ook geheel foutief.
Door mijn onwetendheid van al dat soort dingen, was mijn
handelwijze misschien wel eenigszins te verontschuldigen; ik kende
ook niemand, die op dit gebied dezelfde belanstelling had als ik,
en die ik kon raadplegen. Ik was in die beginjaren geheel op
mijzelf en op de lectuur aangewezen, die ik mij zoo nu en dan
kon aanschaffen.
***
Het is wel eigenaardig, dat het tot 1910 moest duren, eer ik
vernam van het bestaan van een vereeniging van dergelijke belangstellenden, namelijk de "Nederlandsche Vereeniging voor Weer- en
Sterrenkunde".
Toch duurde het zeker nog wel 5 à 6 maanden, alvorens ik het
durfde wagen, mij als lid aan te melden, daar naar mijn meening
slechts zeer ontwikkelde personen hiervan lid zouden zijn.
Niettemin dateert mijn lidmaatschap van deze vereeniging
van 1910. Voor de jaarlijksche contributie kreeg men, ook nu
nog, het maandblad "Hemel en Dampkring". Soms werden er
ook excursies gemaakt naar de een of andere inrichting op sterrenkundig gebied, terwijl in het winterseizoen bijeenkomsten plaats
vonden, waar voordrachten werden gehouden over een of ander
onderwerp, dat ons aller belangstelling had. Ik memoreer dit alles,
omdat er waarschijnlijk lezers zijn, die nu in dezelfde omstandigheden verkeeren als ik toen. Mochten zij over deze vereeniging
en haar werk meer willen weten, dan ben ik gaarne bereid, nadere
inlichtingen te verstrekken. Zoo was ik dan lid geworden van het
illustere gezelschap, dat zijn ontspanning, of hoe men het noemen
wil, hoofdzakelijk in de sterrenkunde zocht. Dat ik erg opzag
tegen de eerste bijeenkomsten, kan men zich indenken. Volgens
mijn meening, zou het heusch niet meevallen om als arbeidersjongen
tusschen al die heeren ingeplant te worden! Toen ik echter eenige
keeren zoo'n bijeenkomst bijgewoond had, viel ook dat nogal mee.
12 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
***
Intusschen had zich weer een nieuwe aspiratie in mijn sterrenkunde-studie voorgedaan ik wilde namelijk zelf sterrenkaarten
gaan teekenen. Ik was echter wel zoo ver met mijn studie, dat ik
wist, dat men hiermede niet kan volstaan met achter een kijker
te gaan zitten en op 't oog min of meer groote stippen op papier
te zetten om zoo goed mogelijk de juiste stand der sterren ten
opzichte van elkaar weer te geven. Neen, deze naïeve voorstelling
was ik reeds te boven. Er zijn echter nog vele menschen, die
denken dat een sterrenkaart op deze wijze ontstaat!
Zooals ik reeds boven aangaf, was het begin van deze teekenperiode het nateekenen van Kaiser's draaibare sterrenkaart. In
dien tijd had ik nog nooit iets anders van kijkers of sterrenwachten gezien, dan wat mij in de boeken, die ik toen bezat,
onder oogen kwam. Een wensch, waar ik voortdurend aan dacht,
was een werkelijke sterrenwacht van nabij en van binnen te zien.
Wat zouden daar voor mij vele niet gedachte dingen te bewonderen zijn! Maar hoe zou mij dat kunnen gelukken? Eenvoudig naar Leiden of Utrecht te schrijven, of ik de sterrenwacht eens mocht komen bezichtigen, leek mij wel erg gewaagd.
Want wie was ik eigenlijk? In de oogen der heeren ginds natuurlijk
een nieuwsgierige, die ook wel eens zoo'n inrichting wilde zien,
meer niet. Iemand, die tegen zijn vrienden en kennissen zou
kunnen zeggen "ik heb gezien, wat jij niet gezien hebt, ik ben
op een sterrenwacht geweest!"
Doch welk ander middel bleef mij, een geheel onbekende op
dit terrein, over? En op mijn vriendelijk verzoek aan wijlen
Prof. Dr. A. A. Nijland ontving ik, tot mijn groote vreugde, zijn
toestemming om de sterrenwacht te komen bezichtigen. Zoo
huiverig als ik geweest was om dit bezoek aan te vragen, zoo
angstig was ik om het te gaan brengen. Mijn geheele leven zal het
mij bijblijven, hoe ik op een Zondag naar Utrecht reisde, de
sterrenwacht opzocht, die zoo mooi gelegen is aan een Singel, er
meermalen omheen wandelde, zonder den moed te hebben, om aan
te bellen en te zeggen: "Hier ben ik, laat nu Uw schatten maar
eens zien!"
Zonder de sterrenwacht, anders dan van buiten gezien te hebben,
ging ik naar huis terug! Toen ik weer in Halfweg in mijn eigen
omgeving was en mijn zelfvertrouwen herwonnen had, dacht ik
bij mijzelf: dat is toch erg, dat kan zoo niet. Daarom schreef
ik opnieuw aan Prof. Nijland, als leugentje uit nood verzinnend,
dat ik dezen Zondag had moeten werken en verzocht hem beleefd
of ik nu eens op een anderen Zondag mocht komen. En weer werd
mij zeer bereidwillig een Zondag aangewezen, waarop ik er dan
ook geweest ben. Eindelijk! Het angstzweet brak mij soms uit,
doch al spoedig werd ik door den professor op mijn gemak ge13 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
steld. Zoo langzamerhand kwam hij er achter, wie en wat ik
was, welke aspiraties ik had: kortom, dit was een dag, zooals
een mensch er niet veel beleeft!
In ons gesprek, hoofdzakelijk door den professor gevoerd
- want ik ben nooit erg spraakzaam geweest - bleek, dat ik
bezig was met sterrenkaartjes te teekenen en wel naar de "Sternverzeichnis von Ambronn". Hij stelde mij voor, een paar van die
geteekende kaarten aan hem ter beoordeling op te sturen, hetgeen ik gaarne deed, zij het dan ook met angst en vreeze. Na
eenige veranderingen, die er op aangebracht moesten worden,
stelde de professor mij voor om voor hem een veertigtal kaarten
te teekenen en wel naar de "Potsdamer Durchmusterung".
Wanneer ik dan een of meer bladen klaar had, moest ik deze
vergelijken met den hemel, om te controleeren of werkelijk alle
sterren van die helderheid, van de grootte 7.5, opgenomen waren.
"En," zoo zeide prof. Nijland, "dan heb je ook nog wel eens kans,
dat je een nieuwe ster ontdekt." Ik was in het uitspansel wel
zoo ver thuis, dat ik heel goed wist, dat je maar niet zoo een
nieuwe ster vindt. Daarom dacht ik "ja, professor, U kunt dat nu
wel zeggen, maar daar denk ik het mijne van: zooiets zal wel
nooit gebeuren". En toch, hoe zou ik een zestal jaren later aan zijn
woorden herinnerd worden! Doch hierover later.
Dit bezoek aan de sterrenwacht te Utrecht was dus feitelijk
de aanleiding tot het eerst-volgende gedeelte van dit boek, waarin
ik zal spreken over mijn aspiraties tot het teekenen van sterrenkaarten.
TWEEDE HOOFDSTUK
Niet voor niets had ik de hoofdstukken in meerdere boeken
doorgewerkt, waarin de sterrenkundige plaatsbepaling werd uiteengezet met noorder- en zuider-declinatie en met zoo en zooveel
uur rechte klimming of "A. R." (Ascencio Recta). Hoeveel keeren
heb ik niet het draaibare sterrenkaartje, behoorende bij het boek
"Kaiser's Sterrenhemel", nageteekend en in welke formaten!
Tientallen jaren lang heeft er zoo'n exemplaar gehangen in mijn
opeenvolgende sterrenwachtjes. Eén exemplaar is mij nog heel
goed in herinnering gebleven. Dit had ik geteekend op een formaat
van ongeveer 1½ M. breedte en 2½ M. hoogte; het was natuurlijk
onmogelijk om het in onze woonkamer te hangen: een mooi
schilderij zou het geweest zijn! Zeker vier of vijf jaar heeft deze
kaart dan ook, netjes opgerold, op onzen zolder gelegen, tot er
14 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
eindelijk een behoorlijke plaats voor gevonden was en wel......
in de cantine van een landweerbataljon, toentertijd - 1916 in Huisduinen gelegerd. In die jaren moest ik mijn soldatenplicht
vervullen en daardoor kwam ik in 1916 voor ongeveer een jaar
in Huisduinen terecht. Na verkregen toestemming van mijn
superieuren, hing ik die groote kaart daar op. Ik ging in het
najaar van 1916 uit Huisduinen weg, doch weet van anderen,
dat de kaart daar tot het einde der mobilisatie heeft gehangen.
Nog maar enkele jaren geleden, kreeg ik in mijn huidige sterrenwachtje bezoek en deze bezoekers brachten die kaart ter sprake,
niet wetende, dat ik dat ding geteekend had.
Zeker wel 8 tot 10 jaar heb ik, voor zoover mijn tijd dat
toeliet, kaarten geteekend. Toen was het echter geen nateekenen
meer, neen, alle sterren, die men wenschte aan te geven, werden
nauwkeurig in een bepaald gradennet op hun juiste plaats gezet
en met hun juiste helderheid aangegeven. Dat dit een moeizaam
werkje was, kan men begrijpen, als men weet, dat op een 64-tal
bladen van ongeveer 50 × 75 c. M. een 30.000 sterren moesten
worden aangegeven. Zoo heb ik een compleet stel kaarten van
40 stuks geteekend, alleen van den noordelijken hemel, waarin alle
sterren opgenomen waren, die in de "Potsdamer Durchmusterung"
waren aangegeven, een aantal van 14000 omvattend. Nóg een
compleet stel kaarten, maar dan van den geheelen hemel, zooals
die hier in Nederland voor ons zichtbaar is, tot ongeveer 40 graden-zuider
declinatie omvattende; daarna teekende ik weer 40 kaarten van
ongeveer 50 × 70 c. M. alleen van den noordelijken hemel, waar
alleen de sterren op stonden, die nog juist met het bloote oog
zichtbaar waren. Het eerste en derde stel kaarten kwamen terecht
op de sterrenwacht in Utrecht, waar zij nu nog aanwezig zijn.
Die teekende ik, zooals gezegd, op bestelling van wijlen Prof. Dr.
A. A. Nijland. Het tweede stel kaarten van 64 stuks belandde op de
Treptow-sterrenwacht bij Berlijn. (kaart 2). Dit stel ruilde ik
tegen een twintigtal jaargangen van het tijdschrift "Das Weltall"
dat daar wordt uitgegeven.
Nog een ander stel kaarten van 64 stuks teekende ik naar de
sterren-catalogus "Revised Harvard Photometry", die alle sterren
omvatte tot de grootte 7.5 tot 40 graden-zuider declinatie, dus den geheelen hier zichtbare hemel (foto 3).
Deze atlas van een formaat van ongeveer 35 × 50 c. M. werd
in een stevigen linnen stempelband gebonden en is jarenlang in het
bezit geweest van een mijner oude vrienden. Toen deze, nu acht
jaar geleden, kwam te overlijden, kwam de atlas weer in mijn
bezit. Hierin waren opgenomen ongeveer 23000 sterren, bovendien
alle nevelvlekken en sterrenhoopen, die in kleinere kijkers zichtbaar waren, alle veranderlijke sterren, die in hun grootste licht
de helderheid 8.0 bereikten. Bovendien kwamen er nog een
honderdtal kaartjes in voor met de omgeving van bepaalde ver15 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
anderlijke sterren, vaak tot de grootte 13, sterren, waarvoor men,
om ze te zien, een flinken grooten kijker noodig heeft. Deze kaartjes
had ik echter niet zelf ontworpen, maar waren ontleend aan het
standaardwerk op dit gebied, de "Atlas Stellarum Variabilium",
(Atlas van veranderlijke sterren).
Dit werk, eenig in zijn soort, is voor het eerst uitgegeven in
1908. Er zijn, voor zoover ik weet, 9 deelen van verschenen 1);
of er wellicht in den laatsten tijd nog een deel is uitgekomen,
is mij niet bekend. Deze geteekende atlas, waaraan ik zeer
gehecht was, is, met nog vele andere kaarten, verloren gegaan
bij den brand, die enkele jaren geleden mijn sterrenwacht
te Halfweg geheel verwoestte. Ook had ik toen een atlas van
80 bladen groot formaat op stapel staan, die ik zou teekenen naar
de bekende "Henry Draper catalogue", een sterrencatalogus in
9 deelen, uitgegeven door de "Harvard sterrenwacht". Deze
catalogus omvatte niet minder dan 230.000 sterren. Ik heb dit
werk echter niet geheel kunnen voltooien, daar ik in den loop
dier teekenperiode zooveel te doen kreeg met het vervaardigen
van kijkers, dat het teekenwerk er noodgedwongen bij inschieten
moest. Want... een dag heeft maar 24 uur, en hoe men het ook
draait of keert, slapen moet men toch ook, hoewel ik in die jaren
met zeer weinig slaap toe kon! Maanden achtereen drie à vier uur
per nacht slapen was zelfs geen uitzondering voor mij.
Van deze kaarten had ik er in totaal ongeveer 60 afgeteekend,
toen ook deze bij den brand vernietigd werden.
Ook had ik nog een complete atlas vervaardigd van 80 kaartjes,
waarop alle sterren ter grootte van 6.5 voorkwamen, maar die
den geheelen hemel bestreek, dus van noord- tot zuidpool toe. Deze
atlas is terecht gekomen op de sterrenwacht van het Vaticaan te
Castel Gandolfo. (kaart 3). Nog een bepaalde soort atlas had ik
geteekend met alleen de sterren, die met het bloote oog te zien
zijn, in 64 bladen. Hierop waren de sterren aangegeven door
min of meer grootere zwarte schijven, zoodat men dezen atlas
's nachts in het donker zonder eenige verlichting kon aflezen.
Al deze kaarten hadden en hebben een speciale bedoeling gehad.
Bij de in den handel zijnde kleinere en groote atlassen zijn de
sterren voorgesteld door min of meer groote stippen, al naar
gelang hun helderheid dit noodig maakt. De helderste sterren
der eerste grootte door groote stippen, de minder heldere door
kleinere stippen. Zoo kan men wel een bepaald aantal sterrengrootten overbruggen, b. v. 7 of 8 grootteklassen, maar dikwijls
komt het dan nog voor, dat een ster wegens haar fotometrische
helderheid juist een grensgeval vormt. Een ster, die b. v. een
gemeten (fotometrische) helderheid heeft van 2.45, wordt tot de
tweede grootte gerekend, doch een met een helderheid van 2.60
behoort tot de derde grootte. Nog sterker spreekt deze grensgrootte als men getallen 2.49 en 2.51 neemt, dan is het verschil
16 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
maar 0.02 grootteklasse, dus practisch voor het bloote oog niet te
zien. Trouwens het verschil van 0.15 grootteklasse, zooals boven
vermeld, is alleen maar merkbaar voor hen, die in dat werk
geoefend zijn. In de atlassen, die in den handel zijn, is daar geen
rekening mee gehouden, daarom had ik in mijn atlassen de gemeten (fotometrische) helderheid tot in de honderdste grootteklasse er bijgeschreven met rooden inkt. Om nu die geteekende
kaarten niet te overladen, - immers, voor elke ster waren dan
vier teekens noodig, één voor de ster zelf en drie cijfers -,
mochten de cijfers niet te groot zijn.
Ik geef U de verzekering, lezer, dàt ze niet groot waren, ongeveer 1 m. M. hoog of nog minder. Deze aanwijzing der grootteklasse kon men dan direct aflezen, indien dit noodig was, en
daar de cijfers met rooden inkt werden aangebracht, vielen zij bij
het kaarten aflezen bij kunstlicht niet zoo op. Daardoor zagen de
kaarten er ook geheel niet overladen uit. De neiging tot het
teekenen van zulk soort kaarten heb ik ook nu nog. Ik ben er weer
aan begonnen, doch of ik het ooit zal kunnen afwerken, zooals ik
mij dat voorgesteld heb, is een groote vraag.
Onder al deze werkzaamheden door, werd het zelf zien van
sterrenbeelden aan den hemel natuurlijk niet achterwege gelaten.
Ik kan wel zeggen, dat elk sterrenbeeld in dien tijd door mij
"afgegraasd" werd, op zoek naar interessante dubbelsterren,
nevelvlekken, sterrenhoopen en veranderlijke sterren.
Zooals met alle amateurs, was het ook met mij: de kijker,
welke mijn liefste wensch was, moest zoo groot mogelijk van
objectief-opening zijn, evenals de vergrooting. Het statief, waarop
de kijker moest staan, moest echter eenvoudig zijn, dáárop moest
zooveel mogelijk geld bespaard worden om den kijker des te grooter
te kunnen koopen. Hoe verkeerd dit was, zou ik later pas ondervinden. Hoewel mijn kijker van destijds, met 75 m. M. opening,
voor een amateur al een heel aardig instrument was, ging mijn
wensch toch al gauw uit naar een 4 zoller, zooals men die toen
noemde. Dat was een kijker met 108 m. M. opening. En reeds in
het begin van 1914 kon ik een dergelijken kijker mijn eigendom
noemen, nadat ik mijn trouwen 75 m. M. kijker aan een anderen
amateur had overgedaan.
Wat al illusies had ik mij gemaakt om met dezen grooten kijker
belangrijke waarnemingen te doen, en hoe wreed, in dubbel opzicht, zouden deze verstoord worden! Immers, na enkele maanden
met mijn nieuwe aanwinst gewerkt te hebben, hadden wij
Augustus 1914. Daarmede zou voor mij twee jaar mobilisatieplicht aanbreken. Afgeloopen was het met het sterrenkijken!
Midden op de hei, of in het bosch, als ik op wacht stond, kon ik
wel naar de sterren kijken, maar ik kon daarbij geen 108 m. M.
kijker van bijna 2 M. lengte achter mij aan slepen; die stond
vanzelfsprekend thuis, tot niets doen gedoemd. En ik, en met mij
17 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
mijn soldaat-kameraden, stonden elke veertien dagen in een ander
grensdorpje op wacht. Dit was in meer dan één opzicht wel een
zware tijd. De vergoeding, die in 1914 aan de gezinnen der soldaten
gegeven werd, was voor een vrouw en een kind toch verre van
voldoende, en daarom zag ik mij genoodzaakt om in den loop
van 1916 mijn grooten kijker van de hand te doen. Dat deze
stap voor mij nogal iets beteekende, kan een ieder zich indenken.
Weg kijker, weg geld! En wat nu? Met welk een hartstocht heb
ik mij in dien tijd op het teekenen van sterrenkaarten geworpen!
Zou ik ooit weer in het bezit komen van een kijker? Van een
4 zoller zeker niet! (foto 4). Nooit heb ik toen kunnen droomen,
dat er, niet eens zooveel jaren later, eenige tientallen door mijn
handen zouden gaan, natuurlijk niet tegelijkertijd, maar in den
loop der jaren. En evenmin had ik ooit kunnen denken, dat ik
dezelfde 4 zoller, die ik in benarde omstandigheden moest verkoopen, in 1941 terug zou krijgen, nadat hij eenige keeren van
eigenaar verwisseld was, nu echter zwaar mishandeld. Iedere
eigenaar had er op zijn manier iets aan veranderd; verbeterd
noemden zij het!
Er waren in de periode vóór mijn soldaat worden, wel eenige
zeer uitzonderlijke dingen te zien geweest. Ik noem hier de waarneming van drie kometen op denzelfden avond, en nog wel met
het bloote oog.
Dat waren de kometen 1911 C, F en G, de laatste ook wel
genoemd de "Beljawski Komeet". De kometen 1911 C en F had
ik reeds eenige weken lang met het bloote oog kunnen volgen,
hoewel zij juist op de grens van zichtbaarheid waren, ongeveer
der zesde grootte. In de krant las ik toen van het vinden eener
heldere komeet van de tweede grootte door Beljawski, een komeet
met zeer snelle beweging, die aan den ochtendhemel te zien was
geweest en nu wel gauw 's avonds na zonsondergang in het Westen
te zien zou zijn. Vol ongeduld wachtte ik tot het 's avonds donker
zou zijn, doch ik wachtte eenige avonden achtereen tevergeefs.
Op 1 October 1911 echter, was zij buitengewoon gemakkelijk te
zien en denzelfden avond kon ik mijn twee oude getrouwe kometen
eveneens ontwaren. Ik zeg met opzet "getrouwe" kometen, want
deze kon ik ook nog eenige weken achtereen zien. De Beljawskikomeet (1911 G) kon ik echter na 1 October niet meer terugvinden, hoewel het dagen achtereen helder weer was. Hiermede
demonstreerde deze, dat kometen echt onbetrouwbare dingen zijn.
Later zou ik dat nog meermalen kunnen constateeren,
Ook in het jaar daarvoor, in 1910, was er zoo'n hoogtij-periode
voor alle amateurs, namelijk door de te verwachten terugkeer van
de "Komeet van Halley" in Mei. Maar ook zij was ontrouw!
Meende men haar niet reeds in Januari te zien aan den westelijken
hemel en wel met een buitengewoon heldere, lange staart, zoodat
zij een ieder, die 's avonds buiten was, moest opvallen?
18 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Neen lezers, de komeet van Halley was werkelijk wel op tijd
in Mei en hoewel ook een helder en mooi object, was zij in schoonheid lang niet gelijk aan de "Johannesburger komeet", zooals het
Januari-verschijnsel later in de literatuur genoemd werd.
Deze was dan ook de komeet, die het groote publiek in het
algemeen voor de Halley-komeet heeft aangezien, toen al reeds.
En haast altijd, als het gesprek over dit soort verschijnselen er toe
leidde, heb ik de ervaring opgedaan, dat bijna iedereen deze voorgangster voor Halley's komeet heeft aangezien. Hoewel er in
latere jaren, 1914 en 1937, ook nog wel heldere kometen te zien
zijn geweest, ongeveer van de grootte 3 en 4, is er toch na 1910
geen enkele meer geweest van zulk een opvallende helderheid; het
was, wat men zou kunnen noemen: een "klassieke komeet".
Een ander verschijnsel, waarvan ik in die jaren ook nogal veel
werk maakte, was het tellen van vallende sterren in Augustus.
Hiertoe ging men in een daarvoor geschikten, gemakkelijken stoel,
buiten zitten met een zoo vrij mogelijk uitzicht op het Noordoosten, daar waar het sterrenbeeld "Perseus" in Augustus omhoog komt; dan was het zaak om alle vallende sterren te tellen,
die men gedurende elk kwartier te zien kon krijgen. Steeds bleek
weer, dat men er in den na-nacht aanmerkelijk meer te zien kreeg
dan in den voor-nacht. Ik herinner mij nog zeer goed, dat ik in
een na-nacht er eens 248 in een uur waarnam. Dit is echter nog
maar een betrekkelijk klein aantal, vergeleken bij de duizenden,
die enkele gelukkige waarnemers wel eens geteld hebben, als zij
toevallig de hoofdgroep van vallende sterren in zoo'n baan konden
treffen.
Dat dit geluk voor iederen amateur weggelegd kon zijn, zou ik
pas veel later, op 9 October 1933, ervaren, toen ik er in den tijd
van 20 minuten duizend kon tellen, terwijl ik toch de volstrekte
zekerheid had, dat ik er minsterns drie honderd te weinig geteld
had, daar zij toen op bepaalde momenten zoo dicht vielen, dat zij
zelfs bij benadering niet meer te tellen waren.
Inmiddels had ik al geruimen tijd de ervaring opgedaan, dat
het observeeren met den kijker in de buitenlucht, blootgesteld aan
ieder zuchtje wind, lang niet ideaal was. Het statief van een kijker
mag nog zoo goed en stevig zijn, met eenigen wind, hoe weinig ook,
is het geen sinecure om een begeerd object in het veld van den
kijker te houden. Deze beweegt dan heen en weer en door de
vergrooting, welke men gebruikt, wordt die beweging dus óók
zooveel maal grooter. Is dit in den zomer al heel lastig, bepaald
onhoudbaar wordt het, als men in den winter eenige uren achtereen achter zoo'n kijker zit. Hoe menigmaal heb ik in arren moede,
met verkleumde voeten en verstijfde handen, de boel niet moeten
opbergen, terwijl het toch voor mijn doel schitterend mooi weer
was!
Daarom ook vervaardigde ik al betrekkelijk spoedig een gelegen19 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
heid, waardoor ik tenminste voor den wind beschut kon zitten.
Ik had van uit elkaar getornde zakken één geheel gemaakt, een
soort schipperszeil, van ongeveer 2½ bij 3½ M. en zette dit, aan
twee palen gebonden, omhoog tegen een hoek van onze woning
of de schuur. Zoo had ik dan een plaats geheel in de luwte,
hetgeen eenige verbetering beteekende, hoe gering dan ook. Wel
was het onaangenaam om in het begin van den avond deze geheele installatie te moeten opzetten en 's nachts of in den ochtend
weer wegnemen. Afdoende was deze schuilplaats zeker niet; dat
zou ik eenige keeren op onprettige wijze ondervinden!
Nu ging het er maar om, als het 's avonds mooi helder weer
was en er stond ook nogal wat wind, uit te maken of het zeil
(zoo zal ik het maar noemen) al dan niet opgezet kon worden,
want ik wist maar al te goed, dat bij te veel wind de boel wel
eens in elkaar kon waaien, hoe goed ik het ook met touwen vastsjorde.
Welnu, het is mij dan ook tot tweemaal toe overkomen, dat
mijn berekening faalde en het zeil mij en mijn kijker geheel
overdekte. Ik was er echter steeds op bedacht, den kijker zooveel
mogelijk te beschermen en gelukkig is die er dan ook beide
keeren zonder kleerscheuren afgekomen. Wel liep ik zelf eenige
ontvellingen aan mijn handen op, maar dat was minder erg, dat
groeide wel weer dicht. Niettemin had ik er met deze twee keeren
toch genoeg van en heb toen deze beschutting (!) definitief
afgeschaft. Maar de wensch om een eigen thuis te hebben liet mij
toch niet geheel los. Niet alleen om er den kijker in te kunnen
neerzetten en 's avonds vanuit zoo'n sterrenwachtje (groot woord!)
te kunnen observeeren, maar ook om daar mijn teekenwerk in te
kunnen voortzetten en de nu al aardig uitgebreide boekenschat
onder te brengen.
Tot nu toe had de kijker overdag een onderkomen in een oud,
bouwvallig schuurtje in gezelschap van konijnenhokken, timmergereedschap en meer voorwerpen, die zeker minder geschikt zijn
om zoo'n mooi en gemakkelijk kwetsbaar instrument bij neer te
zetten. Daar kwam nog bij, dat mijn huisgenooten hier vanzelfsprekend den ganschen dag in en uit moesten loopen om huishoudelijke bezigheden te verrichten. Het was dus een toestand,
die niet bestendigd kon worden.
Ook het teekenwerk, dat ik tot nu toe in de huiskamer of in
een klein benauwd zolderkamertje verrichtte, vroeg heel dringend
om een betere huisvesting. Maar wat moet men beginnen, als het
inkomen voor man, vrouw en kind f 12.- à f 13.- per week
bedraagt en zelfs dat nog lang niet altijd voor een los werkman
als ik. Het is dan zaak om elk dubbeltje terdege om te keeren,
voor het de deur uitgaat. Toch kon ik er na een klein jaartje
aan beginnen, mijn eerste eigen sterrenwachtje te gaan timmeren.
Het was heusch geen ruime behuizing, verre van dat! De grond20 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
oppervlakte was slechts 2 bij 3 M., een gedeelte hiervan 2 bij 2 M.,
waarop de kijker kwam te staan en een stuk van 1 bij 2 M.
voor en primitieve klaptafel.
***
Aan den wand, links en rechts en boven de tafel, waren eenige
planken voor het opbergen van boeken en teekenwerk. Boven den
kijker bevond zich een plat dak, dat 's avonds weggeschoven kon
worden. Men ziet, het was uiterst eenvoudig, maar toch wel doelmatig voor zulke kleinere kijkers. Het duurde maar een paar
weken en de nieuwe "Sterrenwacht" stond kant en klaar.
Ik had nu voor mijn benoodigdheden een eigen behuizing, doch
wegens mijn krappe beurs konden de buitenwanden alleen uit
planken opgetrokken worden. In den winter, als het vocht alle
hout uit doet zetten, waren deze wanden dus wel dicht, maar in
den zomer, als de zon er geregeld op stond te stralen, kon men
er aan alle kanten doorheen kijken. Er kon geen vloer in komen,
dus de bodem bestond uit de vast aangestampte aarde, welke
in het natte jaargetijde week en soms zelfs modderig was.
Toch was ik blij, dat ik eindelijk met mijn heele uitrusting een
onderkomen had, Ik zat hier nog niet lang, toen ik er, in het begin
van 1914, mijn nieuw verworven 108 m. M. kijker van bijna 2 M.
lengte in onder moest brengen. Men kan dus wel nagaan, dat dit
onderkomen van den beginne af al te klein was. Hiervan zou ik
echter niet al te veel last hebben, om de eenvoudige reden, dat
ik er na eenige maanden door de mobilisatie van 1914 voor
twee jaar uit verdreven werd. Het hinderde mij, dat de boel daar
in menig opzicht zou kunnen bederven en toen ik dan ook, nadat
geruimen tijd de verloven waren ingetrokken geweest, voor het
eerst weer met verlof thuis kwam, was het erbarmelijk om te zien,
hoe de meeste boeken waren aangetast door vocht en schimmel.
En aan den kijker waren enkele ijzer- en staaldeelen flink door
roest aangetast. Nu had ik dat wel kunnen voorkomen door den
kijker en de boeken gedurende de mobilisatie weer in de huiskamer
of desnoods op zolder te bergen, doch "er was nu immers toch
een eigen huisje om dien rommel op te bergen"! Gedurende mijn
tweejarigen mobilisatietijd was ik natuurlijk gedoemd alles aan
kant te zetten. Wel kon ik nog verschillende boeken doorwerken,
want wij hadden in onze kwartieren over veel vrijen tijd te beschikken. Door den nood gedwongen, moest ik, zooals ik reeds
vertelde mijn 108 m. M. kijker verkoopen en was zoodoende genoodzaakt ook na de mobilisatie nog ongeveer een jaar lang
mijn beschouwen van den sterrenhemel zonder kijker voort te
zetten.
21 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
DERDE HOOFDSTUK
Hoofdzakelijk interesseerde mij de waarneming der veranderlijke sterren. Want is het, goed beschouwd, geen fantastisch verschijnsel, dat, om welke reden dan ook, het licht van zulk een ster,
die zoo ontzagwekkend groot is, den eenen tijd veel helderder
kan zijn dan den anderen? Het zijn toch geen petroleumlampjes,
die men naar believen helder of zwak kan laten branden.
Daar moet toch een bepaalde oorzaak voor zijn! Die oorzaak
op te sporen, is het doel der waarneming van dit soort sterren.
Nu is het met dezen tak der sterrenkunde zoo gesteld, dat enkele
losse waarnemingen of een korte reeks, betrekkelijk weinig of
geen wetenschappelijke waarde hebben. Lang achtereen voortgezet,
zoo mogelijk met een en hetzelfde instrument, hebben zij
echter wèl wetenschappelijke waarde. Dit alles wist ik ook reeds
toen maar al te goed. Hoe vaak ben ik niet vol moed begonnen
om deze waarnemingen zoo lang mogelijk door te zetten en hoe
vaak heb ik ze noodgedwongen weer moeten opgeven. Soms kon
ik het enkele maanden achtereen doen, één keer zelfs anderhalf
jaar, maar telkenmale kwamen er, met langere of kortere tusschenpoozen, werkzaamheden, die ik overdag bij mijn patroon moest
verrichten, welke mij zoo vermoeiden, dat ik 's avonds bij mijn
thuiskomst niet meer in staat was eenig werk te doen. Ik ken
amateurs in het buitenland, hoofdzakelijk in Duitschland, die
jarenlang hetzelfde programma konden doorvoeren, doch de een
is ingenieur, de andere leeraar aan een middelbare school enz.
Niet een is er bij, wiens werk het is, den geheelen dag in den
grond te staan graven, in de bagger te hoozen, in de beton te
staan scheppen, of den ganschen dag met een kruiwagen grond
heen en weer te rijden! En dit zijn nu eenmaal mijn omstandigheden, die er niet zoo gemakkelijk toe leiden om dan nogeens
een uur of drie, vier van de zoo noodige nachtrust af te nemen,
of deze rust den geheelen nacht te missen. En toch - hoeveel
nachten heb ik niet aan dit werk opgeofferd, zonder er ook maar
één oogenblik spijt van gehad te hebben!
Telkens weer bleek mij, dat er ook met het bloote oog, zonder
kijker dus, veel wetenswaardigs aan den hemel te zien is voor
hem, die daar speciaal op letten wil. Ik heb eens ergens gelezen,
dat Copernicus zich er op zijn sterfbed nog over beklaagde, dat
hij nimmer de planeet Mercurius had gezien. Nu is het een feit,
dat deze planeet niet zoo gemakkelijk waarneembaar is, daar hij
altijd dicht in de buurt van de zon gezocht moet worden, hetzij
's avonds bij zonsondergang of 's morgens voor zij opkomt. Doch
22 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
als men er goed op letten wil, dan lukt het vaker dan men verwachten zou, om ook deze planeet te zien. In een elongatie heb
ik hem zelfs drie weken achtereen kunnen waarnemen, met een
onderbreking van slechts drie dagen door bewolking. Zeer opvallend, ook voor een leek, is de zeer snelle beweging ten opzichte
van de sterren, waarbij hij in de buurt staat, zooals mij weer een
ochtend of zes in November 1941 bleek, toen hij in de buurt
van de ster Spica, in het sterrenbeeld de Maagd, zijn weg aan
den hemel zocht.
Een zeer interessante verschijning aan den ochtendhemel maakte
ik ook mee, in den tijd, dat ik noodgedwongen mijn kijker moest
missen. Toen was aan den ochtendhemel de planeet Venus te
zien; daar deze verder dan de zon af staat, is haar beweging
tusschen de sterren door veel langzamer dan die van de planeet
Mercurius.
Elke ochtend - mijn dagelijksche werkzaamheden leidden ertoe,
dat ik iederen morgen zoo vroeg uit de veeren was - kon ik
duidelijk zien, hoe Mercurius Venus inhaalde, en haar daarna
voorbijliep. Boven Venus gekomen, bescheef Mercurius een
boogje, keerde om en liep aan de andere zijde Venus weer voorbij,
om, na verloop van een dag of tien, in de stralen der opkomende
zon te verdwijnen. Op deze wijze ziet men als het ware zoo'n
planeet mooie lussen aan den hemel afleggen, hoewel dit in werkelijkheid niet zoo is, daar deze slechts een gevolg zijn van de samengestelde baanbeweging der aarde en van - in dit geval Mercurius.
Ook is het een zeer interessante ervaring voor een leek, als men
overdag, bij helder weer en volle zonneschijn, met het bloote oog,
de planeet Venus heel gemakkelijk kan zien. Als ik de menschen,
met wie ik overdag werkte daar wel eens attent op maakte, waren
zij steeds zeer verwonderd en vroegen zich af hoe dit mogelijk
was. Het lukt zelfs nog om Venus met het bloote oog te zien
een dag of 10-12 voordat zij met de zon gelijk op en onder gaat,
zooals mij eenige keeren is gebleken.
Hebben alle amateurs er zich wel eens van overtuigd, door waarneming van de beweging van de maan aan den hemel, dat de
volle maan soms heel laag boven den horizon komt, in het Zuiden,
maar ook zeer hoog kan stijgen, bijna zou ik zeggen, recht boven
je hoofd? Door een eenvoudige redeneering kan men dat ook wel
aantoonen, maar dit in den loop der jaren zelf met het oog te vervolgen en er steeds attent op te blijven, is toch leerzamer.
Wij in Nederland, wonen ongeveer op 52 graden Noorderbreedte; dus de noordpool staat hier 52 graden hoog aan den hemel
(teekening A). Die is, voor ons Noorderlingen, zeer goed merkbaar aangewezen door de Poolster (de Kleine Beer). Voegt men
bij deze 52 graden nog 90 graden dan komt men in het vlak van den aequator.
Nu maakt de ecliptica of aardbaan ongeveer een hoek van 23 graden
23 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
met den aequator, dus op een bepaalde plaats aan den hemel komt
de ecliptica 113 graden van den pool af te liggen.
Daar nu de baan van de maan nog ongeveer een hoek van 5 graden
met de ecliptica maakt, kan het meest zuidelijke punt van de
maanbaan 118 graden van den pool af komen te liggen. Daarbij nog
gerekend de 52 graden poolhoogte, maakt met elkaar ongeveer 170 graden.
Omdat een halve cirkel, in ons geval het hemelgewelf, 180 graden is,
kàn het gebeuren, dat de volle maan maar ongeveer 10 graden boven
den horizon staat, een hoogte, die ongeveer overeenkomt met
twintig maal de middellijn van de maan. Ik ben ervan overtuigd,
dat zeer vele amateurs dezen toestand, welke ongeveer éénmaal
in de 18 jaar voorkomt, nooit, of maar zelden gezien zullen
hebben.
Met deze en dergelijke waarnemingen moest ik mij bezighouden
in den tijd, dat ik geen kijker kon hebben. Het spreekt daarom
vanzelf, dat ik op allerlei middelen zon om weer aan een behoorlijk instrument te komen. Hoe ik echter ook mijn best deed,
door allerlei omstandigheden werd het einde 1917, voordat ik
weer in het bezit van een 75 m. M. kijker der firma Steinheil
kon komen. Het optische vermogen ervan was dus gelijk aan dat
van den allereersten kijker, dien ik gehad had, den 75 m. M. Reinfelder en Hertel. Deze Steinheil-kijker had echter een betere monteering door zijn parallactische opstelling; hij stond echter op een
laag tafel-statief. Daarom was ik genoodzaakt om nog een soort
tafeltje te gebruiken, waarop de kijker tijdens het waarnemen
moest staan.
Nu kon ik tenminste, mijn oude richting volgend, mij weer
bezighouden met de waarneming van een dertigtal veranderlijke
sterren.
Hoewel ook nu mijn dagelijksche werkzaamheden zwaar waren,
kon ik deze waarneming toch ruim een jaar voortzetten. Toen
kwam er weer een periode, dat ik mijn nachtelijke waarnemingen
moest afbreken, om mijn dagelijksch werk te kunnen blijven volhouden.
Inmiddels had ik ook al eens kennis gemaakt met het verschijnsel
der "Nieuwe sterren" ("Novae"). In 1912 immers, was er al
zoo'n nieuwe (?) ster verschenen in het sterrenbeeld "De Tweelingen". Ik stond niet vreemd tegenover dit verschijnsel, doch had
er in het minst geen vermoeden van, dat ik, zoo spoedig reeds,
ook zou behooren tot een aantal waarnemers, die allen op denzelfden avond een heldere, nieuwe ster vonden in het sterrenbeeld
"De Arend". (kaartje 4). En de Nederlanders, die van deze verschijning (!) getuigen waren, bleken zelfs drie in getal te zijn, daar
ook de Heeren Luyten uit Deventer, thans professor aan de
sterrenwacht in Minesota, en de Heer Vogelzang, destijds te Veendam, deze "Nova" ontdekten.
Nu hebben vooral leeken een veel te groote dunk van dat vinden
24 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
of ontdekken van zoo'n nieuwe ster. Zij toch verkeeren vaak in
de meening, dat men nacht in, nacht uit achter een kijker zit te
zoeken naar een nieuwe ster. Zou men echter deze methode toepassen, dan zou men, ik ben ervan overtuigd, - indien dit mogelijk ware - duizenden jaren achtereen kunnen zoeken zonder
een nieuwe ster gevonden te hebben.
Neen, de klassieke methode voor het vinden van een nieuwe ster
bestaat daarin, dat men ten eerste min of meer vertrouwd moet
zijn met de constellatie der sterrenbeelden, - vooral in den Melkweg, daar deze nieuwe sterren zoo goed als alle in het vlak van
den Melkweg verschijnen - en ten tweede moet men geluk, zelfs
zeer veel geluk hebben. Men kan aan het observeeren zijn aan
den noordelijken kant van den hemel, en er kan plotseling dienzelfden avond of nacht aan den zuidelijken hemel een nieuwe ster
verschijnen, maar dan zal men deze niet zien.
Is men toevallig met waarnemingen van anderen aard bezig
en is er juist zoo'n nieuwe (?) ster verschenen, vlak bij de plaats
dezer waarneming, dan is er kans, dat men tot de ontdekkers
van den nieuweling behoort.
Hieruit kunt U dus gevoeglijk concludeeren, dat het vinden van
zoo'n nieuwe ster in het geheel geen bekroning is van min of meer
intensen arbeid. De omstandigheden, waaronder ik deze "Nova"
vond, waren als volgt: Het gebeurde in dien tijd vrij veel, dat ik,
vooral als het overdag warm was geweest, zittend of liggend in
het gras verpoozing zocht. Ook dien avond gebeurde dat en, het
bloed kruipt waar het niet gaan kan, ik lette erop wanneer men
met het bloote oog in de schemering de eerste heldere sterren
kan zien opduiken. Dat is al heel vroeg!
De sterren Wega en Altair had ik al kunnen vinden, Deneb in
de Zwaan was juist even zichtbaar; nu wilde ik probeeren of ik
Antares in de Schorpioen kon vinden, die vrijwel op dezelfde
hoogte boven den horizon moest staan, doch veel zuidelijker. Terwijl ik zoo, als het ware mijn blik zwevend liet gaan op dezelfde
hoogte als Altair, in de richting van Antares, stootte ik op deze
heldere, nieuwe ster, die niet eens zoo ver van Altair af stond.
U kunt begrijpen, dat ik ten zeerste verwonderd was, daar ik
heel goed wist, dat in die omgeving geen zóó heldere ster staan
kon. Na de atlassen van Heis en Schurig, en daarna de betreffende kaart der "Bonner Durchmusterung" te hebben nagezien, stond het voor mij vast, dat deze ster een nieuweling
moest zijn.
Hieruit blijkt dus, dat er niet moeizaam naar gezocht werd,
het ontdekken was louter toeval. Alleen het genoegen van altijd
maar weer naar de sterrenhemel te kijken, bij alle voorkomende
gelegenheid, was de oorzaak van deze twijfelachige verdienste!
***
25 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Was inmiddels mijn reputatie als "Sterrenkijker" in mijn omgeving min of meer gevestigd, nu werd het in breeder kring
bekend, dat daar in Halfweg zoo'n "uitzonderlijk" iemand woonde,
die overdag naar den grond en 's nachts naar de sterren keek,
en dat die man een nieuwe ster had ontdekt. Ik kreeg den indruk,
dat men in mijn omgeving nu minder smalend sprak over "die
halve gare", die altijd maar "met zijn kop omhoog naar de sterren
liep te kijken".
In datzelfde jaar hield ik mij ook bezig met het tellen der
sterren, die met het bloote oog te zien waren. Uit ervaring wist
ik al, dat ik alle sterren der grootte 6.5, die in "Ambronn's
Sternverzeichnis" waren aangegeven, met het bloote oog heel goed
zien kon. Nu had ik bij mijn teekenwerk ook een atlas liggen
in 40 bladen, alléén van den noordelijken hemel, waarop alle
sterren tot de grootte 6.5 voorkwamen als min of meer grootere
inktvlakken (schijfjes). Deze kaarten nu waren met het bloote oog
's nachts zonder kunstlicht af te lezen, hetgeen bij het teekenen
de bedoeling was geweest.
Nu bestond het tellen der sterren daarin, dat ik die kaarten
met den hemel vergeleek. Meende ik op een bepaalde plaats,
tusschen de min of meer heldere sterren, die op de kaart stonden,
nog een zwakkere ster te zien, dan werd op die plaats de ster zoo
nauwkeurig mogelijk aangeteekend met een bepaald teeken, b. v. O.
Voorts werd vermeld op welken datum dat gebeurde en hoe de
doorzichtigheid van de lucht was.
Zoo'n zelfde kaart nu werd op drie verschillende avonden of
nachten, soms ver uiteenliggend, met den hemel vergeleken en
dan werd er op iederen waarnemingsavond een ander teeken gezet
voor de sterren, die men meer meende te zien dan op die kaarten
voorkwamen.
Kwamen er nu drie van die verschillende teekens overeen wat
hun plaats betrof, dan concludeerde ik daaruit, dat ik met zekerheid op die plaats nog een ster zien kon. Dit werd altijd bevestigd
door de plaats van zoo'n ster uit een catalogus van de "Harvard
Sterrenwacht", waar alle sterren der grootte 7.5 in stonden. Waren
er twee van die teekens, die overeenkwamen met de werkelijke
plaats van een ster, dan waren dit twijfelgevallen. Die sterren kon
ik dan soms niet en soms wel zien. Was er maar één teeken op
de kaart aangegeven, dan verwierp ik die waarneming. Zoo werkende, kon ik op elke kaart een tamelijk groot aantal sterren
méér zien, dan er aangegeven waren.
Het kwam maar zelden voor, dat ik zonder onderbreken een
kaart met den hemel kon vergelijken, daar één zoo'n vergelijking
een heelen tijd in beslag nam. Nu kwam het dikwijls voor,
dat, door opkomende bewolking de waarneming moest worden
afgebroken, en waar ik dan moest ophouden, trok ik een potlood26 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
lijn van de eene ster naar de andere. Bij een daaropvolgende waarneming bedekte ik het reeds waargenomen gedeelte met een stuk
donker papier, waardoor dat gedeelte niet meer te zien was, om
te voorkomen, dat ik dit reeds geobserveerde gedeelte nog eens
doornam.
Het was de bedoeling, dat ik de geheel hier in Nederland
in den loop van een jaar zichtbaren hemel met deze kaarten zou
vergelijken. In een werkeloosheidsperiode met deze taak begonnen,
kreeg ik echter na verloop van tijd weer zulk zwaar werk, dat
alle andere dingen er bij moesten inschieten.
Dat zulke omstandigheden weleens ontmoedigend werkten, kunt
U gemakkelijk begrijpen. Het aldus vergeleken deel van den hemel.
negen kaarten, omvattende 30 graden rond om de noordpool, is nog in
druk verschenen door de goede zorgen van de "Amsterdamsche
Weer- en Sterrenkundige Kring".
Juist in deze periode, eind 1918, zou een voor de geheele wereld
uiterst belangrijke gebeurtenis plaats vinden - het einde van den
grooten Wereldoorlog.
Weinig kon ik vermoeden, dat voor mij persoonlijk een nog
grootere verandering zou plaats grijpen. Ik had mij al min of meer
vertrouwd gemaakt met de gedachte, dat ik waarschijnlijk nimmer
een grooteren kijker zou krijgen dan de 75 m. M. Steinheil. En
toch zou dat betrekkelijk spoedig op opzienbarende wijze geschieden.
Hoe dikwijls had ik tijdens mijn werk, of als ik eenzaam in
mijn kleine sterrenwachtje aan het kijken was, er over nagedacht,
hoe het wel zou zijn, als ik met een behoorlijk parallactisch gemonteerde 4 zoller, 108 m. M. kijker, kon werken. Allerlei fantasieën over ongekende waarnemingsmogelijkheden stonden mij voor
den geest. Wat moesten die amateurs, die over ruime geldmiddelen
beschikten en er een compleet modern observatorium op na konden
houden, toch gelukkige menschen zijn! Later, veel later zou ik
leeren inzien, dat een groot deel van dat geluk ook gelegen kan
zijn in de moeite, den arbeid, het overleg om in het bezit van een
betrekkelijk compleet observatorium te komen.
Het is weliswaar een eenigszins afgezaagd gezegde, dat hetgeen men zonder veel opoffering bekomen kan in den regel niet
erg gewaardeerd wordt, maar toch ligt er veel waars in.
In de nu achter mij liggende periode, had ik uit den aard der
zaak tot in den treure zitten neuzen in allerlei catalogi, prijslijsten
e. d. van wel alle Duitsche firma's, die astro-instrumenten vervaardigden, tegen prijzen, die vanzelfsprekend voor mij niet te
betalen waren.
Het gevolg hiervan was echter, dat ik tamelijk goed thuis raakte
in allerlei technische uitdrukkingen op dit gebied in de Duitsche
taal. Daarom ook had ik mij al eenige jaren geabonneerd op een
Duitsch tijdschrift, handelend over sterrenkunde, "Sirius" (thans
27 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
reeds lang opgeheven). Daar ik hierin op alle mogelijke gelegen
en ongelegen tijden zat te studeeren, tot ergernis vaak van mijn
huisgenooten, kon ik in betrekkelijk korten tijd de Duitsche taal
voldoende lezen. Het gebeurde een enkele maal, dat er in dat tijdschrijft kijkers te koop werden aangeboden, soms kleinere, soms
groote, doch meestal tegen prijzen, die toch nog boven mijn bereik
lagen. Daarbij kwam dan nog het risico of de kwaliteit wel
goed was.
Welnu, in de winter van 1918 op 1919 verscheen er weer een
advertentie, waarin een 140 m. M. kijker te koop werd aangeboden
en tegen een zeer lagen prijs. Dat was wat voor mij! Maar de
kwaliteit? Ik besloot het risico te nemen. Na eenig heen en weer
gecorrespondeer, kocht ik den kijker, al verontrustte mij de algemeen geldende voorwaarde, de koopsom vooruit te zenden, wel
eenigszins. Door een duplicaat-vrachtbrief wist ik, dat de eigenaar
den kijker afgezonden had, dus dat was in orde. Doch hoe schrok
ik, toen ik een dag of acht later bericht kreeg, dat de kijker
wel aan de Duitsche grens lag, doch er op order van een of andere
instantie, die den uitvoer van dergelijke voorwerpen controleerde,
niet over mocht, omdat de prijs te laag was. Mijn oordeel over
den verkooper was toen niet al te gunstig, dat verzeker ik U.
Echter moest ik, na verloop van enkele weken, mijn bittere, aan
hem gerichte woorden herroepen. Het bleek al spoedig, toen ik in
die dagen naar Berlijn gereisd was, dat ik met een betrouwbaar
man, een zeer reëel mensch, te doen had. Nadat de moeilijkheden
over den uitvoer van den kijker overwonnen waren, kon dus mijn
nieuwe aanwinst, een refractor, parallactisch gemonteerd, en
nog wel zoo'n groote, 140 m. M. opening in mijn bezit komen.
De verkooper bleek een uitermate bekwaam instrumentmaker
te zijn, die de 140 m. M. kijker voor zichzelf gebouwd had en
hem nu verkoopen moest, om dezelfde reden, als ik in 1916 mijn
108 m. M. kijker van de hand had moeten doen. Dat ik zelf naar
Berlijn was gereisd, hetgeen mij dank zij de lage valuta in dien
tijd, mogelijk was, diende om den uitvoer te regelen, doch had
bovendien, zooals later bleek, nog een goede zijde en wel de kennismaking met den verkooper. Deze leidde er namelijk toe, dat ik
hier in Nederland probeerde amateur-kijkers te verkoopen, door
mijn nieuwen Berlijnschen kennis geconstrueerd en aan mij geleverd. Ik hoor het mijn broer nog zeggen, nadat ik den eersten
kijker, welke ik voor den verkoop ontvangen had, al eenige maanden tevergeefs probeerde te verkoopen: "Jongen, die raak je nooit
meer kwijt!"
Soms twijfelde ik er zelf ook wel eens even aan, doch na verloop van vier maanden, vond ik toch een kooper. Deze, ook een
amateur, was de zoon van een wijnhandelaar en is nu reeds vele
jaren verbonden aan een der grootste Amerikaansche sterrenwachten.
28 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
De zakelijke relatie tusschen den Berlijnschen instrumentmaker
en mij duurde van den winter 1918-1919 tot 1926. Hoeveel
amateur-kijkers er in dien tijd van Duitschland naar hier kwamen,
zou ik niet zoo precies meer kunnen zeggen, doch het was een
heel aantal! Niet zelden gebeurde het, dat ik er vijftien in voorraad had.
***
Dat langzamerhand mijn eerste houten sterrenwachtje van
2 × 3 M. veel te klein geworden was, laat zich denken. Het had
dan ook al eenigen tijd plaats moeten maken voor een nieuw en
grooter, en wel een van 3 × 5 M. Nu dacht ik dan een zeer
voldoende ruimte te hebben, niet alleen voor het opbergen van
kijkers, die ik voor eventueele koopers in voorraad had, doch
ook om met de verworven 140 m. M. kijker te observeeren.
Hoe anders echter zou het uitkomen! Want waren het in het
begin slechts 3 à 4 kijkers, welke bij mij in depôt waren, al
betrekkelijk gauw waren het er 15, zooals ik reeds zei. En hoe ik
die dingen ook demonteerde en in alle mogelijke hoekjes wegstopte, vaak was het onmogelijk, zich om te keeren, zonder zich
te stooten aan kijkers of statieven. Als ik 's avonds wilde observeeren, dan moest ik eerst een aantal statieven naar buiten brengen,
eer ik mij eenigermate kon bewegen. Deze toestand had zijn voordeel, doch ook zeer ernstige bezwaren. Het voordeel was, dat ik
over een, voor een amateur, grooten, goed opgestelden kijker beschikte en door den verkoop mij financieel wat ruimer kon bewegen, hetgeen mij zeer wel te pas kwam. Het nadeel was, dat ik,
naast mijn dagelijksch werk als grond- en betonwerker, zoo in
actie was met kisten van het spoor halen, uitpakken, weer inpakken enz. enz., dat er door vermoeidheid dikwijls niet veel
komen kon van waarnemen, vooral in den zomer, als de nachten
heel kort zijn.
Verschillende merkwaardige voorvallen maakte ik in deze
periode mee. Zoo kwam er eens een aspirant-kooper voor een
kijker bij mij, die per saldo geen kijker kocht, doch, nadat wij heel
den middag over de mogelijkheden van invoer van instrumenten
en wat daarmede samenhangt, hadden gesproken, voorstelde, mij
een bedrag van f 5000.- te leenen, renteloos, om daarmee dien
handel uit te breiden, ook in andere instrumenten en de winst
dan samen te deelen. Ik weet nog niet goed waarom, doch ik
wilde er niet aan beginnen.
Zat hier misschien een addertje onder het gras? Ik geloof,
dat ik vaag deze gedachte had, misschien onbewust, ofschoon er
toch geen aanleiding voor was.
Een ander eigenaardig voorval was, dat ik van iemand de
uitnoodiging kreeg, aan een derden persoon prijsopgave te doen
29 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
van eenige kijkers, welke ik kon leveren. 's Nachts om 12 uur
deed ik nog deze prijsgave op de post, reeds den volgende dag,
ontving ik de koopsom voor den duursten kijker, welke ik aangeboden had, en de daarop volgende dag had ik den betreffenden
kijker al verzonden. Noch voor, noch na dien koop heb ik ooit
meer iets van dien kooper gehoord.
Deze tijd van hoog-conjunctuur is eigenlijk wel de grondslag
geweest voor mijn sterrenwachtje, zooals het vóór de brand was
ingericht. Als ik met menschen, die ik tamelijk goed ken, er wel
eens over spreek, dan drukken zij er soms hun verbazing over uit,
dat ik, "als gewoon los werkman met lange werkeloosheidsperioden", er zoo'n inrichting op na kon houden. Als ik dan echter
de geschiedenis van het ontstaan dezer "inrichting" vertel, wordt
het geval begrijpelijk.
Ik droeg er steeds zorg voor, dat de verkochte kijkers direct
door andere werden vervangen of wel door onderdeelen om kijkers
te maken, zoodat mijn voorraad op peil bleef.
Zooals ik reeds mededeelde, duurde de relatie met den
instrumentmaker tot 1926. Inmiddels had ik weer zoo te kampen
gekregen met ruimtegebrek in mijn tweede sterrenwachtje van
3 × 5 M., dat ik besloot om weer een ander en grooter te bouwen
en wel een van 4 × 8 M., te verdeelen in twee kamertjes van
4 × 4 M.; het eene voor bibliotheek en bergruimte voor kijkers
en het andere voor den grooten kijker, bekroond door een draaibaren koepel.
De in den winter van 1918 op 1919 verworven 140 m. M.
refractor was intusschen al weer van eigenaar verwisseld en nu
had ik de beschikking gekregen over een 148 m. M. apochromatischen kijker met een betere parallactische monteering dan de
voorgaande. Deze kijker vroeg ook om meer bewegingsvrijheid
dan de vorige, een dwingende reden dus om tot nieuwbouw over
te gaan. Ook het sterrenwachtje van 3 × 5 M. bestond nog maar
uit een enkel planken beschot, waardoor men 's zomers van
binnenuit door de ontstane kieren naar buiten kon kijken. Daar ik,
door de nu wat gunstiger financieelen toestand, in staat was een
bouwsel van betere kwaliteit op te richten, besloot ik, aan de binnenzijde een extra houten beschot aan te brengen. Zoodoende werd
een geheel dichte wand verkregen, hetgeen de praktijk later ook
uitwees.
De woning, die ik destijds bewoonde, was een huurwoning, per
week gehuurd van een oude weduwe en het was niet uitgesloten,
dat, als de eigenaresse kwam te overlijden, ik het huurhuis zou
moeten verlaten, wegens verandering van eigenaar. Later geschiedde dit inderdaad.
Daarom moest er rekening mee gehouden worden, dat de nieuw
te bouwen sterrenwacht betrekkelijk gemakkelijk uit elkaar genomen kon worden, om - zoo noodig - mee te kunnen nemen
30 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
naar een nieuwe woning. Had ik met deze mogelijkheid geen
rekening behoeven te houden, dan zou ik zeker het nieuwe gebouwtje in steen opgetrokken hebben, hetgeen de duurzaamheid
verhoogd zou hebben, terwijl de bouwkosten niet aanmerkelijk
hooger geweest zouden zijn. Zooals echter de toestand nu was,
moest ik mij aan houtbouw houden.
Het gebouwtje met een dubbel beschot, alles zeer solide betimmerd, en met een betonfundeering, kon ik tusschen mijn dagelijksch werk door, in 4 weken tijds optrekken. Hierbij is echter
de draaibare koepel, een trommelconstructie, niet medegerekend.
Aan een werkelijken koepel, dat is een zuiver halve bol, dorst ik
mij nog niet te wagen. Er waren daaraan voor mij toen nog
zooveel constructieve bezwaren verbonden, dat deze mij terughielden. Toch vorderde het bouwen van die trommel alleen nog
twee weken, zoodat de bouwtijd van het geheel zes weken
bedroeg. (foto 5).
In dit gebouwtje zou ik wel tot in lengte van dagen mijn thuis
gevonden hebben, als het niet in den winter van 1939 geheel door
brand verwoest was.
Toen ik na verloop van twee jaar een andere woning moest
betrekken, kon ik mijn "sterrenhuisje" meenemen. Gemakkelijk
was dat overbrengen overigens niet; schotten van 2.30 M. hoogte
en ruim 8 M. lengte, plus de draaibare trommel van circa 4 M.
in doorsnee, laten zich niet zoo gemakkelijk verplaatsen, doch in
1926 was alles weer "bedrijfsvaardig" opgesteld.
Gedurende deze periode, waarin ik uit Duitschland kijkers van
45 m. M. tot 160 m. M. opening toe, betrok, raakte ik ook bekend
met zoo goed als alle Nederlandsche amateurs, hetzij persoonlijk,
hetzij door correspondentie.
Toen de prijzen zich echter meer gingen aanpassen aan de
wereldmarkt, raakte, omstreeks 1926, mijn zakelijke relatie met
mijn leverancier weer op den achtergrond. Immers, hij moest zijn
grondstoffen, objectieven, oculairen, koper enz. nu ook tegen den
gestandaardiseerden marktprijs inkoopen, zoodat de prijs, welke ik
langzamerhand zelf voor de complete kijkers moest gaan betalen,
van dien aard was, dat het niet meer loonde om ze te verkoopen;
de prijzen moesten voor de amateurs te hoog worden. Door die
zeer verschillende kijkers steeds maar weer te monteeren en op
allerlei wijzen te probeeren, had ik echter een tamelijk goed inzicht
in de constructie van deze apparaten gekregen.
Als ik een klein afzetgebied van kijkers, al was dit dan ook
wisselvallig, zou kunnen behouden, had ik tenminste een kleine
financieele bron om mijn eigen onkosten als amateur te dekken.
Uit Duitschland kon ik echter geen kijkers meer betrekken.
En toch moest er raad geschaft worden! Ik besloot daarom de
sprong in het onzekere te wagen en zelf kijkers te gaan bouwen,
doch op welke wijze, daar had ik nog geen vast omlijnd denk31 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
beeld van.
Dat het met hamer en nijptang alleen niet zou gaan, begreep ik
zeer wel. Ik had al te veel voorbeelden gezien van op deze wijze
door amateurs gebouwde kijkers.
Neen, wilde ik iets goeds tot stand brengen, dan moest er heel
ander gereedschap gebruikt worden. In de allereerste plaats een
draaibank, welk sóórt moest ik nog uitzoeken. Dan een heele
verzameling spiraalboren, draadtappen enz. enz. Hoofdzaak was
echter de draaibank. Nu was ik in het najaar van 1921 een paar
maanden in Berlijn geweest, ter regeling van zakenrelaties, hoofdzakelijk met mijn instrumentmaker, en ik geef U de verzekering,
dat ik, telkens als ik in zijn werkplaats was - en dat gebeurde
nogal vaak - mijn oogen terdege de kost gaf. Reeds toen ik
de eerste keer bij hem kwam, was ik verwonderd, dat hij zoo'n
klein, doch uiterst geperfectionneerd draaibankje gebruikte, waarmee hij letterlijk alles doen kon. Een zoogenaamde instrumentmakers-draaibank. (foto 6). Welnu, zoo'n soort moest ik ook
hebben! Bij verschillende fabrieken vroeg ik prijs aan en ik besloot,
mij een bepaald model aan te schaffen; het is nog steeds in mijn
bezit. Het was al een heele financieele sprong om zoo'n ding te
koopen, doch de uitrusting met de noodzakelijke afzonderlijke
onderdeelen, bracht nogeens een even groote uitgave mee.
Met hoeveel ongeduld ik indertijd mijn eersten kijker uit
Duitschland tegemoet zag, kan men zich indenken, ook nu echter
was ik uit den aard der zaak zeer gespannen, want thans zou
moeten blijken, of ik kijkers zou kunnen maken.
Van de nog aanwezige voorraad kijkers, ging er zoo nu en dan
nog een af, dus er was weinig keus meer. Eindelijk kwam de
bestelde draaibank aan; het in elkaar zetten vorderde slechts
weinig tijd. Ik kon dus aan het werk gaan, maar ik stond toch
wel even vreemd en onwennig te kijken. Hoe zou ik het nu op
de beste manier aanpakken!
Niet lang daarna gebeurde het, dat ik iemand bij mij kreeg,
die een bepaalden kijker verlangde, dien ik niet meer had, een
150 m. M. refractor zonder statief. Wat nu? Op deze bestelling
van zoo'n grooten kijker had ik niet gerekend. Ik besloot ook nu
den sprong in het onzekere te wagen.
Niet onzeker, omdat ik niet wist, hoe ik zoo'n ding moest
bouwen, maar omdat ik nog nooit met een draaibankje gewerkt
had.
Het eerste wat ik deed, was een objectief en oculairen bestellen
en vervolgens modellen maken voor de noodige onderdeelen, die
gegoten moesten worden in geel koper of brons. Om kort te gaan,
ik werkte als een paard, het resultaat was echter, dat ik verschillende modellen weer opnieuw moest maken; aan deze modellen,
waarnaar de onderdeelen gegoten moesten worden, was buitengewoon veel werk om ze nauwkeurig op de juiste maat te draaien.
32 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
"Met vallen en opstaan leert men loopen", ook in dit geval, want,
ik verzeker U, dat ik heel wat keeren gevallen ben! Het eindresultaat was echter goed, de kijker voldeed volkomen aan de
eischen, door den kooper gesteld.
Gedurende den tijd, dat ik dezen eersten kijker aan het bouwen
was, gebeurde er iets, dat ik weleens in stilte gehoopt had, maar
waarvan ik de verwerkelijking nooit had kunnen droomen.
De bouw van den kijker zal zoo ongeveer voor een derde gereed
geweest zijn, toen ik op zekeren dag een schrijven ontving van
den directeur van de sterrenwacht in Lembang - N. O. -Indië.
Deze, Dr. Voûte, stelde mij niet meer of minder voor, dan als
assistent van zijn sterrenwacht naar Indië te komen en daar een
program van werkzaamheden door te voeren, hoofdzakelijk op
het gebied van de zuidelijke veranderlijke sterren. Er was ook
zelfs een schema voor de reis enz. bij ingesloten, waaruit bleek,
dat, indien ik er op inging, ik reeds twee weken later moest
vertrekken.
Daar zat ik nu met mijn kijkerbestelling! Het instrument was
nog niet gereed, zooals ik hierboven reeds opmerkte. Goede raad
was duur! Ik stuurde een kort telegram, meldende, dat ik 14 dagen
later zou afreizen dan mij voorgesteld was.
In de vier weken, welke mij voor mijn vertrek nog restten,
zou ik den kijker wel geheel gereed kunnen krijgen. De oculairen
en de enkele zonneglazen had ik reeds ontvangen, het bestelde
objectief wilde echter maar niet komen. Wat ik ook schreef
aan de firma, die het leveren moest, het kwam maar niet.
Dat er onder meer dan hoogen druk gewerkt moest worden
aan de voorbereidingen voor de reis kan men zich voorstellen.
Er moest een reisuitrusting klaargemaakt worden, in eenige koffers
en kisten gepakt. Eenige complete kijkers gingen mee, ook een
groot deel van mijn boeken en kaarten. De kijker moest intusschen
afgebouwd worden, ook moest ik in opdracht van Dr. Voûte nog
verschillende bezoeken afleggen. Van slapen kon niet veel komen.
Weliswaar heb ik altijd weinig slaap noodig gehad, doch het was
achteraf beschouwd, toch wel heel inspannend.
Ofschoon het objectief nog steeds niet was gekomen, kon ik
met het bouwen van den kijker voortgaan, daar de leverancier mij
een teekening der juiste maten van de objectiefvatting zond.
Daardoor kon ik den geheelen objectiefkop gereed maken en het
objectief er later inzetten. Dat deze werkwijze juist was geweest,
zou reeds spoedig blijken.
Intusschen ging de tijd voorbij. De kijker en de verpakkingskist
om hem te verzenden waren klaar, mijn bagage voor de boot
was al weg, maar - van het objectief was nog geen spoor te
bekennen.
Drie dagen, voordat ik vertrekken moest, kreeg ik uit Zevenaar
een formulier voor de inklaring. Nu wist ik uit ervaring, dat het
33 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
dan zeker nog ongeveer 7 dagen zou duren, voordat ik het in te
klaren voorwerp zou ontvangen. Ik schreef echter een heel beleefd
briefje, waarin ik de omstandigheden uiteenzette, en, precies
op tijd, kreeg ik 's Zaterdagsmorgens per post het objectief toegezonden. Het was toen ongeveer 9 uur, terwijl ik uiterlijk om half
twaalf in Amsterdam op de boot moest zijn.
Vlug kon ik nog even constateeren, dat het objectief nauwkeurig in den objectiefkop paste; daarna moest ik den kijker
inpakken en verzenden. Ook deze moest een groote reis maken;
ging ik zelf naar Oost-Indië, de eerste kijker, die ik onder hoogen
druk zelf gebouwd had, ging een week later naar Zuid-Afrika.
Nu kwam de kans van mijn leven, meende ik. Nooit had ik
kunnen denken, dat zooiets nog eens voor mij weggelegd zou
zijn. Met hoeveel hoop en moed ging ik dan ook op reis! Toch
moest ik dikwijls denken aan alles, wat ik achter liet, want mijn
geheele astronomische uitrusting, de 148 m. M. apochromatische
refractor, nog een zestal kleinere kijkers van 100 en 80 m. M., een
groot deel van mijn boeken en meer nog konden niet mee. Daarvoor in de plaats kwam echter een zeer uitgebreide bibliotheek
en een 100 m. M. kometenzoeker plus een 160 m. M. refractor,
waarmee ik in Lembang den eersten tijd zou werken. Misschien
dat ik later, als de groote dubbelrefractor van 60 c. M. opening
voltooid zou zijn, ook daarmee zou moeten werken, maar dit was
nog toekomstmuziek, want weliswaar was deze besteld, doch het
zou nog zeer lang duren, voordat hij naar Lembang kon worden
verzonden.
Toen kon ik nog niet vermoeden, dat mijn verblijf in Lembang
van zoo korten duur zou zijn. Evenals eenige werkkrachten vóór
mij en een aantal na mij, zou ik er niet langer dan een klein jaar
blijven. Het is hier niet de plaats om te gaan uiteenrafelen,
waaròm dat zoo was, doch het is een feit, dat ik reeds ongeveer
vijf maanden na mijn aankomst wist, dat ik daar niet blijven zou.
Dat dit besluit mij ontzettend zwaar viel, zal men kunnen begrijpen als men mijn veranderde levensomstandigheden nagaat.
Dáár kon ik mijn hoogsten wensch, iets bij te dragen tot de astrowetenschap, vervullen, dáár stond een uitgebreide bibliotheek tot
mijn beschikking, dáár had ik een, zij het niet groot, maar dan
toch vast inkomen en was dus van de zorgen voor het dagelijksch
brood bevrijd; kortom, het was in meerdere opzichten een ideale
werkkring voor mij.
Terug in Nederland zou ik mijn oude vak van grond- en betonwerker weer moeten opnemen, met alle, mij al te zeer bekende
ups and downs, doch meest downs. Dit alles stond mij helder voor
den geest en toch ging ik na verloop van een klein jaar uit eigen
beweging terug. Vraagt men mij nu of ik er later wel eens spijt
van gehad heb, dan moet ik hierop bevestigend antwoorden.
Vooral als ik week in, week uit, maand in, maand uit werkeloos
34 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
was, heb ik weleens gedacht "was ik er maar gebleven". Toch
geloof ik, dat ik voor mij, doch bovenal voor mijn gezin er goed
aan gedaan heb, weer uit Indië weg te gaan.
Mijn werkzaamheden als assistent in Lembang bestonden hoofdzakelijk in het waarnemen der lichtwisseling van zuidelijke veranderlijke sterren. Na verloop van ongeveer 3 maanden had ik
een program opgesteld, waarin ik ongeveer 130 van dat soort
sterren onder observatie had. Hoe die observaties uitgevoerd
worden, zal ik uiteenzetten, als ik daarover later kom te
spreken.
Nog maar eenige weken was ik in Lembang werkzaam, toen de
directeur mij voorstelde, mijn draaibank en al mijn gereedschappen
over te nemen ten behoeve van kleine herstellingen aan de uitrusting van de sterrenwacht. Dank zij de goede zorgen van een
paar oude, vertrouwde vrienden, die alles ingepakt hadden, kwam
de heele zending in goede orde in Lembang aan. Hoe was het
mij te moede, toen ik al die, reeds zoo langen tijd vertrouwde
gereedschappen weer eens ter hand kon nemen.
Eind 1925 aanvaardde ik den terugreis naar Nederland, mij er
wel van bewust, dat deze episode, want meer was het niet geweest, voorgoed voorbij was.
VIERDE HOOFDSTUK
Allerlei menschen, die meermalen het zuidelijk halfrond bereisden, en wel eenige kennis van de sterrenbeelden hadden, gaven
vroeger hoog op van den zuidelijken sterrenhemel. Zij beweerden,
dat deze veel mooier was dan die in onze streken op noorderbreedte. Over het Zuiderkruis vooral raakte men dan niet uitgepraat. Door eigen aanschouwing kende ik de zuidelijke sterrenbeelden natuurlijk niet, al waren de hoofdfiguren mij uit enkele
atlasjes wel zoo ongeveer bekend. Op de bootreis kon ik mij
echter zonder veel moeite met de verschillende sterrenbeelden
vertrouwd maken, en toen ik in Indië aankwam, "wist ik daar
al net zoo goed den weg in de sterren, als in Nederland".
(Kaartje 5). De figuur van het Zuiderkruis vond ik niet alleen
niet mooi, doch uit aesthetisch oogpunt beschouwd, viel zij mij
ook tegen. Immers, het is geen zuiver kruis en dan, de ééne ster
is aanmerkelijk minder helder dan de andere.
In dit opzicht vind ik het Noorderkruis, zooals het sterrenbeeld "De Zwaan" ook weleens genoemd wordt, veel mooier.
Hoofdzakelijk zal dit wel hieraan liggen, dat de sterren van
35 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
het Zuiderkruis alle dicht op elkaar staan, terwijl de "Zwaan"
sterren, die een kruis vormen, veel verder van elkaar afstaan,
dus niet zoo in het oog vallen. In dit opzicht vind ik de figuur
van den gordel van Orion mooier, met drie bijna even heldere
sterren zoo dicht bijeen, bijna op een rechte lijn. Neen, uit
aesthetisch oogpunt bezien, vind ik het sterrenbeeld "De Schorpioen" aan den zuidelijken sterrenhemel aanmerkelijk mooier, ook
omdat het zoover zuidelijk staat, dat het, bij het oprijzen uit den
horizon, al het ware een schorpioen voorstelt, die uit de onderwereld opstijgt, om, bij het neerdalen daar weer in neer te duiken.
Nog een ander sterrenbeeld vind ik aanmerkelijk mooier dan
het Zuiderkruis, namelijk Orion. Doch op het zuidelijk halfrond
gaat er van deze schoonheid veel verloren, daar dit beeld dwars
uit den horizon oprijst, dwars zijn weg vervolgt en ook weer
dwars verdwijnt.
Voor het noorder halfrond is echter dit sterrenbeeld wel het
mooiste, vooral als men zooveel fantasie bezit, dat men zich de
figuur van den reus Orion kan voorstellen, aangegeven door een
aantal heldere en zéér heldere sterren. Immers, bij ons komt het
niet dwars uit den horizon, doch juist zoo, dat het, in het Zuiden
gekomen, een rechtopstaande reus voorstelt, gereed om met een
knots "De Stier" te bestrijden, Wat ik wèl mooier vond, dat was
de Melkweg; juist het mooiste gedeelte in het sterrenbeeld, "De
Schutter" en nog zuidelijker, is voor ons Noorderlingen maar voor
een klein deel te zien, meestal zelfs nog door nevel of bewolking
verborgen.
Er is nog een verschijnsel in Indië, dat mij bijzonder opviel,
en wel dat de schemering er zoo kort duurt. Uit boeken was
het mij weliswaar bekend, dat de sterren daar recht op- en ondergaan, evenals de zon en dat daardoor de schemering zoo kort is,
doch als men het zelf meemaakt in de natuur, valt het toch sterk
op. Ook het zodiakaal licht is daar altijd mooi te zien. En de
planeet Mercurius kan men er bij elke oostelijke of westelijke
elongatie zeer gemakkelijk eenige weken achtereen met het bloote
oog vervolgen.
Ik herinner mij een zeer mooien samenstand van Mercurius,
Venus en Mars, die ik twee avonden achtereen tegelijk kon zien
in het veld van den kometenkijker. (kaartje 6). Door de snelle
beweging van Mercurius was dat den volgenden avond niet meer
mogelijk.
Is dit daarvóór wel eens gezien? Zoover mij bekend is niet.
Nu bestaat er een organisatie ten dienste van sterrenwachten
en amateurs, die, mits men geabonneerd is, bij een plotseling
en belangrijk verschijnsel aan den hemel, daarvan onmiddellijk
telegrafisch bericht in code aan de abonné's zendt. Desondanks
moest ik op het laatst van mijn verblijf in Indië door een toevallig
gelezen krantenberichtje vernemen, dat er een heldere nieuwe ster
36 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
in het sterrenbeeld Pictor was verschenen. Ik kon er nog een
200 helderheidsschattingen van maken. En met dit werkje was
het einde van mijn Indische "loopbaan", welke zooals men ziet,
niet veel om het lijf had, gekomen.
Terug in Nederland, kon ik eerst na verloop van ongeveer vier
maanden weer werk vinden in mijn oude vak.
Dat ik indertijd goed gedaan had, mijn nieuwe behuizing voor
mijn sterrenwacht in hout op te trekken, bleek al spoedig na mijn
terugkomst, daar ik begin 1926 het geheele huisje uit elkaar moest
nemen, omdat ik in een ander gedeelte van mijn woonplaats, een
ander huis moest gaan betrekken.
Het spreekt vanzelf, dat ik mijn in Lembang aangevangen waarnemingen ook hier zooveel mogelijk trachtte voort te zetten, wat
betreft de sterren, die ook hier nog te zien zijn; zooals steeds weer,
kwamen er echter omstandigheden in verband met mijn werk,
waardoor het voortzetten dezer waarnemingen onmogelijk werd.
Reeds vóór ik naar Indië vertrok, had ik mij ten zeerste geinteresseerd voor de hemelfotografie. In het begin experimenteerde
ik met een onbenullig fototoestel van 9 × 12 c. M., met een lensje
van ongeveer 20 m. M. diameter. Later met de z. g. "kanonnen",
dat waren die zeer groote Petzval objectieven, die ook nu nog in
de astronomische literatuur zoo sterk voor amateurs worden aanbevolen. Wat ik met deze laatste dingen al niet uitgehaald heb!
Van alles, maar het liep steeds op een desillusie uit.
Meermalen kreeg ik een scherp sterrenbeeldje in het brandpunt
van zoo'n groot en lichtsterk objectief (soms ook dat niet eens),
doch kwam men op de plaat van 9 × 12 c. M. maar één c. M. uit
dit juiste brandpunt, dan was het hopeloos mis. Dan werden de
sterren er alle op afgebeeld met lange staarten, net als kometen.
Daarom gaf ik de pogingen om met dit soort objectieven iets
te bereiken, maar op, na er zeker wel een tiental geprobeerd te
hebben.
Neen, dan mijn allereerste onbenullige 9 × 12 camera, hoewel
daarin slechts een lensje zat met ongeveer 20 m. M. opening! Als
ik daarmee een plaat ongeveer 20 minuten belichtte, kon ik er
op rekenen, dat ik van het geheele Orion sterrenbeeld ongeveer
alle sterren tot de grootte 9 op het negatief kreeg. Om meer te
bereiken was echter een grooter objectief, speciaal om sterren
te fotografeeren, noodig.
Veel genoegen heb ik daarna gehad van een "Aristostigmaat
F 4.5" van 24 c. M. brandpunt afstand. Ik kon er op rekenen,
dat ik, bij goede heldere lucht en ongeveer 2 uur belichting, alle
sterren tot de grootte 13.5 op de plaat kreeg. En ook de scherpteekening was ruim voldoende: aan den rand van de 9 × 12 plaat
zelfs aanmerkelijk beter dan met de zeer groote Petzval objectieven
1 c. M. uit het brandpunt.
De hemelfotografie is door amateurs zeer wel te beoefenen en
37 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
wordt trouwens door hen ook heel veel beoefend. Het is echter
geen sinecure om zoo'n camera 2 of soms 3 uur lang nauwkeurig
met de sterren mee te draaien, meestal door middel van een
buigzame as, die een wormwiel aandrijft, waardoor de kijker
met de camera de sterren in hun dagelijkschen loop volgt.
Iedere amateur zal een goed gelukt stel platen van de een of
andere hemelstreek zeker als een schat bewaren.
Deze methode van amateur-astronomie heeft veel vóór op het
alleen zien door een kijker. Bij het zien door een kijker, is men
uitermate aan de wisselvalligheden van het weer blootgesteld; dat
is trouwens ook met fotografeeren het geval. Doch als men b. v.
twee camera's op zijn kijker monteert en beide tegelijk twee of
drie uur belicht, terwijl men ze zoo heeft afgesteld, dat de platen
elk een ander stuk van den hemel belicht krijgen, dan heeft men
twee opnamen van een zóó groot gedeelte van den hemel, dat,
als men dat met den kijker alleen zou willen doorzoeken, men
maanden, zoo niet eenige jaren noodig zou hebben.
Daarenboven kan men ook met ongunstig weer op deze negatieven zijn onderzoekersdrift botvieren. Men kan er immers de
helderheid van veranderlijke sterren op schatten, men kan onderzoeken of er een komeet op voorkomt. Soms schiet er een vallende
ster door de hemelstreek, welke men belicht heeft en die laat
trouw zijn spoor, als een lichtende streep tusschen de sterren, op
het negatief achter, Ook kan men er meermalen een kleine planeet
op vinden. Komt er aan den hemel jaren later een of ander vreemd
verschijnsel te zien en heeft men van die hemelstreek een negatief,
dan kan men controleeren of het niet reeds te zien was, zij
het dan ook zwak, toen men het negatief belichtte. Zoo herinner
ik mij, dat ik een negatief gehad heb van de hemelstreek om
'delta' Cephei, waar jaren later een Nova verscheen. Ik kon toen deze
Nova, als sterretje der grootte 14, identificeeren op de oude
plaat.
Inderdaad, de hemelfotografie door amateurs heeft veel voor
boven alleen maar kijken. Nu is het zoo, dat vrijwel alle amateurs,
wanneer zij pas beginnen, verrukt zijn van den aanblik der planeten.
Doch na korteren of langeren tijd raakt het nieuwtje er af,
tenzij men een speciale studie maakt van het een of ander verschijnsel. En zoo gebeurt het nog weleens, hoewel niet zoo dikwijls
als men oppervlakkig zou denken, dat de belangstelling van den
amateur, na de beginperiode, vermindert. Gaat men zich echter
aan hemelfotografie wijden, dan is het arbeidsveld zoo groot, dat
men zijn leven er mee kan vullen.
Deze tak der amateur-astronomie stelt echter nog heel andere
eischen aan de uitrusting van den amateur, dan wanneer men zich
tevreden stelt met alleen maar kijken. Bij het fotografeeren toch,
is de kijker tot een soort hulpinstrument gedegradeerd, daar deze
dan alleen maar dient als richtmiddel om te zorgen, dat de sterren,
38 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
die men fotografeert, steeds "stil blijven staan" als puntjes op
de plaat. Veel hoogere eischen worden er dan echter gesteld aan
het statief der kijker-installatie. Dit moet zoo zijn, dat het niet,
althans niet zoo gauw, aan trillingen onderhevig is en het moet
toch ook weer parallactisch gemonteerd zijn. Er moet aan de
declinatie-as een fijne schroefbeweging en kleminrichting zijn, en
ook aan de uuras moeten zich deze schroefbeweging en klemming
bevinden.
Om nu een parallactischen voet zoo te maken, dat hij ook aan
aesthetische eischen voldoet, moeten er een in graden verdeelde
declinatie-cirkel en een uurcirkel bij aangebracht zijn.
Ik zelf vind deze laatste dingen echter niet zoo belangrijk; ik
kan wel zeggen, dat ik ze zoo goed als nooit gebruikt heb. Wel
een nuttig hulpmiddel op zoo'n installatie is een zoeker, een klein
kijkertje met kleine vergrooting doch met een groot gezichtsveld,
zoodat men zeer gemakkelijk een bepaalde ster in het veld van
zoo'n zoeker kan brengen. Heeft men dan het geluk, dat men een
of meer goede foto-objectieven heeft kunnen vinden, dan is de
astrograaf voor den amateur vrijwel compleet en kan hij zijn
krachten aan de astro-fotografie gaan wijden. Dezen weg heb ik
zelf ook bewandeld, zooals zoovelen, maar ook deze weg wil
geleerd en gekend zijn. Er komen zooveel dingen bij te pas,
waarop men acht moet slaan, dat men er al gauw één of zelfs meer
tegelijk vergeet.
Een eerste vereischte is, dat de parallactische voet zoo nauwkeurig mogelijk moet opgesteld staan, zoodat men alleen maar de
uuras door middel der fijne schroefbeweging behoeft te draaien.
Aan dezen eisch is niet moeilijk te voldoen; hoe, dat wordt
nog wel op een andere plaats uiteengezet. Dan moet de verbinding
tusschen de kijkers en de camera zoo stevig zijn, dat deze tijdens
de belichting niet van stand ten opzichte van elkaar kunnen veranderen. Gaat men belichten, dan moet het deksel of de dop
van de fotolens afgenomen worden en moet ook de schuif uit
het chassis opengezet zijn. Daarbij dient men te zorgen, dat door
het draaien van de uuras steeds een heldere ster, die men als
volgster gebruiken wil, zorgvuldig achter het kruis van een oculair
bedekt blijft. Heeft men dit alles correct volbracht, dan kan men
gaan belichten, geen 1/25 seconde, ook niet een geheele seconde,
zooals bij de gewone amateurfotografie, doch van een half uur
tot meerdere uren toe. Alleen een begin van sluiering van de plaat
stelt een grens aan den belichtingstijd, daarom zal men in
een stad niet zoo lang kunnen belichten als buiten. Nu is vooral
het volgen van zoo'n volgster geen alledaagsch werkje. Immers,
zoo lang als men de plaat wil belichten, moet men door het
oculair de volgster volgen, steeds maar turend door een gaatje
van een paar m. M. middellijn. Heeft U dat weleens gedaan, lezer?
Neen? Dan moet U dat eens probeeren in de huiskamer bij een
39 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
behaaglijke temperatuur en op uw gemak gezeten in uw hoekje.
Maar doe het ook eens in een mooien Augustusnacht, als de
Melkweg zóó prachtig aan den hemel staat, dat het U zou verleiden om daar nu eens eenige goede negatieven van te maken.
Al heel gauw krijgt U dan bezoek van muggen, die U op alle
mogelijke en onmogelijke plaatsen trachten te steken. En dan moet
U dit werkje eens probeeren in den winter, als het 5 of 10 graden vriest.
Zelfs als U, rekening houdende met de koude, extra warm
gekleed zijt, zult U, zonder er direct erg in te hebben, na eenigen
tijd eens ervaren, hoe door en door stijf U geworden bent van
de koude.
Toen mijn astro-fotografische periode begon, kwam ik al
spoedig tot de ontdekking, dat de parallactische monteering van
mijn 148 m. M. refractor, hoe mooi en deugdelijk ook voor den
kijker alléén, veel te licht van constructie was om ook nog voortdurend eenige astro-camera's te dragen. Daarom ging ik er toe
over om een veel zwaardere monteering te bouwen, waardoor het
mij mogelijk werd, eenige camera's tegelijk te kunnen gebruiken.
Ook kon ik nu met de omstandigheid rekening houden, dat er
op deze zwaardere monteering, bij mijn kijker nog een of meer
andere gemonteerd konden worden, om die te beproeven. Had ik
tot dan toe meerdere parallactische monteeringen gebouwd voor
80, 100 en 120 m. M. kijkers, nu moest het er een worden, zoo
zwaar en stabiel, dat er desnoods een refractor van 300 m. M.
op aangebracht kon worden. Eenig denkbeeld van de te bouwen
monteering krijgt men, als men weet, dat de declinatie-as 7.5 c. M.
dik was en ongeveer 1.40 M. lang, de uur-as 9 c. M. dik en 90 c. M.
lang. Om deze assen te monteeren, waren weer ijzeren gietstukken
noodig van 100 K. G. en meer.
Het is te begrijpen, dat ik deze dingen niet op mijn instrumentmakers-draaibankje kon bewerken, doch de eigenaar van een
constructie-werkplaats in Amsterdam was bereid om die zware
stukken voor mij te bewerken voor een, mijn financieele draagkracht niet te boven gaand, bedrag. Ik was er mij zeer wel bewust
van, dat hij dit deed om mij terwille te zijn, daar de kosten eigenlijk veel hooger hadden moeten zijn. Immers, als regel geldt,
dat men voor draaiwerk f 1.25 à f 1.50 per uur betaalt en hoeveel
uren werk waren voor mijn opdracht noodig! Daarom betuig ik
den eigenaar van die constructie-werkplaats hier openlijk mijn
dank. Ik zou echter nog bijna een heelen zomer werk hebben,
voordat de monteering geheel klaar was en ik haar in gebruik
kon nemen (1931). Toch was er aan deze monteering nog een
hinderlijk bezwaar en wel dat de kijker niet automatisch gedraaid
kon worden door een uur- of motorwerk, zooals dit op groote
sterrenwachten gebruikelijk is.
Het volgen en bewegen met den sterrengang door middel van
een buigzame as, viel nu wel niet zoo heel moeilijk, doch het was
40 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
"pompen of verdrinken". Geen oogenblik mocht met draaien aan
dien buigzamen as opgehouden worden, ook niet, als de richting
van den kijker het noodzakelijk maakte, dat men ook den koepel
iets verdraaien moest, hetgeen ongeveer elke 20 minuten diende
te gebeuren. Evenmin, als men in een zeer ongemakkelijke houding
moest zitten om het oog steeds maar voor het oculair te houden,
en ook niet als men hooger of lager moest gaan zitten, ja, dan
moest voor een kort oogenblik weleens op goed geluk gedraaid
worden. Spoedig krijgt men daar echter zooveel routine in, dat
men dan vrij nauwkeurig de juiste draaisnelheid blijft volgen en
daarom kreeg ik dan ook geen waarneembare fouten op de
neatieven.
Bij al deze werkzaamheden moest ik er altijd op bedacht zijn,
mijn voorraad van min of meer groote kijkers, geschikt voor
amateurs, op peil te houden. Niet zelden had ik een tiental, soms
nog meer in voorraad. Daar ik deze kijkers altijd, ook nu nog,
in mijn vrijen tijd moet bouwen, kan men zich wel indenken,
dat mijn dagelijksche werkindeeling geen rekening hield met een
achturigen werkdag. Doch dit werk zag ik, en zie ik nog, hoofdzakelijk als een ontspanning, na de soms zeer geestdoodenden
arbeid, die overdag mijn deel was.
***
Nu moet ik toch eens iets vertellen, zij het terloops, waarover
ik nog niet gesproken heb en wel over het bezoek, dat men nogal
eens ontvangt van belangstellenden,
Wanneer men als amateur zijn loopbaan begint, heeft men al
heel gauw de belangstelling (of wat er voor doorgaat) van familieleden en menschen uit de naaste omgeving. Ik heb er altijd plezier
in gehad om de menschen het een en ander te laten zien, dat voor
hen belangwekkend is. Dikwijls gebeurde het, en gebeurt het nog,
dat er 's avonds heele groepen komen kijken, meestal menschen,
die overdag hun bezigheden hebben, maar die daarnaast toch zoveel belangstelling hebben voor den sterrenhemel, dat zij ook
weleens het een en ander willen zien, al zijn er zeer weinigen
die er dieper op ingaan.
Zooals men verwachten kan, worden de meest uiteenloopende
vragen gesteld, vaak vragen, die men met de beste wil niet kan
beantwoorden, omdat men over het gevraagde niet speciaal georiënteerd is, of omdat ze voor beantwoording niet vatbaar zijn.
Uit den aard der zaak zou men verwachten, dat de meeste belangstellenden uit de plaats mijner inwoning komen. Dat is echter
niet het geval; de meeste belangstellenden komen uit de groote
steden, en verder uit alle hoeken van Nederland.
Eén soort bezoekers ben ik altijd zeer terwille en wel de jonge
menschen, die eigenlijk pas aan het begin van hun leven staan.
41 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Komt dat, omdat ik uit eigen ervaring zoo goed weet, wat zij
gevoelen en wat hun verlangens zijn, zoodra hun belangstelling
voor dezen tak der wetenschap is ontvlamd? Hoeveel jonge menschen fietsen ook nu nog, niettegenstaande de verduistering,
dikwijls uren lang om mij te bezoeken om hier "naar de sterren
te kunnen zien"!
Toch kan het soms lastig zijn aan al die verlangens te voldoen.
Meerdere malen is het gebeurd, dat ik een pas begonnen belichting
met de camera moest afbreken om bezoekers ter wille te zijn. Dat
is zeker onaangenaam, maar voor de menschen zou het ook niet
prettig geweest zijn, als zij onverrichter zake hadden moeten terugkeeren, alleen omdat ik nu juist kans had om een paar goede
negatieven te maken. Daarom ook is het zeer gewenscht, dat
bezoekers hun komst steeds vooraf aankondigen.
Hoewel ik het bezoek van belangstellenden meestal op prijs
stel, is er toch een bepaald type menschen, dat ik niet goed kan
zetten. Wat zegt men ervan, als men tijdens het fotografeeren
bezoek krijgt van één meneer, die gedurende den geheelen belichtingstijd, 2½ uur lang, bij je blijft staan praten over allerlei
onbenulligheden, of een ander, die precies het naadje van de kous
wil weten over de constructie van een kijker; waar men de benoodigdheden ervoor kan krijgen, hoeveel alles kost enz. enz. Dit
met de kennelijke bedoeling om zelf te gaan bouwen, hoofdzakelijk
om kijkers te verkoopen. Een toekomstige concurrent dus! Dergelijke dingen worden zelfs mij weleens te machtig.
Trouwens, in mijn, zoo korte, Indische periode, heb ik ook maar
al te vaak kennisgemaakt met soms zeer eigengereide bezoekers,
die meenden dat de sterrenwacht er speciaal voor hen was.
Dat ik over bezoek niet te klagen heb, blijkt wel uit het feit,
dat er eens een gezelschap van 59 personen tegelijkertijd kwam.
Onnoodig te zeggen, dat iedere bezoeker maar een paar keer een
kort oogenblik de maantjes van Jupiter kon zien.
Daarom vind ik den maatregel van enkele groote Amerikaansche
sterrenwachten, om op bepaalde avonden het publiek een blik te
laten werpen op interessante objecten aan den hemel, zeer toe
te juichen. Het kan niet anders of de grootere en diepere belangstelling der laatste jaren is daaraan te danken.
Ook is het jammer, dat Nederland geen zoogenaamde volkssterrenwacht rijk is, zooals er eenige, speciaal in Duitschland, zijn.
Is het geen cultureele taak voor ons land om daartoe over te
gaan? Voor soms veel minder belangrijke denkbeelden is geld
te vinden, waarom dan niet voor een dergelijke instelling, die een
niet te onderschatten cultureele waarde heeft!
***
42 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Doordat ik in voorgaande jaren veel verschillende soorten kijkers
leerde kennen, ze op alle mogelijke manieren onderzocht en probeerde, heb ik een goed inzicht gekregen in het optisch vermogen
en de kwaliteit der verschillende instrumenten.
Er bestaat zooiets als een economie voor amateur-sterrenkundigen of zij, die het wenschen te worden. Bijna altijd hebben
zij één ding gemeen, n. l. dat zij hun liefhebberij moeten bekostigen
uit een schrale beurs. Er moet altijd gewoekerd worden met het
bedrag, dat disponibel is, of dit nu een paar honderd of een
paar duizend gulden is. Men wil in de eerste plaats een zoo groot
mogelijken kijker hebben. Later zal ik nog wel gelegenheid hebben,
uitvoerig te beschrijven, wat men met een bepaalden kijker kan
zien en wat men er van verwachten mag. Ook en vooral met het
statief en de monteering is dit het geval.
VIJFDE HOOFDSTUK
Nu kwam voor mij door ziekte in mijn gezin een lange periode,
waarin het observeeren, kijkers maken, teekenen, enfin, alles, wat
met sterrenkunde in verband staat, geheel op den achtergrond
raakte. Dit duurde ongeveer twee jaar. Juist vóór dezen tijd had ik
een program van veranderlijke-sterren-observatie afgewerkt van
ongeveer een jaar. Daaraan kwam dus, toen deze gedwongen
werkeloosheid intrad, een einde. Geheel improductief was deze zeer
verdrietige tijd toch weer niet, daar ik meerdere nachten per week
wakend moest doorbrengen. Bij een dezer gelegenheden, toen ik,
om niet door slaap overmand te worden, naar buiten liep, ontdekte
ik eenige graden van 'delta' Cephei af de nieuwe ster (Nova), welke
in het sterrenbeeld Lacerta zichtbaar was. Ook dit was dus
geen verdienste voor verrichten arbeid, het was louter toeval.
(kaartje 7).
Immers in het jaar, dat ik het program van veranderlijke sterren
doorvoerde, stond ook de ster 'delta' Cephei daarop en had ik ook
eenige sterren uit het sterrenbeeld Lacerta gebruikt als vergelijkingssterren. Ik was dus met deze omgeving vertrouwd en
daardoor struikelde ik als het ware over deze Nova bij het beschouwen van de ster 'delta' Cephei.
Nadat deze voor ons zoo pijnlijke tijd voorbij was, kon ik er
na verloop van tijd toe komen om de huishouding in mijn sterrenwachtje weer eenigszins op orde te brengen. Er moest een en ander
veranderd worden, kasten verplaatst, de nog aanwezige kijkers
behoorlijk gemonteerd, de bibliotheek weer in orde gebracht wor43 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
den; in één woord, alles moest een goede beurt hebben. Daarbij
kwam, dat ook de werklust niet meer zoo aanwezig was. De
reorganisatie duurde dan ook langer dan eigenlijk noodig geweest
was. Langzamerhand kwam echter alles toch weer in orde en
kon ik weer avonden achtereen observeeren.
Langzamerhand kwam ik er ook weer toe, met den kijkerbouw
voort te gaan. Er kwam echter weer een tegenvaller; de winter
was zeer streng, met felle koude, zoodat er dagen en dagen verliepen, dat ik niet in mijn sterrenwachtje kwam.
Nooit zal ik een zekeren nacht in December '38 vergeten, toen
ik op zeer nadrukkelijke wijze door een buurman uit mijn bed
gepord werd. Hij rukte de deur bijna uit de stijlen om ons wakker
te krijgen. Onbewust ging het door mijn hoofd, dat men niet om
een kleinigheid iemand op deze wijze uit zijn slaap haalt en daarom
holden wij naar beneden. Daar zag ik het ongeluk plotseling en
in vollen omvang voor mij - brand in mijn sterrenwacht!!
Wat ik gevoelde, wat ik dacht, wat ik precies deed of gedaan
heb, ik weet het niet meer. Wel herinner ik mij, dat ik een uur
later in mijn nachtgewaad bij mijn totaal vernielde sterrenwachtje
stond. En toen pas begon ik te merken hoe koud, hoe bitter koud
het was.
Wat is door dezen brand voor mij en mijn werk al niet verloren
gegaan! Alles, tenminste bijna alles, wat ik in een dertigtal jaren
onder de moeilijkste omstandigheden tot stand had gebracht, lag
in asch. Een klein deel van de bibliotheek en enkele optische
instrumenten van geen overwegend belang, die nog in de huiskamer
ondergebracht waren, was alles wat er over bleef. (foto 7).
De 148 m. M. refractor, een 250 m. M. spiegel-telescoop, 13
kleinere kijkers, een groot deel mijner boeken, alle geteekende
kaarten, ook de complete, ingebonden atlas, waarop ik zoo trotsch
was, heel wat materiaal, 4 groote foto-objectieven - weg, alles
weg! Treurig was het om te zien, hoe het zoo kostbare 148 m. M.
objectief van den refractor als een gesmolten massa tusschen het
verwrongen ijzer van de monteering hing. Eenige dagen later vond
ik de 250 m. M. spiegel, in tientallen stukken gesprongen, onder
de asch.
De verwoesting was wel volkomen. Daarbij kwam nog, dat een
paar dagen later de heele ruïne dik onder de sneeuw kwam te
liggen.
Dat een groot aantal 13 × 18 negatieven van portretten en
landschappen uit mijn Indische periode verdwenen was, was nog
het ergste niet, doch ook was een groot gedeelte van de 9 × 12
negatieven van de sterrenhemel vernield, evenals alle aanteekeningen, die ik in den loop des tijds maakte over geobserveerde
dubbelsterren met kijkers van alle grootten. Verdwenen waren
eveneens alle lijsten met aanteekeningen over veranderlijke
sterren. Hoewel die geen gesloten geheel vormden, waren zij toch
44 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
zeker van wetenschappelijke waarde. Door louter toeval waren
een aantal aanteekeningen over de zichtbaarheidsgrens van een
aantal kijkers bewaard gebleven, doch de kijkers waren vernield!
Weliswaar was alles reeds een aantal jaren geleden in een brandverzekering ondergebracht - al viel het mij weleens moeilijk de
jaarlijksche premie op te brengen - doch het bedrag, waarvoor ik
alles verzekerde was toch veel te laag.
Wat nu? Zou ik het bijltje er bij neerleggen? Zooals ik later
meermalen hoorde, werd dat door de omwonenden wel gedacht.
En het is juist, dat ik, toen ik weer beginnen kon, weleens overwogen heb, of het niet beter zou zijn om het maar liever op te
geven.
Maar als ik bedacht, dat ik dan mijn heele verdere leven zonder
doel zou moeten slijten, kon ik daartoe toch niet besluiten.
Daar komt nog bij, dat in dien tijd iemand in Groningen mij
zoowel mondeling als schriftelijk ten zeerste sterkte in de gedachte,
mij niet door de omstandigheden terneer te laten slaan.
Van meerdere zijden ondervond ik medeleven; wel een bewijs,
dat het "Halfwegsche sterrenwachtje in Nederland bekenheid
genoot.
Zoo verscheen al direct een oproep in "Hemel en Dampkring"
om de leden der "Nederlandsche Vereeniging voor Weer- en
Sterrenkunde" aan te sporen van hun sympathie jegens mij en
mijn werk een tastbaar bewijs te geven. Als gevolg daarvan kreeg
ik na korten tijd een azimuthaal gemonteerde 108 m. M. kijker ten
geschenke, waarmede ik al spoedig weer eenige waarnemingen kon
verrichten. (foto 9).
Hier is dan ook een woord van hartelijken dank aan alle gevers
zeker op zijn plaats!
Nu was opnieuw aanpakken de boodschap, en gold het met het
mij ten dienste staande bedrag uit te komen. Daarom moest ik alles
zooveel mogelijk zelf doen en, hoewel niet met alles, is dit toch
voor een groot deel gelukt.
Allereerst moesten er materialen besteld worden, steenen,
cement, hout, grint enz. Deze ontving ik betrekkelijk vlug, dus
konden wij reeds spoedig aan den slag gaan. Ik zeg "wij", daar
mijn zoon Cor mij, zooveel als in zijn vermogen was, bijgestaan
heeft. Een bizonder voordeel voor mij was het, dat hij metselaar
van zijn vak is, evenals zijn kameraad Nico Korver, die ook
meegeholpen heeft.
Nadat de teekening, die men bij "Bouw- en Woningtoezicht"
moet indienen, goedgekeurd was, konden wij beginnen.
(Teekening B). De betonfundeering leggen, beteekende niet veel;
zooiets was immers ons dagelijksch werk, tenminste als wij werk
hadden. Die was dus al gauw klaar en daarna konden de jongens
in 2 à 3 weken het steenen sterrenwachtje bouwen. Te lang had
ik ondervonden, dat ik altijd ruimte te kort kwam, om er nu niet
45 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
terdege rekening mee te houden en zoo groot te bouwen, als de
financieele omstandigheden toelieten. Dank zij vooral de bekwaamheid en de onverflauwde ijver der twee jongens, was het spoedig
gereed. Goed gedaan hoor jongens! dank je.
(Teekening C). Mijn beurt zou echter ook nog komen; de draaibare koepel maken was mijn werk. Deze heeft een diameter van
4.75 M. Hoewel ik van beroep geen timmerman ben, is dit vak
mij toch niet geheel vreemd. Maar de constructie van zoo'n koepel
is zulk een vreemdsoortig werk, zelfs voor goede timmerlieden,
dat men zoo'n ding als het ware terdege "in zijn hoofd" moet
hebben, vóóraleer men er aan kan beginnen en dan is het nog een
heel karwei. Dat ondervond ik nu, want aanvankelijk had ik gedacht het in twee à drie weken te bouwen, maar het werden er
ongeveer twaalf.
Dat het inderdaad een zeer buitenissig werk was, ervoer ik een
groot jaar later, toen ik bezoek kreeg van een ouden heer, wiens
naam mij, als van zooveel andere, ontgaan is. Hij was bouwondernemer geweest en had indertijd in Amsterdam ook eens zoo'n
trommel (geen koepel) moeten bouwen, eveneens voor een sterrenwachtje, op het St. Ichnatius College aan de Hobbemakade. Die
trommel had een diameter van 3 M., en mijn bezoeker raakte niet
uitgepraat over de moeilijkheden, die hij ondervonden had om alles
te maken, zooals het opgegeven was. Niet weinig verbaasd was hij,
dat ik, hoewel geen timmerman, zoo'n ding in elkaar had gezet.
Nu had ik echter wel koepels van verschillende grootten op
kleinere en grootere sterrenwachten gezien, waardoor de constructie mij niet geheel vreemd was. Dikwijls heb ik mij er over
verbaasd, welk een omslachtig samenstel van tandkrans, tandwiel,
trektouw en wat dies meer zij, meestal gebruikt wordt om zoo'n
ding te draaien.
Maar die koepels werden dan ook vaak gebouwd, zonder gebruik te maken van kogellagers, welke ik in mijn koepel wèl aanbracht, niet alleen in de wielen, waar de koepel zelf op draait,
doch ook in de kleinere wieltjes, waarmee de twee schuifdeuren
geopend worden, die dan een spleet in den koepel te zien geven van
ongeveer 1.75 M. breedte. (foto 8). Bij de machinebouw worden
kogellagers op alle mogelijke plaatsen aangebracht, waarom zou
men dat dan hier niet doen? Dan is er geen gecompliceerd raderwerk noodig om den koepel te draaien! Een flinke stok, aan den
koepel bevestigd, die men vanaf den vloer hanteeren kan, is voldoende om met luttele krachtinspanning den koepel te draaien.
Met het gereedkomen van den koepel was het eigenlijke sterrenwacht-gebouwtje gereed. Thans had ik een ruimte van 6 × 4½ M.
voor bibliotheek-werkkamer, een vertrek van 4½ × 4½ M., waarin
de nog te bouwen nieuwe kijker moest komen en een ruimte van
6 × 4½ M. voor werkplaats, alles aaneen.
Het eerste, wat mij nu te doen stond, was, de draaibank weer
46 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
bedrijfsklaar te maken en ook het andere gereedschap. Dit alles
had 4 à 5 weken in weer en wind gelegen en moest zeer noodig
worden schoongemaakt en opnieuw ingevet. Nu was het zaak om,
voor de parallactische monteering, gietmodellen te vervaardigen.
Deze monteering, de zoogenaamde astrograafmonteering, wilde ik
zóó zwaar uitvoeren, dat naast den toekomstigen kijker er ook
nog vier, zoo noodig zes camera's op gemonteerd konden worden.
Tijdens de voorgaande werkzaamheden, had ik mij van deze
monteering reeds een denkbeeld gevormd, naar de voorbeelden en
modellen, die men in catalogi van verschillende firma's vindt.
Ik besloot een astrograafmonteering te vervaardigen, daar deze
een voortdurende draaiing van de uuras toelaat, zonder dat men
den kijker behoeft om te leggen. Nu werd het dag in dag uit
houtdraaien om de modellen gereed te krijgen voor den parallactischen kop en voor den drager, waarin de declinatie-as moest
komen. Dit zijn ijzeren giestukken van ongeveer 50 tot 90 K. G.
De declinatie-as moest 1.30 M. lang en 6 ,. M. dik worden, de
uuras 90 c. M. lang en 7.5 c. M. dik, de bronzen declinatiecirkel
ongeveer 40 c. M. en de uurcirkel ongeveer 50 c. M., daarbij kwam
nog het bronzen wormwiel voor de fijnbeweging van de uuras.
Dit waren wel de grootste gietstukken, die noodig waren, afgezien van de gietijzeren zuil met kniestuk. Gezien hun gewicht en
hun afmetingen, was het onmogelijk om deze stukken op mijn
eigen draaibankje te bewerken. Nu was goede raad duur. Ik was
ervan overtuigd, dat het mij een flink bedrag zou kosten als ik
het werk aan de een of andere metaaldraaierij zou opdragen.
Daarom trok ik de stoute schoenen aan en probeerde het gedaan
te krijgen op de Suikerfabriek "Holland". Uit ervaring wist ik,
dat men daar over goede vaklieden beschikte en dat de draaibanken er zeker groot en zwaar genoeg waren.
De directie van de fabriek was zeer tegemoetkomend en vond
het goed, dat het draaiwerk voor mij verricht werd, mits het
loopende werk op de fabriek er niet onder zou lijden. Met den
werkmeerster besprak ik deze aangelegenheid en deze beloofde mij,
er wel een weg op te zullen vinden, om het verlangde voor mij te
doen bewerken.
Ik kon nu mijn gietwerk in vol vertrouwen aan hem in handen
geven. Zoo nu en dan ging ikzelf eens kijken, als er een aanwijzing
noodig was voor het een of ander, dat voor de draaiers onduidelijk was. Weliswaar kenden zij het draaiwerk tot in de puntjes,
doch de constructie van deze monteering was voor hen geheel
vreemd, zoodat enkele toelichtingen over maten en afmetingen nu
en dan vereischt waren. En zoo werd op deze fabriek, door samenwerking van alle betrokkenen, het voor mij benoodigde draaiwerk
zeer nauwkeurig en vlug afgewerkt.
Mijn hartelijken dank aan de directie, werkmeester en draaiers
voor de zeer zorgzame wijze, waarop allen mij op een meer dan
47 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
bereidwillige manier hebben geholpen.
***
Thans was er wel een zeer voornaam deel der werkzaamheden
verricht, maar toch nog lang niet alles; want uit den aard der
zaak had ik alleen maar die deelen laten bewerken, welke op mijn
eigen draaibankje niet vervaardigd konden worden. Er bleef nog
zeer veel te doen, zooals de verdeeling van declinatie- en uurcirkel, de nonius van deze cirkels, het tanden insnijden in het
wormwiel van de uurbeweging, alle noodige gaten boren enz. enz.
Het duurde nog weken lang, voordat alles zoover bewerkt was, dat
de monteering in elkaar gezet kon worden.
U kunt begrijpen, dat dit voor mij een gewichtig oogenblik was!
Intusschen had ik mij, onder alle werkzaamheden door, het
hoofd erover gebroken wat voor soort kijker ik op de monteering
zou aanbrengen en hoe groot die wel zou kunnen zijn.
Let wel, amateurs, eerst werd de monteering gebouwd en pas
daarna kwam de kijker aan de beurt! Dus de monteering (het
statief) kwam in de eerste plaats, daarnaar werd de grootte van
den kijker bepaald. In verschillende richtingen had ik al eens geinformeerd naar den prijs van een objectif van 13 tot 20 c. M.
diameter, doch het bleek mij al spoedig, dat ik een 20 c. M. objectief
om financieele redenen, wel uit het hoofd kon zetten.
Op zekeren dag, onder het werken door, viel mij plotseling in,
dat een zeker iemand al een jaar of dertien een mooi 145 m. M.
objectief had liggen, van een gerenommeerde firma, zooals op
de vatting gegraveerd stond. Destijds, toen ik dat objectief voor
het eerst zag, wilde de eigenaar het in geen geval verkoopen,
maar wie weet? Misschien nu wel! Het was zaak, uit te vinden
wat het tegenwoordige adres van den bezitter was, want ik wist,
dat hij al eenige keeren van woonplaats was veranderd. Na eenige
dagen had ik het echter gevonden en na nog eenige dagen was
ik eigenaar geworden van dat mooie objectief. Hiermede was dus
de "hoegrootheid" van den kijker bepaald. Nu werd het zaak om
zoo vlug mogelijk de benoodigde buis te bestellen, want al meer
en meer verschenen er dreigende oorlogswolken aan de lucht en
ik wist maar al te goed, dat in geval van oorlog, de invoer van
deze buis onmogelijk zou zijn. Na een week of vier werd het
verlangde echter afgeleverd. Heel kort daarna was Duitschland
- waar de buis vandaan kwam - in oorlog. Dus ik was maar
net op tijd zoo ver, dat ik den heelen refractor kon afbouwen.
Er gingen echter nog wel drie maanden mee heen, voordat deze
geheel gereed was.
Reeds bij het begin van het bouwen van het sterrenwachtje was
er een unieke kans om een heel aantal zeer goede foto-objectieven
te bemachtigen en waarschijnlijk voor een niet al te hoogen prijs.
48 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Het was een kans, zooals men die maar eens in zijn leven tegenkomt.
Jarenlang had ik al uitgezien naar een gelegenheid om tegen een
schappelijken prijs een goed foto-objectief van behoorlijke afmeting machtig te kunnen worden, doch men treft die zoo goed als
nooit aan. En nu kwam er zoowaar een gelegenheid om een heel
aantal tegelijk te koopen, op de veiling van een groot, gerenommeerd foto-atelier. Daarbij waren Tessare F 4.5 van 50 en 40 c. M.,
Heliare F 4.5 van 60 en 40 c. M. plus nog eenige anastigmaten
van Zeiss van oudere contructie. Men kan begrijpen, in welk
een spanning ik 's morgens naar de veiling ging.
Zouden er veel liefhebbers komen, zou de prijs zoo hoog opgedreven worden, dat ze voor mij te duur werden? Duur of niet
duur, de Tessare F 4.5 van 50 c. M. zou ik in elk geval moeten
zien te krijgen, hoe dan ook!
Men kan zich mijn gevoelen indenken, toen het bleek, dat ik
per saldo alle aanwezige groote objectieven machtig kon worden.
Daardoor was ik met één slag voor mijn leven lang voorzien
van eerste klas foto-objectieven!
Had ik aanvankelijk gehoopt, in de toekomst nog eens één, zoo
mogelijk twee camera's op de monteering bij den refractor te
kunnen aanbouwen, nu konden het er wel vier worden. Na verloop
van een klein jaar stonden die er dan ook op.
Hiervoor moesten de camera's geheel ontworpen en gebouwd
worden, hetgeen zeer veel tijd in beslag nam.
Zooals ik reeds eerder vermeldde, is bij het fotografeeren de
hoofdzaak, den kijker gelijkmatig met de camera's te bewegen,
zoodat de sterren als puntjes blijven staan.
Een drijfwerk, uurwerk of motor, stond reeds geruimen tijd
op mijn verlanglijstje en ik ging er dan ook toe over, mij een
synchroon-motor aan te schaffen. Deze motoren, direct op het
lichtnet aangesloten, hebben een zeer bizondere, gelijkmatige gang
en worden speciaal voor dit soort praecisiewerk gebouwd. (foto
10). Vóór deze echter aangebouwd was, zou er nog een heele
tijd verloopen, daar er tusschendoor weer ander werk aan
den winkel gekomen was, n. l. het bouwen van een 122 m. M.
refractor. (foto 11). Maar eindelijk was het toch zoo ver, dat
de geheele inrichting van het herbouwde sterrenwachtje gereed
was en kon er weer met waarnemen begonnen worden.
In den loop van den tijd is mij menigmaal gevraagd, wat men
nu eigenlijk met een kijker van een bepaalde grootte wel allemaal
aan den hemel kan zien.
Dit is afhankelijk van bepaalde voorwaarden. Ten eerste van
de zeer wisselende helderheid van den hemel; ook is het van
belang of de lucht al dan niet rustig is. Het kan n. l. voorkomen,
dat het buitengewoon mooi, helder weer is, doch dat de sterren
in het veld van den kijker heen en weer staan te springen. In
49 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
zoo'n geval krijgt men niet veel behoorlijks te zien.
Ook komt het voor, dat het schijnbaar helder weer is, doch
dat de sterren er in den kijker uitzien als min of meer groote
lichtvlekken; dit is evenmin een toestand om met waarnemen
door te gaan.
Het komt niet zoo heel vaak voor, dat alle omstandigheden,
welke met de doorzichtigheid en de rust in de atmosfeer samenhangen, zoo gunstig zijn, dat men van een zéér goede luchttoestand,
om met een kijker waar te nemen, kan spreken. De meeste avonden
of nachten moet men zich tevreden stellen met een middelmatigen
toestand.
Van belang is ook de gezichtsscherpte van den waarnemer en
of deze wellicht kleurenblind is. Het is toch algemeen bekend,
dat de eene mensch veel beter ziet dan de andere.
Ik ondervind dikwijls, dat, als er bezoekers zijn, en ik het
oculair van den kijker scherp heb ingesteld op het een of ander
object, het voor een bezoeker versteld moet worden, soms wel
een c. M.
Dan maakt het nog een belangrijk verschil uit, of de kijker
lang of kort is in verhouding tot zijn objectiefopening, daar de
laatste wel lichtsterker is dan de eerste, doch niet zoo'n sterke
vergrooting toelaat.
Dit zijn allemaal factoren, waarmede rekening dient gehouden
te worden bij het stellen van de bovengenoemde vraag.
Daarom is niet met zekerheid te zeggen, wat een willekeurige
persoon met den een of anderen kijker zou kunnen zien, daar dit
van te veel onbekende factoren afhankelijk is.
Wel kan men een gemiddelde nemen en bepaalde waarnemingen
noemen, die met een bepaald instrument te verrichten zullen zijn.
Daarbij zal ik menigmaal gelegenheid hebben om aan te geven,
wat ikzelf met een bepaalden kijker heb kunnen bereiken.
De zwakste sterren, die ik in den loop van den tijd met verschillende kijkers nog kon zien, zijn hieronder in een kort lijstje
aangegeven. Dat is dus de grensgrootte dezer kijkers. Hieruit kan
men dan direkt zien hoeveel "winst" het gebruik van een kijker
geeft, boven waarneming met het bloote oog.
Met het bloote oog kon ik nog sterren der grootte 7.2. zien,
dus een 24 m. M. opening hebbende prisma-kijker gaf mij een
"winst" van 2,4 grootte-klassen, de 148 m. M. refractor gaf mij
een "winst" van juist 7 grootte-klassen.
objectief opening
Kijkers van
Zwakste nog zichtbare sterren
Met het bloote oog . . . . . . . . . . .
24 m. M.
prismakijkers van "Zeiss", "Goerz"
36 "
"
"Hensoldt" . . . . .
45 "
"
"Busch" . . . . . .
50 of 168
. .
7.2
. .
9.6
. .
10.
. . 11.9
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
50 "
60 "
80 "
"
"
"
"Zeiss" . . . . . . . . 11.2
"
. . . . . . . . 11.4
"
. . . . . . . . 13.2
30 m. M. kijker onbekend . . . . . . . . . . .
40 "
"
"
. . . . . . . . . . .
54 "
" "Merz" . . . . . . . . . . . .
68 "
" "Merz", "Busch"
. . . . . . .
75 "
" "Manent", "Busch", "Reinfelder
en Hertel" . . . . . . . . . . .
80 "
" "Zeiss", "Steinheil", "Optische
Werke Rudersdorf" en anderen
148 "
" "Merz" . . . . . . . . . . . .
9.8
11.2
12.6
12.6
12.8
13.0
14.2
Men moet dan echter niet vergeten, dat ik buiten de stad woon,
waar de doorzichtigheid van de lucht altijd beter is dan in de stad.
Niet alleen heeft men buiten geen last van de alles overstralende
straat- en reclameverlichting - doch evenmin heeft men hinder van de
verbrandingsstoffen uit fabrieksschoorsteenen en van het groot
aantal woonhuizen.
Soms kan men dat heel goed zien in den ochtend als de zon
gaat opkomen en er een waas, als een stofwolk, over de geheele
stad hangt. Kilometers-lange rookslierten wijzen de plaats aan,
waar zij hun ontstaan vinden!
Wie Uwer is nooit eens getroffen door de schoonheid en bovenaardsche pracht van een helderen sterrenhemel!
Is U, lezer, wel eens in een mooien, helderen zomernacht midden
op de heide geweest? Als er uren in het rond geen ander licht
te bekennen is dan dat van de sterren? Dan pas kan men zien,
welk een wondere pracht daarvan uitgaat, waarvan iedereen onder
den indruk komt. Meermalen heb ik dit kunnen waarnemen, doch
niet vaak zoo duidelijk als in 1911, toen ik voor herhalingsoefeningen onder de wapenen was. Wij hadden toen nogal eens
nachtelijken velddienst en dan moest men soms heel lang in de
heide liggen, om niet door "den vijand"gezien te worden.
Telkens weer kon ik ervaren, hoe ook de meest onverschilligen
onder ons, soldaten zoowel als officieren, vaak diep onder den
indruk kwamen van de intense grootheid van het sterrenland.
Het is dan ook buitengewoon indrukwekkend, als men den geheelen Melkweg in al zijn zoo wisselende helderheid kan volgen,
met alle zoo bekende sterrenbeelden, waarvan het eene weer een
andere geschiedenis heeft dan het andere. (foto 12). Vooral, toen
men er achter kwam, dat ik er "wel wat meer van wist" raakte
men niet uitgevraagd over allerlei verschijnselen. Hieraan was
wel duidelijk te merken, hoe ontvankelijk de mensch is voor het
schoone, dat de natuur ons biedt.
51 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Maar al te dikwijls, vooral in dien tijd (1911) werd dat
gevoel op den achtergrond gedrongen door allerlei dingen, waarin
de mensch dan zoogenaamd schoonheid en grootheid zag. Ik denk
hierbij vooral aan de film.
Nu is dat wel eenigszins anders geworden, want thans kan
men vaak op een film verschillende natuurwonderen van nabij
ervaren en zien, ook op astronomisch gebied. Hoe mooi en leerrijk
dit echter ook zijn mag, het haalt toch niet bij het in de "werkelijke" natuur aanschouwde.
Een van de beste omstandigheden, waaronder men met het bloote
oog den sterrenhemel kan bezien, is wel, als men met één blik den
geheelen hemel omvatten kan; het uitzicht is vrijwel niet beperkt.
Aanschouwt men met het bloote oog een bepaald sterrenbeeld,
hetzij groot of klein, dan kan men met één oogopslag ook het
geheel overzien.
Bij het zien door een kijker is dat niet het geval, en daarom
valt dit sommigen menschen tegen. Meermalen is het mij overkomen, dat bezoekers dachten, door den kijker den geheelen
sterrenhemel te kunnen overzien, hetgeen, zooals gezegd, niet
mogelijk is.
Een algemeen verbreide meening is ook, dat men de sterren
door een kijker grooter ziet en hierbij wordt dan, dikwijls
wellicht onbewust, de grootheid van de maan als maatstaf genomen. Dat deze meening onjuist is, bemerkt men al spoedig,
als men door den kijker de sterren aanschouwt. Hoewel de sterren
in grootheid de zon meestal overtreffen, is hun afstand tot de
aarde zoo enorm, zoo onvatbaar groot, dat zoo'n buitengewoon
groot lichaam als een ster voor ons slechts als een lichtpunt verschijnt.
Omdat deze afstanden zoo oneindig groot zijn, is het niet mijn
bedoeling om U met al te veel getallen lastig te vallen. Wat zegt
het U immers, lezers, dat de maan gemiddeld 384.400 K. M. van
de aarde af staat? En dit is nog naast de deur. Van dezen afstand
kan men zich nog eenigszins een voorstelling maken. Doch het
wordt reeds moeilijker, als wij ons pogen voor te stellen, wat het beteekent, dat de afstand van onze aarde tot de zon 149.500.000 K. M.
bedraagt. Deze afstand gaat ons begripsvermogen te boven. Doch
als wij de afstanden van de sterren hierbij gaan vergelijken, dan
zinkt de afstand aarde-zon in het niet, zooals één korrel zand in
de duinen.
Bij het aangeven van afstanden in het sterrenland, heeft men
er dan ook van afgezien, dit met onze gebruikelijke lengte-maat,
de K. M., te doen. Het licht, komende van de zon en de sterren,
verplaatst zich met een snelheid van ongeveer 300.000 K. M. in
één seconde. Nu wordt de afstand der sterren van de aarde gemeten met deze tijdmaat, de seconde dus, doch in een voor ons
meer begrijpelijke maatstaf vergroot. Immers, wij hebben er een
52 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
goede voorstelling van, dat er 60 seconden gaan in één minuut,
60 minuten in een uur, 24 uren in een etmaal en 365 dagen in
een jaar. Welnu, misschien heeft U tijd en lust om even na te
rekenen hoeveel seconden een jaar heeft. Als U dat getal met
300.000 vermenigvuldigt (de snelheid van het licht), dan heeft
U in K. M. uitgedrukt, de lengte van een "lichtjaar". En met
deze, voor onze bevatting onvoorstelbare grootheid, worden de
afstanden der sterren aangegeven. Zoo spreekt men dus van:
die of die ster staat zooveel lichtjaren van ons af. Maar ik mag
veilig aannemen, dat niemand er een voorstelling van heeft hoe
groot die afstand is. Zelfs niet de in deze wetenschap toch
bijzonder goed thuis zijnde astronomen, al zijn deze ook in staat
deze afstanden met groote nauwkeurigheid te berekenen.
Wat zegt het U, als ik U meedeel, dat de dichtstbijzijnde vaste
ster, 'alpha' Centauri, een ster der eerste grootte, 3 3/4 lichtjaar van
ons afstaat? Doch ook een sterretje der grootte 11, dat men dus
alleen maar met een behoorlijken kijker kan zien en dat maar
op korten afstand van den eerstgenoemden staat - zoo lijkt het
ons tenminste - is maar 3 3/4 lichtjaar van ons verwijderd, ja
zelfs nog iets minder.
En deze sterren staan in het heelal nog "vlak naast de deur".
Over het algemeen is de afstand der sterren van de aarde veel
en veel grooter, tot in de millioenen lichtjaren toe!
Is het dan een wonder, dat wij de sterren, al zijn zij nog zoo
groot, als stippen in onze kijkers zien?
Dat is evenwel voor ons geen bezwaar, eerder een groot voordeel. Want stel U eens voor, dat men elke zichtbare ster in een
kijker met, laat ons zeggen, 200 maal vergrooting, zoo groot
zou zien, als de maan met het bloote oog - en eveneens alle
milliarden sterren, die met de grootste kijkers te zien zijn dan zou den heelen hemel één groote, gloeiende vuurbol zijn,
waar wij als het ware midden in zouden zitten. Mij dunkt, dat
zou van het goede wel wat teveel zijn!
Bij het aanschouwen van den sterrenhemel met het bloote oog,
is er toch ook reeds veel schoons te zien, al wordt deze schoonheid - en de hoeveelheid sterren - bij het gebruik van kijkers,
hoe betrekkelijk klein ook, al heel spoedig veel grooter.
Hiervoor heb ik al eens aangegeven, hoe men het beste de
sterrenbeelden kan leeren kennen. Om in den sterrenhemel behoorlijk wegwijs te worden, moet dit natuurlijk het eerst geschieden. Daarom is het wel dienstig, iets over de indeeling,
benamingen enz. der sterrenbeelden te zeggen. De meeste oude
natuurvolken deelden den hemel al in in sterrenbeelden, welker
namen tot op heden bewaard zijn gebleven.
Toen reeds had men een zekere begrenzing dezer beelden, die
kleine of groote stukken van den hemel vrij lieten. In den loop
des tijds hebben ook de sterrenbeelden in deze ontbrekende deelen
53 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
namen gekregen.
En zoo heeft men heel oude sterrenbeelden van duizenden jaren
geleden, maar ook zulke, die nog slechts enkele honderden jaren
oud zijn. Wilde men in oude tijden een bepaalde ster uit zoo'n
sterrenbeeld aanduiden, dan sprak men van "de ster in den schouder
van Orion" of "de groote ster in het oog van den stier". Het is
begrijpelijk, dat dit in later tijd niet meer door te voeren was,
toen den hemel veel intensiever geobserveerd werd.
Een duidelijke aanduiding was dan ook noodzakelijk en de
astronoom Bayer (ong. 1610) voerde de aanduiding in, die ook
nu nog bestaat en door een ieder gebruikt wordt bij de meeste
met het bloote oog zichtbare sterren, n. l. het Grieksche alfabet,
hieronder in schrijfletters aangegeven:
In elk sterrenbeeld vindt men dus dezelfde letters weer terug,
zooals alpha in "De Tweelingen", doch ook is alpha in
"het Vosje". Zooals men ziet, heeft dit alfabet 24 letters en zeer
vele sterrenbeelden hebben veel meer dan 24 sterren, dus kwam
men nog heel wat letters te kort. Toen heeft men ook ons gewone
A B C te hulp geroepen en zoo vindt men in menig sterrenbeeld
ook deze letters bij sterren aangegeven. Men vindt trouwens in
sommige atlassen ook nog cijfers met letters, b. v. H 49. Dit
beteekent, dat de astronoom Hevelius deze ster met dat getal
aanduidde. Ook vindt men weleens uitsluitend cijfers in atlassen.
Deze sterren zijn dan meestal becijferd door den astronoom
Flamsteed. Al deze aanduidingen in letters en cijfers hebben echter
slechts betrekking op de sterren, die met het bloote oog goed
zichtbaar zijn, want van de sterren die men nog maar net even
kan zien, is het grootste gedeelte nog onbenaamd gebleven. Naast
deze algemeen gebruikelijke aanduiding der sterren, is ook nog
een andere in gebruik en wel door een aantal sterren een eigen
naam te geven; zoo is de ster "Sirius" "'alpha' Groote Hond", de ster
"Procyon" "'alpha' Kleine Hond" enz.
54 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
In het geheel zijn er op deze wijze aan den geheelen hemel een
180-tal sterren van namen voorzien. Doch de allermeesten van
deze eigennamen worden niet gebruikt en vindt men in de amateurliteratuur zeer weinig aangegeven. Algemeen gebruikelijk zijn
"Aldebaran" voor "'alpha' Stier", "Antaras" voor "'alpha' Schorpioen"
enz. Wat zegt U echter van een naam voor een ster als "Zubanalkravi" voor "'gamma' van de Weegschaal"! De meeste van die voor
ons onuitspreekbare namen zijn door de Arabieren aan de betreffende sterren gegeven, hoewel ook andere, oudere volken
daarin hun aandeel hebben. De benaming door Bayer met Grieksche letters is maar niet zoo lukraak geschied. Als regel werd
de helderste ster met de eerste letter, dus 'alpha', en de zwakste met
de laatste letter aangegeven. Zoo is dus een in helderheid afdalende
reeks sterren benaamd in een logische volgorde. Doch ten tijde
van deze benaming schreef men ongeveer 1610 en toen waren de
helderheden der sterren slechts ongeveer bekend. In lateren tijd,
vooral in de laatste tientallen jaren, toen de helderheden met
instrumenten gemeten werden, bleek echter, dat deze volgorde
niet altijd juist was. Voor een algemeene aanduiding doet dit
evenwel niet zooveel ter zake.
De begrenzing der sterrenbeelden is altijd vrij willekeurig geweest en werd in de meeste atlassen door een grillig slingerende
stippellijn voorgesteld. Hierin is sedert 1930 een meer wetenschappelijke wijziging gekomen door de "Sterren Atlas"van E.
Delporte, die in opdracht van de "Internationale Astronomische
Unie" deze betere begrenzing uitwerkte. Nu zijn de grenzen geen
kromme, slingerende lijnen meer, doch gelijk aan de parallelcirkels
en de meridiaancirkels en toch zoo veel mogelijk aangepast aan de
oude begrenzing.
Of deze begrenzing zich handhaven zal? Een ieder, die een
blik op den hemel slaat, ziet zonder meer, dat er in de helderheid
der sterren nogal een groot verschil bestaat. Men heeft dan ook
van oudsher de mate van helderheid in 6 grootte-klassen verdeeld,
hoewel deze aanduiding met de afmeting der sterren niets te
maken heeft. Men bedoelt daarmede inderdaad alleen het verschil
in helderheid aan te geven, zooals het zich aan ons oog voordoet.
In lateren tijd is men wel gaan inzien, dat deze verschillen in
helderheid veel grooter zijn dan de 6 genoemde klassen. Men kan
zeer gemakkelijk een in helderheid afdalende reeks van sterren
vinden van 20 klassen of nog meer.
Men vindt dan ook in vele catalogi, waarin de helderheden van
die sterren zijn opgegeven, nog een onderverdeeling in tienden,
dus sterren van de grootte 3.4, 3.5, 3.6 enz. enz.
Men verstaat onder een ster der grootte 3 alle sterren, welker
helderheid ligt tusschen 2.6 en 3.5 enz. Een ster der grootte 6 kan
een helderheid hebben van 5.6 maar ook van 6.5, een ster der
éérste grootte van 0.6 tot 1.5. Zoo heeft men ook sterren van de
55 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
grootte 0 en ook nog enkele, waarvan de helderheid nog grooter is.
Die worden dan b. v. aangeduid met -1 (min 1), dat is dan een
ster, die een grootte-klasse helderder is dan een normale ster der
0 grootte.
Zoo heeft de planeet Venus weleens een helderheid van -4
en men kan haar dan ook vrijwel altijd overdag, als de zon schijnt,
met het bloote oog aan den hemel zien. De zon zelf heeft de
helderheid -27.
Deze indeeling der grootte-klassen in tiende deelen, was al heel
wat nauwkeuriger dan de vroegere, in volle grootte-klassen. In
de laatste tientallen jaren is er echter in de astronomie een instrument in gebruik genomen, de fotometer, waarmee het heel goed
mogelijk is om de helderheid der sterren te meten en wel in
honderdste deelen van een grootte-klasse. Men vindt dan ook in
de z. g. fotometrische catalogi de helderheid der sterren aangegeven als b. v. 2.47, 3.31 enz. enz.
Ook nu is dezelfde aanduiding voor een ster der grootte 3
behouden als boven aangegeven, doch is dat honderdste deel in
rekening gebracht. Dus alle sterren uit die catalogi, welker helderheid ligt tusschen 2.51 en 3.50 zijn van de grootte 3.
Terloops zij hier nog opgemerkt, dat eenige jaren geleden, een
instrument in toepassing is gebracht, waarmede men de helderheid
tot in duizendste grootte-klassen meet, n. l. de licht-electrische
fotometer. Het gebruik van dit instrument is echter niet zoo
algemeen als dat van den gewonen fotometer. Zoo zijn er al verscheidene catalogi, waarin de helderheden der sterren met deze
fotometers gemeten, opgenomen zijn. De voornaamste dezer
catalogi stammen van de Harvard Sterrenwacht en van de Potsdammer Sterrenwacht.
Deze catalogi geven niet alleen de helderheden der sterren, doch
ook hun juiste plaats aan den hemel. Vaak ook is de Grieksche
letter, of een ander teeken, voor een bepaalde ster gebruikt, aangegeven.
Deze plaats aan den hemel wordt bepaald door de volgende
gegevens.
Iedereen kent een aardglobe. Bij een nadere beschouwing merkt
men dat deze draait om twee punten, de Noord- en de Zuidpool.
Men moet zich deze punten doordenken tot in den sterrenhemel.
Op heldere avonden moet men er eens terdege op letten, dat
alle sterren en planeten, ook de zon, schijnbaar om deze verlengde
poolas draaien. Op de globe treft men ook een groote cirkel aan,
die overal even ver van de Noord- en de Zuidpool verwijderd is.
Ook deze cirkel moet men zich verlengd tot in den sterrenhemel
voorstellen.
Deze cirkel heeft men den Aequator genoemd. De eene helft
van den sterrenhemel ligt dus aan de noordzijde, de andere aan
de zuidzijde van dezen aequator.
56 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Men zegt dan, dat een bepaalde ster zooveel graden en
minuten ( ' ) en seconden ( " ) noorder ( + ) of zuider ( - ) declinatie
(afwijking) heeft.
Het leek mij gewenscht om de teekens, die in de astronomie
voor deze betrippen gebruikt worden, hierbij aan te geven.
Nu is van een bepaalde ster wel aangegeven hoe ver zij ten
noorden ( + ) of ten zuiden ( - ) staat, doch niet hoever zij zich
rechts of links van een bepaald punt bevindt. Ook nu nemen wij
onze globe weer ter hand. Men kan daar ook een grooten cirkel
op vinden die precies haaks op den aequator staat en er dus een
hoek van 90 graden mee maakt. Deze cirkel gaat door de noord- en
zuidpool der globe. Zoo'n zelfde cirkel moet men zich ook aan
den hemel denken; zij gaat op een bepaald punt - het lentepunt - juist door de snijding van den aequator en de ecliptica
of aardbaan. Dit punt nu is van het hoogste belang voor de
plaatsbepaling der sterren.
Zooals men weet, verdeelt men den vollen cirkel in 360 graden, dat is
dus ook met den aequator het geval. Daar nu alle sterren in een
etmaal deze 360 graden doorloopen, heeft men het gemakkelijker gevonden om den aequator in 24 uren te verdeelen met de gebruikelijke onderverdeeling in minuten en seconden.
Een bepaalde ster wordt nu aangeduid als te hebben 9 u. 17 min.
14 sec. AR, Ascencio Recta (rechte klimming), dat is de afwijking van het lentepunt.
Met deze twee gegevens is de juiste plaats van een bepaalde
ster aan den hemel aangeduid. Dus zoo vindt men voor de ster 'alpha'
in den Stier - met haar eigen naam Aldebaran - de plaats in
deze catalogi aangegeven met: AR 4 u. 30 min. 11 sec., en D =
declinatie + 16 graden 18,'6.
Als er nu een kaart van den sterrenhemel geteekend moet worden, of van een bepaald gedeelte, dan heeft men daar in de
allereerste plaats zoo'n catalogus voor noodig.
Heel interessant is het om te ervaren wat voor antwoorden
men krijgt, als men aan bezoekers de vraag stelt: "hoeveel sterren
denkt U nu wel dat U op een helderen maanloozen avond aan den
hemel kan zien?" en dikwijls stel ik die vraag dan ook.
Het is opmerkelijk hoe uiteenloopend de antwoorden zijn, hoewel de meesten getallen noemen in de millioenen.
Maar er zijn ook bezoekers, die onbewust de plank niet zoo heel
ver misslaan door getallen te noemen van twee- tot tienduizend
sterren. Zooals ik reeds eerder meedeelde, is het getal sterren,
dat door ieder mensch te zien is, verschillend, doch men mag veilig
aannemen, dat het voor den geheelen hemel ongeveer 7.500 is.
Gaat men echter het getal der sterren erbij betrekken, dat met
de grootste kijkers zichtbaar is, dan beloopt het totaal niet minder
dan ongeveer 60 millioen. Rekent men er ook nog de sterren bij,
die op de platen der grootste foto-instrumenten verschijnen en
57 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
die men dus met de grootste kijkers niet eens meer kan zien, dan
komt men tot een aantal van globaal 30.000 millioen. En dan zijn
wij er nóg niet! Het getal der zichtbare sterren zou nog veel
en veel grooter worden, als men in staat was om nog krachtiger
instrumenten te bouwen. Doch hoe ontzettend groot dit aantal
ook is, toch zijn er aanwijzingen, dat de toename der sterrendichtheid afneemt, hoe meer zwakkere sterren men erbij betrekt.
Zoodra men tracht de sterrenbeelden te leeren kennen, maakt
men ook kennis met enkele bizondere sterren waarvan er zoo heel
veel zijn te zien, als men een behoorlijken kijker gebruikt.
Bij het opzoeken der sterrenbeelden wordt altijd uitgegaan van
het sterrenbeeld "de Groote Beer". Die klassieke figuur kent wel
iedereen! (kaartje 8). De vier sterren, die in een ongelijke vierhoek staan, worden ook wel de vier wielen van een wagen genoemd en de drie sterren op een gebogen lijn, de dissel van een
wagen.
Bij de middelste ster van de laatste drie, kan men nog een
sterretje van de 5e grootte met het bloote oog er vlak naast zien
staan.
Hier heeft men een mooi voorbeeld van een "dubbelster".
Het aantal dubbelsterren loopt in de tienduizenden, zelfs voor
een amateur met zijn min of meer beperkte middelen beloopt dit
aantal toch ook nog wel een 4 à 5 duizend.
Van alle soorten dubbelsterren heeft men er bij, sterren, die
even helder zijn en zeer dicht naast elkaar staan, maar ook die
betrekkelijk ver van elkander verwijderd zijn. Ook zijn er, waarvan de eene heel helder is en de andere lichtzwak, zooals Sirius
in "de Groote Hond" en ook bij deze kan de onderlinge afstand
kleiner of grooter zijn.
Er zijn ook stelsels, die uit drie of vier sterren bestaan, soms
uit nog meer; men spreekt dan van drievoudige of viervoudige
sterren.
Het is hier niet de plaats om een heele opsomming te geven
van dergelijke sterrenbeelden, ik wil volstaan met aan te geven,
dat de ster 'epsilon' in het sterrenbeeld "de Lier" een, voor amateurs,
mooi voorbeeld van een viervoudige ster is (kaartje 9), met een
nog duidelijk te zien veel zwakker sterretje.
Zoo is de ster 'beta' in het sterrenbeeld "de Eenhoorn" een mooi
voorbeeld van een drievoudige ster (kaartje 10). Deze twee meervoudige sterren zijn echter alleen in kijkers te zien, dus niet met
het bloote oog.
Wat verstaat men eigenlijk onder "dubbelsterren"?
Dat zijn sterren, die zoo dicht bij elkaar staan, dat men ze
zonder kijker als één ster ziet. Men heeft hierbij een bepaalden
58 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
maatstaf als voorwaarde aangenomen. Komen twee sterren, die
ook schijnbaar dicht bijeen staan, boven dezen maatstaf uit, dan
beschouwt men ze niet als dubbelsterren. Van dit soort sterren
zijn er ook tienduizenden bekend en aangegeven in z. g. "Dubbelster catalogi", waarvan de nieuwste wel die is, welke door den
"dubbelsterastronoom" Aitken is samengesteld.
Al voldoet een bepaalde ster schijnbaar aan alle eischen om als
dubbelster beschouwd te worden, dan is zij het vaak toch niet.
Echte dubbelsterren draaien in korteren of meestal langeren tijd,
soms zéér langen tijd, om elkaar heen, terwijl bij een groot aantal
dubbelsterren er geen aanwijzing is, dat zij om elkaar heen
wentelen. Het kan immers voorkomen, dat twee sterren, die wij
zien als stonden ze tegen elkaar aan, en als dubbelster in den
kijker verschijnen, in werkelijkheid in het heelal zeer ver achter
elkaar liggen.
Deze soort sterren noemt men dan "optische" dubbelsterren.
Jaar in jaar uit zijn er astronomen bezig om den juisten stand
van die dubbelsterren ten opzichte van elkaar te meten met micrometers, zeer verfijnde neveninstrumenten aan groote kijkers, op
alle sterrenwachten soms in meerdere exemplaren aanwezig.
Deze metingen nu worden geregeld verzameld en wijzen uit of
twee sterren werkelijk om elkaar heen draaien, en vaak ook hoe
lang het duurt, voordat zoo'n stelsel om elkaar heengewenteld is.
Men moet echter niet denken, dat de eene ster, meestal de
helderste, stil staat en de andere er omheen draait. Neen, de
werkelijkheid is anders. Zijn beide sterren van een dubbelster
even zwaar, dan draaien zij beide om elkaar heen en één punt op
hun verbindingslijn, juist in het midden, staat dan schijnbaar stil.
In werkelijkheid komt dit echter niet voor, meestal is de eene
ster veel grooter en zwaarder dan de andere. Het punt, waar
beide sterren om heen draaien, ligt altijd naar die zijde van hun
verbindingslijn, waar de zwaarste ster ligt. Is deze zwaardere ster
véél zwaarder, dan ligt het heel dicht bij deze en ver van de
lichtere af. Men noemt dit het zwaartepunt van zoo'n stelsel.
Terloops zij hier nog opgemerkt, dat de astronomen ook
in staat zijn om bij die stelsels, waarvan omlooptijd en afstand
bekend zijn, aan te geven, hoe groot de massa van elke ster
afzonderlijk is!
Men kan dus de sterren, op die soms buitengewoon groote
afstanden, wegen!
Dit alles betreft dubbelsterren, die men in een kijker van meer
of mindere grootte dubbel zien kan. De astronoom is echter ook
in staat om dubbelsterren te vinden, die men niet zien kan! Deze
noemt men dan "spectroscopische" dubbelsterren, naar het instrument, waarmee men deze soort sterren vindt en dan verder bestudeert. Ook dit instrument, de spectroscoop, is op vrijwel alle
sterrenwachten aanwezig, in min of meer nauwkeurige uitvoering.
59 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Men heeft ook heel eenvoudige spectroscoopjes, welke men weleens bij amateurs aantreft; deze bevredigen echter in den regel
niet. Op sterrenwachten, die daar speciaal werk van maken, heeft
men spectroscopen van gigantische afmeting, in alle praecisie
uitgevoerd.
Met deze laatste vindt en observeert men deze spectroscopische
dubbelsterren. Het spectrum van een ster bestaat uit een gekleurde
band met de opeenvolgende kleuren: rood, geel, groen, blauw en
violet, zooals de dwarsdoorsnede van een mooi ontwikkelde regenboog, met dien verstande, dat er ook een min of meer groot
aantal donkere lijnen dwars door dien mooi gekleurden band heen
loopen.
Fotografeert men nu het spectrum van een bepaalde ster, die
niet spectroscopisch dubbel is, dan blijven die donkere lijnen ten
opzichte van elkaar altijd denzelfden stand behouden.
Heeft men echter een spectroscopische dubbelster te pakken,
dan krijgt men, op bepaalde tijden, enkele donkere lijnen, op
andere tijden, dubbele donkere lijnen in het spectrum op de plaat.
(foto's 13a en b). Ook met deze methode van observeeren is het
mogelijk om uit te maken, hoe groot hun omlooptijd en hun
onderlinge afstand is, en om nog veel meer andere gegevens vast
te stellen, die hier onbesproken blijven.
Een wel zeer mooi voorbeeld van zoo'n stelsel is ook juist
weer de middelste ster uit de staart van de Groote Beer (Mizar)
(kaartje 11). Dit sterrenbeeld is juist vor de amateurs een
merkwaardigheid, immers het is voor het bloote oog een mooie
dubbelster: "Mizar", begeleid door "Alcor" of "het Ruitertje".
Deze Mizar nu is voor iederen amateur, die zelfs ook maar over
een klein kijkertje beschikt, als een heel mooie dubbelster te zien,
terwijl Alcor, zoowel als elke ster van Mizar, een spectroscopische
dubbelster is. Wat kan men hier de fantasie vrij spel laten, zooals vele amateurs, vooral in hun beginperiode, dan ook zoo
gaarne doen! Men stelt zich dan voor, dat alle zes sterren om
elkaar heen draaien, met verschillende, doch groote snelheden en
dat elke ster begeleidt wordt door een aantal planeten, die ook
weer om hun centraal punt, de ster waar zij bij behooren, heen
wentelen.
En zouden dan deze planeten ook nog niet een of meerdere
manen hebben, die weer om deze planeten heen draaien? Men
kan voorts zoo'n stelsel ook nog "bevolken" met een min of meer
groot aantal kometen, want die hebben wij in onze zonnefamilie
toch ook! Waarom dan daar niet? Er is echter geen enkele aanwijzing, dat het werkelijk zoo is, of zoo zou zijn. En daar de
astronomie zich het liefst aan concrete feiten houdt, laat zij zich
over zoo'n eventueele mogelijkheid niet gaarne uit.
Men merkt echter, dat aan zoo'n paar sterren, die "dicht bij
60 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
elkaar staan" heel wat te zien is en ook nog veel te constateeren
valt, dat niet te zien is. Trouwens, daar zijn de heeren astronomen
toch sterk in. Want zijn er niet meerdere dubbelsterren gevonden
alléén door berekening, sterren, waarvan men in latere jaren,
toen de kijkers grooter en beter werden, zien kon, dat zij dubbel
waren!
Voor het bloote oog zijn, bij oppervlakkige aanschouwing, alle
sterren gelijk in kleur. Bij meer oplettend waarnemen merkt men
echter reeds, dat er sterren bij zijn aan de roodachtige kant, weer
andere zijn meer blauwachtig, enkele zelfs wit. In werkelijkheid
is dat ook zoo en, vooral door een kijker gezien, zijn er bijna
bloedroode exemplaren bij. Het mooiste komt dat kleurverschil
tot uitdrukking bij de dubbelsterren. Bij sommige is dat zeer opvallend, zooals bij de sterren 'beta' van de Zwaan, 'gamma' Andromeda en
'kappa' van de Jachthonden.
ZESDE HOOFDSTUK
Bij onze omzwervingen aan den sterrenhemel maakten wij o. m.
kennis met dubbele en veelvoudige sterren. Men kan echter met
het bloote oog ook een aantal z. g. veranderlijke sterren zien en in
hun lichtwisseling observeeren.
(Kaartje 12). Een van de mooiste voorbeelden daarvan is wel
de veranderlijke ster Algol ('beta' in het sterrenbeeld Perseus), die
in helderheid verandert tusschen de grootten 2.3 en 3.5, dus voor
het bloote oog nog zeer gemakkelijk zichtbaar blijft. Het grootste
gedeelte van de veranderingsperiode is zij van de grootte 2.3 en
een klein gedeelte der periode, slechts eenige minuten, is zij van
de grootte 3.5.
(Kaartje 13). De geheele lichtwisselingsperiode bedraagt slechts
2 dagen, 20 uur en 48 minuten. Daarvan is zij rond 2 dagen van
de grootte 2.3, om ongeveer 5 uur in licht te verminderen tot de
grootte 3.5 en eenige minuten daarna geleidelijk aan weer helderder
te worden.
Deze lichtwisseling gaat jaar in, jaar uit zoo door, zoodat men
nauwkeurig kan "voorspellen", wanneer deze ster weer eens in
zijn kleinste helderheid of minimum is. En de astronomen doen
dat dan ook trouw, voornamelijk wel om de waarnemers van
veranderlijke sterren er op voorbereid te doen zijn, zoodat zij alle
lichtwisselingen dezer ster en zeer veel andere van dezelfde soort
kunnen observeeren, om uit deze waarnemingen weer betere gegevens te verkrijgen voor de bepaling van allerlei bijzonderheden,
61 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
welke van belang zijn. Bij deze soort veranderlijke sterren is de verklaring, waarom zij van licht veranderen niet zoo heel moeilijk, daar
men hier met, wat men noemt, een gedeeltelijke zonsverduistering
te doen heeft. En velen Uwer, vooral de ouderen, zullen zich nog
levendig herinneren, hoe bij een gedeeltelijke zonsverduistering het
licht veel minder wordt, soms zelfs zoo, dat het bijna duister is,
zooals in 1912 hier te lande het geval was.
Bij een heele of gedeeltelijke zonsverduistering wordt het licht
van de zon onderschept, doordat dan de maan geheel of gedeeltelijk
vóór de zon staat, zoodat wij dus in de schaduw van de maan
komen te liggen. Welnu, ook bij de veranderlijke sterren van
deze soort heeft ditzelfde proces plaats. Om de lichtgevende heldere
ster draait in dit geval een donker lichaam heen, met een omlooptijd, die gelijk is aan de lichtwisselingsperiode en voor ons, op
zulk een enormen grooten afstand een zonsverduistering veroorzaakt.
Deze soort sterren noemt men terecht naar de langstbekende
vertegenwoordigster daarvan "Algolsterren". Vele zwakkere
sterren hebben, om dezelfde reden als deze Algol, ook een lichtwisseling, doch de periode, waarin deze geschiedt, is zeer verschillend van lengte.
Ook het helderheidsverschil, dat bij Algol 1.2 grootte-klasse
bedraagt, is bij vele sterren kleiner, doch soms ook aanmerkelijk
veel grooter. Nu moet men niet denken, dat zoo'n verschil van
1,2 grootte-klasse zoo weinig is, dat men het bijna niet opmerkt.
Het is integendeel zeer opvallend, vooral, als men met meer dan
gewone belangstelling zoo'n lichtverloop volgt.
Ik heb hier nogal den nadruk gelegd op deze soort veranderlijke
sterren, alsof er ook nog andere soorten zijn. Dit is dan ook
inderdaad het geval. Een andere belangrijke soort, waartoe wel
de meeste veranderlijke sterren behooren, zijn de z. g. Mira-veranderlijken, zoo genoemd naar de hoofdvertegenwoordigster van
deze klasse, de ster in de Walvisch. Door haar wonderlijk gedrag werd deze ster 'omicron' bij haar ontdekking dan ook Mira of de
"wonderlijke" genoemd.
Immers, bij haar ontdekking was zij voor het bloote oog zeer
goed te zien, om eenigen tijd later geheel te verdwijnen. Kijkers
kende men toen nog niet. Maanden later was zij weer eens zichtbaar en verdween dan weer. Ten tijde van haar ontdekking werd
dit verschijnsel niet zoo intens geobserveerd als heden en zoo kon
het gebeuren, dat men deze wonderlijke ster eenige jaren lang
niet meer zag. De lichtwisselingsperiode van deze ster bedraagt
ongeveer 330 dagen. Zij wordt soms wel eens van de 2e grootte,
zoodat zij dan tot de heldere sterren behoort.
Doch als zij in haar kleinste helderheid is, van de 10e grootte
ongeveer, dan heeft men al een amateur-kijker noodig om haar
te zien. Het helderheidsverschil kan dus wel eens 8 grootte-klassen
62 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
bedragen, is het echter in de meeste gevallen niet. Als men dan
dit helderheidsverschil eens zoo omhoog gebracht denkt, dat deze
ster in haar kleinste licht de grootte 6 zou bereiken, dus vier
grootte-klassen omhoog en men brengt dan ook de grootste helderheid 4 grootte-klassen omhoog, dan zou zij in haar grootste
helderheid de grootte 2 bereiken. Dus het helderheidsverschil voor
het bloote oog zou dan reiken vanaf de helderste sterren, die er
aan den hemel zijn tot aan de helderheid van een sterretje, dat
nog juist met het bloote oog te zien is.
Zoo krijgt men wel een beteren indruk van wat zoo'n helderheidsverschil eigenlijk is. En van dit soort sterren zijn er wel,
waarvan het verschil in helderheid soms 12 tot 13 grootte-klassen
bedraagt.
Niet altijd, zelfs meestal niet, wordt deze ster van de grootte 2,
de grootste helderheid is zelfs wel eens zoo klein geweest, van de
grootte 4.5 à 5, dat men haar met het bloote oog maar juist
even zien kon. Zoo wisselvallig als deze ster in lichtsterkte is, zoo
wisselvallig is ook de lengte van de lichtwisselingsperiode, deze
kan de eene bij de andere maal wel meerdere tientallen dagen
schelen.
Dus ziet men, dat deze ster in alle opzichten haar naam "Wonderlijke" waardig is.
Zoo zeker als men is bij de verklaring van de lichtwisseling der
Algolsterren, zoo onzeker is men bij de Mirasterren. Er zijn hierover al meerdere veronderstellingen gemaakt, die alle een meer of
mindere mate van waarschijnlijkheid in zich hebben, doch de waargenomen feiten wierpen veelal die veronderstellingen dusdanig
omver, dat er niet één aannemelijke hypothese is met alle waargenomen feiten in overeenstemming.
Was bij de Algolsterren het eigenlijke lichtverloop maar tot
enkele uren beperkt en straalt een Algolster het grootste gedeelte
van haar periode in haar grootste licht, bij de Mirasterren gaat
practisch de lichtverandering steeds door, zooals bij een petroleumlamp, die men voortdurend heel langzaam op en neer draait!
Zoo zijn er nog meerdere soorten van veranderlijke sterren aan
den hemel; de 'delta' Cephei sterren, vormen wel een zeer aparte klasse,
daar het juist door deze sterren mogelijk is, afstanden van
millioenen lichtjaren te meten.
De helderste vertegenwoordigster van die klasse is de ster
'delta' in het sterrenbeeld Cepheus, die verandert van de grootte 3.7
tot 4.9 in een periode van 5 dagen 8 uur en 47 minuten.
Deze periode is in de lengte van den tijd vrij regelmatig, doch
de periode is in zooverre onregelmatig, dat zij 3 dagen en 17 uur
noodig heeft om van de grootte 3.7 tot 4.9 te verduisteren en
maar 1 dag 15 uur om weer te stijgen in helderheid tot de
grootte 3.7.
Van deze soort veranderlijke sterren is er een groot aantal en,
63 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
zooals ik reeds zei, zij zijn zeer belangrijk. Er is een bepaalde betrekking tusschen de werkelijke helderheid van zoo'n veranderlijke ster en de lengte der lichtwisselingsperiode. Kan men deze
bepalen, dan zijn de astronomen ook in staat om den afstand van
zoo'n ster te berekenen.
In de laatste jaren heeft men daarom dan ook veel foto's
gemaakt van nevelvlekken, met het doel om daarin veranderlijke
sterren van deze klasse te vinden, waardoor men dan tevens den
afstand van die ver verwijderde objecten te weten kon komen.
En daar de amateur-astronoom, met zijn min of meer simpel
kijkertje, heel goed in staat is om de helderheid van een aantal
'delta' Cephei-sterren juist te schatten en daarmede ook de lengte der
periode kan bepalen, zou hij dus door deze methode in staat zijn
om afstanden van millioenen lichtjaren te meten. In theorie is dit
wel zoo, doch in de praktijk komt daar toch nog wel iets anders
bij kijken.
Tot de veranderlijke sterren behooren nog meer soorten;
ze alle de revue te laten passeeren is in dit bestek niet goed mogelijk en trouwens ook betrekkelijk onnoodig. Doch één bepaalde
soort wil ik nog even aanduiden en wel de groep, die men "U
Geminorum" sterren noemt.
Deze veranderlijke ster, in het sterrenbeeld Geminorum, de
Tweelingen, verandert tusschen de grootte-klasse 12 in haar kleinste helderheid en de grootte-klasse 10 in haar grootste helderheid,
dus een helderheidsverschil van 2 grootte-klasse. Deze soort sterren
zijn min of meer een tegenhanger der Algol-veranderlijken. Bij
deze laatste wordt de langste tijd der periode ingenomen door
haar grootste helderheid, doch bij de U Geminorum sterren is dat
juist andersom.
U zelf immers blijft ongeveer 76 dagen in haar kleinste licht, om
in den tijd van ongeveer 18 dagen tot de grootte 10 in helderheid toe te nemen en ook weer tot op de grootte 12 terug te
zinken. Er is echter in deze periodieke lichtwisseling in ongeveer 18 dagen ook nog een andere lichtwisseling aanwezig. Ik gaf
dit voorbeeld van veranderlijke sterren alleen, omdat zij als regel
het grootste gedeelte der periode in haar kleinste licht doorbrengen, dus zooals hierboven medegedeeld precies het tegenovergestelde der Algolsterren. Daarom heeft men vroeger deze soort
ook wel Antalgolsterren genoemd.
Kan men de veranderlijke sterren Algol, Mira, 'delta' Cepei goed
met het bloote oog vinden en eventueel in haar helderheidswisseling observeeren, bij de bovengenoemde soort is dit niet
mogelijk. Daarvoor is een behoorlijk krachtige kijker noodig, zooals er toch nog al eenige door een aantal amateurs gebruikt
worden. Voor de kleinere kijkertjes, zooals er zoo heelveel in
Nederland zijn, is deze soort sterren slechts bij uitzondering, als
zij in haar grootste lichtsterkte verkeeren, nog weleens te zien.
64 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Hiervoor is natuurlijk in de eerste plaats noodig, dat men deze
soort sterren, evenals dit ook met een zeer groot aantal andere
soorten het geval is, aan den hemel vinden kan. Met heldere
veranderlijken, die voor het bloote oog altijd te zien blijven, is
dat nu niet zoo heel moeilijk, doch wil men deze U Geminorum
sterren zien of observeeren, dan is daarvoor noodig, dat men een
kaartje heeft, waarop ten eerste de ster zelf staat, maar waarop
ook een voldoende groot stuk van den hemel is afgebeeld om
zoo'n veranderlijke ster behoorlijk te kunnen identificeeren.
Sedert 1908 nu wordt er zoo'n atlas der veranderlijke sterren
uitgegeven en wel door de sterrenwacht van het Vaticaan, eerst
onder leiding van pater Hagen, nu van pater Dr. Stein. Het is
voor ons Nederlanders wel iets om trotsch op te zijn, dat ook de
laatstgenoemde, die nu de leiding der geheel gemoderniseerde
Vaticaansche sterrenwacht heeft, een Nederlander is. Deze "Atlas
Stellarum Variabilium" is tot nu toe in 9 deelen verschenen, een
monumentaal werk! Het is hoofdzakelijk bestemd ten dienste
van de sterrenwachten in de verschillende landen, of van den
amateur, die speciaal werk maakt van de waarneming van veranderlijke sterren. (afb. 14).
Trouwens, ook een tweede monumentaal werk op dit gebied
"Lichtwechsel und Literatur Veränderlicher Sterne" is als zoodanig bedoeld. Dit werk is uitgegeven door de "Astronomische
Gesellschaft" en behandelt van elke bekende veranderlijke ster de
geheele geschiedenis, de lengte der periode, het helderheidsverschil
enz. enz.
Zoo ziet men als leek, dat er in de astronomische wetenschap
verschillende speciale gebieden zijn. Wij kwamen al specialisten
tegen, die zich alleen maar met dubbelsterren bezighouden,
anderen, wier speciaal gebied de veranderlijke sterren zijn. Zoo
heeft men nog meerdere onderafdeelingen, zooals de spectraalanalyse, de eigen beweging der sterren, het fotografeeren van
nevelvlekken enz. En als men dan een min of meer bekend amateur
der astronomie is, krijgt men bezoekers, die ook "weleens sterren
willen zien" en die bovendien verwachten, dat men op alle denkbare vragen antwoord kan geven. Men zal na het voorgaande
wel eenigszins kunnen begrijpen, dat dit niet wel mogelijk is.
De tijd, dat een beroeps-astronoom het geheele gebied der
astronomie begrijpen en omvatten kon, is al heel lang voorbij.
En als dit van den vakman moet geconstateerd worden, dan
geldt dit des te meer voor den amateur, die al zijn kennis
moet opdoen in de vrije uren, welke zijn dagelijksch werk hem
laten.
We weten nu dus, dat voor het bloote oog enkele dubbelsterren
en enkele veranderlijke sterren zichtbaar zijn. Er is echter zonder
kijker nog iets meer te zien, hoewel dit zichtbare niet zoo'n indruk
zal en kan maken.
65 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Bedoeld worden de nevelvlekken en sterrenhoopen. Heeft men
als pas beginnend amateur of belangstellende leek den weg kunnen
vinden in de verschillende sterrenbeelden, dan is men ook heel
zeker met belanstelling gaan zien naar het groepje van 6 of 14
sterren in het sterrenbeeld "de Stier", dat men de Pleïaden of ook
wel Zevengesternte noemt.
Dit groepje sterren staat voor het bloote oog zoo dicht opéén,
dat het geheel er eenigszins een indruk van geeft, hoe men een
sterrenhoop in een astrokijker ziet. Ook met de "Hyaden" of "de
kop van den Stier" met de heldere, roode ster der eerste grootte
'alpha' Aldebaran is dit het geval, hoewel daar de sterren toch al wat
te ver uiteen staan om een indruk te krijgen van een sterrenhoop
in een kijker.
Bij deze sterrenhoopen kan men met het bloote oog de sterren
nog elk afzonderlijk zien.
Bij een andere, zeer mooie sterrenhoop, een dubbele trouwens,
in het sterrenbeeld Perseus, ziet men de sterren niet afzonderlijk.
Deze ziet men slechts als een wazig vlekje tegen den achtergrond van den Melkweg afgeteekend, doch als zoodanig is deze
sterrenhoop met het bloote oog zeer goed te zien. Men krijgt
een goeden indruk hoeveel sterrenhoopen en ook nevelvlekken zich
aan ons voordoen, wanneer men onze kleinere amateur-kijkers
gebruikt. Men zal dan zien, dat heel wat van die wazige vlekjes,
die altijd ten opzichte van de sterren op hun vaste plaats blijven
staan, toch maar alleen gevormd zijn uit een verzameling van
een min of meer groot aantal, meest zwakkere sterren. Ook in
deze sterrenhoopen heeft men nog eenige soorten open sterrenhoopen, zooals die der Pleïaden, in Perseus, en de sterrenhoop Praesepe in het sterrenbeeld de Kreeft. Ook heeft
men z. g. bolvolrmige sterrenhoopen. Van de laatste soort zijn er
ook nog wel een paar met het bloote oog te zien, als een mat,
wazig lichtvlekje, zooals de sterrenhoop M 13 in Hercules. Over
het algemeen echter vallen deze soorten tegen, als men ze alleen
maar met het bloote oog gaat observeeren. Dan brengt een meer
of minder groote kijker voor den amateur de lang verwachte
uitkomst.
Ook met de bovengenoemde nevelvlekken is dat zoo. Men kan
ook eenige van deze zoo buitengewoon groote gasmassa's met het
bloote oog als heel matte lichtvlekjes vinden; vooral de groote
nevelvlekken in de sterrenbeelden Andromeda en Orion zijn daar
voorbeelden van, hoewel het uit de meest moderne fotografieën
gebleken is, dat de eerste uit een conglomeraat van sterren en
nevel bestaat.
Hoewel men met een kijker heel wat meer nevelvlekken kan
zien dan met het bloote oog, zal men toch meestal in zijn verwachtingen teleurgesteld zijn. Men ziet immers in alle mogelijke
populaire boeken over astronomie foto's van deze objecten, die
66 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
met de meest verfijnde, de meest moderne en grootste fotoapparaten gemaakt zijn. Gaat dan de amateur met zijn kijker op
jacht naar deze zoo buitengewoon mooie objecten, dan ziet hij
als regel maar een heel moeizaam herkenbaar nevelachtig lichtvlekje, als hij tenminste - in het gunstigste geval - de objecten
vinden kan.
Naar mijn ervaring zijn deze nevelvlekken wel de eenige verschijnselen, die voor den leek weinig aantrekkelijks hebben en
daarom óók bij beschouwing door een kijker meestal tegenvallen.
Zou men echter als taaie, vasthoudende amateur niet wat meer
kunnen zien dan ons kijkertje vertoont? ''zeker is dat mogelijk,
men kan de groote sterrenwachten navolgen en zich toeleggen
op het fotografeeren dier verschijnselen. En dan gelukt het! Menige
amateur heeft verbaasd gestaan als hij, met zijn bescheiden fotouitrusting, kon constateeren, dat hij het helderste gedeelte van de
Pleïaden-nevel om de ster Maja op zijn negatief te pakken had,
een object, waarover eenige tientallen jaren geleden nog al wat
te doen is geweest, daar de eene astronoom het wèl, de andere
het niet kon zien.
Ook kan de amateur den zoo bekenden Amerika-nevel in het
sterrenbeeld de Zwaan wel op zijn negatief krijgen; van den niet
minder bekenden nevelvlek in Andromeda is het hem zelfs mogelijk
de spiraalwindingen te fotografeeren.
Doch dit zijn allemaal dingen, die eigenlijk nog buiten dit bestek
liggen, daar wij hier spreken over datgene, wat er zooal met het
bloote oog aan den hemel te zien is.
De astronoom zou geen astronoom zijn, als hij ook op het gebied
der sterrenhoopen en nevelvlekken niet aan het zoeken, schiften en
classificeeren ging. En zoo waren er al vroeg waarnemers, die in
alle daarvoor geschikte nachten en avonden, den hemel afzochten,
uitsluitend om die sterrenhoopen en nevelvlekken te vinden.
(foto 15).
Ziet men van de toevallig gevonden objecten af, dan was de
Fransche astronoom Messier wel een der eersten, die zich speciaal
op dit gebied bewoog. Hij maakte daarbij gebruik van een kijker
van 75 m. M. opening, zooals ook veel amateurs er een bezitten.
Daarom kan men wel als regel aannemen, dat, als men op een
sterrenatlas bij zoo'n nevelachtig vlekje de letter M met een nummer ziet staan, men dat object met een kleinen kijker kan zien.
Het geheele lijstje van Messier bevatte 103 van die objecten.
De beide Herschel's, vader en zoon, hebben als het ware den
geheelen hemel afgegraasd om al dit soort objecten te vinden.
Daarbij kwam nog de oogst, die andere waarnemers konden binnenhalen. En zoo was de Engelschman Dreyer in staat, een catalogus
samen te stellen van alle destijds zichtbare sterrenhoopen en nevels.
Deze catalogus is in de astronomie bekend onder den naam "New
general catalogue". En het is aan alle serieuze amateurs bekend,
67 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
dat de allermeeste sterrenhoopen en nevelvlekken aangeduid
worden met de letters NGC met het nummer erbij, dat zij in
dezen catalogus ontvingen.
Een van de mooiste objecten, die aan den hemel te zien zijn,
is de met het bloote oog waar te nemen "Melkweg", waarover
wij nog niet gesproken hebben. Wie heeft in mooie Augustusnachten niet eens met verwondering naar dien grillig loopenden
lichtband aan den hemel staan of liggen kijken ! Daarbij kon men
zien, hoe zeer verschillend de helderheid van deze verschijning is;
op sommige plaatsen heel lichtzwak, op andere heel helder, hier
slechts zeer smal, daar weer breed uitloopend. Vaak werd mij
gevraagd wat dat toch voor een verschijnsel is.
In alle voor amateurs bestemde atlassen, vindt men een min of
meer geslaagde poging om dien grillig verloopenden lichtband voor
te stellen. De meeste zijn minder goed geslaagd, enkele zijn beter
uitgevallen. Een der eersten, die er een, op meer wetenschappelijke
waarneming berustende, albeelding van gaf, was Heis. Ook een
onzer landgenooten, Dr. Easton, maakte een zeer goede kaart
van het helderheidsverloop van den Melkweg. In de laatste jaren
zijn er nog enkele verschenen, die gebaseerd zijn op fotografische
opnamen. Prof. Pannekoek heeft ook op dit gebied van zich doen
spreken.
Het verschijnsel van dien lichtenden band aan den hemel wordt
veroorzaakt door een ontzaglijk groot aantal zwakke sterren, die
gezamelijk ons den indruk geven, dien de Melkweg op ons maakt.
Reeds met het ongewapende oog zijn de meeste sterren in het vlak
van den Melkweg te zien.
Raadpleegt men een atlas, waarin de sterren der grootte 9.5 à 10
staan, zooals op de kaarten der "Bonner Durchmusterung" of de
atlas van Breyer, en men legt een kaart uit den Melkweg en b. v.
één uit de omgeving ven het sterrenbeeld "de Jachthonden" naast
elkaar, dan is het verschil in het aantal sterren al buitengewoon
groot. En toch wordt de lichtschijn van den Melkweg in hoofdzaak veroorzaakt door de nog zwakkere sterren der grootte 12
en daaronder. (foto 18). Hierdoor is ook het fotografeeren van
den Melkweg door den amateur-astronoom zoo'n dankbaar werkje,
vooral ook, omdat hij er zeker van kan zijn, een groot aantal veranderlijke sterren op zijn negatief te krijgen, en daarmee hun
helderheid op dat tijdstip voor altijd vast te leggen.
Een van de verschijnselen, die de beginnende amateur en ook
wel de leek opmerken, is het schitteren of fonkelen der sterren.
Men bemerkt dikwijls, dat met vriezend weer dit verschijnsel
duidelijker is dan in den zomer, doch min of meer treedt het
schitteren altijd op.
Het licht, dat op zijn ontzaglijk langen weg in tientallen,
soms in millioenen lichtjaren tot ons komt, moet noodzakelijkerwijze de dampkring van de aarde passeeren, waarbij het ver68 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
schillende lagen doorloopt, die in dichtheid, vochtigheid en warmte
verschillen. Het licht van een ster wordt daardoor van haar rechtlijnige baan nu eens hierheen, dan weer daarheen afgebogen en
dat veroorzaakt het door ons waargenomen flikkeren. Daarom is
het ook goed begrijpelijk, dat een ster, die recht boven ons hoofd
staat niet zoo hevig zal flikkeren, als een, die laag boven den
horizon staat, daar het licht in het laatste geval een veel langeren
weg door de dampkring moet afleggen om tot ons te komen.
Daardoor komt het ook, dat het schitteren der sterren, laag boven
den horizon, begeleid wordt door een vaak goed waarneembaar
kleurverschil. Het lijkt dan of er met heel korte tusschenpoozen
roode, gele, groene of blauwe straaltjes uitschieten. Dit verschijnsel
is zoo algemeen bekend, dat het iedereen wel eens is opgevallen.
Dat is ook het geval met de "vallende sterren". Wie heeft
nog nooit een ster van den hemel zien vallen? Iedereen toch,
niet waar? Lezers, het is niet te wenschen, dat een werkelijke ster
ons zoo nabij zou komen, dat zij in den kampkring van onze aarde
verscheen, want in minder dan geen tijd zou er geen enkel levend
wezen op aarde meer over zijn om van het gebeurde iets te
kunnen navertellen! Daaraan merkt U al, dat wij in dit geval niet
met werkelijke vallende sterren te doen hebben. Op onze verkenningsavonden hebben wij er natuurlijk al vele malen een zien
"verschieten", zooals het in den volksmond wel genoemd wordt.
En als wij er wat meer en beter op hebben gelet, dan hebben wij
wel gemerkt, dat men er den eenen tijd méér, soms veel meer
ziet dan op andere tijden. Het gebeurt een enkele, zeldzame keer
weleens, dat men als het ware van een sterrenregen kan spreken.
Wat zijn die vallende sterren nu wel?
Het zijn min of meer groote lichamen, die voor het grootste
gedeelte uit zuiver ijzer bestaan, in den regel wel voor negentig
procent, terwijl er ook andere metalen in voorkomen, zooals nikkel,
koper, silicium, voorts koolstof en nog enkele andere stoffen, doch
meestal in zeer kleine hoeveelheden, zoodat men op het eerste
gezicht niet anders zou denken dan dat men een stukje ijzer in
de hand heeft. Er zijn ook nog wel andere soorten van deze
zwervers gevonden, voorwerpen, die hoofdzakelijk uit steen bestaan en ook bijna geheel uit glas. Deze laatste soorten zijn echter
zeldzaam.
Vallende sterren, wij zullen maar bij dezen ingeburgerden naam
blijven, ziet men bij helder weer iederen nacht. Waar zij vandaan komen, is voor een gedeelte hunner niet met zekerheid bekend, doch als zij op hun omzwerving door het heelal al te dicht
bij de aantrekkingssfeer der aarde komen, worden zij van hun
oorspronkelijke loopbaan afgetrokken en buigen af naar de
aarde toe. Dan is het lot van bijna alle beslist, want dan trekt
de aarde die betrekkelijk kleine zwervers naar zich toe en zij
komen in den dampkring der aarde terecht. Door de buitengewoon
69 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
groote snelheid dier vallende sterren drukken zij de zich vóór hen
bevindende lucht samen of door de wrijving van de toch zeer
ijle luchtdeeltjes gaat zoo'n ding gloeien en wordt dan voor ons
zichtbaar als vallende ster. Nu gebeurt het wel een enkele keer,
dat men een heldere vallende ster ziet verschijnen, die even later
uiteen spat en dan een harde ontploffing laat hooren, ongeveer als
het afgaan van zwaar geschut. Dit geval moet men zich als volgt
denken: komt zoo'n meteoor of vallende ster in den dampkring
der aarde, met een snelheid die ongeveer net zoo groot is als de
snelheid van de aarde zelf, dan drukt zij de lucht vóór zich samen.
Hierdoor wordt ten eerste de groote snelheid geremd in zoo'n
korten tijd, dat door de warmte-ontwikkeling de vallende ster niet
alleen zichtbaar wordt, maar er achter een min of meer luchtledige
ruimte ontstaat, waarin verbrandingsgassen ontwijken, en dan kan
het gebeuren, dat zoo'n heel ding tot ontploffing komt, hetgeen
wij dan zien door een prachtigen vonkenregen en hooren door een
knal. Nu weten wij allen wel, hoe hooger men in den dampkring der aarde komt, hoe ijler, hoe dunner de lucht wordt. Reeds
op een hoogte van enkele Kilometers zou het voor een mensch
niet meer mogelijk zijn te leven.
De vallende sterren nu, worden al zichtbaar voor ons als zij
op een hoogte zijn van 120 tot 150 K. M. en zij verdwijnen, zijn
uitgebrand, op een hoogte van 60 tot 80 K. M. De geheele zichtbaarheidsperiode duurt zeer kort, zooals men dagelijks ervaren
kan. Doch meermalen is ook geconstateerd, dat zoo'n vallende
ster, als het ware een bedachtzamen, langzamen weg aflegde en
dat zij dan soms wel van 5 tot 10 seconden zichtbaar bleef. Dat
verschijnsel kan door iederen amateur worden vastgelegd door de
schijnbare baan in een goeden atlas te noteeren met juiste vermelding van tijd en plaats der waarneming. Zijn er meer van die
waarnemingen gedaan van één en denzelfden meteoor, dan is het
mogelijk om te berekenen hoe de ware loopbaan is geweest, op
welke hoogte hij zichtbaar werd en op welke hoogte hij weer
onzichtbaar is geworden. Meestal moet men bij dergelijke berekeningen alfgaan op min of meer onvolledige waarnemingen, zooals
men die in de dagbladen vindt, doch het komt voor, dat de waarnemingen zoo nauwkeurig en betrouwbaar geweest zijn, dat het
mogelijk was om precies te zeggen op welke plaats de overblijfselen de aarde getroffen moeten hebben. Het is wel een bewijs
van de nauwkeurigheid der menschelijke berekening, als men dan,
als proef op de som, de overblijfselen werkelijk vindt op enkele
honderden meters afstand van de aangeduide plaats. Men zou zoo
oppervlakkig denken, dat de stukken van zoo'n meteoor wel ontzettend diep in de aarde moeten dringen, daar zij zulk een buitengewoon groote snelheid hadden. Ja, dat is het juist, zij hádden
die groote snelheid, maar deze werd op hun weg door den
dampkring voor een groot deel geremd. En als dan de ontploffing
70 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
volgt, ondervinden de overblijvende deelen niets anders dan de aantrekkingskracht der aarde, hun eigen snelheid is opgebruikt. Dan
vallen die overblijvende stukken precies op dezelfde manier naar
beneden als de splinters van een granaat, die hoog in de lucht tot
ontploffing komt. En deze splinters en brokstukken van meteoren
ondervinden dan de remmende werking der lucht, die immers
hoe langer hoe dichter wordt. Wij weten allen, hoe gevaarlijk het
kan zijn als granaten hoog in de lucht ontploffen, menige nieuwsgierige heeft dat met een min of meer ernstige verwonding, ja,
soms met den dood moeten bekoopen.
Uit den aard der zaak zijn er niet zoo heel veel meteoren, waarvan de brokstukken op aarde terecht komen. Nochtans herinner
ik mij een krantenartikel van ongeveer vier jaar geleden, waarin
melding werd gemaakt van het geheel verbranden van een boerenhoeve in Australië door vallende brokstukken van een meteoor.
Er zullen ook nog wel menschen zijn, die zich herinneren, hoe op
30 Juni 1908 's avonds den geheelen N. O. hemel helder verlicht
was, als bij volle maan, welk verschijnsel veroorzaakt werd door
een enorm aantal meteoorsteenen, dat in de noordelijke wouden
van Siberië was neergekomen en een oppervlakte van 20 vierkante K. M. oerwoud totaal in de asch gelegd had, terwijl honderden K. M. in het rond alles er min of meer door geleden had.
Nog in 1928 dus 20 jaar later, was alles daar nog een woeste,
kale vlakte. Men kan zich voorstellen, wat de uitwerking geweest
zou zijn, als zoo iets in de bewoonde wereld was terechtgekomen,
in plaats van in de onbewoonde oerwouden van Siberië! De meest
nabije menschelijke nederzetting, een eenzame post, lag er nog een
100 K. M. vandaan.
In verband met de jaarlijksche baan der aarde om de zon en
met de draaiïng der aarde om haar as in 24 uur, kan men verwachten, dat men in de vroege ochtenduren de meeste vallende
sterren ziet. Zelfs een oppervlakkige telling over een eenigszins lang
tijdvak, bevestigt deze verwachting volkomen.
Toch zijn er nog andere uren, waarin men soms veel meer
vallende sterren ziet dan normaal.
De perioden van de meeste vallende sterren zijn wel half
Augustus en half November. Zelf heb ik er eens 268 in één uur
geteld van den meteoorstroom, die in Augustus zoo actief is. Hoewel dit aantal in verhouding tot de gewone dagelijksche activiteit
groot is, komt het - hoewel zeldzaam - voor, dat men de vallende
sterren bijna als druppels water uit den hemel ziet vallen. Zoo'n
geval deed zich ongeveer tien jaar geleden voor, toen ik in den
tijd van 20 minuten 1000 vallende sterren kon tellen, en toch
ben ik er mij zeer goed van bewust, dat ik minstens 250 à 300 stuks
te weinig telde, daar er op enkele oogenblikken zooveel tegelijk
vielen, dat het niet mogelijk was ze allen te tellen. Het is maar gelukkig, dat van dit soort vallende sterren de overblijfselen niet
71 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
op aarde terecht komen, daar deze geheel opbranden.
De vallende sterren, die men den geheelen nacht door zoo nu
en dan ziet oplichten en verdwijnen, komen uit alle richtingen van
het heelal in onzen dampkring. Doch de opeenhoopingen van
vallende sterren, die men elk jaar in midden Augustus en November in grooter of kleiner aantal kan zien, komen alle uit een
bepaalde hemelstreek.
Als men op een helderen Augustusnacht den hemel gadeslaat
en men ziet nu hier, dan daar zoo'n vallende ster oplichten en
verdwijnen, dan is het vrij gemakkelijk de baan op een daartoe
geschikt kaartje in te teekenen. Heeft men dit van een zeker
aantal gedaan en trekt men die banen dan achterwaarts door, dan
zal men bemerken, dat zij elkaar in een bepaald punt van den
hemel ontmoeten, het snijpunt. In Augustus is dat punt in het
sterrenbeeld Perseus gelegen, in November in het sterrenbeeld
de Leeuw. Dit punt wordt het radiatiepunt genoemd of radiant,
dat is: het uitstralingspunt. Nu zijn er het geheele jaar door van
die uitstralingspunten werkzaam, doch de meest productieve zijn die
in Augustus en November. Deze vallende sterrengroepen worden
dan als regel benaamd naar het sterrenbeeld, waarin dat radiatiepunt ligt; zoo spreekt men van Perseiden, Leoniden, Lyriden,
Geminiden enz. In de meergenoemde sterrengids wordt, waar
noodig, aangegeven, welke groep in een bepaalde maand werkzaam is.
Niet elk jaar echter ziet men er evenveel; er kunnen jaren
voorbij gaan, dat het aantal vallende sterren zeer gering is, om
dan weer zeer aanmerkelijk te stijgen.
Dit soort vallende sterren loopt in een gesloten baan om de
zon heen. Als nu de aardbaan zoo'n vallende sterrenbaan snijdt,
dan ziet men ook vallende sterren van die groep.
Doch het is met die vallende sterren als met een groote groep
hardrijders op een wielerbaan. Nu en dan blijven er achter, die
niet mee kunnen komen, en zoo ziet men op zoo'n baan weleens
overal hardrijders, doch de hoofdtroep, het peleton, bestaat toch
uit de grootste groep. Met deze soort vallende sterren gaat het
evenzoo. Verstrooid over hun baan, vindt men ook overal van
die achterblijvers, doch de hoofdgroep, de compacte massa, neemt
op de geheele baanlengte maar een korten afstand in. Kruist,
snijdt nu de aardbaan deze vallende-sterren-baan juist in dat
korte oogenblik, dat ook de hoofdgroep daar passeert, dan vallen
de sterren van den hemel "als druppels water", zooals men een
tiental jaren geleden kon zien. Toen was ook het geheele verschijnsel in enkele uren voorbij.
Zijn deze vallende sterren nu afvalproducten van kometen? De
loopbaan komt, door zijn langgerekten elipsvorm, veel overeen met
kometenbanen. Voor enkele van die sterrenstroomen is dat vrijwel
zeker. De komeet van Biela, met een omlooptijd van 6¼ jaar, was
72 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
meermalen op den juisten tijd verschenen, doch toen zij in 1845
weer terugkwam, deed zich het werkwaardige verschijnsel voor,
dat zij zich in tweeën splitste. In 1852 kwam zij weer terug, doch
de twee kometen, die het nu geworden waren, stonden op grooten
afstand van elkaar. In haar twee daarop volgende omloopen, is
zij niet teruggezien, doch in 1872 was er op de plaats, waar Biela's
komeet moest verschijnen, in November een dichte vallende
sterrenregen te zien.
Volgens waarnemers uit die dagen, moeten zij toen met
millioenen uit den hemel zijn gevallen.
De Italiaansche astronoom Schiaparelli heeft door zijn onderzoekingen aangetoond dat voor verschillende vallende-sterrenstroomen het verband met kometenbanen zeker is. Zoo zijn de
Leoniden, die in November verschijnen, het overblijfsel van den
komeet van 1866 I.
Men ziet dus, dat er aan zulke schijnbaar onbeduidende verschijningen als vallende sterren, meer vast zit dan men denken
zou. Zelfs bij goed gefundeerde waarnemingen door amateurs,
kunnen daaruit zeer waardevolle conclusies voor de wetenschap
getrokken worden. Zoo veel menschen als er zijn, die vaak vallende
sterren gezien hebben, zoo weinig zullen er zijn, die flink ontwikkelde, groote kometen hebben waargenomen. Toch is ook dit
een verschijnsel, dat weleens - al is het zeldzaam - met het
bloote oog zichtbaar is. En daarom moet hierover ook wel het
een en ander worden gezegd. Zoolang de mensch al naar den
hemel kijkt, zoolang zijn er ook op ongeregelde tijden kometen of
staartsterren gezien. In de oudste Chineesche kronieken komen al
beschrijvingen voor van "geesels des hemels", die pest en cholera
verspreiden, hongersnood en overstroomingen op hun geweten
hebben. Zonder uitzondering werden de kometen, tot nog voor
een kleine twee honderd jaar, voor verspreiders van de ergste
epidemieën gehouden en ook hongersnood en oorlog hadden zij
op hun geweten. Nog in den modernen tijd, in 1910, bij de terugkomst van de komeet van Halley, is het voorgekomen, dat menschen zich het leven benamen "daar nu het einde der wereld gekomen was". Doch juist bij het verschijnen van deze komeet
is wel terdege aangetoond, dat wij menschen geen invloed van
kometen of hun angstwekkende staarten ondervinden.
Er is immers spectroscopisch aangetoond, dat er in die komeet
het zoo giftige cyaangas aanwezig is, en hoewel volgens de berekening de aarde door den staart van deze staartster moet heengegaan zijn, is er van eenigen invloed op het leven op aarde
totaal niets gebleken, of het moet dan zijn, dat enkele bijgeloovige
menschen de kluts kwijtraakten, zooals hierboven vermeld.
Het verschijnsel "komeet" is voor het bloote oog soms precies
eender te zien als in de allergrootste kijkers ter wereld. (foto 16).
Dat is, wanneer een komeet juist aan de grens van zichtbaarheid is,
73 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
in helderheid overeenkomt met, laten wij zeggen, een ster der
grootte 5 of 6. Men ziet dan een klein, nevelachtig vlekje, soms met
een duidelijk zichtbare lichtverdichting, de kern. In den regel is het
zoo, dat, hoe dichter de komeet bij de zon komt, hoe grooter
de lichtontwikkeling wordt, hetgeen soms gepaard gaat met de
vorming van een min of meer grooten staart.
Doch het gebeurt ook, dat er van die geheele ontwikkeling van
kern en staart niets terecht komt en men de komeet alleen maar
met het bloote oog als een wazig lichtvlekje kan zien op haar
beweging tusschen de sterren door.
Een andere maal kan men de geheele ontwikkeling ook met
het bloote oog volgen, zoodat men elken avond kan constateeren
dat de komeet veranderd is. Dit kon ik heel mooi zien aan de
komeet 1910a, aan Halley's komeet in 1910, aan de Septemberkomeet in 1914 en in Augustus 1937.
Het boven aangegeven geval van een voortdurend lichtzwak
neveltje zonder meer, heb ik wekenlang in 1911 kunnen observeeren. Het is dan zeer interessant om, zonder eenig hulpinstrument, den loop van zoo'n komeet avond aan avond vast te leggen
door haar plaats ten opzichte van de omringende sterren in een
atlas aan te teekenen.
Zeer groote en heel heldere kometen zijn echter zeldzame verschijningen en dat er een op het midden van den dag te zien is,
zooals in 1744 het geval was, is al een heel groote zeldzaamheid.
De helderste komeet, die wij de laatste 50 jaar hier hebben
gezien, was de "komeet 1910a" in Januari van dat jaar, en daaropvolgend de komeet van Halley, die in Mei 1910 te zien was.
Laatstgenoemde heeft een zeer langgerekte eliptische baan, die
zij in ongeveer 76 jaar doorloopt, dus krijgen wij haar om de
75-76 jaar voor korteren of langeren tijd bij ons, aardbewoners,
"op bezoek".
De Engelsche astronoom Halley was bij zijn bestudeering van
kometen, die in vroegere tijden al eens te zien waren geweest,
tot de conclusie gekomen, dat de kometen van het jaar 1531,
1607 en 1682 misschien weleens een en dezelfde geweest konden
zijn. Daarom ging hij aan het rekenen, zooals een goed astronoom
past, als hij iets tegenkomt, dat niet al te duidelijk is, en zoo
berekende hij dan de terugkomst van die komeet voor het
jaar 1758. Zij werd toen ook werkelijk gevonden door een landbouwer, Palitsch, bij Dresden, een boerenastronoom, die "ook weleens naar de sterren ging kijken"! Nadien is deze komeet steeds
op den bestemden datum teruggekeerd, iets wat bij kometen niet
altijd zoo zeker is. Immers, op hun weg om de zon ontmoeten zij
op min of meer grooten afstand een heel rij planeten, die alle
invloed op zoo'n loopbaan kunnen uitoefenen; vooral de planeten
Jupiter en Saturnus, met hun groote massa's, zijn fnuikend geweest voor sommige kometenbanen. Daardoor komt het nogal eens
74 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
voor, dat een komeet, komende in de storingssfeer van Jupiter
of Saturnus, een geheel andere baan krijgt en men haar bij een
volgende verwachte terugkomst vergeefs zal zoeken.
Doch ook deze storingen, door bepaalde planeten veroorzaakt,
kunnen soms in de berekening betrokken worden, waardoor het
dan mogelijk is, dat zoo'n komeet, die anders uit het gezicht zou
raken, toch nog weer teruggevonden kan worden.
Omgekeerd hebben de planeten Jupiter en Saturnus ook dikwijls
gefungeerd als kometenvangers. Dit geval moet men zich aldus
voorstellen. Een komeet komt op haar loopbaan rond de zon zoo
dicht in de nabijheid van een dezer planeten, dat de aantrekkingskracht hunner groote massa's op een dusdanig intense wijze op die
kometenbaan inwerkt, dat deze baan zich als het ware aanpast aan
de baan van de planeet. Zoodoende heeft men een flink aantal
kometen, die ongeveer denzelfden omlooptijd hebben als Jupiter
en Saturnus, te weten resp. 12 jaar en ongeveer 29½ jaar. Men
spreekt in zoo'n geval van kometenfamilies.
Ook de komeet van Halley behoort bij zoo'n familiegroep van
een zestal andere, die eveneens een omlooptijd van circa 75 jaar
hebben.
Zoo zeldzaam als heel heldere kometen met het bloote oog te
zien zijn, zoo gewoon is hun verschijning voor hen, die over een
kijker en over de gegevens van hun verschijning beschikken kunnen.
Immers elk jaar is er een aantal te zien. Zij worden dan ook als
regel genoemd met het getal van het jaar, waarin zij gevonden
worden, b. v. 1942 en dan met de letters a, b, c enz. Ook wel
wordt de naam van den ontdekker erbij aangeknoopt, dit is echter
niet altijd het geval.
Er zijn ook kometen, die in de literatuur alleen bekend zijn onder
den naam van hen, die hun loopbaan in alle finesses berekenden,
zooals de komeet van Halley, en van Encke.
De ontwikkeling van een kometenstaart is een zeer fraai verschijnsel, soms als één lijnrechten, stralend helderen lichtbundel
te zien, om dan weer een gebogen vorm aan te nemen als een
kromme sabel, zooals met de komeet van Donatie het geval was.
(foto 17).
Ook zijn er verscheidene waargenomen, vooral in de laatste
jaren, door middel der fotografie, die meerdere staarten hadden,
als de uitgespreide vingers van een hand.
Eén ding is echter, waarop iedere waarnemer van een heldere
komeet met een goed zichtbaren staart eens moet letten en wel,
dat zoo'n kometenstaart altijd van de zon àf gericht is. Nu komt
het voor, dat er kometen zijn, zooals in 1843 en 1882, die bijna
rakelings langs de oppervlakte van de zon strijken. En hoe is
het dan mogelijk, dat zoo'n kometenstaart, die soms meer dan
100 millioen K. M. lang is, toch op dien grooten afstand nog
altijd van de zon àf gericht blijft? Dat komt doordat de staart75 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
deeltjes den stralingsdruk van de zon ondervinden. Zij worden
voortdurend van de komeet weggedrukt. Het is daardoor slechts
schijnbaar dat de staartdeeltjes met zoo'n snelheid om de zon
zwaaien. Wat is nu eigenlijk wel zoo'n voorwerp, dat wij komeet
noemen? Algemeen wordt aangenomen, dat het een min of meer
losse verzameling is van z. g. vallende sterren, die hier dan in een
eenigszins aaneengesloten massa door de hemelruimte trekken. De
stukken van een komeet moeten uiterst klein zijn, daar alle pogingen
om over de massa iets naders te weten te komen, faalden.
De komeet van 1882 was midden op den dag vlak naast de zon
te zien; toen zij voor de zon langs ging, zag men niets meer. De
komeet van Lexell in 1770 en de vijfde komeet van 1889 wandelden heel rustig tusschen de manen van Jupiter door, zonder
eenige merkbare storing teweeg te brengen. Daarom moet men
wel tot het bestuit komen, dat de totale massa van een komeet zeer
gering is.
Hoewel vormveranderingen aan en in den staart van een komeet
met het bloote oog weleens te zien zijn, geeft de fotografie toch
het mooiste beeld van dit soort objecten. En voor een amateur
is een serie negetieven over den ontwikkelingsgang van een komeet,
met opnamen van iederen avond, beter nog, meerdere opnamen
per nacht, een zeer kostbaar bezit.
Over de techniek van deze soort astro-fotografie spreek ik
later.
ZEVENDE HOOFDSTUK
Op onze omzwervingen langs den sterrenhemel ter identificeering der sterrenbeelden en om, zoo mogelijk, ook eenige voor
het bloote oog zichtbare bizonderheden te kunnen vinden en bewonderen, zijn wij heel zeker enkele sterren tegengekomen, die
men niet erg goed thuis kon brengen.
Men ziet in den loop van een jaar in het Oosten sterrenbeelden
opkomen en in het Westen weer verdwijnen. Maar hoe komt het
dan, dat er van Paschen 1941 af tot in den winter van 1941-1942
toe, steeds maar in het Westen, met het invallen van den avond,
een zeer heldere ster te zien was, ja, die in December 1941 als
de avond begon te vallen, zelfs in het Zuiden stond?
Als deze zeer heldere ster toevallig (?) eens in de buurt van
een of meer andere goed zichtbare sterren stond, dan waren deze
na verloop van eenige weken verdwenen. De zeer heldere ster
bleef steeds te zien.
76 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Als men daar met belangstelling op gelet heeft, dan zal men
hebben kunnen constateeren, dat deze "zeer heldere ster" zich
steeds maar weer naar links verplaatste. Zij dwaalde als het ware
tusschen de sterren door. Daarom werden en worden deze sterren
wel "dwaalsterren" genoemd. Ik kan U echter wel zeggen, dat
dit "dwalen" maar schijnbaar is. Men zou uit dit woord kunnen
opmaken, dat men dit soort sterren overal aan den hemel kan
vinden. Dat is echter niet zoo. Zij zijn op hun "dwaalwegen"
langs den hemel wel terdege gebonden aan vaste banen.
Voor hem, die weet waar zich die banen bevinden, is het niet
moeilijk om ze heel gauw te identificeeren. Immers, wij hebben
hier te doen met leden van onze eigen familie, met kinderen van
de zon, zooals men het weleens uitgedrukt heeft! Deze "planeten"
zijn inderdaad kinderen van de zon.
Zooals ik zei, heeft men den geheelen zomer 1941 deze zeer
heldere ster, de planeet Venus, aan den avondhemel kunnen zien.
En als men dit opgemerkt heeft, dan heeft men ook wel gezien,
dat er in het Oosten eveneens zoo'n buitengewoon heldere ster
's avonds boven den horizon kwam en wel de planeet Jupiter.
Hoewel deze niet zoo snel tusschen de sterren door dwaalde als
Venus, was haar beweging, ten opzichte van de omringende sterren,
na verloop van eenige weken heel goed merkbaar.
Deze twee planeten hebben een tijdlang elk aan een kant van
den hemel gestaan, Venus in het Westen en Jupiter in het
Oosten, doch door hun gemeenschappelijke beweging stonden zij
in Januari 1942 een groot stuk dichter bij elkaar en dit is het
voor het bloote oog kenmerkende van deze dwaalsterren. Immers,
de zoo bekende sterren van de Groote Beer staan ten opzichte
van elkaar nog precies eender als voorheen.
De opmerkzame hemelbekijker zal echter op zijn speurtochten
nog twee van die "rare sterren" hebben gevonden, één die merkbaar rood getint is, de planeet Mars, aan den Venuskant, en één,
die van een gewone heldere ster bijna niet te onderscheiden is,
de planeet Saturnus, aan den Jupiterkant. Ook de dwaalbeweging
van de planeet Mars, tusschen de sterren door, is, met het bloote
oog gezien, reeds zeer opvallend. Diezelfde dwaalbeweging is bij
de planeet Saturnus, over een paar weken gerekend, niet zoo goed
merkbaar, doch als men haar een paar maanden achtereen onder
contrôle houdt, is zij dat wel.
Zeer interessant is het, deze beweging vast te leggen, door,
telkens na een bepaald aantal dagen, hun plaats zoo goed mogelijk
in een sterrenatlas aan te teekenen. Men zal dan zien, dat ze nu
vlug, dan weer langzaam loopen, weer stilstaan, dan naar links,
dan naar rechts gaan, schijnbaar zonder eenige regelmaat. Ook
zal men dan al direct bemerken, dat zij alle zich bewegen op of
zeer dicht bij den cirkel, die op den atlas aangegeven staat als de
"ecliptica" of zonsweg. Deze ecliptica is niet anders dan het vlak
77 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
van de aardbaan om de zon, dus gewoon een afteekening van
de baan, die de aarde in een jaar tijds om de zon aflegt. Daar
nu alle voor het bloote oog zichtbare planeten hun loopbaan, op
een zeer kleine afwijking na, in dit ecliptica-vlak hebben, zal men
ze altijd daar kunnen vinden en wel 's avonds na zonsondergang,
of 's morgens voordat de zon opkomt, afgezien dan van een korten
tijd, dat zij ongeveer gelijk met de zon opkomen en ondergaan.
Er is nog zoo'n sinjeur, die men soms, misschien ook bij toeval,
nog wel eens vinden zal.
Bedoeld wordt de planeet Mercurius, welker beweging ten opzichte van de sterren heel snel is. Men zal echter bijna altijd
tevergeefs naar sterren zoeken in haar nabijheid, daar Mercurius
alleen in de schemering te zien is, hetzij 's avonds, hetzij 's morgens.
Zij valt het meest op door haar helderheid. Ofschoon zij bij
lange na niet zoo helder is als de planeten Venus en Jupiter, is
zij aanmerkelijk lichtsterker dan een normale ster der eerste
grootte.
De planeet Uranus is voor hem, die precies haar plaats weet,
wel met het bloote oog te zien, maar toch zal men haar niet zoo
gemakkelijk vinden, als men pas den hemel gaat bevechten! Dat is
trouwens eveneens het geval met alle andere planeten.
Alle andere? Ja, want met de oude, klassieke, met het bloote oog
zichtbare planetenfamilie zijn wij er nog lang niet! Buiten de
zoogenaamde groote planeten Uranus, Neptunus en Pluto, telt de
heele planetenschaar nog wel een paar duizend stuks, "planetoiden",
ook wel "Asteroiden" genoemd. Dit zijn alle kleine of zéér kleine
planeetjes, die ook in "nette" planetenbanen om de zon loopen,
precies als hun grootere familieleden, doch daar zij voor het bloote
oog onzichtbaar zijn, kunnen zij hier, voorloopig althans, wel
buiten beschouwing blijven.
Wij zijn bij onze omzwervingen tusschen de sterren er van
uitgegaan, dat men alleen gebruik maakte van het ongewapende
oog. Of deze kennismaking met enkele bijzonderheden, die men
op deze wijze vinden kon, naar genoegen en ten pleiziere der
lezers uitgevallen is, weet ik niet. Wel echter weet ik, dat de
meesten, zoo niet allen, op de gedachte zullen zijn gekomen, "nu
moest men dat alles toch ook eens door een goeden sterrenkijker
kunnen zien!" Dit verlangen wordt duidelijk gedemonstreerd door
de groote belangstelling van het publiek voor sterrenwachten en
den wensch om zoo'n inrichting te bezoeken en zoo mogelijk ook
eens, al is het nog zoo kort, een blik te kunnen werpen in die
geheimzinnige wereld, waarvan men als leek zoo weinig weet,
maar die toch zoo aantrekt!
Zeer velen onder U zullen wel de beschikking hebben over
een min of meer goeden kijker, hetzij dan een gewonen tooneelkijker, of een modernen grooten prismakijker. (foto 19).
Heeft U wel eens geprobeerd met zoo'n ding naar den hemel
78 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
te kijken?
Wellicht is U nog nooit op die gedachte gekomen, maar verzuimt U het dan niet den eersten den besten helderen avond, en
gaat dan maar eens te hooi en te gras met Uw kijker langs het
firmament "zwerven"!
Het allereerste, dat U direct al opvalt, is, dat U veel, oneindig
veel meer sterren ziet dan met het bloote oog. U bekijkt den
Gordel van Orion of de Drie Koningen en vooral de drie sterretjes,
die het "Zwaard van Orion" vormen en de nevelachtige vlek in
de Kreeft. (kaartje 14). In de omgeving van de eersten zult U een
groot aantal min of meer heldere sterren vinden, in het Zwaard
kunt U zoowaar den zoo beroemden "Orionnevel" zien, ook met
een zeer groot aantal sterren er in en het nevelachtige vlekje in het
sterrenbeeld; de Kreeft blijkt niet anders te zijn dan een heele
verzameling van dicht bij elkaar staande sterretjes, net zoo iets als
de Pleïaden, die met het bloote oog te zien zijn.
Op andere plaatsen, waar men in het geheel geen sterren kon
zien, of misschien enkele zeer zwakke, ziet men ineens een groot
aantal.
Kijkt U er de vierkante ruimte maar eens op na, die aan den
hemel ingesloten wodt door de vier sterren van het lichaam van
de Groote Beer! En zoo zijn er zoo vele. Zeker moet men niet
vergeten het geheele lichtverloop van den Melkweg te volgen,
want vooral met kijkers, die een groot stuk van den hemel gelijktijdig overzien - en dat is met de meeste goede kijkers van deze
zoort wel zoo - is zoo'n zwerftocht langs den Melkweg een zeer
interessant werk! Zoo interessant, dat ikzelf het nog zeer dikwijls
doe want dat is iets, dat iederen natuurvriend moet boeien. Men
ontkomt hier niet aan den indruk hoe fantastisch groot eigenlijk
deze heele schepping van de sterrenwereld is. En bij het aanschouwen van zooveel groots en indrukwekkends, gaat men onwillekeurig vergelijkingen maken met het menschelijke leven en streven
in zijn geniaalste, maar ook in zijn minder lofwaardige uitingen.
Wat zijn wij menschen toch eigenlijk in vergelijking daarmee?
wordt mij weleens gevraagd. En inderdaad, zoo gevoelt men het
soms, vooral als men pas dat veld van onvatbare grootheden,
afstanden, temperaturen enz. enz. betreedt.
Maar... als men dan gaat overdenken, waartoe de menschelijke geest in staat is, dan moet men ook daar met niet minder
eerbied tegen opzien. Zeker, er is veel, dat men nog niet weet en
nog meer dat men slechts vermoedt, doch hoe ongedacht groot is
de vooruitgang en het inzicht in de astronomie geworden in de
laatste, laten wij zeggen, honderd jaar!
Vaak zegt men mij "ja, maar in oude tijden wist men toch veel
meer van al die dingen dan tegenwoordig". Zeker, ik geef graag
toe, dat men reeds 2000 jaar geleden tamelijk veel wist over
sommige dingen, en men moet daar respect voor hebben. Doch gaat
79 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
men de kennis der astronomie van 2000 jaar terug afwegen tegen
de kennis en het inzicht van dezen tijd, dan slaat de schaal wel
zeer sterk naar onzen tijd door.
***
Met onzen tooneel- of prismakijker zijn wij natuurlijk ook op
jacht gegaan naar de nevelvlekken en sterrenhoopen, die al met
het bloote oog gevonden waren, want die reeds gevonden bijzonderheden als dubbelsterren, nevels, veranderlijke sterren en sterrenhoopen, wil men toch ook het eerst weleens onder de loupe nemen.
En men heeft dan al gauw de open sterrenhoopen der Pleïaden
te pakken. Hierbij zal een ieder onder den indruk komen van het
aantal mooie, heldere sterren, dat men te zien krijgt. Zeer goed
kan men hier ook bemerken, dat deze heele groep opeengedrongen
is, en als het ware drijft in de ruimte, want de omgeving is
vrijwel van merkbaar heldere sterren verstoken. Niemand verzuime daarom direct als de gelegenheid zich voordoet, dit object
"in den kijker te nemen".
Zoo is het ook gesteld met de "nevelachtige vlek", die men al
met het bloote oog in het sterrenbeeld "Perseus" gevonden had;
vooral als men een goeden prismakijker heeft, die b. v. 7 of
8 maal vergroot en objectieflenzen heeft van 40 of 50 m. M.
opening, is dit een zeer mooi object. (foto 19). Men ziet dan al
direct, dat dit maar niet zoo een sterker verlichte plek in den
Melkweg is, want men bemerkt daar twee mooie, dicht op elkaar
staande sterrenhoopen, die tegen den achtergrond van den Melkweg afsteken. Wat hier dus met het bloote oog een nevelvlek
geleek, is met onze, zoo bescheiden kijker ineens een groote verzameling sterren.
Met een tooneel- of prismakijker zal men van dit soort nevelachtige vlekken er nog wel meer vinden, welke dan later met
"echte sterrenkijkers" ook weer als sterren uiteenvallen.
Zoo in het sterrenbeeld "de Voerman" (Auriga), waar men er
wel een drie- of viertal zal vinden, in "Hercules", in "de Tweelingen"; kortom, wij krijgen er vele van dit soort te zien.
En bij al Uw omzwervingen aan den hemel, is het heelemaal
niet denkbeeldig, dat U op een komeet stuit, die in Uw kijker
verschijnt. Het zou dan wel leuk zijn, als nog niemand vóór U
die vondst gedaan had, dan zoudt U nog als kometenjager kunnen
fungeeren!
Dat zooiets niet denkbeeldig is, heb ikzelf in 1911 ondervonden,
toen ik ook bij iedere gelegenheid met een onnoozel tooneelkijkertje, dat 2½ maal vergrootte, den hemel aan het bekijken
was en toen in den kop van het sterrenbeeld "de Draak" op een
nevelachtige vlek stiet van ongeveer de grootte 7.
Eenige uren later kon ik aan de verplaatsing al zien, dat het
80 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
een komeet moest zijn. Ik kreeg echter al heel spoedig bericht
van prof. Nijland, dat het een komeet was, die al 14 dagen tevoren
gevonden was in Amerika door Metcalf, een specialist in het
kometenzoeken. Waarmee ik maar zeggen wil, dat het heusch
wel mogelijk is om met een onnoozel kijkertje een komeet te
vinden.
Er is mij trouwens nog zoo'n geval bekend van eenige jaren
geleden, toen een amateur met zijn pasgemaakt kijkertje van
54 m. M. opening een komeet vond, onafhankelijk van den eigenlijken ontdekker, die onzen amateur trouwens maar een paar
dagen voor was.
Met opzet heb ik U aangeraden om met Uw kijkertje allereerst
nevelvlekken, sterrenhoopen en kometen op te zoeken en op Uw
gemak te bekijken. Waarschijnlijk heeft U dan opgemerkt, als
U eens rustig een sterrenhoop wilde bezien en ster voor ster
scherp opnam, dat... die dingen maar heen en weer springen
en niet stil willen staan. Zoo is het inderdaad, lezers. Met ziet
de sterren steeds maar heen en weer, op en neer springen. Legt
men nu de ellebogen ergens op en steunt men zoo den kijker, dan
merkt men wel, dat het iets beter gaat, doch het is toch nog niet,
zooals het wezen moet. Trouwens, op die manier kan men ook
maar in een bepaalde houding met den kijker zien. Hier moet
raad geschaft worden.
Want als ik mijn kijker gebruiken wil om dubbelsterren te zien
en andere merkwaardigheden op de maan en de planeten - als
die tenminste met onzen kijker te zien zijn - dan moet het
instrument goed stilstaan. Daarom heb ik juist met het aangeven
van bizonderheden, die met zulk soort kijkers nog wel te zien zijn,
gewacht, want daarvoor is het een eerste vereischte dat men zoo'n
kijker goed stil kan houden.
Nu kan men dat op verschillende manieren bereiken. Velen
kunnen zooiets in een vloek en een zucht klaarspelen met een
hamer, nijptang en wat latten en spijkers, maar het resultaat is
er dan meestal ook naar, technisch zoowel als aesthetisch. "Het
oog wil ook wat hebben", nietwaar? Ik maakte indertijd een
inrichting, een statief noemt men zoo'n geval, waarop ik twee
verschillende kijkers kon aanbrengen en waarmee ik, in staande
houding, zoowel horizontaal als verticaal, kon kijken. Zoo mogelijk maakt men daarbij gebruik van ijzeren buizen, die in den
handel zijn. Zoogenaamde vlampijpen zijn hiervoor het beste, daar
de wanddikte ervan niet zoo groot is. Het eerstnoodige is een ruwhouten drievoet a (zie Teekening D) met een langwerpigen kop,
met een gat, waarin juist een vlampijp van 2 duim = 5 c. M. diameter gemakkelijk op en neer te schuiven is. In den ronden kop
van het statief maakt men een klemschroef b, waarmee men de
vlampijp c, en daarmede de geheele draaiinrichting op alle hoogten
kan vastzetten, zoodat men zoowel staande als zittende kan waar81 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
nemen; d is een z. g. T-stuk van een gasbuis, waarin een stuk gasbuis van ong. 75 c. M. lengte wordt vastgesoldeerd of met schroefjes
vastgezet, zoodat het één geheel wordt. In het dunnere stuk van dit
T-stuk wordt een asje van 10 à 12 c. M. lengte op dezelfde wijze in
het T-stuk vastgezet. Dit asje e met d is draaibaar in een koperen
bus f, welke door drie schroefjes vastgezet wordt in buis c. En hiermede is de horizontale draaibeweging gereed. Onder in asje e komt
een schroefgaatje met een schroef om een ring tegen het asje vast
te kunnen klemmen. Er moet echter tusschen dezen ring en de
koperen bus f nog zooveel ruimte zijn, dat het asje e nog gemakkelijk draaibaar is. In de 75 c. M. lange buis, met d horizontaal
draaibaar, komt op elk einde een koperen busje g, welke beide
busjes ook vast verbonden worden met de buis (door soldeeren
of met schroefjes). Deze busjes g zijn de lagertjes voor een stalen
asje h van 15 à 20 m. M. dikte. Op elk einde van dit asje komt een
stelring bij k, zoodat de as h wel draaien, doch niet heen en weer
schuiven kan. Op ieder einde van het asje komt een stevig stuk
ijzer l in de aangegeven vorm van ongeveer 5 c. M. breedte en
wordt aan asje h met een schroef stevig verbonden. Dat ijzer l
moet in horizontaal richting zóó lang zijn, dat daar gemakkelijk
een flinke groote prismakijker op liggen kan. In het midden van
dit ijzer l is een gat voor een lange schroef met een ijzeren of
koperen plaatje, zooals aangegeven. Men kan zoodoende elken
willekeurigen kijker daartusschen vastklemmen.
En hiermede is ons geheele statief gereed. (Teekening D).
Nu vervaardigde ik het zelf indertijd zóó, dat ik de drievoet a
altijd buiten in weer en wind kon laten staan en er de buis c met
de geheele draai-inrichting boven uit kon halen en deze dan
binnen kon zetten. Wil en kan men zelf zooiets maken, dan is
men er heel zeker van, dat men een zeer solide en stevig statief
heeft. Nu zullen de sterren ook niet meer heen en weer springen
in het veld van den kijker. Dit is dan ook noodig om nog menige
mooie dubbelster te kunnen zien.
Het is mogelijk om met een kijker, die 7 à 8 maal vergroot, de
schijngestalten - zooals de maan die vertoont - van de planeet
Venus te zien.
Ook de schijfvorm van de planeet Jupiter is dan te zien, alsmede
de manen van deze planeet.
Men zal verwonderd zijn, hoeveel bijzonderheden men dan ook
op de maan al kan zien. Ook kan men nu het verschijnsel van de
sterbedekkingen door de maan beter aanschouwen, en door de
zwakkere sterren, die men nu kan waarnemen, zal men dit verschijnsel ook meer keeren kunnen zien dan met het bloote oog.
Men zal nu ook met goed resultaat den kijker kunnen aanwenden
om vlekken op de zon te ontdekken, maar... denk er om, niet zelf
door Uw kijker naar de zon zien! Want dat zou U uw oogen
kunnen kosten. Willen we zonnevlekken zien, dan gaan we die
82 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
projecteeren, net als in de bioscoop. Men neemt een stuk wit papier
en houdt dat op eenigen afstand achter den kijker. Na eenig heen
en weer manipuleeren, valt ineens het zonnebeeld op het papier.
Door nu het oculair van Uw kijker wat uit te schuiven, kunt U dit
zonnebeeld heel scherp instellen en dan heeft U groote kans al
heel gauw vlekken te zien.
In het minimum der zonnevlekkenperiode kunnen er wel weken
voorbij gaan, dat U ze niet ziet, in het maximum echter zal er
bijna geen dag voorbijgaan of U ziet ze. Soms zeer groote, die
meermalen ook heel gemakkelijk met het bloote oog waar te
nemen zijn.
Wij hebben nu wel zonder statief verschillende sterrenhoopen
en nevels gezien, doch ik moet U sterk aanraden om diezelfde
objecten ook nu weer eens in alle rust te gaan bekijken. Men zal
er verwonderd over zijn, zooveel méér zwakkere sterren te zien.
Ook het zonnestelsel - hieronder verstaat men de zon, met
alle planeten, de manen der planeten en kometen - wordt voor
U veel uitgebreider, want U kunt nu heel gemakkelijk de planeet
Uranus gaan observeeren, ja, zelfs Neptunus. Het was mij
indertijd mogelijk deze planeet niet alleen te zién, doch ook haar
beweging ten opzichte van de sterren te achterhalen en dat met
een "Adar"-kijkertje van de firma Rodenstock van slechts 3½ maal
vergrooting en 38 m. M. opening. (foto 20). Met een anderen
kijker, die 8 maal vergrootte en slechts 24 m. M. objectieven had,
een Zeiss Turachem, kon ik sterren tot de grootte 9.5 met zekerheid
zien, met een Zeisskijker "Delfort" met een 18 maal vergrooting
en 50 m. M. objectiefopening kon ik sterren der grootte 11 waarnemen.
Dit zegt echter niet zoo erg veel, want in een stad kan men
dit zeer zeker niet, en men moet het op de volgende wijze beoordeelen. Zelf kan ik onder gunstige omstandigheden met het
bloote oog sterren zien der grootte 7. In het geval van de
Turachem win ik dus 2.5 grootte-klassen, met de Delfort win ik
4 grootte-klassen. Deze winst nu is voor iedereen verschillend,
doch die winst blijft ook in een stad met haar vele lichtreclames
enz. bestaan. In Amsterdam b. v. zal ik sterren der grootte 4 nog
maar juist met het bloote oog kunnen zien, met de Delfortkijker
zouden er nog 4 bijkomen, dus zie ik daar slechts sterren tot de
grootte 8. Dit voorbeeld leert U tevens, dat U met het bovengenoemde Adas-kijkertje in een stad vergeefs zult zoeken naar
Neptunus.
Vanzelfsprekend moogt U uw statief ook gebruiken om er
zoogenaamde lange kijkers op aan te brengen, doch het resultaat
zal dan weer niet zoo schitterend zijn.
Met opzet heb ik het maken van dit statief zoo uitvoerig aangegeven. Ik kan er dan ook niet genoeg den nadruk op leggen,
hoe noodzakelijk het is om alle zorg te besteden aan het maken
83 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
van een statief. Bijna altijd is het te licht gebouwd; het is beter
dat het te zwaar dan te licht gebouwd is.
Een astronoom heeft eens gezegd: "elke kijker heeft zijn hemel".
Ook zonder deze uitspraak te kennen, zal men de waarheid ervan
zeer goed bemerken.
De Saturnusring, de wolkenformaties op Jupiter, de poolkap,
donkere vlekken op Mars, een niet te overzien aantal kraters,
bergen en rillen op de maan enz. zult U met deze eenvoudige
hulpmiddelen echter nooit te zien kunnen krijgen, daar is het
optisch vermogen van uw "sterrenkijker" te gering voor.
Toch is ook dit alles voor U met betrekkelijk geringe middelen
te bereiden. Alleen, U moet er meer dan middelmatige belangstelling voor hebben, eenige handigheid en bovendien moet u over
wat deugdelijk gereedschap kunnen beschikken.
De laatste jaren wordt er van zekere zijde nogal veel propaganda gemaakt voor een - volgens die zijde - bruikbaar kijkertje, dat amateurs zelf kunnen bouwen met wat houten ringen, een
brillenglas, eenige busjes om een oculair samen te stellen en
een koperen buis van een meter lengte. Er wordt daarvoor zelfs
een bouwschema uitgegeven. De geheele sterrenkijker kost, alles
met elkaar, nog geen tien gulden. En dat voor een kijker van
50 m. M. opening, het is geen prijs!
Of dàt nu zooveel nieuwsgierigen aanlokt om te probeeren
dat ding te bouwen, weet ik niet, doch wel weet ik, dat de gevallen
niet te tellen zijn van menschen, die inlichtingen vragen, waarom
zij zulke slechte resultaten met zoo'n kijker krijgen. De een klaagt
erover, dat alles slechts in de kleuren van den regenboog te zien
is, een ander vindt, dat je het met het bloote oog veel helderder
ziet, enz.
Voor het construeeren van bedoelde kijkers wordt van een
verkeerde basis uit opgebouwd. Immers, het objectief, dat ons
een zoo goed mogelijk beeld moet bezorgen, is hier maar een enkelvoudig lensje en dus behept met alle fouten daaraan verbonden,
in het bizonder, dat het niet achromatisch kan zijn. Daarom zien
zoo velen met dit kijkertje sterk gekleurde randen, en wel zóó,
dat het absoluut uitgesloten is er een behoorlijk scherp beeld mee
te krijgen. Er zijn ook zelfbouwers, die den raad van den constructeur opvolgen en het objectieflensje afdiaphragmeeren, dus
het kleiner maken door er een cartonnen ring op te leggen, zoodat
de objectiefopening maar 2½ of 3 c. M. wordt. Hierdoor wordt
wel een deel der hinderlijke kleuren weggewerkt, doch lang niet
alle en daarenboven is de lichtsterkte dan zoo gedaald, dat er een
heele categorie van die zelfbouwers is, die erover klaagt "dat je
het met je bloote oog veel helderder ziet".
Men kan dan de klagers erop wijzen, dat de firma's die dit
soort kijkers leveren, er prijzen van f 250.- tot f 350.voor vragen en dat het dus niet goed denkbaar is, dat men zoo'n
84 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
ding zelf zou kunnen bouwen voor nog geen f 10.-.
Een andere vraag is of de pas beginnende, belangstellende
amateur er mee gediend is, hem aan te raden zoo'n soort kijker
te bouwen. Ik weet wel zeker van niet. Te velen heb ik er reeds
ontmoet, die door de daarmee verkregen resultaten zoo gedesillusioneerd waren, dat zij er genoeg van hadden en niet meer
verder gingen op het pas ingeslagen pad.
Toch is er nog wel een bepaald soort menschen, dat ikzelf
ook zou aanraden, zoo'n ding te bouwen. Dat zijn zij, die ten
eerste niet zoo gauw uit het veld geslagen zijn en ten tweede zij,
die "ook die ervaring wel willen opdoen", al kost die dan eenige
guldens. Zij gaan, ook na de min of meer verwachte teleurstelling,
toch door.
Met ons, nu goed hanteerbaar, kijkertje zullen we reeds zeer
vele bizonderheden kunnen bewonderen, die voor anderen verborgen blijven. Toch kan ik mij voorstellen, dat er velen zullen
zijn, die van al de wondere dingen, die met een echten
sterrenkijker te zien zijn, ook weleens kennis willen nemen. Nu
is het in den tegenwoordigen tijd niet wel mogelijk, doch deze
tijd gaat voorbij. Hebben wij weer normale mogelijkheden en
is alles wat een beginnende amateur noodig heeft weer te
krijgen, dan zou ik zeggen "waarom bouwt U zelf uw sterrenkijker niet?" Doch onder het voorbehoud, dat U een goeden
bouwt!
Immers, de ware radio-amateur bouwt toch ook zelf zijn toestel.
Hij, die dit niet kan of niet wil of er geen tijd voor heeft, koopt
er een. In vele gevallen kosten die toestellen ook een paar honderd
gulden, nietwaar? En wat blijkt nu? Voor een radio, om hier maar
bij te blijven, geeft men grif een paar honderd gulden uit, doch
als men veel, zelfs heel veel belangstelling heeft om de wonderen
aan den sterrenhemel zelf op te zoeken, dan zijn er, ik weet niet
hoeveel bedenkingen, die den aankoop of het zelf maken van een
sterrenkijker in den weg staan.
Meermalen heeft men verwonderd staan kijken, dat schrijver
dezes, die toch maar grond- en betonwerker is, dus in het geheel
geen vakkennis van metaal- of instrumentenbouw heeft, in staat
was om zijn eigen sterrenkijkers te bouwen, Ik zei het reeds eerder
en ik herhaal het hier nogmaals, men moet niet tegen moeilijkheden opzien, al lijken zij nog zoo groot. Wel zal men leergeld
moeten betalen, doordat men in den beginne onderdeelen niet juist
vervaardigt, die men dan opnieuw moet maken, doch welgemoed
gaat men dan maar weer aan het werk.
Er zijn verschillende wegen, die naar hetzelfde doel leiden.
Hoe ik mijn weg ging om aan een zelf gebouwde kijker te komen,
zal ik hier trachten uiteen te zetten.
Twee onderdeelen van een modernen sterrenkijker moeten hier
afzonderlijk behandeld worden, dat zijn: de kijker zelf en het
85 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
statief of de monteering, waarop de kijker komt te staan.
Ik ga er zonder meer van uit, dat men het objectief, resp. den
spiegel en de oculairen koopt bij een betrouwbare firma.
Dus niet zelf slijpen? zult U vragen. Neen, voor een objectieflens komt dat zeer zeker niet in aanmerking. Ook bij wat het zelf
slijpen van een spiegel voor een te bouwen telescoop betreft, zou
ik een zeer groot vraagteeken moeten zetten.
Er zijn mij enkele amateurs bekend, die goede resultaten bereikten, zelfs zeer goede, doch het gros der zelfslijpende amateurs
brengt er niets van terecht; dat is de ervaring, die ik in 25 jaren
opdeed. Ik ken ze, de gevallen, waarbij men eenige jaren bezig
was met slijpen en weer opnieuw slijpen, tot men ten slotte,
ten einde raad, alles opzij gegooid heeft. De meesten hadden er
echter reeds eerder genoeg van, en wel zoodanig, dat zij er nooit
meer aan zijn begonnen.
Het is zeer zeker waar, dat een goed astro-objectief niet goedkoop is, vooral als men er een van tamelijk groote afmetingen
wil hebben. Daarbij komen dan ook nog eenige oculairen: voor
kleinere kijkers minstens twee, beter is drie, voor grootere kijkers
soms wel vijf of zes.
Doch dat is dan ook de grootste uitgave, welke men zich getroosten moet.
ACHTSTE HOOFDSTUK
Laten we nu van de veronderstelling uitgaan, dat men een
kleinen kijker van 60 m. M. objectief-opening wil bouwen. Deze
objectieven zijn in een zoogenaamde vatting verkrijgbaar, dat is
een koperen ring, waarin de lenzen op een bepaalde manier zijn
vastgezet. Deze objectiefvattingen voor kleine lenzen, van 40
tot 100 of 120 m. M., hebben aan den buitenkant een schroefdraad, waarmee men deze objectieven in den objectiefkop schroeft,
die weer vast verbonden is aan de kijkerbuis.
Wij hebben dus ons 60 m. M. objectief ontvangen en moeten
daarvoor een buis hebben. Er zijn in den handel geel koperen
buizen met een wanddikte van 1 m. M., ook van 0.5 en 2-3-4 m. M.
enz., doch die zijn voor ons doel minder geschikt.
Wij koopen dus zoo'n geel koperen buis van 1 m. M. wanddikte.
Daar ons objectief 60 m. M. vrije opening heeft, moet de buitenmaat wel 65 m. M. zijn, dus 63 m. M. binnenmaat, dan heeft men
zeker genoeg ruimte in de buis om al het licht van het objectief
door te laten.
86 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Nu gaan wij van een stuk beuken- of iepenhout een model van
den objectiefkop 1 draaien op de draaibank. (Teekening E). Men
moet er terdege op letten, dat men de maten in alle richtingen
een paar m. M. grooter neemt, dus daar, waar later onze kijkerbuis
in komt te zitten, moet de binnenmaat geen 65, maar ongeveer
61 m. M. zijn. Ook moet de buitenmaat van den lateren objectiefkop mooi glad afgedraaid worden, en geen 71, maar zeker
75 m. M. diameter hebben. Hetzelfde geldt voor dat deel van het
houten model, waarin later het objectief geschroefd wordt.
Van dit houten model laten wij bij den kopergieter een geel
koperen ring maken en gaan die op de draaibank op de juiste
maat afdraaien, of indien wij geen draaibank hebben, laten wij dit
doen, over de geheele lengte op 63 m. M. glad uit; over een
lengte van ongeveer 15 m. M. draaien wij hem echter uit op
65 m. M. binnenmaat, zoodat onze kijkerbuis er precies passend
in gaat.
Voor de dikte van dezen objectiefring, daar, waar de buis erin
komt, mag men 3 m. M. nemen, dus wordt daar de buitendiameter
65 + 3 + 3 = 71 m. M. Later wordt deze objectiefkop vast aan
de kijkerbuis verbonden, door 6 schroefjes, regelmatig om den
ring heen verdeeld.
Voor dat gedeelte van den kop, waar het objectief komt te
zitten, zijn wij voor de binnenmaat gebonden aan de middellijn
van den schroefdraad op de objectiefvatting en voor de buitenmaat aan den grootsten diameter van de objectiefvatting. Zooals
op de teekening is aangegeven, draaien wij eerst dat gedeelte glad
uit en snijden er denzelfden schroefdraad in, die op de objectiefvatting zit. Dan kunnen we dus het objectief in den kop schroeven.
Nu moet de buitenkant van den kop nog afgedraaid worden; deze
moet ongeveer 4 m. M. grooter in diameter zijn dan de objectiefvatting.
Zooals op de teekening is aangegeven, laat men een klein randje
van ongeveer 1 of 1½ m. M. hoogte staan.
Als dauwkap neemt men een stuk geel koperen buis van 1 m. M.
wanddikte, die juist op den objectiefkop geschoven kan worden;
men moet deze later met 3 schroefjes vastzetten op den
objectiefkop.
Deze dauwkop mag ongeveer driemaal zoo lang zijn als de
diameter van het objectief, dus ongeveer 18 c. M.
De dauwkop heeft tot doel, het objectief tegen dauw en vochtigheid te beschermen, als men den kijker buiten gebruikt. Dit stuk
buis is natuurlijk ook op de juiste maat in den handel verkrijgbaar, evenals een stukje buis van 1 m. M. wanddikte, dat weer
precies passend in den dauwkop geschoven kan worden. Van dit
ong. 5 c. M. lange stukje buis maken wij twee deksels, door er een
bodem in te soldeeren van een stukje geel koperen plaat. Aan het
eene deksel maken wij een knop om het gemakkelijk in en uit
87 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
den dauwkop te kunnen steken en trekken. Dit is ons stofdeksel,
dienende als afsluiting, wanneer wij den kijker niet gebruiken.
In het andere deksel maken wij op de draaibank een gat, precies
in het midden, van ongeveer 2½ c. M.
Als wij nu later met onzen kijker naar vlekken op de zon gaan
kijken, moet dit zonnedeksel altijd in den dauwkop gezet worden,
waardoor de opening van het objectief kleiner wordt en er dus
ook minder warmte bij het oculair komt. Doet men dit niet, dan
zal al heel gauw het zonneglas springen of anders gedeeltelijk
smelten. En als het springt, kan er bovendien door de scheurtjes
in het glas plotseling zooveel licht in het oog komen, dat dit
beschadigd zou kunnen worden.
Deze werkwijze, om den objectiefkop op maat te draaien en aan
de buis te bevestigen met dauwkop en deksels, kan ook toegepast
worden bij kijkers met andere objectief-openingen, zooals 80,
100 of 120 m. M. Vanzelfsprekend worden de maten dan anders.
Geelkoperen buizen voor deze afmetingen zijn eveneens in den
handel, hoewel ze, zelfs vroeger, hier in Holland niet direct uit
voorraad leverbaar waren.
Het behoeft geen betoog, dat, zoolang de tegenwoordige buitengewone omstandigheden duren, men deze buizen of kopergietwerk
nergens kan krijgen.
Nu komt ook een vrij belangrijk onderdeel van den astrokijker
in bewerking, namelijk de oculairkop. Men moet de verschillende
oculairen ten opzichte van het objectief kunnen verstellen. Het
objectief blijft dus ten opzichte van de kijkerbuis altijd op
dezelfde plaats, de oculairen niet.
Als oculair-schuifbuis 2 nemen wij weer een geelkoperen buis
van 1 m. M. wanddikte en cica 25 c. M. lengte, met een buitendiameter van, laten wij zeggen, 30 m. M.
Op het rechtsche eind draaien wij een koperen ringetje van
ong. 1 c. M. lengte en 1½ m. M. wanddikte en dit wordt bij 3+ in
de oculairschuifbuis gesoldeerd. Dan snijden we in dat ringetje
een mooien, gladden schroefdraad, want hierin moet later de
steekhuls der oculairen geschroefd kunnen worden. Nu koopen
we een koperen reep, waarin schuine tanden zitten; aan de beide
einden moet een gedeelte tandenloos zijn. Ook schaffen we ons
een daarbij passend stalen rondseltje aan. Het is mooi, hoewel
niet noodzakelijk, als deze tandreep even lang is als de oculairschuifbuis. Deze tandreep 3 wordt met vier schroefjes op de
oculairschuifbuis vastgezet. Nu zijn twee gegoten koperen ringetjes
noodig, zooals 4 aangeeft. Deze worden natuurlijk in alle richtingen mooi glad afgedraaid, en de binnenkant zoo bewerkt, dat
onze oculairschuifbuis er goed door heen en weer schuiven kan.
Doch in beide ringen moet een gleuf uitgevijld of gefraisd worden, waar de tandreep, die op de oculairschuifbuis vastzit, doorheen kan loopen. Deze twee koperen ringen worden weer vast88 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
gesoldeerd in een stuk geel koperen buis van 1 of 1½ m. M. wanddikte. De afstand tusschen de twee ringen moet men zoo afpassen,
dat, als men later het tandwieltje gemonteerd heeft, waarmee
men de oculairschuifbuis langzaam heen en weer kan schuiven,
deze buis, zoowel aan den rechter als aan den linkerkant, juist
nog in de ringen blijft zitten, als die, door het tandwieltje te
draaien, heen en weer schuift.
Dit heen en weer schuiven moet net zoo lang kunnen geschieden, totdat men het ongetande deel van den tandreep aan
beide zijden raakt. Hiernaar is de afstand der gegoten ringen 4
af te passen, die in de koperen buis gesoldeerd worden. De lengte
van deze buis 5 kiest men zoo, dat de rechtsche ring aan het einde
komt en de linksche 3 à 4 c. M. van het einde. Nu moeten wij
weer een zwaarderen koperen ring 6 hebben, die over alle zijden
glad wordt afgedraaid en waarin buis 5 gesoldeerd wordt. Op de
aangegeven wijze wordt ring 6 precies passend in onze kijkerbuis
van 65 m. M. 'theta', dus op 63 m. M. afgedraaid. Later wordt deze
ring met de geheele, nu heen en weer te schuiven oculairbuis
in den kijker vastgezet. Thans moeten we het stalen tandwieltje,
dat aan beide einden van een stalen asje is voorzien, nog monteeren. Eerst moeten we echter nog een paar koperen knoppen
draaien, die men aan de asjes van het tandwieltje vast soldeert.
Dan moeten we een heel precies werkje uitvoeren, n. l. een vierkant
gat maken in buis 5, waarin het tandwieltje past, doch ook een
sleuf overdwars, waarin het asje liggen kan. Als regel maak ik
het zoo, dat de helft van de asdikte boven de buis en de andere
helft van de asdikte in de buis komt te liggen. Maar nu komt
het er op aan, de diepte van dat sleufje juist te treffen. Maakt
men het niet diep genoeg, dan grijpt het tandwieltje niet genoeg
in den tandreep en krijgt men daarin een z. g. doode gang. Zou
men het sleufje echter te diep maken, dat drukt het tandwieltje
te zwaar op den tandreep, als men de schroefjes, waarmee een
koperen blokje op buis 5 is vastgezet, ter afdekking van het tandwieltje, even aandraait. Het is dus wel zaak, dat sleufje heel
nauwkeurig te maken.
Ik heb bij den te maken oculairkop alleen maar de maat van den
oculairkop opgegeven, alle andere maten zijn daaruit af te leiden.
Natuurlijk kan men voor deze buis ook 40 m. M. nemen, alleen
moet men zorgen, dat het asje van het tandwieltje 7 ongeveer
midden in den wand van buis 5 komt te liggen. Onze oculairkop
is nu gereed. Ook hier geldt weer, dat voor alle andere, grootere
kijkers deze werkwijze gelijk blijft, alleen de maten veranderen.
Het komt ook nog weleens voor, dat ik op de oculair-schuifbuis
een m. M. verdeeling aanbreng, die op 1/10 m. M. af te lezen is.
Deze verdeeling is dan zoover aangebracht als de verstelling van
de oculairschuifbuis dit mogelijk maakt. Dit doe ik echter alleen
als men het verlangt, beslist noodzakelijk is het niet.
89 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
De oculairen moeten nu nog aangebracht kunnen worden en
daarvoor hebben wij een z. g. steekhuls noodig. De oculairen van
5 tot ongeveer 30 m. M. brandpunt-afstand hebben alle denzelfden
buitendiameter, als ze van één firma afkomstig zijn, doch jammer
genoeg, is die diameter bij elke firma weer anders. De oculairen,
die ik hier als maatstaf neem, hebben een buitendiameter van
31 m. M. Wij hebben een koperen buisje noodig met een inwendige
doorsnee van 31 m. M. en soldeeren dat weer vast in een koperen
ring van den aangegeven vorm 8, waarop een schroefdraad gesneden is, die juist past in den ring 3+. Eer men het buisje in ring 8
vast soldeert, kan men er eerst over een lengte van ong. 3 c. M. een
drietal zaagsneden in maken met een dun cirkelzaagje. Als men
nu dit buisje op de draaibank mooi glad uitschuurt, kan men
er alle oculairen met brandpunten tusschen 5 en 30 m. M. mooi
zuigend insteken, vandaar de naam steekhuls.
Wij hebben het nog niet gehad over de lengte van de kijkerbuis 9 zelf. Deze is ten eerste afhankelijk van den brandpuntafstand
van het objectief en ten tweede van de lengte van den objectiefkop, van die van den oculairkop met steekhuls en van den
brandpuntafstand der oculairen.
Alleen de afstand der oculairen mag verstelbaar zijn. Als regel
is de verhouding van de opening van objectief tot brandpunt
1 op 15. Een objectief, als hier aangegeven, heeft dus 90 c. M.
brandpunt. De andere maten zijn aangegeven door de onderdeelen,
die men nu gereed heeft en daarmee kan men ongeveer de lengte
van kijkerbuis 9 bepalen. Wij dienen er echter rekening mee te
houden, dat de oculairschuifbuis ongeveer 10-12 c. M. is uitgeschoven.
Nu gaan wij onze kijkerbuis aan één eind op de draaibank
precies afdraaien en bevestigen den objectiefkop op de buis met
6 schroefjes, zooals aangegeven. Dan schroeven we de steekhuls
in, steken er een 20 m. M. oculair in en schuiven de oculairbuis
ongeveer 10 c. M. naar buiten. Vervolgens steken we den geheelen
oculairkop los in de kijkerbuis en stellen een heldere ster of
de maan in. Wij komen dan tot de ontdekking, dat het oculair
nog 4 c. M. naar binnen geschoven moet worden. Dat is echter
niet zoo erg. Wij zagen 4 c. M. van de kijkerbuis af, draaien
ook dit eind op de draaibank glad en bevestigen den oculairkop
eveneens met 6 schroefjes vast aan de buis. Als men dan de
oculairschuifbuis weer 10 c. M. uitschuift, zal men zien, dat nu een
ster of het maanbeeld wel scherp ingesteld staan. Trouwens, op
enkele m. M. komt het ook niet zoo precies aan.
Het komt er alleen maar op aan, dat men de oculair-schuifbuis
voldoende heen en weer kan schuiven voor het inbrengen der
verschillende oculairen, die men denkt te gebruiken of van nevenapparaten, die men later denkt aan te brengen, hetgeen meestal
het inschuiven van de oculairbuis noodzakelijk maakt. Uit deze
90 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
manipulaties ter bepaling van de lengte van de kijkerbuis merkt
men wel, dat men er voor zorgen moet, dat de buis in elk geval
lang genoeg is. Men kan er zoo noodig gemakkelijk eenige centmeters afnemen, de buis langer maken gaat echter niet!
Wil men een astrokijker bouwen van 60 m. M., van welke maat
wij uitgingen, dan is het niet noodig om binnen in de kijkerbuis
diaphragmaringen aan te brengen. Bij een kijker van 80 of meer
m. M. opening is het echter wel wenschelijk die ringen te plaatsen.
Zij hebben ten doel, eventueel vagebondeerende lichtstralen,
die van het objectief komen, tegen te houden.
Voor het maken van die diaphragmaringen, neemt men een
stuk geel koperen buis, dat juist in de kijkerbuis past. Daar
zaagt men ringen af van ongeveer 2 c. M. Men draait ze op
de draaibank van een wanddikte van 1 m. M. op een wanddikte
van ½ m. M. af over een lengte van 5-6 m. M. Daarmee krijgt
men in de ringen een kraagje, waarop een geel koperen deksel, op
de juiste maat afgedraaid, liggen kan, dat er dan in vast gesoldeerd
wordt. Het ligt voor de hand, dat men, na het soldeeren, deze
deksels mooi schoon afschaaft en eventueele soldeerverhoogingen
verwijdert.
In al deze deksels moet een min of meer groot gat uitgedraaid
worden. Voor een 80 m. M. kijker kan men volstaan met een
viertal diaphragma's in de buis aan te brengen, op regelmatige
afstanden tusschen het objectief en de voorkant van de geheel
ingeschoven oculair-schuifbuis.
Om de juiste openingen in de diaphragma-deksels te vinden,
gaan wij als volgt te werk. Op ware grootte teekenen wij de lichtstralengang, die van onze 80 m. M. opening uitgaat naar de veldlens van ons scherp ingestelde zwakste oculair. We kunnen dan
de doorsnede van dezen lichtkegel op alle willekeurige plaatsen
meten, dus ook daar, waar wij de diaphragmaringen willen inzetten.
Nu draait men op de draaibank de verschillende correspondeerende
doorsneden uit de deksels en hiermede zijn de gewenschte ringen
gereed. Men heeft ze dan alleen nog maar op de juiste plaats in
de kijkerbuis aan te brengen.
Daar nu de buitenmaat dezer ringen juist zoo groot is als de
binnenmaat van onze kijkerbuis, moet men ze er eigenlijk zóó
in kunnen schuiven, doch de praktijk wijst uit, dat men ze op
de draaibank aan den buitenkant toch nog wel met een zachte
zoetvijl wat moet bijstrijken om ze behoorlijk in de kijkerbuis
te kunnen schuiven.
U zult zeggen, met den kijker kijkt men toch meestal omhoog,
want daar staan de sterren en dan zakken die ringen toch naar
beneden! Dat zou kunnen gebeuren, als men er met de zoetvijl
wat veel afneemt. Doch onze kijkerbuis is ook nog niet gereed,
want die moet van binnen nog dofzwart gelakt worden. Men
gebruikt daarvoor de in den handel verkrijgbare dofzwarte synthe91 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
tische lak. En als men daarmee de kijkerbuis van binnen mooi
gelijkmatig aanstrijkt, komt er vanzelf ook wat van die lak tusschen
de kijkerbuis en de diaphragmaringen, en daardoor komen die
ringen muurvast in de kijkerbuis te zitten, zóó vast, dat als men
om de een of andere reden er zoo'n diaphragma-ring uit wil
nemen, men er dezen uitsloopen moet.
Zooals hierboven reeds is medegedeeld, hoeft men echter in
kijkerbuizen tot ongeveer 70 m. M. objectief-opening toe, deze
ringen niet aan te brengen.
Met de reeds vermelde matzwarte lak, strijkt men ook alle
andere deelen van de kijkerbuis aan, die aan den binnenkant
van den stralengang blootgesteld zijn aan het licht, zooals den
objectiefkopring, de oculairschuifbuis en ook het gedeelte van
den oculairkop, dat voor den binnensten geleidering 4 ligt. Noodig
is dit laatste niet, doch ik maak toch altijd den geheelen oculairkop
aan de binnenzijde zwart.
Nu moet onze kijker ook aan de buitenzijde nog een voor het oog
aangenaam aanzien hebben!
Het zonnedeksel en het stofdeksel maken wij evenals de dauwkop, aan de binnenzijde, ook matzwart. De objectiefkopring en
de geheele oculairkop (zonder oculairschuifbuis) zullen wij op
de draaibank mooi glad afschuren met heel fijn amarilpapier, en
daarna, als zij handwarm zijn, met gele instrumentenvernis mooi
gelijkmatig lakken. Ook de oculairsteekhuls wordt zoo bewerkt.
De kijkerbuis en de dauwkap zullen wij eenige keeren met witte
lak bestrijken, doch zorgen er daarbij voor, dat de lak steeds kurkdroog en hard is, voordat wij de tweede en derde laag aanbrengen.
Als men dit alles op de aangegeven manier gedaan en alle
onderdeelen weer samengevoegd heeft, dan zal men zoo'n kijker
toch wel een aardig ding vinden!
Nu is echter zoo'n instrument, dat meer dan een Meter lang
geworden is, maar niet zóó in de hand te nemen om ermee naar
den sterrenhemel te kijken. Daarvoor is een statief noodig, opdat
we den kijker op een gemakelijke manier in alle richtingen kunnen
bewegen.
Evenals wij hebben aangegeven, hoe men een kleinen doch goeden
kijker kan construeeren, zullen wij thans uiteenzetten, hoe men
een eenvoudig, doch goed statief voor zoo'n kijker maakt.
(Teekening F).
Op de draaibank draaien wij van beuken- of iepenhout een
ronde klos van ongeveer 7 c. M. lengte A, waarvan de buitenmaat
8 m. M. grooter is dan onze kijkerbuis van 65 m. M. Aan elken
kant van de klas komt een kleiner rond klosje a en onder
aan de klos komen twee kleinere klosjes b, van ongeveer 12-13
m. M. in het vierkant.
Van zoo'n model laten wij een koperen huls gieten, waarvan
de binnenmaat ongeveer 61 m. M. is. De gegoten huls vijlen we
92 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
aan den buitenkant mooi glad af, omdat men er met draaien op
de draaibank toch niet overal bij kan komen. Nadat de huls
mooi glad gevijld en geschuurd is, kunnen we haar op de draaibank van binnen uitdraaien, zóóver tot ze gemakkelijk over onze
gelakte kijkerbuis kan schuiven.
Nu moeten we de twee klosjes a aan den buitenkant van de
huls afdraaien, daarbij terdege oplettend, dat deze twee klosjes
goed haaks komen te staan op de van binnen uitgedraaide huls.
Deze twee lagerasjes kan men een diameter geven van ongeveer
12 m. M., of als het noodig is, iets meer of minder. Nu moeten
wij in de twee aangezette klosjes nog een trekschroef maken en
wel zoo, dat er in de eene helft geen schroefdraad komt, in de
andere helft wel. Daarna gaan wij de geheele buis, juist midden
over de klosjes b, met de cirkelzaag in de lengte doorzagen op
de draaibank. Deze zaagsnede kan gevoegelijk 1½ of 2 m. M.
breed zijn. De zoo bewerkte huls kan men nu gemakkelijk over de
kijkerbuis schuiven en vastklemmen door de twee schroefjes in b.
De huls zullen wij zwart lakken.
Men zal wel begrepen hebben, dat men òf de objectiefkop òf de
oculairkop van de kijkerbuis moet afnemen, voordat men de huls
er overheen gaat schuiven. Ook is het vanzelfsprekend, dat men
de huls dáár vastklemt, waar het draaipunt is, wanneer de oculairschuifbuis zoover is uitgeschoven, dat men met het zwakste oculair
scherp ingesteld heeft.
Nu wordt er echter van onze modelmakerskunst wel wat veel
gevergd; wij moeten het model maken van een vork, kabelkop genaamd, waarin de huls met kijker moet komen te hangen. Ditmaal
kunnen wij het met afdraaien op de draaibank niet klaarspelen.
Wij moeten dit model met zaag en steekbeitels bewerken, tot den
aangegeven vorm is verkregen. Ook als de kabelkop gegoten is,
in geel koper, is het hoofdzakelijk het bewerken met verschillende
vijlen, dat er een behoorlijk aanzien aan moet geven. Doch bij a
kan men aan elken kant van den kabelkop op de draaibank een
gat boren, waarin de lagerasjes a van de huls precies passen.
Ook kan men met de cirkelzaag deze lagertjes op de draaibank
doorzagen en ze met twee schroefjes juist even aanzetten, wanneer
de huls met kijker erin hangt, zoodat de kijker in verticale richting
niet al te licht draaien kan. Nu kunnen wij ook den kabelkop bij b
uitdraaien, zoodat daar een asje doorheen gebracht kan worden.
Ook de buitenkant van dit gedeelte kan men desgewenscht afdraaien.
Men kan een hoog of een laag statief maken. Voor het maken
van beide soort statieven is het noodig, dat men een ijzeren driepoot laat gieten van den aangegeven vorm. Bij a laat men een
voetje aangieten van een paar c. M. hoogte, waarop de driepoot
komt te rusten, bij b wordt hij op de juiste maat uitgedraaid,
zoodat er een getrokken ijzeren buis doorheen gebracht kan wor93 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
den. Men begrijpt, dat ook hiervoor eerst een model gemaakt moet
worden!
Deze buis bepaalt de hoogte voor ons statief, dus kunnen wij
naar eigen verkiezing de hoogte bepalen.
Aan een der einden van de buis brengen wij een asje aan,
waarop de kabelkop komt te draaien en het andere eind maken
wij zoo, dat het onder den drievoet met een ring, waarop een
schroefdraad is gesneden, kan worden geschroefd.
Als wij nu alles naar behooren geconstrueerd hebben, gaan wij
het geheel goed schoonmaken en zwart lakken, zoo noodig twee
keer. Nadat alle deelen goed droog zijn, worden ze in elkaar
gezet en ik geef U de verzekering, dat U over uw zelfgebouwden
kijker tevreden zult zijn! Men zal echter wel gemerkt hebben,
dat men het niet met een hamer, nijptang en een paar latten klaar
kan spelen. (foto 21).
In de eerste plaats is overleg noodig, dan het vereischte gereedschap en vervolgens de handigheid om alles zelf te vervaardigen.
Van een aldus gebouwden kijker, zal men echter zeer zeker veel
plezier hebben; hij is bovendien gemakkelijk te verplaatsen
en men kan hem zonder de minste moeite uit een kamer naar
buiten brengen.
Ook grootere kijkers, van 80 en 100 m. M., kan men op dezelfde
manier construeeren, alle onderdeelen moeten dan natuurlijk naar
verhouding grooter worden. Voor iemand, die er even aan gewend is en weet, hoe zoo'n kijker het beste is te hanteeren, is
ook het verplaatsen uit de kamer naar buiten zeer wel mogelijk.
Van dit soort kijkers zijn er hier in Nederland heel wat in gebruik.
Het is noodzakelijk, indien men een object een eenigszins langen
tijd wil volgen, dat men den kijker om beide assen tegelijk kan
draaien. Immers, de sterren beschrijven schijne bogen bij hun
loop aan den hemel. Als men nu geen andere bedoeling heeft
dan alleen maar kennis te nemen van alles wat er al zoo aan
den hemel te zien is, dan is dit ook voldoende.
Wil men echter metingen gaan verrichten, of met behulp van
een camera aan den kijker den sterrenhemel gaan fotografeeren
- en vrijwel alle amateurs komen daar vroeg of laat toe dan is het wel zeer lastig om met een azimuthale beweging te
moeten werken. In dat geval brengt een parallactische monteering,
hoe eenvoudig ook, uitkomst.
Evenals de azimuthale monteering, zooals wij boven bouwden,
in allerlei vorm en uitvoering in den handel te verkrijgen is, is
dat met parallactische monteeringen het geval.
Van den allereenvoudigsten, z. g. schoolkijker, al, tot aan de
meest geperfectioneerde toe, kan men deze bij verschillende firma's
bestellen. Doch vraagt U liever niet naar den prijs! Daarom
trachten vele amateurs dit probleem op de een of andere manier
zelf op te lossen. De een zet zooiets in elkaar van fietsbuizen en
94 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
zet daar spiegeltelescopen op van 20 c. M. en soms meer, een ander
neemt oude onderdeelen van auto's, ook zijn er, die het geheele
assenstel van hout maken, weer anderen fabriceeren het van de
meest uiteenloopende dingen. Daar ook ik nogal eens van die
monteeringen maakte, lijkt het mij niet onaardig om hier in het
kort uiteen te zetten, hoe ik zoo'n eenvoudige parallactische
monteering in elkaar zette.
Ook hier geldt weer, dat men voor alle te gieten onderdeelen
modelletjes moet maken. (Teekening G). Wij laten nu echter
deze onderdeelen maar in ijzer gieten. Bij A is een gegoten onderdeel in doorsnede afgebeeld. Het komt er hier op aan, dat het
grondvlak 1 met de hartlijn 2 een hoek maakt van 52½ graden, dat is
voor geheel Nederland nauwkeurig genoeg. Bij 1 komt dit onderdeel op het statief vast te zitten door middel van een schroef.
Als statief kan men de vroeger aangegeven ijzeren driepoot
en de getrokken ijzeren buis nemen. Bij 3 wordt dit gegoten model
uitgedraaid op den gewenschten diameter, daar hierin onze poolas
moet komen te draaien. Deze pool- of uuras zit weer vast aan een
tweede gietstuk B, dat ook weer bij 1 op den gewenschten diameter
wordt uitgedraaid, want hierin moet de declinatie-as draaien. Deze
declinatie-as is weer vast verbonden met een gietstuk C, waaraan
men dan den kijker bevestigen kan. Nu moeten we nog twee handschroeven hebben van den aangegeven vorm D. Een ervan is met
schroefdraad onder aan de uuras, de andere onder aan de declinatie-as bevestigd. Zou men deze aandraaien, dan kunnen de assen
echter niet draaien, wat niet de bedoeling is. Daarom brengen wij
tusschen de handschroef en de vlak gedraaide borst van de gietstukken A en B een veerenden ring aan. Dan kan men de handschroef juist zoo aandraaien, dat de assen niet al te licht loopen
en toch gemakkelijk draaibaar zijn. Zou men nu aan gietstuk C
den kijker aanbrengen, dan zou hij vanzelf om de uuras draaien,
omdat hij aan dien kant veel te zwaar zou zijn. Daarom hebben
wij de declinatie-as een eind door de handschroef heen laten steken
en brengen nu op dat langere stuk van de as een tegenwicht aan,
met een klemschroef, teneinde dit op die as vast te zetten, zoodat
wij nu den kijker in evenwicht kunnen brengen ten opzichte van
de uuras. En hiermede is onze wel heel eenvoudige parallactische
monteering gereed. (foto 22). Ook thans weer met de een of
andere lak bestrijken!
Om een goed gebruik van deze monteering te kunnen maken,
is het wel noodzakelijk, dat de pool- of uuras ook zoo goed mogelijk naar de pool gericht is; daarbij is echter niet die nauwkeurigheid noodig, welke een vast opgesteld instrument wèl noodig heeft.
Als men de opstelling zoo nauwkeurig heeft gekregen, dat men
een ster, laat ons zeggen, twee uur in het veld van den kijker
kan houden, zonder de declinatie-as te verstellen, dan is dit voor
dit kleinere soort kijkers ruim voldoende.
95 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Als men er kans toe ziet, deze of een soortgelijke constructie
zelf te maken, dan is die verre te verkiezen boven een azimuthale
monteering!
Nog zeer onlangs werd mij de vraag gesteld, wat het voornaamste deel van een kijker is, terwijl men overtuigd was, dat
ik als zoodanig het objectief zou noemen, doch naar mijn meening
is dit de monteering. Dit wordt weleens te veel over het hoofd
gezien. Daarom zeg ik hier met nadruk: beter een goede monteering met een kleinen kijker, dan een groote kijker met een
minder goede monteering.
Deze zelfde montering, in haar eenvoudigen grondvorm, dus
zonder fijne schroefbeweging en zonder verdeelde cirkels, kan
men ook wel voor grootere kijkers maken, tot aan 100 m. M.
opening toe en dan is zoo'n instrument nòg verplaatsbaar.
Heeft men met deze monteering den kijker ingesteld op het
een of andere object, dan kan men de handschroef van de
declinatie-as even aandraaien, zoodat de verstelling van deze as
niet meer uit zichzelf kan geschieden en men kan dan in alle rust
een paar uur achtereen het ingestelde object bekijken of fotografeeren, door alléén maar de uuras gelijkmatig te doen draaien.
Ik zei, ook fotografeeren; dit is echter niet geheel juist, want
als men een dradenkruis in het te gebruiken oculair heeft, zal
men bemerken, dat men ook van tijd tot tijd iets aan de declinatieas moet verstellen, omdat de poolas van den kijker niet zoo heel
nauwkeurig gesteld is.
Nu is dan onze kijker geheel gereed om den sterrenhemel te
gaan veroveren en in ons enthousiasme maken we van elke gelegenheid gebruik om dit te doen.
NEGENDE HOOFDSTUK
We nemen aan, dat men zoo ver is, dat men zonder veel
moeite met het bloote oog den weg kan vinden tusschen de verschillende sterrenbeelden, dat men ook een aantal bijzondere
objecten kan vinden, dus dat, als we op jacht gaan, de eerste
pogingen niet al te moeilijk meer zijn. Reeds vóór wij met het
bouwen van den sterrenkijker konden beginnen en meer nog tijdens
het bouwen, hebben we ons afgevraagd: "wàt zal ik nu wel allemaal
kunnen zien met mijn kijker?" U kunt zeer veel zien, echter zal
het ook voorkomen, dat objecten, die U met uw kijker wenscht
te bewonderen, omdat U hun mooie vormen reeds in populaire
boeken hebt gezien, U zullen tegenvallen.
96 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Het beste lijkt mij, dat ik U een algemeen beeld geef van wat
U zoo ongeveer zult kunnen zien en ik zal vlak bij huis beginnen,
bij ons aller moeder, de zon. Daartoe zetten wij vóór alles den
zonnekop in de dauwkap, zoodat ons objectief slechts enkele
centimeters doorsnee heeft. Dan nemen we den oogdop van ons
zwakste oculair af en schroeven of steken daar het zonneglas op.
Nu is het zaak, onzen kijker op de zon te richten. Daartoe gaan
we niet achter den kijker staan, om te trachten de zon in het
veld van den kijker te krijgen. Al heel gauw is U dan door
het felle zonlicht verblind! Neen, wij laten de schaduw van onzen
kijker op een groot stuk papier vallen, zoodat onze kijkerschaduw
alleen nog maar als een cirkel te zien is. Nu gaan wij vlug achter
den kijker en zullen daar vrij zeker het zonnebeeld in den kijker
zien. Een gekleurde ronde schijf, die men in dezelfde kleur ziet,
als die van het zonneglas zelf.
Is men met deze observatie begonnen, wanneer de zon in haar
vlekkenmaximum is, dan kan men er vrijwel zeker van zijn, dat
men al direct zonnevlekken zal zien. Is de zon echter in haar
vlekkenminimum, dan kunnen er wel weken voorbij gaan, dat
men geen vlekje op de zon vinden zal. Zooals men weet, duurt
een periode van deze zonnevlekken ongeveer 11 jaar. Soms hebben
zij buitengewoon groote afmetingen, zoodat men ze met een
zonneglas gemakkelijk met het bloote oog zien kan. Wàt ziet men
dan? Een min of meer groote, schijnbaar pikzwarte "kern", daaromheen in een min of meer grillige vorm de "halfschaduw" of
"penumbra". (foto 23). Soms kan men aan die halfschaduw goed
zien, dat het verloop van den lichtring naar de kern gericht is.
Niet altijd is het beeld van een zonnevlek dusdanig, meestal is
het een verzameling van kernen over een gedeelte der oppervlakte
van de zon verspreid, waarvan dan de grootste door zoo'n halfschaduw zijn omgeven. Heeft men geluk en kan men zoo'n groep
zonnevlekken dagen achtereen blijven zien, dan zal men bemerken,
dat deze aan gestadige verandering onderhevig is. Groote kernen
gaan in meerdere kleinere over, en kleinere kernen of "poriën"
verdwijnen. Niet zelden gebeurt het, dat men zoo'n zonnevlekkengroep een of meer omdraaiingen om de zon ziet volbrengen. De
zon draait om haar as in 25 à 26 dagen, zoodat men dezelfde
groep soms weer na 13 dagen terug kan zien komen. En juist dit
terugkeeren van zoo'n groote vlek is een leerzame ervaring, want
daarmee demonstreert zoo'n zonnevlek heel mooi, dat de zon een
bol is en geen schijf, zooals mij weleens gevraagd wordt!
Zijn wij onze waarnemingen begonnen wanneer zoo'n goed ontwikkelde vlek midden op de zon te zien was, dan had deze vlek
een vrijwel ronden vorm, om, hoe dichter de rand van de zon
genaderd werd, meer en meer langwerpig te worden, om te verdwijnen als een heel smalle, donkere streep, en die, na den achterkant van de zon gepasseerd te zijn, weer te voorschijn komt als
97 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
een donkere streep en allengs weer den cirkelvorm aanneemt, hoe
meer zij het middelpunt van de zonneschijf nadert.
Het is duidelijk, dat deze vormverandering alleen zoo bij een
bolvormig lichaam verloopen kan.
Veelvuldig kan men ook aan den rand van de zon "fakkels"
waarnemen; dit zijn min of meer groote oppervlakten, die door
hun grootere helderheid onmiddellijk opvallen. Men moet ze uitsluitend aan den rand van de zon zoeken en meestal in de omgeving van de bovengenoemde zonnevlekken. Ook deze objecten zijn
voor onzen kleinen kijker heel gemakkelijk waarneembare verschijnselen, zelfs met de zwakke - 30 maal - vergrooting.
Een ander verschijnsel op de zon, de "granulatie" zal men beter
met een vergrooting van ong. 60 maal kunnen probeeren te
zien. (foto 24). Niet altijd en niet iedereen zal dat onmiddellijk
gelukken.
Het verschijnsel is den eenen tijd beter te zien dan den anderen,
en bestaat hieruit, dat de geheele oppervlakte van de zon bezaaid
is met kleine, langwerpige ronde gebieden, iets helderder dan de
omgeving. Men heeft ze wel vergeleken met uitgestrooide rijstkorrels en deze vergelijking is, dunkt mij, wel juist. Het merkwaardige van dit verschijnsel is echter, dat men het het beste ziet,
als men er niet scherp naar kijkt; men moet er als het ware langs
kijken. Heeft men daar eenmaal den slag van te pakken, dan zal
men bemerken, dat die granulatie op sommige tijden zelfs heel
gemakkelijk te zien is.
Weer een ander verschijnsel op de zon, de "protuberansen",
kan alleen maar gezien worden met behulp van een spectroscoop,
een instrument, dat voor de doorsnee amateur niet in aanmerking
komt. In de laatste jaren is het wel gelukt die protuberansen op
de film vast te leggen, zonder dat er een totale zonsverduistering
is. Bij een totale zonsverduistering zijn de protuberansen zelfs
met het bloote oog zichtbaar, als kleine, uitstekende roode vlammen
aan den rand van de zon. Met onzen kleinen amateur-kijker vallen
zij buiten onzen gezichtskring.
Een totale zonsverduistering zullen U noch ik meer meemaken,
hier in Nederland.
Een gedeeltelijke zonsverduistering nog wel meerdere malen. Bij
zoo'n gelegenheid moet U eens letten op den mooien, haarscherpen
rand van de donkere maan, geprojecteerd tegen het scherpe licht
van de zon. Zeer mooi is dan de gekartelde rand van de maan
te zien, met hare bergtoppen, hier langzaam stijgend tot een aanzienlijke hoogte, daar op zichzelf staande toppen, die als zwarte
punten omhoog steken. Let U er dan eens goed op, hoe onbenullig
klein deze uitstekende bertoppen zijn in verhouding tot de geheele middellijn van de maan zelf. En toch zijn er toppen bij,
die ongeveer 9000 Meter hoog zijn. In verhouding tot de maan
zelf, zijn deze toppen echter wel zeer hoog te noemen, als men
98 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
ze vergelijkt met de bergtoppen op aarde, die immers ook maar
hoogstens ongeveer 8000 Meter hoog zijn. De aarde heeft echter
een diameter van ong. 12750 K. M., terwijl die van de maan slechts
ong. 2500 K. M. bedraagt.
Het is hier niet de plaats om alle wetenschappelijke onderzoekingen van de zon, het zonnestelsel en de sterrenwereld te
gaan vermelden, daarvoor kan men speciale werken raadplegen.
Wel ligt het in de bedoeling, voor den belangstellenden leek en
beginnenden amateur aan te geven, wat hij met eenvoudige middelen ongeveer bereiken kan, en op welke wijze hij, als de omstandigheden medewerken, en de wil er is, niettegenstaande deze
bescheiden hulpmiddelen, toch wetenschappelijk waardevol werk
kan verrichten.
***
Op de reis, die wij nu met ons gewapend oog aanvangen,
ter verovering van de hemelruimte, landen wij eerst aan bij de
eerste der planeten Mercurius, die, op een afstand van circa
58 millioen K. M. van de zon, in ong. 88 dagen één keer om deze
heen draait. Zooals reeds vermeld werd, moet men deze planeet
's morgens vroeg, voordat de zon opkomt, of 's avonds, als de zon
nog maar even onder is, dicht boven den horizon zoeken. Een zeer
goed hulpmiddel daarbij is de "sterrengids", aan alle leden der
"Nederlandsche Vereeniging voor Weer- en Sterrenkunde" bekend.
Heeft men eenmaal de planeet gevonden, dan moet U geen
al te groote verwachting hebben van hetgeen U te zien zult krijgen,
want bijna altijd valt dit tegen, ook al gebruikt men een veel
krachtiger instrument dan onzen 60 m. M. amateurkijker. Deze
planeet staat immers altijd in de heldere schemering, in een groote
luchtlaag, min of meer bezwangerd door nevel en rook, waarbij
nog komt, dat de lucht daar uitermate onrustig is; dit alles is
meer dan voldoende om een slecht beeld te verkrijgen. Men zal
echter met onzen kijker de schijngestalten die Mercurius in 16
dagen doorloopt, zooals de maan dit in een maand tijds doet, toch
nog goed kunnen onderscheiden.
Dus - volle Mercurius - geheel verlicht, halve Mercurius zooals de maan met eerste kwartier, enz.
Men moet echter geen mooi, scherp begrensd beeld van de planeet
verwachten, slechts bij hooge uitzondering zal dit eens mogelijk
zijn. In de laatste jaren meent men weleens vlekken op Mercurius
te hebben waargenomen, doch probeert U maar niet om deze ook
te zien, want dat zou maar zelfbedrog zijn. Want zeker van hun
zaak waren zelfs de beroeps-astronomen niet, hoewel zij met veel
krachtigere kijkers op onderzoek uitgingen.
Met de waarneming van de planeet Mercurius hebben wij dus
vlug afgedaan. Hetzelfde geldt ook min of meer voor de planeet
99 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Venus, onze Avond- en Morgenster, die, gedurende bijna haar
geheelen omlooptijd om de zon, overdag met het bloote oog te
zien is. Venus, die gemiddeld 108 millioen K. M. van de zon af
staat en haar baan om de zon in ong. 225 dagen aflegt, is al een
heel gemakkelijk object om onze krachten op te beproeven.
Doch ook hier zal men vergeefs naar bijzonderheden op de planeet
zelf zoeken, daar het met de huidige kijkers zelfs nog maar zeer
onbestemde deelen van de planeet zijn, welke, eenigszins donkerder
gekleurd dan de geheele omgeving, gezien worden. Zoo onzeker
is men nog van datgene, wat men meent te zien, dat het zelfs
niet mogelijk is geweest om de draaiing om haar as met zekerheid
te kunnen constateeren. Summa summarum, is voor ons bij deze
planeet alleen maar het mooie verloop van haar schijngestalten
te zien, en daar alle phasen in 584 dagen doorloopen worden,
hebben wij allen tijd om dat verloop goed te volgen. Ten zeerste
moet ik aanraden om, als het eenigszins mogelijk is, dit 's avonds
zeer vroeg te doen, als de zon nog niet onder is of 's morgens,
als de zon juist op komt, of, nòg beter, overdag, daar men dan
kan profiteeren van haar hoogsten stand om of nabij den meridiaan,
dat is, als zij juist in het Zuiden staat.
Noch bij Mercurius noch bij Venus zal men naar een eventueele
maan behoeven te zoeken. (foto 25). Hoewel er hier en daar
in de litteratuur weleens over gesproken wordt, is tot nog toe
nooit komen vast te staan, dat een dezer beide planeten een maan
heeft.
Dit in tegenstelling met de volgende planeten, die er wel een
of zelfs veel meer dan één hebben.
***
Het volgende object in de rij, vanaf de zon gerekend, is géén
planeet, doch wel een maan van een planeet en wel de ons zoo
vertrouwde maan der aarde.
Hoeveel bizonderheden zijn daar al niet te zien, ook zonder
onzen kijker! De schijngestalte, het aschgrauwe licht, de onregelmatig gevormde lichtgrens van de maan, ster-bedekkingen, planeetbedekkingen, de zoozeer in licht-intensiteit verschillende donkere en
lichtere vlekken, te veel om op te noemen; en dat alles met het
bloote oog. Met onzen kijker komen daar nog bij: duizendtallen
kraters, walvlakten, bergruggen, afzonderlijke bergtoppen, rillen
enz.
Voorwaar, de maan alleen is voor onzen kijker al een arbeidsveld voor een menschenleven. Ik kan er niet genoeg toe aansporen
om, met alle ten dienste staande vergrootingen van den kijker, de
verschillende bijzonderheden te gaan verkennen. Hier is een object,
waarbij men alles uit een kijker kan halen, wat er in zit. Soms
kan het echter lang duren!
100 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Als in den zomer de volle maan, de eene maand na de andere, zoo
tergend laag boven den horizon blijft, zoodat, door de hevige
beweging in den dampkring, als gevolg van de verwarming overdag, haar rand ook gelijkt op het golvende strand van de Noordzee,
dan zal men niet veel resultaat hebben. Doch als in najaar en
winter de maan hoog aan den hemel prijkt en men treft avonden,
dat de lucht rustig is, dan ziet men de kraters als scherp gesneden beelden tegen den achtergrond van de maan staan, dan
ziet men, aan de lichtgrens, den eenen bergtop na den anderen als
punten uit den donkeren nacht te voorschijn komen, om ten slotte
geheel verlicht in het maanlandschap te staan. (foto 26). En dan
is het schouwspel nog niet uit, want dan valt de gitzwarte slagschaduw van krater of bergwand in de soms zeer diepen krater en
kan men aan menigen kraterwand zien, hoe grillig gevormd hij in
werkelijkheid is. Hier heeft men een krater, waarbij één mooi
gevormde, gelijkmatige slagschaduw te zien is, dáár is er een,
waarvan de slagschaduw op menige plaats onderbroken is, doordat de bergwand, waar het zonlicht op valt, op die plaats onderbroken is. Uur na uur kan men de veranderingen aan de lichtgrens van de maan volgen. Met onzen kleinen kijker zijn er niet zoo
heel veel rillen te zien, doch die, welke men zien kàn, geven er toch
wel een goed beeld van, hoe die spleten in de maanoppervlakte
- want meer zijn zij toch eigenlijk niet - zich niet storen aan bergen
en dalen, doch overal doorheen loopen. Onmiddellijk opvallend, ook
met de kleinste kijkers te zien, zijn de lichtende stralen, die van
enkele groote kraters uitgaan. Ook deze storen zich evenmin aan
bergen en dalen. We zouden kunnen veronderstellen, dat er op
de plaats van den krater een groot, vreemd lichaam in de maanoppervlakte is geslagen en dat de substantie van de maanoppervlakte
naar alle richtingen heen wegspatte. Wij laten deze veronderstelling
voor wat zij is, doch zij geeft een begrijpelijke oplossing voor het
ontstaan dezer lichtende strepen. Men dient goed te begrijpen,
dat de strepen zélf geen licht geven, doch zij bestaan zeer zeker
uit een substantie, die het erop vallende zonlicht sterker terugkaatst dan de omgeving.
Zooals ik reeds zei, kan men soms met het bloote oog zien, dat
de maan voorbij een heldere ster of planeet trekt, dat zijn dan min
of meer toevallig opgemerkte bijzonderheden. Met onzen kijker is
dat veel vaker te zien, daar het nu mogelijk is om ook zwakkere
sterren waar te nemen. En voor hen, die daar werk van willen
maken, zijn er jaarboekjes, die voor een groot aantal sterren dit
gebeuren aangeven.
Mooi is dan waar te nemen, als men de maan op zoo'n ster ziet
toeloopen, hoe de ster in volle helderheid prijkt tot vlak naast
het randje van de maan, om plotseling, zonder eenige overgang,
te verdwijnen. Dit alleen wijst er al op, dat de maan geen dampkring heeft. Vergelijk hier maar eens den loop der sterren van
101 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
de eerste grootte mede, als die den horizon van de aarde naderen
en het licht dus een zooveel langeren weg door den dampkring
moet afleggen. Hoe veel zwakker wordt het licht van de ster dan,
als zij dichter bij den horizon komt. Dit zou ook bij de maan
moeten plaatsvinden, als deze een dampkring had. De amateur
kan in dit geval zeer wel wetenschappelijk belangrijk werk verrichten, als hij de tijden van bedekking en weer te voorschijn
komen dier sterren, nauwkeurig opneemt.
In tegenstelling met een zonsverduistering, zullen wij allen nog
wel meermalen een maansverduistering meemaken. (foto 27).
Zeer mooi is dan te zien, hoe de eene krater na de andere door
de schaduw van de aarde als het ware weggevaagd wordt, soms
in een diep donkerroode koperkleur nog zichtbaar. Als wij met
onze amateur-kijkerbouwerij geen ander doel zouden hebben gehad, dan alleen maar "veldtochten te maken" op de maan, dan
was dit de moeite reeds dubbel en dwars waard geweest. Maar
er is buiten de maan nog zoo heel veel te zien!
Op alle bezoekers, die ik, in den loop van den tijd, het een en
ander kon laten zien, is de maan wel het object, dat den meesten
indruk maakte. Op één misverstand moge ik in dit verband wijzen,
en wel, dat vele leeken in de meening verkeeren, dat men het
"meeste ziet" als het volle maan is, terwijl de voor amateurs meest
indrukwekkende verschijnselen zich juist aan de lichtgrens van de
maan afspelen.
***
U hebt toch zeker weleens van Mars gehoord, de eerste planeet,
die zich buiten de aardsche loopbaan, in 1.88 jaar om de zon
beweegt, op een gemiddelden afstand van 228 millioen K. M.?
(plaat 29). U weet wel, die planeet, "waarop ook menschen wonen",
zooals tenminste velen veronderstellen. Of dat in werkelijkheid
zoo is? Er dient hier een heel groot vraagteeken gezet te worden!
Ik voor mij geloof niet, dat Mars bewoond is. Doch voor ons
komt dat er minder op aan, de leek en de beginnende amateur
willen graag weten, wat zij met hun instrument van deze zooveel
besproken planeet te zien kunnen krijgen. Ik zal trachten U daarover zoo goed mogelijk in te lichten.
De zooveel besproken poolkappen kan hij zien, doch men
moet niet denken, dat ze op elk willekeurig tijdstip van het
jaar, wanneer Mars aan den hemel staat, waarneembaar zijn. Verre
van dien! Als de planeet in zijn gunstigsten stand ten opzichte
van de aarde staat, dus zoo dichtbij als slechts mogelijk is, dan is
zoo'n poolkap vrij goed te zien. Dat duurt echter maar een paar
maanden, en dan is òf de afstand aarde-Mars zooveel grooter
geworden, dat de poolkap voor ons verdwijnt, òf door de wisseling der jaargetijden op Mars is de poolkap tot zulke kleine af102 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
metingen terug geloopen, dat zij niet meer te zien is. Alles tezamen
genomen, is dus deze poolkap voor onzen sterrenkijker een vrij
wispelturig object. Toch heb ik deze kap meermalen met een
kijkertje van slechts 50 m. M. opening goed kunnen zien.
Iets anders is het met enkele groote, donkere vlekken, die met
onzen kijker wèl steeds te zien zijn, als men tenminste eenige
oefening in het kijken doorgemaakt heeft. Men moet er echter
rekening mee houden, dat de planeet Mars in ongeveer 24 uur
om haar as draait. Het gevolg daarvan is, dat men 's avonds
steeds op dezelfde plaats dezelfde donkere vlekken zal zien. Daar
de amateur-waarnemer meestal slechts in de avonduren zal
kunnen kijken, zal hij steeds dezelfde figuratie opmerken. Zou
hij ook in de ochtenduren Mars eens gaan bekijken, dan zal hij
het aspect veel veranderd vinden.
Toen de sterrenkijker pas was uitgevonden, waren deze
donkere vlekken dan ook het aangewezen middel om den omwentelingstijd van Mars om haar eigen as te bepalen, hetgeen al spoedig
gelukte. Men moet echter niet meenen, dat deze donkere vlekken
scherp omlijnd zijn; integendeel, men zal slechts met veel moeite
bepaalde vormen geregeld terug kunnen vinden. Maar in hun
totaliteit zijn ze met onzen kijker vrij goed te zien. Alleen als de
afstand van de aarde tot Mars groot wordt, zal men er weleens
aan twijfelen of men op dat nietige schijfje, waartoe de planeet is
saamgekrompen, deze donkere vlekken nog wel zien kan.
Veel, zeer veel is er al te doen geweest over de zoogenaamde
kanalen op Mars. Men meende, dat deze rechtlijnige formaties
niet anders dan door intelligente wezens aangebracht konden zijn,
dus door menschen.
Het is een feit, dat men, met kijkers van bepaalde afmetingen,
die, elkaar onder alle hoeken snijdende, rechte lijnen zien kan.
Doch bij waarneming met groote, moderne instrumenten blijft
er van deze rechtlijnige kanalen weinig over, zoodat het een nog
omstreden vraag is, of zij er in werkelijkheid al dan niet zijn.
In elk geval kunnen wij met onzen amateur-kijker van 60 m. M.
deze "kanalen" niet zien.
Hiermede zou voor ons deze kwestie afgedaan kunnen zijn,
doch een vrij groot aantal amateurs in Nederland is voorzien
van instrumenten, hetzij refractoren of reflectoren, waarmede
deze kanalen wèl te zien zijn. Ik herinner mij, dat ik er eens,
in 1926 meen ik, acht tegelijk kon zien met een kijker van 148 m. M.
opening. Ook met een kleineren kijker, van ongeveer 100 m. M.
opening af, zijn zij weleens gezien.
Hoewel men altijd leest, dat alleen de planeten, die binnen de
aardbaan om de zon loopen, schijngestalten, zooals van de maan,
vertoonen, kan men met onzen kijker zeer goed zien, dat er op
bepaalde tijden van haar en onzen omloop om de zon, een stuk
van de planeet Mars af is. Dit "stuk eraf" is echter nooit op103 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
vallend groot, het gelijkt op den vorm van de maan, een paar dagen
voordat, of nadat zij vol is. De planeet Mars is dan eenigszins
ovaalrond. Heeft men er echter eenmaal erg in gehad, dan zal
men het altijd weer kunnen zien.
Hoewel Mars twee manen heeft, zijn deze voor ons, ook al
hebben wij een veel sterkeren kijker, totaal onzichtbaar, daar zij
in helderheid ongeveer overeenkomen met een sterretje der
grootte 13.
Dit is vrijwel alles, wat er aan de planeet Mars voor den amateur
te zien is, een poovere buit voorwaar, te oordeelen naar wat "men"
er zooal van zegt.
Beter is het gesteld bij het volgende station, dat wij zullen
bezoeken, n. l. Jupiter. Deze grootste der planeten is voor den
amateur en den leek, die alleen maar over een prisma-kijker of
kleinen sterrekijker kan beschikken, een dankbaar object. Het
wisselende spel van haar manen, met verduisteringen, overgangen
enz. is een voor ons interessant schouwspel om te observeeren.
Deze planeet loopt om de zon in 11.9 jaar, dus rond 12 jaar,
op een afstand van 778 millioen K. M. Jupiter moet toch wel
bijzonder groot zijn, daar zij in onzen kijker, bij een 30 à 40 maal
vergrooting, al even groot gezien wordt als de maan met het
bloote oog. Haar diameter is dan ook 143 duizend K. M. tegen
die der aarde slechts rond 12.750 K. M. Dit kunt U op de volgende
wijze goed constateeren.
Als de maan op haar maandelijkschen gang vijf tot tien graad
links naast de planeet Jupiter staat, dan kunt U met het rechteroog
door den kijker naar de planeet zien en tegelijkertijd kunt U met
het linkeroog langs den kijker heen kijken, naar de maan zien.
Tot Uw verwondering zult U dan bemerken, dat de planeet even
groot, zoo niet grooter is dan de maan. Trouwens, laten wij ze
maar eens meten, tenminste als de afstand van de maan tot
Jupiter aan den hemel niet al te groot is. Als U de beide
objecten zoo bekijkt, het eene dóór, het andere làngs den kijker,
dan kunt U met den kijker zoo manoeuvreeren, dat het schijfje
van de planeet precies over de maanschijf schuift. U kunt dan
nauwkeurig zien. welke van de twee de grootste diameter heeft.
In de meeste gevallen zal dat Jupiter zijn. Vanzelfsprekend is dit
afhankelijk van de vergrooting, welke men met den kijker gebruikt.
Als U, bij al deze manipulaties, goed hebt gelet op wat U
zag, dan zult U waarschijnlijk ook gezien hebben, dat de planeet
niet zuiver rond was, doch eenigszins ovaal. In werkelijkheid is
dat ook zoo, de afwijking van den cirkelvorm is zelfs heel duidelijk
te zien, daar de grootste middellijn "15 Meter" en de kleinste
"14 Meter" bedraagt, om het zoo begrijpelijk mogelijk weer
te geven. Deze "misvorming" kan ons dus ook met onzen kleinen
104 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
kijker niet ontgaan! (plaat 30).
TIENDE HOOFDSTUK
Bij al dat kijken heeft U zich waarschijnlijk al menigmaal de
vraag gesteld, "wat zijn dat toch voor zwarte strepen, die ik geregeld op de schijf van de planeet zie?" In werkelijkheid is dit
niets anders dan de bewolking in den dichten en ondoorzichtigen
dampkring van de planeet. Met onzen kleinen kijker zullen er altijd
wel een vier tot zevental te zien zijn, nu eens meer, dan weer
minder, doch een paar zal men er altijd wel zien. Door onzen
kijker is die bewolking niet anders te zien dan als mat donkere
strepen, doch niet zwart. Daar de bewolking van de aarde vrij
onregelmatig in haar voorkomen en verloop is, vraagt men zich
weleens af, hoe het komt, dat men deze bij Jupiter als rechte,
donkere lijnen ziet. De aarde heeft, zooals wij reeds zagen, een
diameter van slechts ong. 12.750 K. M., met een aswenteling van
24 uur. De diameter van Jupiter is veel en veel grooter n. l.
143.000 K. M. met een omwenteling van slechts ong. 10 uur. Het
is licht te begrijpen, dat dientengevolge de draaiingssnelheid aan
de oppervlakte van Jupiter veel grooter is dan die van de aarde.
Het gevolg daarvan is weer, dat dit een groote invloed heeft op
den opbouw van de planeet en haar dampkring. Ook de ovaalvorm van de planeet als geheel is daarvan wel het gevolg.
Die rechte, donkere lijnen op de oppervlakte van de planeet geven
ons de richting aan, waarin zij om haar as draait. Nu bestaat zoo'n
donkere, rechte streep voor onzen kleinen kijker uit een heele verzameling min of meer groote wolkenmassa's, die soms mooi achter
elkaar liggen.
Door kijkers met een objectiefopening vanaf ongeveer 150 m. M.
is dit al vrij goed te zien, en teekeningen, gemaakt door middel
van nog grootere kijkers, vertoonen steeds zoo'n beeld van achter
elkaar liggende wolkenmassa's.
Nu komt het weleens, zij het zelden, voor, dat er, door welke
oorzaak dan ook, in zoo'n donkeren wolkenband een bijzonder
opvallende donkere verschijning optreedt.
Zeer bekend, in dit verband, is de zoogenaamde roode vlek
op Jupiter (afb. 31), die nu al sedert tientallen jaren de astronomen bezighoudt. Deze verschijning is echter langzamerhand zoo
verflauwd, dat zij in onzen kleinen kijker nu nauwelijks meer
opvalt. Eenige jaren terug trad er echter plotseling weer zoo'n
vlek op, van kleur opvallend donker en voor kleine kijkers, zelfs
105 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
voor onzen 60 m. M. kijker, een vrij goed waarneembaar object.
Daarom zal de amateur die donkere banden altijd opmerkzaam
controleeren, of er wellicht wéér zoo'n donkere vlek te zien is.
Nu heeft de aarde één maan, Mars twee, Jupiter vier, Saturnus
acht, enz. enz. Neen, deze opeenvolging klopt niet, want Jupiter
heeft thans elf manen. Met onze hulpmiddelen zijn er echter maar
vier te zien, doch die kan men dan ook altijd en onder alle
omstandigheden met den kleinsten sterrenkijker gemakkelijk waarnemen, daar zij in helderheid gelijk zijn aan sterren der grootte
5 à 6. Wij zouden ze dus eigenlijk met het bloote oog moeten
kunnen zien, doch Jupiter zelf overstraalt met haar groote helderheid deze manen. Het is een steeds boeiend schouwspel, de beweging en het verloop van deze manen te volgen. Geef er U echter
goed rekenschap van, dat Jupiter in ongeveer 12 jaren om de zon
draait, dus in dien tijd alle sterrenbeelden doorloopt.
Soms komt zij dus ook zeer dicht bij betrekkelijk heldere sterren
te staan en loopt er na korteren of langeren tijd voorbij. Let er
goed op, dat die vier begeleidende manen van Jupiter altijd dicht
in haar buurt blijven, hetzij links, hetzij rechts. Nu kan men deze
sterren (manen) links of rechts van de planeet zien, doch nooit
er boven of er onder, uitgezonderd één der vier, die een enkele
keer onder of boven de Jupiter-schijf langs kan gaan. Dit is voor
ons ook al een bewijs, dat het vlak der loopbanen dier vier manen
vrijwel samen moet vallen met het vlak van de Jupiterbaan zelf.
Niet altijd ziet men de vier manen tegelijk, want bij elken omloop
van zoo'n maan, staat deze één keer vóór en één keer achter de
planeet, dus is in het laatste geval voor ons onzichtbaar. Als de
onderlinge standen van de zon, de aarde en Jupiter zoodanig
zijn, dat de schaduw van Jupiter voor ons, aardbewoners,
niet meer precies achter de planeet valt, dan kunnen ook de
manen van de planeet in die schaduw al voor ons zichtbaar
worden, voordat zij achter de planeet staan. Al deze verschijnselen
zijn voor ons, amateurs, ook met onzen 60 m. M. kijker in alle
phases te volgen, zoodat dit wisselend spel van samenstanden en
verdwijningen dezer manen een steeds fascineerenden aanblik oplevert. Vooral door deze manen is Jupiter een object, waarop
iedere amateur zijn krachten moet beproeven!
***
En nu... het wonder van ons zonnestelsel "Saturnus", die als
een middelmatige ster der eerste grootte aan den hemel te
vinden is.
Mercurius en Venus kunnen, vooral door hun groote helderheid
en door hun plaats nabij de zon, niet verward worden met een
vaste ster, evenmin als Mars. Deze laatste door haar roode kleur
en door haar soms veel grootere helderheid dan die van de
106 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
sterren der eerste grootte. Ook Jupiter kan, door haar veel
grootere helderheid niet verward worden met vaste sterren der
eerste grootte. Met Saturnus is het echter een ander geval. Door
hem, die aan den sterrenhemel niet goed thuis is, kan deze planeet
gemakkelijk voor een heldere ster worden aangezien, want in
uiterlijk, dat is in helderheid, is zij daarvan niet nauwkeurig te
onderscheiden. Doch de amateur, die zelf een kijker gebouwd
heeft, zooal U, zal wel reeds precies weten, waar Saturnus staat,
en daarom zal een van de eerste dingen, die hij met zijn kijker
wil probeeren te zien "de ring van Saturnus" zijn. Welnu, dat is
mogelijk. Heel goed mogelijk zelfs! Het instellen met den kijker
op deze planeet doet U het beste met de zwakste vergrooting.
Dan reeds ziet U al iets onregelmatigs aan dit hemellichaam.
Na verwisseling met een ander, sterker vergrootend oculair, zult
U tot uw voldoening zien, dat de planeet omgeven is door een
ring, die nergens met haar samenhangt en die schuin om de planeet
heen ligt, zooals de geijkte term luidt.
Als het nu zóó was, dat de ring voor ons aardbewoners er als
een cirkel omheen te zien was, dan zou dat zeker aantrekkelijker
voor den waarnemer zijn. (afb. 32). Doch zóó is het nu eenmaal niet. De ring ligt er als een schuine band omheen. In het
gunstigste geval, zooals in den winter van 1942-1943, steekt
hij aan de Noord- en de Zuidpool, een klein stukje over den rand
van de planeet heen, zonder dat men echter Saturnus geheel vrij
zwevend in haar ring te zien krijgt. Wel kan men bijna steeds
dóór den ring heenzien, tusschen den aequator van de planeet
en den ring zelf, daarvoor is heusch geen groote en sterke kijker
noodig. Iets moeilijker voor ons te onderscheiden is de z. g.
"Cassini"-scheiding, een zwarte streep in den ring, ongeveer op 1/3
van den buitenkant. Deze scheiding in den ring is het eerst gezien
door den astronoom Cassini, vandaar de naam. Aan den binnenkant
van den ring is nog een donkerder ring, doch die is door onzen
kleinen kijker niet te zien. Ook zijn er nog meer scheidingen in
den ring waargenomen, doch alleen met grootere kijkers is hier
iets van te zien. Dit heele ringverschijnsel is eenig in ons
zonnestelsel, daarom oefent het waarschijnlijk ook zoo'n aantrekkingskracht uit op alle amateurs!
Nu moet U niet denken, dat deze ring altijd voor ons te zien
is. In ongeveer dertig jaren kantelt hij als het ware heen en
weer om de planeet, zoodat hij, als eerst de bovenkant van de
planeet door den ring bedekt wordt, in onzen sterrenkijker gezien,
langzaam aan gaat zakken en hoe langer hoe smaller wordt, totdat wij juist tegen den scherpen kant aan kijken. De ring is dan
zoo dun, dat wij hem in het geheel niet meer kunnen zien, zelfs
niet in middelmatig groote kijkers. Doch het kantelen van den
ring gaat door, totdat langzamerhand de onderkant van de planeet
door den ring bedekt wordt. De ring zakt nu niet verder, dan
107 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
tot juist even over den rand van de planeet. Daarna begint de
terugtocht naar boven, totdat hij na verloop van ongeveer dertig
jaar weer op zijn punt van uitgang is teruggekomen.
Zooals U ziet, verloopt dit verschijnsel uiterst langzaam, waardoor wij alle gelegenheid hebben om het grondig te volgen.
Met onzen kijker is ook nog wel de schaduw van de planeet
zelf op den ring waar te nemen. Als de stand van de zon, de
aarde en Saturnus gunstig is, dan is de pikzwarte schaduw van
de planeet zeer goed op dat gedeelte van den ring, dat achter de
planeet om loopt, zichtbaar, hetzij rechts of links daarvan.
Was bij Jupiter de afplatting, of begrijpelijker gezegd, de ovaalvorm, al vrij goed te zien, bij Saturnus is dat in nog veel sterker
mate het geval. Doch meestal ontgaat dit den waarnemer, omdat
èn de boven- èn de onderkant van de planeet meestal voor een groot
gedeelte door den ring bedekt worden, zoodat die niet ronde gestalte niet zoo opvalt. De afplatting is 1/10, dit beteekent, dat de
grootste diameter 10, de kleinste 9 is.
Van wolkenformaties, zooals op Jupiter te zien zijn, is op
Saturnus niet zooveel waar te nemen. Soms gelukt het weleens
om een eenigszins onscherpen, ondefinieerbaren, donkeren band
over de planeet te zien loopen. Niet echter, zooals bij Jupiter, bijna
zuiver rechte lijnen, doch een gebogen lijn, die ook, evenals bij
Jupiter, met het aequatorvlak van de planeet samenvalt. Bijzonderheden in zoo'n donkeren band zelf zijn voor ons niet te zien.
Evenals Jupiter, heeft ook Saturnus een groot aantal manen,
n. l. 10, doch zij zijn bijna alle voor ons onzichtbaar, alleen "Titan",
reeds door Huygens ontdekt, is voor ons steeds te zien. Soms
wil het nog weleens gelukken om er met den kleinen kijker nog
eenige te zien.
Ik ben er eens in geslaagd, onder uiterst gunstige omstandigheden, nòg 3 manen, dus in totaal 4, waar te nemen, zelfs met een
kleineren kijker, namelijk een Merz Schoolkijker van 54 m. M.
opening, doch dit moet men niet als normaal beschouwen!
Het interessante van deze maanwaarnemingen ligt voor den
amateur alleen daarin, dat hij van dag tot dag de stand van zoo'n
maansterretje ten opzichte van de planeet ziet veranderen. Daarom
wijs ik er hier op, dat de omlooptijd van Titan om Saturnus
ongeveer 16 dagen bedraagt. Hoeveel korter of langer het is, moet
U eens met Uw kijker controleeren. Misschien lukt het U!
Daar ik ook voor de andere planeten deze getallen opgaf, mag
hier niet onvermeld blijven, dat de gemiddelde afstand van de
zon tot Saturnus 1426 millioen K. M. is, haar omlooptijd om de
zon 28.5 jaar, haar eigen middellijn 121.000 K. M. Zooals men
hieruit ziet, is Saturnus niet zoo heel veel kleiner dan Jupiter,
slechts 22000 K. M.! Naar verhouding zeer weinig.
Ons volgend oponthoud is de planeet Uranus, op 2870 millioen
K. M. afstand van de zon, met een middellijn van 50.000 K. M.
108 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
en een omlooptijd om de zon van 84 jaar.
Voor hem, die goed thuis is in de sterrenbeelden van den Dierenriem en niet in een stad woont, is het vrij goed mogelijk Uranus
met het bloote oog te zien en derhalve is deze planeet tamelijk gemakkelijk met den kijker te vinden. Men zal echter zeer teleurgesteld zijn, daar er voor een amateur aan Uranus geen enkele
bijzonderheid te zien is. Men moet al over een vrij grooten, goeden
kijker beschikken, om zelfs maar een schijfvorm van de planeet
te kunnen waarnemen. Met onzen kleinen kijker lukt dat zeker niet
en daarom schiet er niets anders over, dan te constateeren, dat
Uranus, op haar 84-jarige reis om de zon, slechts heel langzaam
tusschen de sterren dóórloopt. Het beste gaat dat nog, als men
van tijd tot tijd de plaats van de planeet zoo nauwkeurig mogelijk
in een sterrenatlas aanteekent. Dit moet echter een atlas zijn,
waarin de sterren staan tot ongeveer de grootte 9, zooals in die
van "Beyer Graff", dan heeft men een voldoende aantal zwakke
sterren, die alle in onzen kijker goed te zien zijn.
Hoe langer hoe verder gaan wij nu van huis, want alles, waaraan wij tot heden onze aandacht besteedden, was, doe dan ook,
met het bloote oog te zien, dus met onzen kijker vrij vlug te
vinden. Thans gaan wij echter nog een halte verder en wel naar
de planeet Neptunus, op een afstand van de zon van 4.490 millioen
K. M., met een omlooptijd van 165 jaar en een diameter van
53. 000 K. M.
Zooals men ziet, zijn de beide laatste planeten ongeveer even
groot - hier kijken wij op geen duizend K. M. - doch daar de
afstand tot Neptunus 1.620 millioen K. M. grooter is, zien wij
deze planeet dienovereenkomstig veel kleiner. Wij, met ons
kijkertje, zien haar dan ook ongeveer ale een sterretje der grootte 8,
en daar de sterrenatlas van Beyer Graff nog de sterren der
grootte 9.3 geeft, is deze dus ruim voldoende om, evenals bij
Uranus, de nog veel langzamere beweging tusschen de sterren
door van Neptunus, erop aan te teekenen. Nog zij hier vermeld,
dat Uranus vergezeld wordt door vier manen en Neptunus door
één. Zij allen zijn echter véél te lichtzwak om door ons gezien
te kunnen worden.
Volledigheidshalve deelen wij nog mede, dat wij voor eenige
jaren een nieuw lid in de planetenfamilie kregen, n. l. Pluto, op een
gemiddelden afstand van 39.600 millioen K. M., met een omlooptijd om de zon van ong. 249 jaar en een middellijn van misschien
5 à 6000 K. M. Daar deze planeet in helderheid overeenkomt met
sterretjes der grootte 15, kunnen wij Pluto nooit te zien krijgen,
tenminste met onzen amateur-kijker niet. Ik verdenk er echter
vele amateurs in Nederland van, dat zij fotografisch weleens
pogingen in het werk stellen om Pluto op een negatief vast te
houden en ik geloof ook stellig, dat dit mettertijd aan enkelen
wel gelukken zal.
109 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Met opzet heb ik een heele reeks planeten in dit planetenpraatje
onbesproken gelaten, n. l. de Planetoiden of Asteroiden, de groote
groep van kleine planeten, die hun loopbaan in hoofdzaak hebben
tusschen Mars en Jupiter en de geheelte ruimte tusschen die
2 planeten vullen.
Slechts een enkele, van deze ongeveer 2000 planeetjes, wordt
weleens gedurende enkele weken voor het bloote oog zichtbaar.
Dan ziet men een sterretje van de grootte 6 à 7, dat dagelijks een
heele wandeling tusschen de sterren door maakt. Wil men enkele
van deze hardloopers volgen, dan is een goeden atlas, b. v. Beyer
Graff, zeker noodig, daarbij ook nog een jaarboekje, waarin
de plaatsen van de helderste dezer planeetjes staan opgegeven.
Deze waarneming kan haar nut hebben om hun plaatsen in den
genoemden atlas aan te teekenen. Toch is er nog iets aan deze
schijnbaar nietige dingen te zien, iets, dat zelfs voor den amateur
van belang is, en waarop hij zijn krachten beproeven kan. Er zijn
er n. l. bij, die een tamelijk sterke lichtwisseling vertoonen. Deze
lichtwisseling is nog niet geheel verklaard, is zelfs voor menige
kleine planeet nog niet vastgelegd. Dit is dus iets, waar ook de
amateur met zijn kleine hulpmiddelen achteraan kan jagen. Het
is echter voor het slagen van die jachtpartij noodzakelijk, in het
bezit te zijn van zoo'n jaarboekje, want vele van die planeetjes
maken een grooten hoek met de ecliptica, dat is het vlak, waarin de aarde loopt. Zoo zelfs, dat enkele hunner op hun reis om
de zon tot aan de noordpool van den sterrenhemel komen, in
plaats van, zooals het behoorlijken planeten betaamt, in de sterrenbeelden van den dierenriem te blijven.
Er is nog zoo'n troep familieleden in ons zonnestelsel, die voor
vervolging door amateurs in aanmerking komt en die zich ook
niet zoo heel veel van het eclipticavlak aantrekt. Bedoeld worden
de kometen. Deze kunnen ook op alle mogelijke plaatsen aan den
hemel gevonden worden. Bij de jacht op hen, is de reeds genoemde
Beyer Graff atlas evenmin te ontberen. Wil men, als beginnend
amateur, trachten kometenjager te worden, dan is een Jobsgeduld,
gepaard aan een ijzeren doorzettingsvermogen vereischt, bovendien moet men zich ook goed kunnen heenzetten over teleurstellingen.
Zij, die als kometenjager de meeste resultaten behaalden, waren
meestal amateurs!
Wij moeten er echter aan toevoegen, dat ons sterren kijkertje
niet al te sterk is voor dit soort werk, ofschoon niet onvermeld
mag blijven, dat er wel kometen ontdekt zijn met aanmerkelijk
minder sterke kijkers. Wil men het kometenjagen als een taak
beschouwen, dan is dat heel goed mogelijk, maar dan moet men
systematisch te werk gaan.
Alle voor ons zichtbare kometen moeten minstens eenmaal om
de zon heen loopen. Dus in de buurt van de zon, vlak na zons110 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
ondergang of voor de zon op komt, heeft men de meeste kans
zoo'n begeerd object te zien.
Doch ook in de andere sterrenbeelden van den Dieren riem heeft
men een kans. Daarbij komt, dat in den zomer, als de zon laag
onder den horizon doorgaat, de geheele nachthemel van N. W. over
N. naar N. O. ons jachtveld kan zijn. Zoo mogelijk gebruiken wij
de heel kleine vergrooting, die wij afzonderlijk bij onze 60 m. M.
kijker besteld hebben. Met een oculair van 40 m. M. brandpunt
krijgen we een vergrooting van 22 × en een veld aan den hemel
van ruim 2 graden middellijn, hetgeen voor dit soort werk bijzonder
aan te bevelen is. Men kan gebruik maken van een azimuthale
monteering of van een parallactische; eerstgenoemde heeft m. i.
de voorkeur. Men kan dan immers voortdurend evenwijdige strooken van den horizon afzoeken en zoo gedurende één of meer uren
een groot stuk van den hemel onder contrôle houden. Dat afzoeken
bestaat hierin, dat men goed nagaat of er ook een zeer zwak, of
misschien helder, nevelachtig vlekje tusschen de sterren te zien is.
Heeft men zoo'n kijkerveld nauwkeurig gecontroleerd, dan draait
men den kijker iets naar rechts of links, om weer een ander
gedeelte van den hemel af te zoeken, dat vlak naast het eerste ligt.
Zoo gaat men maar door, totdat het ochtend wordt en het daglicht
U verjaagt, of dat er bewolking optreedt.
Het kan ook voorkomen, dat U door den slaap overmand wordt
en gauw het bed opzoekt, of... dat U zich door een straffe oostenwind met 10 graden vorst laat verjagen!
In het begin zult U menigmaal uitroepen, "daar heb ik er een!",
doch bijna even vaak zal het mis zijn, daar het zeer waarschijnlijk
een sterrenhoop of een nevelvlek was. Doch als U in uw atlas
de vondst even controleert, dan is de onzekerheid gauw verdwenen,
want vrijwel de meeste voor uw kijker zichtbare nevelvlekken en
sterrenhoopen staan daarin aangeteekend.
Mocht het echter voorkomen, dat zoo'n voor U zichtbare nevelachtige vlek, niet in uw atlas is aangegeven, dan is het voldoende
om de plaats ervan nauwkeurig aan te teekenen in uw atlas. Een
paar uur daarna, of zoo dit niet mogelijk is, den volgenden avond,
gaat U dan die aangeteekende plaats weer onder contrôle nemen.
Staat die vlek dan nog op dezelfde plaats, dan hebt U geen
goed resultaat gehad, is de vlek echter van plaats veranderd, of
in 't geheel niet meer te zien in het veld van uw kijker, dan is
het zaak de naaste omgeving goed af te zoeken. Tien tegen een,
dat U dan de door U gevonden komeet terug vindt. Is dit het
geval, dan is het zaak, uw bevinding zoo spoedig mogelijk aan
een sterrenwacht door te geven. Daar kan men dan uw ontdekking
verifieeren en, indien zij juist blijkt, haar officieel doorgeven
aan de sterrenwachten over de geheele wereld, tenminste in normale
omstandigheden. Op het oogenblik zal deze dienst wel niet zoo
goed functionneeren. Is dit doorgeven van uw ontdekking ge111 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
schied, dan nog is het mogelijk, dat een andere kometenjager
ergens in Amerika, Azië of Afrika U juist een dag, soms maar
enkele uren, vóór was, waardoor die dan met de eer (?) van
de ontdekking gaat strijken.
De schrijver heeft, zooals hij reeds vertelde, zonder dat hij
aan het kometenjagen was, in 1911 ook eens een komeet gevonden,
en wel in den kop van het sterrenbeeld De Draak en dat met
een gewonen tooneelkijker, die slechts 2½ × vergrootte. Bij navraag
in Utrecht bleek deze echter al 14 dagen tevoren in Amerika
ontdekt te zijn, ik meen door Metcalf. Zeker, men loopt het risico,
dat men maanden, zoo niet eenige jaren achtereen, den hemel
moet afzoeken, voordat men eindelijk gevonden heeft, waarnaar
men zoo lang zocht, doch hier kan dan juist het Jobsgeduld, waarover ik sprak, van pas komen. De meeste amateurs verlangen er
nochtans naar om meer en vlugger resultaten te zien van hun
bemoeiingen. Die komen echter ook wel, zij het op een ander
gebied; doch daarover later.
Heeft men zoo'n komeet gevonden, dan is het zaak om zoo goed
mogelijk haar helderheid te schatten. Ter vergelijking gebruikt
men daarvoor sterren met een bekende helderheid. Die schattingen
moet men dan zoo mogelijk meermalen in een nacht herhalen,
daar soms de helderheid in korten tijd tamelijk sterk wisselen
kan. Voorts komt het er op aan, als zoo'n komeet een staart heeft
of krijgt, deze zoo goed mogelijk in haar verloop tusschen de
sterren aan te geven. Zoo mogelijk moet men ook sterk vergroote
teekeningen maken van den kop van de komeet.
Als men over een fototoestel beschikt, kan men het op den
kijker bevestigen en elken avond of nacht eenige negatieven van
de komeet maken. Men moet er dan echter aan denken het toestel
steeds scherp ingesteld te houden en met den kijker den kop van
de komeet zelf te volgen, opdat zij goed op het negatief komt; de
sterren komen er dan, naar gelang de belichting korter of langer
duurt, als min of meer lange streepjes op voor.
Tot uw verwondering zult U bijna altijd zien, dat de kometenstaart op uw negatief grooter en meer gedetailleerd is, dan U
met uw kijker zien kunt.
Als U een serie negatieven van een en dezelfde komeet kunt
verkrijgen, zal dat voor U een waardevol bezit zijn. Nog meer
is het dat, als de betreffende komeet door U zelf gevonden zou
zijn.
Zooals U ziet, ligt bij die zoo wisselvallige kometen een heel
arbeidsveld voor U open, een arbeidsveld, waarop U zeker voldoening zult kunnen vinden, wanneer U er eenmaal tot doorgedrongen bent.
Andere verschijnselen, zooals het zodiakale licht met den Gegenschein, het noorderlicht, lichtende nachtwolken enz., zijn objecten,
waarvoor Uw kijker niet geschikt is. Dergelijke verschijnselen kan
112 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
men hoogstens observeeren met een zeer lichtsterke binocle met
heel zwakke vergrooting. Beter nog is het, deze verschijnselen
met het bloote oog te observeeren. In steden met haar storend licht,
moet men deze objecten heelemaal links laten liggen.
Zoo zijn wij op onzen onderzoekingstocht met onzen zelfgebouwden, goeden amateurkijker aan de grenzen van ons zonnestelsel gekomen.
Ik vermoed, dat U, bij het nagaan van al deze, voor U min
of meer goed waarneembare objecten, de verzuchting weleens
geslaakt zult hebben "hoe kom ik daar doorheen? Hoe leg ik het
aan, dit alles te zien?"
Dit is echter ook niet noodig. Men moet in het begin al deze
objecten vluchtig bekijken. Daarna zal echter de een zeggen:
"Nu ja, die schijngestalten van Mercurius of Venus, dat geloof
ik wel", de ander: "die ring van Saturnus is heel mooi om eens
te zien, doch dat wisselende spel van verduisteringen der manen
van Jupiter, dàt vind ik interessant."
Zoo zal de eene amateur dit, de andere weer dat gebied op het
zoo groote, uitgebreide veld van de astronomie vinden, dat hem
het meest interesseert, en daarnaar zal zeker zijn meeste arbeid
uitgaan.
Zoo zijn er vele amateurs, die bijna uitsluitend naar de zon kijken
en contrôle houden over het aantal en de grootte der zonnevlekken,
alle andere objecten zijn voor hen min of meer onbelangrijk.
Anderen houden zich hoofdzakelijk bezig met het noteeren op
sterrenkaarten van de banen der vallende sterren enz. enz.
Al heel spoedig zal blijken of er bij al deze voor U waarneembare
verschijnselen in ons Zonnestelsel een is, dat U pakt en waaraan U
dan met Uw betrekkelijk bescheiden middelen gaat werken.
Indien dit echter niet het geval mocht zijn, dan trekken we
de wereld der vaste sterren binnen en gaan eens kijken wat daar
zooal met onzen kijker voor buit te behalen is.
Daar wij met onzen 60 m. M. kijker de sterren nog tot de
grootte 11 kunnen zien, hebben wij een jachtveld van ongeveer
750.000 sterren. Er zijn aan den geheelen hemel ongeveer 1.020.000
sterren tot de grootte 11. Als we rekenen, dat we hier ongeveer
3/4 van den geheelen hemel in een jaar te zien krijgen, komen wij
tot het genoemde getal. Overigens komt het er voor U op een
paar duizend niet aan.
De meest bekende dubbelsterren zal men wel het eerst onder
schot nemen, zooals Mizar in de Groote Beer.
De viervoudige ster is Orion (het trapezium in Orion), daar
dichtbij is nog een mooie meervoudige ster te vinden. (kaartje 15).
Ook de Poolster behoort op dat eerste werkprogram thuis. Dan
komen goed waarneembare dubbelsterren aan de beurt, waarvan
het kleurverschil nogal opvallend is, zooals Albirio in de Zwaan,
Alanak in Andromeda, 'alpha' van de Jachthonden en nog meerdere.
113 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Deze dubbelsterren zijn mooie objecten om uw kijker te toetsen
op beeldscherpte en oplossend vermogen. Als uw kijker de viervoudige ster 'epsilon' Lyra kan oplossen in zijn componenten, dan kunt U
er zeker heel tevreden mee zijn. Met het meergenoemde 54 m. M.
schoolkijkertje heb ik dat meermalen kunnen doen.
Hoewel er voor U niet veel meer te zien is dan het interessante
feit, dat er twee sterren zoo dicht bij elkaar staan, kan Uw verbeeldingskracht U echter te hulp komen. Denkt U zich eens in,
dat wij, aardbewoners met de aarde verplaatst zouden worden in
de nabijheid van een der vier zonnen, waaruit een viervoudige
ster bestaat! Deze vier zonnen draaien om elkaar heen in voor
ons nog onbekende banen. Elk van die zonnen heeft, evenals onze
zon, een verzameling planeten mee te voeren, en elke planeet weer
een aantal manen. Wonderlijke overdenkingen komen in ons op,
als we, pas beginnend, vol geestdrift met den kijker achter de
dubbelsterren aan gaan jagen. In de meest denkbare verscheidenheid zult U deze dubbelsterren vinden. Zeer heldere, met nauw
zichtbare begeleiders op tamelijk grooten afstand, zooals de Poolster, heldere sterren, met eveneens heldere begeleiders op grooten
afstand, zooals Mizar in de Groote Beer. Dubbelsterren, die
precies even helder zijn, de meeste ver van elkaar staande, maar
ook andere, heel dicht bijeen. Kortom, alle mogelijke schakeeringen
wat helderheid en afstand betreft.
Alle sterrenatlassen, die alleen de sterren geven, welke voor het
bloote oog te zien zijn, geven bij de sterren bepaalde teekens aan,
waardoor men direct zien kan of men met een dubbelster te doen
heeft. Er wordt echter niets gezegd over de helderheid van den
begeleider of betreffende den afstand. Een van de meest bruikbare
atlassen op dit gebied is wel die van Schurig-Götz". Wil men
over helderheid en afstand der begeleiders geïnformeerd zijn,
dan is men aangewezen op een "catalogus van dubbelsterren".
Men treft echter in de meeste tijdschriften op het gebied der
amateur-astronomie nu en dan lijsten aan met deze gegevens.
Onze belangstelling gaat ook uit naar de resultaten met onzen
kijker bij de beschouwing van sterrenhoopen en nevelvlekken.
De waarneming van sterrenhoopen kan nogal meevallen, doch het
observeeren van nevelvlekken zal zeker tegenvallen. De klassieke
sterrenhoopen voor onzen kijker zijn zeker de Pleïaden en de
dubbele sterrenhoop in Perseus. Neem daar nog bij de Praesepe
in de Kreef, benevens een drietal in de Wagenman. Deze kunt
U zeker alle goed in sterren opgelost zien. Er zijn er trouwens
nog wel meer, die U met uw kijker uiteenrafelen kunt!
Deze regels hebben niet ten doel U een preciese handleiding
te geven in den trant van: dit kunt U wel en dat weer net niet
zien. De bedoeling is, dat U, zoo mogelijk, al de dingen, die in de
bovengenoemde Atlas van Schurig als sterrenhoop of nevel aangegeven staan, ook eens onder schot zult nemen. Dan kunt U zelf
114 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
proefondervindelijk nagaan, wat op dit gebied voor uw kijker
mogelijk is en wat niet.
Op het gebied der nevelvlekken en/of sterrenhoopen, is U echter
al zoo verwend door mooie foto's in alle populaire sterrenboeken, dat, als U deze dingen aan den hemel opzoekt en U vindt
een nietig, onbestemd, nevelachtig vlekje, zonder bepaalden vorm
of détail, U weleens zult denken "is dat nu die nevelvlek, die ik
daar of daar zoo mooi gedetailleerd zag afgebeeld?" Een gevoel
van min of meer bedot te zijn, zal U dan stellig weleens besluipen.
Doch men vergeet dan twee dingen; ten eerste staat onze kijker,
vergeleken bij de instrumenten, waarmee die foto's vervaardigd
werden, als een vlieg tot een olifant. En vervolgens kijken wij
met ons kijkertje, en de eerste lichtindruk, welken wij van zoo'n
nevel krijgen, is ook de grootste hoeveelheid licht, die wij verwerken kunnen. Dat licht kunnen wij in ons oog niet opsparen
door langer te kijken. En dàt kunnen de zeer veel grootere kijkers,
waarmee men die nevels fotografeert, wèl. Immers, hoe langer
wij zoo'n fotografische plaat in het brandpunt van zoo'n kijker
laten staan, hoe meer licht die plaat van zoo'n nevel opspaart en
des te helderder en gedetailleerder zoo'n nevel bij het ontwikkelen
van de plaat te voorschijn komt, tenminste tot bepaalde grenzen.
(foto 33).
Wij zijn echter nog niet aan fotografeeren toe, doch altijd nog
met onzen gewonen kijker aan het werk. En juist voor de bezitters van dit soort kleine en grootere amateur-kijkers, wilde ik
het nu hebben over een onderdeel der sterrenkunde, dat voor ons
van buitengewoon belang is, èn om de verscheidenheid van het
groote aantal objecten èn omdat wij hier, mits het werk behoorlijk
is opgezet, wetenschappelijk werk kunnen verrichten, dat even
belangrijk kan zijn als datzelfde werk, uitgevoerd op een groote,
moderne sterrenwacht.
Bedoeld wordt hier het terrein der "veranderlijke sterren".
Wat verstaat men in de astronomie onder veranderlijke sterren?
De vraag stellen is haar beantwoorden. Men bedoelt eenvoudig
sterren, die veranderen!
Maar wat verandert er dan wel bij een ster? De plaats aan
den hemel is veranderlijk, daar de sterren niet stilstaan, maar
met een ontzagwekkende snelheid door het heelal vliegen, een
snelheid van tientallen, zelfs honderdtallen K. M. per seconde, al
wordt deze snelheid voor ons dan ook gedemonstreerd in nauwlijks meetbare getallen. Ook het licht van de vele sterren is echter
veranderlijk en als men over veranderlijke sterren spreekt, bedoelt
men dié sterren, waarvan het licht aan min of meer groote veranderingen onderworpen is.
Nu mag men niet verwachten, dat de amateur, die met groote
moeite een tamelijk grooten kijker heeft verworven, ook nog de
beschikking zal hebben over een fotometer, een instrument aan
115 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
den kijker, dat men gebruikt om het licht der sterren te meten.
Doch men kan hier tòch wel dansen, al is het niet met de bruid,
en zelfs heel goed ook. Ons oog, hoe onvolmaakt in menig opzicht,
is goed in staat om kleine lichtverschillen tusschen twee sterren
nog vrij duidelijk te onderscheiden. Van deze eigenschap kunnen
wij een mooi gebruik maken om de lichtsterkte van een bepaalde
veranderlijke ster op een willekeurigen datum vast te leggen. Daarmee kan men dan op willekeurige data voortgaan en men zal
zien, dat de lichtsterkte van zoo'n ster langzaam afneemt, om
vervolgens weer in helderheid toe te nemen. En daar er sterren
zijn, waarvan die toe- en afname van licht slechts enkele uren
en andere, waarbij de wisseling van lichtsterkte eenige jaren bedraagt, heeft men het voor het uitzoeken, aan welke soort veranderlijke sterren men wil gaan werken.
In allerlei amateur-sterrenkundige tijdschriften vindt men
kaartjes met de omgeving van veranderlijke sterren, ook in vele
publicaties van sterrenwachten zijn zij te vinden. Bovendien is
er nog dat mooie werk "Atlas Stellarum Variabilium" samengesteld
door pater Hagen, later door Dr. Stein, een atlas van, nu 9 deelen,
uitsluitend met kaartjes der omgeving van veranderlijke sterren.
Op al deze kaartjes staan, in de naaste omgeving al die zwakke
sterren, die gebruikt moeten worden om de veranderlijke ster
behoorlijk te kunnen vergelijken. Ook is dit zoo met de heldere
sterren. Als de veranderlijke ster in haar grootste lichtsterkte is,
zijn er als regel op zoo'n kaartje ook nog voldoende aangegeven.
Laten we nu voor ons gemak eens aannemen, dat wij een bepaalde veranderlijke ster beginnen te observeeren, als zij in haar
grootste helderheid is, in haar maximum, zegt men dan. Men
zoekt dan in haar naast omgeving een andere ster op, waarvan
het licht natuurlijk niet veranderlijk mag zijn, evenmin als van
alle andere sterren, die wij gaan gebruiken, om de helderheid van
zoo'n "veranderlijke" te schatten.
De helderheid van deze ster - a zullen wij haar noemen moet iets grooter zijn dan het licht der veranderlijke - V - zelf.
Dan zoeken wij nog een ster op, die merkbaar minder helder is
dan de veranderlijke - deze noemen wij b. Nu is het duidelijk,
dat de helderheid van onze veranderlijke ster V minder wordt,
doch men kan direct al beginnen met die helderheid vast te
leggen.
Wij gaan schatten, hoe groot de verhouding van lichtsterkte is
van a tot V en van V tot b. Deze lichtverhouding kan men vrij
nauwkeurig schatten met het oog. Met het schatten van lengteverhoudingen op een lat van 1 M. lengte kan men dit goed vergelijken.
Brengt men op zoo'n lat een merkteeken b. v. op 20 c. M. van
het linksche eind aan, dan is het vrij nauwkeurig te schatten,
daar het merkteeken op 1/5 van links en 4/5 van rechts op de lat
116 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
is aangebracht. Eveneens als men het merkteeken op ongeveer
30-35 c. M. aanbrengt, is het mogelijk te schatten: 1/3 van links,
2/3 van rechts. Noemt men de uiteinden der lat a en b en het merkteeken M, dan kan men dat in het eerste geval uitdrukken door
a 1 M 4 b, in het tweede geval ongeveer a 1 M 2 b. Inplaats met
afstanden heeft men bij de sterren met lichtindrukken te doen,
en, als men zich daarin oefent krijgt men een vrij vaste waarde,
waarin men nog lichtverschillen kan zien en deze waarde is heel
wat kleiner, dan men zou denken. Als wij dus de lichtverhouding
der veranderlijke ster ten opzichte van a en b schatten op b. v.
a 2 V 3 b, dan is hiermede de helderheid voor V op het tijdstip
der schatting vastgelegd. Immers, de helderheid van ster a en b
is bekend en niet veranderlijk. Zal men na een week of zoo de
helderheid van V weer willen weten, dan is er groote kans, dat
men zal schatten a 4 V 1 b, dus is de helderheid van V merkbaar
minder geworden. Na verloop van weer 14 dagen - want wij
hebben al dagenlang bewolking gehad - kunnen wij onze veranderlijke ster weer observeeren, doch bemerken dan, dat de helderheid zeer duidelijk onder b ligt. Dan nemen wij een andere ster
in de naaste omgeving der veranderlijke, waarvan de helderheid
merkbaar minder is dan van V; deze ster noemen wij c. Onze
schatting geschiedt weer als in het eerste geval, doch nu tusschen
de sterren b en c. Op deze wijze gaat men door, na ster c zal
men nog wel andere sterren te baat moeten nemen om de lichtsterkte van V vast te leggen.
Nemen wij aan, dat U hier begon met het waarnemen van een
veranderlijke ster met lange perioden en een vrij groot lichtverschil,
amplitude noemt men dat. Hebt U deze ster vijf tot zes maanden
vrij regelmatig vervolgd, dan zult U bemerken, dat zij in die
periode een vrij nietig sterretje is geworden, in onzen kleinen
kijker misschien haast niet te onderscheiden. Na dan enkele weken
schijnbaar niet van helderheid te veranderen, bemerkt men, dat
de helderheid daarna weer gaat toenemen, om na ongeveer 5 of
6 maanden weer even helder te zijn als toen wij met de waarneming
begonnen.
Wij hebben dus hiermede een heele lichtwisseling vastgelegd,
ook de lengte dezer lichtwisseling van maximum tot maximum,
of van minimum tot minimum. (kaartje 16).
Het is volstrekt geen uitzondering, dat men als amateur op deze
manier een hondertal sterren onder contrôle kan houden, en
hiermede verricht men dan een voor de astronomische wetenschap waardevol werk.
Overigens wordt het den amateur op dit gebied wel gemakkelijk
gemaakt, want op de meeste kaartjes, speciaal voor de waarneming
van veranderlijke sterren vervaardigd, zijn de helderheden der
sterren aangegeven, evenals de letter der vergelijkings-sterren, die
meestal door andere waarnemers gebruikt werden. Dus kan men
117 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
gevoegelijk dezelfde sterren gebruiken!
Wij zijn hier nu uitgegaan van een lang-periodische ster met
vrij groote amplitude. De beginnende amateur wil echter graag
spoedig resultaten zien en menigeen heeft den moed laten zakken,
omdat hij daarop een jaar of langer moest wachten. Een groot
geduld is hier van veel waarde, doch ook voor hen, die spoedig
resultaten willen zien, is er meer dan voldoende werk te doen,
want er zijn veranderlijke sterren in alle soorten. Eenige jaren
geleden is er zelfs een gevonden, waarvan de periode ongeveer
1 1/2 uur bedraagt.
Als men dus op een helderen winternacht deze ster eens onder
contrôle zou nemen, zou men er zeker van kunnen zijn, een heele
rij periodes in één nacht te doorschatten!
Het is niet mogelijk om hier alle "veranderlijken" in bijzonderheden te beschrijven. Laat het genoeg zijn te zeggen, dat op dit
gebied voor iedereen, die er belang in stelt, meer werk te doen
is dan men in een menschenleven verzetten kan. Heeft men, of
krijgt men er zooveel belangstelling voor, dat men zich met dit
werk wil gaan bezighouden, dan is het wel zaak, zich over dit
speciale onderwerp een werkje aan te schaffen, waarin men alles
kan vinden, wat voor den amateur belangrijk is.
ELFDE HOOFDSTUK
Sedert de waarneming van veranderlijke sterren, als in het
vorige hoofdstuk beschreven, door Argelander werd gegrondvest,
is er echter wel veel veranderd. Het valt niet te ontkennen,
dat ook op dit gebied de fotografie van zeer groot belang is
geworden. Op meerdere plaatsen op aarde wordt de hemel regelmatig en systematisch gefotografeerd en daardoor wordt ook op
zoo'n foto-negatief de helderheid van vele veranderlijke sterren
vastgelegd. Hiervan wordt een dankbaar gebruik gemaakt om de
helderheid van deze "veranderlijken" op lijsten aan te teekenen.
Toch zijn er een groot aantal veranderlijken, waarvoor de fotografie niet het aangewezen middel is om tot goede resultaten te
komen. En wel in het bijzonder bij die, welker periode slechts
kort is. Immers, de foto's, waarvan hierboven sprake was, worden
één of meer uren belicht en in dezen betrekkelijk korten tijd verandert ook de lichtsterkte van deze veranderlijken, in die mate,
dat het negatief geen zuivere uitkomst geeft.
Juist op dit gebied is er voor den amateur fotografisch niet
zooveel resultaat te verwachten als men zou denken. Immers, om
118 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
dit te bereiken is het noodig om van dezelfde plaats aan den
hemel zoo veel mogelijk foto's te maken, en dat zou voor den
amateur een dure geschiedenis worden.
Niet alleen is het zeer gewenscht om een kijker te hebben met
een z. g. parallactische monteering met fijnbeweging, doch noodzakelijk is ook nog een uurwerk of motor, die den kijker draait,
en een voor dit doel geschikte camera. Wat de instrumenteele
uitrusting aangaat, zou men er dan zoo ongeveer zijn. Als men
eenmaal zoo'n uitrusting heeft, dan komen er niet zooveel kosten
meer bij. Doch als men zoo'n instrumentarium gebruikt ter
contrôle van veranderlijke sterren, dus zooveel mogelijk negatieven
tracht te maken van een of meer deelen van den hemel, dan komen
daar steeds weer terugkerende kosten bij voor het gebruik van
platen en wat daar verder nog voor noodig is. En dat is, dunkt
mij, wel wat veel gevergd, gezien het toch al niet te groote bedrag,
waarover de amateur gewoonlijk te beschikken heeft. Daarom is
deze wel aangewezen op de oude, goed gefundeerde methode,
van eigen waarneming van deze sterren door den kijker.
Bij het begin van onze kijkerwaarnemingen zijn wij er van
uitgegaan, een kijkertje te gebruiken, geschikt voor beginnende
amateurs. Hoe vaak zal echter de amateur, die zijn liefde voor
de astronomie trouw blijft, heimelijk verlangd hebben naar
een krachtiger kijker! Ik ken dat uit eigen ervaring en van vele
anderen heb ik die verlangens vernomen. Ik ken amateurs, die
eerst na jarenlang sparen aan dat verlangen konden voldoen.
Ook mij ging het zoo. Na vele, zeer vele belevenissen, zoowel
prettige als onaangename, heb ik een instrumentarium verworven,
waarvan ik, als beginnend amateur, niet heb durven droomen.
Hierbij is echter één aanwijzing van groot belang, men moet
niet bang zijn om zelf iets te gaan bouwen, er daarbij rekening
mee houdend, dat men het zeker wel eens verkeerd kan doen. In
dat geval moet men welgemoed opnieuw beginnen, wellicht gaat
het dan beter.
Is het wel noodig hier den geheelen weg af te leggen, welke
ikzelf met mijn kijkerbouwerij ging? Vanaf het eerste 75 m. M.
kijkertje in 1909 via een groot aantal van de meest verschillende
afmetingen tot de, nu sedert kort voltooide, 145 m. M. refractor,
en wellicht, over niet al te langen tijd, zelfs een 300 m. M. spiegeltelescoop!
Het is vanzelfsprekend, dat alleen de parallactische monteering
voor den bouw in aanmerking kan komen. Doch nu was de vraag,
welke, want zoo'n parallactische monteering kan nog op zeer verschillende manieren uitgevoerd worden. Bij voorbaat is de z. g.
Engelsche monteering uitgesloten, daar deze een voor Nederland
onmogelijk hoog steunpunt verlangt, dat voor amateurs hier, op
onze hooge noorderbreedte, niet goed bruikbaar is.
Daarentegen heeft deze monteering in de tropen en op kleine
119 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
noordelijke en zuidelijke breedten wel voordeelen. Er wordt dan
ook in die streken dikwijls gebruik van gemaakt; ook in Indië,
op de Lembang Sterrenwacht, heeft men er veel nut van. Daar
heeft men den grooten 60 c. M. dubbel refractor deze monteering
gegeven, evenals den astrograaf en den kometenzoeker.
Afgezien van deze monteering, kan men dit probleem nog op
andere manieren oplossen, zooals b. v. gedaan is op de Treptowsterrenwacht bij Berlijn, waar men den grooten refractor geheel in
de open lucht heeft staan. Dit is echter, naar mijn meening, wel
de minst gewenschte manier om zoo'n instrument te monteeren.
Ik weet niet of andere amateurs ook zoo dikwijls in allerlei
catalogussen en ontwerpen voor kijkers hebben zitten grasduinen,
als mijn gewoonte was. Het is natuurlijk niet in de eerste plaats
de bedoeling der firma's, die zulke catalogussen beschikbaar
stellen, dat deze gebruikt zullen worden als studiemateriaal voor
amateurs om zelf hun kijkers te bouwen, tenminste niet van de
afmetingen, als in dit soort drukwerk aangegeven. Toch gaat daar
een groote stuwende kracht van uit, een prikkel om ook zelf iets
op dit gebied te presteeren. En dan, objectieven en oculairen zal
men toch als regel bij die firma's moeten koopen, daar het voor
amateurs niet goed doenbaar is die dingen zelf te slijpen.
Door de firma Zeiss is indertijd een drukwerk uitgegeven
"Astro 516" Zeiss Astro Instrumenten, Kuppeln und Hebebühnen. Dit werkje was in den handel voor 70 cent verkrijgbaar.
Ik geloof echter niet, dat het aan vele amateurs in Nederland
bekend is. Het geeft, in een heele serie prachtig uitgevoerde platen,
een overzicht van astronomische instrumenten en hulp-apparaten,
door de genoemde firma vervaardigd. Dit werkje nu, diende mij
als voorbeeld. Er staan verschillende uitvoeringen in van een
parallactische monteering met een z. g. "Kniesäule", waarbij de
geheele kijker- en foto-uitrusting, als het ware, over het zwaartepunt der monteering heen hangt, hetgeen echter weer opgeheven
wordt door het voetstuk, waarop alles rust.
Natuurlijk is er bij de in dit boekje afgebeelde uitvoeringen
geen werkteekening gevoegd, dat zou al te gemakkelijk zijn. Men
is daarom aangewezen op zijn eigen vindingrijkheid om, met de
voorbeelden voor oogen, er iets van terecht te brengen.
In hoeverre het mij gelukt is, laat ik aan het oordeel over van
hen, die eenigen kijk hebben op zulk soort dingen. Het komt er
bij de constructie van het voetstuk op aan, dat het zwaartepunt
van de gehééle monteering ongeveer in het midden van het voetstuk komt te liggen. Dit moet in de hoogte, dus in vertikale, zoowel
als in horizontale richting verstelbaar zijn, om de geheele monteering in den juisten stand in te kunnen stellen. Daar er echter
met de geheele constructie op gerekend wordt, behoeft deze verstelbaarheid van het voetstuk niet zoo groot te zijn.
Hoe ik dit oploste, kan aan de hand van foto 34 nagegaan
120 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
worden. Daar ziet men de constructie van een ijzeren balk van
U-profielijzer, electrisch gelascht. Deze ijzeren balken hebben een
hoogte van 16 c. M. Bij a1 a2 a3 ziet men drie koppen van zware
stalen bouten van ongeveer 3 c. M., de moeren van deze bouten
zijn aan den binnenkant van de U-balken electrisch gelascht,
zoodat, door de bouten a1 a2 a3 te draaien, het voetstuk over een
hoogte van 8 c. M. op alle drie de hoeken op en neer te draaien is.
De afstand van de bouten a2 tot a3 is 165 c. M., die van a2 en
a3 naar a1 is 210 c. M. Dit zijn dus de 3 punten, waar de geheele
monteering, met kijker en camera's los op staat, en wel op drie
ijzeren platen van 30 bij 30 c. M., welke vast in het beton gegoten
liggen. De bout a1 heeft aan den onderkant een aangedraaide punt,
welke in een gat van de er onderliggende plaat staat. Dit punt
van het voetstuk is dus wèl in de hoogte verstelbaar, maar niét
horizontaal. De bouten a2 en a3 zijn echter aan den onderkant vlak
afgedraaid en deze kunnen dus over de er onderliggende platen
verschoven worden. Hier is het voetstuk dus èn in verticale èn in
horizontale richting verstelbaar.
Die horizontale verstelling is op de volgende wijze tot stand
te brengen.
Bij b-b ziet men aan het voetstuk twee ooren, die electrisch
gelascht zijn. In die ooren loopen twee lange bouten met schroefdraad, tusschen die twee ooren en tusschen de ronde punten
der schroefbouten staat een nok, welke weer vast staat op de er
onder liggende ijzeren plaat, welke in het beton vastgegoten is.
Door de schroefbouten te draaien is dus dit gedeelte van het voetstuk heel gemakkelijk, zoowel in de eene als in de andere richting,
te verschuiven, terwijl schroefbout a1 stil blijft staan. Door deze
verstelling is de poolas der monteering in horizontale richting,
in azimuth, verstelbaar, terwijl, door de bouten a1 a2 a3 te draaien,
de helling van de poolas "de poolshoogte" te verstellen is.
Op genoemd voetstuk ziet men, met c aangeduid, nog een gedeelte van de gegoten ijzeren kolom, welke haar voortzetting
vindt op foto 36, ook met c aangeduid. Op deze gietijzeren kolom
ziet men, bij d, het z. g. kniestuk, dat van veel belang is, daar
hieraan zoo nauwkeurig mogelijk de poolshoogte verrekend is
door het daarop gezette gietijzeren verlengstuk e. Dit gietstuk
maakt met het horizontale vlak een hoek van 52 graden 20'. Daar de
poolshoogte van Halfweg, rond 52 graden 22' is, zit hier dus een onnauwkeurigheid in van 2' (twee boogminuten). Deze onnauwkeurigheid
is echter zoo klein, dat zij bij de definitieve nauwkeurige opstelling van den kijker, door middel der drie voetschroeven a1 a2 a3,
gemakkelijk te corrigeeren is.
De drie gietijzeren deelen van de kolom zijn op de flenzen op
een groote draaibank afgedraaid en aan den binnenkant door een
aantal zware bouten onwrikbaar aan elkaar bevestigd.
Het verlengstuk van de kolom e is vanzelfsprekend hol, zooals
121 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
de geheele kolom. In dit verlengstuk is op een bepaalde manier,
die op de foto niet zichtbaar is, de poolas verwerkt, die met
schroefdraad vast verbonden is aan het gietstuk f. De poolas is
75 m. M. dik en ongeveer 80 c. M. lang. Aan den bovenkant loopt
zij in een conisch rollager; onderaan, in gietstuk e, loopt zij in
een radikaal kogellager. Daar is ook nog een druklager aangebracht, onder tegen de poolas aan, om een gedeelte van het aanzienlijke gewicht der draaiende deelen mee op te nemen, zoodat
het geheele gewicht niet alléén op het boven aangebrachte conische
rollager drukt. Deze geheele constructie van de poolas zit in het
verlengstuk e van de kolom en is daarom op de foto niet zichtbaar.
In het gietstuk f is de declinatie-as gemonteerd.
Deze as is 60 m. M. dik en 130 c. M. lang en loopt aan beide
uiteinden in een conisch rollager. Deze as g draagt een drietal gietijzeren schijven, door h aangeduid, van ongeveer 25 c. M. doorsnee
en 3 c. M. doorsnee, welke met een vierkante schroefdraad op de
declinatie-as g zijn aangebracht. Zoo noodig, kunnen er nog eenige
meerdere van deze schijven bij bevestigd worden, om, als dit
noodig is, het evenwicht te herstellen van de geheele kijker- en
camera-constructie aan de tegenovergestelde zijde van de
declinatie-as. Bij k ziet men een grooten cirkel, den uurcirkel, welke
vast zit op het kolomstuk e. Deze cirkel is verdeeld in 4 minuten
en is met een nonius af te lezen op 30 seconden. Bij 1 ziet men
ook zoo'n cirkel, den declinatiecirkel, welke vast verbonden is met
het gietstuk f. Deze cirkel is verdeeld tot op 1 graad en met nonius
af te lezen op 5'. Opgemerkt zij nog, dat de uurcirkel k ongeveer
50 c. M. en de declinatiecirkel l ongeveer 40 c. M. in diameter is. Aan
de rechterzijde van de declinatie-as g is een ijzeren gietstuk bevestigd. Op de foto 36 wordt dit deel der constructie echter bedekt
door de fotocamera 1. Op deze gietijzeren brug is het geheele
samenstel van kijkers en camera's bevestigd. Doch aan een verlengstuk draagt het ook een drietal sleutels, waarvan men bij m de
bedieningsknoppen ziet. Deze sleutels dienen voor vastklemming
en fijn-beweging van de declinatie-as, de middelste der drie dient
voor de vastklemming der draaiende deelen van de poolas. Deze
wordt gedraaid door een groot wormviel van ongeveer 40 c. M.,
vlak boven den uurcirkel k liggende. De schroef, die dit wiel
draait, is juist nog even te zien bij n. Op de gietijzeren brug is ook
nog een ijzerconstructie bevestigd, O. Aan beide zijden van den
kijker zelf zijn daarmee twee ijzeren liggers aangebracht, O, met
een aantal gaten erin. Dit schept de mogelijkheid om op deze liggers
foto-camera's te monteeren. Nrs. 1 en 2 zijn twee zulke camera's,
terwijl er nog voor 2 andere camera's, of eventueel andere instumenten, plaats is.
Zoo ziet men ook, door de nrs. 3 en 4 aangegeven, twee camera's,
welke nu evenwijdig met den grooten hoofdkijker staan, doch zij
zitten vast op een gietijzeren constructie, welke op de declinatie122 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
as g bevestigd is.
Door deze constructie is het mogelijk deze twee camera's met
den hoofdkijker een bepaalden hoek te laten maken.
Op de gietijzeren brug, welke op de foto door camera 1 bedekt
wordt, is de hoofdkijker 5 bevestigd. (foto 36). Op dezen hoofdkijker is weer, door twee staanders bevestigd, de hulpkijker 6 aangebracht, een z. g. zoeker, welke in twee ringen der staanders door
drie schroeven vastgehouden wordt. Door middel dezer schroeven
is de zoeker nauwkeurig parallel te stellen met den hoofdkijker 5.
Op den laatsten ziet men bij 7 nog een schuifgewicht, dat verstelbaar is. Ook aan de andere zijde, niet zichtbaar, is zoo'n schuifgewicht aangebracht, om het evenwicht ten opzichte der declinatieas g te herstellen, als er aan het oculaireinde van den kijker
eventueel neven-apparaten aangezet worden. Bij 8 ziet men, aan
den hoofdkijker, de knoppen voor de oculairverstelling, welke door
een tandreep en tandrad bewerkstelligd wordt.
Deze verstelling is bij den hoofdkijker mogelijk over een lengte
van ong. 35 c. M. en bij den zoeker over ong. 15 c. M. Door 9 wordt
de dauwkap aangeduid, die als doel heeft het objectief tegen dauw
te beschutten, zooals de naam trouwens aanduidt.
Dit is nu wel zoo ongeveer de mechanische uitrusting van den
gebouwden refractor.
De optische uitrusting bestaat uit het volgende: voor refractor
5 een 145 m. M. Zeiss E objectief met 222 c. M. brandpuntafstand.
Voor den zoeker 6 een 80 m. M. Zeiss B objectief met 120 c. M.
brandpuntafstand.
Voor camera 1 een Zeiss Tessar 1 : 4,5 van 40 c. M. brandpuntafstand met 90 m. M. opening. Voor camera 2 een Zeiss anastigmaat
1 : 4,5 met 40 c. M. brandpuntafstand en 90 m. M. opening. Voor
camera 3 een Zeiss Tessar 1 : 4.5 van 50 c. M. branpuntafstand
en 110 m. M. opening. En voor camera 4 een Voigtländer Heliar
1 : 4.5 van 60 c. M. brandpuntafstand.
Voor den refractor zijn aanwezig een serie oculairen met brandpuntafstanden vanaf 80 m. M. tot 5 m. M., welke een vergrooting
geven vanaf 28 tot 440 maal. Deze laatste vergrooting is echter
voor dit soort E-objectieven te groot. Bij een gunstigen atmosferischen toestand is een 7 m. M. oculair met 314 × vergrooting wel
de grootst bruikbare vergrooting. Voor den zoeker wordt als regel
een 40 m. M. oculair gebruikt met 30 × vergrooting en een veld
van ongeveer 1 3/4 graden. In dit oculair is natuurlijk een kruisdraad
aangebracht om gemakkelijk te kunnen instellen. Eenige hulpinstrumentjes zijn ook nog aanwezig, zooals een oculairspectroscoop, een sterrenspectroscoop, een zenithprisma en enkele hulpmiddelen voor zonwaarnemingen.
Nu is het met dit soort camera's voldoende, ze op oneidig
scherp in te stellen. Bij camera's, die in de gewone fotografie
gebruikt worden is het wel noodig, dat men den afstand tusschen
123 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
objectief en negatief tamelijk ver veranderen kan. Bij deze camera's
is dat echter niet noodig; heeft men ze eenmaal scherp ingesteld
op oneindig, dan wordt die instelling niet meer veranderd, tenzij
men in verschillende kleuren gaat fotografeeren. Maar... deze
instelling moet dan ook zoo nauwkeurig mogelijk geschieden.
Daarom is het achtergedeelte van deze camera niet verstelbaar,
wel zijn de achterkanten, waaraan de chassis met platen bevestigd
worden, draaibaar, zoodat men het negatief zoowel rechtopstaand
als dwars kan aanbrengen. Aan de voorzijde dezer camera's is
een ring aangebracht met ingesneden schroefdraad, evenals aan
de objectieven zelf, welke laatste goed sluitend in de eerste passen.
Op deze wijze zijn de objectieven ten opzichte van de camera's
zelf, over een afstand van ongeveer 20 m. M. verstelbaar, wat
ruim voldoende is om de scherpstelling te bewerkstelligen.
Is eenmaal die scherpstelling uitgevoerd, dan is er een klemschroef aanwezig om de objectieven vast te zetten, waardoor een
nauwkeurige instelling verzekerd is. De schroefdraad, waardoor
deze scherpstelling mogelijk is, heeft een stijging van juist 1 m. M.
De kartelrand van de objectiefschroefring is in 20 deelen verdeeld. Draait men dezen ring dus over een deelstreep, dan is
het objectief slechts over 1/20 m. M. versteld.
Zoo'n twintigste deelstreep op den kartelrand is een afstand
van ongeveer 2 c. M., dus, zoo noodig, kan men deze verstelling
van het objectief ten opzichte van de camera nog veel nauwkeuriger uitvoeren.
Voor de preciese instelling maakt men gebruik van de sterfotografie zelf, en wel op de volgende manier.
Eerst stelt men, door middel van een fijn matglas of een even
belicht en ontwikkeld negatief, een heldere ster scherp in. Als
voorbeeld van deze scherpstelling-methode zie men foto 35.
Vervolgens draait men het objectief 2 m. M. naar binnen, zoodat de ster niet scherp ingesteld is. Daarna doet men een plaat
in het chassis en trekt de schuif open, nadat men met een licht,
gemakkelijk afneembaar deksel het objectief bedekt heeft. Nu laat
men den kijker stilstaan, terwijl men op de volgende manier gaat
fotografeeren, met het resultaat, dat men op het negatief de sterren
als streepjes opgenomen krijgt: men heeft de schuif uit het chassis
genomen, doet nu het deksel van het objectief af en belicht 10 sec.
Door het deksel op het objectief te plaatsen, sluit men de belichting
weer af. Dan wordt het objectief over een halve m. M. naar buiten
gedraaid en men belicht op dezelfde wijze weer 10 sec., dan weer
een halve m. M. naar buiten draaiten en weer 10 sec. belichten.
Op deze manier gaat men door, tot men er vrij zeker van is, dat
men bij de laatste belichting ongeveer 2 m. M. te ver naar voren
ingesteld heeft, ten opzichte van het punt, waar de scherpste
instelling op het oog was. Men moet echter voor de laatste twee of
drie belichtingen geen 10 sec. nemen, doch b. v. 20, 5 en 40 sec. Zou
124 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
men alle belichtingstijden gelijk genomen hebben, dan zou men,
na het ontwikkelen en fixeeren der plaat, niet weten wat de
eerste en wat de laatste belichting geweest was. Neemt men echter
de laatste (of de eerste) belichtingstijden wat langer, dan kan
men, aan de lengte der sterrenstreepjes op het negatief, gemakkelijk zien aan welke zijde men met de belichting begonnen is. Men
moet echter de belichtingstijden nauwkeurig aanteekenen, evenals
de verstelling van het objectief, dan pas kan men aan de sterrenstreepjes controleeren met welke instelling zij correspondeeren.
Heeft men op deze wijze het negatief belicht, dan gaat men het
ontwikkelen en fixeeren, waarna men met een loupe de sterrenstreepjes bekijkt. Het is dan heel eenvoudig na te gaan, welke
het scherpst zijn, en aan de hand van onze aanteekeningen, kunnen wij zien met welke instelling het scherpste sterrenstreepje
overeenkomt. Hebben wij dat gevonden, dan wordt het objectief
op deze scherpste plaats ingesteld. Daarna gaan wij deze manipulatie nog een herhalen, doch verstellen nu het objectief niet een
halve m. M., doch 1/20 m. M. Wij beginnen dan 1/2 m. M. achter
het scherpst gevonden punt en eindigen ook een halve m. M. vóór
dat punt. De belichtingstijden worden nu slechts 5 sec, alleen de
paar laatste (of eerste) 10 sec. Het dan ontwikkelde negatief
vertoont een heele rij heel korte sterrenstreepjes, alleen de laatste
of eerste zijn wat langer. Het negatief wordt dan weer met een
loupe nagezien en nu komt het er op aan zoo nauwkeurig mogelijk
het scherpste sterrenstreepje te vinden, want dat punt is voor het
objectief de definitieve scherpstelling. Als men dat punt gevonden
heeft, wordt het objectief met de klemschroef vastgezet. Het
blijft bij het sterrenfotografeeren gelijk, of men Oost, West,
Noord of Zuid aan den hemel fotografeert, want voor onze camera
staan alle sterren toch op oneindig. Deze geheele manipulatie
hebben wij nogal uitvoerig aangegeven, in de praktijk valt de
uitvoering echter erg mee. Bovendien is men in dit geval met
één keer instellen voor goed gereed, terwijl men bij het gewone
fotografeeren, het voor iedere foto weer afzonderlijk moet doen.
De amateur-sterrenfotografen behoeven zich dus heusch niet te
beklagen.
Nu kunnen we dus aan het fotografeeren gaan van al die mooie
verschijnselen aan den hemel, die er voor in aanmerking komen.
Onze moeite zal echter vergeefsch zijn, als de kijker en de monteering niet behoorlijk zijn opgesteld. Dit is ongeveer eenzelfde
karweitje als het scherpstellen der camera's; ook hier gaan wij
dit met behulp van de sterren zelf doen, en wel volgens de methode
van Scheiner.
Daarvoor is in den grooten kijker een oculair, met een tamelijk
sterke vergrooting noodig en een kruisdraad. We stellen een ster,
die zoo ongeveer in het zenith staat, dus recht boven ons hoofd,
in den refractor, precies in het kruis der kruisdraden. We laten
125 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
den kijker ongeveer 10 minuten stil staan en draaien hem dan
voorzichtig de ingestelde ster achterna, zonder den kijker om de
declinatie-as te draaien, dus alléén om de poolas. Heeft men nu
de ster weer in het veld van den kijker, dan zal zij wel niet
precies in het kruis der kruisdraden staan, doch er min of meer
van afwijken. Nu wordt het geheele achterdeel van het voetstuk,
dus met kolom, kijker en camera's, naar rechts of naar links
verschoven. Bij deze verschuiving blijft de schroefbout a1 van
het voetstuk staan. Deze verschuiving moet zoolang geschieden
tot de ster, die eenmaal in het kruis der kruisdraden ingesteld is,
minsten een half uur erachter blijft staan, als men den kijker
met het verloopen van de ster mee draait. Het is echter niet noodig
den kijker geregeld mee te draaien, men kan ook volstaan met de
ster in te stellen, dan een kop koffie te gaan drinken, om na verloop
van een half uur den kijker langzaam de ster achterna te draaien,
alléén om de poolas. Staat de ster dan nog precies achter het
kruis der kruisdraden ,dan staat de monteering in azimuth goed,
en behoeven wij niet meer te verschuiven. De poolhoogte kan en
zal echter nog eenige correctie behoeven. Daartoe stellen wij weer
een ster in het kruis der kruisdraden in, doch nu in het Oosten
of Westen, een graad of tien boven den horizon. Thans is het zaak
te zorgen, dat onze ster zeker een half uur in het kruis der kruisdraden blijft staan, als wij den kijker meedraaien. Zal de ster
dan een afwijking vertoonen, wat hij zeker wel zal doen, dan
moeten we, door middel der 3 schroefbouten a1 a2 a3, zoolang
correctie aanbrengen, tot ook hier de ster gedurende een half uur
achter het kruis der kruisdraden blijft. Het corrigeeren met de
schroefbouten geschiedt door deze te draaien, waardoor het geheele voetstuk met kijker en al op en neer gaat. Hiermede kan
men dus de helling van de poolas in den juisten stand brengen.
Het is natuurlijk zaak er voor te zorgen, dat door dit op en neer
draaien het voetstuk niet meer verschuift. Als men dit karweitje
uitvoert op een mooien lente- of herfstavond met een aangename
temperatuur, dan is het zoo erg niet, doch men moet er toch
rekening mede houden, dat men er vier of vijf uur werk aan heeft.
Hoe nauwkeuriger men hierbij te werk gaat, hoe beter. Men mag
er heusch wel een extra uurtje aan besteden, want het gevolg
daarvan is, dat we onze monteering zeer nauwkeurig opgesteld
krijgen, waar we later, met fotografeeren, veel gemak van zullen
hebben.
Immers, als de monteering zeer nauwkeurig opgesteld is, behoeven we bij het fotografeeren alléén maar de poolas te draaien
en kunnen we de declinatie-as in rust laten. Deze opstelling kan
op de aangegeven manier zóó nauwkeurig geschieden, dat men
twee of drie uur belichten kan, zonder merkbare correctie aan te
brengen aan de declinatie-as.
Deze werkzaamheden, het scherp instellen der camera's en het
126 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
opstellen en corrigeeren der monteering, nemen slechts enkele
avonden in beslag. Voordat men dit doen kan, moet echter vanzelfsprekend de geheele monteering van den kijker en de camera's
gereed zijn en dàt heeft meer voeten in de aarde! Dit is geen
werkje van een paar avonden, maar van maanden en maanden
werken, teekenen en overleggen, hoe alles gemaakt moet worden
en hoe men dat op de beste manier zal doen.
Als men dan alleen maar de beschikking heeft over een klein,
hoewel prima instrumentendraaibankje, dan grijpt men nog weleens met de handen in het haar en vraagt zich af, hoe dat moet
afloopen. Dit draaibankje heeft slechts een centerhoogte van
17 c. M. en een draailengte van 96 c. M., en daar er aan de monteering meerdere deelen zitten, die een grootere centerhoogte en draailengte vereischen, kon ik deze deelen niet zelf draaien, evenmin
als het electrisch gelaschte voetstuk.
Nadat ik echter mijn voelhorens eens had uitgestoken, vond ik,
zooals door mij reeds is medegedeeld, een groote fabriek bereid,
deze zware deelen voor mij te draaien.
Hoewel mij op deze manier zeer veel werk uit handen is genomen, was er toch nog heel wat arbeid te verrichten, voordat ik
er aan kon denken, alles definitief in elkaar te gaan zetten.
Een werkje, dat vooral volle concentratie eischte, was het aanbrengen van de uur- en graadverdeeling op de cirkels, evenals op
de nonius. Maakte ik een vergissing en trok ik een deelstreep op
de verkeerde plaats, dan moest ik den geheelen cirkel weer
afdraaien, om opnieuw met de verdeeling te beginnen.
Niet licht zal ik vergeten, dat mij dit eens overkwam bij de verdeeling van een kleinen cirkel voor een 10 c. M. kijker, welken ik
tot tweemaal toe moest afdraaien. De tweede keer was de cirkel,
op een 10-tal strepen na, geheel verdeeld. Dan valt het niet mee,
als men al dien arbeid weer opnieuw moet gaan doen en zeker
niet, als het komt, doordat iemand zoo vriendelijk is je sterrenwacht met een bezoek te vereeren, zooals dit in het tweede geval
gebeurde. Daarom heb ik er nu ook een gewoonte van gemaakt
om, voordat ik aan zulken, alle concentratie eischenden arbeid
begin, mijn werkplaats af te sluiten en voor iedereen "niet thuis"
te geven.
Ook het snijden van de tanden in het groote wormwiel der uurfijnbeweging is een karwei, dat zeer veel overleg en arbeid
vereischt.
Men dient goed te begrijpen, dat voor alle onderdeelen eerst
een teekeningetje gemaakt moet worden. Naar deze teekeningen
worden de modellen geconstrueerd; daarna moeten deze modellen
naar de ijzer- en kopergieterij, en pas dan, als men alles terugontvangen heeft, wat soms na korten, doch meestal na langen tijd
het geval is, kan de eigenlijke arbeid van het afdraaien, passen
en meten aanvangen. Als dan eindelijk de groote dag aanbreekt,
127 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
waarop het geheel gereed is, geeft de gedane arbeid toch wel
veel voldoening en mag men met reden een klein beetje trotsch
zijn op zijn werk.
Natuurlijk is men dan ook zeer nieuwsgierig naar de resultaten
van al die maanden arbeid en met ongeduld wordt dan ook
gewacht op de eerste heldere avonden om een en ander eens in
de praktijk te gaan probeeren.
Vóór de brandcatastrophe, had ik al een aantal jaren kunnen
waarnemen met een refractor van Merz van 148 m. M. opening,
dus practisch is de nu gebouwde 145 m. M. opening van gelijke
grootte. Echter was de Merz-kijker er een met apochromatisch
objectief, terwijl de nu gebouwde een gewoon achromatisch
objectief heeft. De apochromaat is een samenstel van drie lenzen,
die daardoor practisch geheel kleurenvrij is, hetgeen een groot
voordeel beteekent. De nu gebouwde kijker met achromatisch
objectief is een samenstel van twee lenzen en hierbij is de kleurschifting niet geheel opgeheven, hetgeen, soms op hinderlijke wijze,
in de praktijk zeer wel merkbaar is. Vooral bij heldere objecten,
zooals b. v.: de maan, Venus en Jupiter, is de blauw-violette kleur,
welke nog te zien is, bepaald storend. Dit is geen fout van het
objectief zelf, want de zoo gebouwde objectieven kunnen deze
kleurresten niet wegwerken. Als men er echter na verloop van tijd
aan gewend raakt, valt het nog wel mee. Maar toch is het zoo,
dat de vergrooting bij den nu gebouwden 145 m. M. kijker niet
zoo groot kan zijn als bij den vorigen 148 m. M. kijker bij gelijke
luchtgesteldheid. De beeldscherpte is bij dezen 145 m. M. kijker
echter vlugger bereikt met een bepaalde vergrooting, dan bij de
vorige 148 m. M.
Gezien de eischen, die men aan zoo'n achromatisch objectief
stellen mag, kan ik niet anders zeggen, dan dat ik er zeer tevreden
mee ben, want gedurende de eerste maanden werden de al zoolang
bekende proefobjecten meermalen geobserveerd, met de bedoeling
na te gaan tot welke prestaties de nieuwe kijker in staat was.
Midden in deze proefperiode raakte zoo ongeveer de geheele
wereld in oorlog. Dit vond zijn weerslag in het observeeren, want
het is nu niet bepaald wenschelijk, dat, als men aan het observeeren
is, of men wil gaan fotografeeren, er plotseling een twintigtal
of nog meer zoeklichtstralen aan den hemel verschijnen. Dat moge
voor een niet-sterrenkijker een mooi gezicht zijn, een sterrenkijker
ziet ze liever niet!
TWAALFDE HOOFDSTUK
128 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Al de jaren, dat ik met zeer vele en verschillende kijkers de
wonderen van den sterrenhemel gadesla, is dat geschied met de
soort kijkers, die men refractoren noemt, dus niet met spiegeltelescopen.
Het is een feit, dat zoo goed als alle amateurs een uitgesproken
voorkeur voor de eerstgenoemde soort kijkers hebben. Hierin
schijnt nochtans de laatste jaren wel eenige verandering te komen,
mede dank zij de verschillende aanwijzingen van enkele amateurs
om zelf den spiegel voor zoo'n telescoop te slijpen. Voor den amateur heeft echter de refractorkijker voordeelen, die niet te
onderschatten zijn. Naar mijn gevoelen is de hoofdzaak, dat een
refractorkijker een aesthetischer aanzien heeft dan een spiegeltelescoop. Eerstgenoemde heeft als geheel een mooier uiterlijk,
vooral door den slanken bouw.
De spiegeltelescoop is meestal ietwat lomp van bouw en dit
lijkt mij de reden, waarom de amateurs niet zoo bijster gesteld
waren op dit soort kijkers. Hoofdzaak is echter, dat men door
beide kijkers moet kijken naar de hemelobjecten en daar wordt
als regel minder aan gedacht. En toch zou men dat juist wèl
moeten doen, want deze instrumenten dienen om er dóór te kijken,
niet om er tegenaan te kijken. Zij het wellicht onbewust, hier werd
dus het gezegde in toepassing gebracht: "het oog moet ook wat
hebben".
Nu is het wel zoo, dat de door amateurs meest gebruikte spiegeltelescoop al een diameter heeft van 150 m. M. of meer, bij een
lengte van circa 1.50 M. Hiervoor is een buis noodig van ongeveer
20 c. M. diameter, en dan is zoo'n kijker inderdaad een weinig
aantrekkelijk instrument voor het oog.
Het statief, waarop een dergelijke kijker moet staan, is al evenmin aantrekkelijk voor het oog. Voornamelijk ligt dit hieraan,
dat de amateur meestal een spiegeltelescoop van de Newtonconstructie gebruikt. Daarbij is de stand van den kijker ten opzichte
van het te observeeren object voor den leek niet erg begrijpelijk.
Immers, het door hem waargenomen object staat vrij hoog aan
den hemel, terwijl hij er in min of meer horizontale richting naar
kijkt, hetgeen voor zijn gevoel niet erg aannemelijk is. Dit in tegenstelling met den refractorkijker, waardoor men als regel in
dezelfde richting kijkt als waarin men het object aan den hemel
met het bloote oog ziet. Voegt men hierbij nog, dat de amateurspiegeltelescopen uit den aard der zaak min of meer gebrekkig
van opbouw zijn, zoowel de kijker zelf als de monteering, dan
heeft men wel de voornaamste redenen, waarom deze kijkers bij
de amateurs minder gewild waren en nog zijn.
Meerdere van dit soort kijkers (en eigenaren dezer instrumenten)
zijn mij bekend, waarbij men als kijkerbuis voor 150 m. M., ja
zelfs voor 300 m. M. spiegels, een vierkante, langwerpige houten
129 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
kist gebruikt! Een ander had voor kijkerbuis een geval in elkaar
getimmerd van ijzeren banden, aan den buitenkant met keurig
aansluitende latten, zooals men dat wel bij een zeker soort zeilbooten ziet toegepast.
Het is vanzelfsprekend, dat iedere amateur weleens bezoek
krijgt van belangstellende leeken en deze ontvangen van deze
spiegeltelescopen een minder mooien indruk van wat een sterrenkijker eigenlijk is of zou moeten zijn.
Heeft men daarentegen een refractorkijker, dan is de totaalindruk heel anders. Hierbij is de geheele opbouw beter verzorgd
en hij doet daardoor meer als een instrument aan, wat vooral is
toe te schrijven aan de mooi geverniste koperen deelen, die aan
zoo'n kijker zijn aangebracht.
Zooals reeds gezegd, is ook het zien door zoo'n kijker voor het
gevoel van den leek aannemelijker dan door een spiegeltelescoop.
Naar mijn meening is echter de afkeerigheid van laatstgenoemd
instrument ongegrond en onnoodig. Zelfs heeft het voor den
amateur een niet te onderschatten voordeel en wel, dat men er
even goed mee fotografeeren als kijken kan.
Dit is met den refractorkijker niet het geval, tenzij men een
drievoudig objectief, een "apochromaat" zou gebruiken, hetgeen
bij den amateur zelden of nooit voorkomt, daar deze dingen zeer
duur zijn. Wel is het waar, dat ook bij gewoon observeeren (dus
kijken) de spiegelkijker veel gevoeliger voor temperatuurverschillen is dan de lenskijker en daarom heeft men als regel
bij een telescoop gauwer de meest bruikbare vergrooting bereikt
dan bij een refractorkijker; laatstgenoemde verdraagt in het algemeen een sterkere vergrooting.
Daarom ook is het zeer wenschelijk om voor een telescoopspiegel van b. v. 150 m. M. een buis te bouwen van 200 m. M.,
waardoor er 25 m. M. ruimte blijft tusschen spiegelrand en binnenkant van de buis; bij een spiegel van 300 m. M. bouwe men een
buis van 40 c. M. Als dan zoo'n ding bovendien nog 3 M. lang is,
dan wordt het voor den amateur, die niet over een huisje beschikt,
waar zoo'n kijker steeds opgesteld kan blijven staan, toch wel
een zeer onhandelbaar instrument.
Als zoo'n spiegeltelescoop echter behoorlijk gebouwd en gemonteerd is, dan is het voor den amateur toch werkelijk een zeer
waardevolle aanwinst.
Want één ding is van belang, en voor den amateur zelfs van
zeer veel belang, dat is de aanschaffingsprijs van een dergelijk
instrument. Het is nu eenmaal zoo, dat de beginnende leek vrijwel
altijd over slechts weinig financiën beschikt en trachten moet om
voor zijn zuinig vergaarde guldens een instrument te bekomen.
Nu kan men voor een bepaald bedrag een aanmerkelijk grootere
spiegeltelescoop krijgen dan een refractorkijker. Het slijpen en
polijsten van een lens of spiegeloppervlak is een zeer tijdroovend
130 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
en minutieus werk en daar men bij een spiegel maar één optisch
oppervlak heeft te slijpen en bij een gewoon gangbaar objectief
vier van deze oppervlakken, is het alleszins begrijpelijk, dat men
voor hetzelfde geld een grooteren spiegel heeft dan een lens. Zoo
vind ik bij een bepaalde firma als prijs voor een lens van 150 m. M.
opening f 600.- en voor en parabolische spiegel van 300 m. M.
slechts f 630.- . Dit is dus maar een klein verschil. Nu zijn dit
wel prijzen van eenige jaren geleden, welke thans veranderd zullen
zijn, maar de verhouding blijft toch gelijk.
Een naar mijn meening werkelijk bezwaar van de spiegeltelescoop
is, dat men deze spiegels na korteren of langeren tijd opnieuw van
een nieuwe zilverlaag moet (laten) voorzien. Deze zilverlaag toch
gaat langzaamaan in lichtterugkaatsend vermogen achteruit, doch
juist wijl dit zoo langzaam gaat, zal men er haast geen erg in
hebben, dat de achteruitgang al zoo belangrijk is. Men zal dan
ook soms nog jaren met zoo'n spiegeltelescoop blijven werken,
terwijl een her-verzilvering al lang had moeten plaats vinden.
En dan, waar en door wie, moet de verzilvering geschieden?
Als regel zal men dat laten doen door de firma, die de spiegel
geleverd heeft. De kosten zijn niet groot, maar men is de spiegel
eenige weken kwijt, hetgeen echter in het algemeen voor den
amateur niet zoo bezwaarlijk is.
De meeste amateurs, vrijwel alle zou ik zeggen, die over een
spiegeltelescoop beschikken, hebben een spiegel, die of door henzelf of door andere amateurs geslepen en verzilverd is, welke
laatste arbeid meestal gebrekkig geschiedde.
Door allerlei omstandigheden blijft het opnieuw verzilveren
dikwijls lang achterwege, hetgeen als gevolg heeft, dat men observeert met een instrument, dat eigenlijk meer kan presteeren als
het in goede conditie is. Nu is er echter in de laatste jaren een
nieuw procédé toegepast; in plaats van zilver, slaat men er een
aluminiumlaag op neer, die in lichtterugkaatsend vermogen nog
wel zoo goed is als zilver, vooral in het ultra-violette deel van het
spectrum. Het is dan ook vooral daarom, dat dit proces hoe langer
hoe meer wordt toegepast, vooral bij instrumenten, die hoofdzakelijk voor fotografeeren gebruikt worden. Het is ook gemakkelijker om zoo'n aluminiumspiegel te reinigen van erop liggend
stof, dan een zilverspiegel, daar de laatste heel licht beschadigd
wordt, in tegenstelling met de eerste, die men gewoon met water
kan schoonmaken.
Als de pas beginnende amateur dan ook tot den grooten stap
overgaat om zich een sterrenkijker aan te schaffen, dan zou ik
hem een spiegeltelescoop zeker niet afraden, mits deze goed gebouwd en gemonteerd is. Een ieder moet echter maar aan zijn eigen
gevoel overlaten wat hij zelf verkieselijker vindt.
De laatste jaren is men, overal waar nieuwe, moderne sterrenwachten ingericht worden, er op bedacht, een voorname plaats in
131 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
te ruimen aan de spiegeltelescoop. Leest men nu al niet geruimen
tijd in de dagbladen over een in Amerika te bouwen spiegeltelescoop met een spiegel van 5 M. diameter!, terwijl er al jarenlang een in gebruik is met een diameter van 2.50 M. (foto 37).
Tot nu toe was dit de grootste telescoop ter wereld, welke zijn
plaats dus zal moeten afstaan aan die van 5 M.
Er zijn in Amerika zelfs plannen voor een nòg grootere telescoop en wel van 8 M. Of deze ooit gebouwd zal worden? Wie had
10-15 jaar terug kunnen denken, dat men zich zou wagen aan
een 5 M. spiegel? En toch, wat moet de pas beginnende amateur
een ontmoedigend en hopeloos gevoel over zich krijgen, als men
in vakkringen den hemel bestudeert met zoo'n buitengewoon
machtig instrumentarium en hij hetzelfde tracht te doen met zijn
kleine kijkertje!
Maar toch, amateurs, ziet U met uw kleine instrumenten naar
verhouding meer dan de vak-astronoom met zijn groote kijkers
van 10 tot 20 M. lengte en van 30 tot 500 c. M. doorsnee. Dit lijkt
U wel vreemd, en toch is het zoo!
Immers, met het bloote oog ziet U sterren tot de grootte 6 bij
goede, heldere lucht; met uw kleine kijkertje van 80 m. M. ziet
U, ook met goeden luchttoestand, sterren tot de grootte 12.5, dus
heeft U een winst van 6.5 grootte-klassen. Wilt U nu echter nog
eens een winst maken van 6 grootte-klassen, dan zult U een kijker
van ongeveer 80 c. M. opening moeten gebruiken!
Zoo is het ook met het observeeren van dubbelsterren. Onder
bijzonder gunstige omstandigheden is het met zeer goede oogen nog
mogelijk een dubbelster gescheiden te zien die 3' (boogminuten) van
elkaar af staan ('epsilon' 1 en 'epsilon' 2 Lyrae) dat zijn 180'' (boogseconden).
Met een 80 m. M. kijker kan men nog heel goed dubbelsterren
gescheiden zien van 1.8'' boogseconden afstand, dus heeft men
een winst, die tien keer zoo groot is. Wil men echter deze winst
weer 10 × zoo groot maken, dus dubbelsterren zien, die maar 0.18''
afstand hebben, dan zijn alleen de allergrootste kijkers in staat om
met groote inspanning te kunnen constateeren, dat er twee sterren
staan in plaats van één, terwijl er van goed gescheiden zijn dan nog
geen sprake is!
En nu het bedrag aan geld, benoodigd om beide instrumenten
aan te schaffen? Amateurs, U komt met een 5 à 600 gulden al
een heel eind! Maar de vakastronoom, die in zijn waarnemingsmogelijkheid toch ook nog maar juist tweemaal zoo ver wil gaan
als U ten opzichte van den niet-kijker-bezitter, hij heeft aan een
bedrag van 5-600 gulden niets, maar dan ook totaal niets. Voor
hem is een bedrag noodig, dat men ongeveer 100 tot 1000 keer
zoo groot kan nemen. Is het daarom teveel gezegd, dat U met
uw kijkertje van 80 m. M. naar verhouding meer ziet dan de
vakastronoom met zijn kijker van 800 m. M. opening?
Reeds enkele keeren zei ik, dat de amateur er in den regel ook
132 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
toe overgaat om de fotografie toe te passen in zijn sterrenkundig
amateurschap. Ook hierbij is de verhouding der prestaties van de
kleine tot de grootste optische hulpmiddelen dezelfde als die van
den aanschaffingsprijs. De laatste zelfs in nog sterker mate.
Hoe vaak ben ik al leeken en amateurs tegengekomen, die met
een gevoel van machteloosheid te kampen hadden, als zij de mooie
foto's zagen en de resultaten lazen, verkregen met de allergrootste en allerbeste instrumenten! Niets is echter meer misplaatst dan zoo'n gevoel van machteloosheid!
Bij de inrichting van een waarnemingshuisje, de sterrenwacht
van den amateur, dat een niet te onderschatten gemak en voordeel
heeft, bestaat dezelfde verhouding. (foto 39).
De amateur immers kan volstaan met een min of meer klein
houten of steenen gebouwtje, met afrolbaar dak, of met een
trommel of koepel erop, zooals er hier in Nederland wel
enkele zijn. Doch de vakastronoom heeft groote, zelfs zeer groote
gebouwen noodig voor de opstelling van zijn instrumentarium,
ten deele zelfs zoo gebouwd, dat de temperatuur constant is, of
zeer weinig schommelt, voor opstelling van klokken, meridiaancirkels enz. Ook hier is het prijsverschil naar verhouding en het
10 zelfs 100 malige voordeel van den amateur.
Ik weet maar al te goed, dat het voor den beginnenden amateur,
bijna altijd door geldzorgen gekweld, dikwijls moeilijk is, aan
zijn liefde voor de sterrenkunde toe te geven. Doch de amateur,
die met dit euvel van geldzorgen niet, of bijna niet te kampen
heeft (zijn die er nog wel?) late zich in geen geval van zijn liefde
voor de sterrenkunde afhouden door een gevoel van machteloosheid, van "nu ja, wat kan ik dan nog zien met mijn eventueel
aan te schaffen, min of meer grooten kijker". Neen! veel, zelfs
zeer veel kunt U daarmede zien en niet alleen dàt. Het is een
wel wat afgezaagd, doch juist gezegde, dat "de aanschouwing van
al het wondere en mooie, aan den sterrenhemel, U min of meer
ongevoelig maakt voor teleurstellingen en tegenslagen in het leven".
Het is dan ook een feit, dat het observeeren zeer veel innerlijk
genot geeft en veel voldoening over behaalde resultaten, bereikt
onder soms zeer moeilijke omstandigheden. Schrijver dezes heeft,
evenals zoo velen, het zeer twijfelachtige voorrecht, tijdens zijn
leven twee oorlogen, zooals de wereld nooit aanschouwd heeft, mee
te hebben gemaakt. Vóór den oorlog 1914-1918 was de belangstelling in de astronomie bij het publiek maar zeer gering. Na 1918
nam deze echter hand over hand toe. Ook nu weer is deze
tendenz merkbaar, meer en meer komt "de man van de straat"
er toe zich in sterrenkundige onderwerpen te verdiepen. Is dit
een teeken, dat de mensch cultureel hooger komt te staan en daardoor hoogerstaande ontspanning voor zijn geest zoekt? Of is het
zoo, dat hij voor al de misère en narigheid, de hij nu en vroeger
ondervindt en ondervond, een tegenwicht zoekt in de aanschouwing
133 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
van allerlei natuurgebeuren? Want het is ontegenzeggelijk een feit,
dat de belangstelling voor alles wat de natuur betreft, in de laatste
paar jaren zeer toegenomen is, niet het minst de belangstelling
voor de astronomie.
Astronomie is voor leeken zoo aantrekkelijk, wijl men er een
heerlijk waas van geheimzinnigheid omheen kan weven. Men plaatst
astronomie wel eens op een lijn met astrologie, maar hoewel de
woorden veel op elkaar lijken, zijn de beide begrippen toch geheel
verschillend. Astronomie houdt zich bezig met waarneembare
feiten en wiskundig te bewijzen stellingen. Ook worden er
hypothesen bij gebruikt, die men later weer verwerpt, als zij met
de waargenomen feiten niet in overeenstemming zijn. Astrologie
bedoelt het menschelijk leven te verklaren, het zieleleven te ontleden en voorspellingen te doen, aan de hand van den onderlingen
stand van planeten, zon, maan en sterren.
Eigenlijk dus twee antipoden, waarvan het publiek dikwijls meent
dat zij synoniem zijn. De geheimzinnigheid, welke de astrologie
van oudsher voor het publiek heeft, is door deze begripsverwarring
ook op de astronomie toegepast, hetgeen wel jammer is.
Veel, zeer veel kan men op het gebied der astronomie fantaseeren en vooral voor den leek is de bewoonbaarheid der andere
planeten of van de maan (en ook de zon vaak) een nooit eindigende
bron om zich aan allerlei oncontroleerbare bespiegelingen te wijden.
Het is hiermede als met het weer; men zegt: "het weer hangt samen
met den stand van de maan", waarmee de kwestie voor het publiek
heeft afgedaan. Evenzoo gaat het met "men zegt, dat er planeten
zijn, waar menschen op leven". Basta, punt, af!
In hoeverre dit met de feiten, waargenomen op de planeten,
en in het bijzonder op de planeet Mars, in overeenstemming
is, zullen wij in de volgende regels trachten duidelijk te
maken. Vooral de planeet Mars zou verantwoordelijk zijn voor
nog meerdere menschelijke wezens, die in ons zonnestelsel zouden
wonen.
Ieder mensch op onze aarde heeft wel eens gehoord van Mars,
zij het dan niet als planeet, woonplaats van menschen, dan toch
in de oudheid als god van den oorlog.
Mars, de vierde planeet, van de zon af gerekend, is, om zoo
te zeggen, de naaste buur van onze planeet, de aarde. Hij loopt
buiten de aardbaan in ongeveer 1 jaar en 11 maanden, op een
gemiddelde afstand van 228 millioen K. M. om de zon heen en
wordt op deze reis vergezeld van twee uiterst kleine manen, Phobos
en Deimos, die in 1877 door den Amerikaanschen astronoom
Asaph Hall te Washington ontdekt werden. Deze manen zijn
slechts 7 à 8 K. M. in doorsnede. De baan, die Mars om de zon
heen doorloopt, is geen cirkel, evenmin als de aardbaan, doch een
ellips, een uitgerekte cirkel, zooals men ook weleens zegt. Zoo
nu en dan komt het voor, dat, van de zon af gerekend, de aarde
134 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
en Mars zich in een rechte lijn bevinden (in oppositie, noemt de
astronoom dat) en dan liggen ook juist die uitgerekte cirkels
van aardbaan en Marsbaan zoo dicht mogelijk bij elkaar, en is
de afstand van de aarde tot Mars al bijzonder klein, slechts 57
millioen K. M., terwijl deze afstand op andere tijden zelfs 380
millioen K. M. kan bedragen. Alleen reeds door de kleur is de leek
menigmaal opmerkzaam geworden op het bestaan van de planeet
Mars. Deze is immers opvallend rood. Temeer valt dit op, wanneer
de planeten Aarde en Mars zoo dicht mogelijk bij elkaar staan,
zooals in 1877, 1924 en 1939. Onder gewone, gemiddelde omstandigheden, is de planeet Mars voor het bloote oog zichtbaar als een
ster der eerste grootte, doch zij kan, zooals in de genoemde jaren,
veel en veel helderder zijn, zoodat zij dan bij iedere onwillekeurige
beschouwing van den sterrenhemel direct opvalt èn om de groote
helderheid én om de roode kleur.
Van oudsher hebben de astronomen een bijzondere voorliefde
voor de planeten gehad en deze werden dan ook in het bijzonder bij
alle mogelijke gelegenheden waargenomen. Zoo heeft Tycho Brahe
in de 16e eeuw voor dien tijd buitengewoon goede plaatsbepalingen van de planeet Mars aan de hemelsfeer vastgesteld,
waardoor het den niet minder beroemden Kepler mogelijk was,
zijn drie befaamde wetten der planetenbeweging te ontdekken.
Maar dit heeft weinig de aandacht van het gewone publiek getrokken, hoe belangrijk het ook was. Doch over de Mars-kanalen
en eventueele Marsbewoners is een literatuur ontstaan, waarover
met geen stok is heen te springen. Dit laatste onderwerp prikkelt
de fantasie en hierin kunnen fantasie en romantiek zich uitleven, hetgeen dan ook geschied is en soms nog gebeurt in allerlei
meestal onverantwoorde artikelen in kranten en ook wel in tijdschriften.
Het is niet te verwonderen, dat, zoodra de sterrenkijker was
uitgevonden, men deze gebruikte voor waarnemingen aan de
planeten en zoo kon onze landgenoot Huygens in 1659, met de
toenmalige, nog zeer gebrekkige kijkers al bijzonderheden aan de
planeet Mars zien, die ook nu, bijna 300 jaar later, nog te zien
zijn. De Mars-teekening, die hij toen heeft vervaardigd, geeft een
groote, driehoekige, donkere vlek te zien, die later de "groote
Syrte" werd genoemd (Teekening H). Men kan geen kranten-,
tijdschriftartikel of boeken uit de daaropvolgende jaren over dit
onderwerp met een teekening of foto der planeet Mars opslaan,
of vrijwel altijd vindt men daarop deze groote, driehoekige,
donkere vlek van Huygens terug.
Het spreekt vanzelf, dat, met de verbetering der kijkers, de
teekening van Huygens gedetailleerder werd, doch de vorm,
zooals door hem aangegeven, is voor alle tijden vastgelegd.
Voor den amateur, die de beschikking heeft over een behoorlijken kijker, is ook deze "groote Syrte" nog altijd een goed, zelfs
135 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
zeer gemakkelijk waarneembaar object. Uit het aanwezig zijn van
deze "groote Syrte" op Mars, kon Huygens dan ook al direct
concludeeren, dat de planeet in ongeveer 24 uur om haar as moest
draaien, evenals de aarde. Immers, tijdens de daarop volgende
avonden kon hij diezelfde donkere vlek weer zien, terwijl deze
zeer duidelijk van plaats veranderd was, toen hij op denzelfden
avond of nacht zijn waarnemingen verrichtte, met enkele of
meerdere uren tusschenruimte. Daardoor kon hij onmiddellijk een
asomwenteling van ongeveer 24 uur aannemen.
Later is gebleken, dat deze asomwenteling geschiedt in 24 uur
en 37 minuten, dus in iets meer dan een etmaal van ons.
Ook hieruit blijkt weer, dat de amateur-sterrenkundige met betrekkelijk geringe optische middelen toch wel waardevolle resultaten kan bereiken.
Hoewel een aswenteling van andere planeten thans voor ontwikkelde leeken een gewoon feit is, zijn er toch nog menschen,
die van het bestaan van planeten, zooals onze aarde er een is,
en van een dag en nacht veroorzakende aswenteling, nog nooit
gehoord hebben, en zich zooiets eenvoudig niet kunnen indenken.
En toch zijn het juist deze menschen, die over het bewoond zijn
der andere werelden door menschen zooals wij, de meest buitensporige voorstellingen hebben.
Zelfs in den tijd, dat Huygens zijn waarnemingen deed, was
er met de toenmalige kijkers reeds een en ander te zien op de
oppervlakte van de planeet Mars.
Zooals wij zagen, loopt Mars in ongeveer 1 jaar en 11 maanden
in haar baan rond de zon, zooals de aarde dat in één jaar doet.
Evenals op onze aarde deze jaarperiode oorzaak is van het ontstaan der jaargetijden, zomer, herfst, winter en lente, die elk
ongeveer drie maanden duren, is dit ook op de planeet Mars het
geval, echter met dien verstande, dat daar de jaargetijden ongeveer
twee maal zoo lang zijn als hier op aarde, tengevolge van de omwenteling van Mars om de zon in 1 jaar en 11 maanden. Nu is
het voor een ieder, die daarover nadenkt, begrijpelijk, dat als
wij op de aarde aan het noordelijk halfrond in den winter zijn,
aan en om de Noordpool een groot stuk aarde met
sneeuw en ijs bedekt moet zijn. Hebben wij daarentegen op ons
noordelijk halfrond zomer, dan is het aan het zuidelijk halfrond
winter, en ligt om de Zuidpool een groot stuk der aarde onder
sneeuw en ijs. Zoo is het ook op de planeet Mars. En daarom
kon men reeds in Huygens' tijd afwisselend aan de Noord- en
Zuidpool van Mars een groote witte vlek zien verschijnen. Wat
lag meer voor de hand, dan aan een volkomen overeekomst te
denken met aardsche toestanden, dus aan sneeuw en ijs en noodzakelijkerwijze ook aan water! Water, een eerste levensbehoefte
voor ons bekende levensverschijnselen op aarde!
Met het meer en meer geperfectionneerd worden der kijkers,
136 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
kwamen er hoe langer hoe meer bijzonderheden te zien op Mars.
De meest opzienbarende uitkomsten verkreeg de Italiaansche
astronoom Schiaparelli in 1877 te Milaan. Hij ontdekte de zoo
beroemd en berucht geworden Mars-kanalen, waarover èn bij de
astronomen èn bij het gewone publiek zooveel te doen is geweest.
Schiaparelli ondekte in genoemd jaar heel fijne, donkere,
rechtgetrokken lijntjes op de oppervlakte van Mars. Zij waren heel
moeilijk, doch met zekerheid te zien. Deze meestal rechte, donkere
lijnen maakten op Schiaparelli den indruk van kanalen, zonder
dat hij echter dacht aan kanalen, zooals wij die op aarde kennen en
speciaal de Nederlanders, die immers in het graven van mooie,
kaarsrechte kanalen ware meesters zijn! Wat zou op de planeet
Mars daarom een arbeid te vinden zijn voor onze dikwijls met
werkeloosheid kampende polderwerkers. Misschien dat ook dáár
het groote kwaad der werkeloosheid heerschte en dat men daarom
die mooie rechte kanalen gegraven had om het toch al weinige,
daar aanwezige water zoo economisch mogelijk te benutten voor
den landbouw!
Doch deze fantastische zijsprong daargelaten, een feit is het,
dat Schiaparelli die dingen kanalen noemde en daarmee was voor
de pers het hek van den dam en kon de fantasie zich vrij uiten.
Ook in vakkringen echter is er veel strijd en meeningsverschil
geweest over de kanalen, hoewel de kwestie nu als opgelost beschouwd wordt.
In den loop der jaren is er een heele verzameling kaarten
ontstaan van de wijze, waarop verschillende waarnemers de planeet
Mars in hun instrumenten zagen. Hoewel deze kaarten vaak in
kleinigheden verschilden, in hoofdzaak komen ze vrij goed met
elkaar overeen en verschillende namen, aan bepaalde formaties
gegeven, kan men op alle kaarten terugvinden.
Waarnemers als Schiaparelli, Antoniadi, Pickering, Lowell,
Molesworth en nog vele anderen konden allen deze zoo beroemd
geworden kanalen met hun instrumenten zien. Lowell, die uit
louter liefde voor de Mars-problemen een sterrenwacht bouwde
om daar de verschillende Mars-verschijnselen te bestudeeren, was
een groot voorvechter van de stelling, dat de bewuste kanalen
werkelijk door denkende en bezielde wezens (menschen) gegraven
waren. Als men de afbeelding van de planeet Mars, die Majoor
Molesworth indertijd teekende met behulp van een spiegeltelescoop
van 20 c. M. opening (afb. 38) bekijkt, is het toch wel opmerkelijk,
wat met een betrekkelijk klein instrument op de planeet Mars
geobserveerd kan worden.
Al deze waarnemers observeerden met kijkers, die voor een
moderne sterrenwacht als middelmatig groot gelden, in afmetingen
van 25-45 c. M. diameter der objectieflens.
Aan experimenten ter verklaring der Marskanalen heeft het
niet ontbroken. Twee Engelsche geleerden, Maunder en Evans,
137 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
hebben eens de volgende eigenaardige proef genomen. Zij hadden
een vierkant vel vol geteekend met groote en kleinere vlekken
van onregelmatigen vorm, met als aanknoopingspunt een drietal,
in een driehoek staande, iets grootere donkere vlekken. Dit vel
papier lieten zij door een aantal schoolkinderen nateekenen. Op
een bepaalden afstand nu, waarop voor vele kinderen de afzonderlijke vlekjes niet meer te zien waren, gingen deze er alle toe over,
om in den waren zin des woords Marskanalen te teekenen. De
kinderen echter, die dichtbij de oorspronkelijke teekening zaten,
teekenden de voorstelling getrouw na, zonder daarop kanalen te
zien.
Dit was een aanwijzing voor de astronomen, dat men dichter
bij de planeet Mars gekomen, opvallende bijzonderheden kon zien.
In latere jaren is dan ook vastgesteld, dat wat men voor kanalen
hield, in werkelijkheid geen kanalen waren.
Om nu op het observeeren terug te komen: dit is een eigenaardige geschiedenis, waar meer aan vast zit dan menigeen zou
denken.
Wanneer men met een kijker van 8 c. M. een vergrooting van
100 × toepast, denkt men evenveel te kunnen zien als met een
kijker van 80 c. M. opening en een vergrooting van 100 ×. Doch
zoo is het niet. Dit komt omdat het publiek over het algemeen
denkt dat de vergrooting van een kijker, om zoo te zeggen, alles is,
zonder rekening te houden met lichtsterkte, dus objectiefdiameter.
Met een grooteren en vooral langeren kijker, zal men met dezelfde vergrooting wel wat meer te zien krijgen dan met den kleinen
8 c. M.-kijker. Zonder hier verder op in te gaan kunnen we
zeggen, dat dit komt, omdat een grooter objectief en vooral een
langere kijker de sterrenpuntjes veel fijner teekent dan een kleiner
objectief, dus kortere kijker. Ditzelfde is het geval met détails
op de planeten. Dit is dan ook de oorzaak, dat alle vroegere waarnemers, die met betrekkelijk middelmatige kijkers Mars observeerden, die mooie Marskanalen konden zien, terwijl latere waarnemers met grootere en krachtigere instrumenten daarvan niets
meer konden terugvinden. Zoo o. m. Antoniadi te Parijs, die met
een kijker van 83 c. M. opening het als zijn levenswerk beschouwde,
om de Marskaart zoo volledig mogelijk te maken. Hij zag van
de eens zoo beroemde, of als men wil, beruchte Marskanalen niets
of weinig meer terug. En zoo is gebleken, dat deze kanalen een
min of meer optisch verschijnsel zijn, die met werkelijke kanalen
en met door intelligente wezens (in casu menschen) gegraven
bevloeiïngsstelstels niets te maken hebben.
Maar niet alleen dit hebben de waarnemers in latere jaren met
hun grootere en grootste telescopen kunnen ontdekken.
Zoo heeft men ook de altijd min of meer groote poolkappen
van Mars vroeger vergeleken en per analogie ook vereenzelvigd
138 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
met sneeuw en ijs, een voor de hand liggende conclusie. Of een
geheel landschap onder een sneeuw en ijslaag van één dan wel
van tien M. ligt, of slechts van enkele centimeters, het zal voor
ons wit zijn.
Vele waarnemers denken dan ook aan een dikke laag rijp of
aan nevelmassa's, die eveneens het scherp afstekende witte licht
der poolkappen zouden moeten veroorzaken. De astronoom beschikt de laatste jaren over vele en zeer verfijnde instrumenten,
om bepaalde dingen op het spoor te komen. Zoo bestaat er b. v.
een buitengewoon gevoelige thermometer, die men aan een van
de grootste kijkers verbindt, en waarmee het mogelijk is om op
vele plaatsen van een planetenschijf de daar heerschende temperatuur op te meten. Hoewel er op sommige plaatsen op Mars
temperaturen zijn gemeten van 20 graden C. boven nul, vertoont de
meerderheid dier metingsplaatsen toch een negatieve aanwijzing,
soms zeer ver onder het vriespunt. 20 graden tot 40 graden, zelfs 60 graden onder nul,
zijn daar heel gewone temperaturen. Nu heeft Mars een zeer
dunne en ijle dampkring, die niet in staat is om eenigszins groote
hoeveelheden zonnewarmte vast te houden, voor het geval de zon
den Marsbodem niet direct beschijnt. Dus als het nacht wordt
op Mars, hetgeen, zooals wij zagen, ongeveer om de 24 uur geschiedt, komt deze nachtzijde van de planeet aan een buitengewoon ijzige temperatuur bloot te staan, die men hier op aarde
wel niet direct meten kan, doch die haar aanwezigheid duidelijk
verraadt, doordat de randen van de planeet een veel lagere temperatuur aanwijzen dan het midden. Nu leven er weliswaar op
sommige plaatsen onzer aarde ook menschen onder zeer lage
temperaturen, en is leven, in welken vorm dan ook, zeer goed
mogelijk onder abnormale temperaturen, doch die ondervinden
niet de temperatuur, zooals die aan de nachtzijde van Mars heerschen moet. Leven, menschelijk leven dan, zooals wij dit kennen,
is op Mars zeker niet mogelijk, want de dampkring is er zoo licht
en ijl, dat men die vergelijken kan met den dampkring om onze
aarde op een hoogte van ongeveer 20 K. M.
Welnu, een ieder heeft indertijd weleens gelezen, hoe geperfectionneerd het toestel was, waarmede professor Picard tot op een
hoogte van ongeveer 16 K. M. in onzen dampkring is opgestegen.
Zeer verfijnde technische en natuurkundige instrumenten moesten
toegepast worden om den stratosfeerreiziger voor enkele uren
het leven mogelijk te maken in een hermetisch gesloten kleine
ruimte. Daaruit kan dan ook iedereen begrijpen, dat wij, aardsche
menschen, daar onmogelijk zouden kunnen leven.
Nog om een andere fundamenteele reden is menschelijk bestaan,
zooals wij dat kennen, op Mars onmogelijk. In zijn toch al voor
ons veel te dunne luchtlaag, is namelijk geen zuurstof aanwezig.
Een ander verfijnd hulpinstrument van den astronoom, de
spectroscoop, heeft n. l. aangetoond, dat dit elementaire gas op
139 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Mars niet aanwezig is. Ook plantengroei, in welken vorm dan ook,
is voor ons ondenkbaar, indien zuurstof ontbreekt.
En toch... ook in vakkringen blijft men, voornamelijk de verschillende, onweerlegbare kleurveranderingen, ten gevolge der
jaargetijden op Mars, onder veel voorbehoud in verband brengen
met en verantwoordelijk stellen voor plantengroei in welken, waarschijnlijk meer eenvoudigen, vorm dan ook. Zouden wij menschen
dan in ons zonnestelsel werkelijk de eenige schepselen zijn met
rede begaafd, die in staat zijn problemen aan de orde te stellen,
als die, welke ons hier bezig houden?
De zon wordt op haar onbegrijpelijk groote reis in de oneindigheid van het heelal vergezeld door negen groote planeten, waarvan
het meerendeel de aarde in grootte zeer ver overtreft. En zouden
wij menschen in dat groote zonnehuishouden dan alleen de denkende en min of meer beschaafde wezens zijn? Wij zouden ons
bijna gaan verhoovaardigen, zooals de menschen in den voorCopernicaanschen tijd deden, en meenen, dat het geheele zonnestelsel en het geheele sterrenheir er alleen voor ons neergezet is,
ter meerdere glorie van ons menschen!
Alle feiten der waarnemende moderne astronomen wijzen er
onomstootelijk op, dat menschelijk leven op Mars onbestaanbaar
is. Is het nu op de zeven andere planeten van ons zonnestelsel
ook zoo gesteld? Op Mercurius, Venus, Jupiter, Saturnus, Uranus,
Neptunus en Pluto?
Ook met de meest moderne hulpmiddelen kan men op geen
dezer planeten verschijnselen waarnemen, die er op wijzen, dat
men de vaste korstvormige (zoo die er is) oppervlakte der planeten
ziet. Wel is het een feit, dat deze hemellichamen, behalve
Mercurius, omgeven zijn door een dikken dampkring, waar men
nooit of bijna nooit doorheen kan zien.
Met uitzondering van de planeet Uranus, waarvan men bij
zeldzame gelegenheden weleens meende de vaste oppervlakte te
zien, zonder echter eenig détail te kunnen waarnemen, dat als
bewijs zou kunnen dienen voor de meening, dàt men nu werkelijk
door den dampkring van de planeet heen zag. Bovendien heeft het
hierboven genoemde instrument, de spectroscoop, aangetoond,
dat de dampkring der grootste planeten voor een zeer groot
percentage uit methaangas, het zoogenaamde moerasgas, bestaat.
Daarom alleen al is menschelijk leven op die planeten uitgesloten.
Zoo zien wij dus, dat wij menschen wel een heel uitzonderlijke
positie in ons zonnestelsel innemen. Maar eenige reden om daar
als mensch dankbaar voor te zijn en elkaar dus het leven zoo aangenaam en prettig mogelijk te maken, hebben wij blijkbaar niet!
Want van oudsher af, zoodra het menschelijk bewustzijn ontstond,
zijn wij elkaar op alle mogelijke manieren in de haren gevlogen.
Zijn er in ons zonnestelsel nog andere werelden dan de thans
140 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
aan ons bekende? Misschien! Met zekerheid is dat in het geheel
niet te zeggen.
Bij het stellen van deze vraag mag men het volgende overdenken.
Onze zon is, wat haar afmetingen betreft, een middelmatige
ster, niet héél groot, ook niet héél klein. Ook wat haar temperatuur
betreft, neemt zij een middelmatige plaats in. Onze zon wordt in
het heelal vergezeld door negen groote en ongeveer een paar duizend
kleine planeten. Bovendien hebben de meeste groote planeten nog
een aantal manen, dat is dus alles met elkaar een behoorlijk groot
huishouden. en nu is onze zon maar één ster in de onbegrijpelijk
groote ruimte, die wij het heelal noemen.
Hoeveel sterren zijn er dan wel? De leek zegt een millioen,
doch ook dit aantal is voor onze begrippen onbegrijpelijk groot.
Wij weten, zij het dan zeer ruw, hoeveel sterren er met onze
groote telescopen te zien zijn, doch daarbij blijven wij altijd nog
in ons zonnestelsel en den Melkweg. En hoeveel van deze stelsels
zijn er wel in het heelal! Treft men niet op sommige deelen
van den hemel meer spiraalnevels in de onpeilbare diepten aan,
dan sterren! Met de moderne instrumenten kan men alleen op een
stukje van den hemel, zoo groot als de maan, eenige honderden
spiraalnevels observeeren!
En iedere spiraalnevel is een sterrenstelsel, zooals ons Melkwegstelsel met zijn millioenen sterren. Denkt U zich dan eens in, dat
al deze zonnen misschien ook vergezeld zijn van meerdere werelden, zooals onze planeten toch zijn. Zou er dan uitsluitend op
onze nietige aarde die toestand heerschen, welke de levensvormen,
zooals wij die kennen, mogelijk maakt, en zou deze toestand
nergens anders aanwezig zijn? Zou er dan op dat, ons begrip te
boven gaande, groote aantal planeten niet één zijn, die in gelijke
omstandigheden verkeert als onze aarde? Ik voor mij geloof dat
wel; mijn gevoel zegt mij, dat er zeker nog wel andere plaatsen
in het heelal moeten zijn, waar zich zulke wezens bevinden als
de mensch.
Maar wéten, onomstootelijk weten, dat die er zijn, neen, dat
doen wij niet. Het is daarbij zeer twijfelachtig of het den mensch
wel ooit gelukken zal te constateeren,dat zich werkelijk planeten
om andere sterren heenwentelen, gelijk dit bij onze zon het geval is.
Immers, de afstanden tusschen de vaste sterren zijn zoo onbegrijpelijk groot, dat die van onze planeten tot de zon geheel
in het niet verzinkt. Zouden wij ons de zon op een afstand
denken als die van de dichtstbijzijnde vaste sterren, dan is er
geen telescoop ter wereld in staat om de planeten bij de zon mede
te zien, daar de hoekafstand van beide daarvoor nog veel te klein
zou zijn.
Men moet trouwens bij het stellen van de vraag "leven er op de
andere planeten of ergens anders in het heelal ook menschen?"
141 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
niet vergeten, dat een planeet niet in elk willekeurig stadium van
zijn bestaan, menschen, zooals wij zijn, kan herbergen! Dat is,
voor zoover wij weten, maar voor een betrekkelijk korten tijd
mogelijk. Een korten tijd in verhouding dan tot het bestaan van
leven in den ruimsten zin des woords.
De aarde is immers toch ook een lichaam geweest, waar tientallen millioenen jaren geen leven mogelijk was. Hoeveel millioenen
jaren zijn er niet verstreken, eer de eens gloeiend heete bol zoover afgekoeld was, dat er een nog maar betrekkelijk dunne aardkorst ontstond, waarop het eerste primitieve leven mogelijk was!
En hoeveel millioenen jaren heeft het toen nog geduurd, voordat
uit dit leven het exemplaar "mensch" ontstond? Allemaal gissingen
en nog eens gissingen.
Toch kan ik mij niet indenken, dat wij menschen de eenige
wezens, begaafd met verstand, zooals wij dit kennen, in het heelal
zouden zijn. De vorderingen der techniek in de laatste halve eeuw
en het vermogen om uiterst geperfectionneerde instrumenten uit
te vinden, in aanmerking genomen, zou men zich kunnen afvragen,
of het in de toekomst te verwachten is, dat wij over bovengenoemd
vraagstuk iets meer te weten zullen komen.
Hierop zou men eigenlijk een min of meer ontwijkend antwoord
moeten geven. Men zou kunnen wijzen op allerlei uitvindingen,
die nu dagelijks gebruikt worden en als vanzelfsprekend aangenomen zijn. Uit dat oogpunt gezien, zou men kunnen zeggen
"men weet nooit, of het menschelijk vernuft nog eens een uitweg
vindt voor oogenschijnlijk onoplosbare problemen!"
Om maar een voorbeeld te noemen uit de astronomie. Voor
eenige tientallen jaren zou niet één astronoom het voor mogelijk
gehouden hebben om, als er geen zonsverduistering was, de
protuberansen op de zon te zien. Zoo was ook de corona, deze
uiterst zacht stralende omgeving van de zon, vroeger alleen bij
zonsverduistering te zien. (foto 40). Normaal wordt zij geheel
en al overstraald door het verblindende zonlicht. En toch is het
de laatste jaren gelukt om dit verschijnsel bij onverduisterde zon
fotografisch vast te leggen. De tegenwoordig ten dienste staande
technische middelen der astronomie kunnen ons echter thans nog
geen enkele zekerheid geven omtrent de vraag, of er nog andere
planeten bij al die milliarden sterren zijn en bijgevolg is het
onmogelijk te weten of daar leven, in welken vorm dan ook,
bestaanbaar is. Nog minder wat betreft de vraag, of daar eventueel
menschen als wij zouden kunnen bestaan. En toch, ik zei het reeds
eerder, kan ik mij niet met het denkbeeld vereenigen, dat wij de
eenige "Heeren der Schepping" zouden zijn.
Dat de romantiek nog lang niet uit het leven verdwenen is,
blijkt vaak als men met pas beginnende amateur-astronomen of
andere belangstellenden in deze mooie, oude wetenschap, in gesprek komt of op andere wijze met hen te doen krijgt.
142 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Zij stellen zich de waarnemende astronomen voor als menschen,
die altijd in fantastische werelden leven, omgeven door hun ontelbare sterren, in hun werk bestraald door het zachte maanlicht.
Voor velen, zeer velen, is astronomie synoniem met astrologie,
en toch zal niemand ter wereld de astrologie zoozeer verwerpen
als de astronomen. De "man in de straat" ziet in het algemeen
den astronoom niet voor vol aan; "want," denkt hij, "wie probeert
er nu om van de sterren iets te weten te komen? Wie haalt
het in zijn hoofd om die te gaan tellen? En dan zeggen deze
astronomen nog wel, dat de sterren zoo ver van ons afstaan,
soms zelfs, hoe zwaar ze zijn en nog veel en veel meer dingen
waar een gewoon mensch niet bij kan. Zij - de astronomen kunnen mij nog veel meer vertellen?" En daarbij worden zij in
het algemeen beoordeeld als menschen, die men niet al te serieus
moet nemen.
Al de jaren, dat ik zelf wat grasduin in deze mooie wetenschap en ook gedurende al de jaren, dat ik noodgedwongen met
"de man in de straat" in mijn gewone, dagelijksche werk te doen
had, hebben mij geleerd dat het overgroote deel der menschen zich
dit beeld van de astronoom gevormd heeft.
Er is echter ook een klein deel der menschen, - dat zijn zij, die
zich min of meer voor de sterrenkunde interesseeren - dat zich
juist naar de andere zijde een verkeerd beeld vormt van den
vak-astronoom.
Dezen stellen zich een astronoom voor als iemand, die niet
met zijn beide beenen op de aarde staat, als iemand, die altijd
in hoogere sferen leeft, steeds bezig met de geheimzinnige gebeurtenissen en toestanden te observeeren, die het zoo wisselende "spel
der sterren" in zijn telescoop hem biedt. Nacht in nacht uit zitten
zij die "wondere pracht der sterren" te begluren. Het aardsche
leven laat hen onberoerd en zij leven hun leven van min of meer
geheimzinnige schepsels temidden der gewone stervelingen.
Dan is er nog een zeer klein percentage menschen, dat den
astronoom uit geen dezer beide oogpunten beschouwt. Ik doel
hier wel in hoofdzaak op dié amateurs, die uit eigen ervaring
het een en ander weten van het werk, dat de vakman zoo al
verricht en wat hem onder verschillende omstandigheden te doen
staat. Zij weten uit eigen ervaring, wat het beteekent, om na den
gewonen dagelijkschen arbeid nogeens een of meerdere uren te
gaan observeeren en daarom weten ze in den regel ook wel wat
de prestaties van den vakman zijn. Deze zit elke nacht aan
zijn meridiaan-cirkel den doorgang der sterren te observeeren,
met zijn seinsleutel het juiste moment aan te geven als een ster
precies achter een fijnen spinragdraad voorbijschuift, daarbij de
hoogte van zoo'n ster aflezend op uiterst fijn verdeelde cirkels.
Als er bij ongeluk een heldere planeet ongeveer gelijktijdig met
zijn te observeeren ster in het veld van zijn kijker verschijnt, dan
143 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
beschouwt hij dat als een uiterst lastige verstoring zijner werkzaamheden en zal hij blij zijn als dat ding weer gauw uit zijn
kijker verdwijnt. Hier niet het romantische doorkruisen van maanbergen en het nagaan van de verschillende verschijnselen, die zich
bij de Jupitermanen voordoen, hoe mooi dit op zichzelf ook wezen
mag. Hiervoor is in de plaats gekomen het steeds weer aangeven
van hetzelfde verschijnsel en het steeds weer noteeren van getallen, een uitermate geduldswerk, dat de grootste accuratesse
vereischt, maar dat in den grond der zaak soms heel vervelend
wordt. En niet alleen vervelend, neen, soms onhoudbaar. Het is
immers zaak om zooveel mogelijk alle heldere nachten te benutten.
Nu is dat in den zomer niet zoo'n lastig probleem, maar 's winters,
als het kwik in den thermometer maar steeds lager en lager loopt,
dan is het wel een bewijs van grooten weerstand, van doorzettingsvermogen, als men ook dan alle gunstige, heldere nachten op de
waarnemingsplaats doorbrengt. Dit is dan de waarnemende astronoom, de man, die den grondslag (de waargenomen getallenwaarde) legt, waaraan de wiskundige astronoom later zijn berekeningen en hypothesen kan controleeren en toetsen. Ook voor
dezen is er in zijn dagelijksche werk weinig of geen romantiek.
Dag in, dag uit, ja, dikwijls jaar in jaar uit, verifieert en verwerkt hij op zijn rekenmachines de door de waarnemers genoteerde
getallenwaarden. Men moet voor dezen astronoom dan ook groote
bewondering hebben, vanwege zijn geduld en om zoo'n uiterst
vervelend en eentonig werk dag in dag uit te herhalen. Zoo zijn
er in het werk der astronomen vele onderdeelen, waarin ieder
voor zich min of meer gespecialiseerd is, doch op alle terreinen
is het werken en nog eens werken om een tip van den sluier op
te lichten, waarachter zich, voor den leek, al die geheimzinnige
gebeurtenissen afspelen.
De romantiek is alleen voor den belangstellenden leek, die
tevreden is met de zoozeer verbreide populaire boeken over
sterrenkunde door te lezen en die soms in het bezit is van een
sterrenkijker.
Bij een min of meer intensief gebruik van zijn sterrenkijker
zal hij echter gauw andere gedachten krijgen over het werk der
vak-astronomen en zal hij ook bewonderend opzien naar hun
prestaties, maar dan niet uit een romantisch oogpunt bezien.
De meeste werkzaamheden van den vak-astronoom zijn maar
weinig aantrekelijk, doch de resultaten, soms na lange jaren waarneming en heel vaak pas jaren later, door den astronoom aan
de rekentafel verkregen, zijn dikwijls bewonderenswaardig.
Vaak worden de astronomische wetenschap en haar beoefenaren
vooral in vroeger jaren, door de regeeringen wel wat erg stiefmoederlijk behandeld. Juist bij de op- of inrichting van sterrenwachten, kwam dat nogal eens voor.
Het is nu in vele landen wel zoo - en dat is ook wel wensche144 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
lijk - dat de sterrenwachten opgericht worden in de omgeving
van de Universiteit, waartoe zij behooren.
Het is natuurlijk noodig, dat de studeerenden aan de universiteiten ook practisch werkzaam kunnen zijn en daarom zijn, vooral
vroeger, de meeste sterrenwachten bijna uitsluitend neergezet in
de onmiddellijke omgeving van, ja zelfs in de stad zelf, waar de
universiteit gevestigd was. Nu leverde dit honderd en meer jaren
geleden niet zulke groote bezwaren op. De industrie had toen
nog niet den huidigen omvang, en het verkeer was niet zoo
enorm als nu. Het is thans echter een onhoudbare toestand als een
sterrenwacht door de zich steeds uitbreidende stad wordt ingebouwd. Electrische treinen en trams, zware transportauto's enz.
doen den grond in de omgeving, waarover zij heen suizen of
rammelen, bijna voortdurend trillen.
Voor den buitenstaander is dit niet zoo erg, maar zij, die
binnen de heilige muren van een sterrenwacht, hetzij overdag
of 's nachts hun werkzaamheden verrichten en die met hun
instrumenten dikwijls groote vergrootingen gebruiken, merken
die trillingen maar al te goed. Daarom worden ook alle instrumenten van een sterrenwacht zoo gemonteerd op hun statieven,
zuilen of voetstukken, dat zij geheel vrij van den vloer van het
gebouw zijn en er dus door de vloeren geen trillingen op het
instrument kunnen worden overgebracht.
Is het bovenstaande al een groot euvel voor een sterrenwacht,
die in de "bewoonde wereld" is gebouwd, erger nog is het bezwaar, dat de stadslucht bezwangerd is door allerlei stofdeeltjes.
Het is te begrijpen, dat de doorzichtigheid, de helderheid van
de lucht daardoor niet beter wordt, doch ook wordt de onrustigheid van de lucht veel grooter,. Het zal een ieder duidelijk zijn,
dat een flinke stofwolk de omtrekken van de voorwerpen vervaagt,
verdoezelt en minder goed zichtbaar maakt.
Er is nog een groot euvel aan een ingebouwde sterrenwacht
verbonden en wel dat der verwarming door de zonnestralen. Ieder,
de wel eens door een sterrenkijker naar de maan gekeken heeft,
weet daarvan mee te praten, vooral als de maan in den zomer
na een warmen dag betrekkelijk laag boven den horizon staat. Dan
is het net of de rand van de maan in de golven van de zee
ligt., zoo is de luchtmassa, waar wij doorheen moeten zien, in
beweging. Soms is dit zoo erg, dat men in het geheel geen
bijzonderheden van de maanoppervlakte kan zien.
Velen zullen buiten in de vrije natuur weleens opgemerkt hebben
hoe ver verwijderde dieren op de landwegen soms wel tweemaal
zoo hoog lijken als zij in werkelijkheid zijn, welke vervorming
veroorzaakt wordt door de opstijgende verwarmde lucht.
Als dit nu buiten in de vrije natuur al zoo goed merkbaar is,
hoe moet dat dan wel zijn als de huizenmassa van een groote stad
den geheelen dag aan de zonnestralen is blootgesteld! Gaat het
145 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
nacht worden, de werk"dag" voor den astronoom, dan treedt een
sterke afkoeling in en gaat de huizenmassa haar op den dag
vergaarde warmte weer afgeven. Het gevolg hiervan is een heel
sterke luchtbeweging boven de stad met haar ingebouwde sterrenwacht, waardoor de sterren in het veld van de kijkers soms zoo
hinderlijk op en neer dansen, dat men geen serieuze waarnemingen
kan doen en dus gedwongen is op te houden.
In het buitenland en vooral in Amerika, is men er dan ook
al sedert lang toe overgegaan om de groote sterrenwachten
geheel vrij van de universiteit, ver buiten de stad te bouwen,
op plaatsen, waar men geen of weinig last heeft van storend
licht, waar betrekkelijk veel heldere nachten zijn en waar men
niet in de waarnemingen gehinderd wordt door onzuivere lucht.
Zoo komt het dan ook, dat de bij het publiek meest bekende
sterrenwachten Lick (afb. 41) en Yerkes in een bergachtig terrein
zijn neergezet, ver boven het zeeniveau, waar men ook meestal
van de lager hangende bewolking geen last heeft.
In onze "lage landen aan de zee" kan het niet anders of men
staat practisch met de instrumenten op de hoogte van onzen waterspiegel, dus de minste bewolking roept den waarnemer een "halt"
toe.
Ik geloof niet, dat de twee officieele sterrenwachten van Nederland, in Leiden en Utrecht, heel veel last hebben van de uitstralende warmte van de stad, evenmin zullen de zoo beruchte
lichtreclames daar erg hinderlijk zijn, want beide sterrenwachten
liggen aan een singelgracht, omgeven door een park. Toch is hun
ligging verre van ideaal.
Wat rook en smook kunnen bederven aan een anders glashelderen
sterrennacht kan ieder constateeren, die 's morgens vroeg eens
van Haarlem naar Amsterdam fietst, vooral als er niet veel wind
is, zoodat de rookmassa's, als het ware, op de plaats zelf blijven
hangen. En ondanks zulke rookmassa's moet de astronoom soms
probeeren om met zijn kijkers ons iets te laten weten van al de
wondere pracht, die aan den hemel te zien is.
Nederland, hoewel in het bezit van twee universiteits-sterrenwachten, dat op alle andere gebieden der natuurwetenschappen
steeds vooraan gaat, is geen moderne wetenschappelijke sterrenwacht rijk.
De beide genoemde zijn aan de universiteiten verbonden, met
alle werkzaamheden, die daaruit voortspruiten.
In Indië daarentegen bestaat een goed uitgerust observatorium.
De Boscha Sterrenwacht te Lembang, die geheel vrij is, zoowel
van Universiteiten als van den Staat, maar deze werd dan ook
opgericht met geld van particulieren.
Het ligt waarlijk niet aan de astronomen van Nederland, dat
wij hier zoo iets nog niet hebben, want meerderen van hen zijn
wereldberoemd geweest, of zijn het nog.
146 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
DERTIENDE HOOFDSTUK
Sterrenwachten zijn al bijna zoo oud als de menschheid zelf.
In China en Voor-Indië had men, reeds eeuwen geleden, heele
parken met groote, steenen zonnewijzers en andere inrichtingen
om den loop der sterren te bestudeeren. Ook in de geschiedenis
van reeds lang uitgestorven volken neemt de Sterrenkunde een
voorname plaats in, vooral in verband met verschillende landbouwwerkzaamheden en eerediensten. Doch eerst de uitvinding van den
verrekijker bracht deze wetenschap met groote schreden vooruit.
Van ongeveer 1600 af zijn op verschillende plaatsen gebouwen,
die als sterrenwachten dienst deden, opgericht.
De verrekijker is, zooals men aanneemt, een Hollandsche uitvinding van Hans Lippershai te Middelburg. In 1608 zou
Lippershai aan de Hollandsche regeering zijn uitvinding "een
instrument om ver mee te zien" hebben aangeboden. Vóór dit jaar
duiken er echter al berichten op van menschen, die zoo'n instrument
uitgevonden zouden hebben. Doch door wie en waar dan ook uitgevonden, een tiental jaren na 1600 kwam de verrekijker in
gebruik en van het begin af werd dit instrument gebruikt bij het
waarnemen van den sterrenhemel.
Bekend en beroemd is vooral de Italiaansche natuuronderzoeker
Galilei, die met het nieuwe instrument voor het eerst bergen op
de maan zag, de manen van de planeet Jupiter ontdekte, vlekken
op de zon zag en ook waarnam, dat de lichtende band aan den
hemel, de Melkweg, uit een groote verzameling heel zwakke
sterren bestaat, die men met het bloote oog niet zien kan.
Thans zijn dergelijke waarnemingen, die Galilei beroemd en
berucht maakten, voor iederen amateur zeer gemakkelijk te verrichten.
Berucht zei ik, omdat Galilei, met de door zijn kijker waargenomen hemelverschijnselen als bewijs, ten strijde kon trekken
voor het Copernicaansche wereldbeeld. Men moet eenig inzicht
hebben in de kwaliteit en het prestatievermogen van de toenmalige kijkers, die beide zeer miniem waren, om zulke waarnemingen naar hun juiste waarde te kunnen schatten. Vooral
de kwaliteit liet alles te wenschen over. De constructie van den
kijker, door Galilei gebruikt, was gelijk aan het amateurkijkertje,
waarvoor ik al heel in het begin van dit boek de amateurs ernstig
waarschuwde. Daar de fouten der kleurschifting, die dergelijke
kijkers noodzakelijkerwijze vertoonen, eenigermate te ondervangen
147 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
zijn door den brandpuntafstand van zoo'n lens, in verhouding
tot de opening, heel lang te nemen, ontstonden er van die onmogelijk lange verrekijkers, die men met een hijschtoestel omhoog
moest brengen langs een lange mast. (afb. 42).
Men ging er zelfs toe over om het objectief met het oculair
door een lang touw te verbinden. Terwijl dan de objectieflens
hoog aan eeen paal draaibaar bevestigd werd, kon men het touw
spannen en zoo trachten door het oculair het begeerde object
in het vizier te krijgen. Onnoodig te zeggen, dat deze manier van
waarnemen zeer onhandig en omslachtig was. Men was er echter
wel toe genoodzaakt als men betere beelden wilde krijgen. Immers,
niemand minder dan Newton had verklaard, dat het wel nooit
gelukken zou om die hinderlijke kleurschifting in de toenmalige
kijkers op te heffen.
Zoo kwam men er omstreeks 1670 toe om spiegeltelescopen te
gaan gebruiken bij de waarnemingen aan den sterrenhemel, daar
deze instrumenten in het geheel geen kleurschifting vertoonen.
Een hol geslepen metalen spiegel werd aangebracht aan de
onderzijde van een buis, zoodat het sterrenlicht er van boven in
viel. De spiegel kaatste dat licht terug, dat dan opgevangen werd
door een klein metalen spiegeltje, hetgeen in een schuinen stand
- van 45 graden - ten opzichte van de kijkerbuis daarin werd bevestigd. Dit spiegeltje kaatste het ontvangen licht van den grooten
spiegel door een gat in den kijkerbuiswand naar buiten en daar
kon men dan het beeld, dat de telescoop van den hemel ontwerpt,
met een oculair vergroot zien.
Dit soort kijkers vertoonde niet die zoo hinderlijke fout der
achromatie en daardoor nam het gebruik van spiegeltelescopen
in dien tijd ook sterk toe. Een bezwaar van die metaalspiegels was
vooral dat, als de oppervlakte niet meer voldoende als spiegel
werkte, dus geen voldoende licht meer terugkaatste, men genoodzaakt was om dien spiegel opnieuw te laten polijsten. En daar men
met dit polijsten noodzakelijkerwijze ook weer aan de uitgeslepen
vorm moest gaan werken, was het lang niet zeker, dat de spiegel
zijn oorspronkelijken goeden vorm behield, welk gevaar bij de
tegenwoordig in gebuik zijnde spiegeltelescopen, voorzien van
een glasspiegel, niet aanwezig is.
Zooals de meeste menschen, vergiste ook Newton zich weleens
en dat deed hij met zijn uitspraak, dat de achromatie der kijkers
wel nooit opgeheven zou worden, want al heel spoedig loste de
Engelsche opticus Dolland dit vraagstuk op. Dit had tengevolge,
dat later door het werk van den Duitscher Fraunhofer de lenzenkijkers, nu aanmerkelijk verbeterd, weer in eere kwamen. Intusschen
zijn èn het simpele lenzenkijkertje van Galilei en het niet minder
simpele spiegeltelescoopje ván Newton uitgegroeid tot machtige
gevaarten van tien, zelfs twintig meter lengte. Iedereen heeft wel
zijn eigen voorstelling van een sterrentelescoop, doch voor het
148 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
ondeskundige publiek is het "een groote verrekijker" zonder meer.
Hoe groot, dat weet men in den regel niet goed uit te drukken.
Welk een machtig grooten indruk maakt zoo'n modern uitgeruste kijker of telescoop van 10-15 of 20 Meter lengte in de
groote koepelruimte, waarin hij staat opgesteld! Wat al stangen
en sleutels, contacten en schakelaars, verdeelde cirkels, hefboomen,
tegengewichten enz. enz., zitten aan de meterlange sterrenkijkers,
en die alleen maar hulpwerktuigjes zijn ten dienste van den grooten
reus.
Met eerbiedige bewondering ziet men zoo'n gevaarte aan, vooral
als men, met eenige kennis van zaken, weet hoeveel overleg,
hoeveel arbeid, en welk een nauwkeurigheid er voor noodig zijn
om zoo'n instrument naar behooren te doen functionneeren.
(foto 43).
Moet zoo'n reusachtig gevaarte niet even precies als Uw zakhorloge in 24 uur éénmaal om zijn as kunnen draaien? En zelfs
Uw horloge loopt in de meeste gevallen niet zoo precies als deze
groote, gigantische instrumenten, die niet enkele tientallen K. G.
wegen, zooals de meeste amateurskijkers, doch duizenden, tienduizend, zelfs honderdduizend K. G.! Niettemin loopen die
instrumenten om hun assen met een nauwkeurigheid, waarvan de
doorsnee-mensch geen begrip heeft.
Men moet niet alleen bewondering hebben voor de prestaties
der astronomen, verkregen met zulk soort instrumenten, doch niet
minder bewondering en eerbied zijn wij verschuldigd aan hen, die
in staat zijn werktuigen van een dergelijke praecisie te vervaardigen.
In vroeger tijd maakte men zich niet veel zorg als men een
nieuwe (!) sterrenwacht ging inrichten. Een bestaand gebouw,
voor dit doel met min of meer goed gevolg verbouwd, was dikwijls reeds voldoende. Daar de in te richten sterrenwacht in de
meeste gevallen aan een onderwijsinrichting verbonden was,
schonk men er in den regel weinig aandacht aan, of het klimaat
en de omgeving wel geschikt waren. Later is dat wel zeer veranderd. Als er nu plannen ontstaan voor een nieuw op te richten
sterrenwacht, worden er vaak al jaren tevoren steekproeven genomen, om te weten wáár de omstandigheden het gunstigst zijn.
De meteorologische toestand van de betreffende plaats wordt
onderzocht, evenals de verbinding met de buitenwereld. Waarnemingen met een telescoop geven opheldering over de doorzichtigheid van de lucht, over het aantal nachten dat kan worden waargenomen enz. enz.
Vroeger was de sterrenwacht een hooge toren. Tegenwoordig
wordt een moderne sterrenwacht meestal in een min of meer
beboschte omgeving gebouwd of in groote parken. De gebouwen
voor de verschillende instrumenten komen meestal afzonderlijk
te staan. Zoo treft men op alle groote sterrenwachten één hoofd149 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
gebouw aan, hetzij gecombineerd met voor andere instrumenten
bestemde gebouwen, hetzij geheel afzonderlijk.
Dit hoofdgebouw herbergt altijd het grootste instrument van
de sterrenwacht, een refractor dan wel een reflector. Dat deze
gebouwen soms groote afmetingen moeten hebben zal men begrijpen als men bedenkt, dat daarin de kijker naar alle richtingen
vrij moet kunnen draaien.
De grootste lenzenkijker, van 102 c. M. lens-opening, bevindt
zich in de Yerkes-sterrenwacht en heeft een lengte van 19 M.
Het is dus duidelijk, dat de overkapping van zoo'n reus ook buiten
alle verhouding groot moet zijn en wel zoo, dat de geheele koepel
rondgedraaid kan worden naar elk willekeurig punt der hemelstreken. Op kleinere sterrenwachten wordt de koepel eenvoudig
door de handkracht van den waarnemer zelf rondgedraaid, hetzij
door tandwiel-overbrenging, of eenvoudig door den koepel met de
hand om te duwen. Voor kleine koepels is dat niet zoo bezwaarlijk,
zelfs een koepel van 5 M. doorsnede laat zich zoo nog heel gemakkelijke draaien. Maar bij de reusachtige koepels van enkele
honderdduizenden K. G. heeft men natuurlijk electromotoren
noodig. Bij deze instrumenten is de waarnemer aan den kijker in
staat om door een enkelen druk op een electrischen contactknop
den koepel naar elke gewenschte richting te doen draaien.
Behalve het hoofdgebouw heeft zoo'n moderne sterrenwacht
zeer dikwijls nog meerdere soortgelijke gebouwen van kleinere
afmetingen, bestemd voor hetzelfde soort instrumenten, doch van
kleiner formaat. Meestal vindt men in een van zulke gebouwtjes
dan ook nog een instrument, hetzij groot of klein, dat speciaal
voor het fotografeeren van den sterrenhemel dient.
Een geheel ander soort gebouwen zijn die, waarin de zoo uiterst
nauwkeurig werkende meridiaancirkels staan opgesteld. Deze
instrumenten zijn niet naar alle hemelstreken beweegbaar, doch
alleen draaibaar om een horizontale as, die uiterst nauwkeurig
van Oost naar West loopt, zoodat de kijker zelf alléén maar een
boog aan den hemel kan beschrijven in de lijn van Noord naar
Zuid, in den meridiaan. Vandaar de naam meridiaancirkel. Daarvoor is ook alleen maar noodig, dat het gebouw, waarin dit
instrument staat, een voldoende ruime opening heeft, die niet eens
zoo heel breed behoeft te zijn, doch die zoowel door het dak
als door de zijwanden moet loopen, het gebouw als het ware in
twee helften deelend. Hoewel voor amateursbegrippen hier ook
nog tamelijk groote kijkers in gebruik zijn, worden kijkers met
objectiefopening tusschen 10 en 20 c. M. wel het meest gebruikt.
Trouwens voor deze soort instrumenten zijn eigenlijk in den grond
der zaak de kijkers zelf bijzaak, de groote, uiterst nauwkeurig
verdeelde cirkels hoofdzaak. Deze cirkels moeten uiterst nauwkeurig de plaats van de sterren in hoogte aanwijzen, in declinatie,
zooals de vakman zegt. Daartoe zijn de cirkels, meestal twee,
150 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
aan iederen kant met microscopen uitgerust om de verdeeling op
meerdere plaatsen te kunnen aflezen en zoodoende de uiterst kleine
foutjes van één aflezing te kunnen elimineeren. Hoewel alle
sterrenkundige instrumenten van zeer groote nauwkeurigheid zijn,
is zoo'n meridiaancirkel toch wel hèt instrument, waarop alle
verfijning, de meest nauwkeurige praecisie is toegepast en waarbij
men met de waarneming wel de meeste voorzorgen in acht neemt,
teneinde de meetresultaten zoo nauwkeurig mogelijk te krijgen.
Dit is het instrument, waarvoor de luchttemperatuur zoo constant
mogelijk gehouden wordt, en de vochtigheid der lucht steeds moet
worden gemeten, terwijl men het behoedt voor bestraling door de
zon. De stand der pijlers wordt dikwijls gecontroleerd door middel
van een uiterst gevoelige waterpas, waarbij o. a. gecontroleerd
wordt of de kijkerbuis wellicht is doorgebogen.
Dit is het instrument, waar veel beginnende amateurs en
belangstellenden het over hebben, als zij spreken over de vele voorzorgen, die men voor sterrenkundige instrumenten treft.
De verdeelde cirkels, hoofdzaak aan deze instrumenten, zijn
ook aanwezig en veelal in nog grootere afmetingen aan de groote
en zeer groote refractors en spiegelkijkers, doch hier zijn ze dan
weer gedegradeerd tot hulpmiddel, alleen dienend om het groote
instrument naar een bepaald punt van den hemel te richten, waarbij
het er niet op een tiental boogseconden aankomt, doch dezelfde
en een nog vele malen kleinere fout zou den meridiaancirkel totaal
onbruikbaar maken.
Wij spraken reeds terloops over de gebouwtjes van een sterrenwacht, speciaal voor het fotografeeren ingericht. Vrijwel even
lang als de fotografie bestaat, is zij ook in meer of mindere mate
in de sterrenkunde toegepast. In de laatste tientallen jaren zijn
er speciale sterrenwachten gebouwd, waar het fotografeeren hoofdzaak is geworden. Een voorbeeld hiervan is de Harvard-sterrenwacht in Amerika en de Sterrenwacht Sonnenberg in Duitschland. Daar wordt nacht na nacht, jaar in jaar uit de sterrenhemel
gefotografeerd met allerlei groote en kleine instrumenten. In den
stillen nacht hoort men daar niets anders dan het zoemen der
drijfwerken van de fotografische kijkers, die overal op het terrein
verspreid staan, meestal opgesteld in zeer eenvoudige huisjes.
Uur na uur worden er de platen verwisseld, gefixeerd, gedroogd
en dan... opgeborgen in een speciaal daarvoor ingericht gebouw,
zoo ingericht, dat deze platenverzameling niet vernield kan worden
door de een of andere aardsche catastrofe.
Hier is het archief van den sterrenkundige, hier kan men vele
plaats gehad hebbende gebeurtenissen aan den sterrenhemel, soms
jarenlang geleden, controleeren en verifieeren.
Een staf van tientallen astronomen, onder wie de dames sterk
vertegenwoordigd zijn, is daar voortdurend aan het werk om alle
resultaten uit het fotomateriaal te halen. Hier is de plaats en het
151 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
materiaal, waar die vele sterrencatalogi met fotometrisch gemeten
helderheden der sterren vervaardigd zijn. Ook op dit gebied is
de groote, vruchtdragende Harvard Sterrenwacht zeer werkzaam.
Jaar in jaar uit is men daar bezig uit dat fotomateriaal verschillende gegevens te verzamelen. Zeer bekend is wel de "Henry
Drape"-catalogus, een werk van negen groote deelen met het
spectrum van ongeveer een kwart millioen sterren, hun fotometrische zoowel als fotografische helderheden en hun plaats in
A. R. en Decl. aan den hemel. Zeer benijdenswaardig lijkt dit soort
astronomenwerk den leek niet toe, dunkt mij. Want in den stillen,
kouden nacht heeft de astronoom veelal niet anders te doen dan
zoo nu en dan door een contrôlekijker te zien of de ster, die men
als "leidsman" bij het fotografeeren gebruikt in het veld van den
kijker, nog op de juiste plaats is blijven staan. Slechts even draaien
aan een of meerdere knoppen van het instrument is veelal voldoende
om eventueele onregelmatigheden te corrigeeren. Soms wordt dit
werk vele uren achtereen voortgezet; immers, men maakt hier
meestal lange en zeer lange tijdopnamen. Belichtingstijden van
eenige uren zijn regel, doch het komt ook vaak voor, dat men
belichtingstijden van 10 tot 20 en meer uren toepast, verdeeld over
meerdere nachten. Wij hebben al eens eerder gezegd, dat er onder
de werkzaamheden van den waarnemenden astronoom meerdere
zijn, die eentonig, zelfs vervelend moeten toeschijnen aan den
leek. Welnu, dit contrôlewerk is er wel een sprekend voorbeeld
van. En toch is dit een arbeid, die altijd met de uiterste nauwkeurigheid geschieden moet. Deze wetenschap sterkt den astronoom, die daar in ijzig koude winternachten aan het werk is. Hij
weet, dat van zijn nauwkeurigen arbeid niet alleen het welslagen
van zijn negatief afhangt, maar dat alleen dan de astronoom achter
het meetinstrument later in staat zal zijn om goede resultaten te
bereiken. Zeer groote voordeelen heeft de fotografische methode
boven de directe waarneming door den astronoom. Immers, de
lichtindruk van een bepaalde zwakke ster wordt bij de directe
waarneming niet grooter, men kan er naar kijken zoo lang men
wil, men kan haar met een bepaald instrument zien of men kan
haar ook niet zien. Met de foto-camera is dat echter anders;
hoe langer men de plaat aan het licht der sterren blootstelt, hoe
meer sterren er op te zien zullen komen.
Er zijn vele plaatsen aan den hemel, waar men met het bloote
oog slechts enkele zwakke sterren kan zien, terwijl een sterrenkijker er eenige tientallen zal laten zien. Doch laten wij nu
eens een foto maken van datzelfde gedeelte met ongeveer
een uur belichtingstijd. Duizenden sterren worden dan zichtbaar.
(foto 44). Wanneer wij de belichtingstijd echter 3 of 4 uur nemen,
dan zijn er meestal tienduizenden sterrenpuntjes op de fotografische plaat aangegeven, dáár waar het bloote oog met groote
moeite slechts eenige zwakke sterren kon ontwaren. Het is dan
152 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
ook niet te verwonderen, dat de fotografie in de sterrenkunde
zoo'n groote verbreiding gevonden heeft. Een groot voordeel
hierbij is ook, dat men verdeeling van den arbeid zoo goed kan
toepassen. En de fotografeerende astronoom behoeft in het geheel
niet dáár werkzaam te zijn, waar zijn metende vakgenoot in de
rekenkamer zijn arbeid verricht.
Hoe dikwijls komt het niet voor, dat beide astronomen aan de
bijna tegenover elkaar liggende zijden der aarde werkzaam zijn.
Terwijl men aan de sterrenwacht van Kaap de Goede Hoop de
fotografieën opnam van den zuidelijken sterrenhemel, was onze
landgenoot, Professor Kapteyn te Groningen, bezig de platen hier
uit te meten, door welke samenwerking de zoo bekende "Cap
Durchmusterung" ontstaan is.
Dezelfde methode van werken wordt toegepast bij de "Bergedorfer Spektral Durchmusterung" en bij de "Kapteyn ijkvelden
van den zuidelijken hemel" te Potsdam.
Een bijzonder uitgewerkte methode der fotografie, ter opsporing
van kleine planeten, werd het eerst toegepast door Wolf te
Heidelberg.
Tusschen de loopbanen van Mars en Jupiter bewegen zich een
groot aantal kleine planeten, voor het bloote oog geheel onzichtbaar. Zelfs voor tamelijk flinke kijkers is een groot aantal hunner
niet te zien. Meer dan 1500 zijn er al bekend en hoofdzakelijk
door middel van de fotografie. De grootere onder deze planeten waren nog wel te vinden door haar voldoende helderheid,
waardoor zij opvielen bij het vergelijken van bestaande kaarten
met den hemel. Met de groote massa kleine en lichtzwakke
was dit uitgesloten, ook al, en vooral, omdat die gestadig van
plaats veranderen en als het ware tusschen de andere sterren door
loopen. En dàt juist verraadt hun aanwezigheid aan den hemel
op de fotografische plaat. Als men een gedeelte van den hemel
- de meeste kans op succes geeft dat deel, waar de ecliptica door
loopt - fotografeert, waar een klein planeet moet zijn, dan zal
men de fotoplaat meestal een paar uur belichten, doch in die paar
uur is de kleine planeet van plaats veranderd, is tusschen de sterren
doorgeloopen. Nu krijgt men op het negatief van de sterren mooie,
ronde puntjes, grootere voor heldere, kleinere voor zwakkere
sterren, doch de planeet, die niet op haar plaats wilde blijven staan,
heeft in de paar uur belichtingstijd op het negatief een klein
streepje geteekend van gewoonlijk een halve millimeter lengte.
Dat is echter voor den astronoom een bewijs dat hij weer een
kleine planeet gevangen heeft. Alwèèr, ja, want er zijn astronomen,
die er speciaal hun werk van maken om deze op te sporen. Deze
methode is echter alleen toe te passen tot aan een bepaalde helderheid van de kleine planeten. Worden zij zeer lichtzwak, dan zijn
zij, juist door hun beweging aan den hemel, niet in staat een
lichtindruk op de plaat achter te laten.
153 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
De astronoom is echter vindingrijk. Van de reeds bekende kleine
planeten weet men met welke snelheid zij zich aan den hemel
voortbewegen. Nu beweegt de astronoom zijn foto-apparaat zoodanig, dat hij de snelheid der kleine planeten compenseert.
Dan krijgt hij op zijn negatief geen sterrenpuntjes doch sterrenstreepjes en voor de kleine planeten een sterrenpunt in plaats
van een streepje, en hier was het hem om te doen. Immers, de
kleine, lichtzwakke planeet kon eerst geen sterrenstreepje produceeren op de plaat, daarvoor was zij te lichtzwak. Met deze methode
echter kan steeds op hetzelfde puntje van de plaat het zwakke
licht inwerken en hoe langer de plaat nu maar belicht wordt,
des te beter wordt zoo'n zwak planetenpuntje zichtbaar. Op deze
manier worden de allerzwakste kleine planeten ontdekt.
Veelal treft men foto's aan van kometen, die op dezelfde manier
ontstaan zijn, doch dan is de komeet meestal wel zichtbaar voor
den astronoom. Daar echter de kometen ook met meer of mindere
snelheid tusschen de sterren door loopen, moet men ook het fotoapparaat met de beweging der kometen laten meeloopen in plaats
van met de beweging der sterren. Zoodoende krijgt men een
goed geslaagde opname van de komeet, doch op het negatief ziet
men dan ook hier de sterren weer als streepjes.
Met behulp van deze fotografische methode is men er al heel
gauw toe gekomen om atlassen van den sterrenhemel samen te
stellen, waarin honderdduizenden, ja millioenen sterren staan.
Reeds in 1887 kwam men er toe om door internationale samenwerking zoo'n atlas te gaan vervaardigen, de zoogenaamde "Carte
du ciel". Hoe geweldig dit werk is kan men nagaan als men weet,
dat nu, na een halve eeuw, er sterrenwachten zijn, die met het
hun toegewezen deel van den hemel nog niet gereed zijn. Op
meerdere andere sterrenwachten is dit werk echter achterhaald
door nieuwere methodes en vooral door gebruik te maken van
voor dit doel meer geschikte fotolenzen.
De nauwkeurigste plaatsbepaling der sterren aan den hemel
geschiedde tot nu toe uitsluitend met den meridiaankijker, doch
het is sedert enkele jaren ook mogelijk geworden met speciaal
voor dit doel vervaardige fotolenzen dit zoo uitermate nauwkeurige werk fotografisch te doen. Hierdoor is men in staat
om dit werk, dat anders uit den aard der zaak maar zeer langzaam vorderen kan, met grootere snelheid uit te voeren.
Er is bijna geen gebied in de sterrenkunde, waar de fotografie
niet wordt toegepast en waar zij niet bijna altijd te verkiezen is
boven directe waarneming. Alleen met het observeeren van bijzonderheden op de planeten en op de maan is de direct waarnemende
astronoom nog in het voordeel, die met zijn teekenpotlood nog
meer en beter deze bijzonderheden kan vastleggen dan dit - tot
nu toe - fotografisch mogelijk is.
Voor planetenfotografie moeten de belichtingstijden tot nu toe
154 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
veel te lang zijn, tengevolge waarvan er een grootere kans is om
fouten te maken en onscherpe beelden te verkrijgen door onrustige
atmosferische toestanden in onzen eigen dampkring. Een eerste
vereischte om goede resultaten te verkrijgen is dan ook een zeer
groote lichtsterkte met bijgevolg heel korte momentopnamen, in
een buitengewoon rustige atmosfeer. Groote verwachtingen dienaangaande kan men hebben van het instrument, dat pas in Amerika
in gebruik is genomen, met een spiegeldiameter van 5 Meter.
Dat de fotografie een buitengewoon groote plaats is gaan
innemen in de astronomie blijkt wel uit het feit, dat die groote
instrumenten van de laatste jaren er alle op ingericht zijn om
speciaal fotografisch werkzaam te zijn.
In de beginperiode van de fotografische astronomie probeerde
men nog weleens om met de bestaande kijkers fotografische
opnamen te maken, doch de resultaten waren en bleven maar
zeer matig. De oorzaak hiervan was, dat de toenmalige objectieven
der astrokijkers er speciaal op geslepen en gepolijst waren om het
voor ons oog zichtbare licht zoo goed mogelijk in een punt (het
brandpunt) van het objectief samen te brengen.
Fotografische platen zijn echter het meest gevoelig voor de
kleur van het licht - blauw, violet en ultraviolet - waarvoor
ons oog minder (blauw) of in het geheel niet (ultraviolet) gevoelig is.
Men trachtte ook wel door gebruikmaking van geelfilters dit
euvel te verhelpen, doch de resultaten voldeden niet aan de verwachtingen. (foto 28). Pas met speciaal geslepen en gepolijste
objectieven, die het meest of uitsluitend gevoelig waren voor de
fotografische stralen, werden de resultaten, zooals ze nu zijn en
die men alleszins bevredigend kan noemen.
Doch deze objectieven waren weer niet geschikt voor waarneming met het oog en zoo komt het, dat men nu op alle sterrenwachten voor ieder soort werk afzonderlijke instrumenten aantreft.
Een instrument tusschen deze beide uitersten is de spiegeltelescoop, waarvan ik reeds eerder het voordeel op dit gebied
aangaf.
Zoowel met optische als met fotografische waarnemingen zijn
hiermede dezelfde goede resutaten te bereiken. Tot voor eenige
jaren was dit nog niet geheel en al het geval. De spiegeltelescoop
teekende maar een miniem stukje van den sterrenhemel behoorlijk
scherp af. Het beeldveld was niet vlak genoeg en hoewel men
op soms zeer ingenieuze wijze dit euvel probeerde te omzeilen,
door eenigszins holle negatief glasplaten te gebruiken, bleef het
nadeel echter toch bestaan. Voor nevelvlekken, sterrenhoopen en
objecten, die maar een kleine hoekmaat aan den hemel innemen,
was en blijft de spiegeltelescoop het aangewezen instrument, getuige de schitterende opnamen van een enorm aantal nevels en
sterrenhoopen. Doch zoodra het de bedoeling was een groot stuk
155 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
van den hemel met voldoende scherpte in beeld te brengen, liet
de spiegeltelescoop ons hopeloos in den steek. Dat liet hij, want
heden ten dage is dat niet meer het geval. De beroemde opticus
Schmidt is erin geslaagd om voor buitengewoon lichtsterke spiegels
correctielenzen te berekenen en te vervaardigen, welke het mogelijk
maken, door een combinatie van spiegel en correctie-lens, zeer
groote stukken van den hemel in beeld te brengen. Er zijn nog
niet veel van deze "Schmidt-camera's", zooals men ze genoemd
heeft, in gebruik, doch hun aantal zal mettertijd zeker sterk
toenemen.
Deze omschakeling, als men het zoo noemen wil, van optische
naar mechanische waarneming, voltrekt zich nog steeds en vindt
ook zijn terugslag in de beoefening der astronomie door den zich
meer of minder daaraan wijdenden amateur. Bij hem is het immers
zoo, dat hij in zijn beginperiode alle bezienswaardigheden, alle
nieuwtjes (voor hem) van den hemel afkijkt, doch na korteren
of langeren tijd gaat ook hij meestal tot fotografeeren over.
En voor den amateur is hier zeker alles voor te zeggen. Met
de tegenwoordige opgang der kleinbeeldfotografie zijn voor
een betrekkelijk klein bedrag "tweede-hands" vele goede fotoobjectieven te koop, die voor den amateur zeer geschikt zijn.
Hier bedoel ik niet de in de amateur-literatuur zoo warm aanbevolen Petzval-objectieven, daar men van deze dingen meer
ergernis dan plezier zal beleven, maar wel bedoel ik de dubbel
anastigmaten in allerlei grootten en van allerlei merken, die
vooral in de lichtsterkte F: 4.5 vrij veel voorkomen.
Dit is hèt astro-foto-objectief voor den amateur. Deze objectieven met brandpuntafstanden tot 20-30 c. M. zijn nog tamelijk gemakkelijk te krijgen, doch de grootere soorten zijn niet
zoo dik gezaaid. Soms kan men jarenlang zoeken eer men een
behoorlijk groot exemplaar machtig wordt. En met dit soort
objectieven bereikt de amateur resultaten, waaraan men eenige
tientallen jaren terug op de groote sterrenwachten nog niet denken
kon. (foto 45).
Zooals men ziet, is deze fotografische waarnemingswijze een
zeer speciaal gebied geworden in de astronomie. En zoo zijn er
meerdere onderdeelen van het veelomvattend gebied dezer wetenschap, waarin men zich specialiseert.
Zoo b. v. de "spectraal analyse". Voor den leek is dit een onbegrijpelijk woord, doch den ingewijde zegt het alles over de samenstelling en beweging der sterren, die toch zoo oneindig ver van
ons verwijderd zijn. Als er iets is, waar de leek volslagen vreemd
tegenover staat, dan zijn het wel de mogelijkheden, waartoe de
spectraal analyse in staat is.
Wij weten welke stoffen op de zon en de sterren aanwezig zijn,
stoffen soms, waarvan men op aarde voor enkele tientallen jaren
het bestaan niet eens kende. Men weet of een ster in de ruimte
156 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
zich naar ons toe of van ons af beweegt en met welke snelheid
dat geschiedt. Men kan de aswenteling van de zon en de planeten
hiermede controleeren en tot nog veel meer stelt de spectraal
analyse ons in staat.
En wat is daartoe noodig? Alleen de lichtstralen van zon,
planeten en sterren zijn in staat om ons berichten over te brengen
van daar aanwezige stoffen of gebeurtenissen, lichtstralen, die
tientallen, ja duizenden jaren noodig hebben om de machtige
afstanden, die ons van het licht uitzendende hemellichaam scheiden,
te doorloopen en die dan in geheimzinnige teekens aan ons vertellen van hun samenstelling en van gebeurtenissen, die daar
tientallen, duizenden jaren geleden plaats hebben gevonden.
De spectraal analyse, toegepast in de astronomie, is de scheikunde der sterren. Trouwens, in bijna alle toegepaste natuurwetenschappen is deze speciale wetenschap een buitengewoon
machtig hulpmiddel voor allerlei onderzoekingen.
In onzen modernen tijd zijn er waarschijnlijk niet zoo heel veel
menschen meer, die zich de mooie, driekantige glazen staafjes
herinneren van onze oude lampekappen en lichtkronen. Hoe mooi
bont gekleurd zag de wereld er uit, gezien door zoo'n glasstaafje!
Hierin zag men, zoo vaak men wilde, den mooien kleurenband,
dien men soms ook in natura aan den hemel kan zien als een min
of meer grooten boog; n. l. den regenboog.
Zeer aantrekkelijk waren voor ons de mooi geteekende kleuren
in hun volgorde van rood, oranje, geel, groen, blauw en violet.
Hier hadden wij echter niets anders voor ons dan een straal zonlicht, die uiteengerafeld was tot deze mooie kleurbanden en waarin
een taal gesproken werd, slechts verstaanbaar voor hen, die daarvan speciale studie gemaakt hadden. Die taal vertelde van de
aanwezigheid op de zon van de ons op aarde welbekende elementen:
waterstofgas, natrium, ijzer, nikkel, magnesium en nog meerdere
stoffen. Doch één bepaalde stof daar aanwezig, "helium" noemde
men het, was tot dan toe op aarde niet bekend. Jaren later echter
werd ook deze stof, een gas, op aarde gevonden en iedereen weet
nu wel, dat men daarmee de zoo bekende luchtschepen vulde voor
hun groote tochten over werelddeelen en oceanen.
Men bouwt tegenwoordig spectroscopen voor zeer verschillende
doeleinden. In den meest eenvoudigen vorm is zoo'n instrument
een samenstelling van één of meer glazen prisma's, onze min
of meer bekende glasstaafjes der oude lampekappen en kronen,
doch dan meer wetenschappelijk van samenstelling en van technische uitvoering. Tezamen gebracht met kijker en foto-apparaat,
geeft zoo'n eenvoudig stuk driehoekig glas ons vele der geheimzinnige uitkomsten, die wij nu over de natuurkundige eigenschappen
der sterren kennen.
Bekijkt men het zonlicht door een daartoe geëigende spectroscoop, dan ziet men niet alleen den mooien kleurenband, dien wij
157 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
allen als regenboog zoo goed kennen, doch in dien kleurenband
ziet men een aantal zwarte strepen, de eene dik, de andere wat
dunner. Deze strepen zijn het eerst ontdekt door Wollaston.
Fraunhofer, een beroemd Duitsch opticus, was echter de eerste,
die aan deze zwarte strepen in het zonnespectrum golflengtemetingen deed. Hij vermoedde toen al, dat deze onaanzienlijke
zwarte strepen een zeer belangrijke rol in de natuurkunde der
sterren zouden gaan beteekenen. Hij zal echter in geen enkel
opzicht hebben kunnen vermoeden tot welke mogelijkheden de
"spectraal analyse", zooals dit onderdeel der sterrenkunde genoemd wordt, de astronomen in staat gesteld heeft.
Fraunhofer's vroegtijdige dood, hij werd nauwelijks 40 jaar
oud, verhinderde hem om zijn vondst verder uit te werken en te
vervolmaken.
Deze zwarte strepen in het zonnespectrum worden naar hem dan
ook "Fraunhofer lijnen" genoemd en de meest opvallende onder
hen worden algemeen aangeduid met de letters A B C D E F G H.
Fraunhofer kon in het zonnespectrum reeds een 600-tal van die
donkere lijnen bepalen, welk aantal inmiddels, met behulp van de
moderne spectraal apparaten, tot over de 20.000 is gestegen.
(afb. 46, no 1).
Van een ster, die voor het bloote oog in een menschenleeftijd,
wat zeg ik, in duizend jaar, even helder blijft en altijd dezelfde
plaats behoudt ten opzichte der andere sterren, van zoo'n ster
zegt de astronomie, dat zij zich met een snelheid van, laat ons
zeggen, 50 K. M. per seconde van ons af beweegt. Een andere ster,
even "standvastig" als de vorige, beweegt zich met een snelheid
van 50 K. M. per seconde naar ons toe. Deze sterren verwijderen
zich dus van elkaar met een snelheid van 100 K. M. per seconde.
De spectraal analyse stelt ons in staat om zulke onbetwistbare
feiten aan te toonen.
Als wij nog niet wisten, dat de zon in ongeveer 25 dagen om
haar as draait, zou men dat met behulp van de spectraal analyse
al heel gemakkelijk kunnen constateeren. Immers, als de zon om
haar as draait - hetgeen zij inderdaad doet - dan zal een bepaald
punt aan de oppervlakte van de zon zich aan de eene zijde naar
ons toe bewegen, aan het tegenovergestelde punt echter van ons af
en dat kan men met behulp der spectraal analyse al heel gemakkelijk aantoonen, hetgeen al vaak is en wordt gedaan.
De spectraal analyse stelt ons ook in staat om te constateeren
of er op de zon en op de sterren, welke laatsten toch nog onbegrijpelijk veel verder van ons af staan, aardsche stoffen aanwezig
zijn en in welken toestand. De moderne astronomie zou niet geweest zijn wat zij nu is, als men niet het spectraal analystisch
onderzoek had kunnen toepassen.
Vaak, zeer vaak hoort men de stelling verkondigen, dat, hoe
meer men van dergelijke dingen leest en er van afweet, hoe meer
158 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
men tot de ontdekking komt, dat men niets weet. Hoewel in deze
opvatting wel een kern van waarheid schuilt, zou ik toch niet
gaarne beweren, dat men met de astronomische kennis niet ver
gevorderd is. Integendeel, ik zou juist willen zeggen, dat wij veel,
zelfs zeer veel weten omtrent den sterrenhemel, die ons in mooie
winternachten zoo intens kan imponeeren. En dat alles dank zij
de simpele lichtstraal van die ver verwijderde hemellichamen, die
den astronoom ter beschikking staat.
Het licht met zijn onbegrijpelijk groote snelheid van ongeveer
300.000 K. M. per seconde, heeft ons daarover al heel wat kennis
bijgebracht.
Na de ontdekking van Fraunhofer brak de tijd aan om de
spectraal analyse op den sterrenhemel te gaan toepassen. Twee
Duitsche natuurkundigen, Bunsen en Kirchhoff, zijn het voornamelijk geweest, die na vele moeizame onderzoekingen tot de
volgende conclusie kwamen:
Een gloeiend vast of vloeibaar lichaam geeft een eenvoudig
spectrum zonder donkere lijnen.
Een gloeiend gas vertoont een spectrum met helder gekleurde
lijnen, terwijl kleur, plaats en aantal der lijnen afhankelijk zijn
van den aard van het gas.
Als zoo'n bonte kleurenband donkere lijnen vertoont, zooals in
het zonne-spectrum, dan is het licht afkomstig van een gloeiend
lichaam en is het door een koelere, dit lichaam omgevende gaslaag
gegaan, voor het ons op aarde bereikt.
Daardoor is de plaats en het aantal der lijnen afhankelijk van
den chemischen aard van de omhullende gaslaag.
Met deze spectraal analystische stellingen kan men voorwerpen,
die duizenden lichtjaren van ons afstaan, gaan onderzoeken. Nu
zou het al vrij gemakkelijk zijn als alle te onderzoeken objecten
van dezelfde samenstelling waren, zoodat kleur, druk, temperatuur
enz. gelijk zouden zijn.
Doch, zooals overal op elk natuurgebied, gelijkheid is daar niet,
zoomin op aarde als aan den hemel. (afb. 46). En zoo vertoont
iedere ster weer een afzonderlijke conglomeratie van donkere of
heldere strepen, lijnen en banden, welker hoofdzaken vaak heel
veel op elkaar gelijken, doch die toch niet geheel en al gelijk zijn.
Een fundamenteel werk op dit gebied heeft de Harvard Sterrenwacht verricht, doordat men daar van ongeveer een kwart millioen
sterren de spectra bepaalde en classificeerde.
Het licht is een zoogenaamde golfbeweging, de golven liggen
echter, vergeleken met de watergolven op een kanaal, veel dichter
bij elkaar. Op een watervlakte ziet men rimpels (óók golven),
waartusschen maar enkele c. M. afstand is, tot golven, die enkele
Meters van elkaar af zijn (op binnenwateren). De lichtgolven
echter hebben afstanden van elkaar van ongeveer eenige tienduizendste m. M.
159 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Nemen wij nu de geluidsgolven als vergelijkings-object, dan
weet een ieder - of heeft het onbewust weleens ervaren- dat,
als een treinlocomotief ons fluitend nadert (tegenwoordig een
zeldzaamheid), de toonhoogte hooger is dan wanneer hij zich
van ons verwijdert. Ditzelfde verschijnsel kan men tegenwoordig
observeeren als men in een trein een onbewaakte overweg passeert,
die door een electrisch signaal beveiligd wordt. Een analoog verschijnsel, maar dan met betrekking tot het licht, treedt aan den
sterrenhemel op. Immers wij weten door hun eigen bewegingen, dat
alle sterren zich in een of andere richting bewegen, het zij precies
recht van ons af, of naar ons toe, dan wel dwars op onze gezichtslijn. Meerendeels echter daar tusschen in.
Als nu een ster zich, laat ons zeggen, precies naar ons zonnestelsel toe beweegt of van ons af, dan zal de bron van lichtuitzending, in casu de ster, zich iedere seconde op een andere
plaats bevinden, òf dichter bij ons, òf verder van ons af.
Bij het spectroscopisch onderzoek, met dit doel verricht, komt
dit tot uiting, doordat dan de donkere lijnen in zoo'n sterrenspectrum óf naar de eene óf naar de andere zijde verschoven zijn
ten opzichte van dezelfde donkere lijnen in het spectrum van een
aardsche lichtbron. Hierdoor is men in staat na te gaan, niet alleen
of de ster naar ons toekomt of van ons af gaat, doch men kan ook
met vrij groote nauwkeurigheid aangeven hoe groot die snelheid
van beweging is. De natuurkundige Doppler in Salzburg publiceerde
deze gedachte voor het eerst - in 1843 - en sindsdien wordt dit
verschijnsel dan ook "Doppler effect" genoemd. Voor sterrenonderzoek spreekt men dan speciaal van "radiëele" snelheid, daar
dit effect wel te onderzoeken is bij sterren, die zich naar ons
toe of van ons af bewegen, doch niet bij die, welke zich dwars
op onze gezichtslijn voortbewegen.
Nu geeft deze methode van spectraal onderzoek of bepaling
der radiëele snelheid ons wel een middel aan de hand om de
snelheid van een ster te bepalen, zooals die is in de richting van
de gezichtslijn, doch van de werkelijke bewegingsrichting weet
men dan nog niets, evenmin als van den werkelijken afstand.
Men is echter, met de bepaling der eigen beweging van een ster
èn met de bepaling der radiëele snelheid, in staat om aan te geven
precies in welke richting en met welke snelheid zich een ster door
het heelal beweegt als bovendien de parallax van zoo'n ster
bekend is, met andere woorden, wanneer men ook precies weet
op welken afstand de beweging plaats heeft.
Op vele sterrenwachten wordt aan deze ploblemen gewerkt en
vooral in de laatste jaren is men op dit gebied met behulp der
fotografie zeer veel verder gekomen.
Ook op allerlei ander natuurkundig gebied is de spectraal analyse
een buitengewoon machtig hulpmiddel voor het onderzoek geworden.
160 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
Om nog één voorbeeld te geven waartoe de spectraal analyse
in de astronomie in staat is, moge het volgende dienen:
Sedert 1912 is men in Amerika met de daar aanwezige groote
instrumenten op dit gebied begonnen om radiëele snelheden van
nevelvlekken te meten. En dit is met een groote mate van zekerheid ook gelukt. Men kwam daarbij tot wel zeer verrassende
uitkomsten. Men vond snelheden van 3800 K. M. per seconde, maar
ook van 41.600 K. M., hetgeen dus al ongeveer 1/7 der lichtsnelheid
beteekent.
En wat nog meer verwonderde, was, dat de meeste der gemeten
radiëele snelheden van nevels van ons af gericht waren.
Zonder in nadere bijzonderheden te treden, - die vinde men
beter in speciale boeken op dit gebied - was het mijn bedoeling
alleen maar te doen zien tot welke prestaties men met dezen tak
der astronomie gekomen is.
Vrijwel het geheele terrein der spectraal analyse is voor den
waarnemenden amateur een onbereikbaar gebied.
Des te beter kan hij echter met kijker en camera werkzaam
zijn om een ruimer inzicht te krijgen in de wonderen van den
sterrehemel, terwijl hij onder bepaalde omstandigheden ook nog
wetenschappelijk verantwoord werk kan verrichten. Over dit
laatste make men zich echter niet al te veel illusies; er zijn op
dit gebied zooveel bezwarende voorwaarden om te slagen, dat
het tot de uitzonderingen behoort wanneer een amateur uit zichzelf iets in dit opzicht bereikt. Wil hij echter toch graag doelmatig wetenschappelijk werk verrichten, dan stelle hij zich met
een beroeps-astronoom in verbinding.
Des te meer nadruk kan ik leggen op het feit, dat men een
ruimer inzicht krijgt in de wonderen van den sterrenhemel.
En ik mag hieraan nog toevoegen, dat men door dit "hemelsch"
inzicht ook op het wereldgebeuren een heel anderen kijk krijgt.
Men gaat dit laatste in de juiste verhoudingen zien van min
of meer tijdelijken aard, al gevoelt men vanzelfsprekend de onaangenaamheden niet minder dan andere menschen.
***
Het lijkt mij wel dienstig hier ook eens aandacht te wijden
aan iets, dat ik reeds lang had opgemerkt, doch dat mij in de
laatste maanden nog eens zoo duidelijk gedemonstreerd werd door
een aantal bezoekers, die ik, vooral in den laatsten tijd weer, bij
mij mocht ontvangen.
Ik bedoel de totaal verkeerde voorstelling, welke vele menschen
hebben van figuren aan den hemel, en dan vooral in verband
met het zoo befaamde sterrenbeeld "Ursae Majoris" of wel
"De Groote Beer". Zoo moest ik, slechts enkele weken geleden,
eenigen jongelui laten zien, wat het verschil is tusschen het sterren161 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
beeld "De Groote Beer" en "De Pleiaden" of wel de "Zevenster".
De laatste figuur, groepje van een zestal voor het bloote oog
dicht opeen staande sterren, hetgeen men een open sterrenhoop
noemt, is geen opvallende verschijning wat helderheid aangaat,
doch wel opvallend, omdat deze sterren zóó dicht opeen staan,
dat er niet weinig menschen zijn, voor wie deze sterren een eenigszins nevelig aanzien krijgen, waarom zij ook wel regensterren
genoemd worden.
Het sterrenbeeld "de Groote Beer" bestaat uit zeven opvallend
heldere sterren, die tamelijk ver uit elkaar staan.
De klassieke figuur van dit sterrenbeeld is daarom hier nog
eens weergegeven, met eenige andere gegevens, die wel van zeer
groot belang zijn voor den amateur, die over min of meer betere
observatie-gelegenheid, in casu een kijker, beschikt.
Men kijke er de figuur, gevormd door de zeven sterren van
bijgaand kaartje maar eens goed op aan! (kaartje 17). Op het
kaartje vindt men dit beeld, zooals het in de wintermaanden laag
boven den horizon staat, misschien wat meer naar links of rechts,
dat is er naar, op welken tijd van den avond en in welken tijd van
den winter men er naar zoekt. Bij de ster "Alpha" wijst een
pijl de richting aan, waarin het sterrenbeeld om de "Poolster"
draait; deze laatste schijnt stil te staan. Ziet men dit sterrenbeeld aan den hemel in het Noorden juist heel laag boven den
horizon staan, dan kan men het zes uur later juist rechts van
de Poolster vinden, terwijl de "staart van den Beer" 'eta', 'zeta' en 'epsilon'
naar beneden wijst; weer zes uur later staat het beeld heel hoog
boven ons hoofd aan den hemel, terwijl de staart naar rechts
wijst; weer zes uur later staat het links van de Poolster en wijst
de staart naar boven, om weer zes uur later in zijn stand van
uitgang terug te keeren.
Heeft men eenmaal dit verloop geconstateerd, dan kan men al
vrij gemakkelijk eenige mooie waarnemingen doen.
Alle sterren draaien denzelfden regelmatigen gang van rechts,
over ons hoofd (als men naar het Noorden kijkt), en naar links.
Het lijkt wel wat vreemd, maar toch is dat niet zoo vreemd.
U beseft niet, hoe weinig menschen zooiets weten, of er althans
ooit op gelet hebben, en toch is het wel de moeite waard om
het in de natuur zelf te zien gebeuren.
Heeft men zoo den gang van "de Groote Beer" eenmaal gadegeslagen, dan zal men ook bemerkt hebben, dat dit sterrenbeeld
altijd boven den horizon blijft en bij ons in Nederland nooit
onder gaat.
Alle sterren, die voor ons altijd boven den horizon blijven, noemt
men circumpolaire sterren. Er is ook een groot aantal sterren,
dat in het Westen voor ons ondergaat en opkomt in het Oosten.
Dit gebeuren staat in verband met de omdraaiings-as, waar onze
moeder-aarde haar dagelijksche wenteling in volbrengt, doch het
162 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
is hier niet de plaats om daar verder op in te gaan. Ten overvloede
heb ik nog eens in de figuur van "de Groote Beer" de eigennamen
der sterren 'zeta' Mizar en g Alcor bijgevoegd; men vergete vooral
niet, te probeeren de g met het bloote oog, gescheiden van Mizar,
te zien, en er tevens op te letten, dat g bij de dagelijksche wenteling om de Noordpool ook altijd achter "Mizar" "aanrijdt" en
daarom ook wel "Het Ruitertje" genoemd wordt.
De Noordpool!? Deze is een theoretisch stilstaand punt aan den
hemel, dat men echter niet zien kan. Doch om het ons, aardbewoners, gemakkelijk te maken, is er niet alleen een goede aanwijzing bij geplaatst, doch ten overvloede is er nog een teeken,
om deze aanwijzing te vinden.
Op zichzelf zou het niet zoo moeilijk zijn, om, wanneer men
opmerkzaam den hemel beschouwt, een ster van de 2de grootte,
dus een heel heldere, te vinden, die altijd voor ons op dezelfde
plaats stil bijlft staan, doch om het ons nog gemakkelijk te maken,
kijke men kaartje 17 er nog eens terdege op na.
Daarop ziet men een rechte lijn loopen, vanaf de sterren 'beta'
over 'alpha' Groote Beer, naar 'alpha' Kleine Beer of Poolster. Neen lezer,
deze lijn is aan den hemel niet te zien, net zoo min als de stippellijnen, die de sterren onderling verbinden, doch die men er dikwijls
in plaatst om de meest opvallende figuur van een sterrenbeeld
aan te geven. Zooals u ziet, loopt deze lijn, die u in gedachten
daar maar neer moet zetten, vanaf 'beta' iets rechts voorbij 'alpha' naar
de poolster; en nu kunt u ook probeeren vast te stellen, dat deze
lijn rechts voorbij 'alpha' loopt.
Zooals u kunt nameten - doen hoor! - behoeft u den afstand
van 'beta' tot 'alpha' maar vijf keer op die lijn uit te leggen en u komt
prompt op de poolster uit. En deze blijft nu eens lekker niet
stil staan, doch draait ook om de Noordpool (die u niet zien kunt)
maar op een afstand daarvan, welke ongeveer zoo groot is als
twee maal de diameter van de maan. Daar, waar de twee lijnen
elkaar snijden, is dan die onzichtbare Noordpool.
Hoewel de sterren van het sterrenbeeld "de Kleine Beer"
"Ursae Minoris" niet zoo opvallend zijn als van zijn grooten broer,
is het toch wel de moeite waad om die figuur te kunnen vinden,
alleen de ster 'beta' is ook ongeveer van de 2de grootte, dus nog
opvallend helder. Het aardige van deze figuur is, dat zij veel
overeenkomst vertoont met de figuur van "de Groote Beer", doch
dan in kleiner formaat, zoowel in afmetingen als in helderheid.
Het zal u heusch met de hier gegeven aanwijzing niet moeilijk
vallen om ook dezen kleinen broeder aan den hemel te vinden.
En zoo zouden we door kunnen gaan met aanwijzingen te
geven om ook de andere, minder bekende sterrenbeelden te
vinden en vooral om de bijzonderheden in elk sterrenbeeld aan
te geven, welke voor een waarnemenden amateur van belang
zijn. Daarvoor zouden wij hier te uitvoerig worden, doch
163 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
misschien is er later nog wel eens gelegenheid om daarop
terug te komen. Zooals u op ons kaartje ziet, is er in de onmiddellijke nabijheid van de Noordpool maar een drietal sterren te
zien, waarvan de meesten uwer de ster 'lambda' met het bloote oog wel
niet eens zullen kunnen zien. (kaartje 18). Om twee redenen voeg
ik hier een kleiner detailkaartje in, waarop in den onmiddellijken
omtrek van de Noordpool alle sterren staan van ongeveer de
grootte-10. Met een kleinen Astro-kijker of een grooten prismakijker zal men deze sterren ongeveer allen kunnen zien
en zal men zich vrij goed kunnen oriënteeren op de sterren
'alpha' Poolster, 'delta' en 'lambda'. De buitenste cirkel der figuur heeft een diameter
van 2 graden, en zoo valt het al weer wat gemakkelijker om dat
theoretische punt aan den hemel, dat stilstaat, te benaderen, en kan
men ook constateeren, dat er aan den hemel nogal een paar sterren
meer staan, dan men met het bloote oog zien kan. Toch zijn
wij hier nog maar op een plaats, die betrekkelijk arm is aan
sterren. Binnen den grooteren cirkel ziet men ook nog weer een
kleineren, met een diameter van 1 graad, dus ongeveer tweemaal
den diameter van de maan. In dezen cirkel vindt u eenige sterren
aangegeven, die door een stippellijn verbonden zijn; deze sterren
zijn ongeveer gelijk van helderheid en moeten dienen om u het
vinden van nog zwakkere sterren, die nog dichter bij de pool
staan, mogelijk te maken.
Op een veel grootere schaal ziet u hierbij nog een kaartje met
sterren in de allernaaste omgeving der Noordpool (kaartje 19); hoe
dicht ook het sterretje der grootte 13,94 bij de pool zelf staat, het
staat er toch nog niet precies in, zooals u ziet. Dit laatste kaartje
is met opzet hierin opgenomen, en juist in verband met de twee
voorgaande, om hen, die over een kleineren of grooteren kijker
beschikken, in de gelegenheid te stellen de kracht van hun kijker
te kunnen beoordeelen, met andere woorden, om het dóórdringend
vermogen van hun kijker te kunnen bepalen. De door een stippellijn
verbonden sterren, vindt men ook op het vorige overzichtkaartje
terug, en zoodoende is oriënteering op dit meer gedetailleerde
vrij gemakkelijk. Daarom is alleen ook maar op het laatste kaartje
de helderheid der sterren aangegeven in twee decimalen. Men kan
ongeveer aannemen, dat men met een kijker van 60 m. M. opening
sterren ziet der grootte-11. Met een kijker van 80 m. M. ziet men
ongeveer sterren der grootte-12,5 en met een kijker van 150 m. M.
ziet men ongeveer sterren der grootte-14. Zooals dit hier aangegeven is, geldt het alleen voor heel goede oogen, volkomen
heldere en doorzichtige lucht en vrij van alle kunstlicht, waarvan
wij trouwens thans wel nergens last zullen hebben. Deze uiterste
zichtbaarheidsgrens voor de aangegeven kijkers hangt te veel van
omstandigheden af, om daarvoor een juiste, algemeen geldende
regel te kunnen aangeven, hetgeen niettemin toch nog wel eens
gedaan wordt.
164 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
De helderheden der sterren op dit kaartje zijn internationaal
vastgelegd, en gelden over de geheele wereld als standaardmaat
voor vergelijkend onderzoek naar de helderheid van verschillende
sterren. Op een aantal groote sterrenwachten, waar men beschikt
over groote kijkers en fotometers, zijn deze sterren onder allerlei
omstandigheden gemeten met en zonder filters, gefotografeerd
met de allergrootste instrumenten in alle jaargetijden, met behulp
van platen, die gevoelig zijn voor speciaal uitgezochte spectraalkleuren en uit deze werkzaamheid is ten slotte een reeks sterren
te voorschijn gekomen in een afdalende reeds helderheden, vanaf
de poolster zelf, (waarvan hier de helderheid niet is opgegeven)
tot aan sterren der grootte-21 toe, die evenmin op dit kaartje
voorkomen. Zelfs met de allergrootste kijkers, die er bestaan, zijn
sterren der grootte 19 en daar onder niet meer te zien doch wel
te fotografeeren, en om ook voor deze werkzaamheden een
standaardmaat te hebben, heeft men dan ook de helderheid van
deze allerzwakste sterren bepaald. Nu in den allerlaatsten tijd de
groote spiegeltelescoop op den Mount Palomar in Californië in
gebruik genomen is, zal men deze bovengenoemde reeks wel weer
verder kunnen uitbouwen. Zooals men misschien in de dagbladen
heeft gelezen, bezit dit instrument een spiegel van niet minder
dan 5 meter middellijn, en daarmede wordt de grens van het
voor ons zichtbare heelal weer een eind verder de ruimte in verschoven.
Dit alles is alleen dienstig voor wetenschappelijk onderzoek
van den sterrenhemel; de amateur kan slechts zijn bewondering
uiten voor dit grootsche werk. Over het algemeen heeft hij,
die met dit alles slechts oppervlakkig kennis maakt, er geen
voldoende begrip van, en daardoor gaat juist het wonderlijke verloren, evenals de min of meer romantische kant, welke er ongetwijfeld aan is, terwijl de groote getallen en zeer gewaagde veronderstellingen hem dikwijls te ver gaan. Anders is het, wanneer
men zoo iemand spreekt over de "bevolking" van den sterrenhemel met allerlei figuren en voorstellingen, waarvan hij zoo nu
en dan wel gehoord heeft. Hier zij nog eens opgemerkt, dat menig
sterrenbeeld vrij veel, soms zelfs zeer veel overeenkomst vertoont
met de figuur, die het voor moet stellen, vooral wanneer men
daarmede de in vele talen en bij alle volken verspreide sagen en
mythen in verband brengt. Dan eerst komt er leven en beweging
voor ons in de schijnbaar zoo onsamenhangende constellatie der
sterren.
Een der mooiste voorbeelden is wel het sterrenbeeld "Orion",
waarvan hierbij een kaartje is weergegeven. (kaartje 20). Zeer veel
voorstellingen zijn van dit sterrenbeeld in omloop, doch het is hier
niet de plaats daar verder op in te gaan; mij persoonlijk heeft
echter altijd het meest de voorstelling van een jager, die den stier
bevecht, met achter zich den, voor een jager onmisbaren hond,
165 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
getroffen. Het sterrenbeeld "De Stier" vertoont eveneens met de
voor te stellen figuur zeer veel overeenkomst; men denke zich
deze rechts boven de Orion-figuur, als op deze aanstormend.
Dan verzoek ik u om met mij Orion nauwkeurig uit te teekenen.
U moet u deze figuur voorstellen met het gezicht naar u toegekeerd, dus de linker arm van Orion wordt dan gevormd door
het rijtje sterren, gemerkt met 'pi' en 'sigma', waarin Orion op oude
sterrenatlassen een schild omhoog houdt, zijn rechter arm, gevormd door de sterren 'mu', 'xi', 'nu' tot 'chi' houdt hij met een hoog
geheven vuist of knots eveneens opgeheven, als tot den strijd met
den aanstormenden "Stier"gereed.
En zeker heeft het geen moeite voor u om het geheele lichaam
van Orion als volgt geteekend te vinden: de sterren 'lambda' en 'phi' zijn
het hoofd, de sterren 'alpha' en 'gamma' vormen dan rechter en linker schouder, de sterren 'kappa' en 'beta' zijn het rechter en linkerbeen, de sterren
'zeta', 'epsilon' en 'delta' vormen de "gordel van Orion", waaraan zijn zwaard
hangt, voorgesteld door de sterren 'iota', 'theta' en c. Als men nu de min
of meer uitgebreide sagen en mythen kent, die er omtrent dit
sterrenbeeld, en alle er omheen staande, in omloop zijn, dan verwondert men zich erover, hoe mooi Orion in alle deze voorstellingen
past, zelfs nog in verband met sterrenbeelden, die daarvan aan
den hemel zeer ver verwijderd zijn, en die u zeker ook, zonder
meer, niet vinden zult.
Niet alleen de sterrenbeelden in zijn naaste omgeving, zooals
"de Stier", hiervoor besproken, "de Haas", "de Kleine Hond",
"de Groote Hond" met de schitterende ster "Sirius" links onder
hem, en "de Tweelingen" komen in de Orion-voorstelling naar
voren, doch ook sterrenbeelden als "de Groote Beer" en "de
Schorpioen" die op heel ver verwijderde plaatsen aan den hemel
staan, behooren er toe. En hoewel dit nu juist het aantrekkelijke
voor de leek is, het is voor hem juist het groote bezwaar, daarin
door te dringen, en daar eenig inzicht in te krijgen.
Dit is echter de romantische kant van de studie; keert men
tot de werkelijkheid terug en gaat men in zoo'n aangegeven
sterrenbeeld als Orion naar bijzonderheden zoeken - en dat zal
de ware amateur zeker doen - dan zijn deze er legio; dubbelsterren te kust en te keur, 'lambda', 'delta', 'beta', meervoudige sterren, 'iota', theta' en c,
nevelvlekken (?) bij 'zeta' en de groote, in alle populaire boeken
voorkomende nevel om de ster 'theta', veranderlijk sterren (?) 'alpha' en
een groot aantal zwakkere; dit alles eenigszins uitvoerig aan te
geven zou zeker een tamelijk uitgebreid hoofdstuk vereischen.
Treedt men nog verder in bijzonderheden en bestudeert men
meer uitgewerkte verhandelingen over Heliumsterren - dat
zijn sterren van buitengewone temperatuur, die juist in dit deel
van den hemel voorkomen - en verder Reuzensterren, waarvan
de ster 'alpha' - eigennaam is "Betelgeuze" - een typisch voorbeeld is,
dan krijgt men pas een voorstelling, hoe hier de alleroudste ge166 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
schiedenis der sterrenkunde, in den vorm van sagen en mythen,
is ontstaan en ten slotte overgegaan is in de meest moderne
toepassingen der Astrophysiek, zooals de toepassing der spectroscopie, fotografie, fotometer en interferometer.
Gaat men dit alles reeds bij de aanschouwing van zoo'n nuchter
kaartje van "Orion" overdenken, dan moet men toch wel bewondering hebben voor den menschelijken geest, die in zijn kindsheid, nu duizenden jaren geleden, zoo'n sprekende gelijkenis met
een jagenden Orion aan den hemel zag, dat hij deze kon teekenen
met behulp der aanwezige sterren, maar niet minder moet
men bewondering hebben, ja ontzag, voor het menschelijk vermogen, dat thans in staat is om zelfs den middellijn van
sterren te kunnen meten, op afstanden van ons, die met alle
menschelijke voorstellingen spotten.
En dit is juist met onze ster 'alpha' Orion het geval; deze was
een der allereerste sterren, waarvan, met behulp van den interferometer, de middellijn bepaald kon worden, en deze bleek zoo
groot te zijn, dat onze zon met de planeten tot en met Saturnus,
daarin gemakkelijk een plaats zou vinden, en die planeten zouden
dan nog rustig om de zon heen kunnen loopen, zonder uit den
buitenrand van deze ster te komen. Dus met rechte een reuzenster!
Ik kan mij voorstellen, lezer, dat u lust heeft om nu ook eens dit
zoo interessante sterrenbeeld "Orion" aan den hemel op te zoeken.
Doch u moet het niet in den zomer, herfst of lente probeeren;
voor hen, die uitsluitend op daarvoor eenigszins geschikte avonduren hun geluk willen beproeven, is Orion alleen in de wintermaanden te vinden en te bewonderen.
In Novenber begint Orion in het Oosten boven den horizon
te komen, om ongeveer 8 à 9 uur, doch dan is er van al het mooie
nog niet veel te zien. Daarmee kunt u beter wachten tot in
December en Januari, dan staat Orion voldoende hoog aan
den hemel, en zult u, bij wijze van spreken, struikelen over de
drie sterren 'delta' 'epsilon' en 'zeta', dicht op elkaar op een rij, alle van
groote helderheid. Deze sterren vindt u dan aan de zuidelijken
kant van den hemel, hetzij in het O. Z. O. of in het W. Z. W. of
precies in het Zuiden. Onmogelijk is het, zich daarmede in
December en Januari te vergissen; dit groepje van drie is algemeen in de volksmond bekend als "de Driekoningen", ook wel
"Jacobsstaf" genaamd. Hebt u dit eenmaal gevonden, dan is het,
met behulp van het aangegeven kaartje, zeker niet moeilijk om
ook de overige, nog goed in het oog vallende sterren, te vinden.
***
Lezers, het is niet mijn bedoeling geweest, U een leerboek over
sterrenkunde voor te zetten; daarvoor zijn meer bevoegden
aangewezen. Wel heb ik willen trachten, zoo mogelijk eenige
167 of 168
09-06-10 16:02
Mijn sterrenwacht
http://members.quicknet.nl/ss.bastiani/Mijn_sterrenwacht.html
belangstelling bij U op te wekken voor deze, zoo mooie tak van
wetenschap en U eenig inzicht willen geven in hetgeen men op dit
gebied reeds bereikte. Tevens heb ik aangegeven wat de amateur
zoo ongeveer met zijn bescheiden hulpmiddelen kan zien, zonder
echter daarover in te veel bijzonderheden af te dalen. Ook is het
mijn bedoeling geweest, U eenig inzicht te geven in de moeilijkheden, waarmede de beginnende amateur te kampen heeft.
Ten slotte kan men dit boek ook beschouwen als een antwoord
op de zoo dikwijls, al jaren lang aan mij gestelde vraag:
"Hoe bent u er eigenlijk toe gekomen om sterrenkijker te
worden?"
Heel mijn hart heb ik aan de sterrenkunde verpand en... waar
het hart van vol is, loopt de mond van over. Dáárom heb ik
mij aan het schrijven gezet, dat geenszins mijn gewone taak is,
evenmin als de astronomie trouwens. Ik schreef dus niet om het
groote aantal voortreffelijke boeken van geleerden te vermeerderen
met een amateur-geschrift, ik schreef uit liefde, in de hoop bij
velen eveneens liefde te wekken voor die mooie, belangrijke
wetenschap: de sterrenkunde.
***
168 of 168
09-06-10 16:02
Download