Sociaal Recht

advertisement
Sociaal Recht
Voorwoord
Het is aan te raden deze cursus te gebruiken als een leidraad bij de syllabus. De lessen
Sociaal Recht bestonden toch hoofdzakelijk uit het aflezen van de syllabus.
Eventuele richtlijnen bij de syllabus zullen hier in vermeld worden.
Het examen: schrijf niet meer dan nodig! Prof. Lindeboom houdt niet van ellendig
lange examenkopijen. Het verbeteren wordt erger naarmate het antwoord langer is.
Hoofdstuk 1: Inleiding
A. Begrip
Er zijn twee grote groepen:
 arbeidsrecht
 Sociaal Zekerheidsrecht
Arbeidsrecht
= recht in verband met tewerkstelling, in verband met alle (professionele)
betrekkingen tussen werkgever en werknemer.
2 delen:
 Individueel : individuele betrekkingen tussen werkgever en werknemer
 Collectief : groep van werknemers tegenover de werkgever of een groep
van werknemers.
Sociaal Zekerheidsrecht
= die regels die betrekking hebben op waar zich een sociaal voorval
voordoet en om dat sociaal voorval op te vangen.
 Vervangingsinkomen  inkomen valt weg
vb. werkloosheid, beroepsziekte, arbeidsongeval
 Aanvullingsinkomen  inkomen bestaat, doch is ontoereikend.
vb. kinderbijslag, tegemoetkoming ziektekosten.
 Bestaansminimum (OCMW)  tegemoetkoming om aan ieder een
menswaardig bestaan te geven.
§ 1.Specifieke kenmerken van het Sociaal Recht
 Het Sociaal Recht heeft een beschermende rol. De economisch zwakkere wordt
beschermd. En daar wordt geen rekening mee gehouden in het Burgerlijk Recht of
Handelsrecht.
 meer objectiever!
De wet is er voor iedereen!
De zwakkere is meestal de werknemer in het Arbeidsrecht!
 Grote plaats die “sociale partners” toekomt in de ontwikkeling van het Sociaal
Recht.
Sociale partners worden betrokken bij beslissingen, die dus niet alleen genomen
worden door de wetgevers.
Niet alleen gewone regels, maar ook C.A.O.’s.
 gekozen door sociale partners
Geen recht, maar geldt als recht in plaats
waarvoor
C.A.O. gemaakt is.
Besluit : invloed sociale partners.
 Procedureel : onder arbeidsgerechten en - hoven.
Bijzondere rechtbanken, nl. Arbeidsrechtbanken.
(Opmerking: Hoger Beroep  Arbeidshof)
§2. Arbeidsrecht
A. Begrip
 Over werkgever en werknemer, niet over zelfstandigen of overheidsambtenaren.
 ( S.Z.-recht: wel zelfstandige arbeid voor de gehele bevolking)
Maar wanneer ben je werknemer en wanneer zelfstandige?

arbeid uitgeoefend in ondergeschikt verband.  element “gezag” is
aanwezig
enkel verhouding WGWN als er een gezagsverhouding bestaat.
(volgens de wet)
(wet 17/7/1985)

Rechter beslist al dan niet ondergeschikt. (gezagsrelatie toetsen aan
werkelijke situatie.)
Richtlijnen : vb. strikte uurregeling?
constant verantwoording afleggen?
....
Doch reactie uit rechtspraak!
vb. wie betaalt er sociale bijdrage?
Wat is een arbeidsovereenkomst (A.O.)? (Def. p. 10 onderaan)
= een overeenkomst waarbij de werknemer zich bereid verklaart tot arbeiden
in ondergeschikt belang ten opzichte van de werkgever.
De werkgever verbindt er zich toe loon te betalen.
2
B. Historiek p. 11
C. Bronnen
1. Nationale Bronnen
 Grondwet
 recht op een menswaardig bestaan te leiden. (recht op arbeid)
vooral federaal.
 Wet
 belangrijkste bron
Kaderwetten + verdere regeling door K.B.’s (en M.B.’s)

algemene wetten die kaders vormen om koning en minister de meest
ruime besluiten te laten nemen.
 Eigen rechtsvorming
nl. diegene die ontstaat door betrokken partijen zelf (WG & WN)
Vooral : arbeidsreglementen - C.A.O.’s
 Hiërarchie van bronnen (5 dec. 1968) p. 13
Deze moet je niet van buiten kennen, wel weten dat ze bestaan.
Wettelijke bepalingen
 ...
C.A.O.
...
ind. A.O.
...
Arbeidsreglement

Mondelinge overeenkomst

gebruik (vb: betalen van een superpremie op einde van het
jaar staat nergens geschreven.)
Die hiërarchie betekent dat de hogere norm voorrang heeft op een
lagere.
Iedere lagere norm moet in overeenstemming zijn met een hogere
norm.
2. Internationale en supranationale bronnen
 Supranationale bronnen : boven de staten heen vb. de verordeningen van de
EEG
vb. 16/12/68  vrij verkeer van werknemers.
Gevolg : arrest van Bosman.
 Internationale bronnen : tussen de staten zelf afspraken maken: verdragen.
- bilateraal
- multilateraal
(Geen overkoepelende gemeenschap)
3
§3. Sociale zekerheidsrecht
A. Begrip
Definitie : p.14.
België : 2 types regelingen:
- Sociale verzekeringen
- Sociale bijstandsregelingen
3 soorten: - vervangingsinkomen (werkloosheid, pensioenen)
- aanvullingsinkomen (kinderbijslag, terugbetaling van medicatie)
- bestaansminimum
Juridische kwestie van de sociale bijdrage :
Input : wie en hoeveel ?
Output : aan wie ?
Opmerking : Zelfstandige arbeid valt buiten het Sociaal Zekerheidsrecht.
- Arbeider
- Zelfstandige arbeider
- Overheidsarbeider
Voor ieder afwijkend S.Z.-statuut.
B. Historiek (p.16-17)
Heel andere evolutie dan arbeidsrecht.
Sociale Zekerheid  om onzekerheid op te vangen.
Vroeger : die onzekerheid werd opgevangen door familie + liefdadigheid tussen
mensen.
Meer en meer: eigendom hebben + sparen
+ idee van privaat verzekeren om zich tegen bepaalde risico’s in te dekken.
(vb: pensioensparen)
Stilletjes aan: officieel S.Z.-systeem, waarbij de verzekeraar de overheid is.
(premies = sociale bijdragen)
Nu: Soc. zekerheid is gebaseerd op solidariteitsprincipe: de groep die bijdraagt, draagt
bij voor de anderen volgens hun eigen kapitaalhoeveelheid.
Bismarck en Beveridge hebben een grote invloed gehad op het ontstaan van het S.Z.systeem.
 opvangnet
 zuivere verzekering via betalen van premie
4
België
Begin 20e E: regeling in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten.
Tussen WOI en WO II: pensioenen
1944 : Wet die basis is voor Sociale Zekerheid.
Jaren ‘60-’70: Cascade van verschillende wetten in verband met S.Z.
Inzicht dat de zelfstandige ook een sociaal statuut nodig heeft.
Jaren ‘80-’90: put in de S.Z. en werkloosheid tegemoet te treden.
C. Bronnen
1. Nationale bronnen (ons zekerheidsrecht is nationaal.)
 Grondwet : cfr. Arbeidsrecht (vooral federaal)
Iedereen heeft recht op een menswaardig bestaan.
Vooral wetgeving van nationaal niveau.
(Zeldzaam: gewesten vb. VDAB)
(RVA: regionaal)
Algemene beginselen van de S.Z. voor werknemers.
 Wetten
Enorm veel kaderwetten, de meeste worden geregeld door K.B.’s.
2. Internationale en supranationale bronnen

EEG-verordeningen  het bepalen welke wet van toep. is
vb. 1408/71  het coördineren van de int. wetten

harmonisatie van de verschillende soorten S.Z.-systemen.
(tussen België - Nederland - Frankrijk - etc.)
5
§4. Sociaal Procesrecht
 gespecialiseerde rechtbank, namelijk de arbeidsrechtbank.
(= rechtbank voor sociale geschillen)
Verschilpunten
 1 professionele rechter en 2 bijzitters, namelijk 2 lekenrechters.
 1 vertegenwoordiger van
werknemer en 1
vertegen-woordiger van
werkgever.
Dit is een merkwaardige procedure, want meestal komen die twee zelfs tot
een ongeveer gelijk standpunt!!!

Procedure aanvatten in een S.Z.-geschil kan door een eenvoudig
verzoekschrift (vrij informeel!) Normaal is dat een dagvaarding of via
gerechtdeurwaarder.

Betrokkene kan zich laten bijstaan door vertegenwoordiger van een
vakbond. (als je bent aangesloten.) (Normaal: zelf of advocaat)

Gerechtskosten.
Normaal : verliezer betaalt bepaalt bedrag aan de winnaar
S.Z.-geschil : van de openbare instelling tegen wie je procedeert, krijg
je altijd de gerechtskosten terug.
Rechtsplegingsvergoeding betaalt door degene die naar de rechtbank
stapt.

Collectieve geschillen worden niet beslecht door de arbeidsrechtbank, wel
door de burgerlijke rechtbank.

Soms zijn er bepaalde strafbepalingen buiten het arbeidsrecht.
Vb. het niet naleven van de arbeidsduur

vervolging door het parket  strafrechtbank
6
Hoofdstuk 2 : Individueel Arbeidsrecht
§1. De arbeidsovereenkomst
= Geheel van regels, die betrekking hebben op de individuele arbeidsverhouding
tussen werkgever enerzijds en werknemer anderzijds.
§2. Geldigheidsvereisten bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst - werving en selectie
A. Bekwaamheid – minderjarigen (niet krankzinnig, niet geestesziek)
1. Sluiten AO  mits uitdrukkelijke of stilzwijgende machtiging van zijn vader,
moeder of voogd.
2. Loon  werkgever, tenzij verzet van de ouders of voogd, dan rechtbank.
3. In rechte treden (=voor de rechtbank komen bij een geschil)  minderjarige
wordt vertegenwoordigd door vader en moeder of voogd.
B. Toestemming van partijen
Nietigheid : geweld - bedrog - dwaling - benadeling.= WILSGEBREKEN
C. Voorwerp en oorzaak
Wat (voorwerp) en waarom (oorzaak) van de AO

 prestatie van de tegenpartij
bepaald voorwerp namelijk uit te voeren werk tegen betaling.
Vb.: overeenkomst tussen pooier en prostituee heeft een onredelijke oorzaak.
Geen nietigheid AO indien er arbeid verricht wordt.
1) ingevolge overeenkomst nietig wegens inbreuk op de bepalingen die de
regelen van de arbeidsverhoudingen tot voorwerp hebben.
2) in speelzalen.
D. Werving en selectie
1) Plichten werkgever. Kosten van examens, attesten en onderzoeken voor
rekening van de werkgever, indien hij daartoe opdracht gegeven heeft.
(CAO nr 4)
2) Verbintenissen van de partijen. (CAO nr 36)
Vragen over privé kunnen alleen gesteld worden indien voor de job en voor de eisen van de
job, de info noodzakelijk is.
Vb.: bent u zwanger?  in de regel komen deze vragen niet aan de orde voor de selectie.
7
§3. Aard van de arbeidsovereenkomst
A. De arbeidsovereenkomst voor werklieden en bedienden
(= het algemene type)
hoofdindeling tussen arbeider en bediende
 intellectuele arbeid
 hoofdzakelijk handenarbeid
vb.: verkoopster: is niet duidelijk, meestal bediende.
Het is de feitelijke indicatie die telt, niet de formele.
B. De arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers
1. Begrip:
iemand die clientèle opspoort en bezoekt tegen een
loon, mat als doel:
onderhandelen over of sluiten van zaken.
1 uitzondering:
verzekeringen  geen handelsvertegenwoordiger
2. Ondergeschikt verband (WN werkt voor WG)
voorwaarden tot
handelsvertegenwoordiger i.p.v. zelfstandige vertegenwoordiger.
3. Wetgeving
Handelsvertegenwoordiger is een bediende.
 AO-wet voor bedienden is van toepassing.
Uitzondering : concurrentiebeding (geldt niet) + specifieke
bepalingen
Zelfstandig handelsagent: AO-wet niet van toepassing
wel : 13-4-1995  statuut van zelfstandige
handelsagent wordt vastgesteld.
Punten 5,6,7 werden niet gezien.
5. Uitwinningsvergoeding
Voorwaarden voor een uitwinningsvergoeding




minimum 1 jaar anciënniteit
einde AO : WG  geen dwingende reden
WN  wel dwingende reden
Handelsvertegenwoordiger : cliënteel aangebracht hebben
WG kan niet bewijzen dat de handelsvertegenwoordiger door
einde overeenkomst geen schade heeft geleden.
Uitwinning vergoeding
= 3 maand loon (1 - 5° jaar anciënniteit) + 1 maand per 5 jaar
anciënniteit.
6. Concurrentiebeding
= het beding waarbij handelsvertegenwoordiger de verbintenis
aangaat bij zijn vertrek uit de onderneming geen soortgelijke
activiteiten uit te oefenen, hetzij door zelf een onderneming uit te
baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende
werkgever.
8
3 voorwaarden voor geldig concurrentiebeding voor handelsvertegenwoordigers
1) betrekking op soortgelijke activiteiten
2) < 12 maanden
3) geografisch beperkt tot het gebied waarbinnen handelsvertegenwoordiger zijn activiteiten uitoefent.
7. Delcrederebeding
C. De arbeidsovereenkomst voor dienstboden
= Werknemer die zich verbindt om hoofdzakelijk huishoudelijke handenarbeid
te verrichten in verband met de huishouding van de werkgever of van zijn
gezin.
Belangrijk ! !
 handenarbeid
 huishoudelijk
 hoofdzakelijk
 enkel van huishouding WG of zijn gezin (privé dus).
Niet : gouvernante (voedt de kinderen op)
Particuliere personen! Dus niet keukenpersoneel of schoonmaker in vb. een
hotel ! En ook niet tuinier of chauffeur in de onderneming van de WG.
Regels handenarbeid, doch bijkomend statuut, want meestal inwonend.
Verplichte proefperiode van 14 dagen.
Opmerking : ontvangt GEEN bijdrageplechtig loon, is dus niet onderworpen
aan RSZ. (moet dus geen bijdrage betalen.)
D. De overeenkomst voor tewerkstelling van studenten
Studenten die meer dan 6 maanden werken  gewone AO’en- wet.
Geen globale regeling.
Sanctie op niet - naleving WG ten opzichte van de student: student mag AO
beëindigen zonder opzegtermijn (beter forfaitaire schadevergoeding geweest , omdat
de sanctie van niet naleving zo laks is, dat de WG er zijn laars aan lapt. De student is
hier altijd de verliezende partij!)
9
E. Enkele arbeidsovereenkomsten niet door de
arbeidsovereenkomstwet geregeld.
Dit moeten we niet kennen, omdat hij een heel oude wetgeving is. 1 en 2
moeten we niet kennen, vanaf 3 wel. (dit is dan de 1 van hieronder)
 AO voor betaalde sportbeoefenaars  bedienden, dus gunstig statuut.
Schriftelijk contract, zoniet: onbepaalde tijd. (wet van 24/02/’78)
Indien voor bepaalde tijd gesloten: maximum 5 jaar.
Beëindigen  onbepaalde tijd  aangetekend schrijven, uitwerking derde dag na de
dag van de verzending.
Kunnen niet onderworpen worden aan een niet concurrentie-beding en mogen dus van
club veranderen.
Indien beëindigen zonder dringende reden: benadeelde partij:
Onbepaalde tijd: min. 25% jaarlijks loon tot einde sportseizoen.
Bepaalde tijd: vergoeding die gelijk is aan het verschuldigd loon tot verstrijken
termijn.
Geen concurrentiebeding mogelijk.
 AO voor huisarbeider  regelt het werk zelf en regelt zelf wanneer hij arbeid
presteert. (vb.: telewerkers)
Doch tendens: huisarbeid wint aan belang.

dus noodzaak groeit om statuut serieuzer te nemen.
Wet van dec. ’96: de huisarbeiders zijn nu wel onderworpen aan de arbeidswet!!!
10
F. Enkele bijzondere arbeidsovereenkomsten en met de
arbeidsovereen-komst aanverwante overeenkomsten.
 De leerovereenkomst
geen AO
leerling & patroon
 min. 25 jaar
min. 7 jaar praktijk + erkenning door paritair leercomité.
 tussen 16 en 18 jaar overeenkomst afsluiten
Schriftelijk vastleggen uiterlijk op ogenblik van indiensttreding, voor elke leerling
afzonderlijk.
Er kan een proeftijd zijn van minimum 1 maand en maximum 3 maanden.
stud. Overeenk.: bij niet naleving van de formaliteit is de leerovereenkomst nietig.
Indien leerling geconfronteerd wordt met iets dat niet overeenkomt met
leerovereenkomst, wordt de leerovereenkomst nietig verklaard.
 leerling kan zeggen dat hij gebonden is door AO (i.p.v. leerovereenkomst)
(deze is wel strenger :loon, gezag,...) en dus kan hij daar voordeel uit halen.
Leerling ontvangt vergoeding, die iets minder is dan het minimumloon in die sector
(dit is  90%).
 Stage en ingroeibanen
 vrij gelijkaardige reglementering
Laag gekwalificeerde jonge werklozen. Dit is een stimulans om deze mensen in het
arbeidsmilieu te brengen.
Voordeel: WG moet lager loon betalen ( 90% normaal loon)
geen AO
Werkzoekende laten ingroeien in het arbeidsproces.
a) Stage  max. 30 jaar, voltijdse of deeltijdse stage van 6 maanden of 26
weken, eventueel verlengd met gelijkwaardige periode.
Doel : praktische opleiding verzekeren
geen AO, toch wettelijke bepalingen die van toepassing zijn voor AO
voor bepaalde tijd.
Aldus : - automatisch proefbeding
- opzeggingstermijn van 7 dagen
Vergoeding : min. 90% loon voorzien voor dezelfde functie.
b) Ingroeibanen (wel een AO)
Voorwaarden  max. 30 jaar, beroepsactiviteit < 6 maanden.
Voordeel van de WG  flexibiliteit inzake opzeggingstermijnen en loon.
11
c) Tijdelijke arbeid en AO voor uitzendarbeid
ofwel voor vervanging vaste WN ofwel als er veel werk is.
Normaal : 2 - personen - verhouding (WG - WN)

driehoeksverhouding
3° partij

voor bijzondere situatie (vb.: autosalon, receptie)
vb. vervanging
tijdelijke stijging van de arbeid

beroep doen op uitzendkracht
probleem moet onmiddellijk worden ondervangen
 - verhouding
BELANGRIJK: het interim-bureau is de WG van de uitzendkracht en NIET de
gebruiker!!!
Tussen WN en gebruiker is er een gewone overeenkomst i.p.v. een AO.
WG - uitzendbureau
Bijzondere overeenkomst
AO voor uitzendkracht + gewone
AO n.a.v. elke
opdracht
Gebruiker
(bedrijf)
terbeschikkingstelling
WN - uitzendkracht
Tijdelijke arbeid: WG voorziet eigenhandig
 doet dit niet graag
Uitzendbureau, dat gaat voorzien in WN die dan gaat werken in bedrijf.
Dus :  - verhouding.
Lees p. 33 - 34 - 35
12
§4. Soorten arbeidsovereenkomsten
A. De AO voor onbepaalde tijd (vastheid van betrekking.)
Algemene regel: AO voor onbepaalde tijd

Schriftelijk
Mondeling
Eindigen via opzegging.
B. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en de
arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk. (geen
wettelijke vastheid van betrekking.)
 tegenpool aannemingsovereenkomst
 moet precies bepaald zijn. Indien niet duidelijk
genoeg: teruggrijpen naar onbepaalde tijd.
Vb.: je kan niet iemand aanwerven tot zijn
pensioenleeftijd, want dan ontwijk je de
wettelijke vastheid van betrekking.

moet schriftelijk vastgelegd zijn uiterlijk op
datum van indiensttreding.
Bijzondere vormvereisten
Sanctie : AO voor onbepaalde tijd
Om misbruik tegen te gaan van WG (opzeggingstermijn)
(onbepaalde tijd vermijden)
vermoeden in de wet
AO bepaalde tijd  AO onbepaalde tijd
Je kan niet iemand steeds weer aannemen voor bepaalde tijd. Dan wordt het een AO
voor onbepaalde tijd, tenzij er een wettige reden is: vb.: subsidiëring van een
toneelgroep of project het bestaan in de toekomst is niet zeker ( kan niet verder
bestaan indien de subsidiëring stopt.)
Recent : uitzonderingen op opeenvolgende AO’s van bepaalde duur mogelijk: zie p.
37.
Max. 4 tenzij de overeenkomst <3maand en de totaaltijd mag de 2 jaar niet
overschrijden.
C. De seizoenovereenkomst
Seizoen
Duidelijk omschreven werk (vb. 5 ha appels plukken)
Meestal afgesloten voor bepaalde tijd
Afwijkende overeenkomst
- Schriftelijk
- uiterlijk tegen dat persoon in dienst treedt
13
D. De vervangingsovereenkomst (belangrijk)
Vervanging vaste werknemer opvangen via uitzendbureau of via vervangingsovereenkomst.

bijzonder aspect : Vervanging WN wanneer
uitvoering van diens AO is geschorst; geen einde, wel opschorten van de verplichting:
ziekte, brand, ongeval, loopbaanonderbreking.
-
Schriftelijk (anders onbepaalde tijd)
Afwijkingen van de AO:
Duur : bepaald overeenkomstig terugkeer van de te vervangen WN (zonder bijzondere
formaliteitenvoordeel voor de continuïteit van de WG.
Opzeggingstermijn : einde: terugkeer van de te vervangen WN
 zonder of met andere opzeggingstermijn.
E. Arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid
Voor ieder WN afzonderlijk schriftelijk opgesteld, uiterlijk op tijdstip indiensttreding.
Verplichte vermelding: overeengekomen deeltijdse regeling en werkrooster.
Sanctie : WN kiest deeltijdse arbeidsregeling en werkrooster.
Afschrift AO dient te worden bewaard op de plaats waar arbeidsreglement kan
worden geraadpleegd. = publiek maken. Sanctie: deeltijdse AO wordt voltijdse AO
WG moet uitbetalen, al heeft de WN maar 20 uur gewerkt.
Vroeger was dit een onweerlegbaar vermoeden, NU moet dit bewezen worden.
(koppelbazen trekken werklozen en zwartwerkers aan)
14
§5. Het proefbeding
Clausule! Geen AO! Geen proefcontract!
is een apart beding in de overeenkomst.
A. Begrip
Nagaan of de dienstbetrekking WN en WG past.
Vormt op zichzelf geen nieuwe AO.
Wetgever : strenge voorwaarden voor geldigheid van het proefbeding.
(minimumduur - maximumduur -...)
Proefperiode : in principe éénmalig, tenzij het nieuw proefbeding slaat op ander werk.
B. Vormvereisten
- Schriftelijk
- Ten laatste bij de indiensttreding
Sanctie : nietigheid proefbeding  AO zonder proefbeding.
C. Minimum - en maximumduur en verlenging tijdens de schorsing
 is geen vormvereiste
Werklieden
Bedienden
< 780.000
< 1.094.000
Bedienden
> 780.000
> 1.094.000
Minimum
7 dagen
1 maand
Maximum
14 dagen
6 maanden
1 maand
12 maanden
Sanctie : duur proefbeding wordt bepaald op de minimumduur.
Minimumduur wordt verlengd indien de schorsing tijdens de minimumduur valt.
Werklieden : verlenging beperkt tot 7 dagen.(kalenderdagen geen werkdagen!)
Bedienden : verlenging onbeperkt.
Prof. Lindeboom had waarschijnlijk geen tijd om de gegevens in zijn cursus aan te
passen; gelieve bij het studeren rekening te houden met de volgende cijfers!
1985
1997
650.000
911.000
780.000
1094.000
1300.000
1822.000
15
D. Einde van de proef
 Einde van de proef door het verstrijken van de proeftijd
Automatisch einde. De AO krijgt nu pas haar volle uitwerking.
 Beëindiging door opzegging.
a) Tijdens de minimumduur (binnen 1maand of 7dagen)
Geen eenzijdige beëindiging
 slechts uitwerking op het einde van de minimumduur
Sanctie : schadevergoeding , forfaitaire schadevergoeding voor bedienden.
b) Na de minimumduur
Werklieden : zonder inachtneming van een opzeggingstermijn.
Bedienden : mits opzeggingstermijn van de 7 dagen.
c) Bijzondere regel voor bedienden
Arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval > 7 dagen.
 WG mag AO tijdens de proefperiode beëindigen zonder opzegging of
vergoeding. (ook tijdens minimumduur)
 Beëindiging wegens dringende reden
AO kan ten allen tijde beëindigd worden, ook tijdens de minimumduur van de proef.
 Beëindiging door wederzijdse toestemming, door overlijden of overmacht.
AO kan ten allen tijde beëindigd worden, ook tijdens de minimumduur.
Opmerking: Voor het bepalen van de opzeggingstermijn moet men rekening houden
met het bedrag dat bij het sluiten van het contract van toepassing was!
16
§6. Plichten van beide partijen
A. Algemeen
AO-wet  art.16: WG en WN zijn elkaar eerbied en achting verschuldigd en zijn
moeten de welvoeglijkheid en de normen van de goede zeden in acht nemen.
B. Plichten van de werknemer
 Arbeid verrichten = het belangrijkste!
 volgens de instructies die hem gegeven worden en op de tijd, de plaats en de
wijze zoals is overeengekomen.
WN moet het werk zorgvuldig, eerlijk en nauwkeurig uitvoeren.
 Overige plichten
 geen vertrouwelijke informatie bekend maken
 zich niet vergrijpen aan daden van oneerlijke concurrentie
 geen schade aan anderen berokkenen
 arbeidsgereedschap in goede staat teruggeven
 Aansprakelijkheid van de werknemer
Bij schade tegenover de WG of derden: enkel aansprakelijk voor zijn bedrog, zijn
zware schuld of zijn lichte schuld die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig
voorkomt.
Het is slechts een beperkte aansprakelijkheid: geldt alleen voor de daden uitgevoerd
ten tijden van de AO. Het is slechts een burgerlijke aansprakelijkheid:
Vb: chauffeur begaat een verkeersovertreding en heeft een misdrijf tot gevolg => wn
in gevang en niet de wg =>gn beperking op strafrechterlijk vlak.
17
C. Plichten van de werkgever
 Tewerkstellen van de werknemer
 Bijkomende plichten
 Loon betalen
a) Begrip:
Loon is gn alg begrip: het heeft verschillende betekenissen in de
verschillende rechtsoorten.
Het is een tegenprestatie van de arbeid => een geschenk is gn loon.
Wel: vast wedde, comissieloon, bedrijfswagen, groepsverzekering,…
b) Door Wie? Waar? Wanneer? Hoe?
Door wg of 3e: een gemandateerde
Hoe: via sociaal secretariaat = gemantateerde vd wg.
Wanneer? Min 2x id maand =>bedienden zijn uitzondering.
Min 7e werkdag na eind van de gepresteerde maand.
In cash (nu veelal via overschrijving)
Voorschotten kan, maar moet duidelijk zijn,zeggen waarvoor
het is.
Indien te laat: intrest bij.
c) Inhouding, Beslag en overdracht
Inhouding: dmv boetes id AO.
Het tot vd inhouding- voor betaling en op initiatief vd wg mag nt meer
bedragen dan 1/5 vh bij elke uitbetaling verschuldigde loon.
d) Hoogte van het loon
Vrij afspreken; altijd min (id sector =>CAO; min inkomen =>nationaal
CAO)
Max gn beperking (eigenlijk wel: via loonmatiging en loonstop)
e) Handelsvertegenwoordigers
Loon
a) algemeen
b) recht op commissieloon
principe : aanvaarde order
Ieder offer wordt vermoed aanvaard te zijn behalve weigering
of voorbehoud door de werkgever aan zijn
handelsvertegenwoordiger schriftelijk meegedeeld binnen een
termijn in de AO bepaald. Is deze termijn niet bepaald, dan
bedraagt hij een maand vanaf het doorgeven van het order.
Bijzondere gevallen p. 48 - 49
Berekeningswijze van het loon
 AO - indien niet: commissieloon berekend in navolgende
volgorde:
1) hetzij prijs op bestelbon
2) hetzij op de prijscouranten, prijsschalen, prijstarieven
3) hetzij op de gemaakte prijs.
18
Betaling van het loon
a) tijdens de overeenkomst
b) bij het einde van de overeenkomst
 Verplichtingen inzake arbeidsduur en tewerkstellingsverboden
verboden: zondagwerk + nachtwerk (tenzij in bep sectoren)
max 40 uren id week (nu via CAO 38u )
arbeid buiten deze grenzen = overwerk => overloon = 150%; zondagwerk = 200%
vrouwen- en jongerenarbeid: kind jonger dan 15 of die nog onder voltijdse
schoolplicht
vallen (16) mogen gn arbeid verrichten. Gn arbeid
die hun ontwikkeling ten slechte komt; gn schadelijke arb; hbb Xtra bescherming ivm
nachtarb, arbduur en zondagrust.
 Feestdagen - vakantie - educatief verlof
-min 10/jaar
-24 dagen vr 12 mnden arbeid
-educatief verlof w betaald
 Enkele bijzondere wetten
a) ongewenst seksueel gedrag op het werk
b) Bescherming van de persoonlijke levenssfeer
 Bij einde vd AO moet de wg de sociale documenten overhandigen:
-alle doc die de wn nodig heeft
-wnattest
-wklh bewijs
-vakantieattest
19
§7. Schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst
A. Begrip
B. Wettelijke schorsingsgronden
1. Overmacht
 Die onvoorzienbare omstandigheden die zich buiten de wil van de partijen
voordoet en die de uitvoering van de AO belemmert.
 Tijdelijk vb. ziekte
 Definitief
 Normaal gn loon tenzij in specifieken gevallen.
2. Te laat of niet aankomen en verhindering om te werken: gewaarborgd dagloon
3. Gewone ziekte of ongeval
I. WERKLIEDEN
BEDIENDEN OP PROEF
BEDIENDEN < 3 MAANDEN
1  7 dagen
8  14 dagen
 60% van het gedeelte van het loon dat de
loongrens
ZIV niet overschrijdt (art.52 §1)
 A. 25.88% van het gedeelte van het loon dat voormelde
grens niet overschrijdt
  + A = 85.88%
B. 85.88% van het gedeelte van het loon dat voormeld
grens wel overschrijdt (CAO nr 12 bis)
15  30 dagen
II. BEDIENDEN
Gewaarborgd werkloon
idem als A + B
 is ten laste van ZIV
Gewaarborgd maandloon
Voor deze die al zouden opgemerkt hebben dat er op pagina 54 een vreemd woord de cursus is
binnengeslopen en al bij de woordenboek ten rade geweest zijn : Geen paniek. Prof.
Lindeboom heeft een klein typfoutje gemaakt. Het is niet “Wanekte” maar “Wanneer ziekte”.
a) algemeen
b) Werklieden
1. De eerste 7 dagen : gewaarborgd weekloon
2. Van de 8ste tot de 14de dag
3. Carensdag
4. Van de 15de to de 30ste dag
5. Hervalling: gn nieuw gewaarborgd loon; binnen de 14d na de vorige
ziekte; indien >14d, nieuwe ziekte.
c) Bedienden
1. Basisregel : gewaarborgd maandloon
2. Bedienden onderworpen aan dezelfde regeling als werklieden:
beperkte loonwaarborg.
d) Verwittiging en controle
Wg zo snel mogelijk verwittigen via tel + attest afgeven binnen 48u
Controle: wg kan een arts aanstellen om de wn te controleren.
20
4. Arbeidsongeval of beroepsziekte
a) Regeling voor werklieden en bedienden met beperkte loonwaarborg.
GEEN CARENSDAG!
1  7 dagen
Gewaarborgd weekloon
AO - of BZ - vergoedingen  WG
8  30 dagen
AO - of BZ - vergoeding
+WG betaalt aanvulling tot 100% van het loon
 behoud van volledig loon
b) Regeling voor de andere bedienden
gewaarborgd maandloon
AO - of BZ - vergoeding  WG
5. Zwangerschap en bevalling
a) Schorsing : pre - en postnataal verlof
b) Moederschapsuitkering
=> gewaarborgd loon; vroeger ten kosten vd wg, nu door ZIV.
6. Gerechtvaardigde afwezigheden - verlof om dwingende redenen
7. Jaarlijkse vakantie  verlof
8.(nt bel) Enkele schorsingsgevallen die uitsluiten gelden voor de werklieden
a) Technische stoornis
b) Economische redenen
c) Slecht weer
9. Politiek verlof - rechterschap - voorlopige hechtenis
10. Onderbreking van de beroepsloopbaan
C. Andere vormen van schorsing

conventionele overeenkomst tss wg en wn
vb: verlof zonder wedde.
21
§8. Het einde van de arbeidsovereenkomst
A. Algemeen
Een AO kan niet voor het leven worden aangegaan. Er dient dus telkens een
mogelijkheid tot beëindiging van de AO voorzien te worden. Deze verschilt
naargelang het een AO voor bepaalde tijd is of een AO voor onbepaalde tijd.
Art. 32 Wet op de AO bepaalt de wijze waarop de AO, afgezien van de algemene
wijzen van tenietgaan van overeenkomsten, een einde neemt. Deze zijn:
 door afloop van de termijn (bij AO voor bepaalde tijd)
 door voltooiing van het werk (AO voor duidelijk
omschreven werk)
 door de wil van een der partijen (AO voor onbepaalde tijd
=opzegging)
 door een dringende rede
 door de dood van de werknemer
 door overmacht
B. De wijzen van beëindiging van de overeenkomst uit het burgerlijk
recht.




Een AO kan bij wederzijds akkoord beëindigd worden.
In het BR kan een uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde
in de arbeidsovereenkomst opgenomen worden.
De wet op de AO heeft deze mogelijkheid echter beperkt:
huwelijk, moederschap of het bereiken van de
pensioenleeftijd mogen niet als ontbindende voorwaarde
in een AO opgenomen worden.
In de wederkerige O acht het BR ook steeds een
stilzwijgende ontbindende voorwaarde begrepen, voor het
geval dat een van de partijen haar verbintenissen niet
nakomt.
C. Dood van de werknemer - Dood van de werkgever - Wijziging van
de werkgever
De dood van de werknemer leidt tot de beëindiging van de AO. De dood van de
werkgever niet behalve wanneer het overlijden van de WG het einde van de
activiteit waarvoor de werknemer in dienst werd genomen tot gevolg heeft of
wanneer de AO intuiti personae werd aangegaan.
22
D. Overmacht
Definitieve onmogelijkheid  einde van de AO
Tijdelijke onmogelijkheid  schorsing van de AO
E. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst door opzegging
(enkel voor AO van onbep. Tijd)
1. Begrip opzegging - Onderscheid met begrip ontslag
2. Ontslag = de handeling waarbij de ene partij aan de andere ter kennis
brengt dat zij besloten heeft de AO te beëindigen. (is niet aan een
vormvereiste onderworpen)
a) Opzegging = is een eenzijdige mededeling waarbij een partij aan de
andere verklaart dat het zich tegen een bepaalde datum niet meer
gebonden acht door de tussen hen bestaande overeenkomst.
2. Wijze van opzegging
a) Vormvereisten: schriftelijk en individueel (anders nietig)
Via deurwaardersexploot of via aangetekende brief (brief krijgt
uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum)
b) Inhoud van opzeggingsbrief:


moet ondubbelzinnig zijn
moet het begin en de duur van de termijn bepalen
c) Sanctie: nietigheid (maakt het ontslag niet ongedaan)
d) Outplacement
3. De opzeggingstermijn
a) Ingangsdatum:


voor werklieden gaat de opzeggingstermijn in de maandag
volgend op de week waarin de opzegging werd betekend.
Voor bedienden gaat de opzeggingstermijn in na afloop
van de kalendermaand waarin de opzegging is betekend.
23
b) Duur:
(1) Regeling voor werklieden
Werknemer
WERKLIEDEN < 20 jaar
14 dagen
> 20 jaar
28 dagen
< 6 maanden
kortere opzeggingstermijn kan
Werkgever
28 dagen
56 dagen
bedongen worden
(2) Regeling voor bedienden
Bedienden <650.000
0-5 jaar
5-10 jaar
10-15 jaar
Bedienden >650.000 en
<1300.000
Bedienden >1300.000
Werkgever
Werknemer
3 maand
6 maand
9 maand
1,5 maand
3 maand
3 maand
Nooit minder dan hierboven
Nooit minder dan hierboven
Nooit meer dan 4,5 maand
Nooit meer dan 6 maand
b. Criteria voor de vaststelling van de passende
opzeggingstermijn
i. Anciënniteit
ii. Leeftijd
iii. Loon
iv. Functies
v. De eigenlijke formule:
Formule van Claeys sedert oktober ’97
0,89*anciënniteit +0,08*leeftijd +0,0013*loon-2
c. Bijzondere gevallen
i. Pensioengerechtigde leeftijd (of bijna)
Leeftijd
60-65
anciëniteit
-5jaar
+5jaar
opzegging dr wg
neen
neen
opzegging dr wn
1,5mnd
3mnd
65+
-5jaar
+5jaar
3mnd
6mnd
1,5mnd
3mnd
24
ii. Tegenopzegging
(= de bediende die dr de wg opgezegd is, kan de overeenkomst vervroegd beëindigen
mits een verkorte opz.termijn , op vwde dat hij ander werk gevonden heeft.)
jaarloon
<650.000
>650.000<1.300.000
>1.300.000
tegenopzegging
1mnd
2mnd
via rechter (max. 4mnd)
iii. Vervangingsovereenkomst
d)Schorsing van de opzeggingstermijn
4. Rechten en plichten van de partijen tijdens de opzeggingsperiode
5. Schadevergoeding : de opzeggingsvergoeding
25
F. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst door afloop van de
termijn of door voltooiing van het werk.
Vb. AO 5 jaar
Na 3 jaar voortijdig einde.
 Vergoeding : max. dubbel van de vergoeding die normaal zou verschuldigd zijn,
indien AO voor onbepaalde tijd.
Normalerwijs : 3 maand opzeggingstermijn
Dus 6 maanden max. vergoeding.
G. Willekeurig ontslag en rechtmisbruik
 zowel bij bepaalde als onbepaalde tijd
Vb: represaille of: je stelt looneisen en de wg ontslaat u.
 bedienden: morele schadevergoeding (de rechter begroot het bedrag)
 werklieden:heeft betere bescherming (art 63: een wn mag nt ontslaan worden
omwille van redenen buiten zijn werk)
krijgt welbepaalde vergoeding als art 63 opgaat
H. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden
Het ontslag gaat nt samen met een opzeggingstermijn of vergoeding
Ontslag: 3 werkdagen na de kennisname van de feiten
Dringende reden => ingevuld dr de rechtspraak (diefstal, conc…)
Het is de fout die de vertrouwensrelatie tss wg & wn definitief en onmiddellijk
onmogelijk maakt.
Sanctie vr de wg indien de rechter zegt dat het gn dringende reden is:
opzeggingsvergoeding
1. Begrip
2. Vereisten
Vormvereisten
1) het ontslag: mondeling of schriftelijk
binnen 3 werkdagen na kennis (zaterdag = werkdag)
2) kennisgeving: =zeggen waarom je iemand ontslaat
moet op straffe van nietigheid:
 via aangetekend shrijven
 deurwaardersexploot
 afgifte ve geschrift
Na het ontslag heeft de wg 3 werkdagen vr de kennisgeving
 als wg heb je max 6 werkdagen
3. Gevolgen van het ontslag wegens dringende reden
26
I. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst door een eenzijdige
wijziging van de arbeidsvoorwaarden en impliciet ontslag
De wg kan het de wn zodanig lastig maken dat de wn weg zal willen.
Wat kan de wn doen?
de wg kan alles ontkennen en zeggen dat hij je wil houden
de wn stelt impliciet vast dat de wg hem wil ontslaan dr de lastige houding vd wg
Bij impliciet ontslag moet er een wil zijn tot ontslag, bij eenzijdige verandering niet
( = de wg verandert iets in uw AO zonder medeweten vd wn)
oplossing: de rechter moet beslissen wat ergaande is
 geen risico om contractbreuk vast te stellen.

J. Ontslagbeperkingen
Deze zijn bijzonder omdat ze samengaan met een sanctie (bijz vergoeding die
cumulair is met de opzeggingsvergoeding)
Begint te lopen als de wn het heeft ingeroepen, tot 1 mnd na de post-natale
rustperiode.
1. Zwangerschap => 6mnd loon
2. Ziekte of ongeval => als iemand ziek wordt, wordt de opzeggingstermijn
opgeschort; als de wn opzegt, w de termijn niet opgeschort: iemand in
proefperiode die langer dan 7 dagen ziek is, kan w ontslaan zonder
vergoeding of termijn.
3. Beroepsloopbaanonderbreking => vanaf het akkoord tot 3 mnd na deze
periode (sanctie: 6 mnd loon)
4. Andere (nt bel)
K. Uitwinningvergoeding
Voor handelsvertegenwoordigers.
omdat die een bepaald voordeel tov de wg aangebracht hebben: nl klanten
 het is een vergoeding wegens verlies van klienteel
Vwden:
* vertegenwoordiger zijn
* min 1 jaar anciëniteit
* nt ontslaan zijn waaraan je een bepaalde schuld hebt
* geen uitwinningsvergoeding als er geen nadeel blijkt te
ontstaan na uw ontslag
vb: ik ben vertegenwoordiger bij DASH en w ontslaan
en begin bij DIXAN te werken en zo hetzelfde klienteel
aanwenden
=> ik kan met zelfde produkt in dezelfde sector verder
werken; ik heb dus geen nadeel=>gn uitwinningsverg
Wat is klienteel?
De rechter bepaald of je voldoende klanten hebt aangebracht (kwantitatief &
kwalitatief)
Uitzondering:
Wanneer er in het contract een niet-concurrentiebeding is
 de vertegenwoordiger w vermoed klanten aan
te brengen
 de wg moet het tegenbewijs kunnen leveren.
27
§9. Varia
A. Kwijting van saldo van rekening
Op einde van de AO moet de wg een saldo van rekening geven (= bewijs dat alles
ontvangen is)
Dit moet tegen een verjaringstermijn gebeuren: in arbeidsrecht 1jaar na einde AO
aanhangig maken
B. Scheidsrechterlijk beding
een arbiter aanstellen die zegt hoe alles moet gebeuren en het geschil opgelost moet
worden
voordeel: het gaat snel + geen hoger beroep mogelijk
nadeel: je hebt de feeling van de rechters niet + kost veel
kan alleen als er een beding is (alleen bij hoge inkomens > 1.822.000)
C. Concurrentiebeding
is een clausule
vertegenwoordiger geniet het vermoeden van aanbrengen van klanten
de wn (bediende, arbeiden & vertegenwoordiger) spreekt af dat hij na het einde vd
AO geen concurrerende activiteiten zal doen binnen een bepaalde periode; hetzij voor
eigen rekening, hetzij voor rekening van een derde. (Ook tijdens de AO mag je de wg
geen conc. Aandoen)
eerlijke concurrentie

oneerlijke concurrentie
is verboden na einde AO
geldt tijdens en na AO
met opzet de wg schaden
VWDEN:

er moet een loongrens bestaan:
<650.000 nt mogelijk
650.000<1.300.000 nt mogelijk tenzij dr CAO
>1.300.000 kan het, tenzij verboden
 moet over soortgelijke act gaan
 max 12 mnd
 geografische beperking: enkel vr het territorium waar de
wn de wg conc. Kan aandoen => nt in buitenland
 heeft geen uitwerking indien de wg ontslag geeft zonder
dringende reden => meestal geen uitwerking
 in de overeenkomst moet een afspraak gemaakt w over de
vergoeding die de wn krijgt als hij het respecteert +
hoeveel de wn moet betalen bij inbreuk
28
Bij vertegenwoordigers:




kan al vanaf 650.000
12 mnd
geografisch: is beperkt tot het gebied waar de
vertegenwoordiger zijn functie uitvoerde => kan ook
buiten België
gn vergoeding te betalen, wel een af te spreken => 3mnd
loon
Het afwijkingsbeding
alleen voor bedienden
 niet op dat van vertegenwoordigers
 geografisch: bij multi-nationals kan het w ingelast: België + buitenland
 termijn kan verschillen: vb 3 à 4jaar
afwijking van het feit dat het beding geen uitwerking heeft als de wg ontslaat
29
Hoofdstuk 3: Collectief Arbeidsrecht
§1. De Vakbondsvrijheid
A. Juridische grondslag
Vrijheid van vakvereniging wordt door de vrijheid van vereniging gewaarborgd
 niemand kan worden gedwongen al dan niet van een vereniging deel te
maken
 strenge straffen zijn voorzien voor iedereen die:
 iemand anders probeert te dwingen al dan niet van een
vakorganisatie deel uit te maken.
 kwaadwillig, met de bedoeling, de vrijheid van een
vereniging te krenken, de uitvoering of de voortzetting van
een AO of een dienstenovereenkomst afhankelijk maakt van
het al dan niet aansluiten bij een vereniging.
A. De vrijheid van het individu
1. Algemeen
In België is het syndicalisme
 facultatief (niet verplicht)
 pluralistisch (men mag aansluiten bij de vakorganisatie die men kiest)
2.De zekerheidsclausules
 Dit zijn voordelen voor aangeslotenen bij een vakorganisatie.
 Zij verschaffen zekerheid en stabiliteit in de collectieve arbeids- en
krachtverhoudingen.
 daarom worden ze zekerheidsclausules genoemd.
 De meest bekende zekerheidsclausules zijn:
 closed-shop afspraak
 de werkgever verbindt zich ertoe alleen werknemers van een
(welbepaalde) vakorganisatie in dienst te nemen.
 wordt in de praktijk zelden toegepast.
 check-off clausule
 afspraak dat de werkgever de bijdrage van de gesyndiceerde
werknemer aan zijn vakbond verschuldigd is direct van het
loon zal afhouden en zal doorstorten aan de vakbond.
 gesyndiceerde werknemers bepaalde geldelijke voordelen te geven.
 vaak op voorwaarde dat in de voorbije periode de sociale
vrede gerespecteerd werd.
 Volgens het Hof van Cassatie zijn de voordelen aan gesyndiceerden geen inbreuk
op de vrijheid van vereniging zolang de voordelen in proportie staan tot de
diensten die de vakorganisaties (en dus ook hun leden) aan de werkgever
verstrekken.
30
3.De vrijheid van de vakorganisaties
 Grote onafhankelijkheid t.o.v. de overheid
 voor het oprichten van een vakorganisatie is geen toelating en ook geen
registratieplicht nodig .

volledig vrij in het
 opstellen van statuten
 vastleggen van interne werkregels
 aanduiden van hun leiders
 financiën
 administratie

slechts de representatieve vakorganisaties krijgen
onderstaande bevoegdheden:
 CAO’s afsluiten
 bekwaamheid om in rechte te treden
 vertegenwoordiging in allerlei overleg- en adviesraden
§2. De vakorganisaties van werknemers en werkgevers
A. Overzicht
1. Vakorganisaties van werknemers
Er zijn 3 belangrijke vakorganisaties, nl.:
 ACV (Christelijk)
 ABVV (socialistisch)
 ACLVB (liberaal)
Daarnaast zijn er nog een aantal onafhankelijke vakbondsorganisaties.
ACV en ABVV zijn gedecentraliseerd, ACLVB werkt gecentraliseerd.
2.Vakorganisaties van werkgevers

VBO: samengesteld uit een aantal professionele
federaties.
Vb. Fabrimetal, Febeltex, …
 Belgische Boerenbond
 Middenstandsorganisaties (o.a. NCMV)
31
B. Het juridisch statuut van de vakorganisatie
1. Vakverenigingsvrijheid en gebrek aan rechtspersoonlijkheid

Belgische vakverenigingen hebben in regel geen
rechtspersoonlijkheid.
 het zijn feitelijke verenigingen
 De representatieve vakverenigingen hebben de voordelen
van de rechtspersoonlijkheid verkregen zonder zelf een
rechtspersoon te zijn (en dus ook de nadelen mee te
nemen).
2. Het begrip ‘representatieve vakorganisatie’:
Het ledenaantal is niet het enige element om te bepalen of je representatief bent, maar
het is wel een belangrijk element.
Als representatieve werknemersorganisaties worden aangeduid:
 de interprofessionele organisaties van werknemers die
 voor het gehele land zijn opgericht
 in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en in de NAR zijn
vertegenwoordigd
 minstens 50.000 leden tellen
 vakorganisaties die aangesloten zijn of deel uitmaken van een
interprofessionele organisatie.
Als representatieve werkgeversorganisaties worden aangemerkt:
 interprofessionele organisaties van werkgevers die
 voor het gehele land zijn opgericht
 in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en in de NAR zijn
vertegenwoordigd
 vakorganisaties die zijn aangesloten bij of deel uitmaken van
interprofessionele organisaties
 vakorganisaties van werkgevers die door de Koning (op advies van de
NAR) als representatief worden erkend
32
3.De attributen van rechtspersoonlijkheid van de representatieve organisaties
 Het recht om CAO’s af te sluiten.
 De bekwaamheid om in rechte te treden bij geschillen die ontstaan uit de
wet op de CAO en de PC’s of ter verdediging van de rechten die
voortkomen uit de afgesloten CAO’s.
 In rechte te treden om te bepalen of er al dan niet een economische of een
technische reden is om een beschermd werknemer te ontslaan.
 In rechte te treden i.v.m. de vestigingsplaats en het aantal van de
technische bedrijfs- identiteiten.
 Alleen zij zijn bevoegd om kandidaten voor te dragen bij de verkiezingen
van
 Comités van veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaats
 Ondernemingsraden
 In feite hebben de representatieve vakorganisaties voor werknemers een feitelijk
monopolie ter vertegenwoordiging van het werknemersbelang.
33
§3. Overleg tussen werkgever en werknemer
A. De georganiseerde verhoudingen tussen werknemers en
werkgevers in de onderneming
1. Algemeen
De onderlinge relaties zijn binnen 3 organisaties te situeren:
 Vakbondsafvaardiging
 Ondernemingsraad
 Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen
2.De vakbondsafvaardiging (V.A.)
(a)Begrip en rechtsgrond
 De VA vindt zijn rechtsgrond niet in de wet, maar in een CAO (nl. CAO
nr. 5)
 De VA is een vertegenwoordiging van het personeel in de onderneming
 de leden worden verkozen of aangeduid onder de (gesyndiceerde)
werknemers van de onderneming
(b)Oprichting en samenstelling

De werknemer moet een VA instellen indien een of meer
representatieve vakbonden hem daarom verzoeken.
 Om te kunnen deelnemen aan de VA dient een
vakorganisatie vertegenwoordigd te zijn in het PC van de
onderneming.

een vakorganisatie die NIET vertegenwoordigd is, kan toch
deelnemen indien:
 zij de CAO nr. 5 ondertekend heeft.
 het bewijs levert representatief te zijn
 bij de vorige verkiezingen voor het CVGV minstens 1
mandaat heeft bekomen.
 minstens 10% van het gesyndiceerde personeel groepeert
indien er geen CVBV in de onderneming aanwezig is.
 Er moet een minimum aantal werknemers in de
onderneming aanwezig zijn voor een VA opgericht kan
worden. (In de praktijk: 20-50 werknemers.)
34
(c)Bevoegdheden
 Arbeidsverhoudingen.
 Onderhandelen met de bedoeling van het sluiten van CAO’s in de
onderneming.
 Toepassing van de sociale wetgeving in de onderneming.
 Naleving van de algemene beginselen die de verhouding tussen werknemer
en werkgever in de onderneming beheersen:
 vrij ondernemerschap
 vakbondsvrijheid
 respect voor het werkgeversgezag
 eerbied voor de waardigheid van de werknemers
 VA heeft het recht door het ondernemingshoofd (of zijn
vertegenwoordiger) gehoord te worden telkens een collectief geschil zich
voordoet of dreigt te ontstaan.
 dit kan ook indien bij een individueel geschil aan de individuele klacht van
een werknemer geen gehoor wordt gegeven
 de werknemer kan zich dan laten bijstaan door de VA
 Werkgever heeft de plicht de VA in te lichten over veranderingen die de
contractuele of gewoonlijke arbeids- en beloningsvoorwaarden kunnen
wijzigen.
Vb. een nieuwe wetgeving
 inlichtingen van INDIVIDUELE aard worden niet door de werkgever
verstrekt.
 De VA oefent in een onderneming die geen OR (OndernemingsRaad) heeft
een deel van die bevoegdheden uit:
 algemene vooruitzichten in de onderneming
 de werkgelegenheid in de onderneming
 de structuurwijzigingen in de onderneming.
 VA mag alle mededelingen van professionele of vakbondsaard geven die
nuttig zijn voor het personeel, zonder daarbij de organisatie van het werk
te verstoren.
 VA kan op de arbeidsplaats tijdens de werkuren
voorlichtingsvergaderingen voor het personeel geven.
 de werkgever moet hiervoor wel zijn toestemming geven, maar hij mag ze
niet willekeurig weigeren.
(d)Statuut van de afgevaardigden

Mandaat

Duur en beëindiging van een mandaat als vakbondsafgevaardigde
wordt bepaald door het bevoegde PC.
 duur van het mandaat is max. 4 jaar (hernieuwbaar)
 het mandaat eindigt op verzoek van de vakorganisatie die de
kandidatuur van de afgevaardigde heeft voorgedragen
35

Leden van de VA krijgen de nodige tijd (tijdens de werkuren) en
faciliteiten om hun taak naar behoren uit te voeren.

De leden van de VA hebben het recht om zonder loonverlies tijdens
de arbeidsuren vormingscursussen te volgen.
 Bescherming tegen ontslag

Uitoefening van hun mandaat mag hen geen enkel nadeel
berokkenen of leiden tot een bijzonder voordeel.

Afgevaardigden mogen niet ontslagen worden om redenen die te
maken hebben met hun mandaat.

Indien een werkgever een lid van de VA wil ontslaan zonder
dringende redenen:
 eerst per aangetekend schrijven de VA en de vakbond waarvan hij lid is
op de hoogte brengen.
 de vakbond kan in het ontslag berusten of de geldigheid ervan betwisten.
 indien het betwist wordt, dan gaat het naar het verzoeningsbureau van het
PC.
 het ontslag mag niet worden uitgevoerd tijdens deze
procedure
 het verzoeningsbureau beslist eenparig of het ontslag
gerechtvaardigd is of niet
 indien geen eenparigheid bereikt wordt, kan het geschil aan
de arbeidsrechtbank voorgelegd worden
 de werkgever mag ontslaan van zodra het ontslag aan de
arbeidsrechtbank voorgelegd wordt

indien de werkgever wil ontslaan met dringende redenen, dan geldt
bovenstaande regeling niet.
 Enkel de vakbond, die het betrokken lid heeft voorgedragen, moet
verwittigd worden.
Sanctie: bijzondere vergoeding

Wanneer de werkgever een lid van de VA ontslaat:
 de procedure niet naleeft zonder dringende reden
 om redenen die niet als geldig door het verzoeningsbureau of de
arbeidsrechtbank worden erkend
 wegens dringende redenen die door de arbeidsrechtbank ongegrond
worden verklaard.

De bijzondere vergoeding bedraagt het brutoloon van 1 jaar.
 deze vergoeding kan gecumuleerd worden met de gewone
opzeggingsvergoeding.

Deze vergoeding geldt ook indien een lid van de VA de
arbeidsovereenkomst beëindigt wegens dringende reden(en) ten laste van
de werkgever.
=>relatieve bescherming en geen absolute
36
2. De ondernemingsraad (OR)
(a)Begrip en rechtsgrond
(b)Oprichting en samenstelling
 Ondernemingsraden moeten worden opgericht in ondernemingen die:
 gewoonlijk gemiddeld meer dan 100 mensen tewerkstellen
 gewoonlijk gemiddeld meer dan 50 werknemers tewerkstellen en wanneer
bij de vorige verkiezingen een raad werd opgericht of had moeten
opgericht worden
 hier moeten wel geen verkiezingen voor de OR worden gedaan
 het mandaat wordt uitgeoefend door de gekozenen van het CVGV
Hierbij telt als werknemer:
 iedere persoon die tewerkgesteld is in de onderneming
 deeltijdse werknemers die <75% werken, tellen mee voor de helft
 De OR is niet noodzakelijk paritair samengesteld.
(c)Bevoegdheden
 De OR vergadert minstens 1 maal per maand op de zetel van de onderneming.
 1 maal per jaar voor de bespreking van het resultaat
 1 maal per trimester voor kleine problemen + occasionele vergaderingen
 OR bezit enkel op het sociale vlak beslissingsbevoegdheid (medebeheer).
 taken van de OR:
 beheren van de extra-legale maatschappelijke werken die door de
onderneming worden ingesteld ten voordele van het welzijn van het
personeel.
 tenzij het wordt overgelaten aan het zelfstandig beheer van
de werknemers.
 het vaststellen van de data van het jaarlijkse verlof.
 het uitwerken en het wijzigen van het arbeidsreglement.
 algemene criteria vaststellen van ontslag en wederaanwerving wegens
economische of technische omstandigheden.
 adviserende bevoegdheid i.v.m. de arbeidsorganisatie.
 toezicht op de naleving van de sociale wetgeving in de onderneming.
 problemen die thuishoren in de economische, financiële en/of technische
sfeer worden slechts ter informatie voorgelegd aan de OR.
37
(d)Statuut van de personeelsafgevaardigden

Mandaat





4 jaar (hernieuwbaar) via verkiezingen
het eindigt indien:
hij niet langer deel uitmaakt van het personeelsbestand waarvoor
hij verkozen is  wegens ontslag of promotie.
intrekking wegens ernstige tekortkomingen door de rechtbank op
verzoek van de vakorganisatie die het lid had voorgedragen.
Bescherming tegen ontslag

Bescherming geldt zowel voor leden (effectieve en
plaatsvervangende) als voor de kandidaat-leden.

Bescherming gaat in vanaf de 30ste dag voorafgaand aan de
aanplakking van de verkiezingsdatum en geldt tot de datum waarop de bij
de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld.

Bij een volgende kandidatuur zijn de niet verkozen kandidaten
beschermd tot 2 jaar na aanplakking van de uitslag van de verkiezingen.

Ontslagrecht door de werkgever wordt fel ingekort.

De AO van de beschermde werknemer kan enkel worden
beëindigd:
 in geval van ontslag wegens dringende reden die vooraf door de
rechtbank werd aangenomen
 om een technische of economische reden die vooraf door het
bevoegd paritair orgaan werd erkend
 de AO kan om geen enkele andere reden beëindigd worden.
 zelfs niet met opzeggingstermijnen of een
opzeggingsvergoeding
 tenzij het gaat om een AO voor een bepaalde tijd of een
duidelijk omschreven werk dat afloopt

Indien de werkgever wil ontslaan om dringende reden, moet hij
volgende procedure volgen:
 Binnen de 3 dagen na ontdekking van de feiten die de dringende reden
rechtvaardigen moeten de betreffende werknemer en zijn organisatie per
aangetekend schrijven verwittigd worden.
 Binnen de 3 dagen na ontdekking van de feiten de zaak aanhangig maken
bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank.
 Na deze bekendmakingen volgt een onderhandelingsperiode van 5 dagen.
 indien de partijen niet verzoend kunnen worden, dan kan de
AO geschorst worden.
 Indien er geen verzoening is, dan moet de werkgever de dringende reden
door de arbeidsrechtbank laten erkennen.
 Eens de rechtbank de toestemming tot ontslag gegeven heeft, dan moet de
werkgever dit binnen de 3 werkdagen doen.
38

Sanctie: de beschermingsvergoeding

Indien de werknemer ten onrechte werd ontslagen, dan kan hij de
reïntegratie in de onderneming aanvragen.
 deze herplaatsing dient te gebeuren onder de voorwaarden van de
vroegere AO en wel binnen de 30 dagen na de aanvraag
 indien de werkgever de herplaatsing weigert dan maakt de
werknemer aanspraak op een vergoeding die bestaat uit 2 delen:
 het eerste deel van de vergoeding staat in verhouding van
het nog te lopen gedeelte van het mandaat
 het tweede deel is forfaitair vastgesteld en bedraagt:
 2 jaar loon indien hij minder dan 10 dienstjaren heeft
 3 jaar loon indien tussen de 10 en de 20 dienstjaren
 4 jaar loon indien meer dan 20 dienstjaren

Indien de werknemer de herintegratie niet aanvraagt, heeft hij enkel
recht op de forfaitaire vergoeding.
3.Het comité voor preventie en bescherming op het werk
 Grotendeels gelijklopend met de regeling op de
ondernemingsraden.
 Voor de beschermregeling van de mandatarissen is er
geen enkel verschil.



Sanctie: de beschermingsvergoeding

Indien de werknemer ten onrechte werd ontslagen, dan kan hij de
reïntegratie in de onderneming aanvragen.
 deze herplaatsing dient te gebeuren onder de voorwaarden van de
vroegere AO en wel binnen de 30 dagen na de aanvraag
 indien de werkgever de herplaatsing weigert dan maakt de
werknemer aanspraak op een vergoeding die bestaat uit 2 delen:
 het eerste deel van de vergoeding staat in verhouding van
het nog te lopen gedeelte van het mandaat
 het tweede deel is forfaitair vastgesteld en bedraagt:
 2 jaar loon indien hij minder dan 10 dienstjaren heeft
 3 jaar loon indien tussen de 10 en de 20 dienstjaren
 4 jaar loon indien meer dan 20 dienstjaren

Indien de werknemer de herintegratie niet aanvraagt, heeft hij enkel
recht op de forfaitaire vergoeding.
Het comité is paritair samengesteld.
Het comité kan slechts adviezen geven.
 de werkgever kan er in de werkelijkheid slechts moeilijk omheen.
39
B. Contact- en overlegorganen op bedrijfstak- en landelijk niveau
Op sectorieel vlak:
1.De paritaire comités
(a)Begrip

De regering kan op eigen initiatief of op verzoek van één
of meer representatieve vakorganisaties paritaire comités
van werkgever en werknemer oprichten.
 daarbij wordt bepaald:
 welke personen
 welke bedrijfstak of ondernemingen
 welk gebied
onder het paritair comité vallen.
 Om onder een bepaald comité te vallen, is niet de
juridische aard van de onderneming van belang, maar wel
de feitelijke activiteit.
 Eens een bepaalde onderneming onder een bepaald PC
valt, dan geldt dit principieel voor alle werknemers.
(b)Oprichting en samenstelling



Ze zijn strikt paritair samengesteld (dus evenveel
vertegenwoordigers van de werkgever als van de
werknemers).
Monopolie van de representatieve vakorganisaties.
De leden hebben een mandaat voor 4 jaar (en is
hernieuwbaar).
(c)Bevoegdheden
 PC’s hebben als wettelijke opdracht:
CAO’s tot stand doen komen
geschillen tussen werkgever en werknemer te voorkomen of bij te leggen
regering en de landelijke sociaal-economische overlegorganen te adviseren
diverse beslissingsbevoegdheden die hen toevertrouwd werden door
specifieke wetten
 voorbeelden:
 afwijkingen toestaan op de normale arbeidsduurgrenzen
 jaarlijkse vakantie
 beslechten van geschillen i.v.m. het arbeidsreglement
 De vergaderingen zijn in principe niet openbaar.
 Beslissingen worden slechts getroffen bij unanimiteit van
de aanwezige leden.




40
2.De Nationale Arbeidsraad (NAR)
(a)Samenstelling en werking

De NAR is een paritair orgaan op landelijk
interprofessioneel vlak.
 De leden van de NAR worden benoemd door de regering
op voordracht van de meest representatieve organisaties
van werkgever en werknemer.
 Het mandaat is voor een periode van 4 jaar (en is
hernieuwbaar).
 voor de voorzitter bedraagt deze periode 6 jaar.
(b)Bevoegdheden







De NAR geeft advies over alle algemene sociale
vraagstukken die de werknemer of werkgever betreffen.
 Mogelijkheid om CAO’s af te sluiten.
deze betreffen meer dan een bedrijfstak en hun werkingssfeer kan
zich uitstrekken tot het hele land
bestaat er voor een bepaalde bedrijfstak geen PC of werkt het niet,
dan kan het NAR voor deze bedrijfstak een CAO afsluiten
 Enkele voorbeelden van belangrijke landelijke
interprofessionele CAO’s door het NAR afgesloten:
het minimumloon
het statuut van de vakbondsafvaardiging
behoud van de rechten van de werknemer bij de overgang van
ondernemingen
het brugpensioen
41
§4. De Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO)
A. Begrip



Een CAO is een akkoord dat gesloten wordt tussen een of
meer werkgeversorganisaties en een of meer
werknemersorganisaties en waarin individuele of
collectieve betrekkingen worden vastgesteld en de
verplichtingen van de contracterende partijen worden
geregeld.
Speelt een belangrijke rol in de arbeidsverhoudingen
Een CAO is en blijft het werk van de sociale partijen.
B. Partijen bij de CAO

Aan werkgeverszijde: een of meer werkgevers of
werkgeversorganisaties.
 Aan werknemerszijde: een of meer representatieve
vakorganisaties van werknemers.
 De afgevaardigden van deze organisaties worden
onweerlegbaar geacht bevoegd te zijn om de CAO
namens de organisatie af te sluiten.
 Organisaties en werkgevers die de CAO niet hebben
aangegaan kunnen later toetreden tot deze CAO.
 op voorwaarde dat alle partijen die de CAO hebben aangegaan hiermee
instemmen.
C. Vereisten gesteld aan de CAO

Hij moet op straffe van nietigheid schriftelijk worden
opgesteld.
 De CAO wordt in het Nederlands en het Frans opgesteld.
 tenzij de CAO uitsluitend voor één taalgebied geldt
 De integrale tekst van de Cao dient neergelegd te worden
op het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.

eventuele toetredingen en opzeggingen moeten ook neergelegd
worden

nadien moet de CAO bekend gemaakt worden in het Belgisch
Staatsblad
 Bepalingen van een CAO zijn nietig indien ze in strijd
zijn met een CAO gesloten op een hoger niveau.
42
D. Geldingsgebied
1.Persoonlijk geldingsgebied
 De CAO is bindend voor:
 aan werkgeverszijde
 de organisaties die de CAO hebben aangegaan en de werkgever die
ervan lid is of de overeenkomst hebben aangegaan vanaf de datum
van de inwerkingtreding
 organisaties (en hun leden) en werkgever die toetreden tot de CAO
vanaf de toetreding
 de werkgever die lid wordt van een gebonden organisatie vanaf de
datum van hun toetreding
 aan werknemerszijde
 alle werknemers van een gebonden werkgever
 CAO-partijen kunnen wel een bepaalde groep van
werknemers bepalen in de CAO.
 Indien een werkgever een door een CAO gebonden
organisatie verlaat, dan blijft die werkgever aan de CAO
onderworpen totdat een wijziging in die CAO wordt
aangebracht die aanmerkelijke veranderingen aan de
verplichtingen tot gevolg heeft.
2.Materieel geldingsgebied
De professionele en territoriale werkingssfeer van een CAO gesloten in een paritair
comité wordt bepaald door de bevoegdheid van dat orgaan.

een CAO gesloten in een paritair comité geldt voor de betrokken
bedrijfssector in het gehele land

CAO’s afgesloten in de NAR gelden voor alle bedrijfstakken en
voor gans het land
3.Gelding in tijd
CAO’s worden gesloten voor:
 bepaalde tijd
 onbepaalde tijd
 bepaalde tijd met verlengingsbeding
 De laatste 2 soorten CAO’s kunnen opgezegd worden (uitz: andersluidend beding)
 De opzegging moet schriftelijk gebeuren
43
E. Inhoud van de CAO
Onderscheid tussen normatieve en obligatoire bepalingen in een CAO
 Normatieve bepalingen

hierin worden loons- en arbeidsvoorwaarden vastgelegd

onderscheid tussen collectief normatief en individueel normatief:
 individueel normatief
 bevatten normen i.v.m. arbeidsvoorwaarden die ook in de
individuele AO zouden kunnen opgenomen worden
vb. vaststelling van de arbeidsduur, loon
 collectief normatief
 dingen die niet in de individuele AO kunnen opgenomen
worden
 ze regelen de collectieve arbeidsvoorwaarden
vb. voorwaarden betreffende de
vakbondsafvaardiging, de ondernemingsraad
 Obligatoire bepalingen

Onderscheid tussen:
 uitdrukkelijk gestipuleerde obligatoire bepalingen (=uitdrukkelijk bepaalde
rechten en plichten)
 obligatoire bepalingen essentieel aan alle CAO’s
 ook al is er geen uitdrukkelijke overeenkomst over, toch
wordt men geacht zich te houden aan:
 vredeplicht: gedurende de duur van de CAO moeten
de partijen ervan afzien strijdmiddelen te gebruiken
om een wijziging te bekomen van wat bij CAO werd
afgesproken
 beïnvloedingsplicht: het legt de partijen de plicht op:
 hun leden op de hoogte te brengen van de
(inhoud van de) gesloten CAO
 er over te waken dat de leden geen met de
CAO strijdige overeenkomst sluiten
F. De algemeen verbindend verklaarde CAO

Voor een algemeen verbindende CAO komen enkel in
paritair orgaan afgesloten CAO’s in aanmerking.
 Algemeen verbindend wil zeggen: van toepassing op alle
werkgevers die behoren tot de doelgroep van het PC
waarbinnen de CAO werd afgesloten.
 ook al ondertekende men die CAO niet of is men geen lid van de
organisatie die ze wel tekende
 Anders dan de CAO zelf kan de algemeen-verbindendverklaring niet meer dan 1 jaar na de bekendmaking ervan
terugwerken.
44
§5. Collectieve conflicten
A. De staking
1. Begrip en soorten

Bij deze arbeidsneerlegging hebben de werknemers niet
de bedoeling ontslag te nemen.
 Men onderscheidt volgende vormen van de werkstaking:
 regelmatige stakingen

de CAO en de vredesplicht worden nageleefd

de voorafgaande verzoeningsmiddelen werden aangewend

de staking werd erkend door een vakbond
 spontane stakingen

de vredesplicht werd niet (volledig) nageleefd

de vakbond nam niet het initiatief voor de staking, maar
nam ze later wel over
 wilde stakingen

miskennen van de regels van de regelmatige staking

werden niet erkend door de vakbond
2.Gevolgen van de werkstaking

Stakingsrecht en stakingsvrijheid komt de werknemers toe
en niet slechts hun organisaties.
 Deelname aan een werkstaking betekent niet dat de wil tot
verbreking van de AO aanwezig is.
 de verbreking komt dus niet tot stand
 Deelneming aan een staking is dus geen onrechtmatige
daad (zelfs indien ze niet door de vakbond erkend is).
 Stakende werknemers hebben voor de stakingsdagen geen
recht op loon.
 Werknemers die niet deelnemen aan de staking maar door
de staking niet kunnen werken, hebben:
 recht op loon indien ze met vertraging of helemaal niet op de plaats van het
werk aankomen ten gevolge van een staking
 geen recht op loon indien de werkgever een rechtstreeks causaal verband
kan aantonen tussen de staking (binnen de onderneming of erbuiten) en de
onmogelijkheid de werknemer aan het werk te houden
 hij heeft onder bepaalde voorwaarden wel recht op een
werkloosheidsvergoeding
45
B. Bezetting en overname in eigen beheer

Indien men wil actie voeren tegen een bedrijfssluiting
heeft het niet veel zin te staken.
 dan gaat men het bedrijf bezetten
 Bezetting (en in mindere mate overname in eigen beheer)
worden aanvaard in het Belgisch arbeidsrecht in gevallen
van noodweer.
 dit is als het het enige wapen is dat kan verhinderen dat de werkgever bvb.:
 zonder de wettelijke inspraak zou sluiten
 de machines zou doen verdwijnen
 Bezetting (en vooral ook overname in eigen beheer) is uit
den boze als algemeen strijdmiddel.
 ze worden, behalve bij noodweer, als onrechtmatig actiemiddel beschouwd
 ze botsen immers met het eigendomsrecht
C. Uitsluiting (Lock-out)


Men sluit de onderneming als strijdmiddel in een
collectief conflict.
Dit komt in België zeer zelden voor.
D. Bemiddeling in collectieve arbeidsconflicten


Paritaire comités hebben een bemiddelende rol.
Ook een aantal ambtenaren zijn belast om tussen te komen
indien de collectieve conflicten niet door de betrokken
partijen kunnen worden opgelost.
 naargelang de moeilijkheidsgraad van het conflict treden in deze volgorde
op:
 sociale controleurs
 sociale inspecteurs
 sociale bemiddelaars
46
E. Prestaties van algemeen belang in vredestijd

Omdat stakingen en lock-outs vaak tot maatschappelijke
ontwrichting leiden, is het noodzakelijk dat een minimum
aan vitale diensten verzekerd blijft.
 Deze wet geldt enkel voor de privé-sector.
 dus geen rechtsgrond voor de opvordering van ambtenaren
 toch is het al gebeurd dat verkeerleiders en loodsen op basis van deze
wet werden opgevorderd
 PC dienen voor hun bevoegdheidsgebied te bepalen welke
diensten en prestaties moeten verzekerd worden.
 indien het PC tot geen besluit komt, dan wordt ze bepaald bij KB
Reeds lopende opzeggingstermijnen worden gedurende de duur van de
prestaties van algemeen belang opgeschort.
 De werkgever mag de opgeëiste werknemer niet
opzeggen.
 uitzondering: mits toestemming van het comité of de bevoegde minister
Hoofdstuk 4: Sociale Zekerheidsrecht
47
§1. Inleiding
§2. Administratieve organisaties
a Werknemersstelsel
1. Ministeries
 sociale verzekeringsstelsel voor de WN valt onder de bevoegdheid van de minister
van Sociale Zaken
 Bij de werkloosheidsvergoedingen is de Minister voor Tewerkstelling en Arbeid
verantwoordelijk
 de ministeries
 bepalen het beleid
 dragen de politieke verantwoordelijkheid
 voeren de hoge administratie
 oefenen toezicht uit op de sociale zekerheidsinstellingen
2.Parastatale organismen
 dit zijn openbare instellingen die bijgestaan kunnen worden door organismen van
privaatrecht
 zij zorgen voor de uitvoering van de sociale zekerheid
uitz. Arbeidsongevallenverzekering
 toevertrouwd aan privé-verzekeraars en gemeenschappelijke
verzekeringskassen
 RSZ is belast met de inning van de inkomsten en hun verdeling over de
verschillende takken van de sociale zekerheid der werknemers
 ook belast met het globaal financieel beheer van de sociale zekerheid
 moet waken over de globale ontwikkeling van de ontvangsten en de
uitgaven
 deze door de overheid opgerichte openbare instellingen hebben eigen
rechtspersoonlijkheid en genieten bestuurlijke autonomie
 ze staan wel onder het administratief toezicht van een bevoegd minister
 het beheer van deze instellingen is toevertrouwd aan een gelijk aantal
vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van WG en WN onder
leiding van een onafhankelijke vertegenwoordiger
 de leden worden benoemd door de koning
3.Meewerkende organismen van privaatrecht
 ze staan meestal in voor het directe contact met de uitkeringsgerechtigde
voorbeelden
 ziekenfondsen in de sector ziekte en invaliditeit
 werkloosheidskassen van de 3 gemachtigde werknemersvakorganisaties
48
B. De zelfstandigen
1. Ministeries
 het sociaal statuut van de zelfstandigen valt onder de politieke
verantwoordelijkheid van de Minister van Middenstand
 behalve voor de ziekte en invaliditeitsverzekering
 die wordt beheerd door het ministerie van sociale zaken
2.Parastatale organismen
 Ziekte en invaliditeitsverzekering van de zelfstandigen is gestructureerd zoals bij
de werknemers
 de inning en de verdeling van de bijdragen wordt gedaan door het
rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen
 dit is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid die onder de
bevoegdheid van de minister van middenstand staat
 ze wordt bestuurd door een raad van beheer die bestaat uit leden van
verscheidene representatieve zelfstandigenorganisaties
3.De sociale verzekeringsfondsen
 men doet beroep bij de uitbetaling op vrije sociale verzekeringsfondsen voor de
sociale verzekeringen der zelfstandigen
 wie zich daar niet bij wenst aan te sluiten sluit aan bij de Nationale Hulpkas
voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen
C. Overheidssector
 het sociale statuut van de ambtenaren staat in principe onder de politieke
verantwoordelijkheid van de Minister van het Openbaar Ambt
 De statutair vastbenoemde rijksambtenaar stort bijdragen aan de kas voor
weduwen en wezen en aan de RSZ
 RSZ stort de bijdragen dan door naar de bevoegde diensten
 De pensioenen van de ambtenaren worden beheerd door de dienst der pensioenen
bij het ministerie van financiën
 Het rijk is zijn eigen arbeidsongevallen- en beroepsziektenverzekeraar
D. Bijstandsregelingen
 tegemoetkomingen aan gehandicapten worden beheerd en uitgevoerd door het
ministerie van sociale voorzorg
 gewaarborgde gezinsbijslag en het gewaarborgd inkomen voor gepensioneerden
worden uitgevoerd door de RKW (Rijksdienst voor Kinderbijslag voor
Werknemers) en de RVP (Rijksdienst Voor Pensioenen)
 uitvoering van de wetgeving op het bestaansminimum wordt gedaan door het
OCMW
 OCMW is een autonome publiekrechtelijke instelling
 wordt bestuurd door een door de gemeenteraad aangestelde raad voor het
maatschappelijk welzijn
49
§3. Kring van de verzekerden
In deze paragraaf wordt nagegaan wie onder de betrokken stelsels van de sociale
zekerheid verzekerd zijn.
D. Werknemersstelsel
1. Algemene regel
 werknemers in het werknemersstelsel zijn werknemers die met hun werkgever
door een AO verbonden zijn
 dubbele band met het Belgische grondgebied vereist
 plaats van arbeid in België
 de vestigingsplaats van de werkgever dient in België te zijn
 wel uitzonderingen in het geval van
 detachering
 voor zeelieden
 in de kinderbijslagwetgeving
 krachtens volkenrechtelijke regelingen
 het bestaan van de essentiële voorwaarden (loon, gezag, arbeid) is al voldoende
voor onderwerping, ongeacht de bijzondere aard van de arbeid
2.Uitbreidingen
 werden uitdrukkelijk onder de werknemersverzekering gebracht
 leerjongens
 mindervaliden in beroepsherscholing
 werkstudenten
 thuisarbeiders
 betaalde musici en schouwspelartiesten
 betaalde bestuurders en mandatarissen van non-profit organisaties
 …..
3.Beperkingen
 Sommige andere groepen werden slechts aan enkele werknemersverzekeringen
onderworpen
 professionele sportbeoefenaars
 gezondheidszorg
 pensioenen
 kinderbijslag
 personeel van het vrije onderwijs en contractueel overheidspersoneel
 ziekte en invaliditeit
 pensioenen
 werkloosheidsuitkeringen
50
4.Uitsluitingen
 sommige WN in arbeidsrechterlijke zin werden dan weer uitgesloten
 voorbeelden
 niet-inwonende dienstboden die minder dan 4 uur per dag bij dezelfde
werkgever of geen 24 uur per week bij een of meer werkgevers
tewerkgesteld zijn
 werkstudenten die niet aan de RSZ onderworpen zijn geweest omdat ze
maar 1 maand gewerkt hebben
 per prestatie betaalde ziekenhuisgeneesheren met privé-praktijk voor zover
zij voor deze praktijk volledige bijdragen als zelfstandige betalen
 kaderleden en vorsers van buitenlandse nationaliteit die op bepaalde
plaatsen in België tewerkgesteld worden
5.Bijzondere stelsels
 eigen professioneel sociale zekerheidsstelsel
 stelsel voor mijnwerkers
 stelsel van zeelieden ter koopvaardij
6.Facultatieve stelsels
 Mogelijk voor die in een ander land werkt en daar onvoldoende sociale zekerheid
vindt kan zich aansluiten bij de overzeese sociale zekerheid
 omvat
 rust en overlevingspensioen
 arbeidsongevallenverzekering
 regeling voor bij zware ziekte en ongeval
E. Overheidssector
 geen eenheidsregeling inzake sociale zekerheid voor overheidspersoneel
 de zogenaamde contractuelen
 dit zijn personen die in dienst van de overheid werken met een
privaatrechtelijke AO
 zij vallen in principe onder de werknemersverzekering en niet onder deze
van het openbaar ambt
F. De zelfstandigen
 men is zelfstandige in de zin van het sociaal statuut van de zelfstandigen
 indien men in België een beroepsactiviteit uitoefent waarbij hij niet
gebonden is door een AO noch door een (overheids-)statuut gebonden is
 onderwerping bestaat op grond van de professionele activiteit
 geen belang of er een inkomen mee wordt verworven of niet
 niet alleen de zelfstandige uitoefenaar van een bepaalde beroepsactiviteit is
onderworpen maar ook de helper
51
helper is de persoon die de zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep
bijstaat of vervangt zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst
verbonden te zijn
 van de kring van de zelfstandigen zijn uitgesloten
 schrijvers die een ander hoofdberoep hebben
 echtgenoten/helpers, ongehuwde<20 jaar en de occasionele helpers
(occasioneel optreden en niet meer dan 90 dagen per jaar)
 echtgenoot-helpers onder de 55 jaar kunnen vrijwillig bijdragen tot het
statuut van de zelfstandigen
 wel beperkt tot de sector arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
G. Enkele algemene bemerkingen bij de 3 stelsels
 soms is er onderwerping aan meerdere stelsels
 indien men verschillende beroepsbezigheden heeft
 in sommige gevallen is niet alleen hij verzekerd maar ook zij die ten zijnen laste
zijn
 voorbeeld geneeskundige verstrekkingen
H. Bijstandsregelingen
 inkomensvervangende tegemoetkomingen aan de meerderjarige gehandicapte <65
jaar wiens toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot <1/3 of minder van
wat een valide persoon op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen
 integratietegemoetkomingen wordt gegeven aan gehandicapten waarbij een
gebrek aan of vermindering van de zelfstandigheid is vastgesteld
 de betrokkene moet Belg zijn (of EG-onderdaan, staatsloze of vluchteling)
en zijn werkelijke verblijfsplaats in België hebben
 werkelijk verblijf = er zijn hoofdverblijfplaats hebben en er bestendig en
daadwerkelijk verblijven
 bijkomende voorwaarde
 om rechthebbende te zijn moet men tot zijn 21ste genoten hebben van het
supplement bij de gezinsbijslag voor gehandicapten
 deze voorwaarde geldt niet voor
 Belgen
 EG-onderdanen
 staatlozen
 vluchtelingen
 men komt in aanmerking voor het bestaansminimum op voorwaarde dat men
 Belg is (of EG-burger, staatsloze, vluchteling)
 In België zijn hoofdverblijfplaats heeft
 meerderjarig is of zwanger is of gehuwd is of als ongehuwde minstens 1
kind ten laste heeft
 alle mannen >65 jaar en alle vrouwen >60 jaar komen in aanmerking voor het
gewaarborgd inkomen voor bejaarden op voorwaarde dat
 ze Belg zijn of hiermee gelijkgesteld (EG-onderdanen, staatlozen,
vluchtelingen)
 ze werkelijk in België verblijven
52
 kinderen ten laste van natuurlijke personen geven recht op gewaarborgde
gezinsbijslag op voorwaarde dat
 ze in België verblijven
 ononderbroken gedurende 5 jaar voor de aanvraag (wettelijk) verbleven in
België
 uitzondering : indien het gaat om een Belg of een gelijkgestelde
 geen recht op gezinsbijslag bestaat in een ander stelsel
OPM voor alle bovenstaande bijstandsregelingen geldt de voorwaarde dat de
betrokkene niet over voldoende bijstandsmiddelen beschikt
§4. De verzekerde risico’s en de prestaties of uitkeringen
A. De beroepsrisico’s
 arbeidsongevallen worden verzekerd ten aanzien van de werknemers als in de
overheidssector
 de zelfstandige is niet verzekerd tegen beroepsrisico’s
1.Arbeidsongevallen
(a)Begrip
 een arbeidsongeval is een ongeval dat een WN tijdens en door een feit van de
uitvoering van de AO overkomt en dat een letsel veroorzaakt
 tot het tegendeel bewezen is wordt vermoed dat
 het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de AO ook door het feit
van de uitvoering van de AO werd veroorzaakt
 wanneer de getroffene het bestaan van een letsel en een externe gebeurtenis
kan aanwijzen, dat het letsel door het ongeval veroorzaakt werd
 het ongeval dat zich voordoet op weg naar en van het werk wordt ook als
arbeidsongeval aanzien
 onder de weg van en naar het werk wordt het normale traject van het werk
naar huis en omgekeerd bedoeld
(b)Schadeloosstelling
 de tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt geëvalueerd aan de hand van het
oorspronkelijke beroep van de werknemer
 de evaluatie van de blijvende arbeidsongeschiktheid geschiedt volgens de
vermindering van het economisch potentieel van de getroffene t.o.v. alle beroepen
waartoe hij toegang zou kunnen krijgen gelet op zijn leeftijd, vakkundigheid,…
 bij overlijden is er een vergoeding voor de begrafeniskosten en renten voor de
nabestaanden
53
2.Beroepsziekten
 gemengd systeem
 enerzijds is er een lijst met erkende ziekten en anderzijds is er een algemene
definitie die toelaat ook andere dan erkende beroepsziekten in te roepen
 diegene die aanspraak wil maken op een beroepsziekte die op de lijst staat moet
bewijzen dat
 hij lijdt aan een van de ziekten opgesomd in de lijst
 dat hij gedurende zijn arbeid blootgesteld is geweest aan het beroepsrisico
van deze ziekte
 beroepsrisico’s zijn de schadelijke stoffen of omstandigheden die met de
ziekte corresponderen
 om dit bewijs te vergemakkelijken werd bij KB per beroepsrisico eveneens
een lijst opgemaakt van de bedrijfstakken, de beroepen of categorieën van
ondernemingen
 indien de getroffene daar tewerkgesteld geweest is dan geldt een
weerlegbaar vermoeden dat hij ook is blootgesteld aan de
 indien dit dubbel bewijs wordt geleverd dan geldt het onweerlegbaar
vermoeden dat de ziekte te wijten is aan de arbeid
 diegene die aanspraak wil maken op een uitkering voor een ziekte die niet op de
lijst staat dan moet het slachtoffer aantonen dat deze ziekte op een “determinerende
en rechtstreekse wijze” het gevolg is van de beroepsuitoefening
 schadeloosstelling
 schadeloosstelling voor beroepsziekte gebeurt ongeveer op de zelfde wijze
als voor de arbeidsongevallen
B. De inkomensvervangende uitkeringen
1. Ouderdom - het rustpensioen
(a) Pensioengerechtigde leeftijd
 de mannelijke en vrouwelijke WN kiezen zelf de datum waarop zij op pensioen
wensen te gaan tussen de leeftijd van 60 en 65 jaar
 bruggepensioneerden moeten wel tot 65 wachten om een rustpensioen te
kunnen genieten
 het brugpensioen is in feite een regeling om oudere werknemers wiens AO
is beëindigd en daarna nog moeilijk aan een nieuwe job kunnen geraken uit
de werkloosheid te halen
 ze krijgen van de RVA een werkloosheidsvergoeding met daarbovenop een
aanvullende vergoeding van de WG die hen ontslagen heeft
 brugpensioen is normaal gezien mogelijk vanaf 58 jaar
 voor zelfstandigen geldt als pensioengerechtigde leeftijd 65 jaar voor de mannen
en 60 jaar voor de vrouwen
 Voor ambtenaren is de pensioengerechtigde leeftijd nog steeds eenvormig 65 jaar
54
(b)Toekenning en bedrag
 wie een rustpensioen aanvraagt moet zijn werkzaamheden stopzetten
 een beperkte “toegelaten” arbeid mag nog
 pensioen zal wel gradueel worden verminderd naarmate er meer inkomen
voortvloeit uit de toegelaten arbeid
 het bedrag van het rustpensioen voor werknemers is een percentage van het
gemiddeld loon (fictief of reëel) over de periode tussen de 20 en de
pensioengerechtigde leeftijd
 een volledige loopbaan wordt bereikt na 45 jaar (mannen) of 40 jaar
(vrouwen)
 75% van het gemiddeld loon wordt toegekend aan de gepensioneerde die
gezinshoofd is
 de partner mag geen eigen inkomen uit arbeid of een vervangingsinkomen
genieten
 dit pensioen noemen we het gezinspensioen
 60% wordt toegekend aan de andere werknemers
 dit noemt men het alleenstaanden pensioen
 het zelfstandigenpensioen wordt tweesporig bepaald
 sinds 1984 opent een loopbaan als zelfstandige op dezelfde wijze recht op een
rustpensioen als bij de werknemers
 bedrijfsinkomen als berekeningsgrondslag
 voor de jaren voor 1984 gaat men uit van een laag forfaitair bedrijfsinkomen
 ook hier geldt het onderscheid 75% en 60%
 het belangrijkste voordeel voor de ambtenaren is het volgende
 hun pensioen wordt berekend op de wedden verbonden aan de laatst
uitgeoefende functie
 het wordt berekend op de gemiddelde wedde van de laatste 5 jaar en niet op
het gemiddeld inkomen van de hele loopbaan
OPM.: een pensioen kan niet samen genoten worden met een ander pensioen voor
dezelfde periode
(c)Vrije pensioenverzekeringen
 steeds meer ondernemingen kennen hun werknemers een extra-legaal pensioen toe
onder de vorm van pensioenfondsen of groepsverzekeringen
(d)Gewaarborgd inkomen voor bejaarden
 verzekerd voor bejaarden die minimum 65 (mannen) of 60 (vrouwen) jaar oud zijn
 op voorwaarde dat hun bestaansmiddelen een bepaald bedrag niet
overschrijden
 het gewaarborgd inkomen voor alleenstaande en gehuwde bejaarden is ongeveer
even hoog als de overeenkomstige bedragen van het bestaansminimum
55
2.Overlijden - het overlevingspensioen
(a)Basisregeling
 de echtgeno(o)t(e) van een overleden verzekerde WN, zelfstandige of ambtenaar
die met hem of haar minstens 1 jaar getrouwd was heeft recht op een
overlevingspensioen
 dit pensioen is 80% van het effectieve of fictieve rustpensioen
(gezinspensioen) van de overleden verzekerde
 voorwaarden
 overlevende minimum 45 jaar oud of
 minstens 1 kind ten laste hebben of
 66% arbeidsongeschikt zijn
 een nieuw huwelijk doet het recht verloren gaan
 indien niet langer aan de voorwaarden voldaan is dan wordt het
overlevingspensioen nog 1 jaar verder betaald
 indien de overlevende echtgenoot van minder dan 45 jaar oud ophoudt met
kinderen ten laste te hebben dan wordt de periode tot 45 jaar verder betaald
op minimumniveau
 inzake toegelaten arbeid geldt hetzelfde als bij het rustpensioen
 het overlevingspensioen in het ambtenarenstelsel wordt als volgt berekend
 het is 60% van de gemiddelde wedde over de laatste 5 jaren
vermenigvuldigd met het aantal dienstjaren gedeeld door het aantal jaren
tussen de 20ste verjaardag en het overlijden
 in het stelsel van het overheidspersoneel wordt ook een
overlevingspensioen toegekend aan de wees die kinderbijslag geniet
 voor 1 wees 60% van het overlevingspensioen
 voor 2 wezen samen 80% van het overlevingspensioen
 voor 3 en meer wezen samen 100% van het overlevingspensioen
 voorwaarde : dat de overlevende echtgeno(o)t(e) geen overlevingspensioen
krijgt
(b)Overlijden tengevolge van beroepsrisico’s
 hier krijgen de nabestaanden een rente die uitgedrukt is in % van het basisloon van
de overledene
 echtgeno(o)t(e) krijgt 30%
 15% voor elke wees waarvan 1 ouder overleden is (globaal maximum 45%)
 20% voor elke wees waarvan de 2 ouders overleden zijn (globaal maximum
60%)
56
3.Arbeidsongeschiktheid
(a)De gewone arbeidsongeschiktheid
 uitgekeerd aan een arbeidsongeschikte werknemer
 voorwaarden
 de pensioenleeftijd nog niet bereikt
 alle arbeid onderbroken door een erkende ziekte of ongeval
 verdienvermogen werd gereduceerd tot 1/3 van wat een vergelijkbaar
persoon zou kunnen verdienen
 dit wordt voor de eerste zes maanden vergeleken met het beroep van de
betrokkene
 na 6 maanden (of eerder indien er geen verbetering kan verwacht worden)
wordt vergeleken naar alle beroepen die hij met zijn beroepen zou kunnen
uitoefenen
 arbeidsongeschiktheid wordt vermoed bij ziekenhuisopname
 uitkeringen
 het eerste jaar : 60% van het gederfde loon (wel begrensd)
 daarna
 gezinshoofden krijgen 65% van het gederfde loon
 niet-gezinshoofden krijgen
 45% van het gederfde loon indien het hun enige inkomen was
 40% van het gederfde loon indien het niet hun enige inkomen was
 de uitkeringen hebben wel een maximum en minimumgrens die dicht bij elkaar
liggen waardoor de uitkeringen een quasi-forfaitair karakter krijgen
(b)De moederschapsverzekering
 de betrokken vrouwen krijgen 79.5% van hun begrensd voorverdiende loon voor
de eerste 30 dagen van de rustperiode
 voor werkneemsters die aan het werk waren is de uitkering gedurende de
eerste 30 rustdagen 82% van het onbegrensde loon
 voor de rest van de rustperiode krijgen ze 75% van dit loon
 indien de postnatale rust langer dan 15 weken duurt dan wordt dit herleid
tot 60%
 de rust begint ten vroegste 7 weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling
en duur tot 8 weken na de bevalling (eventueel verlengd met het overgebleven deel
van de prenatale rust)
 indien de moeder na de bevalling overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen
dan kan het moederschapsverlof omgezet worden in een vaderschapsverlof
57
(c)Zelfstandigen
 de eerste 3 maanden van de ongeschiktheid worden niet vergoed
 voor de volgende ontvangt de zelfstandige lage forfaitaire vergoedingen die in de
buurt van het bestaansminimum liggen
 de moederschapsverzekering bij zelfstandigen is een forfaitair bedrag van 30000
frank voor de drie weken na de bevalling
(d)Ambtenaren
 bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte heeft de ambtenaar 30 dagen per
dienstjaar (cumuleerbaar over de jaren met een minimum van 90 dagen) recht op
doorbetaling van de wedde
 daarna krijgt hij (minstens) 60% van zijn wedde en nooit minder dan de
overeenkomstige uitkering aan werknemers
 indien hij definitief ongeschikt wordt dan krijgt hij een invaliditeitspensioen
dat dezelfde regeling als de pensioenen voor ambtenaren volgt
4.Werkloosheid
(a)Voorwaarden
 alleen het werknemersstelsel kent een werkloosheidsverzekering
 ontslagen ambtenaren kunnen wel retroactief in de
werkloosheidsverzekering worden opgenomen voor zolang als nodig om
uitkeringen te kunnen genieten
 om recht te hebben op een vergoeding moet men aan een aantal
toelaatbaarheidsvereisten voldoen
 ofwel een aantal dagen als werknemer gewerkt hebben gedurende een
bepaalde referteperiode
 ofwel geen 30 jaar oud zijn en zijn studies beëindigd hebben en gedurende
een bepaalde tijd als werkzoekende ingeschreven zijn
 men dient ook te voldoen aan een aantal toekenningsvoorwaarden
 werkloos zijn zonder loon
 onvrijwillig werkloos zijn
 ingeschreven zijn als werkzoekende
 elke passende dienstbetrekking aannemen
 arbeidsgeschikt zijn
 niet abnormaal langdurig werkloos zijn
 zich aan een stempelcontrole onderwerpen
58
(b)Soorten uitkeringen en bedrag
 maximale percentages van het voorverdiende loon waarop de werkloze aanspraak
kan maken zijn
 alleenstaanden : het eerste jaar 60%, daarna 42%
 samenwonenden : het eerste jaar 55%, daarna 35%
 gezinshoofden 60%
 men komt als volgt aan die percentages : 35% van het voorverdiende loon
plus
 een toeslag voor het verlies van het enige inkomen van 5%
 indien men hier niet voor in aanmerking komt verliest men na 12 maanden
+ 3x het aantal jaren werknemerschap hun loongerelateerde uitkering in
krijgt men een forfait
 wie 20 jaar gewerkt heeft of >35% arbeidsongeschikt is blijft altijd de
loongerelateerde uitkering behouden
 een aanpassingstoeslag van 20% gedurende het eerste jaar werkloosheid
 een toeslag voor gezinslast van 20% na verloop van het eerste jaar
 een toeslag van 2% voor de alleenstaanden
 oudere werklozen krijgen eventueel nog een anciënniteittoeslag
 wachtuitkering
 voor jonge afgestudeerden die nog geen job gevonden hebben
 indien men langdurig werkloos is verliest men het recht op een
werkloosheidsuitkering
 dubbele van de gemiddelde werkloosheidsduur
(c)Sancties
 er zijn tal van redenen waarom iemands uitkering geschorst kan worden
 enkele voorbeelden
 onjuiste verklaringen afleggen
 controlekaart niet goed invullen
59
C. Inkomensaanvullende uitkeringen
1. Kinderlast
(a) Rechthebbende - Rechtgevende -Uitkeringsgerechtigde
 rechthebbenden openen het recht voor hun rechtgevenden (=o.a. hun eigen
kinderen)
 voor een zelfde kind kunnen soms verschillende rechthebbenden in
aanmerking komen
 cumul is echter niet toegelaten en daarom is er een voorrangsregeling
(vader-stiefvader-moeder-stiefmoeder-broer-zus)
 uitkeringsgerechtigde = diegene die het kind effectief grootbrengt
(b)De rechtgevende kinderen
 het kind kan maar recht creëren tot de verplichte schoolleeftijd
 indien het kind verder studeert dan kan het opgetrokken worden tot de
leeftijd van 21 tot 25 jaar (afhankelijk van de voor de kinderen geldende
situatie)
 gehandicapte of arbeidsongeschikte kinderen geven recht op kinderbijslag
tot de leeftijd van 25 jaar op voorwaarde dat ze >=66% arbeidsongeschikt
zijn
 ze hebben levenslang recht op een uitkering wanneer ze volledig ongeschikt
zijn om een beroep uit te oefenen of in een beschutte werkplaats te werken
 werkloze jongeren die nog geen uitkering genieten krachtens de
werkloosheidsverzekering, genieten verdere kinderbijslag
(c)Soorten bijslagen
 een forfaitair kraamgeld
 ongeveer 35000 voor het eerste kind (men ontvangt dit bedrag ook indien
men een kind adopteert)
 ongeveer 25000 voor de volgende kinderen
 gewone kinderbijslag
 tal van supplementen bij de basisbedragen
 kinderen van een mindervalide rechthebbende genieten een iets hogere
bijslag
 wezen hebben ook een hogere bijslag zolang de overlevende ouder geen
nieuw gezin vormt
 een extra supplement voor mindervalide kinderen (tot de leeftijd van 21
jaar)
 kinderbijslag voor het eerste en 2de kind wordt verhoogd indien het
kinderen van gepensioneerden of langdurig werklozen zijn
60
 voor zelfstandigen en ambtenaren is het stelsel bijna hetzelfde
 enkel krijgen zelfstandigen voor het eerste kind veel minder kinderbijslag
(1/3 van normaal)
 ambtenaren die langer dan 6 maand in het buitenland een ambt uitoefenen
krijgen een supplement
2.Ziektekosten
(a)Wie en wat is verzekerd?
 verzekerde werknemers en personen ten hunnen laste
 men dient in te schrijven bij een ziekenfonds of bij de hulpkas en bijdragen betalen
 alle nodige verzorging komt in aanmerking
 bij sommige medicamenten is er geen terugbetaling
 zijn niet vergoed
 reiskosten van de verzekerde
 alternatieve geneeswijzen
 zorgen verstrekt in het buitenland (wel uitzonderingen)
 zorgen ten gevolge van een sportongeval bij competitiesport waarvoor
toegangsgeld gevraagd wordt
(b)Remgeld
 de verzekerde betaalt zelf de kosten en krijgt een getuigschrift in handen
 met dit getuigschrift kan hij de terugbetaling van het ziekenfonds vorderen
 er wordt wel een eigen bijdrage afgehouden (remgeld)
 in een bepaald aantal situaties geldt de “derde betaler” regel
 dan betaalt de gebruiker het remgeld en stuurt de verstrekker zijn rekening
rechtstreeks naar het ziekenfonds
 dit is vooral zo bij apothekers
(c)Zelfstandigen, overheidspersoneel
 voor zelfstandigen is het stelsel beperkt tot de grote risico’s (ziekenhuisopname,
belangrijke operaties)
 deze worden gedekt zoals bij de WN
 voor de kleine risico’s kan men op vrijwillige basis een verzekering
afsluiten
 voor de ambtenaren geldt hetzelfde als voor de WN
(d)Ziektekosten tengevolge van een beroepsrisico

de desbetreffende verzekeringen zorgen ervoor dat het slachtoffer geen remgeld
dient te betalen, voor de rest is het volledig hetzelfde
61
D. Onvoldoende middelen voor een menswaardig bestaan
 inkomensvervangende tegemoetkomingen aan gehandicapten
 geeft hen een uitkering waarvan het bedrag minimum gelijk is aan het voor
hen relevante bestaansminimum
 er is een (forfaitaire) integratietegemoetkoming voor gehandicapten die een gebrek
of vermindering van zelfredzaamheid hebben
 het bedrag van beide tegemoetkomingen wordt verminderd met
 het bedrag van het inkomen van de gehandicapte
 het inkomen van de echtgeno(o)t(e) of de persoon waarmee hij huishouden
vormt
 indien het bepaalde grenzen overschrijdt
 men houdt ook rekening met o.a.
 personen ten laste
 alleenstaande of samenwonende
 geniet de gerechtigde een pensioen ?
 iedere meerderjarige Belg met verblijfplaats in België heeft recht op het
bestaansminimum
 indien men kan aantonen dat men geen toereikende bestaansmiddelen heeft
E. Enkele gemeenschappelijke bemerkingen
1. Koppeling aan de index
 de uitkeringen zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex
UITZ.: onderbrekingsuitkeringen zijn niet aan de index gekoppeld
2.Gelijke behandeling van de samenlevingsvormen
 bepaalde bedragen zijn afhankelijk van het al dan niet gezinshoofd zijn
 feitelijke partners worden op gelijke voet gezet met gehuwden
 in ziekte en invaliditeitsverzekering
 werkloosheidsverzekering
 de tegemoetkomingen aan gehandicapten
 bestaansminimumwetgeving
 ze worden niet op gelijke voet gezet bij
 pensioenwetgeving
 arbeidsongevallen- en beroepsziektenverzekering
62
§5. De financiering en de bijdrageregeling
A. Werknemersstelsel
1. De sociale bijdragen
(a) De berekeningsbasis
 de bijdrage wordt berekend op de brutolonen van de werknemers
 voor de sociale zekerheid is voor loon uitgegaan van art 2 van de
loonbeschermingswet
 worden toch tot het loon gerekend
 het enkel vakantiegeld
 de aanvullingen op het wettelijk dubbel vakantiegeld
 worden niet als loon gerekend
 vergoeding voor willekeurig ontslag
 bijzondere vergoedingen die gelden voor het ontslagverbod
 de uitwinningsvergoeding
 de opzeggingsvergoeding is wel onderworpen aan sociale bijdragen
(b)Bijdragevoeten
 voor de WN is de bijdrage 13.07% van het brutoloon
 voor de WG is de bijdrage
 34.79% in geval van bedienden
 40.79% in geval van arbeiders
 de WN betalen nog een bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid
 alleen verschuldigd indien het inkomen boven een bepaalde grens gaat
 de bijdrage gaat van ongeveer 5000 tot ongeveer 25000 frank
(c)Bijdrageverminderingen
 bijdrageverminderingen voor de werkgever die
 een stagiair, een dienstbode, of een eerste werknemer in dienst neemt
 jongerenbanen aanbied in kader van jongerenbanenplan
 overgaat tot herverdeling van de arbeid en zo een netto verhoging van het
aantal werknemers verkrijgt
(d)Inning van de bijdragen
 inning gebeurt direct door de WG
 de WG dient elk kwartaal een opgave op te stellen van alle verschuldigde bijdrage
en deze te storten
63
2.Staatstoelagen
 staatssubsidies dekken automatisch het verschil tussen de ontvangsten en de
uitgaven in de werkloosheidsverzekering
 in de andere takken van de sociale verzekering bepaald de wet de hoogte van de
staatssubsidies
 20% van de uitgaven voor de rust- en overlevingspensioenen
 80% van de uitgaven voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, tak
geneeskundige verzorging voor zover deze werden gedaan voor WIGW’s
(= personen met een bescheiden inkomen)
 50% resp. 75% of 95% van de uitgaven voor de invaliditeit gedaan vanaf
het 2de resp. 3de of 4de jaar invaliditeit
 begrafeniskosten zijn volledig ten laste van de staat
 100% van de uitgaven voor de oorlogsrisico’s in de tak der
arbeidsongevallen
 100% voor de uitgaven van begrafeniskosten
 60% voor de uitgaven voor mijnwerkers-stoflong
3.Andere inkomsten
 opbrengsten uit de loonmatigingen
 loonmatigingsbijdragen van de werkgevers
 een aanvullende premie van 10% op de gewone verzekering voor motorrijtuigen en
op verzekeringspremies voor hospitalisaties
 een gedeelte van de opbrengst van de crisisbelasting
B. De zelfstandigen
1. De sociale bijdragen
 de bijdragen worden berekend op het bedrijfsinkomen (= bruto-inkomen - de
kosten) van de zelfstandigen
 het wordt wel gebruteerd
 het wordt vermeerderd met het bedrag van de betaalde sociale bijdragen
voor het inkomstenjaar
 er bestaan verschillende percentages
 er zijn drie drempels in de bijdrageregeling
 indien het inkomen beneden de laagste drempel ligt dan wordt toch een
bijdrage geïnd op deze minimumdrempel (ook indien er een verlies geboekt
werd)
 boven de minimumdrempel tot aan de middendrempel geldt een percentage
van 16%
 op het gedeelte tussen de middendrempel en de bovendrempel wordt
12.27% bijdrage betaald
 op het gedeelte boven de bovendrempel dient geen bijdrage betaald te
worden
64
 vennootschappen zijn jaarlijks 7000 frank bijdrage verschuldigd ten voordele van
het sociaal statuut van de zelfstandigen
 sociale bijdragen worden pas geïnd 3 jaar na het jaar van inkomstenverwerving
 daarom wordt in het begin van de zelfstandige beroepsactiviteit voorlopige
bijdragen geheven die nadien geregulariseerd worden op de werkelijk
gekende inkomsten die de betrokkene genoten heeft 3 jaar voordien
2.Staatstussenkomst
 voor de ziekte en invaliditeitsverzekeringen worden de staatssubsidies op dezelfde
manier bepaald als in het werknemersstelsel
 voor de pensioenen en gezinsbijslagen worden jaarlijks in de begrotingswet
bepaalde staatstoelagen ingeschreven
C. Overheidspersoneel
 dezelfde bijdragen voor de ziekte en invaliditeitsverzekering als bij werknemers
(2.55% bijdrage voor de ambtenaar, 3.8% bijdrage voor de openbare werkgever)
 daarnaast alleen nog een bijdrage aan het fonds voor de overlevingspensioenen
 voor de rest betalen de ambtenaren geen sociale bijdragen voor hun stelsel
 het komt dus ten laste van de algemene rijksmiddelen
 de ambtenaren ondergingen de loonmatiging
 inkomens boven de 3.000.000 betalen de bijzondere bijdrage
D. Bijstandsregelingen
 gewaarborgd inkomen voor bejaarden, gewaarborgde kinderbijslag en de
tegemoetkomingen aan gehandicapten worden volledig door de staat betaald
 de staat betaalt de volledige kost van de bijstand aan politiek vluchtelingen
 het bestaansminimum wordt voor de helft door de staat betaald en voor de helft
door de lokale OCMW’s gefinancierd
65
Download