Vormselcatechese - Terug Home Lattrop

advertisement
Vormselcatechese
voor groep 8 van de Basisschool
Parochie Lumen Christi
Noord-Oost Twente
be- GEEST -erd door
VORMSEL
Coen C.M. Hamers M.Sc.
Inhoud
Schema dagen en tijdstippen
Inleiding ..................................................................................................................................... 1
Voorbereidende ouderavond op school ...................................................................................... 2
Thema 1 Gods Woord, de Bijbel ................................................................................................ 3
Thema 2 God, onze Vader en onze Schepper .......................................................................... 11
Thema 3 Jezus van Nazareth, wat deed en wat zei Hij?........................................................... 21
Thema 4 Gods Heilige Geest; de geest die in jou leeft ............................................................ 29
Thema 5 Geloof en vertrouwen ................................................................................................ 39
Thema 6 Vormselsymbolieken................................................................................................. 47
Thema 7 Voorbeelden, roeping en afronding ........................................................................... 59
Bijlagen:
Vragen aan de vormheer .......................................................................................................... 65
Mijn vormselcontract ............................................................................................................... 68
Op mijn vormselfeest kwamen ................................................................................................. 69
© 2012-2013 C.C.M. Hamers M.Sc.
1
1
INLEIDING
Dit lees- en werkboek is bestemd als voorbereiding op het sacrament van het Vormsel in de
parochie Lumen Christi. Lumen Christi betekent: Licht van Christus.
De voorbereiding op het vormsel is een zaak van vormelingen, ouders, scholen en parochie en
kan alleen maar slagen als iedereen zijn/haar steentje daaraan bijdraagt. Het is daarom van
belang dat, naast de voorbereiding op de school, vormelingen én ouders de nodige tijd en
aandacht besteden aan praten, werken en verdiepen thuis. Ook vanuit de parochie zal
begeleiding en ondersteuning geboden worden door pastores en vrijwillige begeleiders.
Door in de toekomst, indien mogelijk, uit te gaan van één concept is een actieve inzet van hen
voor de totale parochie beter mogelijk.
Voor de thema’s is een indeling gekozen van schoolactiviteit, catechetische begeleiding en
huiswerkopdrachten voor ouder(s) en kind samen.
Dat laatste is heel belangrijk, omdat de rol van de ouders in dit proces van geloofsoverdracht
essentieel is.
De basis voor het christelijk geloven is het Woord van God, zoals dat in de Bijbel tot ons is
gekomen. Een bijbel mag daarom ook in een katholiek gezin, thuis, niet ontbreken. De bijbel
is om te lezen, te bidden (psalmen), te overwegen en om te leren. Daarom wordt een apart
hoofdstuk gewijd aan de indeling van de katholieke bijbel en wordt van de vormelingen
verwacht en gevraagd een minimaal overzicht van de bijbelse boeken van buiten te leren.
Coen C.M. Hamers MSc.
2
VOORBEREIDENDE OUDERAVOND OP SCHOOL
SACRAMENTEN
Op de ouderavond op school wordt gesproken over sacramenten in het algemeen en het
vormsel in het bijzonder. Thema’s die aan de orde komen zijn:



Welkom en inleiding door een vertegenwoordiger van het parochiebestuur.
Inleiding door de begeleiders van het vormselproject:
 Bijbellezingen over het ontmoeten van God en Zijn Geest (1 Kon 18, ;Hand. 2, 1 - 4).

Sacramenten

Een sacrament is een bijzondere genade van God voor ons mensen. Een
sacrament is een ontmoeting van God met de/een mens.

Er zijn 7 sacramenten, want zeven is een volmaakt getal. Sacramenten
bestaan uit rituelen en middelen (water, olie, etc.)

Doop

Eucharistie

Vormsel

Boete en verzoening

Huwelijk

Ambt (priester, diaken)

Ziekenzalving.

De Heilige Geest

Leeftijd van vormelingen

Vormselvoorbereiding

Vormselviering

Na het Vormsel?
(Schoolpraktische punten door een van de leerkrachten).
3
THEMA 1
HET WOORD VAN GOD, DE BIJBEL
Er is een heel oud boek. Wel minstens 2500 jaar oud. Zo’n boek is natuurlijk apart, maar niet
echt bijzonder. Al sinds de mensen konden praten zijn ze grote verhalen aan elkaar gaan
doorgeven. Eerst door ze gewoon van buiten te leren en het dan weer verder te vertellen.
Later, toen ze leerden schrijven en lezen, zijn ze die verhalen op gaan schrijven. Voor dat
opschrijven gebruikten ze allerlei materiaal. De Babyloniërs schreven op plakjes klei, die ze
daarna droogden en bakten. Daarvan worden in Syrië,
Iran en Irak nog steeds tienduizenden gevonden. De
Egyptenaren en wat later de Grieken gebruikten een
soort papier. De stengels van een speciale rietsoort bij
de Nijl, de Cyperus Papyrus, klopten ze met water
kapot. De draden vlochten ze tot matjes en vervolgens
schuurden ze het gedroogde vel glad. Dan kon je er
goed op schrijven. Ze noemden dat ‘papyrus’. Snap je
dan waarom wij dat ‘papier’ noemen?
In een droog klimaat als in Egypte, kon je dat papier
goed bewaren. Zelfs nu worden nog duizenden jaren
oude velletjes papyrus gevonden. De Grieken noemden
dat papyrus: βιβλια (spreek uit: biblia). Onze woorden
bijbel en boek zijn daarvan afgeleid!
Verhalen
Mensen schreven dus om dingen vast te leggen.
Een heel oud verhaal, nog op kleitabletten geschreven,
is het Gilgamesj-epos. Het is tussen de 4600 en 4100
jaar oud! De Grieken schreven de spannende avonturen
van hun held Odysseus op, op het gymnasium (VWO)
leer je dat lezen en vertalen. De Babylonische koningen
lieten hun ambtenaren wetten en allerlei gegevens vastleggen: tabletten met ‘spijkerschrift’.
Het Joodse volk
Al die verhalen werden rondverteld en gelezen in de ‘beschaafde’ wereld van toen. Ook bij
een volk, dat leefde in het gebied tussen Afrika en Azië, rond de rivier de Jordaan aan de
Middellandse Zee. Dat volk had een heel apart geloof. Anders dan de andere volken
geloofden ze in één God. Een God, die het beste met hen bedoelde. Geen God, die als al die
andere goden een of andere onbegrepen kracht uit de natuur voorstelde (wind, water, zon,
aarde), maar een God die mensen op weg helpt en de goede leefrichting aan geeft.
Ze vertelden de geschiedenis van hun volk en wetten van die God aan elkaar door en
uiteindelijk schreven ze de verhalen op: de Tanach.
Ze waren ervan overtuigd, dat hun God hen op een bijzondere manier hielp, die verhalen op te
schrijven om hen te helpen te leven, zoals hun God dat bedoeld had. Ze beschouwden zichzelf
daarbij als het uitverkoren (door God bevoorrechte) volk.
Je mag zeggen dat de schrijvers be-geest-erd waren door God.
Naar het Griekse woord βιβλια zijn wij die verhalen uiteindelijk bijbel gaan noemen.
3
Het Oude of Eerste Testament, Joodse Tanach, christelijke Septuagint.
Het Joodse volk kende uiteindelijk wel 66 boeken. Ze noemden dat de TaNaCH: het
onderricht (Tora), profeten (Nebiim) en geschriften (Chetoebim).
Het belangrijkst waren de vijf eerste boeken: de Tora of wet of onderricht of leidraad. Een
verhaal waartoe of waarom wij mensen op deze aarde zijn.
Een vertellend, uitleggend verhaal, geen aardrijkskunde of geschiedenisles. Een verhaal, hoe
de schrijver denkt, dat ‘zijn God’ dat bedoeld heeft.
Christenen delen de verhalen iets anders in dan de Joden. Bij ons zijn de boeken van de
TaNaCH de volgende:
(Leer de namen van de vet-gedrukte boeken van buiten!)
Wetboeken (Tora of Pentateuch)
Genesis
(scheppingsverhalen)
Exodus
(uittocht en wet van Mozes)
Leviticus
(boek van/voor de priesters)
Numeri
(tocht door de woestijn en volkstellingen)
Deuteronomium
(tweede, vernieuwde wet van Mozes)
Historische Boeken
Jozua (verovering van Israël)
Rechters (tijd vóór de koningen)
Ruth
1 en 2 Samuel (profeet Samuel en de
komst van de koningen Saul en David)
1 en 2 Koningen (einde van koning David
tot de Babylonische ballingschap en
profeet Elia)
1 en 2 Kronieken (1: korte beschrijving
Adam tot en met David; 2: van Salomon
tot de verovering van Jeruzalem door de
Babyloniërs)
Ezra (1e vervolg Kronieken)
Nehemia (2e vervolg Kronieken)
Tobit *
Judit *
Ester
1 en 2 Makkabeeën *
4
Poëtische Boeken
Job
Psalmen
Spreuken
Prediker
Hooglied
Wijsheid *
Wijsheid van Jezus Sirach *
Profeten
Jesaja
Jeremia
Klaagliederen
Baruch *
Ezechiël
Daniël
Kleine Profeten
Hosea
Joël
Amos
Obadja
Jona
Micha
Nahum
Habakuk
Sefanja
Haggai
Zacharia
Maleachi
Nieuwe of Tweede Testament, over Christus en zijn volgelingen.
Langzamerhand ontstond het idee, dat God er was voor iedereen.
Maar vanwege Israël’s bijzondere rol zou God iemand sturen, waarvan in de Tanach al veel
verteld was: een Messias. Die Messias was een bijzondere persoon, die de wereld zou
veranderen in de richting van Gods bedoeling.
Messias betekent gezalfde (Χριστος : christos in het Grieks).
Wij, christenen, protestanten en katholieken, geloven dat Jezus van Nazareth die Messias is en
dat Hij de Zoon van God is. In de komende thema’s gaan we daar verder op in.
Belangrijk is het om te weten, dat Jezus rondging in Israel om iedereen te vertellen, dat Hij
namens God een bijzondere boodschap had te vertellen: het in het Eerste Testament beloofde
koninkrijk van God is gekomen.
Later waren er een aantal schrijvers die dat hebben opgeschreven: Goed nieuws noemden zij
hun verhaal: met een Grieks woord: ευαγγέλιον (euangelion). Wij spreken ook wel van ‘de
blijde boodschap’. Vervolgens hebben leerlingen van Jezus daar brieven over geschreven. Al
die boeken bij elkaar noemen wij het Nieuwe of Tweede Testament:
Evangeliën
Matteüs
(voor griekstalige Joden)
Marcus
(niet-Joodse (Romeinse?) doelgroep)
Lucas
(voor Griekstalige niet-Joden)
Johannes
Apocalyps
Openbaring van Johannes
Handelingen van de Apostelen
Geschiedenis van de eerste Christenen
Brieven van Paulus
Romeinen
1 en 2 Korintiërs
Galaten
Efeziërs
Filippenzen
Kolossenzen
1 en 2 Tessalonicenzen
1 en 2 Timoteüs
Titus
Filemon
Hebreeën
Brieven van andere apostelen
Jakobus
1 en 2 Petrus
1, 2 en 3 Johannes
Judas
ISBN: 97890 6173 849 7
Prijs: € 39,50
(ook in grote letter uitvoering of
schooluitgave)
ook digitaal te bestellen:
www.adveniat.nl/webwinkel
5
Vragen
Hebben jullie thuis een bijbel? Wat voor een?
Lezen jullie of jullie ouders daar wel eens in?
Kennen jullie verhalen uit de bijbel?
Beteken die getallen in de tekst iets?
Vormsel
Wij gaan ons voorbereiden op het vormsel. Daar is heel veel over te vertellen. De volgende
weken gaan we dat doen. Daarbij gebruiken we ook teksten uit de bijbel: om te lezen en om
ervan te leren.
THUISOPDRACHT (samen met je ouders maken!)
bladzijde 7 t/m bladzijde 9
6
Thuisopdracht BIDDEN (Thema 1, werkblad 1)
God spreekt tot ons door de bijbel. Als wij praten met God noemen we dat bidden. In de
bijbel leert Jezus Christus ons een gebed. Je kent het vast wel. Het komt twee keer voor: een
keer bij Lucas en een keer bij Matteüs. De laatste is ons het best bekend.
Bidden is praten met/tot God”. Jezus leert ons een voorbeeld:
Lucas 11, 1-4
11 1 Eens was Hij ergens aan het bidden. Toen Hij opgehouden was, vroeg een van zijn
leerlingen Hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’
2
Hij zei tegen hen: ‘Wanneer je bidt, zeg dan:
Vader,
uw naam worde geheiligd,
uw koninkrijk kome;
3
geef ons elke dag het nodige° brood
4
en vergeef ons onze zonden,
want ook wij vergeven ieder die ons iets schuldig is,
en breng ons niet in beproeving.’
Matteüs 6, 6-15
6 6 Maar als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in het
verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen. 7 Gebruik bij het
bidden geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want die menen dat ze vanwege hun
talrijke woorden verhoord zullen worden. 8 Neem daar geen voorbeeld aan, want jullie Vader
weet wat je nodig hebt, voordat je het Hem vraagt. 9 Jullie moeten zo bidden:
Onze Vader in de hemel,
uw naam worde geheiligd,
10
uw koninkrijk kome,
uw wil geschiede,
op aarde zoals in de hemel.
11
Geef ons vandaag het nodige brood,
12
en vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij hebben vergeven wie schulden heeft bij ons.
13
En breng ons niet in beproeving°,
maar red ons van het kwaad.
14
Want als jullie de mensen hun overtredingen vergeven, zal je hemelse Vader ook jullie
vergeven. 15 Maar als jullie de mensen niet vergeven, zal je Vader jullie overtredingen
ook niet vergeven.
Bidden doe je overal: thuis, op school of in de kerk. Maar ook buiten in de natuur kun je
heel goed bidden. Het beste is van het bidden een vaste gewoonte te maken. Op
werkblad 1 vind je de huidige tekst van ons Onze Vader. Probeer de daar gestelde vragen
eens samen te beantwoorden.
handtekening van jezelf
handtekening van je vader
handtekening van je moeder
7
8
THEMA 1 WERKBLAD 1 (thuisopdracht) Beantwoord samen met je ouders de vragen.
Onze Vader, die in de hemel zijt,
Waar is de hemel?
Uw Naam worde geheiligd,
Hoe moet ik ‘heiligen’?
Uw Rijk kome,
Rijk, klinkt dat niet erg naar geweld?
Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Wordt ik door God dan helemaal wil-loos gemaakt?
Geef ons heden ons dagelijks brood
Hoe ziet dat dagelijks brood eruit in Afrika?
en vergeef ons onze schuld,
Wat is dat: schuld?
zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.
En als ik dat nou eens helemaal niet wil?
En leid ons niet in bekoring,
Dan wordt zeker alles verboden wat de boel leuk maakt?
9
maar verlos ons van het kwade.
Bestaat “het Kwade” dan echt wel?
Want van U is het koninkrijk en de kracht en
Waar is dan die kracht van God bij ziekten als kanker of Aids?
de heerlijkheid in eeuwigheid.
Wat moet ik me voorstellen bij eeuwig?
Amen.
Wat betekent eigenlijk Amen?
Bidden jullie thuis ook wel eens? Waarom (niet)?
Waarom zou je bidden voor het eten?
10
11
THEMA 2
GOD, ONZE VADER EN ONZE SCHEPPER
Lezen uit de bijbel
12
Genesis (Schepping) 1, 26-28; 2, 4-7
1 26 En God zei: ‘Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal
heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over
alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’ 27 En God schiep de mens
als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij
hen. 28 God zegende hen, en God sprak tot hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de
aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over
de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’
2 4 Toen de HEER God aarde en hemel maakte, 5 waren er op aarde nog geen wilde planten
en groeide er geen enkel veldgewas, want de HEER God had nog geen regen op de aarde
laten vallen en er was nog geen mens om de grond te bebouwen, 6 om het water uit de aarde
omhoog te
halen en de
aardbodem te
bevloeien. 7
Toen
boetseerde
de HEER
God de
mens uit stof
dat Hij van
de aarde nam,
en Hij blies
hem de
levensadem
in de neus: zo
werd de
mens een
levend
wezen.
13
Op school
Het vormsel
Het woord vormsel komt uit het Latijnse firmare en betekent “zeker maken, sterk maken,
duurzaam maken, bevestigen”. Vroeger kenden we ook het werkwoord “vromen” (= sterk
maken) gebruikt. Het vormsel maakt je “vroom” of “ferm”, sterk en dapper of duurzaam. We
kennen het in die betekenis nog in de tekst van het 6e couplet van het Wilhelmus.
Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God, mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
verlaat mij nimmer meer.
Dat ik toch vroom mag blijven,
Uw dienaar t’ aller stond,
die tirannie verdrijven,
die mij mijn hart doorwondt.
Tegenwoordig denk je natuurlijk ook makkelijk aan het woord vormen: een vorm geven aan.
Mensen vormen mensen
Elf, twaalf, misschien wel dertien jaar geleden keken je ouders naar je uit en richtten een
plaatsje voor je in. Je werd geboren en je kreeg je naam. Iedereen kwam naar je kijken en
iedereen vond je mooi. Iedereen sprak voor jou de wens uit, dat je een gelukkig mens zou
worden.
Je lachte voor het eerst. Zo klein als je was, toch was het een lach van herkenning naar de
mensen die bij je horen en van je houden. Zo klein als je was, had je al ontdekt, dat een mens
zonder liefde niet kan leven.
Je werd gedoopt, omdat je ouders wilden dat je werd opgenomen in de kerk, de gemeenschap
van mensen, die geloven in God en proberen te leven als Jezus Christus.
Je leerde lopen, met vallen en opstaan en altijd was er wel een hand om je aan vast te houden
en een kus als je jezelf pijn had gedaan. Je leerde praten: “mama” en “papa” en “lekker” en
“ik”.Voor alles wat belangrijk was ontdekte je de woorden en dat gaat nog steeds door.
Voor sommigen van jullie waren er broertjes en zusjes om mee te spelen en om ruzie mee te
maken, maar ook om te voelen dat je bij elkaar hoort. Er waren opa’s en oma’s, die blij waren
als ze je zagen. Er waren buren, vriendjes en vriendinnetjes. Je ontdekte dat er mensen waren,
die anders deden en dachten dan je thuis gewend was. Je leerde ervan.
Je ging naar school. Je leerde knippen, vouwen en plakken. Je probeerde een spreekbeurt te
houden, je deed mee aan het schoolvoetbaltoernooi, en vooral kwam je er elke dag een massa
mensen tegen, volwassenen en kinderen.
Je leerde rekening te houden met elkaar, je leerde voor elkaar op te komen, je leerde trouw,
vriendschap en eerlijkheid. En ook al lukten al die mooie dingen jou niet altijd, je ontdekte dat
ze bestonden en dat het goede dingen waren. Dat je er voor kon kiezen en dat je ze kon
proberen te doen.
14
Door al die mensen die met jou te maken hadden, door al die dingen die je leerde en
meemaakte werd je gevormd tot wie je nu bent: elf, twaalf of dertien jaar en dat is de moeite
waard.
Nog maar zo’n zelfde tijd erbij en je bent al ouder dan twintig jaar, misschien verliefd,
getrouwd, misschien al kinderen, een huis, een auto of een baan.
Kortom je bent een mens.
God
God heeft ons gemaakt. Dat is een lang proces geweest. De bijbel vat dat samen in zes dagen,
want op de zevende “rustte” God uit. Daar komt onze zondag vandaan! God maakte de mens
mannelijk en vrouwelijk: samen een complete mens.
Weten jullie eigenlijk hoe God eruit ziet?
Hoe kun je dat weten?
Sacramenten
Het vormsel is een sacrament. Net als het doopsel. Bij je eerste heilige communie heb je
kennis gemaakt met het sacrament van de Eucharistie. Je ouders weten er vast nog meer.
Maar wat zijn sacramenten nu eigenlijk?
Eigenlijk zijn het tekens van Gods liefde en zorg en vriendschap voor jou. God geeft je die
liefde en zorg en vriendschap zomaar. Helemaal gratis, voor niets. Met een deftig woord
noemen we dat genade. Met een sacrament komt God eigenlijk heel dicht bij je.
In de Rooms Katholieke kerk kennen we (sinds ongeveer het jaar 1000) zeven sacramenten.
Het eerste sacrament is het sacrament van het doopsel.
Jezus had tegen zijn leerlingen gezegd:’Als er mensen naar jullie toekomen, die net zo
willen leven als Ik, doop ze dan met water in de naam van de Vader, de Zoon en de
heilige Geest’. Steeds meer mensen wilden dit en lieten zich dopen; ze werden als het
ware lid van ‘de club van Jezus’, ook wel ‘de kerk’ genoemd. In onze tijd worden
mensen vaak al gedoopt als baby. De ouders hebben dan de wens dat hun kind gaat
leven zoals Jezus het heeft voorgedaan en ze vragen God hun kind hierbij te helpen.
Door het doopsel wordt hun kind dan officieel opgenomen in de kerk. Wanneer je als
baby niet gedoopt bent kan dat altijd nog op latere leeftijd.
Het tweede sacrament is het sacrament van de eucharistie.
‘Eucharistie’ betekent dank zeggen. Tijdens het laatste avondmaal dankte Jezus God
voor het brood en de wijn, dat hij onder zijn vrienden verdeelde. Jezus zei toen dat ze
die maaltijd moesten blijven houden als Hij er niet meer was. Dat deden ze en ze
merkten dat Jezus dan heel dicht bij hen was. Nu vieren we nog altijd de eucharistie in
een heilige mis tijdens de consecratie als de priester ook zegt: “Blijf dit doen om Mij te
gedenken”. B ij de communie ontvangen we de hostie en soms een slokje wijn. We
geloven dat Jezus door de communie op een heel bijzondere manier bij ons is en ons
kracht geeft.
15
Het derde sacrament is het sacrament van het vormsel.
De bisschop (of zijn plaatsvervanger) dient het vormsel toe. Hij legt de vormeling de
handen op en zalft hem of haar met gezegende olie (het chrisma). We bidden dat de
heilige Geest, door Jezus de Helper of de Trooster genoemd, mag komen en dat deze
Geest van God de vormeling als het ware helemaal mag doordringen. We geloven dat
dit de vormeling kracht zal geven om zijn of haar taken in het leven goed te kunnen
volbrengen en om te leven zoals Jezus het heeft voorgedaan. Je kunt altijd bidden om de
kracht van de heilige Geest. Maar tijdens de vormselviering doen we dat op een wel
heel bijzondere manier.
Het vierde sacrament is het sacrament van boete en verzoening, de biecht.
Het lukt niet altijd om te leven zoals God dat van ons vraagt. Maar als we fouten maken en
daar spijt van hebben dan mogen we God altijd weer om vergeving vragen. Een van de taken
van een priester is om mensen daarbij te helpen. Vroeger kon je je fouten opbiechten in een
ho(e)kje in de kerk: het biechthokje of de ‘biechtstoel’. Tegenwoordig zijn deze hokjes als
bergruimtes in gebruik en kom je gewoon in de
16
spreekkamer van de pastor. Wanneer je veel ‘op je hart’ hebt, dan kan het fijn zijn
wanneer een priester naar je luistert en je in Jezus’ naam mag vergeven. Wat je bij een
priester opbiecht beschouwt hij als een geheim: hij mag en zal er dus nooit met iemand
over praten.
Het vijfde sacrament is het sacrament van het huwelijk.
Wanneer een man en een vrouw van elkaar houden en gaan trouwen in de kerk, dan
beloven ze elkaar lief te hebben zoveel ze kunnen. Maar ook vragen ze aan God of Hij
hun huwelijk wil zegenen en hen wil helpen om samen gelukkig te worden.
Het zesde sacrament is het sacrament van de wijding.
De meeste sacramenten worden door een priester gegeven. Sommige, zoals de doop, het
huwelijk en de ziekenzalving ook door een diaken. De kerk heeft priesters nodig en
diakens. Door het teken van de handoplegging en de zalving door de bisschop wordt
iemand tot priester of diaken gewijd. De priester belooft daarbij ongehuwd te zijn en te
blijven. De bisschop legt zijn handen op het hoofd van de wijdeling en hij bidt, dat de
heilige Geest hem mag helpen om een goed priester of een goede diaken te worden. We
geloven dat de wijding hulp en kracht zal geven om te spreken en te doen als Jezus. De
wijding is (momenteel) in de Rooms Katholieke kerk voorbehouden aan mannen.
Het zevende sacrament is het sacrament van de ziekenzalving.
Wanneer iemand ziek is of een hoge leeftijd bereikt, kan een priester gevraagd worden
deze persoon de handen op te leggen en te zalven met gezegende olie. We bidden dat de
heilige Geest mag komen, de Helper en Trooster, en dat deze Geest van God de zieke
als het ware helemaal mag doordringen. We geloven, dat dit de zieke kracht zal geven.
Kracht om te genezen en, als dit niet meer mogelijk is, kracht om de ziekte te kunnen
dragen.
THUISOPDRACHT (samen met je ouders maken!)
bladzijde 16 t/m bladzijde 20
17
Schoolopdracht (apart op school met de mensen van de WIC)
Je geeft vorm aan iets door net zolang te kneden en te boetseren tot de gewenste vorm, het
gewenste model is bereikt. Dat model is uniek. Het ontstaat al werkend. Om op die manier
iets te vormen is vaak veel en moeizaam werk. Het wordt ook wel scheppend werk genoemd.
Je kunt ook een vorm aan iets geven door een model, een mal, te gebruiken. De afdrukken
daarvan zijn eigenlijk allemaal hetzelfde. Van die vormen weet je vast een aantal voorbeelden
te noemen.
Hoe het ook zij: vormen, vorm geven aan iets is:
bezig zijn, veranderen,
moeite doen, teleurgesteld zijn,
opnieuw proberen,
voldaan zijn.
teleurgesteld zijn over het resultaat
doorgaan en weten ‘het wordt wel wat’.
Met een stuk klei maken we een mensfiguur.
Voel hoe het vormen in zijn werk gaat. In het scheppingsverhaal hebben we gelezen, dat God
zijn geest blies in de mens en dat de mens ademde. Zo gaf God de mens leven. Dat verhaal is
al duizenden jaren geleden bedacht, om aan te geven wat een wonderlijk geschenk dat ‘leven’
eigenlijk is.
Schepping van Adam door God
18
Thuisopdracht GEVORMD WORDEN (Thema 2, werkblad 2)
Gevormd worden.
De kerk kent 7 sacramenten. Lees blz. 12 tot en met 14 nog eens voor jezelf door.
Doe dan de \volgende opdrachten samen met je ouder(s).
De mens verandert zijn leven lang. De mens maakt een groeiproces door. Hij wordt
voortdurend gevormd, veranderd door de krachten die op hem inwerken. Krachten vanuit
hemzelf, krachten vanuit de mensen, die van hem houden, krachten vanuit de mensen die hij
gedurende zijn leven toevallig ontmoet of tegenkomt, krachten vanuit zijn omgeving.
Binnen de Kerk heeft gevormd worden een extra betekenis.
Daar ontmoet de mens nadrukkelijk het voorbeeld van Jezus van Nazareth. Zijn Geest geeft
het leven van de mens extra vorm. Samen met alle andere mensen binnen die kerk groeit de
mens om zijn leven vorm te geven in de geest van Jezus van Nazareth.
1.
Bekijk samen het werkblad 2 en praat er met elkaar over. Belangrijk is vooral:
a.
Wat er in het leven van de vormeling tot nu toe gebeurde:
i.
Broertjes en / of zusjes krijgen / hebben
ii.
Naar school gaan
b.
Wat de vormeling leerde of deed:
i.
Leren praten
ii.
Leren lopen
iii. Zwemdiploma halen
iv. Bij een sportvereniging gaan
c.
Met welke mensen de vormeling te maken heeft gehad:
i.
Logeren bij oma en opa
ii.
Ooms en tantes / neven en nichten
d.
Dat je andere mensen nodig hebt
i.
Leren omgaan met vreugde en verdriet.
2.
Vul nu samen werkblad 2 in met plaatjes, foto’s en zinnen.
Beschadig geen unieke foto’s, maar maak er desgewenst eerst een fotokopie van.
19
-20-
handtekening van jezelf
handtekening van je vader
handtekening van je moeder
THEMA 2 WERKBLAD 2 (thuisopdracht)
Mijn familienaam:
Mijn voornaam (roepnaam):
Mijn geboortenamen:
Mijn geboorteplaats en datum:
Ik ben een M(eisje) / J(ongen)
Mijn adres en postcode en woonplaats:
Mijn nationaliteit:
Mijn telefoonnummer(s):
Mijn emailadres:
Mijn sofinummer:
Mijn huidskleur:
De kleur van mijn ogen:
Mijn gewicht:
Mijn lengte:
Mijn kledingmaat:
Mijn schoenmaat:
Mijn lievelingsmuziek, groep of zanger(es):
Mijn lievelingsboek of tijdschrift:
Mijn lievelingsfilm of programma:
Mijn lievelingskleur:
21
Mijn sport(en):
Mijn hobby’s:
Mijn wensen voor de toekomst
(hoe wil ik nog meer gevormd worden, wat wil ik worden?):
22
KIND, WAT WORDT JE GROOT!
Baby
Peuter (wie waren er bij?)
Kleuter (wie hielpen je?)
23
Basisschool onderbouw (wat deed je daar allemaal?)
24
Basisschool bovenbouw (wat leerde ik het liefst?)
Een plukje van mijn haar
Mijn vinger afdruk
-25-
Mijn pasfoto
Mijn lipafdruk
En mijn handtekening:
-26-
THEMA 3
DE BOODSCHAP VAN JEZUS VAN NAZARETH
-27-
Lucas 10, 25-37 Gesprek met een wetgeleerde
10 25 Daar kwam een wetgeleerde naar Hem toe om Hem op de proef te stellen. ‘Rabbi,’ zei
hij, ‘wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ 26 Hij zei tegen hem: ‘Wat
staat er in de wet geschreven? Hoe leest u dat?’ 27 Hij gaf ten antwoord: ‘U zult de Heer uw
God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw
verstand, en uw naaste als uzelf.’ 28 Hij zei tegen hem: ‘Juist geantwoord! Doe dat en u zult
leven.’ 29 Maar hij wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Ja maar, wie is mijn
naaste?’ 30 Jezus nam weer het woord en zei: ‘Op reis van Jeruzalem naar Jericho viel iemand
in handen van rovers. Ze schudden hem uit, mishandelden hem en lieten hem halfdood achter.
31
Toevallig kwam er een priester langs die
weg; hij zag hem, maar liep in een boog
om hem heen. 32 Ook een Leviet die
voorbijkwam en hem zag, liep in een boog
om hem heen. 33 Toen kwam er een
Samaritaan langs die op reis was; hij zag
hem en was ten diepste met hem begaan.
34
Hij ging naar hem toe, goot olie en wijn
op zijn wonden en verbond ze. Toen zette
hij hem op zijn eigen rijdier en bracht hem
naar een herberg, waar hij hem verder
verzorgde.
35
De volgende ochtend haalde hij twee
denariën te voorschijn en gaf ze aan de
waard. ‘Zorg voor hem,’ zei hij, ‘en als u
nog meer kosten moet maken, zal ik ze u
op mijn terugreis vergoeden.’
36
Wie van die drie is naar uw mening de
naaste geweest van de man die in handen
van de rovers was gevallen?’ 37 Hij zei:
‘Hij die hem barmhartigheid heeft
bewezen.’ Jezus zei tegen hem: ‘Doe dan
voortaan net als hij.’
Jezus van Nazareth
In het vorige thema hebben we het gehad over God als onze Vader en onze Schepper. Omdat
de mensen keer op keer anders deden dan God van hen vroeg, stuurde hij ons een Messias, zijn
Zoon. Hij trok door het land Israël, zo’n 2000 jaar geleden. Wat hij zei en leerde en deed is
opgeschreven in de 4 Evangeliën. Het verhaal hierboven is daar een voorbeeld van.
Het zijn verhalen die pas later (50 tot 100 jaar) zijn opgeschreven, waarbij gebruik is gemaakt
van mondelinge overleveringen en van andere over hem geschreven verhalen. Die zijn
inmiddels allemaal verloren gegaan, op wat kleine fragmenten na. De verovering van
Jeruzalem en de vernietiging van de tempel aldaar door de Romeinen in het jaar 70 na Christus
zullen daar ook wel mede schuldig aan zijn.
Geboorte en jeugd
Van de gebeurtenissen bij de geboorte van Jezus weten we uit het evangelie. Wij vieren die
gebeurtenis nog steeds ieder jaar. Weet je welk feest dat is? Weet je ook waar hij is geboren?
(Thema 3, werkblad 3). Wij noemen dat moment het punt 0 van onze jaartelling.
Toch hebben de geleerden, die dat moment later uitrekenden een fout gemaakt. Jezus is
ongeveer zes jaar eerder geboren.
28
Van zijn jeugd weten we bijna niets. Alleen Lucas vertelt een verhaal over het bezoek van hem
en zijn vader en moeder aan de tempel in Jeruzalem tijdens het Joodse Paasfeest. Hij was toen
12 jaar en kon al behoorlijk eigenwijs zijn. Hij woonde met zijn ouders in Nazareth.
Zijn optreden
Als Jezus zo rond de 30 jaar oud is
laat hij zich door Johannes de
Doper dopen in de Jordaan bij
Qumran, vlak bij de Dode Zee.
Meteen daarna trekt hij zich 40
dagen terug in de woestijn.
Dan gaat hij rondtrekken door
Judea en vooral ook Galilea. Op
zijn tochten doet hij ook het
tussenliggende Samaria regelmatig
aan. Het verhaal van zojuist speelt
rond een van die bewoners daar.
Hij preekte overal in synagogen en
genas mensen van ziekten en
kwalen. De kaart hiernaast kan zijn
werkgebied verduidelijken.
Wat leerde hij?
Hij leerde de mensen hoe ze goed
moeten en kunnen leven. Goed,
zoals God dat heeft bedoeld. Het
verhaal uit Lucas vertelt ons dat.
Weet je wat barmhartigheid
betekent?
Kun je zelf een voorbeeld geven
van iemand die barmhartig is?
Is het altijd even gemakkelijk? Wat
wel, wat niet? Geef voorbeelden.
Het einde
Dat Jezus erg populair werd door Zijn optreden bij de mensen beviel de toenmalige overheid
niet. Die overheid bestond uit Joodse godsdienstige leiders en Romeinse bezetters. Toen Jezus
feestelijk in Jeruzalem was ontvangen (Thema 3, werkblad 3), wilden ze Jezus arresteren om
van Hem af te zijn. Ze beschouwden Hem als een lastige oproerkraaier. Omdat Jezus het einde
voelde naderen, bereidde Hij zijn leerlingen daar langzaam op voor. Maar die begrepen dat
niet. Daarom nam Hij afscheid van hen op een bijzondere avond, vlak voor het Joodse
paasfeest. Opnieuw kondigde Hij aan: ‘een van jullie zal Mij verraden’. Dat maakte de
leerlingen zeer bedroefd. Wij herdenken die avond als het Laatste Avondmaal, de instelling
van de eucharistie. Op welke dag vieren wij dat (Thema 3, werkblad 3)?
Diezelfde avond werd Jezus gearresteerd en opgebracht.
De volgende dag veroordeelden ze Hem ter dood en stelden Hem terecht aan het kruis.
Op welke dag gedenken wij dat sterven aan het kruis (Thema 3, werkblad 3)?
(Good = Heilig).
29
Op de derde dag stond Hij op uit de dood. Wanneer vieren wij die dag (Thema 3, werkblad 3)?
Veertig dagen later ging Jezus naar zijn Vader in de hemel. Hoe heet bij ons die dag (Thema 3,
werkblad 3)?
Vanaf dat moment stonden de leerlingen er alleen voor. Totdat ..... de dag van Pinksteren
aanbrak (Thema 3, werkblad 3). Daar gaan we het de volgende keer over hebben.
Vormen
Als je gevormd wordt, zijn er mensen, je ouders of je vormpeter en vormmeter, die achter je
staan en hun rechterhand op je schouders leggen. De bisschop (of zijn vertegenwoordiger) legt
zijn hand op je hoofd. Naast vriendschap en liefde betekent dat ook: Ik hoop dat je moedig zult
zijn en blijven. Dat je de kracht zult hebben om daadwerkelijk te handelen in de Geest van
Jezus van Nazareth en zijn Goede Boodschap uit te dragen.
“Wij staan achter je en houden je de hand boven het hoofd.”
De bisschop (of zijn vertegenwoordiger) tekent met olie, met zalf, een kruis op je voorhoofd.
In de bijbel, in het Oude of Eerste Testament, staat dat mensen, die gezalfd worden, een
speciale opdracht krijgen en dat die zalving moed en kracht geeft om die opdracht te
vervullen.
Als de bisschop (of zijn vertegenwoordiger) jou zalft en een kruis op je voorhoofd tekent, krijg
jij de opdracht te leven in de Geest van Jezus.
Het vormsel is een sacrament, een bijzondere ontmoeting tussen God en een mens of mensen.
Het vormsel is een moment van genade, het wil je voor Gods opdracht moed en kracht geven.
THUISOPDRACHT (samen met je ouders maken!)
bladzijde 25 t/m bladzijde 27
LET OP: OPDRACHT INSTUREN VIA DE EMAIL!!!!
30
THEMA 3 WERKBLAD 3
VAN DE GEBOORTE VAN JEZUS TOT PINKSTEREN
jaar
Vul de christelijke feestdagen in!
1
VC
0
NC
Geboorte van Johannes de Doper (Eerste testament)
12
Jezus treedt voor het eerst op als 12-jarige in de tempel.
30
Jezus wordt gedoopt door Johannes de Doper in de Jordaan. Hij is dan
ongeveer 30 jaar.
Nadat Hij gedoopt is, trekt Jezus zich 40 dagen terug in de woestijn
Jezus verzamelt mensen om zich heen, die Zijn leerlingen worden.
Jezus trekt met zijn leerlingen door het land. Hij vertelt mensen over het
koninkrijk van God, helpt mensen in nood en leert mensen hoe ze mee kunnen
bouwen aan Gods koninkrijk van liefde, vrede en gerechtigheid.
33
Jezus wordt feestelijk begroet als Hij in de hoofdstad Jeruzalem aankomt.
Wij vieren dat met: ............................
Geboorte van Jezus. Dat vieren wij met: ....................................
Begin van de jaartelling (en het Tweede testament).
Jezus eet voor de laatste maal keer met Zijn leerlingen en neemt afscheid van
hen. Wij vieren dat met ............................
Jezus sterft aan het kruis. Hij is dan ongeveer 33 jaar.
Wij vieren dat met: ........................
De derde dag na de dood van Jezus staat Hij op uit zijn graf. Dat vieren wij
met: ...........................
40 Dagen na Pasen verlaat hij de aarde. Wij vieren dan: ...........................
50 (7 x7) Dagen na Pasen komt de Heilige Geest. Dat vieren wij
met: .................................................... Begin van het Christendom.
.........
jaar na zijn geboorte ben ik geboren.
31
Thuisopdracht (werkblad 11)
1.
Lees hardop samen met elkaar het verhaal: ‘Dat nieuwe kind’ voor.
Dat nieuwe kind.
32
‘O nee’, dacht Esther, ‘alsjeblieft niet.....!’
Aan de overkant van de straat, voor het
huis dat al een tijdje onbewoond was,
stopte een auto. Er stapte een meisje uit.
Net zo oud als zijzelf, zo te zien. Stomme
jurk had ze aan en haar haar zat in een
belachelijke staart. Achter haar aan
kwamen twee jongetjes de auto uitgerend.
Vier en zes jaar ongeveer. Ook dat nog!
Duwend en schreeuwend en lachend
renden ze op het lege huis af. De man en de
vrouw, die volgden, waren natuurlijk de
vader en moeder van het stel.
Ze hadden een sleutel. Ze zouden er dus
komen wonen.
De volgende morgen op school vertelde
Esther wat ze gezien had. ‘Die meid komt
vast bij ons in de klas’, zei ze tegen
Marloes, haar vriendin. ‘Nou en?’, zei
Marloes, ‘misschien is ze leuk’. ‘O nee,
vast niet’, zei Esther, ‘als je haar had
gezien! Een stijve trut is het. Met wie zou
ze trouwens vriendin moeten worden? Ze
kan er niet eens bij!’ Marloes haalde haar
schouders op. ‘Nou ja’, zei ze. Ze wist ook
niet zo goed wat ze er mee aan moest. Een
beetje gelijk had Esther wel. Wat moest je
met zo’n nieuw kind in groep acht? Ze
hadden een leuke klas. Ze waren al zo lang
gewend aan elkaar. En iedereen had zo zijn
eigen plekje. Je wist wat je van elkaar kon
verwachten. Wat moest zo’n nieuwe
daartussen?
‘Heb je het gezien?’, vroeg Esthers moeder
‘s middags aan tafel. ‘Aan de overkant
komen nieuwe mensen. Er is een meisje
bij, net zo oud als jij. Ze komt bij jou in de
klas. Karin heet ze. Haar moeder is
vanmorgen even hier geweest om kennis te
maken. Leuk voor jou. Kunnen jullie
samen naar school lopen en meteen op haar
twee broertjes passen. Dat lijken me nogal
donderstenen. Karin niet. ‘Die is verlegen’,
zegt haar moeder. Ze ziet er erg tegenop
om naar een nieuwe school te gaan. Je
moet haar maar een beetje helpen’.
‘Mmm ...’, mompelde Esther. En ze dacht:
‘Ik zal daar een beetje gek zijn. Ik heb mijn
eigen vriendinnetjes. Ik heb dat nieuwe
kind niet nodig. En ik ben zeker niet van
plan ook nog met die broertjes te gaan
sjouwen. Mij niet gezien!’
Na een week kwam Karin met haar
broertjes op school. Ze werden door hun
moeder gebracht. Esther was vroeg van
huis gegaan om er zeker van te zijn dat ze
hen onderweg niet tegen zou komen. Ze
stond met een paar andere kinderen uit
groep acht vanuit een hoek van de
speelplaats naar de nieuwkomers te kijken.
Karins moeder herkende haar en knikte.
Esther draaide zich een beetje om en deed
alsof ze niets zag. Karin hield haar
broertjes bij de hand en keek niet op of om.
‘Kijk haar, de kinderjuffrouw ... duffe
griet!’, spotte Esther. ‘Nou ja’, zei Marloes,
‘waarom doe jij eigenlijk zo onaardig over
dat nieuwe kind? Ze kan best meevallen’.
‘O ja ...’, stoof Esther op, ‘nou je probeert
het maar hoor. Ga maar naar haar toe met
je lieve praatjes. Wie weet, wil ze wel
vriendin met je worden. Dan heb je mij niet
meer nodig! Ik wist wel, dat je zo was ...!’
‘Kom nou!’, zei Marloes. En ze haalde
zoals altijd haar schouders op en zei niets
meer.
In de klas werd een tafeltje bijgezet voor
Karin. En meneer vroeg aan Peter om haar
een beetje wegwijs te maken in de
rekentaken en de taalopdrachten en zo.
Peter deed dat wel, die goeierd. Verder
keek er niemand naar Karin.
In het speelkwartier ging ze naar haar
broertjes. Die voelden zich wel prettig, zo
te zien. Vooral de oudste. Die had het
hoogste woord. De juf van groep een stond
er ook bij. Ze lachte en klopte Karin op
haar schouder.
‘O ja’, dacht Esther, die het zag. ‘Goede
vriendjes worden met de leerkrachten hè!
Uitslover!’
Nou, zij zou wel zorgen, dat ze niks met
die Karin te maken kreeg. Die moest haar
eigen boontjes maar doppen. Zij had
Marloes en de anderen. Zij had dat nieuwe
kind niet nodig.
Twee weken later stond Karin in het
speelkwartier nog steeds bij haar broertjes.
34
In de klas viel ze niet op. Soms keek ze een
beetje verdrietig naar buiten, dacht
Marloes. En het leek wel alsof ze alleen
met Peter durfde te praten.
‘Het is onze zaak niet’, zei Esther, toen
Marloes erover begon. ‘Wij hebben niks
met haar te maken!’
2.
Nagesprek thuis
Bijvoorbeeld aan de hand van de volgende vragen:
a.
Wat denk je als je dit verhaal leest?
b.
Vind je het eerlijk wat Esther doet?
c.
Als je het niet eerlijk vindt, kun je het dan toch een beetje begrijpen?
d.
Wat vind je van Marloes? Had die niet moeten ingrijpen?
3.
Gebruik werkblad 4 om een ander (beter) einde aan het verhaal op te schrijven.
Dit betere einde aan het verhaal email je aan [email protected]
Vergeet niet je naam, je school en je klas onder het stuk te schrijven.
De ingestuurde stukken zijn te lezen op: www.lattrop.nl/catechese
handtekening van jezelf
handtekening van je vader
handtekening van je moeder
35
THEMA 3 WERKBLAD 4 (thuis)
DAT IS EEN BETER EIND AAN HET VERHAAL
Schrijf dit verhaal op de PC, email dat aan [email protected] met vermelding van je school
en klas en print het uit voor jezelf. Je kunt die printpagina hier in je boek plakken.
36
37
THEMA 4
GODS HEILIGE GEEST LEEFT OOK IN JOU
Lezen uit de bijbel
Handelingen 2, 1-13 Pinksteren
2 1 Toen de dag van Pinksteren aanbrak,
waren zij allen op één plaats bijeen.
2
Plotseling kwam er uit de hemel een
geraas alsof er een hevige wind opstak, en
het vulde heel het huis waar zij waren. 3 Er
verschenen hun vurige tongen, die zich
verspreidden en zich op ieder van hen
neerzetten. 4 Zij raakten allen vol van
heilige Geest en begonnen te spreken in
vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf.
5
Nu woonden er in Jeruzalem vrome
Joden, afkomstig uit ieder volk onder de
hemel. 6 Toen dat geluid opkwam, liep de
menigte te hoop en raakte in verwarring,
omdat iedereen hen in zijn eigen taal
hoorde spreken. 7 Ze stonden versteld en
vroegen zich verwonderd af: ‘Maar dat
zijn toch allemaal Galileërs die daar
spreken! 8 Hoe is het dan mogelijk dat
ieder van ons de taal van zijn
geboortestreek hoort? 9 Parten en Meden
en Elamieten, en bewoners van
Mesopotamië, Judea en Kappadocië,
Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië,
Egypte en het Libische gebied bij Cyrene,
en hier woonachtige Romeinen, 11 Joden en
proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij
horen hen in onze eigen taal spreken over
de grote daden van God.’ 12 Ze stonden
allen versteld, en in grote verlegenheid zei
de één tegen de ander: ‘Wat heeft dit te
betekenen?’13 Maar anderen zeiden
spottend: ‘Ze zitten vol wijn.’ (Ze zijn
dronken).
Op school
Pinksteren
In de geschiedenis van de eerste christenen is dit een wat komisch aandoend verhaal. Uit
angst voor de soldaten van de Joodse hogepriesters en de Romeinse bezetters zitten de
Apostelen, de leerlingen en Maria bij elkaar in de zaal van het Laatste Avondmaal. Ramen en
deuren stijf op slot. Ze durfden niet de straat op te gaan, bang om ook opgepakt te worden. Ze
bleven liever binnen opgesloten bij elkaar, biddend en van angst zwetend.
Ineens slaat het als een bliksemslag bij heldere hemel helemaal om.
Meteen staan de leerlingen van Jezus buiten de deur: ze vertellen van de verrijzenis van Jezus
en ze zijn helemaal niet bang meer. En hoewel het een samengeraapt stelletje eenvoudige
vissers uit Galilea is met weinig opleiding, begrijpt iedereen ze volkomen. Jeruzalem was
toentertijd een wereldstad, de opsomming van al die buitenlandse bezoekers en dus ook de
vreemde talen die ze spraken geeft dat aan.
Daar moet wel wat gebeurt zijn waardoor die leerlingen plotseling zo moedig zijn geworden.
De bijbel zegt: De Heilige Geest, Gods Geest, is over die mensen gekomen. Gods Geest
verandert mensen en laat nieuwe en ongewone dingen gebeuren. Gods Geest verandert deze
kleine groep angstige leerlingen in een nieuwe groep mensen: gericht op de wereld, open,
moedig en vol overtuiging.
Ook wij worden bij het vormsel, en daar niet alleen, doordrongen van Gods Geest.
38
Het innerlijk van een mens
Het belangrijkste van een mens is niet zijn buitenkant, het belangrijkste zit ‘van binnen’. Het
gaat om de “geest” die in een mens leeft, zijn inborst. Het is niet altijd zo gemakkelijk om dat
‘innerlijk’, om die ‘geest’ te ontdekken. Mensen verstoppen zich vaak een beetje. Je moet
soms goed kijken, om te zien dat iemand die onverschillig doet, toch heel gevoelig kan zijn,
of dat iemand die stoer doet en graag praatjes maakt, het toch heel vaak voor iemand
opneemt.
Ook jij verstopt je wel eens.
Soms zou je iemand willen troosten, maar dan weet je niet hoe je dat moet doen? Of je zou
iemand zou willen vertellen, dat je jezelf verdrietig voelt. En dan denk je: “Och laat maar. Ik
weet toch niet hoe ik het moet zeggen ....”.
Dan doe je onverschillig en je laat de dingen die in jou leven, jouw ‘innerlijke dingen’, niet
aan een ander zien. Daarom is het goed om te leren door de buitenkant van mensen heen te
kijken en vooral de goede dingen, de karaktereigenschappen in hen te ontdekken.
Hoe je dat doet?
Luister maar naar dit verhaal.
De bloemen
In een bejaardencentrum woonde een oude
mevrouw. Ze woonde er alleen. Haar man
was een paar jaar geleden gestorven.
Iedere woensdagmorgen werd er een grote
bos bloemen voor haar bezorgd. Die kwam
van haar dochter, die te ver weg woonde
om vaak op bezoek te komen.
De oude mevrouw zette de bloemen altijd
midden op tafel en ze kon er uren naar
kijken. Ze hoopte dan dat er iemand bij
haar langs zou komen, want dan zou ze
weer vol trots en plezier kunnen vertellen
dat haar dochter elke week aan haar dacht
en daarom elke woensdag bloemen
stuurde. De andere mensen van het
bejaardencentrum luisterden dan met iets
van bewondering en jaloezie in hun ogen
en dachten aan hun eigen kinderen... Die
kwamen wel eens langs, natuurlijk. Maar
elke week bloemen.... Nee, dat was er toch
niet bij.
Toen de oude mevrouw jarig was, kwam
haar dochter op bezoek. Natuurlijk werd er
ook over de bloemen gepraat, die elke week
verstuurd werden.
‘O’, zei de dochter, ‘dat is zo gemakkelijk
tegenwoordig! Je belt een bloemist op, je
zegt hoeveel het mag kosten en hij zorgt er
dan wel voor dat er iedere week voor
zoveel geld bloemen verstuurd worden. Je
hoeft ze niet eens zelf uit te zoeken, dat
doet de bloemist. En één keer in de drie
maanden betaal je per giro. Dat is alles. Je
hoeft verder nergens aan te denken....’
Toen het weer woensdag was en er weer
bloemen kwamen, zette de oude mevrouw
ze niet meer op de tafel, maar op de kast.
Ze waren ineens niet meer zo mooi als
vroeger.... En toen de buurvrouw op bezoek
kwam, praatte ze er niet over....
39
Vooroordelen
Vaak vergis je jezelf in anderen, omdat je de neiging hebt uiterlijke eigenschappen als
innerlijk uit te leggen. We noemen dat vooroordelen. Een vooroordeel, zegt het woordenboek,
is een mening of opvatting die niet op kennis berust. Je mag een vooroordeel daarom best
dom noemen. Toch maakt bijna iedere mens zich daar schuldig aan. Denk maar eens aan je
eigen opvattingen over buitenlanders, mensen met lichamelijke handicaps, enzovoort.
Van de andere kant hoeft niet alles tussen mensen altijd allemaal zo gladjes te verlopen. Als
het gaat om de goede geest, die in je leeft, dan betekent dat niet dat je altijd maar vriendelijk
en aardig moet zijn en steeds moeilijkheden moet voorkomen. In de sfeer van een goede geest
zeg je elkaar ook dingen die niet altijd aardig hoeven te zijn.
Het betekent wel dat je mensen waardeert, ook al zijn ze anders dan jij. Het betekent ook, dat
je rekening met andere mensen houdt.
Ga jij af op uiterlijkheden? Geef eens een voorbeeld.
Wanneer doe jij iets voor een ander?
Vind je een complimentje genoeg? Of moet er meer achter zitten? Hoe merk je dat?
Vormsel
Vormsel en Heilige Geest horen bij elkaar.
‘Hebben jullie de Heilige Geest ontvangen?’ vraagt de apostel Paulus aan enige nieuwe
christenen uit de stad Efeze? (Handelingen 19, 2). En ze antwoordden, dat ze niet eens wisten
dat er een Heilige Geest was. Ze waren gedoopt door Johannes, meer niet.
Paulus vertelde hen, dat ze gedoopt moesten worden als christenen : ‘In de naam van de
Vader, de Zoon en de Heilige Geest’.
Ze lieten zich dopen en Paulus legde hen de handen op. En ze werden vervuld van Gods
Geest.
Je laten vormen betekent:
Willen leven in dezelfde geest als Jezus van Nazareth. Gods Geest!
Dat is de geest van aandacht en belangstelling en zorg voor mensen.
Dat is de geest die je zegt: iemand niet af te schrijven of te denken dat je beter bent of
boven hem staat.
Gebed tot de Heilige Geest:
Heilige Geest,
geef me het geloof dat mij van twijfel en klagen en roddelen vrij houdt,
geef mij de liefde tot God en alle mensen die alle haat en wrok weg neemt,
geef mij de hoop die mij bevrijdt van angst en berusting.
Amen.
THUISOPDRACHT (samen met je ouders maken!)
bladzijde 32 t/m bladzijde 37
40
Thuisopdracht
Lees samen met elkaar het verhaal: ‘De twee zonen’ voor.
De twee zonen (Verg. Matteüs 21, 28-31).
41
Er waren eens een vader en een moeder.
Ze hadden twee zonen. Met de oudste
hadden ze eigenlijk weinig moeilijkheden.
Die was een beetje stil en die was al de
kamer uit, voordat er ergens ruzie over kon
zijn. Hij zorgde er tenminste voor, dat hij
op tijd zijn huiswerk af had en op school
klaagden ze niet over hem. Hij kamde zijn
haar, zoals zijn moeder dat het beste vond,
en hij droeg de truien, die zij voor hem
kocht.
Maar de jongste, die was anders. Daar
hadden ze heel wat meer mee te stellen.
Die begon altijd meteen over wat er in de
krant stond. Over huizen kraken en zo,
over kerncentrales, over
jeugdwerkloosheid en over demonstraties
tegen de aanleg van weer een autosnelweg.
Allemaal dingen die zijn vader en moeder
juist niet wilden lezen. ‘Ze hebben groot
gelijk!’, zei hij dan, ‘grote kantoren, die
leeg zijn, staan er zat, maar geen huizen
om in te wonen!’ En dan begon het geruzie
weer.
Op school was het al precies hetzelfde:
‘Het duurt eeuwen voor die man onze
proefwerken nakijkt’, zei hij van sommige
leraren, ‘waarom zou ik dan wel op tijd
mijn werkstuk afmaken!’En dat gaf ook
weer ruzie.
En de kleren, die hij aanhad, waren
verschrikkelijk, vond zijn moeder.
Glimmende broeken en gekke, gekleurde
jasjes en soms nog kettingen om zijn hals
ook. Zelfs als ze bij opa en oma op bezoek
gingen, wilde hij niets anders aan doen.
Dan de muziek die hij draaide. Dat kon je
geen muziek meer noemen, vond zijn
vader. Maar als hij daar ook maar iets van
zei, of van die kralenkettingen, dan kreeg
hij meteen weer brutale opmerkingen van
zijn zoon terug.. Dan zei die zoon weer iets
over het grijze pak en over het bijna kale
hoofd van zijn vader. ‘Waarom moet hier
ook altijd ruzie zijn’, zei de moeder dan.
En de oudste zoon zei gauw: ‘Ik moet een
beetje vroeger weg, mam, bewaar mijn
42
eten zo lang alsjeblieft’. En dan was hij al
verdwenen.
Hij maakte geen ruzie. Maar meteen als hij
de hoek om was, deed hij een felgekleurde
sjaal met lange rafels om zijn hals en
streek zijn haar een beetje punkerig
omhoog. Dan ging hij naar een barretje in
de stad waar zijn vrienden waren en waar
ze knoertharde muziek draaiden, die hij
wilde horen. ‘Mijn ouwelui’, zei hij dan,
‘daar kun je toch niet mee praten. Die
begrijpen er toch niets van. Ik begin maar
nergens over, thuis. Ze hoeven niet te
weten hoe ik erover denk. Gaat ze niks aan
en het bespaart je een hoop last’.
En de jongste zoon zat thuis maar te
praten: ‘Ik wil dat je het begrijpt, pa. Het is
nou eenmaal belangrijk voor me, dat ik
kleren draag die ik lekker vind. En die
muziek, nou, die hoef jij niet mooi te
vinden, maar die muziek is net zoals ik me
voel en daarom wil ik dat jij er ook naar
luistert. En je kunt toch wel een keer
nadenken over de dingen, die ik je voorlees
uit de krant? Ik wil weten wat jij er van
vindt. Als ik nou al precies zou moeten
doen wat anderen zeggen, hoe moet dat
dan over twintig jaar, als ik dan ook alles
slik wat ze me zeggen? Dat doe jij toch
ook niet? Ik wil niet hebben, dat jij een
duffe oude man bent. Ik wil dat je begrijpt
wat me bezig houdt. Als je mijn vader niet
was, kon het me niks schelen. Maar nou
wel! Mag ik soms lastig zijn? Dat was jij
toch ook!’
Die jongen meende het, dat kon je zien. Hij
huilde er bijna van. Daar kon je geen
grapjes over maken.
Dat begreep die vader wel. ‘Bovendien’,
dacht hij, ‘heeft hij op de een of andere
manier wel gelijk. Gemakkelijke kinderen,
dat is makkelijker. Maar deze? Die jongen
is echter!’
Gesprek
In dit verhaal gaat het om het eigene in mensen. Het accepteren zoals iemand is.
Vergelijk de geest van de oudste zoon en de jongste zoon.
De jongste is open en eerlijk. Hij wil laten zien wie hij is, wil zijn mening laten horen. Hij
vindt het belangrijk, dat zijn vader dat begrijpt en dat zijn vader hem serieus neemt. Hij is
daardoor wel lastig, maar, zoals zijn vader zegt, daar heb je meer aan, dan aan iemand die zich
aan alle moeilijkheden onttrekt en zich afsluit, zoals de oudste zoon doet.
Het hoeft niet allemaal gladjes te verlopen tussen mensen. Als het gaat om de goede geest die
in je leeft, dan betekent dat niet dat je altijd vriendelijk en aardig moet zijn en steeds
strubbelingen moet voorkomen.
Het betekent wel, dat je mensen waardeert, ook al denken ze anders dan jij. En dat je rekening
met hen houdt en hen respecteert.
De jongste zoon doet dat wel. De oudste niet!
Bespreek samen de vragen op werkblad 6.
Zoek in de krant 3 artikelen over onderwerpen, waaraan jullie (jij en je ouders) je ergeren.
Plak deze artikelen op werkblad 7.
Zoek ook 3 artikelen waar jullie achter staan. Plak deze op werkblad 8.
Zijn jullie het snel eens, of was er soms discussie?
Wat is de belangrijkste conclusie (het belangrijkste wat je hebt geleerd) van dit verhaal en
deze opdrachten? Schrijf dit kort met een paar zinnen op werkblad 9.
handtekening van jezelf
44
handtekening van je vader
handtekening van je moeder
THEMA 4 WERKBLAD 6 (thuisopdracht)
DE TWEE ZONEN
1.
Wie vindt jij het meest sympathiek in het verhaal en waarom?
2.
Waar lijk jij het meest op?
3.
Schrijf op hoe de oudste en hoe de jongste is:
oudste:
jongste:
4.
Durf jij thuis voor je mening uit te komen?
5.
Wordt dat door jouw ouders altijd geaccepteerd?
6.
Ben jij het altijd met jouw ouders eens? Zo nee, kun je dan een voorbeeld geven
waarmee je het niet eens bent?
7.
Aan welke dingen van jou ergeren je ouders zich?
8.
Erger jij je ook wel eens aan je ouders?
45
THEMA 4 WERKBLAD 7 (thuisopdracht)
HIER ERGEREN WIJ ONS AAN
46
THEMA 4 WERKBLAD 8 (thuisopdracht)
HIER STAAN WIJ ACHTER
47
THEMA 4 WERKBLAD 9 (thuisopdracht)
DIT IS DE BELANGRIJKSTE CONCLUSIE
VAN DIT VERHAAL EN DEZE OPDRACHTEN
48
49
THEMA 5
GELOOF EN VERTROUWEN
Lezen uit de bijbel
50
Jesaja 11, 1-4a + 5-9
11 1 Maar uit de stronk van Isaï schiet een
telg op, een scheut van zijn wortels komt
tot bloei.
2
De geest van de Heer zal op hem rusten:
een geest van wijsheid en inzicht,
een geest van kracht en verstandig beleid,
een geest van kennis en eerbied voor de
Heer.
3
Hij ademt eerbied voor de Heer; zijn
oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn, noch
grondt hij zijn vonnis op geruchten. 4 Over
zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel,
de armen in het land geeft hij een eerlijk
vonnis. 5 Hij draagt gerechtigheid als een
gordel om zijn lendenen en trouw als een
gordel om zijn heupen. 6 Dan zal een wolf
zich neerleggen naast een lam, een panter
vleit zich bij een bokje neer; kalf en leeuw
zullen samen weiden en een kleine jongen
zal ze hoeden. 7 Een koe en een beer grazen
samen, hun jongen liggen bijeen; een leeuw
en een rund eten beiden stro. 8 Bij het hol
van de adder speelt een zuigeling, een kind
graait met zijn hand naar het nest van een
slang. 9 Niemand doet kwaad niemand
sticht onheil op heel mijn heilige berg.
Want kennis van de HEER vervult de
aarde, zoals het water de bodem van de zee
bedekt.
Matteüs 5, 1-12a; 7, 12 De Bergrede
5 1 In die tijd ging Jezus bij het zien van
deze menigte de berg op, en toen Hij was
gaan zitten, kwamen zijn leerlingen bij
Hem. 2 Hij nam het woord en onderrichtte
hen met deze toespraak:
3
“Gelukkig die arm van geest zijn, want
hun behoort het koninkrijk der hemelen.
4
Gelukkig die verdriet hebben, want zij
zullen getroost worden.
5
Gelukkig die zachtmoedig zijn, want zij
zullen het land erven.
6
Gelukkig die hongeren en dorsten naar de
gerechtigheid, want zij zullen verzadigd
worden.
7
Gelukkig die barmhartig zijn, want zij
zullen barmhartigheid ondervinden.
8
Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij
zullen God zien.
9
Gelukkig die vrede brengen, want zij
zullen kinderen van God genoemd worden.
10
Gelukkig die vervolgd worden vanwege
de gerechtigheid, want hun behoort het
koninkrijk der hemelen.
11
Gelukkig zijn jullie, als ze jullie
uitschelden en vervolgen en je van allerlei
kwaad betichten vanwege Mij.
12
Wees blij en juich, want in de hemel
wacht jullie een rijke beloning.
7 12 Behandel anderen steeds zoals je zou
willen dat ze jullie behandelen.”
Liturgie bij het vormsel
Deze beide lezingen komen terug in de liturgie van het vormsel. Λειτουργία (leitourgia), een
Grieks woord, betekent "volksdienst". Wat zou liturgie nu dan zijn?
Gevormd wordt je in de liturgie van de vormselviering. Twee onderdelen behandelen we daar
nu uit.
De eerste lezing
Isaï was de vader van koning David (zie thema 6). David was de belangrijkste koning van het
Joodse volk in het Eerste Testament. Isaï was dus de “stam”vader van het belangrijkste
Koninklijke geslacht. De profeet Jesaja gebruikt dat woord stam letterlijk: uit de oude stam, uit
de oude boomstronk komt een nieuwe frisse tak gegroeid. Er zit weer leven in. Wij gebruiken
die tekst ook in de Advent om de komst van Jezus aan te kondigen: ook hij was van dat
koninklijk geslacht (Matteüs 1,1). Een oude boom komt tot leven.
Waardoor lees je dat uit de tekst? Door de Geest van God (JHWH)!
Er ontstaat dan een heel nieuwe wereld. Haast te mooi om waar te zijn. Een sprookjeswereld
zouden sommigen zeggen. Waaruit lees die andere wereld in dit Bijbelverhaal?
51
Het is een beeld voor een nieuwe, vreedzame wereld waar alles doordrongen is van Gods
Geest: iedereen en alles vertrouwt elkaar. Het zal wel even duren voor dat zoiets werkelijkheid
is, maar met vertrouwen in de toekomst kunnen we er als gevormde mensen wel aan werken.
De evangelielezing
Evangelie komt van het Griekse woord ευαγγέλιον (eu-angelion) en betekent ‘goede (blijde)
boodschap’. Jezus spreekt in dit verhaal de toegestroomde menigte mensen toe vanaf een berg.
Dan volgen een aantal gelukwensen aan mensen met bijzondere eigenschappen. Eigenlijk
heeft iedere gelukwens een tegenstelling in zich, een paradox.
Kun je uitleggen hoe dat tot uitdrukking komt?
Die laatste zin doet ons aan iets denken. Kijk maar eens bij Lucas 10, 27 (thema 3).
Als je zo handelt, dan mag je erop vertrouwen, dat het allemaal goed komt.
Geloof en vertrouwen
Weten we dat wel zeker, die nieuwe wereld? Je moet er wel voor werken en in geloven. Als je
dat doet, mag je dat vertrouwen hebben.
Geloven in en vertrouwen op horen daarom bij elkaar. Zonder geloof: geen vertrouwen;
zonder vertrouwen: geen geloof. Je hoeft niet alles zeker te weten. Je vertrouwt, je gelooft dat
het goed is. Daaraan jouw steentje bijdragen stemt je tevreden, het stelt je op je gemak. Het
geeft de mensen hoop voor de toekomst.
Geloven doe je SAMEN!
Het is niet goed mogelijk in je eentje te geloven. Je
moet daar samen met anderen over praten. Dat sterkt
je geloof en je zelfvertrouwen. God is er voor
iedereen, dus God moet het wel heel goed met ONS,
mensen, voor hebben.
IK ben uniek!
IK alleen steek in mijn vel.
IK alleen ga mijn eigen gang.
IK alleen ken al mijn gevoelens.
IK alleen zie, wat mijn ogen zien.
IK alleen heb mijn band met God!
Gevormd worden
Wie zou dat niet willen hebben, waar de profeet Jesaja
IK, IK, ik alleen …….
het over heeft? (Zie Jesaja 11,2)
God moet het wel heel goed met
De gave van wijsheid,
mij voor hebben!
de gave inzicht (analyserend),
de gave van raad (goede raad),
de gave van sterkte (vitaliteit),
de gave van kennis,
de gave van godsvrucht (de manier waarop je met God omgaat),
de gave van eerbied voor God.
Wij noemen die 7 hoedanigheden de Gaven van de Heilige Geest.
Ze klinken wat stoffig, wat ouderwets. Niet alle woorden gebruiken wij meer in ons dagelijks
taalgebruik. Zouden we die eigenschappen tegenwoordig niet meer nodig hebben? Kom nou!
Bij je vormsel komt Gods Geest je dit allemaal schenken. En niet alleen dan, ook vandaag en
alle dagen die nog komen. Daar mag je in geloven en op vertrouwen!
Kleine oefening (wat hoort bij elkaar?)
1. Hoeveel keer moeten we vergeven?
a. Hij zei tot de lamme: Vriend, Uw zonden zij je vergeven
52
2. Waarom zien we nog zo weinig van het Rijk Gods?
b. Als iemand de eerste wil zijn, moet hij ieders dienaar zijn.
3. Moeten we de zondag naar de mis gaan?
c. De eucharistie is er voor de mens, niet de mens voor de eucharistie.
4. Is er in Gods ogen niemand verloren?
d. Niet 7x, maar tot 70 x 7 x moet je elkaar vergeven.
5. Mogen wij een ander mens veroordelen?
e. Verkoop alles wat je bezit, geef het aan de armen. Dit zal je in de hemel brengen.
6. Wat is het allerbelangrijkste in ons leven?
f. Een herder laat zijn 99 schapen achter om dat éne te zoeken dat verloren gelopen was.
7. Kan een rijke in de hemel komen?
g. Gods wereld lijkt op een mosterdzaadje.
8. Hoe moet een goede leider zijn?
h. Wees als de Samaritaan die medelijden had met de gewonde Jood, die zijn vijand was.
9. Hoe moeten we bidden?
i. Je moet elkaar graag zien, zoals ik jullie graag zie.
10. Wie moet ik graag zien?
j. Onze vader, die in de hemelen zijt.
11. Hoe dikwijls moet ik een nieuwe kans geven?
k. Als je zelf zonder zonde bent, mag je de eerste steen gooien.
Gebed tot besluit
Lieve Vader,
die me tot een blij mensenkind wil maken,
geef me uw Geest van vreugde.
In de kleine dingen van elke dag wil ik ontdekken
hoe wonderlijk Jij bent, hoe mooi mijn leven is.
Leer me het stof van de oppervlakte vegen
om de echte vreugde te zien, die Jij in mij verborgen hebt.
Laat dan de vreugde en dankbaarheid schitteren in mijn ogen.
Laat mijn lachen vanuit het diepste van mijn hart
klateren als een beekje in het hart van anderen,
zodat mijn vreugde aanstekelijk wordt
en de wereld een blijer gezicht krijgt.
53
Heilige Geest, laat me delen in jouw vreugde en aanstekelijkheid.
Amen.
Antwoorden:
1 - d; 2 - g; 3 - c; 4 - f; 5 - k; 6 - h; 7 - e; 8 - b; 9 - j; 10 - i; 11 - a.
THUISOPDRACHT (samen met je ouders maken!)
bladzijde 43 t/m bladzijde 46
LET OP: OPDRACHT INSTUREN VIA DE EMAIL!!!
54
Thuisopdracht (werkblad 11 en 12)
Lees samen met elkaar De tien regels van God
1. Ik ben God.
Ik zorg altijd goed voor alle mensen. En daarom zou ik het fijn vinden als jullie ook van mij
houden.
2. Laat God voor jullie de eerste zijn.
Want het gaat niet alleen om mooie dingen en geld. Het gaat er ook om hoe mensen met elkaar
omgaan. En of ze goed zijn voor planten en dieren.
3. Denk altijd goed na als je iets over God zegt.
Probeer daarom goed te luisteren naar wat de bijbel (Gods Woord) jou wil vertellen.
4. Neem één dag per week rust, zoals God dat heeft voor gedaan.
Altijd bezig zijn is niet goed. Je moet ook aan je familie en vrienden denken.
5. Wees goed voor je moeder en vader.
Je ouders staan altijd voor je klaar. Sta ook voor hen klaar als ze jou nodig hebben.
6. Maak niets dood.
Het leven is mooi. Dat mag je niet kapot maken.
7. Zorg goed voor elkaar.
Probeer goed te zijn voor alle mensen. Dan heeft iedereen het naar zijn zin.
8. Steel niet.
De wereld is voor iedereen. De wereld is een huis voor alle mensen. Daarom heeft iedereen
een plaats en kan niemand zeggen: dat is voor mij alléén.
9. Vertel geen leugens die anderen verdriet kunnen doen.
Leugens en roddels doen mensen alleen maar pijn. Ze voelen zich dan alleen. En dat is niet de
bedoeling!
10. Zorg ervoor, dat je niet jaloers bent.
Er is genoeg voor iedereen. Wees blij als een ander iets leuks heeft.
De thema’s van het vormsel gaan over positieve waarden. Waarden die inhoud geven aan een
mensenleven. Onrecht, jaloezie, ruzie en geweld horen daar dus niet bij. Zij zijn mis-vormend.
Toch maakt ieder mens zich daaraan wel eens schuldig. Elke dag opnieuw lezen we daarover
in de krant en zien we het op de televisie. Geweld lijkt daar bijna een normale levenshouding.
Het is goed en ‘vormend’ om daar eens over na te denken. Misschien kan het helpen om
geweld eens met andere ogen te gaan zien en te werken aan een meer geweld-loze
levenshouding.
Met geweld in het groot - hongersnood, oorlog, vluchtelingen - worden we dagelijks
overspoeld. Je zou het bijna normaal gaan vinden.
55
Maar geweld is ook in het klein aanwezig. Vaak heel dichtbij, thuis, in de straat of op school.
a.
Zoek in de krant artikelen die te maken hebben met geweld. Sorteer deze artikelen
in twee groepen: ‘dichtbij’ en ‘veraf’. Bespreek ze samen. Denk daarbij na of er
een oorzaak is aan te geven. Probeer ook aan te geven om wat voor geweld het
gaat (oorlog, lichamelijk geweld (vechtpartijen), geestelijk geweld (gevolgen van
bijvoorbeeld verkeersongevallen, berovingen).
b.
Plak de koppen van de artikelen op werkblad 11.
In de kerk zeggen we vaak een geloofsbelijdenis: een verhaal waarin je vertelt wat goed is, wat
het leven plezierig maakt, waar je God herkent.
Probeer zelf een geloofsbelijdenis te schrijven op werkblad 15. Doe dat samen met je
ouders.
Email je geloofsbelijdenis aan [email protected]
Vergeet niet je naam, je school en je klas onder het stuk te schrijven.
Lees als besluit nog eens de verhalen aan het begin van dit thema.
handtekening van jezelf
56
handtekening van je vader
handtekening van je moeder
THEMA 5 WERKBLAD 11 (thuisopdracht)
GEWELD!
VERAF
DICHTBIJ
57
THEMA 5 WERKBLAD 12 (thuisopdracht)
MIJN GELOOFSBELIJDENIS
Schrijf dit verhaal op de PC, email dat aan [email protected] met vermelding van je school
en klas en print het uit voor jezelf. Je kunt die printpagina hier in je boek plakken.
58
THEMA 6
VORMSELSYMBOLIEK
Voorbereiding (lezen)
59
Handelingen van de apostelen 6, 1-6 De handoplegging
6 1 In die dagen, toen het aantal leerlingen steeds groter werd, begonnen de hellenisten (=
Grieks sprekende, tot Jezus bekeerde Joden) te mopperen op de Hebreeën (= Aramees
sprekende, tot Jezus bekeerde Joden); ze vonden dat hun weduwen bij de dagelijkse
ondersteuning werden achtergesteld. 2 De twaalf apostelen riepen daarop de hele groep
leerlingen bij elkaar en zeiden: `Het is onverantwoord dat wij het woord van God
verwaarlozen om te kunnen zorgen voor de ondersteuning. 3 Zie daarom uit, broeders, naar
zeven personen uit jullie midden, die goed bekend staan, vol van de Geest en van wijsheid.
Hen zullen wij dan met deze taak belasten, 4 terwijl wíj ons blijven toeleggen op het gebed en
de bediening van het woord.' 5 De hele groep stemde met dit voorstel in. Zij kozen Stefanus,
een man vol geloof en heilige Geest, en verder Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon,
Parmenas en Nikolaüs, een proseliet (= iemand die zich tot Jezus bekeerd heeft) uit Antiochië.
6
Ze droegen hen voor aan de apostelen, en die legden hun na gebed de handen op.
Simone
Op een dag komen Simone, haar broertje Bas en haar vriendinnetje Ria uit school. Ria gaat
altijd met Simone en Bas mee, omdat haar vader en moeder gescheiden zijn en haar moeder,
bij wie ze woont, de hele dag moet werken.
De juffrouw wijst naar een vreemde mevrouw, die op hen staat te wachten. Simone heeft haar
wel eens eerder gezien; ze woont verderop in de straat. ‘Jij bent zeker Simone’, zegt de
mevrouw. Simone knikt met haar hoofd. ‘Jullie mogen vandaag met mij mee’, zegt de
mevrouw, ‘je moeder is vanochtend naar oma gegaan. Die is heel ziek geworden. Ik heet
mevrouw Peeters’.
Ze gaan met zijn vieren naar het huis van mevrouw Peeters. Simone praat niet zoveel. Ze vindt
het toch wel een beetje eng. Niet dat mevrouw Peeters niet aardig is. Maar toch .... Zou mama
lang wegblijven? Zou oma erg ziek zijn? En hoe moet het nu vanavond als papa thuiskomt?
Het lijkt wel of mevrouw Peeters kan raden wat Simone denkt. ‘We gaan eerst even een
boterhammetje eten’, zegt ze, ‘dan heb je de hele middag om te spelen. Als je maar een beetje
in de buurt blijft. Daar kan ik je vlug vinden als papa je vanavond komt halen. En Ria wordt
vanavond ook hier door haar moeder gehaald. Zo, we zijn er!’
Wat stilletjes zitten ze alle drie binnen, terwijl mevrouw Peeters in de keuken boterhammen
klaarmaakt. Als de boterhammen op zijn, begint Simone zich iets meer op haar gemak te
voelen. ‘Wie is dat?’, vraagt ze en ze wijst naar een foto van een jongetje op de schoorsteen.
‘Hier wonen toch geen kinderen?’
-60-
‘Nee, we hebben geen kinderen’, zegt mevrouw Peeters, ‘dat jongetje op de foto woont hier
heel ver vandaan. De moeder van dat jongetje is erg arm. Zo arm, dat ze niet goed voor het
jongetje kan zorgen. We geven iedere maand geld. Dan kan ze kleren voor hem kopen en de
school betalen.’
‘En dat’, wil Simone weten, ‘wat is dat daar?’ Ze wijst naar een kruis, dat aan de muur hangt.
‘Dat is een kruisbeeld’, zegt mevrouw Peeters. ‘Dat is het kruis van Jezus. Zo is hij dood
gegaan. Maar de mensen vertellen nog steeds over Jezus. Ze vergeten nooit wat Hij gedaan
heeft.
Nou’, gaat mevrouw Peeters verder, ‘wij willen graag doen zoals Jezus’. ‘Wordt u dan ook aan
het kruis vastgemaakt?’, vraagt Simone. ‘Nee hoor’, lacht mevrouw Peeters, ‘dat hoeft niet
meer. Maar als je wilt doen zoals Jezus, dan zorg je voor elkaar. Nu help ik jullie, omdat
mama weg is. En morgen zorg ik misschien weer voor andere kinderen’. Mevrouw Peeters
vertelt zoveel tegelijk over dat kruis, dat Simone gewoon niks
meer durft te vragen.
‘Gaan jullie nu lekker buiten spelen, maar blijf wel in de buurt’,
zegt mevrouw Peeters. Dat beloven ze alle drie. En dan huppelen
ze weg. Woensdagmiddag, hoi!
Schoolopdracht (werkblad 13)
Symbool
Een symbool is een teken, dat iets duidelijk maakt, zonder dat er woorden bij gebruikt worden.
Een symbool kan een afbeelding zijn, een voorwerp of een handeling.
Het aller bekendste symbool is wel een
♥
.
Je ziet het op muren geschilderd, op auto´s geplakt, in stenen of boomstammen gekrast en in
agenda’s getekend. Het is een eeuwenoud
symbool en je hoeft aan niemand uit te leggen
wat er mee bedoeld wordt. Toch is een hart
eigenlijk gewoon een lichaamsdeel, net zoals
bijvoorbeeld je longen. Maar als symbool
betekent het veel meer.
Kun je aangeven wat je allemaal kunt denken bij dat symbool van een hart?
Zo zijn er nog een massa andere symbolen. Ze worden in het dagelijks leven volop gebruikt.
Denk maar eens aan alle verkeerstekens waar geen woorden bij staan geschreven, maar
waarvan toch iedereen de betekenis wel begrijpt. Ook grote instellingen en bedrijven hebben
vaak een eigen symbool. Als je het ziet weet je welke instelling ermee wordt bedoeld. We
noemen dat ook vaak logo’s.
Weet je welke betekenis de vier logo’s op deze bladzijde hebben?
61
Maar de belangrijkste, de ´echte´symbolen, zijn toch niet die speciaal uitgedachte tekens. De
echte symbolen zijn vaak heel oud en hebben iets te maken met datgene, wat hoort bij het
leven van de mensen. Bij iets wat het leven van de mensen waardevol maakt. Het kunnen
afbeeldingen maar ook handelingen of gebeden zijn.
Denk maar eens aan het
62
♥
! en het breken van brood! en het Onze Vader!
Logo’s van Jezus
Ook van en rond Jezus bestaan al heel oude logo’s. Kijk maar eens.
Gewoon of Latijns kruis
Grieks kruis
Sint Andreaskruis of dwarskruis
Χ
Sint Petruskruis of omgekeerd kruis
Dubbelkruis of Patriarchaalkruis of Lotharingskruis
Maltezer kruis of Johannieterkruis of krukkenkruis
Ook in ridderorde gebruikt!
Sint Antoniuskruis of taukruis
Naar de Griekse letter T
ιχθυς (ichthus), dat betekent: vis!
Afkorting van: iesous christos, theou, uios, sooter
Jezus Christus (de Gezalfde, Messias), van God, de zoon, de redder
χριστος (christos)
Betekent: Gezalfde (Hebreeuws: Messias)
Afgekort met de eerste twee letters: ΧΡ of χρ
Je kunt dit een echt logo van Jezus Christus noemen!
Α Ω (Alpha Omega)
De eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet
63
Vormselsymbolen
Als je wordt gevormd in de kerk, dan gebeurt er heel wat. Er worden ook symbolen gebruikt.
Die gebeurtenissen en de symbolen worden in dit thema behandeld.
1.
De geloofsbelijdenis.
Een belangrijk onderdeel van de vormselliturgie is de hernieuwing van je doopbelofte en je
geloofsbelijdenis. Daaraan hebben we in het vorige thema gewerkt.
Wie wil zijn geloofsbelijdenis van werkblad thema 5, werkblad 12 voorlezen?
2.
Het zegel van de Heilige Geest
Bij het vormsel zal de bisschop of zijn vervanger zeggen:
“Ontvang het zegel van de Heilige Geest, de gave
Gods”! Waarom hij van een zegel spreekt?
Vroeger in de Middeleeuwen, maar nu ook nog wel,
zetten mensen op belangrijke papieren, zoals contracten,
brieven en oorkonden, een zegel van rode lak of was. Dat
lakzegel was dan een bewijs, een teken dat het papier
belangrijk en vooral betrouwbaar was. Zo wil dat zegel
op je voorhoofd jou en iedereen duidelijk maken dat God
betrouwbaar is.
3.
Zalving met olie
De vormheer zalft je niet met rode zegellak, maar met olie of met een ander woord chrisma.
Olie is een dunnere of dikkere, vettige vloeistof, die op allerlei manieren in ons dagelijks leven
een rol speelt. Je zou kunnen zeggen, dat onze moderne maatschappij, ons moderne leven, niet
meer zonder olie kan. Dat olie ook een symbolische functie heeft, dreigen we daarbij te
vergeten.
De zalving wil jou ook heiligen en sterk en weerbaar maken (zie betekenis van vromen van
thema 2). Zalving helpt je om gezond verder te gaan, zoals mensen zich kunnen insmeren
tegen de kou of zalf op wonden smeren.
Met behulp van werkblad 13 bespreken we waar wij in ons dagelijks leven (thuis, sport, op
straat) olie, zalf of smeervet allemaal voor gebruiken.
De zalving met olie bij het Vormsel heeft ook te maken met het oude gebruik van kracht,
moed en Gods Geest, Gods zegen overdragen. Zalving heeft de uitwerking van olie: soepel
maken, soepel houden. Zalving is ook de brandstof om het vuur van Gods Geest brandend te
houden in je hart.
64
THEMA 6 WERKBLAD 13 (schoolopdracht)
HET GEBRUIKEN VAN OLIE
1. Smeermiddel
2. Brandstof
3. Soepel en beweeglijk maken/houden
Zalving wordt nog steeds als symbool gebruikt door de kerk.
Welke van de zeven sacramenten maken gebruik van zalving?
We schrijven een cirkel rond de nummers van de sacramenten waarbij WEL zalving gebruikt
wordt. Kun je ook bedenken waarom daar wel en bij andere niet?
De zeven sacramenten
1.
Doopsel
5.
Huwelijk
2.
Vormsel
6.
Boete en verzoening
3.
Eucharistie
7.
Ziekenzalving
4.
Wijding (priester, diaken)
65
In de bijbel staan een paar voorbeelden van mensen, die, toen ze aan een nieuwe fase in hun
leven begonnen, ook werden gezalfd.
Ken je er een paar?
Bij het vormsel neem je de goede geest in je op en krijg je de opdracht te laten zien, dat je bij
Jezus Christus (=de Gezalfde) wilt horen. Een mens die leeft in Gods Geest naar het voorbeeld
van Jezus Christus is sterk en tegelijk mild voor anderen.
4.
Het kruisteken
Het vierde belangrijke symbool van het vormsel is het teken, het symbool van het kruis.
Kruizen bestaan in heel veel vormen , we zagen dat al eerder.
Het kruis was bij de Romeinen een teken van verachting, van vernedering. Alleen ter dood
veroordeelden die geen Romeins burger waren en gestrafte slaven stierven voor straf aan een
kruis. Ook Jezus van Nazareth werd aan zo’n kruis gedood op Goede Vrijdag. Maar door zijn
verrijzenis op de zondag daarna, met Pasen, verwijst zijn dood aan het kruis voor zijn
leerlingen naar nieuw leven, naar verwachting van iets heel goeds. Kijk nog maar eens bij
thema 3. Het kruis werd voor de leerlingen van Jezus, en dus ook voor ons, een teken van
leven.
Dat besef was niet meteen algemeen. De heidense Romeinen vervolgden de christenen op
leven en dood. Veel martelaren stierven daardoor de dood op het kruis ter vernedering, zoals
de apostel Petrus in het jaar 67. De apostel Paulus werd tezelfdertijd met het zwaard gedood:
hij was immers Romeins burger.
Pas in het jaar 315 wordt het anders. Volgens het verhaal heeft keizer Constantinus
(Constantijn de Grote, 290 - 337) dan daags voor een veldslag een visioen, waarin hij een
kruis heeft gezien met daaronder de woorden: ‘In hoc signo vinces’, in dit teken zul je
overwinnen. Hij schilderde een kruis op zijn banieren en op de schilden van zijn soldaten: en
hij overwon! Uiteindelijk wordt het Christendom onder zijn bewind dan de staatsgodsdienst,
de belangrijkste godsdienst van Rome. Nu heeft het kruis zijn weg gevonden naar onze
kerken, huiskamers, klaslokalen, enzovoort. Heel wonderlijk als je het goed beschouwd. Van
teken van vernedering is door de verrijzenis van Jezus het kruis een teken geworden van
belofte, van hoop, van toekomst, van leven, ook na de dood.
Toen je ouders je lieten dopen werd een kruis op je voorhoofd getekend, je werd lid van de
kerk van Jezus, kind van God. Bij het vormsel tekent de bisschop of zijn vervanger met olie
opnieuw een kruis op je voorhoofd en bevestigd daarmee, dat je hoort bij de kerk van Jezus.
Je antwoordt daarbij met een stevig klinkend: Amen = Dat is zo!
5.
Je ouders of vormpeter en vormmeter
Niemand staat er alleen voor. Tijdens de viering kom je met je ouder(s) of vormpeter en
vormmeter naar voren. Zij stellen je voor aan de vormheer: “Dit is onze ...............................”.
Het is een goed gevoel te weten dat op het moment van jouw belangrijke beslissing om je te
laten vormen er ook iemand bij je staat. Geloven doe je met anderen, dus ook nu.
Het zijn mensen waar je in gelooft en die je kunt vertrouwen.
Ook later als die hand op je schouder er niet is zul je weten: Er zijn mensen, die er voor mij
zullen zijn, als ik ze nodig heb.
66
6.
Handoplegging door de bisschop
Aan het begin van de eigenlijke vormselviering bidt de bisschop of zijn vervanger om de
Heilige Geest voor jullie. Daarbij strekt hij zijn beide handen over jullie uit:
“Wij bidden U:
zend over hen de Heilige Geest, de Trooster;
schenk hen de Geest van wijsheid en verstand.
De Geest van inzicht en sterkte.
De Geest van kennis, van ontzag en liefde voor uw naam.
Precies ja! De gaven van de Heilige Geest van thema 5.
7.
Vredewens
Met Pasen trad Jezus te midden van zijn leerlingen met de woorden: “Vrede zij met jullie”!
Dat is in Israel een gewone groet: Shalom!
Maar omdat Christus die wens, die groet uitsprak bij zijn eerste verschijnen aan zijn leerlingen
na de verrijzenis, is hij voor ons christenen bijzonder geworden. In de liturgie van de gewone
vieringen komt die vredewens ook altijd tot uitdrukking na het bidden van het Onze Vader.
Wij zijn daar als zijn gasten bij Jezus aan tafel en wij wensen elkaar zijn vrede toe. Ook dus in
de vormselviering!
Maar nu wenst de vormheer iedereen die hij vormt, en extra en persoonlijke vredewens toe:
“Vrede zij met jou”!
En hij geeft je daarbij een stevige hand.
Natuurlijk wens je hem hetzelfde terug: “En vrede voor u”!
Gevormd worden
Gevormd worden gebeurt niet zo maar. Al die symbolen staan voor iets bijzonders. Het
vormsel is dan ook een sacrament: een bijzondere plek en plaats en band met God.
Als de bisschop zelf vormt, doet hij dat gezeten in een zetel. Dat is iets bijzonders, want alleen
de bisschop vormt mensen vanuit zijn ‘bisschops’-zetel! Ook dat zou je een bijzondere
symboliek kunnen vinden!
THUISOPDRACHT (samen met je ouders maken!)
bladzijde 54 t/m bladzijde 58
67
Thuisopdracht (werkblad 14 en 15)
De handoplegging
Als je ‘de hand legt op iets’, dan zeg je: dit is van mij!
Als je de hand op iemands voorhoofd legt, zeg je: wees maar niet bang, ik ben bij je.
Als je de hand op iemands schouder legt, betekent dat: we horen bij elkaar, jij betekent iets
voor mij.
Lees samen het verhaal : De Handen’
De Handen
68
De Een klein stadje in Normandië,
Frankrijk, had zwaar geleden van de
oorlog. Veel van zijn inwoners waren
gedood of gewond geraakt. De mensen
voelden zich verslagen, eenzaam en
ontroostbaar. De meeste huizen waren
verwoest. Ook van het oude kerkje midden
in de stad was weinig meer over.
De Amerikaanse soldaten, die dichtbij hun
kamp hadden opgeslagen, hielpen de
mensen bij het bouwen van noodwoningen
en barakken. Een groepje soldaten hielp
ook mee bij het herstellen van het kerkje.
Veel mooie dingen waren onder het puin
bedolven.
Er was in het kerkje een beroemd,
middeleeuws kruisbeeld, waar de mensen
van het stadje van hielden en aan gehecht
waren. Ze maakten zich zorgen. Wat zou er
van overgebleven zijn? Na lang zoeken en
voorzichtig puin ruimen vonden de
soldaten het oude houten kruis. Alleen de
handen ontbraken. Hoe ze ook zochten, die
bleven spoorloos en de mensen hadden
daar verdriet om.
Toen pakte een soldaat een stuk krijt en
schreef met grote letters op de balk van het
kruis: JULLIE ZIJN MIJN HANDEN.
De mensen van het stadje die het lazen,
keken er eerst bevreemd naar. Wat
betekent dat? Ze waren moe. Ze hadden
verdriet. Ze misten de mensen die gedood
waren. Hun huizen waren kapot geschoten.
Het beeld waarvan ze hielden was stuk en
verminkt. En ze lazen nog een keer: ‘Jullie
zijn mijn handen’.
Ineens begrepen ze wat daar stond: ‘Jullie
moeten de handen ineen slaan. Jullie
moeten heel maken wat stuk is. Jullie
moeten elkaar troosten. Jullie moeten
samen nieuwe huizen bouwen. Dan kun je
weer geloven in de toekomst’.
Als je tegenwoordig in dat herstelde kerkje
komt, dan zie je vooraan nog steeds het
kapotte kruis hangen, zonder handen. En
als je heel goed kijkt, kun je nog steeds de
woorden lezen die een soldaat er toen op
heeft geschreven.
-69-
Zoek in tijdschriften, kranten en op het internet plaatjes van handen. Plak ze op werkblad 14
en schrijf erbij wat die handen doen.
Teken op werkblad 15 de omtrek van de hand van je ouders en van jezelf. Schrijf op de plaats
waar jullie handen samenvallen hoe jullie samen iets voor anderen kunnen doen of betekenen.
Denk daarbij aan het verhaal: ‘De Handen’.
Als je meerdere kleuren gebruikt mag je de handen van de broers en zussen er best bij tekenen.
70
Alle symbolen nog eens op een rij:
1.
De geloofsbelijdenis.
2.
Het zegel van de Heilige Geest
Bij het vormsel zal de bisschop of zijn vervanger zeggen: “Ontvang het zegel van de Heilige
Geest, de gave Gods”! Dat zegel op je voorhoofd wil jou duidelijk maken dat je op God kunt
vertrouwen. God is betrouwbaar.
3.
Zalving met olie
De vormheer zalft je met olie of met een ander woord chrisma. De zalving wil je heiligen en
sterk en weerbaar maken. De zalving met olie bij het vormsel heeft ook te maken met het oude
gebruik van kracht, moed en Gods Geest, Gods zegen overdragen.
4.
Het kruisteken
Het vierde symbool van het vormsel is het teken, het symbool van het kruis. Van teken van
vernedering is door de verrijzenis van Jezus het kruis een teken geworden van belofte, van
hoop, van toekomst, van leven, ook na de dood. Bij het vormsel tekent de bisschop of zijn
vervanger met olie opnieuw een kruis op je voorhoofd en bevestigd daarmee, dat je hoort bij
de kerk van Jezus. Je antwoordt daarbij met een stevig klinkend: Amen = Dat is zo!
5.
Je ouders of vormpeter en vormmeter
Niemand staat er alleen voor. Tijdens de viering kom je met je ouder(s) of vormpeter en
vormmeter naar voren. Zij stellen je voor aan de vormheer: “Dit is onze ...............................”.
Het is een goed gevoel te weten dat op het moment van jouw belangrijke beslissing om je te
laten vormen er ook iemand bij je staat.
6.
Handoplegging door de bisschop
Aan het begin van de eigenlijke vormselviering bidt de bisschop of zijn vervanger om de
Heilige Geest voor jullie. Daarbij strekt hij zijn beide handen over jullie uit:
“Wij bidden U:
zend over hen de Heilige Geest, de Trooster;
schenk hen de Geest van wijsheid en verstand.
De Geest van inzicht en sterkte.
De Geest van kennis, van ontzag en liefde voor uw naam.
7.
Vredewens
De vormheer wenst iedere vormeling een persoonlijke vredewens toe: “Vrede zij met jou”!
En hij geeft je daarbij een stevige hand.
Natuurlijk wens je hem hetzelfde terug: “En vrede voor u”!
71
Lees ter afsluiting het verhaal aan het begin van dit thema uit de Handelingen van de
Apostelen nog eens aan elkaar voor.
handtekening van jezelf
72
handtekening van je vader
handtekening van je moeder
THEMA 6 WERKBLAD 14 (thuis)
WAT HANDEN ALLEMAAL KUNNEN DOEN!
73
THEMA 6 WERKBLAD 15 (thuis)
ONZE HANDEN
74
THEMA 7 (KLOOSTERDAG)
VOORBEELDIGE MENSEN
VRIENDSCHAP EN GEMEENSCHAP
KLOOSTERLEVEN
HET LEVEN VAN FRANCISCUS
Voorbereiding (lezen)
Mattheus (Het oordeel van de Mensenzoon)
75
25 31 Wanneer de Mensenzoon komt,
bekleed met zijn heerlijkheid en rondom
Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen
op de troon van zijn heerlijkheid. 32 Alle
volkeren zullen vóór Hem bijeengebracht
worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden,
zoals een herder de schapen van de bokken
scheidt. 33 De schapen zal Hij aan zijn
rechterhand opstellen, de bokken aan zijn
linkerhand. 34 Dan zal de koning tegen hen
die aan zijn rechterhand staan zeggen: `
`Kom, gezegenden van mijn Vader, neem
het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin
van de schepping voor jullie klaar ligt. 35
Want Ik had honger en jullie hebben Me te
eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben
Me te drinken gegeven, Ik was
vreemdeling en jullie hebben Me
opgenomen.
36
Ik was naakt en jullie hebben Me
gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar
Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en
jullie kwamen naar Me toe.'' 37 Dan zullen
de rechtvaardigen Hem antwoorden: `
`Heer, wanneer hebben we U hongerig
gezien en U te eten gegeven, of dorstig en
U te drinken gegeven? 38 Wanneer hebben
we U als vreemdeling gezien en U
opgenomen, of naakt en hebben we U
gekleed? 39 Wanneer hebben we U ziek of
in de gevangenis gezien en zijn we naar U
toe gekomen?'' 40 De koning zal hun
antwoorden: ` `Ik verzeker jullie, alles wat
je voor één van deze minste broeders van
Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.''
45 Aan (de anderen zal) Hij antwoorden: `
`Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor
één van deze minsten hebt gedaan, heb je
ook niet voor Mij gedaan.''
-76-
Bezoek aan de Zusters Franciscanessen in Noord-Deurningen.
Globaal programma:
10.45 - 11.00 uur aankomst
11.00 - 12.00 uur Welkom, doel van de dag (Coen Hamers)
11.00 - 11.15 uur pauze / ontspanning
11.15 - 12.30 uur Film
12.30 - 13.30 uur warme maaltijd / ontspanning
13.30 - 14.30 uur vervolg Film
14.30 - 16.00 uur workshops n.a.v. film
16.00 - 17.30 uur kennismaking met het kloosters en rondleiding
17.30 - 18.30 uur avondeten
18.30 - 18.45 uur voorbereiding viering
18.45 - 19.45 uur Franciscusviering (met ouders en broertjes en zusjes??)
Deelname bijdrage kinderen € 12,00 per kind (inclusief maaltijden).
77
Franciscus van Assisi, een vriend van mens en dier
Franciscus leefde van 1182 - 1226 in en rond Assisi, een stadje in
het noorden van Italië. Hij was de zoon van een handelaar in
stoffen, die een bloeiend bedrijf had opgebouwd. Franciscus was
een vrolijke jongen. Vaak vierde hij feest met zijn vele vrienden.
Toen er oorlog uitbrak tussen de stad Assisi en een stad in de
buurt, was Franciscus van de partij. Hij zag het als een groot
avontuur. Helaas voor hem kwam hij in een donkere gevangenis
terecht.
Toen Franciscus na een jaar werd vrijgelaten, voelde hij zich ziek
en ellendig. Maandenlang lag hij in bed. Nu had hij tijd om na te
denken. ‘Het is niet goed wanneer ik in mijn leven alleen maar
feest vier’, dacht hij, Maar wat hij dan wél wilde, wist hij niet goed.
Toen Franciscus beter was, reed hij eens op zijn paard door de bossen. Hij zocht de rust en de
stilte op. Toen hij zo een eind gereden had, zag hij opeens een man wegduiken. Toch kon
Franciscus wel zien, dat zijn gezicht vreselijk verminkt was. Niemand durfde bij deze man in
de buurt te komen, want hij had een vreselijke ziekte. Hij was melaats. Franciscus kreeg
medelijden met de man, stapte van zijn paard en omhelsde de man als een vriend. Ook gaf hij
de man de prachtige mantel die hij aanhad. Franciscus voelde zich er gelukkig bij.
Korte tijd later kwam Franciscus bij een oud en vervallen kerkje. Hij ging er binnen om te
bidden. ‘Nu weet ik wat God wil’, dacht Franciscus bij zichzelf: ‘Ik wil net als Jezus gaan
leven voor God’. Alles wad hij had gaf hij weg aan de armen. Zijn vader werd daar erg boos
om, maar Franciscus wilde niet anders. In een rafelig kleed en zonder geld trok hij de bergen
rond Assisi in. Franciscus handelde heel radikaal.
Sommigen dachten dat Franciscus niet goed wijs was. Anderen zochten hem juist op om te
luisteren naar zijn verhalen over Jezus en over God. Ook kon Franciscus heel mooi vertellen
over de natuur, waar hij enorm veel om gaf. Er waren zelfs mensen die met Franciscus
meegingen. Ze noemden elkaar ‘minderbroeders’. Dat woordje ‘minder’ had Franciscus
bedacht. ‘Want’, zei hij,’je mag nooit denken, dat je belangrijker of meer bent dan een ander’.
Op een dag, het liep tegen kerst, dacht Franciscus bij zichzelf dat het misschien mooi zou zijn
om het kerstverhaal na te spelen. Met echte mensen en dieren en een stal. Het moest precies
lijken op dat eerste kerstfeest in Bethlehem. Een vader en moeder wilden wel Josef en Maria
spelen. Hun baby’tje legden ze in een kribbe, bedekt met wat hooi: het was precies Jezus. Ook
had Franciscus gezorgd voor schapen, een os en een ezel. Van alle kanten kwamen de mensen
uit de buurt zingend naar de stal. In hun handen droegen ze brandende kaarsen en fakkels. De
hemel was vol licht. Met tranen in de ogen vertelde Franciscus over het kindje Jezus in de
kribbe, de zoon van God. Het was net alsof dat oude kerstverhaal weer helemaal tot leven
kwam. De mensen vonden het prachtig.
Franciscus kon volop genieten van zon, maan en sterren. Van de wind, het water en het vuur.
En van de aarde, met al haar dieren, bloemen en planten. Daarmee voelde hij zich de koning te
rijk, ook al had hij geen cent op zak. Op het einde van zijn leven kreeg hij de wondetekenen
van Jezus in zijn handen en voeten (1224). Ook heeft hij, juist toen hij heel ziek was, een
prachtig lied gemaakt. Daarin dankt hij God voor heel de rijkdom en de pracht van de
schepping. Hij noemde dit het lied van de schepping, ‘het Zonnelied’.
Als een gelukkig man is hij in 1226 gestorven te midden van zijn vele vrienden, 44 jaar oud.
Al een jaar later werd hij door paus Gregorius IX heilig verklaard!
78
Een voorbeeld
Franciscus was een voorbeeld voor andere mensen. Er waren er die bij hem kwamen wonen en
leven, zoals Clara en zijn minderbroeders. Er waren er ook die wel wilden leven in zijn geest,
op zijn manier, maar thuis bleven bij hun man of vrouw en kinderen.
Voor al die groepen mensen stelde hij een ‘leefregel’ op.
Voor mannen, priesters en broeders: de zogenaamde eerste orde. Dat zijn de paters
Franciscanen, de Kapucijnen en de Conventuelen.
Voor vrouwen, onder leiding van Clara: de zogenaamde tweede orde. Dat zijn de Clarissen.
Voor mannen en vrouwen buiten deze gemeenschappen stichtte hij de Derde Orde, met een
moeilijk woord de Tertiarissen. Van deze laatste groep gingen vervolgens later ook weer
mannen en vrouwen in kloosterverband wonen. De Zusters Franciscanessen van NoordDeurningen zijn een voorbeeld daarvan.
Thuine
Eigenlijk stamt de stichting van dit klooster van zusters uit Thuine in Duitsland. Hun
stichtster, Zuster M. Anselma Bopp, kwam oorspronkelijk van elders naar Thuine op 22 mei
1857. Zij kwam daar met een andere medezuster om zieken te verplegen en is nooit meer
weggegaan. www.franziskanerinnen-thuine.de
Vandaar kwamen later zusters naar Noord-Deurningen met hetzelfde doel.
www. franciscanessen-denekamp.nl
Jij
Ooit ben je gedoopt. Dat was een keuze van je ouders. Aan het begin van de basisschool heb je
de eerste communie gedaan. Misschien kun je jezelf daar nog maar weinig van herinneren.
Nu word je gevormd. Dat is je EIGEN KEUZE. Je bent oud en verstandig genoeg om te weten
wat je wil. Ja zeggen tegen het vormsel, is ook ja zeggen tegen Jezus. Jezus is een goed
voorbeeld om naar te leven. Voor Franciscus was dat duidelijk. Daarmee werd hij zelf weer
een voorbeeld voor heel veel anderen. Ook voor jou?
Zo leven betekent actief zijn. Je moet de handen uit de mouwen steken en proberen een
lichtpuntje te zijn in je omgeving, vrede te brengen waar dat kan, hulp te bieden waar dat
nodig is, op te komen voor de mensen die langs de kant staan, enzovoort.
Je omgeving
Nu je zo’n jaar of twaalf bent, begin je aandacht te krijgen voor ‘hoe mensen zijn’. Je ziet
zoveel mensen om je heen. Je leest zoveel over mensen in de krant. Je hoort en ziet allerlei
mensen op de radio en de televisie. Ook op het internet kun je veel over mensen te weten
komen. Er zijn er zeker wel een paar, die je de moeite waard vindt, die je graag mag en van
wie je wel eens denkt: zo zou ik ook willen zijn.
Kun je God zien?
Al heel lang zijn er mannen en vrouwen, die bereid zijn op een andere manier naar
voorbeelden te leven. Zusters, nonnen, paters, broeders, maar ook echtparen, allemaal kiezen
ze voor een leven met God om de naaste te helpen.
Want zie je een hongerkind op de televisie, dat je aankijkt, dan zie je God. Zie je foto’s van
stervende mensen op de straten in India, dan weet je dat je naar God kijkt. Zie je als gevolg
van bruut geweld, terrorisme of oorlog gewonde en gedode mensen op de televisie dan zie je
God. Denk maar aan thema 2.
79
Maar ook als je die pater, zuster, dokter of verpleegster aan het werk ziet, zie je God, want zij
leven en werken naar zijn voorbeeld. Als je denkt aan dit soort mensen, dan weet je wat
bedoeld is met profeten en herders.
Jezus van Nazareth
Jezus van Nazareth was ook zo’n mens, een evenbeeld van God. Op alle fronten. Hij genas
zieken, gaf armen te eten en te drinken, bekommerde zich om de verschoppelingen van de
maatschappij, ging weldoende rond, vertelde mensen wat recht en onrecht was, zonder een
blad voor de mond te nemen, en stierf een vreselijke dood aan het kruis.
We kijken nu naar stukken uit een film over
het leven van Franciscus: Brother Sun and
Sister Moon.
Brother Sun, and Sister Moon
I seldom see you, seldom hear your tune:
Preoccupied with selfish misery.
Brother Wind, and Sister Air
Open my eyes to visions pure and fair:
That I might see the glory around me.
Werken in workshops over de film
We verdelen ons in groepen en gaan aan
het werk. De opdracht is een stuk uit het
leven van Franciscus, zoals je dat hebt
gezien in de film, uit te beelden. We
beginnen met de brief aan Franciscus te
schrijven op werkblad 16.
Dan gaan we aan de slag:
toneelstuk
tekenen
natuurcollage
boetseren.
I am God's creature,
Of him I am part.
I feel his love
Awakening my heart.
Brother Sun, and Sister Moon
I now do see you, I can hear your tune:
So much in love with all that I survey.
I am God's creature,
Of him I am part.
I feel his love
Awakening my heart.
Afsluitende viering
Vanavond komen we bij elkaar om de afsluiting van ons project te vieren. Dat doen we aan de
hand van de uitgewerkte opdrachten in de work-shops.
80
THEMA 7 WERKBLAD 16
Aan Franciscus van Assisi
Liefdeweg 1
1101 AO ASSISI
Hallo Franciscus.
Vandaag heb ik de film over jouw leven gezien.
Ik vind dat:
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Ik kan veel van jou leren namelijk:
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
81
Kennismaken met de vormheer.
Vóór de vormselviering maken we kennis met de bisschop die je komt vormen of met de hem
vervangende vicaris of deken. Zo’n gesprek moet je voorbereiden. Daarom vind je op
werkblad 17 een aantal vragen, die je kunt stellen.
Bedenk er zelf ook een paar.
Afsluiting
Jezus van Nazareth is een idool van alle tijden. Bij het vormsel geven we te kennen, dat we
willen zijn zoals Hij was. Hij heeft ons vertelt, hoe we als zijn volgelingen kunnen leven door
oog en aandacht te hebben voor onze medemensen.
We noemen die daden: de zeven werken van barmhartigheid:
1. Hongerigen te eten geven
2. Dorstigen te drinken geven
3. Vreemdelingen onderdak bezorgen
4. Naakten van kleding te voorzien
5. Gevangenen te bezoeken en troosten
6. Zieken te verplegen
7. Doden te begraven
Het wil zoveel zeggen als: Je hoeft niet alles opvallend of groots te doen. Doe het alledaagse
goed, dat is al moeilijk genoeg. Van kleine stappen komen we dan vanzelf tot grote stappen.
Die grote stappen zetten moet je leren durven. Als je dat durft, doe je het uit overtuiging en
met succes! Goede dingen goed doen blijkt dan niet moeilijk.
Ooit zullen we dan vragen: ‘Heb ik dat gedaan?’
En God zal dan zeggen:
‘Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt
gedaan, heb je voor Mij gedaan!’
82
THEMA 7 WERKBLAD 21 (schoolopdracht)
VRAGEN AAN DE VORMHEER
1.
Hoe lang bent u al pastor?
2.
Wat is precies een (aarts)bisschop of een vicaris?
3.
Heeft u plezier in uw functie / beroep?
4.
Bent u wel eens op zoek geweest naar de Geest? Wat hebt u toen ontdekt?
5.
Gaat u wel eens op bezoek bij mensen met honger, dorst, ziekte?
6.
Vindt u het leuk om ons te vormen? Waarom?
7.
Vindt u het belangrijk, dat jongeren zich laten vormen? Waarom?
8.
Wij hebben geleerd dat de heilige Geest kracht is die ons ‘heel’ wil maken. Heeft u dat
wel eens ervaren?
9.
Wij hebben geleerd dat de heilige Geest te maken heeft met moedige daden, met lef.
Heeft u dat wel eens ervaren?
10.
Kunt u zich herinneren, dat u gevormd werd?
11.
...........................................................................................................................................
12.
...........................................................................................................................................
13.
...........................................................................................................................................
14.
...........................................................................................................................................
15.
...........................................................................................................................................
83
Thuisopdracht
Vul met je ouders het vormselcontract in
84
MIJN VORMSEL CONTRACT
Bij mijn doop in de
op
(parochiekerk)
(datum) te
(plaats)
ben ik
(naam)
opgenomen in de gemeenschap van mensen, die proberen te leven in de geest van Jezus van
Nazareth.
Met de steun van mijn ouders thuis en van de school en de parochie, heb ik ontdekt wat
waardevol kan zijn in een mensenleven en ben ik geworden, wie ik ben.
Nu wil ik zelf proberen op die weg door te gaan en laat ik mij vormen
op
(datum en tijdstip)
in de parochiekerk van de Heilige Simon en Judas
te
(plaats)
door _____________________________________________(naam vormheer).
Handtekening vormeling:
85
Op mijn vormselfeest kwamen:
86
Download