Doelstelling 3 – deel 1

advertisement
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
1. Omschrijving van de begrippen
1.1 Wat is pedagogisch handelen?
1.1.1 Wat is agogiek?
Agogiek is de leer van het doen veranderen van mensen. Deze sociale wetenschap bestudeert
hoe mensen veranderen en geeft aanwijzingen over de manier waarop deze
veranderingsprocessen kunnen worden beïnvloed en begeleid.
Agogiek geeft voorschriften rond het interveniëren in menselijke veranderingsprocessen.
Agogie verwijst naar de activiteit zelf van het interveniëren in veranderingsprocessen, het
agogisch handelen op zich. Agologie is de wetenschap die studie en onderzoek omtrent
agogie en agogiek verricht.
1.1.2 Wat is pedagogiek?
Pedagogiek of opvoedkunde is de studie van de manier waarop volwassenen (onderwijzers,
ouders, opvoeders) jeugdigen grootbrengen met een bepaald doel. Het is de wetenschap die de
opvoeding van kinderen en jongeren bestudeert.
Het woord ‘pedagogiek’ is afgeleid uit het Grieks, namelijk van het woord ‘pais’ (wat ‘kind’
is) en het woord ‘agogie’ (wat vertaald kan worden als ‘begeleiden, voeren tot’).
De pedagoog bestudeert de opvoeding, de ontwikkelingsfasen, en ook de relatie tussen het
kind en zijn omgeving: familieleden, school, vriendjes en vriendinnetjes, de gebouwde
omgeving, media, etc. De nadruk ligt vooral op het handelen. Onder pedagogie wordt de
praktijk van het opvoeden verstaan.
1.1.3 Wat is pedagogisch handelen?
Pedagogisch handelen is de manier waarop ouders concreet gestalte geven aan het
opvoedend handelen. De opvoeders gaan op een bepaalde (vaak bewuste) manier om met hun
kinderen om ze tot ontwikkeling te stimuleren.
Opvoeden is in essentie een interactieproces tussen kind en opvoeder. Elk kind heeft een
aantal individuele ontwikkelingsnoden, het vraagt als het ware een specifieke aanpak om tot
optimale ontwikkeling te komen. Dit noemen we de pedagogische vraag van het kind. De
opvoeder gaat in meer of mindere mate in op die vraag van het kind door op een bepaalde
manier om te gaan met het kind. Dit noemen we het pedagogisch aanbod van de opvoeder.
Naarmate het pedagogisch aanbod harmonieert met de vraag van het kind, verhogen de
kansen dat het opvoeden optimaal verloopt.
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
1
1.2 Begrippen binnen het pedagogisch handelen
1.2.1. Opvoedingsmilieu
Het opvoedingsproces heeft steeds plaats in een bepaalde omgeving, een milieu waar
verschillende personen aanwezig zijn, namelijk het gezin, de school, de jeugdvereniging, …
Een opvoedingsmilieu is een milieu, dat van nature of opzettelijk op opvoeding is gericht.
1.2.1.1. Het gezin
Het gezin is van nature gericht op de opvoeding van het kind. Voor veruit de meeste kinderen
is het gezin het eerste en het belangrijkste opvoedingsmilieu. Toch zijn er heel wat gezinnen
die, omwille van omstandigheden, hun opvoedende rol slechts gedeeltelijk kunnen vervullen.
Het gezin als eerste opvoedingsmilieu komt door maatschappelijke en culturele
ontwikkelingen steeds meer onder druk te staan: ouders verleggen hun belangrijkste
actieterrein naar de arbeidsmarkt, gezinnen worden kleiner, breken…
1.2.1.2. Een school
Op school is het opvoedend en onderwijzend handelen van de leraar uiteraard van zeer groot
belang voor de opvoeding van de leerlingen.
De school beoogt de totale vorming van het kind. Hier gaat men opzettelijk het kind vormen:
met duidelijke geformuleerde doelen en een welomschreven programma. In een school leert
men echter niet alleen dat wat de leraar onderwijst.
In de landen waar de leerplicht werd ingevoerd, is de school voor praktisch alle kinderen het
tweede opvoedingsmilieu.
1.2.1.3. Het derde milieu
Naast het gezin en de school is een derde opvoedingsmilieu, namelijk dat van de vrije tijd, al
dan niet georganiseerd.
Als we vaststellen dat kinderen in verschillende opvoedingsmilieus tegelijk terechtkomen,
lijkt het voor ons nogal logisch dat een goede samenwerking tussen die verschillende milieus
van groot belang is voor de opvoeding van het kind.
1.2.2. Opvoedingsklimaat
Het opvoedingsklimaat kunnen we best beschrijven als “de algemene sfeer” die er in het
opvoedingsmilieu heerst.
Het is algemeen bekend dat kinderen een warm en accepterend opvoedingsklimaat nodig
hebben, zeker in de eerste levensjaren.
Na de tweede wereldoorlog was het opvoedingsklimaat vooral gestoeld op “vlijt, ijver en
netheid”. Vandaag de dag is het opvoedingsklimaat in het merendeel van de gezinnen gericht
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
2
op “zelfontplooiing en geborgenheid”, op het leren van onafhankelijkheid / het bijbrengen van
zelfstandigheid.
1.2.3 Opvoedingsstijl
Een opvoedingsstijl is het geheel van gedragingen die karakteristiek zijn voor een bepaalde
opvoeder en die van situatie tot situatie relatief ongewijzigd blijven. Het is dus de wijze
waarop de opvoeder zich gewoonlijk gedraagt. Het gaat om een stijl van handelen.
Als we alle manieren van opvoeden zouden vergelijken, zouden we vaststellen dat deze stijlen
op twee verschillende manieren van elkaar zouden kunnen verschillen:
Een eerste verschil zou de "emotionele warmte" kunnen zijn die tussen de opvoeder en de
opvoedeling aanwezig is.
Bijvoorbeeld: In gezin A helpt de vader zijn zoontje van 8 met zijn huiswerk en speelt
de zondag een partijtje voetbal. In gezin B wordt het kind aan zijn lot overgelaten, het
moet maar TV kijken als het niet weet wat gedaan.
Een tweede verschil zouden we "dominantie" kunnen noemen. Onder dominantie begrijpen
we of er in de opvoeding al dan niet regels en grenzen zijn waaraan de opvoedeling zich moet
houden.
Bijvoorbeeld: In gezin X loopt alles streng gereglementeerd. Om 7.00u staat iedereen
op, om 7.30u zit iedereen aan tafel... In gezin Y zijn er bijna geen regels..., met als
gevolg dat de moeder in heel het huis vuile kleren tegenkomt, en iedereen
binnenwandelt met vuile schoenen....
Deze twee factoren zijn elk een soort continuüm: bij de warmtefactor zijn er gezinnen waar
het er zeer kil aan toegaat en zijn er evengoed gezinnen waar het er verstikkend warm aan
toegaat. Bij de dominantiefactor zijn er dan weer gezinnen die bulken van de regels, waar
ouders volledig de macht in handen hebben. Er zijn ook gezinnen waar er eigenlijk geen
regels zijn: iedereen heeft de volledige vrijheid.
Combineren we nu de twee factoren macht en dominantie tot een soort assenstelsel, dan
krijgen we vier types van opvoeding. Deze vier types verschillen duidelijk van elkaar door de
manier waaróp er opgevoed wordt.
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
3
CONTROLE
autoritaire
opvoeding
overbeschermende
opvoeding
AFSTAND
NABIJHEID
onverschillige en
permissieve
opvoeding
democratische
opvoeding
LOSLATEN
1.2.3.1 Autoritaire opvoedingsstijl
Een autoritaire stijl wordt gekenmerkt door een samenhang van macht en afstand. Deze
houding kenmerkt zich dus door aanwending van veel macht en weinig genegenheid. In
extreme vorm spreken we van dictatoriale houding (controle en afkeer) of de koele houding
(waarbij het kind niet wordt geaccepteerd; met een grote emotionele afstand tussen ouders en
kind).
In de autoritaire houding probeert de ouder zijn kijk op de dingen aan het kind op te dringen.
Hij stelt veel eisen en legt het kind allerlei beperkingen op.Het eigen initiatief van het kind
wordt sterk beknot. De ouders hebben een duidelijke visie op opvoeden en ontwikkeling en ze
laten daarin weinig speling toe. Er wordt weinig rekening gehouden met de eigen
mogelijkheden en interesses van het kind. Het kind moet de opleiding volgen die de ouders
belangrijk vinden, die sport beoefenen of die muziekschool volgen die bij hun
opvoedingsvisie past, en de vrienden hebben die voor thuis aanvaardbaar zijn.
De dominante opvoeder is veeleisend en verlangt van het kind de nodige prestaties. Hij eist
gehoorzaamheid zonder tegenspraak. Hij gebruikt dan ook veel dwang in de opvoeding en is
voorstander van een strenge discipline. Straffen nemen dan ook een belangrijke plaats in
binnen de dominante opvoeding, ook lichamelijke straffen.
Wat zijn de gevolgen voor het kind?
Bij een autoritaire opvoeding
- Het kind ervaart zich als een wezen met eigen behoeften die hij best onderdrukt. Dergelijke
houding is voor het kind groeiremmend.
- Een autoritaire opvoeding werkt gevoelsarmoede in de hand.
- Omdat de jongere geen inspraak krijgt, zal hij weinig gemotiveerd zijn te doen wat van hem
wordt verlangd. Sommigen zullen zich wel schikken, maar dan enkel uit angst.
- De kinderen koesteren vaak wrevel tegen hun ouders. Veelal zullen er verzetacties komen.
Er bestaat ook een kans dat ze hun verzet tot alle volwassenen gaan richten en dat ze het
gedrag van hun ouders gaan veralgemenen naar andere volwassenen toe.
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
4
- Als opgroeiende jongeren en als volwassenen vertonen ze een gebrek aan innerlijke
beheersing en eigen verantwoordelijkheid. Ze denken steeds in termen van macht en
‘machtsaanwending’. Dit kan leiden tot gevaarlijke karaktereigenschappen.
Bij een dictatoriale opvoeding is de mens als mens dood. Elke vorm van creativiteit en
zelfwaardegevoel wordt afgeremd.
Bij een koele opvoeding blijft het kind steken in het onbevredigde gevoel van de
fundamentele behoefte aan aandacht. Het kind zal er vaak op een negatieve manier om vragen
door lastig gedrag te stellen. Dit houdt dan weer het gevaar voor kindermishandeling in. Er is
ook een kans dat het kind later als ouder in eenzelfde opvoedingspatroon zal vervallen. De
liefde die het kind zelf heeft moeten missen, zal het later van zijn eigen kinderen verwachten.
Aan deze verwachtingen kan zo’n klein kind niet beantwoorden (baby’s kunnen veel last
berokkenen) met als gevolg dat de ouder het kind gaat afkeuren, zoals hij vroeger werd
afgekeurd.
1.2.3.2 Overbeschermende opvoedingsstijl
Een overbeschermende stijl wordt gekenmerkt door een samenhang van macht en liefde. Het
is gebaseerd op een houding van veel controle en veel genegenheid. In extreme gevallen is er
zelfs sprake van een ‘bezittende houding’.
De opvoeder stelt duidelijke regels waaraan de opvoedeling moet voldoen. Het kind ontvangt
van de ouders veel liefde als het aan de gestelde regels voldoet. In extreme gevallen ontstaat
hier iets dubieus: het kind krijgt warmte op voorwaarde dat… Kinderen of jongeren, zelfs
jongvolwassenen, krijgen geen genegenheid als ze een eigen mening hebben (als die strijdbaar
is met deze van de ouders). Ze krijgen wel liefde als ze de “raadgevingen” (lees: geboden) van
de ouders zonder mopperen volgen.
Wat zijn de gevolgen voor het kind?
De groei van de persoonlijkheid wordt bij het kind afgeremd. In sommige gevallen komt het
kind zelfs niet tot een volledige ontplooiing van zijn / haar persoonlijkheid en leidt de
bezittende opvoeding tot een stoornis in de persoonlijkheid.
- Kinderen die ‘willen groeien’ worden namelijk geconfronteerd met hun controlerende
ouders die duidelijk maken dat ze dit niet wensen. Kinderen die ‘niet willen groeien’ worden
omringd met liefde. Het kind kiest dan jarenlang voor ‘niet willen groeien’ en doet jaren
(slaafs) wat van hem wordt gevraagd. Hij doet wat de anderen van hem vragen, hij is totaal
afhankelijk.
- Wanneer kinderen op een latere leeftijd zich (hopelijk) losrukken van het gezin, worden ze
opnieuw geconfronteerd met een totale ontreddering van hun ouders. Het oudere kind kan dan
evolueren naar opstandigheid, waarop de ouders reageren met agressie. Het kind voelt aan dat
het afgeschreven wordt en ontvlucht het gezin om eindelijk te kunnen groeien.
- Bezittende opvoeding kan leiden tot een stoornis in de persoonlijkheid: het kind zal nooit
een zelfstandig wezen worden. Bij het verdwijnen van de ouders is het kind volledig
ontredderd en gaat op zoek naar vervangende ouders. Ook in een latere fase wil het kind /
jongere / volwassene een afhankelijke relatie aangaan met anderen.
1.2.3.3 Onverschillige en permissieve opvoedingsstijl
Bij een permissieve opvoedingsstijl wordt er heel veel gepraat. Er wordt wel eens gedreigd
met sancties, maat het komt er nooit van. Het kind krijgt altijd gelijk. De ouders praten alles
goed, wat het kind ook doet. Als er wat misloopt, is dat steevast te wijten aan een ander:
leerkrachten, andere ouders, andere kinderen.
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
5
Een onverschillige stijl wordt gekenmerkt door een samenhang van vrijheid én afstand. Deze
opvoedingsstijl wordt dus gekleurd door een houding van weinig macht en weinig
genegenheid. In extreme vorm is er sprake van een ‘verwaarlozende houding’.
In deze stijl worden geen grenzen gesteld: laisser-faire-laisser-passer! Er zijn bijna geen
afspraken of regels. Er is een soort vrijheid die een losbandigheid veroorzaakt. Ouders
luisteren niet naar de kinderen. Het kind is precies de moeite niet waard om zich ervoor te
interesseren. In zo’n gezin is alles mogelijk maar van een zekere nestwarmte is geen sprake.
Wat zijn de gevolgen van een onverschillige stijl voor het kind?
- Kinderen kunnen niet zonder afspraken en zonder genegenheid. Als ze dit thuis niet vinden,
dan zoeken ze dit buitenshuis. Bij gebrek aan goede volwassen modellen kiest het kind (de
jonge puber) zijn eigen modellen: de ouderen, de durvers, de macho’s. Omdat de genegenheid
ontbreekt, worden figuren met macht meestal geïmiteerd. Gaandeweg gaat men opereren in
bendevorming. De binding in de bende is er overbeschermend zodat de bende aan elkaar klit
op basis van macht.
- Een onverschillige opvoeding (laisser-faire-houding) is géén opvoeding. Het leidt tot
persoonlijkheidsmoeilijkheden en relatiestoornissen bij het kind. Het is steeds op zoek naar
veiligheid en vindt deze slechts bij lotgenoten.
- Een verwaarlozende opvoeding leidt onvermijdelijk tot persoonlijkheidsstoornissen of
gedragsstoornissen. Het maakt opstandelingen die slechts macht en agressie kunnen
aanwenden om hun doelstellingen te bereiken.
1.2.3.4 Democratische opvoedingsstijl
Een democratische stijl wordt gekenmerkt door een samenhang van vrijheid en liefde, van
weinig macht en veel genegenheid. In meer extreme vorm kunnen we ook spreken van een
anti-autoritaire /verwennende houding: veel vrijheid en veel liefde.
De ouders hebben duidelijke verwachtingen van hun kinderen, die moeten luisteren naar hun
ouders. De ouders hechten echter evenveel belang aan het luisteren naar hun kinderen. Praten,
luisteren en gevoelig zijn voor ieder kind gaat hand in hand met keuzes durven te maken, op
te treden indien nodig, een duidelijke visie te hebben op het gezin. In een democratische
opvoedingsstijl vinden wij uitingen van vertrouwen, beleefdheid, begrip, optimisme,
vriendelijkheid, waardering, achting, aanmoediging, lof, ontspanning, ongedwongenheid en
een plezierige samenwerking.
Deze opvoedingsstijl vraagt veel inspanningen omdat de dosis macht en de dosis vrijheid
bijna steeds moet herzien en herdacht worden. Wat gisteren nog niet toegelaten kon worden,
kan wellicht morgen wel. Het kind groeit namelijk en het mag (moet) groeien! Aanvankelijk
worden er dus wel structuren en regels gegeven voor zover die nodig zijn in de ontwikkeling
van het kind. Maar die worden vlug verlaten als men denkt dat het kind ze niet meer nodig
heeft.
Wat zijn de gevolgen voor het kind?
- Deze opvoedingshouding werkt groeibevorderend, is verrijkend voor het kind (en ook voor
de ouders).
- Het kind krijgt de gelegenheid om aan zijn persoonlijkheid te werken. Het krijgt de kans om
al zijn mogelijkheden en talenten te ontwikkelen.
- Het kind wordt in staat gesteld om alle negatieve ervaringen te verwerken.
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
6
- Deze opvoeding biedt de meeste kans om het kind creatief te laten zijn en het kind
zelfstandig maar toch sociaal te laten worden. Daarnaast wordt het kind tot ondernemen
gestimuleerd.
Kinderen die meer uitgesproken verwend worden, krijgen heel wat andere eigenschappen. Ze
leren geen rekening houden met anderen want ze krijgen alles wat ze willen of mogen alles
doen. Ze missen geduld en doorzetting. Ze zijn veeleisend en egocentrisch.
1.2.3.5 Tijd om te nuanceren…
Hierboven werden de vier opvoedingsstijlen duidelijk beschreven, maar… Waarschijnlijk past
er geen enkel gezin nét in één opvoedingsstijl. Ook zijn er oneindig veel plaatsen op de twee
continuüms: het ene democratische gezin is dan ook het andere niet. Voeg daarbij dat ouders
anders zullen reageren op hun verschillende kinderen. Wat de juiste aanpak is voor het ene
kind is daarom niet de juiste aanpak voor het andere. Ook kan dan nog eens bij hetzelfde kind
de opvoedingsstijl veranderen doordat het in een andere leeftijdsfase is terechtgekomen of
doordat de ouders misschien door andere omstandigheden milder of strenger, koeler of liever
zijn geworden…
Bij de extreme gevallen zal het geschetste beeld het meest kloppen, maar dat zijn dan
inderdaad de extremen. De werkelijkheid is altijd complexer en moeilijker dan de theorie. Is
de theorie dan nutteloos? Nee, zonder een theorie als gids zouden we helemaal verdwalen in
die werkelijkheid. Theorie kan ons de werkelijkheid leren kennen.
1.2.4 Opvoedingsmiddelen
Opvoeders / ouders gebruiken bepaalde middelen om houdingen / attitudes bij hun kinderen
te ontwikkelen.
Houdingen of attitudes zijn namelijk niet aangeboren maar wel aangeleerd. Dat betekent dat
ze ontstaan en ontwikkelen (of zelfs soms veranderen) onder invloed van leerprocessen.
Hierin komen de opvoeders tussen om een bepaalde houding of attitudes bij hun kinderen bij
te brengen.
Deze opvoedingsmiddelen richten zich ofwel op het vormen van bepaalde overtuigingen,
ofwel op het tot stand brengen van bepaalde gevoelens, ofwel op het rechtstreeks beïnvloeden
van bepaalde gedragingen.
We kunnen vier verschillende opvoedingsmiddelen onderscheiden:
1) informatieoverdracht
2) gewoontevorming
3) beloning en straf
4) imitatieleren of modelling of leren door nabootsing
1.2.4.1 Informatieoverdracht
Bij dit opvoedingsmiddel wordt veel uitgelegd aan de kinderen. De opvoeder geeft informatie
en inzicht in de hoop zo een bepaalde mening of overtuiging bij het kind te laten ontwikkelen.
Via het onderwijs, de massamedia, de propaganda en de raadgevingen die ouders geven,
komen kinderen en jongeren niet alleen heel wat feiten te weten, ze worden immers ook
geconfronteerd met opvattingen, standpunten en stellingnamen.
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
7
Voorbeelden
- Rij niet zonder licht als het donker is. Het levensgevaarlijk als de autobestuurders je niet
opmerken.
- Nu zie je zelf wat er gebeurt als je met je mooie kleren in de modder speelt. Kijk maar hoe
moeilijk die vlekken eruit gaan.
1.2.4.2 Gewoontevorming
Via dit opvoedingsmiddel doen ouders bepaalde gewoonten ontstaan. Ze zetten hun kinderen
aan zich op een bepaalde manier te gedragen vooraleer de kinderen kunnen inzien waarom dit
zo hoort. Het kind wordt als het ware verplicht om bepaalde handelingen te stellen zonder dat
er uitleg gegeven wordt. Het belang van de handeling wordt dan eventueel later verklaard als
het kind in staat is de uitleg te begrijpen. Gewoontevorming wordt gestimuleerd door
herhalen, oefenen.
Voorbeelden
- Een ouder die de traditionele mannelijke en vrouwelijke rolpatronen bij zijn kinderen wil
doorbreken, kan als volgt redeneren: “Als mijn zoontje van kindsbeen af gewoon gemaakt
wordt huishoudelijke karweitjes op te knappen, zal hij later het afwassen en de schoonmaak
niet als een exclusief vrouwelijke aangelegenheid beschouwen.”
In dit geval hoopt de ouder, meestal terecht, dat de jongen zijn opvatting over dit soort werk
zal aanpassen aan zijn feitelijk gedrag.
- Een analoge visie steekt achter de organisatie van een sportdag op school. De leerlingen
worden ertoe aangezet mee te doen aan sport- en spelactiviteiten waar ze in veel gevallen
vaak niet aan toe zouden komen. Zijn de ervaringen bij de initiatie in een bepaalde sport
positief, dan kan er bij het kind een behoefte ontstaan om zich verder in die sport te
bekwamen.
1.2.4.3 Belonen en straffen
Via dit opvoedingsmiddel kunnen de ouders hun invloed nog kracht bijzetten. Gedragingen
waarmee kinderen succes hebben of die een positief resultaat opleveren, zullen ze
gemakkelijk herhalen. Gedragingen die voor de hen ongewenste of nadelige gevolgen hebben,
zullen ze in de toekomst vermijden. Een positief resultaat noemen we een beloning en een
negatief effect is psychologisch gezien een straf.
Voorbeelden
- Jan studeert vlijtig want zijn ouders vinden dit belangrijk. Dankzij zijn inspanningen behaalt
hij een goed resultaat. Zijn ouders zijn erg trots en als beloning mag hij in de vakantie met
vrienden op reis.
- Sara was vroeger vaak ‘lastig’ als er bezoek kwam. Ze stelde dit gedrag om de aandacht te
trekken. Haar ouders negeerden dit gedrag maar beloonden haar wel als ze flink was geweest.
Nu is Sara heel erg beleefd en kalm als er bezoek is.
1.2.4.4 Leren door imitatie
Veel van wat we leren hebben we verworven door het voorbeeld van onze ouders na te
volgen. Op die manier leert het kind spreken, zich in het verkeer bewegen, beleefdheidsregels
toepassen, … . Het leren door imitatie is belangrijk voor het leren van motorische activiteiten,
maar vooral ook voor het leren van gevoelens en houdingen. Het kind neemt van de ouders
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
8
allerlei soorten attitudes en emotionele gedragingen over: bijvoorbeeld minachting voor een
dom kind, afkeer voor bepaalde dingen of activiteiten, het ontwikkelen van een bepaalde
smaak (kleding, huisinrichting, taalgebruik, …). Soms hanteren ouders doelbewust dit
opvoedingsmiddel (ze tonen iets voor) maar soms bootsen kinderen de ouders na zonder dat
de ouders dit wensen (bijvoorbeeld leren vloeken).
Voorbeelden
- Kinderen gaan met hun pop om zoals ze dat gezien hebben bij hun moeder.
- Grote broer straft kleiner zusje zoals mama dat zou doen.
1.2.5 Rol
We kunnen ‘rol’ het best omschrijven als ‘het geheel van gedragingen, attitudes en normen
die worden verwacht van iemand die in een bepaalde positie verkeert’.
Elke persoon neemt verschillende rollen op zich.
Het kind moet al vlug verschillende sociale rollen vervullen (zoon/dochter van,
kleinzoon/kleindochter van, broer/zus, leerling, klasgenoot, vriend, …). In de positie van
zoon, leerling, klasgenoot… worden telkens van hetzelfde kind bepaalde gedragingen en
attitudes verwacht vanwege verschillende mensen.
De volwassene heeft doorgaans nog meer sociale rollen dan een kind. Bijvoorbeeld: Een
volwassen man vervult de rol van echtgenoot, vader, werknemer of zelfstandige, buurman,
collega, staatsburger, clublid, … Iedere persoon vervult verschillende sociale rollen waardoor
hij aan verschillende verwachtingen moet beantwoorden. Dit kan problemen opleveren. Er
kan namelijk een rollenconflict optreden.
Voorbeelden:
- Een vrouw heeft als werkneemster de plicht op tijd op haar werk te zijn en haar
werkopdracht naar behoren te vervullen. Op een bepaalde dag is haar kind ernstig
ziek. De vrouw staat voor een rolconflict. Enerzijds wordt van haar als moeder
verwacht dat ze voor haar ziek kind zorgt. Anderzijds mag ze haar opdracht als
werkneemster niet verzuimen. De vrouw staat dus voor tegengestelde verwachtingen.
- Een man is een uitstekend kaderlid in een groot bedrijf. Door zijn deskundigheid en
inzet krijgt hij steeds meer verantwoordelijkheden toegewezen. Hij maakt dan ook
promotie. Zijn job vereist dat hij veel overuren presteert en regelmatig voor langere
tijd op zakenreis moet. De man gaat zo op in zijn werk dat hij zijn rol van vader en
echtgenoot verwaarloost.
In sommige gezinssituaties is het ook niet steeds eenvoudig om de eigen rol of positie uit te
klaren. Voorbeeld: de opvoedingssituatie in nieuw samengestelde gezinnen. In deze situatie
kan de stiefouder verschillende rollen opnemen:
- Indien er tussen de (niet verzorgende) biologische ouder en het kind een grote afstand is
gegroeid, dan kan de stiefouder de psychologische moeder/vader van het kind proberen te
zijn. De stiefouder neemt hier een ‘gewone’ ouderrol op.
- Sommige stiefouders verkiezen juist afstand te houden: zij voelen zich niet verantwoordelijk
voor de kinderen van hun partner en houden zich op de achtergrond (de rol van de
afstandelijke ouder).
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
9
- Sommige bieden wel de nodige zorg als het kind in het huishouden aanwezig is, maar
beperken hun rol wel uitdrukkelijk daartoe (de rol van de niet-ouder).
- Van stiefvaders wordt vaak een disciplinerende rol verwacht. Deze rol vergt een tamelijk
lange inloopperiode waarin de stiefouder het respect van het kind moet verwerven.
- Tenslotte is er nog de rol van de vriend(in) van het stiefkind. Deze rol ontwikkelt zich naar
de rol van de biologische ouder. Ze is moeilijk te definiëren en verschilt van de vriendschap
tussen twee volwassenen, want ze omvat meestal ook elementen van begeleiding en controle.
Het is voor de stiefouder in kwestie, maar ook voor de partner en de kinderen, vaak een
moeilijke opdracht om de eigen positie en rol in deze gezinssituatie te kiezen. Vaak is wat tijd
nodig vooraleer het voor ieder gezinslid duidelijk is wie welke rol op zich wil/kan nemen.
1.2.6 Pedagogische methode en Opvoedingsproject
De begrippen ‘pedagogische methode’ en ‘opvoedingsproject’ worden vaak in het
onderwijsmilieu gehanteerd. Ze verwijzen respectievelijk naar de didactische methodes om
kinderen tot leren te stimuleren en naar het uiteindelijke doel dat men als school beoogt.
Voorbeelden van pedagogische methodes in het onderwijs zijn:
- De vraag zo stellen dat de leerling het antwoord er kan uithalen.
- Doceren, vooraan alle uitleg geven en de leerlingen nemen de leerstof op.
- Leervormen waarbij de leerling via probleemoplossing zelf kennis opbouwt.
- …
Voorbeeld van een uitgeschreven Opvoedingsproject (v.h. Sint-Janscollege in Meldert):
Het onderwijs in onze school wordt georganiseerd door de Aalmoezeniers van de Arbeid,
een kloosterorde die zich haast volledig op het onderwijs richt en eigen specifieke
onderwijsmethodes toepast. Ze heeft steeds de nadruk gelegd op het sociale engagement
van de jongeren.
Van bij hun stichting, vlak na het verschijnen in 1891 van de encycliek "Rerum
Novarum" van paus Leo XIII, hebben de Aalmoezeniers van de Arbeid maar één groot
doel voor ogen gehad: de verbetering van het lot van de arbeider en de ontplooiing van
de jonge mens tot een volwaardig en nuttig lid van de maatschappij. Het
opvoedingsproject van de scholen van de Aalmoezeniers van de Arbeid beoogt elke
leerling te begeleiden naar volwassenheid in het licht van de christelijke waarden in het
algemeen en deze van Rechtvaardigheid en Liefde in het bijzonder.
Ons doel is jonge mensen te vormen die bekwaam zijn om in de moeilijkste
levensomstandigheden te kiezen, te beslissen en te handelen. Onze school wil jongeren
helpen in hun streven om op eigen benen te staan. Het moet steeds onze betrachting zijn
mensen te vormen die in onze gecompliceerde maatschappij durven uitkomen voor hun
Christen-zijn, die in dialoog kunnen treden en bekwaam zijn samen te werken met
mensen die er een andere levensbeschouwing op na houden.
In onze scholen krijgt elke leerling een bijzondere aandacht. Als een jongere
moeilijkheden heeft, zich gekwetst of benadeeld voelt door omstandigheden op school,
thuis of elders, zullen wij des te meer met hem begaan zijn. Het is een heerlijke traditie in
onze scholen dat een zwakkere leerling door de anderen wordt geholpen. De strijd tegen
mislukken op school is onze dagelijkse strijd.
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
10
In die geest proberen wij van onze school één grote levens- en leergemeenschap te
maken. Leerlingen ouders, leraars, opvoeders, administratief- en onderhoudspersoneel,
directeur en inrichtende macht: we moeten één grote familie vormen waar ieder lid - hoe
klein ook - medeverantwoordelijk is voor de goede werking van het geheel.
Dankzij het doorgeven van een geest van solidariteit door de jongeren zelf in de klas en
in de ganse school, helpen wij mee aan de vorming van jonge mensen die morgen hun
familiale, sociale en beroepsverantwoordelijkheid niet uit de weg behoeven te gaan.
Als we erin slagen jongeren gevoelig te maken voor een levenshouding die stoelt op
rechtvaardigheid en liefde , dan zullen ze veel sterker staan wanneer ze later
onvermijdelijk geconfronteerd worden met sociale problemen.
De opdracht van de Aalmoezeniers van de Arbeid impliceert ook een geest van
samenwerking tussen Inrichtende Macht, directies, leerkrachten, opvoeders, ouders en
leerlingen, met eerbiediging van ieders vrijheid.
We willen bouwen aan een school waarin iedereen zich thuisvoelt en waar een wil heerst
om in harmonie samen te werken.
Jongeren tot ontplooiing brengen is een moeilijke maar buitengewone opdracht
1.3 Situering van de begrippen in het STW-schema
Culturele en sociale factoren (omgevingsfactoren): opvoedingsklimaat, opvoedingsmilieu,
opvoedingsstijlen en middelen, opvoedingsproject
Factoren die een individu (en zijn gedrag) kunnen beïnvloeden: leerprocessen, cognitieve
processen en psychodynamische factoren.
Biologische factoren: genetische overerving van de ouders
Bronnenlijst
Adriaenssens P. (2002), Opvoeden is een groeiproces, Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 272
pagina’s.
Derie J., Velghe B., Vandecappele M.& Blomme G. (2007), Cursus beroepsgerichte
pedagogiek, Stella Maris Instituut Kortrijk, Kortrijk, 106 pagina’s.
Hellinckx, W. (2002), Gezinspedagogische hulpverlening, Katholieke Universiteit Leuven,
Leuven.
Houwen K. & Vandromme L. (2004), Cursus psychologie en pedagogiek: hoofdstuk 2
Pedagogiek, Technisch Instituut Immaculata, Ieper, p. 10-20.
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
11
Vandemeulebroecke, L., Van Crombrugge, H. & Gerris, J. (Red.) (1999), Gezinspedagogiek
deel I: actuele thema’s in onderzoek en praktijk, Garant, Leuven, p. 175-185.
VVKSO (1996), Sociale en technische wetenschappen; maatschappelijke en sociale vorming,
LICAP, Brussel, 159 pagina’s.
Digitale encyclopedie (5 juli 2007), Agogiek en Pedagogiek, www.wikipedia.be.
Doelstelling 3 – deel 1 Omschrijving van de begrippen
12
Download