Hoofdwerk Bio eindexamen 2013

advertisement
CELLEN
1. Onderstaande afbeelding 1 is een weergave van een ‘typische’ cel van een
bepaald organisme.
□a. Van welk organisme is deze cel afkomstig en welk(e) nummer(s) geeft/geven
dat aan?
b. Wat is de funktie van organel 2?
Afbeelding 1
2. Iemand kookt tayerbladen. Hierdoor kan de doorlaatbaarheid van delen van het blad
veranderen. Een leerling doet hierover twee uitspraken:
1. De doorlaatbaarheid van de celmembranen in de tayerbladen verandert zodat deze
doorlaatbaar worden voor zouten.
2. De doorlaatbaarheid van de celwanden in de tayerbladen verandert zodat deze doorlaatbaar
worden voor zouten.
■ Welke uitspraak (uitspraken) is (zijn) juist?
A. Alleen uitspraak 1 is juist.
B. Alleen uitspraak 2 is juist.
C. De uitspraken 1 en 2 zijn beide juist.
D. De uitspraken 1 en 2 zijn beide onjuist.
1
3. Een klein deel van afgegeven speekselamylase blijkt 40 minuten na afgifte in de dunne
darm nog actief te zijn. Om hiervoor een verklaring te vinden, is onderzocht wat de invloed
is van de pH op de activiteit van speekselamylase. In afbeelding 2 zijn de resultaten
weergegeven van de activiteit van speekselamylase (als % van de oorspronkelijke activiteit)
bij verschillende pH’s.
Afbeelding 2
□ a. Waardoor wordt slechts een kleine hoeveelheid van de oorspronkelijk afgegeven
hoeveelheid speekselamylase in de dunne darm aangetroffen?
b. Geef een verklaring voor het gegeven dat speekselamylase in de dunne darm ook nog
actief is.
STOFWISSELING
4. Processen die deel uitmaken van de stikstofkringloop zijn:
1. denitrificatie
2. nitrificatie
3. rotting
4. stikstofbinding door micro-organismen
■ Door welk of welke van deze processen komt stikstof uit de lucht in de voedselketen
terecht?
A. Alleen door 1.
B. Alleen door 4.
C. Alleen door 1 en 2.
D. Alleen door 2 en 3.
2
5. De stofwisseling bestaat uit het totaal van assimilatie- en dissimilatiereacties. Deze
reacties zijn tegengesteld aan elkaar en vormen samen een soort evenwicht. Hieronder
staan een aantal begrippen/namen die of bij assimilatie of bij dissimilatie thuishoren.
1.
2.
3.
4.
donkerreactie
fotosynthese
afbraak
opbouw
5.
6.
7.
8.
pyrodruivenzuur
mitochondriёn
endotherm
exotherm
9. chloroplast
10. citroenzuurcyclus
□ Welke van de 10 bovenstaande begrippen/namen behoren bij assimilatiereacties?
6. Staatsolie Maatschappij Suriname heeft in Wageningen een proefareaal rietsuiker
geplant. Bepaalde restproducten uit de landbouw kunnen namelijk worden omgezet in
onder andere bio-ethanol. Hiervoor zijn er echter gisten en enzymen nodig. Men zal dus
ook onderzoek moeten doen naar de juiste enzymen en gisten.
Het blijkt dat er meer dan één soort enzym nodig is voor de productie van biobrandstof.
1.
2.
■
A.
B.
C.
D.
Hieronder staan twee uitspraken over het onderscheid tussen gisten en enzymen:
Een gist bevat DNA en een enzym is opgebouwd uit DNA.
In gisten vinden zowel dissimilatie als assimilatie plaats en enzymen zijn alleen
betrokken bij assimilatie.
Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?
Alleen uitspraak 1.
Alleen uitspraak 2.
Beide uitspraken.
Geen van beide uitspraken.
7. Men meet de zuurstofuitwisseling van een
peperplant met het milieu bij toenemende
lichtintensiteit. De gevonden waarden zijn in
een diagram van afbeelding 3 uitgezet.
Hierna verricht men een tweede serie
metingen, maar nu bij een hoger
kooldioxidegehalte van de lucht.
Afbeelding 3
Tenslotte wordt een derde serie metingen
verricht, waarbij de plant alleen meer water krijgt toegediend.
Alle andere omstandigheden worden bij de proeven steeds constant gehouden.
■ Waar zal punt P bij de verschillende metingen komen te liggen?
3
Tweede serie metingen bij alleen
een hoger kooldioxidegehalte
A.
B.
C.
D.
meer naar rechts.
meer naar links.
meer naar links.
op dezelfde plaats.
Derde serie metingen
bij alleen meer water
meer naar rechts.
meer naar links.
op dezelfde plaats.
op dezelfde plaats.
VOEDING EN VERTERING
Onderstaande informatie is bestemd voor de vragen 8 en 9.
In speeksel komt het enzym amylase voor, dat zorgt voor de omzetting van zetmeel in maltose.
Leerlingen vragen zich af welke omstandigheden invloed hebben op de werking van dit enzym.
Zij besluiten een onderzoek te doen naar de invloed van een hoge temperatuur en van de
stoffen keukenzout (NaCl) en alcohol (C2H5OH) op amylase.
De uitvoering van het experiment geschiedt alsvolgt:
Zij nemen vier reageerbuisjes, P, Q, R en S en brengen in elk buisje 5ml zetmeeloplossing.
Aan buisjes P en Q wordt 0,2 ml gedestilleerd water toegevoegd, aan buisje R 0,2 ml
alcoholoplossing en aan buisje S 0,2 ml keukenzoutoplossing. Tenslotte wordt aan de buizen P,
R en S elk 0,5 ml speeksel toegevoegd en aan buisje Q 0,5 ml gekookt speeksel.
Vanaf het moment dat het speeksel zich in de buisjes bevindt, brengen de leerlingen uit elk van
de buisjes, om de minuut, een druppel op een glasplaat en mengen deze met een druppel
zetmeelindicator (jood-joodkalium). De indicator heeft een donkergele kleur en kleurt in
aanwezigheid van zetmeel blauw.
De resultaten van dit experiment zijn in tabel 1 weergeven.
tijd
1 minuut
2 minuten
3 minuten
4 minuten
5 minuten
6 minuten
7 minuten
buisje P
blauwpaars
paars
rood
bruinig
grijsbruin
donkergeel
donkergeel
buisje Q
blauw
blauw
blauw
blauw
blauw
blauw
blauw
buisje R
blauw
blauwpaars
paars
rood
bruinig
grijsbruin
donkergeel
buisje S
paars
paarsrood
roodbruin
grijsbruin
donkergeel
donkergeel
donkergeel
Tabel 1
□ 8. Verklaar het resultaat van de proef in buisje Q.
4
■ 9. Wat is het effect van alcohol en wat is het effect van keukenzout op de werking van
amylase?
A. Alcohol en keukenzout versnellen beide de werking van het enzym.
B. Alcohol versnelt en keukenzout vertraagt de werking van het enzym.
C. Alcohol vertraagt en keukenzout versnelt de werking van het enzym.
D. Alcohol en keukenzout vertragen beide de werking van het enzym.
10. Iemand drinkt een glas wijn. Van de alcohol die uit wijn wordt opgenomen, verdwijnt 2%
weer onveranderd uit zijn lichaam. De rest wordt in zijn lichaam afgebroken.
■ In welk deel van het lichaam wordt de alcohol vooral afgebroken?
A. In het darmkanaal.
B. In de lever.
C. In de maag.
D. In de nieren.
GASWISSELING
Onderstaande informatie is bestemdvoor de vragen 11 en 12.
Met één hap lucht zo lang mogelijk of zo diep
mogelijk onder water gaan, dat is de uitdaging
bij freediving of apnea. Het record voor ‘static
apnea’ (zo lang mogelijk onderwater stil
blijven liggen) stond in juni 2009 op 11 minuten
35 seconden. In afbeelding 4 zie je een beoefenaar van
static apnea. Een begeleider houdt hem in de gaten.
Afbeelding 4
Wanneer je je adem inhoudt gaat dat gemakkelijk tot je het ‘breaking point’ bereikt. Hierna
begint de fase die duikers de ‘struggle fase’ noemen: bepaalde spieren gaan samentrekken om
in te ademen en om dit te onderdrukken worden spieren met een tegengesteld effect actief
samengetrokken. Voor apneaduikers is het zaak het ‘breaking point’ zo lang mogelijk uit te
stellen en de struggle fase zo lang mogelijk vol te houden.
Spiergroepen rond de borstkast die betrokken zijn bij de ademhaling zijn:
1. de halsspieren.
2. buitenste tussenribspieren.
3. binnenste tussenribspieren.
4. middenrifspieren .
5. buikspieren.
5
■ 11. Welke spiergroepen kunnen actief worden samengetrokken om de struggle fase te
laten voortduren?
A. Alleen de spiergroepen 1 en 2.
B. Alleen de spiergroepen 1 en 3.
C. Alleen de spiergroepen 2 en 4.
D. Alleen de spiergroepen 3 en 5.
E. Alleen de spiergroepen 1, 2 en 4.
F. Alleen de spiergroepen 1, 3 en 5.
12. Sommige apneaduikers proberen de ademprikkel tijdens de duik uit te stellen door
vooraf te hyperventileren. Er is met deze tactiek echter een groot gevaar voor
bewusteloosheid, door zuurstofgebrek in de hersenen. Dit wordt onder andere
veroorzaakt door een vaatvernauwing in de richting van de hersenen. Het heeft ook te
maken met het effect van het hyperventileren op de pCO2 van het bloed bij aanvang
van de duik.
■ Waardoor wordt na hyperventileren de ademprikkel uitgesteld?
A. Door een hoge pCO2 in het bloed omdat de chemoreceptoren meer worden geprikkeld.
B. Door een lage pCO2 in het bloed omdat de chemoreceptoren minder worden geprikkeld.
C. Door een hoge pCO2 in het bloed omdat de chemoreceptoren minder worden geprikkeld.
D. Door een lage pCO2 in het bloed omdat de chemoreceptoren meer worden geprikkeld.
TRANSPORT
13. Hartfalen, een verzamelnaam voor hartziekten waarbij de pompfunctie van het hart
tekortschiet, is een groot probleem voor de volksgezondheid.
Bepaalde lichamelijke verschijnselen duiden op een verhoogd risico, zoals atherosclerose
(vroeger ook wel aderverkalking genoemd) en trombose. Als de kransslagader vernauwd
is, kan met een bypassoperatie de doorbloeding van het hartspierweefsel worden hersteld.
Hiervoor krijgt het hartspierweefsel achter de vernauwing weer voldoende bloedtoevoer.
Een hartinfarct kan worden veroorzaakt door combinatie van atherosclerose en trombose.
■ Hoe kunnen deze risicofactoren samen tot een hartinfarct leiden?
A. Het hartspierweefsel krijgt niet voldoende zuurstof.
B. Er stroomt minder bloed door het hart.
C. De bloeddruk wordt lager.
D. Er stroomt teveel bloed door het hart.
6
14. Tonijnen zijn in tegenstelling tot de meeste vissen endotherm; zij kunnen hun
lichaamstemperatuur reguleren. De grote lichaamsbloedvaten van endotherme
(= warmbloeding) tonijnen liggen vlak onder de huid. Hun speciale netwerk van kleine
bloedvaatjes (wondernet) in het spierweefsel maakt het mogelijk om de warmte die in
de spieren geproduceerd wordt, beter vast te houden en het warmteverlies via de
kieuwen te beperken. In afbeelding 5 is schematisch de bloedsomloop van de vis
weergegeven.
Afbeelding 5
In het schema van afbeelding 6 kan de warmte-uitwisseling in het wondernet weergegeven
worden. Vier schema’s zijn:
Afbeelding 6
■ In welk schema van afbeelding 6 is de stroomrichting van het bloed en de warmteuitwisseling in het wondernet juist weergegeven?
A. In schema 1.
B. In schema 2 .
C. In schema 3.
D. In schema 4.
7
HOMEOSTASE
15. Tijdens de puberteit krijgen jongeren soms last van jeugdpuistjes. Sommige
talgklieren zijn verstopt geraakt. In afbeelding 7 is een verstopte talgklier te zien.
De verstopping zit in de buitenste laag van de opperhuid. Deze huidlaag is aangegeven
met letter P.
□ Hoe heet de buitenste laag van de opperhuid waar de verstopping zich bevindt?
Afbeelding 7
16. Als een lijder aan diabetes niet wordt behandeld, ontstaan onder andere de volgende
verschijnselen:
1. de geproduceerde urine bevat glucose,
2. de hoeveelheid geproduceerde urine neemt toe,
3. er vindt afzetting van vetten plaats op de vaatwanden.
Elk van deze verschijnselen heeft een directe oorzaak.
Indirecte oorzaken worden hier buiten beschouwing gelaten.
Bekend zijn onder meer de volgende vier veranderingen:
- P, de terugresorptie van water in de nieren neemt af,
- Q, de osmotische waarde van het weefselvocht is verhoogd, doordat dit
weefselvocht meer glucose dan normaal bevat,
- R, er worden in verhouding tot de totale hoeveelheid vetten, minder vetten in de
vetcellen opgenomen,
- S, het glucosegehalte van het bloed kan tot veel hogere waarde stijgen dan bij
gezonde personen.
■
A.
B.
C.
D.
E.
F.
Welke verandering is een directe oorzaak van elk van de genoemde verschijnselen?
Q van 1; P van 2; S van 3.
R van 1; S van 2; Q van 3.
S van 1; P van 2; R van 3.
Q van 1; S van 2; R van 3.
R van 1; P van 2; Q van 3.
S van 1; Q van 2; R van 3.
8
17. Mensen die besmet zijn met het aidsvirus (HIV) maar nog geen verschijnselen van aids
vertonen, noemt men HIV-seropositief. Men kan met een test onderzoeken of iemand
HIV-seropositief is. Er wordt dan wat bloedserum van de te testen persoon bij delen van
het aidsvirus gebracht. Als de persoon HIV-seropositief is, vindt er een reactie plaats.
■ Tussen welke delen van het aidsvirus en welke delen van het bloedserum vindt dan een
reactie plaats?
A. Tussen antigenen en de buitenkant van het aidsvirus.
B. Tussen antigenen en het erfelijk materiaal van het aidsvirus.
C. Tussen antistoffen en de buitenkant van het aidsvirus.
D. Tussen antistoffen en het erfelijk materiaal van het aidsvirus.
18. Bij een ongeklede proefpersoon in rust wordt bij omgevingstemperaturen tussen 200C
en 400C de hoeveelheid warmte bepaald die zijn lichaam afgeeft door verdamping van
zweet. Gesteld wordt dat zijn lichaamstemperatuur (kerntemperatuur) gelijk blijft.
De door verdamping van zweet afgegeven warmte wordt uitgedrukt als een percentage
van de totale bij dissimilatie geproduceerde warmte en uitgezet tegen de
omgevingstemperatuur.
In afbeelding 8 zijn er vier diagrammen getekend.
Afbeelding 8
■ In welke van deze diagrammen is het verband tussen het percentage door verdamping
afgegeven warmte (Z) en de omgevingstemperatuur juist weergegeven?
A. In diagram A.
B. In diagram B.
C. In diagram C.
D. In diagram D.
9
PLANTEN
19. Van een kiemende boon wordt de wortel met streepjes gemarkeerd, zoals in afbeelding
9.1 is weergeven. Na enige dagen van groei wordt de boon opnieuw bekeken. Er is dan
verandering in de onderlinge afstand van de streepjes opgetreden (afbeeldingen 9.2).
Afbeelding 9
■
A.
B.
C.
D.
De nieuwe toestand is juist weergeven in tekening
9.2 a.
9.2 b.
9.2 c.
9.2 d.
20. Tijdens een experiment met een boonplant werden
de verdamping door het blad en de wateropname
door de wortel gemeten.
Uit afbeelding 10 kan men afleiden dat op
het tijdstip t1 de plant werd overgeplaatst naar
A. een voedingsoplossing met een hogere ionenconcentratie.
B. een voedingsoplossing met een lagere ionenconcentratie.
C. een milieu met een hogere luchtvochtigheid.
D. een milieu met een lagere luchtvochtigheid.
Afbeelding 10
10
■ 21. De bandjes van Caspari zijn kurkbandjes in de wanden van endodermiscellen.
Deze bandjes
A. maken actief transport via de celwanden van de endodermiscellen mogelijk.
B. maken actief transport via het cytoplasma van de endodermiscellen mogelijk.
C. verhinderen passief transport via de celwanden van de endodermiscellen.
D. verhinderen passief transport via het cytoplasma van de endodermiscellen.
22.
Afbeelding 11
□ De 3 bovenstaande tekeningen in afbeelding 11 zijn van lagere planten.
a. Benoem de delen A, B, C en D en geef aan welke delen n of 2n zijn.
GROEI EN ONTWIKKELING
23. Bij een drachtig zoogdier worden de genen in de kernen van de cellen van drie organen
vergeleken met die in de kernen in de cellen van de navelstreng. Deze drie organen zijn:
de vruchtvliezen, het hart van het embryo en de spieren in de uterus van het moederdier.
Een plusteken in de tabel betekent dat de genen in de cellen van het genoemd orgaan
dezelfde zijn als die in de cellen van de navelstreng, een minteken betekent dat de genen
verschillen met die in de navelstreng.
■ Wat is juist?
Vruchtvliezen Hart embryo Spieren uteruswand
A.
B.
C.
D.
+
+
+
+
+
+
-
11
24. Van de 17e tot in de 19e eeuw was het tamelijk gebruikelijk om jongens die als kind goed
konden zingen vóór de puberteit te castreren, dat wil zeggen hun teelballen te
verwijderen. Een gevolg daarvan was dat ze niet ‘de baard in de keel’ kregen, zodat hun
stem hoog bleef. Door het ontbreken van de teelballen waren castraten onvruchtbaar en
vertoonde hun lichaamsbouw enkele typische verschillen ten opzichte van
ongecastreerde mannen.
Bij jongetjes dalen de teelballen pas kort voor of vlak na de geboorte af in de balzak.
Wanneer dit niet gebeurt, kan vóór de puberteit operatief worden ingegrepen. Zonder
zo’n operatie is de jongen later onvruchtbaar. De overige typische eigenschappen van
een castraat komen bij deze vorm van onvruchtbaarheid echter niet voor.
De concentratie testosteron en LH in het bloed van een man van wie de teelballen niet
zijn ingedaald en die niet is geopereerd, worden vergeleken met die in het bloed van
een castraat.
□ a. Is de concentratie testosteron bij de castraat gemiddeld hoger dan, even hoog als of
lager dan bij de man met niet-ingedaalde teelballen?
b. En is de concentratie LH bij de castraat gemiddeld hoger dan, even hoog als of lager dan
bij de man met niet-ingedaalde teelballen?
25. In afbeelding 12 zijn schematisch weergegeven vier stadia bij de vorming van gameten
De verschillende stadia zijn genummerd van I - IV.
I
II
III
IV
Afbeelding 12
■ Als crossing-over plaatsvindt, zal dat gebeuren
A. vóór stadium I.
B. tussen stadium I en II.
C. tussen stadium II en III.
D. tussen stadium III en IV.
12
26. Een student doet onderzoek naar de nucleotidensamenstelling van een bepaald stuk
dubbelstrengs DNA. Hij gebruikt hiervoor het mRNA dat gevormd is door transcriptie van
dit bepaalde stuk DNA. Dit mRNA bestaat voor 45% uit adenine, voor 15% uit cytosine,
voor 25% uit guanine en voor 15% uit uracil. Op grond van deze gegevens kan de
nucleotidensamenstelling van de DNA streng waarlangs transcriptie plaatsvindt (template
streng) worden afgeleid en van hieruit het corresponderende DNA.
■ Wat is de procentuele verdeling van de verschillende nucleotiden in dit stuk
dubbelstrengs DNA?
A.
B.
C.
D.
% nucleotiden
Adenine
Cytosine
20
30
25
45
30
20
45
15
Guanine
30
15
20
25
Thymine
20
15
30
15
Onderstaande informatie is bestemd voor de vragen 27 en 28.
In India komt de eigenschap “behaarde oren” voor. Genetisch onderzoek wijst uit dat
deze eigenschap wordt bepaald door een allel dat uitsluitend voorkomt in het
Y-chromosoom. Hiermee hebben genetici tevens aangetoond dat Y-chromosomen niet
helemaal genetisch “leeg” zijn.
Afbeelding 13
De stamboom in afbeelding 13 geeft een bepaalde familie weer. De mannen 6 en 19
hebben behaarde oren. Van de andere mannen is niet gegeven of ze wel of geen
behaarde oren hebben. Er wordt vanuit gegaan dat er geen mutaties hebben
plaatsgevonden.
In de twee onderstaande vragen worden over deze stamboom enkele uitspraken
gedaan. Geef bij elke uitspraak aan of deze zeker juist of zeker onjuist is, of is dat op
grond van deze gegevens niet te zeggen?
13
■ 27.
A.
B.
C.
De vrouwen 12 en 18 hebben één allel voor behaarde oren in hun genotype.
Zeker juist.
Zeker onjuist.
Niet te zeggen.
■ 28.
A.
B.
C.
Alle mannen uit deze stamboom hebben behaarde oren.
Zeker juist.
Zeker onjuist.
Niet te zeggen.
29. De F1 die ontstaat uit de kruising C1C1EE x C2C2ee vormt gameten.
De ligging van de twee genen is onafhankelijk.
■ Welke van de alternatieven geeft de mogelijke ligging van de genen van de F1 juist weer?
30. Bij Drosophila melanogaster is het allel voor normale vleugels (A) dominant over het allel
voor “vestigial” vleugels (a). R is het allel voor rode ogen en r voor witte ogen. Na een
kruising ontstaan de volgende fenotypen in de daarbij aangegeven verhouding:
¼ normale, roodogige wijfjes
¼ vestigial, roodogige wijfjes
1/ normale, roodogige mannetjes
8
1/ normale, witogige mannetjes
8
1/ vestigial, roodogige mannetjes
8
1/ vestigial, witogige mannetjes
8
■ Welke van onderstaande kruising zou de bovenstaande nakomelingen kunnen hebben
opgeleverd?
A. aa XRXR * AaXrY
B. aa XRXr * AaXRY
C. aa XRXr * AAXrY
D. Aa XrXr * AAXRY
14
31. Bij Drosophila komen de volgende mutanten voor:
echinus
(ec) = ruwe oogjes,
cut
(ct) = met uitgesneden vleugelrand,
crosseveinless (cv) = zonder dwarsaderen in de vleugels.
Gekruist worden een crosseveinless vrouwtje + cv + (homozygoot) met een cut/echinus
mannetje.
F1 wijfjes worden teruggekruist met een ec-cv-ct mannetje, met het volgend resultaat:
De dominante allelen worden aangeduid met + .
+ cv + = 2207
ec + ct = 2125
ec cv + = 273
+ + ct =265
ec + + = 217
+ cv ct = 223
+++=5
ec cv ct = 3
□ Leidt uit deze gegevens af wat de volgorde van de genen op het chromosoom is.
32. Bij de mens zijn de grootte van de kaken en de grootte van de tanden eigenschappen die
op verschillende chromosomen liggen. De eigenschap grote tanden (T) is dominant over
kleine tanden (t). De eigenschap kleine kaken (K) is dominant over grote kaken (k).
Bantoenegers bezitten grote tanden in grote kaken en Hottentotten (Khoi khoi) bezitten
kleine tanden in kleine kaken.
□ Hoe groot is de kans op engstand (= grote tanden in kleine kaken) bij de kleinkinderen
na een kruising tussen dubbel homozygote Bantoenegers en dubbel homozygote
Hottentotten als hun kinderen huwen met een homozygote Bantoeneger?
33. In de moderne diagnostiek zijn MRI-scans niet meer
weg te denken. In afbeelding 14 is een MRI-scan van
het hoofd weergeven.
Het is een midsagittale uitsnede: een doorsnede
precies door het midden van het hoofd.
Drie onderdelen van het centrale zenuwstelsel
zijn genummerd.
 In welk of in welke van de genummerde onderdelen
zijn vooral centra van het animale zenuwstelsel aan
te treffen?
 In welk of welke van de genummerde onderdelen
zijn vooral centra van het autonome zenuwstelsel aan te treffen?
Afbeelding 14
15
■ Vooral animale centra in
Vooral autonome centra in
_______________________________________________
A. alleen 1.
zowel 2 als 3.
B. alleen 2.
zowel 1 als 3.
B. zowel 1 als 3.
alleen 2.
C. zowel 2 als 3.
alleen 1.
34. Bij sommige mensen werkt de sluitpier van de anus niet meer goed. Deze mensen hebben
problemen met het ophouden van hun ontlasting. Door een operatie kan een nieuwe
sluitspier worden gemaakt. Men maakt dan een spiertje uit de bil aan een kant los en legt
dat spiertje in een lus om de darmuitgang.
Er worden elektroden in het spiertje aangebracht en verbonden met een apparaatje
(pacemaker). De pacemaker kan via elektroden impulsen afgeven aan het spiertje.
De patiënt kan de pacemaker zelf aan- en uitzetten.
■ Met welke soort neuronuitloper komt de verbinding tussen de pacemaker en het spiertje
in functie overeen ?
A. Met een uitloper van een motorische neuron.
B. Met een uitloper van een sensorische neuron.
C. Met een uitloper van een schakelneuron.
35. ■ Hoe is de ionverdeling van de Na+ en de K+ ionen van het celmembraan in rusttoestand
ten op zichte van elkaar?
A.
B.
C.
D.
Buiten het membraan
meer K+
meer Na+
evenveel K+
minder Na+
Binnen het membraan
minder Na+
meer K+
evenveel Na+
meer K+
36. Hersenziekten zijn in het algemeen lastig te behandelen met medicijnen. Dit komt doordat
het grootste deel van het bloedvatenstelsel in de hersenen heel erg gesloten is. Dit wordt
de bloed-hersenbarrière genoemd. Bij een bloed-hersenbarrière zijn de openingen in het
endotheel van de capillairen heel klein zodat de hersenen beter beschermd zijn tegen o.a
giftige stoffen en ziekteverwekkers. Geneesmiddelen bedoeld om hersenaandoeningen te
bestrijden, komen hierdoor moeilijk op de plaats waar ze nodig zijn.
In een specifiek deel van de hersenen is, vanwege de functie, de bloed-hersenbarrière
minder gesloten. De opening tussen capillaire endotheelcellen zijn relatief groot.
■ Welk specifiek deel van de hersenen is dit?
A. De hersenschors.
B. De hersenstam.
C. De hypothalamus.
D. De kleine hersenen.
E. Het verlengde merg.
16
37. Men heeft een verklaring gevonden voor het feit dat de meeste baby’s, ’s nachts worden
geboren. De hersenen van de moeder scheiden ’s nachts meer oxytocine af dan overdag
en de baarmoeder is ’s nachts ook het meest gevoelig voor dit hormoon. Oxytocine wordt
tijdens de baring extra afgegeven als het hoofdje van het kind op de uitgang van de
baarmoeder drukt zoals getoond in afbeelding 15.
Afbeelding 15
Hierdoor wordt via het ruggenmerg van de moeder een signaal doorgegeven aan haar
hersenen, waardoor er een extra stoot oxytocine afgegeven wordt om de weeёn te
versterken.
■ Is de afgifte van deze extra hoeveelheid oxytocine het gevolg van een aangeboren of
een aangeleerde reflex of van een ‘bewuste’ handeling van moeder of kind?
A. Het is een aangeboren reflex van de moeder.
B. Het is een aangeleerde reflex van de moeder.
C. Het is een aangeboren reflex van het kind.
D. Het is een bewuste handeling van de moeder.
E. Het is een bewuste handeling van het kind.
38. Als het kind aan de tepel zuigt, stimuleert het de afgifte van oxytocine in de hersenen
van de moeder, waardoor de melk uit de borstklieren vrijkomt. Tijdens het zogen heeft
oxytocine een rustgevend effect. Enige tijd na de geboorte kan het huilen van het kind al
voldoende zijn om de toeschietreflex op gang te brengen, waardoor er zo’n hoge
concentratie oxytocine afgegeven wordt dat de melk de borst uitspuit.
Bij deze spontane melkafgifte spelen de onderstaande gebeurtenissen een rol.
1. Stimulering van de hypofyse van de moeder.
2. Huilen van het kind.
3. Oxytocine wordt afgegeven.
4. Prikkeling van het gehoorzintuig van de moeder.
5. Spontane melkafgifte.
6. Verwerking in de hersenen van de moeder.
17
■
A.
B.
C.
D.
In welke volgorde leiden bovenstaande gebeurtenissen tot de spontane melkafgifte?
4, 2, 1, 5, 3 ,6.
2, 4, 3, 5, 1, 6.
2, 4, 6, 1, 3, 5.
4, 2, 6, 1, 3, 5.
39. In afbeelding 16 is een bepaald orgaan P in het lichaam van de mens weergegeven.
Orgaan P bevat cellen die hormoon H produceren. Afgifte van hormoon H heeft
verhoging van het glucosegehalte van het bloed tot gevolg.
Afbeelding 16
Afbeelding 17
In afbeelding 17 zijn eveneens enkele organen van het lichaam van de mens weergegeven.
De organen zijn op verschillende schaal getekend.
■ Welke van de aangegeven organen Q, R, S en T bevat cellen, die een hormoon produceren
waarvan de werking tegengesteld is aan de werking van hormoon H?
A. Orgaan Q.
B. Orgaan R.
C. Orgaan S.
D. Orgaan T.
18
ZINTUIGEN
40. In afbeelding 18 is een lengtedoorsnede van een oog van een spin schematisch
getekend. In dit oog kan het netvlies met behulp van spieren naar de lens toe en van de
lens af worden bewogen. De lens van dit oog is niet vervormbaar. Een prooi loopt naar
de spin toe. De spin blijft onbeweeglijk zitten en blijft de prooi scherp zien.
Wordt het netvlies dan naar achteren of naar voren bewogen?
En wordt het gezichtsveld van dit oog van de spin daardoor kleiner of groter?
Afbeelding 18
A.
B.
C.
D.
Het netvlies wordt naar achteren bewogen en het gezichtveld wordt daardoor kleiner.
Het netvlies wordt naar achteren bewogen en het gezichtveld wordt daardoor groter.
Het netvlies wordt naar voren bewogen en het gezichtsveld wordt daardoor kleiner.
Het netvlies wordt naar voren bewogen en het gezichtsveld wordt daardoor groter.
Onderstaande informatie is bestemd voor de vragen 41 en 42
Je bent ‘s avonds laat nog fanatiek bezig met huiswerkopgaven voor biologie. Ineens valt de
stroom uit en het is pikdonker. In het begin zie je niets, maar na een tijdje kun je toch vrij
goed wat contouren onderscheiden.
41. a.Leg uit welke aanpassing er in het oog is opgetreden waardoor je na verloop van tijd
toch wat kunt zien.
Betrek in je antwoord de werking van de kringspieren en de straalsgewijslopende spieren
van de iris.
b. Welke zintuigcellen van het netvlies zijn nu verantwoordelijk voor wat je kunt zien?
42. Ineens gaat het licht weer aan. In het duister zat je een beetje in de verte te staren,
maar nu focus je je direct weer op de biologieopdrachten voor je.
Wat gebeurt er in het oog waardoor je de biologieopdrachten scherp kunt zien?
Vul onderstaande tekst aan met de juiste woorden (kies uit de begrippen: strak,
divergerend, samengetrokken, minder strak, convergerend, boller, ontspannen, platter).
□ Het straalvorming lichaam van de lens is....(1)....waardoor de lensbandjes….(2).…zijn en de
lens....(3)....wordt. Het....(4)....vermogen van de lens neemt hierdoor toe, zodat je van
dichtbij scherp kunt zien.
19
ECOLOGIE
Onderstaande informatie is bestemd voor de vragen 43 tot en met 45.
Bron: Times of Suriname 24 februari 2013
43. Gezien het feit dat zowel Suriname als Equatoriaal Guinea een malariaprobleem hebben
kan duiden op de aanwezigheid van dezelfde abiotische factoren die er heersen in de
malariagebieden van beide landen.
■ Welke twee abiotische factoren moeten beide landen gemeen hebben in de
malariagebieden?
A. Waterrijke gebieden en bossen.
B. Tropische temperaturen en waterrijke gebieden.
C. Tropische temperaturen en bossen.
D. Aardoliebronnen en waterrijke gebieden.
44. In het verleden is malaria bestreden door het gebruik van DDT
(= dichloordifenyltrichloorethaan).
□ Noem 2 voordelen en 2 nadelen van chemische bestrijdingsmiddelen?
□ 45. Welke milieuvriendelijke methode kan voorgesteld worden aan Equatoriaal Guinea
bij de bestrijding van malaria?
-------- SUCCES -------Score: 90 punten + 10 basispunten / 10
20
Download