Doelen - Ditjes en datjes voor juffen en meesters!

advertisement
Hoekenwerk – periode …
Algemene omschrijving
Op vrijdag is er hoekenwerk van 14u10 tot 15u00. Aan de hand van het hoekenwerkbord
verdelen we samen de hoeken (de hoeken en partner zijn vrij te kiezen als dit mogelijk blijft).
De leerlingen moeten erop letten dat ze elke hoek maar één keer bezoeken. Voor elke hoek is
er een mapje met daarin een fiche. Op de fiche staat welke materialen de kinderen nodig
hebben, wat ze moeten doen en wat ze kunnen doen als ze vroeger klaar zijn. Na het werken in
de hoeken vullen de leerlingen hun hoekenwerkfiche (Wat vond ik van de hoek? Wat vond ik
van de samenwerking?) in en stoppen hun werkblaadjes in hun hoekenwerkmap. Het
hoekenwerk heeft niet alleen de bedoeling om leerinhouden te oefenen, maar ook om de
samenwerking met klasgenoten en de zelfstandigheid te bevorderen.
Algemene doelstellingen
 Goed opvolgen welke hoek men al bezocht heeft.
 Samenwerken zoals het hoort, op een niet-discriminerende manier.
 Elkaar helpen en hulp aanvaarden.
 Zich aan de gemaakte afspraken houden.
 Zorg dragen voor het materiaal.
 De gebruikte materialen netjes opnemen.
 Een eigen mening geven omtrent de bezochte hoek en de samenwerking met de partner.
Algemene leerplandoelstellingen
 In concrete situaties voldoende zelfvertrouwen tonen, gebaseerd op kennis van het eigen
kunnen. (3.1.1.4)
 Zich weerbaar opstellen naar leeftijdsgenoten en volwassenen toe door signalen te geven
die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn o.m. door hulpvragen te stellen. (3.1.1.6)
 Tonen in de dagelijkse omgang dat ze solidariteit en zorg opbrengen voor iemand anders.
(3.1.1.14)
 Tonen de bereidheid zich te oefenen in omgangsvormen met anderen waarin ze minder
sterk zijn. (3.1.1.27)
 Een taak binnen de groep op een verantwoordelijke wijze oppakken. (3.1.2.1)
 Samenwerken met anderen in de groep, zonder onderscheid van sociale achtergrond,
geslacht of etnische origine. (3.1.2.2)
 Bij groepstaken leiding geven en onder leiding van een medeleerling meewerken. (3.1.2.5)
 Begrijpbare en uitvoerbare instructies van de leraar uitvoeren. (3.1.2.6)
 Waardering uitdrukken en respect tonen voor het werk van mensen uit hun omgeving.
(3.1.3.6)
 Zich weerbaar opstellen t.o.v. leeftijdsgenoten en onaanvaardbare groepsdruk. (3.1.3.28)
Hoek
Taalhoek
Omschrijving
Doelstellingen
Leerplandoelstellingen
De leerlingen krijgen
opdrachten en vragen rond
taalbeschouwing. De quiz
bestaat uit 5 categorieën met
elk een specifieke kleur. De
kinderen vertellen (mond) of
noteren (potlood) de oplossing.
Bij elke correcte oplossing
mogen de kinderen hun pion
een wolkje verplaatsen. Ze
proberen zo als eerste op het
vliegtuig naar Taalland te zitten.
 De ontbrekende letter in een
stuk van het alfabet noemen.
 Een reeks woorden
alfabetisch rangschikken
 Samenstellingen en
afleidingen maken.
 Vertellen of een woord een
afleiding of een
samenstelling is.
Zelfstandig controleren of
een oplossing al dan niet
juist is.
 Met letters of lettergrepen
een woord maken.
 Woorden splitsen in
lettergrepen.
 Het tegenstelde van een
woord noemen.
 Verkleinwoordjes op –je, -tje,
-pje en –etje maken.
 Vertellen of het om een
begin- of eindrijm gaat.
 Het niet-rijmende woord en
of het woord dat niet past uit
een reeks elimineren.
 De bovenliggende betekenis
van een reeks woorden
 Reflecteren op de eindklank
van woorden en
rijmwoorden ontdekken.
(1.6.3.5)
 Woorden verdelen in
lettergrepen en erop
reflecteren. (1.6.3.17)
 Reflecteren op de structuur
en betekenis van
samenstellingen. (1.6.3.22)
 Reflecteren op afleidingen en
daarin het grondwoord, het
voor- en/of achtervoegsel
aangeven. (1.6.3.24)
 Reflecteren op de
betekenisrelatie van
woorden: tegengestelde
woorden (antoniemen),
onderliggende (hyponiemen)
en bovenliggende
(hyperoniemen) begrippen.
(1.6.3.27)
 Reflecteren op de vorm van
verkleinwoorden. (1.6.3.28)
 Reflecteren op de persoon
en het getal van het
werkwoord: eerste persoon
Materiaal
 Spelbord ‘Wie zit als eerste
op het vliegtuig naar
Taalland?’
 Doosjes met opdrachten en
vragen
 Gekleurde dobbelsteen
 Pionnen
 Kladblaadjes
zoeken.
 Lidwoorden, zelfstandige en
bijvoeglijke naamwoorden,
eigennamen en
werkwoorden aanduiden.
 Het onderwerp en de
persoonsvorm in een zin
aanduiden.
 De ik- en wij-vorm van een
werkwoord noteren.
 Van een vraag een
mededelende zin maken en
andersom.
 Het passende leesteken na
een zin zetten (. ? !).
 Met opgegeven zinsdelen
een mooie zin maken.
Leeshoek 1
 Een aangeboden tekst rustig en geconcentreerd lezen.
 Vragen omtrent de gelezen tekst correct beantwoorden.
 Het eigen werk verbeteren.
 Een boek kiezen uit het aanbod die de juf samenstelde.
enkelvoud/meervoud.
(1.6.3.33)
 Volgende woordsoorten
herkennen en benoemen:
een zelfstandig naamwoord,
een eigennaam, een
lidwoord, een werkwoord en
bijvoeglijke naamwoorden.
(1.6.3.35)
 Reflecteren op verschillen
tussen zinnen. (1.6.3.38)
 In eenvoudige zinnen het
onderwerp en de
persoonsvorm aanduiden.
(1.6.3.42)
 Reflecteren op de correcte
schrijfwijze van de
persoonsvorm (1.6.3.44)
 Bij schriftelijke taal
reflecteren op de betekenis
van leestekens: punt,
vraagteken en uitroepteken.
(1.6.3.45)
Leeshoek 2
De leerlingen lezen de tekst ‘Jip
maakt er een boeltje van’.
Daarna lossen ze de vraagjes op
en verbeteren met groen via de
correctiesleutel.
Wanneer de leerlingen klaar zijn
mogen ze vrij tekstjes van Jip en
Janneke lezen.
 Op eigen tempo een tekst
lezen.
 Meerkeuzevragen en open
vragen beantwoorden.
 Gebeurtenissen
chronologisch ordenen.
 Uitspraken beoordelen met
waar of niet waar.
 Verbeteren via de
correctiesleutel.
 Vrij korte tekstjes van Jip en
Janneke lezen.
 Geschikte fictionele en
 Leestekst, werkblaadje en
zakelijke teksten zelfstandig,
verbeterkaart ‘Jip maakt er
correct en in een passend
een boeltje van’
tempo lezen. (1.2)
 Leesmap met tekstjes van Jip
 Informatie die letterlijk in de
en Janneke
tekst voorkomt herkennen
 Pen en groene balpen
en reproduceren. (2.2.1)
 Afleiden van verschillende
relaties in en tussen zinnen
en herkennen van
verbindingswoorden of
signaalwoorden die deze
verbanden aanduiden.
(2.2.6)
 Een positieve ingesteldheid
bezitten t.o.v. lezen. (5.1)
 Bereid zijn te lezen in
situaties waar dit
aangewezen en mogelijk is.
(5.2)
 Bereid zijn tot zelfcontrole en
reflectie op het eigen
leesgedrag. (5.3)
 Plezier beleven aan lezen.
(5.8)
Schrijfhoek
De leerlingen schrijven alle
letters van het alfabet 4 keer.
Wanneer de leerlingen de klaar
zijn proberen ze de geheime
 De 26 letters correct en in
een vlot tempo vormen.
 De juiste schrijfhouding en
penhouding aannemen.
 Alle regelmatig voorkomende  Werkblaadje ‘de
schrijfletters van het alfabet
zesentwintig letters van het
zelfstandig en uit het hoofd
alfabet’
reproduceren in een situatie  Alfabet van hiërogliefen
Stelhoek
code in hiërogliefen te
ontcijferen.
 Een geheime code in
hiërogliefen ontcijferen.
waar schrijftaal een
communicatieve en/of
expressieve waarde heeft.
(1.1)
 Indien de context dit vereist
minder frequente letters
zoals Y, X en Q zelfstandig
reproduceren aan de hand
van een schrijfvoorbeeld.
(1.2)
 Een goede schrijfhouding
aannemen, met een goede
houding met voldoende
afstand tussen de ogen, de
schrijfhand en met een
correcte pengreep. (1.10)
 Pen
De leerlingen schrijven over het
ijssalon van Karel. De opa van
Karel vertelde dat één van de
bakken betoverd is: je moet
maar aan een smaak denken …
en je schept ijsjes in die smaak.
Zelfs frietjesijs, loempia-ijs, …
het kan allemaal!
Wanneer ze klaar zijn maken ze
een tekening over hun eigen
ijssalon.
 Een gebeurtenis beschrijven.
 Tijdens het schrijven
rekening houden met de
regels rond spelling,
hoofdletter- en
leestekengebruik.
 Respect opbrengen voor
elkaars fantasie.
 Het handschrift verzorgen.
 De tekst kritisch nalezen.
 Materiaal verzamelen: uit
eigen fantasie, door na te
denken, … (2.1.3)
 Ordenen volgens criteria
zoals: tijd, oorzaak-gevolg, …
(2.3.2)
 Aandacht hebben voor
formulering bij het
uitschrijven: toepassen van
de regels van de
taalsystematiek op woord-,
zins- en tekstniveau;
toepassen van de
 Tekst ‘In het tover-ijs-salon’
 Werkblaadje ‘In het tover-ijssalon’
 Tekenblaadje ‘Mijn tover-ijssalon’
 Pen
 Tekenpotlood
 Kleurpotloden en stiften
spellingregels en correct
gebruik van leestekens.
(2.4.3)
 Aandacht hebben voor
inhoudelijke aspecten bij het
uitschrijven: samenhang,
overlappingen, bedoeling, …
(2.4.4)
 Aandacht hebben voor de
vormgeving bij het
uitschrijven: verzorgen van
het handschrift (2.4.5)
 Inzien hoe schriftelijk werk
herwerkt kan worden:
kritisch bekijken, nalezen,
controleren, (her)schikken.
(2.5.1)
Spellinghoek
De leerlingen krijgen een groot  Woorden met d of t / ij of ei /
spelbord ter beschikking met
ou of au correct noteren.
daarop velden in 4
 De apen- en kattenafspraak
verschillende kleuren. Elke kleur
toepassen.
staat voor een
 Zelfstandig controleren of
spellingmoeilijkheid (d of t /
het woord al dan niet correct
apen- en kattenafspraak / ij of
geschreven is.
ei / ou of au). De kinderen
nemen een kaartje van de kleur
waarop hun pion staat. Op het
kaartje is het moeilijke stuk
weggelaten. De kinderen
 Inzicht verwerven in de
verlengingsregel voor
woorden eindigend op –d/-t.
(1.3.1)
 Inzicht verwerven in de
regels voor open lettergreep.
(1.3.2)
 Inzicht verwerven in de
regels voor de verdubbeling
van de medeklinker. (1.3.3)
 Eenvoudige woorden met
open lettergreep, dubbele
 Spelbord
 Gekleurde kaartjes
 Dobbelsteen
 2 doosjes
 Pionnen
 Schrijfblaadjes
 Pen
proberen de correcte oplossing
op een blad te noteren. Ze
controleren met de achterzijde
van het kaartje. Wie op het
einde de meeste woorden juist
kon schrijven is de winnaar.
medeklinker en woorden
eindigend op –d schrijven.
(2.1.2)
 Weetwoorden met ei, ij, au
en ou schrijven. (2.1.3)
Rekenhoek
 Rekenzinnen, splitsingen en breuken aanvullen.
 Cijferend optellen, aftrekken en vermenigvuldigen.
 De passende breuk bij een prent noteren.
 Getallen, gegeven in woorden of codes, in cijfers noteren.
 Op analoge en digitale wijze noteren hoe laat het is op de klokken.
 Omzettingen omtrent lengtematen, gewichtsmaten en inhoudsmaten oplossen.
 Oefeningen in verband met de euro oplossen.
Tafelhoek
De leerlingen kiezen een tafel
uit één van de doosjes. De
productkaartjes van die tafel
hangen ze aan de muur, de
maalkaartjes leggen ze op enige
afstand van de muur (met de
tekst naar beneden) op de
grond. De leerlingen nemen elk
een vliegenmepper en draaien
een kaartje om. Ze lezen de
tafel en lopen zo snel mogelijk
naar de muur waar ze het juiste
product aantikken met hun
vliegenmepper. Doordat de
 De parate kennis van de
 Elementaire
tafels van 2 tot 10 inoefenen.
vermenigvuldigen kennen.
 Bij het zien van een tafel zo
(2.1.36)
snel mogelijk het juiste
product aantikken.
 Zelfstandig controleren of de
oplossing al dan niet correct
is.
 Product- en maalkaartjes
 Vliegencirkels
 Kneedgum
 Vliegenmeppers
tafel in het klein op de
productkaartjes geschreven
staat kunnen de leerlingen zelf
controleren of ze al dan niet
juist zijn. Wie als eerste op het
juiste product kon meppen
krijgt een vlieg. De kinderen
spelen het spel tot alle kaartjes
op zijn. Daarna kiezen ze een
andere tafel uit en spelen ze het
spel opnieuw.
Cijferhoek
De leerlingen krijgen twee
werkblaadjes. Ze schatten met
honderdtallen en rekenen
vervolgens al cijferend uit.
Daarna verbeteren ze hun werk
met groen via de
correctiesleutel.
Wanneer ze klaar zijn make ze
een tekening door de oneven
getallen met elkaar te
verbinden.
 Optellingen en aftrekkingen
schattend uitrekenen (met
honderdtallen).
 Optellen en aftrekkingen al
cijferend uitvoeren (met en
zonder
onthouden/ontlenen).
 Oneven getallen met elkaar
verbinden (1, 3, 5, 7, …)
 De begrippen even en
oneven kunnen gebruiken.
(2.1.03)
 Alle optellingen en
aftrekkingen met natuurlijke
getallen en kommagetallen
(max. 2 cijfers na de komma)
kunnen uitvoeren. (2.1.40)
 De nuttige nauwkeurigheid
van een resultaat kunnen
bepalen. (2.1.43)
 Werkblaadje ‘cijferen maar’
 Correctiesleutel ‘cijferen
maar’
 Werkblaadje ‘het betoverde
cadeau’
 Correctiesleutel ‘het
betoverde cadeau’
 Pen
 Groene balpen
 Kleurpotloden
Eurohoek
De leerlingen spelen het
speelgoedspel. De bedoeling
van dit spel is dat de kinderen
zoveel mogelijk speelgoed in
hun zak verzamelen. Ze kunnen
speelgoed winnen als ze gepast
 Een bedrag in euro en/of
cent gepast betalen met zo
weinig mogelijk biljetten en
muntstukken.
 Teruggeven van een bedrag
in euro of cent.
 Kennen, gebruiken en
ordenen van in omloop
zijnde muntstukken en
bankbriefjes tot 100.
(1.2.16)
 In reële situaties
 Spelbord
 Kaartenmatje
 Betaalmatje
 Speelgoedzakken
 Groene en oranje
prijskaartjes
Meethoek
betalen met zo weinig mogelijk
biljetten en muntstukken of
correct teruggeven van een
bepaald bedrag.
 Samen de oplossing
controleren.
De lln. krijgen een bundeltje
met doe-opdrachten rond
lengte, inhoud en gewicht.
 De lengte van getekende
 Lengten meten door een
lijnstukken schatten, meten
aangepast meetinstrument
en in een andere maat
te gebruiken en het resultaat
omzetten.
verwoorden en noteren met
 Lijnstukken van een bepaalde
de meest aangewezen maat,
lengte tekenen en in een
een gegeven lengte kunnen
andere maat omzetten.
afmeten. (2.2.01)
 Lengten in een gepaste
 De breedte, de hoogte en de
eenheid kunnen schatten. De
lengte van een 3 dingen
schatting kunnen
schatten, meten en in een
controleren. (2.2.03)
andere maat omzetten.
 De verhouding tussen de
 Het gewicht van een aantal
reeds gebruikte maten
recipiënten schatten, wegen
kunnen toepassen. (2.2.04)
en in een andere maat
 Inzien dat, als de maat groter
omzetten.
wordt, het maatgetal kleiner
 Schatten hoeveel zakjes
wordt en omgekeerd.
nodig zijn om een bepaald
(2.2.05)
gewicht te hebben.
 Inhouden kunnen meten met
 Uitspraken rond gewicht
een aangepast toestel en het
beoordelen met ‘waar’ of
resultaat in een aangepaste
‘niet waar’.
maat kunnen uitdrukken.
 Schatten of er minder dan,
(2.2.10)
meer dan of precies 1 liter in  De conventionele
muntstukken en
bankbiljetten kunnen
gebruiken: wisselen, betalen
en teruggeven (ook door
bijtellen). (2.2.24)
 Speelgoedgeld
 Pionnen
 Dobbelsteen
 Meetbox (flessen, trechters,
…)
 Lange lat
 Balans en gewichtstukken
 Werkbundel ‘lengte – inhoud
– gewicht’
 Correctiesleutel ‘lengte –
inhoud – gewicht’
een fles gaat.
 De inhoud van recipiënten
schatten, meten en in een
andere maat omzetten.
inhoudsmaten aan inhouden
uit hun ervaringswereld
kunnen koppelen en ze
kunnen gebruiken bij het
schatten van inhouden.
(2.2.11)
 Binnen een context de
verhouding tussen de reeds
gebruikte maten kunnen
toepassen. (2.2.12)
 De omgekeerde
evenredigheid tussen maat
en maatgetal kunnen
vaststellen als men eenzelfde
inhoud met diverse maten
meet. (2.2.13).
 Gewichten met een
aangepast weegtoestel
kunnen meten en het
resultaat kunnen
verwoorden en noteren met
kg of g als eenheid. (2.2.14)
 De verhouding tussen kg en g
kunnen gebruiken. De
omgekeerde evenredigheid
tussen maat en maatgetal
kunnen vaststellen. (2.2.15)
WO-hoek
 Een vragenblad omtrent dieren correct invullen door de antwoorden op te zoeken in een informatief boek.
 Het eigen werk verbeteren.
 Informatie omtrent dieren en de dierenwereld opdoen.
 Aandachtig de informatie
over dieren lezen.
 Gelezen informatie omtrent
een dier gebruiken bij het
invullen van een
dierenpaspoort.
 Verbeteren via de
correctiesleutel.
 Vrij lezen over dieren.
Natuurhoek
De leerlingen lezen de
informatiefiche over de
Europese haas, de roodharige
eekhoorn of de ijsvogel. Daarna
vullen ze het paspoort van het
gekozen dier in en verbeteren
met de correctiesleutel.
Wanneer de leerlingen klaar zijn
mogen ze vrij lezen in de map
met informatie en weetjes over
dieren.
Ontdekhoek
De leerlingen kunnen kiezen
 Een proef uitvoeren aan de
tussen twee proeven: ‘drijvenhand van een stappenplan.
zinken’ of magnetisme. Ze
 Een hypothese omtrent
voeren de proef uit aan de hand
drijven-zinken of
van de Beertjes van
magnetisme opstellen.
Meichenbaum. Wanneer de
 Noteren hoe je het
leerlingen klaar maken ze een
verschijnsel drijven-zinken of
woordzoeker.
magnetisme kan testen.
 Eenvoudige bronnen
hanteren om meer te weten
te komen over de natuur.
(3.2.1.1)
 Een explorerende en
experimenterende aanpak
tonen om meer te weten te
komen over de natuur.
(3.2.1.2)
 Van veel voorkomende
dieren uit de omgeving
aangeven in welke biotoop
ze thuishoren. (3.2.3.3)
 Bij dieren kenmerken
opsommen waardoor hun
aangepastheid blijkt aan o.m.
de voeding, hun vijanden, …
(3.2.4.3)
 Map met informatiekaarten
over dieren
 Werkblaadjes
‘dierenpaspoort’
 Verbeterkaart
‘dierenpaspoorten’
 Pen en groene balpen
 Enkele natuurlijke
verschijnselen beschrijven:
magneet trekt ijzer aan.
(3.2.6.20)
 Enkele natuurlijke
verschijnselen m.b.t.
vloeistoffen beschrijven:
drijven en zinken. (3.2.6.22)
 Doos met materiaal rond
drijven-zinken en
magnetisme
 Werkblaadje ‘drijven-zinken’
of ‘magnetisme’
 Verbeterblad ‘drijven-zinken’
of ‘magnetisme’
 Werkblaadje ‘woordzoeker
Verkeershoek
De leerlingen kleven een
oefenkaart (verkeersborden,
delen van de fiets, …) op het
spelbord. De oefenkaart bestaat
uit een linker- en een
rechterdeel. In het linkerdeel
zijn gekleurde bolletjes te zien
met daarnaast een tekening,
nummer of stukje tekst. De
leerlingen zoeken in het
rechterdeel de
corresponderende tekening,
nummer of zin en plaatsen
daarbij het juiste gekleurde
dopje. Wanneer de leerlingen
klaar zijn nemen ze een andere
 Testgegevens aanduiden in
een kolom.
 Samen een mogelijke
verklaring voor het
verschijnsel drijven-zinken of
magnetisme verwoorden.
 Verbeteren via de
correctiesleutel.
 Woorden zoeken in een
rooster.
 Enkele natuurlijke
techniek’
verschijnselen m.b.t.
 Verbeterblad ‘woordzoeker
magnetisme beschrijven.
verkeer’
(3.2.6.23)
 Pen en groene balpen
 Van minstens één natuurlijk
verschijnsel dat ze zelf
waarnemen in eigen
bewoording een hypothese
formuleren en deze via een
eenvoudig proefje toetsen en
hierover verslag uitbrengen
aan de groep (via
stappenplan). (3.2.6.24)
 Gevaars-, voorrangs, gebodsen verbodsborden aan hun
betekenis koppelen.
 De delen van de weg, de
weggeruikers en de
onderdelen van een fiets
benoemen.
 Het woord dat in de zin past
correct in het rooster
invullen en op deze manier
het geheime woord vinden.
 Verbeteren via de
correctiesleutel.
 De betekenis van
verkeersborden voor fietsers
verwoorden. (3.5.9.1)
 De betekenis van
voorrangsborden
verwoorden. (3.5.9.2)
 Aangeven dat ze op de stoep
moeten stappen. (3.5.9.4)
 Aangeven dat ze moeten
oversteken op een zebrapad.
(3.5.9.6)
 Aangeven dat het veilig is om
op de fiets steeds een
valhelm te dragen. (3.5.9.24)
 Aangeven dat ze op het
fietspad moeten fietsen.
 Houten spelbord
 10 gekleurde dopjes
 Oefenkaarten
 Oplossingenkaarten
 Werkblaadje ‘invulpuzzel
verkeer’
 verbeterblad ‘invulpuzzel
verkeer’
 Pen en groene balpen
kaart, daarna mogen ze de
invulpuzzel omtrent verkeer
oplossen.
(3.5.9.26)
Franse hoek 1
 Zich zelfstandig enkel Franse woorden eigen maken.
 De kleuren en vormen in het Frans oefenen.
Franse hoek 2
De leerlingen spelen het loco
spel met opdrachten rond
Franse woordenschat. Heel wat
van de woorden zijn
zogenaamde ‘transparante’
woorden die de kinderen
makkelijk herkennen en
onthouden. Wanneer de
kinderen klaar zijn nemen ze de
clown en kleuren deze in zoals
het moet (zinnetjes waarbij de
kleur in het Frans getypt is).
 Franse woordenschat
verwerven.
 Zichzelf controleren aan de
hand van een systeem.
 Een clown kleuren volgens
de opgegeven kleuren in het
Frans.
 Lexicale elementen
functioneel inzetten: eten en
drinken / tijd, ruimte en
natuur (5.23A)
 De leerlingen reflecteren
over taal en taalgebruik
binnen de vermelde
taalgebruiksituaties om zo
hun functionele en
ondersteunende kennis uit te
breiden. (5.24)
 Loco doos
 Loco opdrachtenkaarten
 2 kinderwoordenboeken
Frans
 Werkblad ‘de clown’
 Correctiesleutel clown
 Kijkwijzer ‘les couleurs’
 Kleurpotloden en stiften
 Verschillende materialen en
gereedschappen verkennen.
 Ballon
 Papierstroken
Knutselhoek 1
 Hokjes maken van 7 cm op 7,5 cm.
 De hokjes en de dieren netjes uitknippen.
 De dieren netjes op de gekleurde hokjes kleven.
 De dieren inkleuren.
 Het memoryspel spelen.
Knutselhoek 2
De leerlingen krijgen een ballon
op papier. In het midden van de
 Netjes knippen
 Een weefmatje maken.
ballon maken ze een
weefmatje. Wanneer de
leerlingen klaar zijn mogen ze
hun ballon versieren en kunnen
ze hem gebruiken als
bladwijzer.
 De ballon naar eigen
creativiteit versieren.
 Papiersnippers opruimen.
(1.2)
 Genieten van het beeldend
vormgeven en ruimte laten
voor de verbale begeleiding
tijdens de beeldende
belevenis, zowel in groep als
individueel. (1.4)
 Tactiele, visuele impressies,
ervaringen, gevoelens en
fantasieën op een beeldende
manier weergeven naar
eigen creatieve
mogelijkheden. (1.6)
 Schaar
 Lijm
 Potloden of stiften
Tekenhoek
De leerlingen tekenen cartoons
en dieren volgens een
stappenplan. Ze mogen de
tekeningen aanvullen naar
eigen creativiteit.
 Een cartoon of dier tekenen
via een stappenplan.
 Beroep doen op de eigen
creativiteit en respect
opbrengen voor die van
anderen.
 De opbouw van het
geobserveerd begrijpen en
kritisch interpreteren. (1.3)
 Genieten van het beeldend
vormgeven en ruimte laten
voor de verbale begeleiding
tijdens de beeldende
belevenis. (1.4)
 Tactiele, visuele impressies,
ervaringen, gevoelens en
fantasieën op een beeldende
manier weergeven naar
eigen creatieve
mogelijkheden.
 Boek ‘Zo teken je cartoons’
en ‘Zo teken je dieren’
 Tekenblaadjes
 Tekenpotlood
 Kleurpotloden en stiften
Actuahoek
De leerlingen kijken naar de
 Aandachtig kijken naar het
Leerplan wereldoriëntatie
 Computer met
week van Karrewiet. Ze kiezen
nieuws.
één stukje uit het nieuws en
 Noteren welk gevoel een
noteren wat ze hierbij voelen
specifiek stukje uit het
en waarom ze precies dit kozen.
nieuws oproept.
Daarna schrijven ze een kort
 Een kort krantenartikel
krantenartikel over hun nieuws.
schrijven over een stukje uit
Wanneer ze klaar zijn mogen ze
het nieuws.
rondsnuffelen op de website
van Ketnet.
Computerhoek
De leerlingen houden via een
stappenplan een klasblog bij. In
een stukje tekst stellen ze
zichzelf voor en vertellen ze wat
er de afgelopen week zoal
gebeurde in de klas. Daarnaast
kiezen ze ook de prent van de
week. Wanneer de leerlingen
klaar zijn kunnen ze nog een
educatief spelletje spelen op de
website van openleerhuis.
 Een stappenplan volgen.
 Typen op de computer.
 De geschreven tekst
opmaken.
 Een foto zoeken op het
internet.
 Samen een spelletje kiezen
en spelen.
Denkhoek
De leerlingen krijgen een
bundeltje met 5
denkoefeningen. Na elke
oefening verbeteren ze met
groen via de correctiesleutel.
 Raadseltjes omtrent
schoolgerief oplossen.
 Een sudoku-rooster invullen.
 Woorden op de juiste plaats
in het rooster invullen.
 Woorden zoeken in een
rooster.
 Een Zweedse puzzel invullen.
 Gevoelens verwoorden n.a.v.
internetaansluiting.
feiten en toestanden in de
 Werkblaadje ‘Mijn artikel
wereld via het volgen van de
voor de krant’
actualiteit in de media.
(3.1.3.78)
Leerplan Nederlands
 Zelf volgende tekstsoort
ontwerpen: krantenartikel.
(3.4)
 De regels m.b.t. veilig
internetten, veilig chatten en
vriendensites toepassen.
 Computer met
internetverbinding
 Denkbundeltje
 Verbeterkaarten
 Tekenpotlood
 Pen
 Groene balpen
 Kleurpotloden
Puzzelhoek 1
 De computer correct opstarten en afsluiten.
 Het stappenplan volgen om het puzzelprogramma te openen.
 Een puzzel kiezen uit het programma.
 De puzzel samen met een partner maken.
Puzzelhoek 2
De leerlingen maken allerlei
figuren met tangramstukken.
Wanneer ze klaar zijn maken ze
een puzzel.
 Tangramfiguren naleggen.
 Zelfstandig controleren of de
figuur al dan niet correct
gemaakt is.
 Een puzzel met rechte
stukjes maken.
 Trapezia kunnen herkennen,  Tangramstukken
benoemen en construeren.
 Map met tangramfiguren
(2.3.09)
 Zakjes met puzzels
 Gelijke zijden kunnen
aanduiden bij een veelhoek.
(2.3.14)
 Parallellogrammen kunnen
herkennen en benoemen als
vierhoeken waarvan de
overstaande zijden gelijk zijn.
(2.3.15)
 Rechte, scherpe en stompe
hoeken kunnen herkennen,
benoemen en construeren.
(2.3.20)
 Vierkanten kunnen
herkennen, benoemen en
construeren. (2.3.24)
Spelletjeshoek
De leerlingen kunnen drie
spelletjes spelen: kwartet,
Bingo of Halli Galli
 Door tactisch te spelen een
kwartet vormen.
 Aandachtig kijken welke
cijfers weggenomen kunnen
 Bij een activiteit of een spel
in een kleine groep,
controleren of de anderen
zich aan de regels houden.
 Kwartet, Bingo en Halli Galli
 Spelregels
worden.
 Zo snel mogelijk reageren bij
het zien van twee gelijke
clowntjes.
 De spelregels toepassen.
 Eerlijk spelen.
 Tegen verlies kunnen.
(3.1.2.14)
Download