Greenblatt Self-Fashioning - Ghent University Library

advertisement
Faculteit Letteren & Wijsbegeerte
Nicolas Vandeviver
Greenblatt Self-Fashioning
The Swerve in het new historicism
van Stephen Greenblatt
Masterproef voorgedragen tot het behalen van de graad van
Master in de Vergelijkende Moderne Letterkunde
Academiejaar 2011-2012
Promotor
Prof. dr. Jürgen Pieters
Copromotor
Dr. Ben De Bruyn
Faculteit Letteren & Wijsbegeerte
Nicolas Vandeviver
Greenblatt Self-Fashioning
The Swerve in het new historicism
van Stephen Greenblatt
Masterproef voorgedragen tot het behalen van de graad van
Master in de Vergelijkende Moderne Letterkunde
Academiejaar 2011-2012
Promotor
Prof. dr. Jürgen Pieters
Copromotor
Dr. Ben De Bruyn
v
Woord vooraf
Il en est des livres comme du feu de nos foyers; on va prendre ce feu chez son voisin, on l’allume chez
soi, on le communique à d’autres, et il appartient à tous.
(Voltaire 1838: 808)
Een masterproef is het eindpunt van een reis. Het is de bestemming van een tocht die ik vier jaar
geleden ben begonnen. De tocht bracht me van de wrok van Achilles naar het gekreun van Saskia De
Coster. Van de mooiste en soepelste hexameters van Vergilius naar een subliem hoofdstuk van
Jennifer Egan weergegeven in powerpoint. James Joyce deed me proza lezen alsof het poëzie was, bij
anderen leek poëzie dan weer op proza. De tocht bracht me tot in de hemel met Dante, liet me
onbewust pagina’s lang in de lucht zweven met Multatuli, en bracht me weer neer tot aan de
drempel van de hel met Ronsard. Af en toe week ik van het pad af, hield ik halt bij Antonioni en
Hitchcock, maar steeds keerde ik terug. Uit liefde voor de literatuur.
Iets grijpt me aan in boeken. Keer op keer. Misschien is het wel het vuur waarover Voltaire
spreekt? Het vuur dat wordt overgedragen door het gesprek met de tekst. Dat in je brandt. Dat je wil
delen, moet delen met anderen. Een masterproef is dan ook niet alleen het eindpunt van een reis,
het is de vrucht van een gesprek.
Gesprekken heb ik op deze tocht veel gehad. Steeds was mijn promotor prof. dr. Jürgen
Pieters bereid om met me in dialoog te treden. Tegen het einde van deze tocht zat ik bijna wekelijks
op zijn bureau om te praten over wat ik geschreven had. Hij gaf me de nodige kritiek, zette me aan
om te herschrijven wat ik al had, en raade me werken aan die hij op een wonderbaarlijke wijze
steeds wist terug te vinden tussen die berg boeken op zijn bureau. Ook mijn copromotor dr. Ben De
Bruyn heeft veel met me gesproken. Hij was kritisch, heel kritisch, maar steeds met de allerbeste
bedoelingen. Hij zette me aan om door te schrijven, om die belangrijke deadline te halen. En met
succes. Zonder deze gesprekspartners zou deze masterproef er heel wat anders hebben uitgezien.
Beide verdienen dan ook mijn oprechte dank.
Ik bedank ook graag de vele mensen die mijn tocht gedurende deze vier jaar aangenaam
hebben gemaakt. In de eerste plaats mijn broer, omdat ik deze tocht zonder de vele koffiepauzes
nooit had kunnen vervolledigen. Daarnaast ook mijn ouders, die ontelbaar veel meer verdienen dan
slechts deze ene zin. En natuurlijk ook de vele vrienden die ik ben tegengekomen op deze tocht.
Sommigen van hen zijn al lang een nieuwe weg ingeslagen, anderen blijven hopelijk nog lang, heel
lang, samen met mij op hetzelfde pad.
vii
Inhoud
Woord vooraf ...........................................................................................................................................v
Inleiding ................................................................................................................................................... 1
I. The Swerve in het new historicism ..................................................................................................... 13
1.
Greenblatts fascinatie voor Lucretius: “Resonance and Wonder” ............................................ 15
2.
“Pour la petite histoire”: de historische anekdote in het new historicism ............................... 26
3.
Greenblatts historisch atomisme .............................................................................................. 36
4.
“But nature to her bias drew in that”: the swerve in het new historicism ................................ 42
5.
Een poging tot conclusie ........................................................................................................... 57
II. The Swerve in de humane wetenschappen ....................................................................................... 59
1.
New historicism of new belletrism? .......................................................................................... 59
2.
Greenblattian Negotiations: The Swerve en The Return ........................................................... 68
3.
De circulatie van sociale energie in The Swerve ........................................................................ 78
4.
Greenblatt Self-Fashioning – From acting out to cashing in? ................................................... 92
5.
Nog een poging tot conclusie .................................................................................................. 108
Epiloog ................................................................................................................................................. 109
Bibliografie .......................................................................................................................................... 115
viii
Unlike Brunelleschi’s massive cupola, the
greatest dome constructed since classical
antiquity, Lucretius’ great poem does not
stand out against the sky. But its recovery
permanently changed the landscape of the
world.
(Greenblatt 2011: 218)
1
Inleiding
Het is crisis. De financiële middelen voor het hoger onderwijs zijn beperkt en dreigen door de huidige
Europese schuldencrisis niet onmiddellijk toe te nemen. De toekomst van het hoger onderwijs ziet er
somber uit. In het Verenigd Koninkrijk werd daarom in 2010 geopperd om het inschrijvingsgeld aan
de instellingen voor het hoger onderwijs bruusk te verhogen. Op dat moment studeerde ik als
uitwisselingsstudent aan de University of Kent in Canterbury. Ik heb de gevolgen zelf meegemaakt.
Een golf van protest rolde over het land. Studenten bezetten wekenlang universiteitsgebouwen en
de toegang tot de hoofdbibliotheek van de campus in Canterbury werd zelfs enkele dagen
geblokkeerd. De universiteit lag even lam. Canterbury was niet de enige universiteit in opstand. In
het hele land werden campussen bezet en staakten professoren uit solidariteit hun lessen. In
november 2010 kwamen tienduizenden studenten samen in Londen om hun ongenoegen te uiten
met de besparingen op het onderwijs. Het was het grootste studentenprotest in twintig jaar (Davis et
al. 2010). Kop van Jut waren de conservatieve Tories die de besparingen voorstelden. Studenten
bezetten het hoofdkwartier van de Tories, beklommen de daken van kantoorgebouwen en banken,
en maakten amok in de straten van Londen. De betoging ontaardde zo in een grimmige strijd tussen
studenten, oproerkraaiers en ordediensten.
De betoging betekende het hoogtepunt van het studentenprotest. Kerstmis naderde en de
studentenprotesten namen geleidelijk aan af. De rust keerde terug in heel wat universiteiten, maar
niet in Canterbury. Een aantal studenten bleef volharden en hield een universiteitsgebouw bezet. De
bezetactie aan de University of Kent was de langste van alle studentenprotesten. Hoewel de
universiteit het studentenprotest steunde en openlijk genegen was, veroordeelde ze tegelijkertijd de
actie als illegaal en wou ze niet weten van een verlaging in inschrijvingsgelden (Pidd 2010). Dame
Julia Goodfellow, de vicekanselier van de universiteit, ondertekende zelfs een open brief aan het
parlement met de vraag om desondanks alle protesten de inschrijvingsgelden te verhogen (Smith et
al. 2010). De University of Kent leek net als de Romeinse god Janus wel twee gezichten te hebben.
Een vermoeden dat toenam wanneer de bezetters beweerden dat gedurende de ijskoude
kerstvakantie – de campus lag bedolven onder een dik pak sneeuw – de verwarming opzettelijk werd
afgelegd (Pidd 2010). Ondanks deze erbarmelijke omstandigheden waren de studenten bereid om op
te komen voor hun idealen en Kerstmis en Nieuwjaar ver weg van hun familie te vieren. Op 5 januari
om twee uur ‘s middags kwam er een officieel einde aan de studentenprotesten in het
2
Verenigd Koninkrijk. Uitgeput, koud en hongerig verlieten de zes overgebleven studenten het
universiteitsgebouw (Pidd 2011). De studenten hadden de strijd verloren. De verhoogde
inschrijvingsgelden werden goedgekeurd in het House of Commons. Studeren aan de universiteiten in
het Verenigd Koninkrijk werd meer dan dubbel zo duur en zou een undergraduate student alleen al
zo’n £9000 per jaar aan inschrijvingsgeld kosten (Sedghi & Shepherd 2011). Het verzet was gebroken.
Het hoger onderwijs staat onder druk, en de humane wetenschappen nog het meest. Ook in
Vlaanderen ziet de toekomst voor de humane wetenschappen er allesbehalve rooskleurig uit.
‘Verdubbel het inschrijvingsgeld’ (Ysebaert 2011), roepen sommige stemmen in de samenleving. De
humane wetenschappen worden verweten geen bijdrage te leveren aan de economie en moeten dus
niet langer gesubsidieerd worden door de maatschappij. Jongeren worden aangespoord om
arbeidsmarktgerichte studies te ondernemen en de “nutteloze” humane wetenschappen te laten
voor wat ze zijn: een zinkend schip.
Als voorzitter van de Modern Language Association ontging Stephen Greenblatt deze
tendens ook niet en daarom vroeg hij in zijn presidentiële toespraak aandacht voor de toekomst van
de humane wetenschappen (2003a: 424-425). Het huidige academische klimaat is moordend: wie
niet snel genoeg publiceert, krijgt geen fondsen – publish or perish. Humane wetenschappers hebben
nog amper tijd over om het werk van collega’s te lezen (Greenblatt 2003a: 425), met als gevolg dat
de kritiek bewaarheid wordt: ze lijken niet alleen vervreemd van de maatschappij, maar ook van hun
eigen vakgenoten. Hoe kan deze crisis in de humane wetenschappen worden opgelost, vraagt
Greenblatt de leden van de MLA. Hoe geraken we hier uit? Het antwoord lijkt hij al jaren eerder te
hebben gegeven: ‘How can we do this? How but by swerving?’ (Greenblatt 1988: 73).
Volgens Greenblatt moeten de humane wetenschappen opnieuw aansluiting zoeken bij een
breder publiek (2003a: 425). In de eerste plaats moeten onderzoekers, ondanks de hoge financiële
druk, opnieuw interesse krijgen voor het onderzoek van hun collega’s (Greenblatt 2003a: 425). Als
onderzoekers al geen interesse kunnen opwekken voor het werk van hun collega’s, hoe zou men dan
verwachten dat de man op de straat dat doet? Greenblatt lijkt te stellen dat de tijd van high theory
voorgoed voorbij is. Toen hij in de jaren ’60 van de vorige eeuw aan de universiteit van Yale
studeerde, stonden de humane wetenschappen, net als vandaag, onder druk. De politieke revoltes in
de jaren ’60 leidden tot een democratisering van het onderwijs, met als gevolg dat de gemiddelde
studentenpopulatie van het hoger onderwijs in de daaropvolgende jaren steeds heterogener werd
(Kernan 1999: xiv).1 Deze diversiteit in het hoger onderwijs zorgde ervoor dat enkele
vanzelfsprekendheden in de humane wetenschappen op de helling begonnen te staan. Een van die
1
Het studentenaantal in de Verenigde Staten verviervoudigde in de periode van 1960 tot 1995 (Kernan 1999:
xiv). Bovendien steeg het aantal vrouwelijke studenten aan instituten voor hoger onderwijs in die periode van
37% tot 55% en het aantal studenten uit een etnische minderheid verdubbelde tot 25% van het totale aantal
studenten (Kernan 1999: xiv).
3
vanzelfsprekendheden was de universaliteit van de canon (Eagleton 2008: 10). De canon werd
ontmaskerd als een uitsluitingsmechanisme van de hogere klassen, toen steeds duidelijker bleek dat
zo goed als alle canonieke auteurs dode, blanke, westerse, mannen waren (Eagleton 2008: 21-22).2
Niet alleen de canon, maar de hele humane wetenschappen bleken evenzeer doordrongen van
dezelfde conservatieve, patriarchale ideeën als de rest van de samenleving (Eagleton 2004: 26-27).
De wetenschappelijkheid van de geesteswetenschappen werd al gauw in vraag gesteld. ‘The
humanities had lost their innocence’, zo schrijft Terry Eagleton,
they could no longer pretend to be untained by power. If they wanted to stay in business, it was now
vital that they paused to reflect on their own purposes and assumptions. It is this critical self-reflection
which we know as theory. Theory […] is a symptom of the fact that we can no longer take those
practices for granted. (Eagleton 2004: 27)
Eagleton benadrukt dat de verwetenschappelijking als gevolg van de rise of theory er in de eerste
plaats voor zorgde dat de humane wetenschappen het einde van de enentwingiste eeuw haalden
(2004: 27). Het nadeel van deze systematisering van de humane wetenschappen was echter dat de
geschriften meer dan ooit voor een publiek van ingewijden bedoeld leken (Eagleton 2004: 2). Voor
vele lekenlezers, maar ook heel wat literatuurstudenten, komen de theoretische geschriften van het
poststructuralisme en deconstructie met hun ingewikkelde jargon vaak net zo over als de weelderig
versierde boeken in de middeleeuwen. ‘Such books’, zo schrijft Greenblatt, ‘had a power to impress
and intimidate even those who could not read them. They had a social magic, of the kind associated
for the most part with unpleasant events’ (Greenblatt 2011: 17). De hedendaagse generatie humane
wetenschappers wordt geconfronteerd met de moeilijke taak om uit de greep van de hermetische
high theory te ontsnappen, de wetenschap te demystificeren en opnieuw aansluiting te vinden met
het dagelijkse leven. Greenblatt is één van die generatiegenoten die vinden dat ‘scholars should
write for a larger public […] to reach the mass of nonprofessional readers as well’ (Greenblatt 2003a:
425). Alleen zo kunnen de humane wetenschappen het einde van het volgende decennium halen.
Dat is de missie die Greenblatt zich stelde met het schrijven van The Swerve: How the World
Became Modern (2011). Het boek staat centraal in dit onderzoek. Mijn missie is om het new
historicism van Stephen Greenblatt te bestuderen in het licht van zijn jongste boek, waarvan
sommigen beweren dat het de principes van zijn new historicism verraadt. Deze scriptie is een
onderzoek naar de zelfpresentatie van Greenblatt als theoreticus en pragmaticus, met The Swerve als
sleutelelement. Het boek werpt immers een nieuw licht op de theorievorming en praktijk van
Stephen Greenblatt, die als stichter van het new historicism ongetwijfeld een van de meest
2
De zogenaamde DWEM: dead, white, European, males.
4
invloedrijke literatuurwetenschappers van de jongste twintig jaar is. Vooraleer ik echter van wal kan
steken met dit onderzoek, dienen we stil te staan bij het boek.
The Swerve is een boek ‘about an obscure Italian humanist who dug up lost manuscripts’
(Greenblatt in Barnes & Noble 2004). De “obscure humanist” is Poggio Bracciolini die in 1417, in de
stoffige bibliotheek in het klooster van Fulda een manuscript van De rerum natura (“Over de aard der
dingen”) van de Romeinse dichter Titus Lucretius Carus (her)ontdekt. Poggio’s (her)ontdekking van
Lucretius’ gedicht is volgens Greenblatt meer dan zomaar de terugkeer van een lange tijd verloren
gewaand klassiek werk, maar is de katalysator van de Renaissance en luidt het begin van de
moderniteit in. ‘This is the story of how the world swerved in a new direction’, schrijft Greenblatt,
The agent of change was not a revolution, an implacable army at the gates, or landfall on an unknown
continent. […] A short, genial, cannily alert man in his late thirties reached out one day, took a very old
manuscript off a library shelf, saw with excitement what he had discovered, and ordered that it be
copied. That was all; but it was enough. (Greenblatt 2011: 11-12)
Poggio kon zich onmogelijk inbeelden wat voor gevolgen de hercirculatie van De rerum natura zou
hebben en fungeerde zonder het te beseffen, laat staan het te bedoelen, als een vroedvrouw van de
moderniteit (Greenblatt 2011: 12-13). The Swerve is dan ook meer dan een bespreking van de
(her)ontdekking van het gedicht De rerum natura, maar vertelt het verhaal van de vormende invloed
die het gedicht op de moderniteit had. De ondertitel luidt How the World Became Modern – wat op
de markt in het Verenigd Koninkrijk werd geformuleerd als How the Renaissance Began. Hoe begon
de moderniteit? Hoe is deze ‘cultural shift’ (Greenblatt 2011: 10) die de Renaissance voor velen is te
verklaren? Het antwoord, zo schrijft Greenblatt, ligt in de (her)ontdekking van De rerum natura.
Greenblatt beseft dat dit een zeer sterke claim is en zwakt ze vrijwel onmiddellijk af: ‘One poem by
itself was certainly not responsible for an entire intellectual, moral, and social transformation […] But
this particular ancient book, suddenly returning to view, made a difference’ (Greenblatt 2011: 11). De
ideeën in De rerum natura waren immers millennialang uit de circulatie verdwenen en deze
‘thousand years of virtual silence had rendered them highly dangerous’ (Greenblatt 2011: 185).
De “subversieve” ideeën die Lucretius in De rerum natura propageert, zijn die van het
epicurisme, een filosofische stroming die teruggaat op haar stichter Epicurus van Samus die aan het
begin van de vierde eeuw v.o.t. in de beroemde Tuin te Athene zijn filosofie doceerde. Epicurus was
voorstander van een uiterst pragmatische filosofie en was van mening dat filosofie een activiteit
moest zijn met als doel de beoefenaar ervan te verbeteren (Vermeersch & Braeckman 2008: 80).
Concreet stelde Epicurus zich in zijn filosofie ten doel om de mens te bevrijden van heel wat
ongegronde angsten, zoals de angst voor toekomstig leed, de dood, de goden en het noodlot (Smith
1992: xli; Vermeersch & Braeckman 2008: 81). De sleutel om deze angsten uit te bannen, is het
5
inzicht in de aard van de natuur en die natuur verschilt volgens het epicurisme sterk van de
opvattingen van de concurrerende filosofieën. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het platonisme, dat
een onderscheid tussen een stoffelijk lichaam en immateriële geest predikt, is volgens het epicurisme
alles in het universum materieel en opgebouwd uit onwaarneembaar kleine deeltjes: de atomen
(Lucretius 1992: 1.483-643).3 Lichaam en geest zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en wanneer
het lichaam afsterft, dan wordt de geest niet bevrijd uit de platoonse “kerker van de ziel”, maar sterft
ze ook af en valt ze, net als het lichaam, uiteen in atomen (Lucretius 1992: 3. 325-326):
ergo dissolui quoque convenit omnem animai
naturam, ceu fumus, in aeris auras,
quandoquidem gigni partier pariterque videmus
crescere et, ut docui, simul aevo fessa fatisci. (Lucretius 1992: 3.455-458)
It follows therefore that the whole nature of the spirit is dissolved abroad, like smoke, into the high
winds of the air, since we see it begotten along with the body, and growing up along with it, and as I
have shown falling to pieces at the same time worn out with age. (Lucretius 1992: 223)
De dood is het einde. Epicurus vatte deze stelling samen in een overbekende boutade:
to\ frikwde/staton ou}n tw~n kakw~n o( qa/natoj ou0qe<n pro\j h(ma~j e)peidh/ per o3tan me\n h(mei~j
w}men, o( qa/natoj ou) pa/restin: o3tan d’ o( qa/natoj parh~, to/q’ h(mei~j ou0k e)sme/n. ou!te ou}n pro\j
tou_j zw~ntaj e)stin ou!te pro\j tou_j teteleuthko/taj, e)peidh/per peri\ ou$j me\n ou)k e1stin, oi( d’
ouke/ti ei)si/n. (Epicurus 1963: 61)
Death, therefore, the most awful of evils, is nothing to us, seeing that, when we are, death is not
come, and, when death is come, we are not. It is nothing, then, either to the living or to the dead, for
with the living it is not and the dead exist no longer. (Epicurus in Diogenes Laertius 2005: 651)
Het is dan ook hoogst ironisch dat het epicurisme zo’n turbulent Nachleben kreeg in de Renaissance.
Oorzaak voor deze turbulente receptie was het subversieve clinamenprincipe, een toevallige
beweging van de atomen. Hoewel volgens het epicurisme alle objecten een samenvallen van atomen
zijn (concillium), was Epicurus ervan overtuigd dat de atomen loodrecht en parallel aan elkaar
neervielen (Lucretius 1992: 2.184-215). Omdat dit zou impliceren dat de atomen nooit kunnen
samenvallen – want het zou immers in strijd zijn met het concilliumprincipe – en er bovendien
volgens Epicurus geen creatie mogelijk is zonder een goddelijke primum movens, poneerde hij de
natuurwet van het clinamen (h( pare/gklisij, atomic swerve). Die wet stelt dat de atomen op geheel
3
Het dient worden opgemerkt dat Lucretius nooit de Griekse filosofische term “atomen” hanteert, maar steeds
verschillende alledaagse woorden gebruikt om naar de technische Griekse term te verwijzen (Greenblatt 2011:
185). In het eerste boek geeft Lucretius een overzicht van de verschillende termen die hij gebruikt (Lucretius
1992: 1.55-61).
6
onvoorspelbare tijdstippen plots van hun loodrechte koers zwenken, daardoor botsen met andere
atomen, samenklitten, en zo nieuwe objecten vormen (Lucretius 1992: 2. 2.216-224). Het clinamen
zorgt ervoor dat Epicurus in staat was om te beargumenteren dat het universum ontstaan is door
een oerknal avant la lettre en niet het product is van een goddelijke demiurg. Epicurus ontkende het
bestaan van de goden evenwel niet, maar herleidde hen wel tot onverstoorbare wezens die huizen in
werelden ver weg van de onze – de zogenaamde intermundia (“tussenwerelden”) – en daardoor
nauwelijks bekommerd zijn om het lot van de mensen (De Ley 2005: 314). Behalve creatie mogelijk
maken, zorgde het clinamen er tevens voor dat vrije wil denkbaar werd en de mens uit de rechte lijn
van het goddelijke noodlot bevrijd werd. De mens had voortaan de controle over zijn eigen leven. In
tegenstelling tot Plato, Aristoteles en voornamelijk de stoïcijnen, hielden de epicuristen er geen
teleologisch wereldbeeld op na, maar proclameerden ze een mechanistische visie op de wereld: gelet
op het oneindige aantal atomen die voortdurend onderlinge verbindingen aangaan, is het denkbaar
dat alle mogelijke combinaties die zij kunnen aangaan, op den duur ook daadwerkelijk worden
geproduceerd (De Ley 2005: 312; zie Lucretius 1992: 5.419-432). Van al deze mogelijke combinaties
blijven echter alleen de meest functionele of best aangepaste voortbestaan (De Ley 2005: 312). Aldus
werd deze mechanistische wereld zelfs gekenmerkt door een evolutionaire survival of the fittest
(Lucretius 1992: 5.837-848). Ten slotte veroorzaakte het atomisme een fundamentele paradigm shift
in de wetenschappen. In de Legitimität der Neuzeit benadrukt Hans Blumenberg die fundamentele
rol die het atomisme speelde in de ontwikkeling van de wetenschappen (1983: 125-228). Door het
clinamen te introduceren werd de absolute goddelijke willekeur vervangen door het absolute toeval
en verschoof de aard van de dingen van een goddelijke stand van zaken naar een door mensen te
onderzoeken “probleem” (Blumenberg 1983: 150). De studie van de natuur moest volgens Epicurus
dan ook gebeuren aan de hand van empirisch onderzoek:
ou) ga\r kata\ a)ciw/mata kena\ kai\ nomoqesi/aj fusiologhte/on, a)ll’ w(j ta\ faino/mena e)kkalei~tai
(Epicurus in Diogenes Laertius 2005: 10.87).
For in the study of nature we must not conform to empty assumptions and arbitrary laws, but follow
the promptings of the facts. (Epicurus in Diogenes Laertius 2005: 615)
Kennis kan volgens het epicurisme worden opgedaan volgens drie criteria. Lucretius noemt in De
rerum natura de eerste twee criteria op: (1) kennis kan worden opgedaan door gewaarwording van
het te bestuderen fenomeen (ai!sqhsij, sensus) (Lucretius 1992: 1.422-425), (2) bovendien leidt
anticipatie die gefundeerd is op de opgedane ervaring door de verschillende lichamelijke sensaties
ook tot legitieme kennis (pro/lhyij, anticipatio) (Smith 1992: xxi). Diogenes Laertius voegt daaraan
toe dat ook de gevoelens, zoals plezier en pijn, een legitieme bron van kennis zijn (pa/qh) (Diogenes
Laertius 2005: 10.31). Gevoelens bepalen de keuzes van een mens. We kiezen niet zonder reden wat
7
plezierig is en gaan het pijnlijke uit de weg (Smith 1992: xxxi). Epicurus legde al vroeg de basis voor
wat later het empirisme zou worden.
De (her)ontdekking van het atomisme in 1417 leidde er in de zeventiende eeuw toe dat de
door Augustinus nog zondig verklaarde menselijke nieuwsgierigheid centraal kwam te staan in de
menselijke zelfvervolmaking (Blumenberg 1983: 234). De natuur kon worden bestudeerd en
begrepen door de toevalligheden ervan te verklaren. Het atomisme dat (her)ontdekt was door
humanisten als Poggio spoorde Galilei Galileo aan om het universum te bestuderen doorheen een
telescoop, deed Isaac Newton schrijven dat hij een christelijke atomist was en beïnvloede Charles
Darwin, via zijn vader Erasmus, in het poneren van zijn evolutietheorie (Greenblatt 2011: 254-263).
De (her)ontdekking van het atomisme leidde er uiteindelijk zelfs toe dat de wetenschap vandaag de
dag in staat is om die meedogenloze darwinistische keten van natuurlijke selectie te doorbreken en
heel wat mensen die het evolutionair gezien misschien niet zouden halen in leven kan houden (zie
Blumenberg 1983: 230). Aldus leidde de circulatie van het atomisme tot de overwinning op één van
zijn eigen natuurwetten en werden de goden voorgoed wandelen gestuurd (Blumenberg 1983: 230).
Geenblatt lijkt met The Swerve in hartje crisis een apologie voor de humane wetenschappen te
schrijven door te stellen dat ze indirect aan de basis van de moderne wetenschappelijke
maatschappij liggen. Zonder de boekenjagers uit de Renaissance, zo beweert Greenblatt, zouden de
ideeën die aanleiding gaven tot de ontwikkeling van de experimentele en wiskundige methodes veel
moeilijker zijn ontwikkeld (zie 2011: 262). Wie zegt dus dat de humane wetenschappen geen bijdrage
leveren?
Maar dat was vroeger. In zijn presidentiële toespraak vergelijkt Greenblatt het werk van een
moderne humane wetenschapper, en een literatuurwetenschapper in het bijzonder, met het
wachten op een boodschap. Hij haalt hiervoor het bekende gedicht “At North Farm” van John
Ashbery aan:
Somewhere someone is traveling furiously toward you,
At incredible speed, traveling day and night,
Through blizzards and desert heat, across torrents, through narrow passes.
But will he know where to find you,
Recognize you when he sees you,
Give you the thing he has for you?
8
Hardly anything grows here,
Yet the granaries are bursting with meal,
The sacks of meal piled to the rafters.
The streams run with sweetness, fattening fish;
Birds darken the sky. Is it enough
That the dish of milk is set out at night,
That we think of him sometimes,
Sometimes and always, with mixed feelings? (Ashbery 1985: 1)
Het ontvangen van een persoonlijke boodschap is een herkenbare droom voor veel
literatuurwetenschappers. Volgens Greenblatt is het zelfs een essentieel onderdeel van de
leeservaring: ‘[t]here is indeed something dreamlike about absorption in a work of literature, never
more so than in moments of the most intense contact’ (Greenblatt 2003a: 419). Om deze boodschap
te ontvangen moet de wetenschapper openstaan voor de komst van de boodschapper. Het probleem
is echter dat het ogenblik van die komst niet vaststaat en er de voortdurende dreiging is dat door
heel wat toevalligheden de boodschapper zijn ontvanger misloopt en de boodschap onherroepelijk
verloren gaat. De wetenschapper kan dan ook niet veel anders doen dan wachten op de
boodschapper. Steeds maar wachten. Greenblatts omschrijving van de taak van de humane
wetenschapper komt ruwweg overeen met wat Jacques Derrida het ‘être-au-téléphone’ (Derrida
1987: 84) noemt. Het is de taak van de literatuurwetenschapper om aan de telefoon te zitten
wachten op een gesprek met de onbekende Ander. De literatuurwetenschap is als een telefonist
‘branché sur une multiplicité de voix ou de répondeurs automatiques. Son être-là est un être-autéléphone, un être pour le téléphone’ (Derrida 1987: 84). Hij is gemaakt om te telefoneren en te
communiceren met de Ander en de plaatsen bij uitstek voor zo’n telefoongesprek zijn de
onderzoeksseminaries in de literatuurdepartementen. Helaas zijn het volgens Greenblatt ook de
plaatsen waar niets groeit, terwijl de graanschuren overvol zijn (2003a: 418). Er is zoveel kennis
aanwezig, zoveel passie bij de onderzoekers merkbaar, maar toch slagen moderne humane
wetenschappers er niet in om deze passie voor literatuur te delen met het brede publiek. Niets
groeit. Alles blijft opgeslagen. Maar niet voor lang. In zijn toespraak vertelt Greenblatt de leden van
de MLA hoe hij, tijdens zijn studies aan de universiteit van Yale in de jaren ’60, op een gegeven
moment tijdens het winkelen in de universitaire coöperatieve boekenwinkel de Romeinse dichter
Titus Lucretius Carus “aan de telefoon” had (2003a: 420). De dialoog die Greenblatt vervolgens bij
het lezen van De rerum natura (“Over de aard der dingen”) aanging met de overleden dichter
fascineerde hem en hij stelde zich ten doel om deze boodschap te delen met het brede publiek.
Greenblatt wil zijn persoonlijke fascinatie voor literatuur in het algemeen, en voor Lucretius
in het bijzonder, bij zoveel mogelijk lezers inplanten en doen groeien. Om deze reden hanteert
9
Greenblatt in The Swerve een uiterst toegankelijke stijl die wetenschappelijke inzichten combineert
met een narratieve schrijfstijl. Bovendien heeft het boek net als Greenblatts presidentiële toespraak
een persoonlijke insteek en doorbreekt het het voor een brede lezer misschien al te onpersoonlijke
stramien van de traditionele academische publicaties. Deze stilistische elementen zorgen ervoor dat
The Swerve niet alleen de presentatie is van een onderzoek naar het Nachleben van het epicurisme
en de invloed die de epicuritische ideeën op de moderniteit hadden, maar is het op een subtekstueel
niveau ook een verhaal over de tocht die Lucretius’ boodschap heeft moeten afleggen voor ze bij
Greenblatt werd afgeleverd. Het was geen eenvoudige tocht, want net als bij Derridas être au
téléphone, vertoont de overlevering van De rerum natura heel wat contingenties of swerves, zoals
Greenblatt het noemt. Op heel wat tijdstippen dreigde Lucretius’ boodschap De rerum natura
voorgoed verloren te gaan. Poggio’s vondst van het gedicht wordt door Greenblatt dan ook bijna als
een mirakel omschreven:
Even the smallest of the finds that Poggio was making was highly significant – for anything at all to
surface after so long seemed miraculous – but they were all eclipsed, from our own perspective if not
immediately, by the discovery of a work still more ancient than any of the others that he had found.
(Greenblatt 2011: 49)
Greenblatt lijkt gefascineerd door de tocht die het gedicht in heel wat verschillende vormen heeft
moeten afleggen voor het in zijn handen terecht kwam. Deze tocht lijkt zijn fascinatie voor de inhoud
van het gedicht alleen maar te doen toenemen.
Deze fascinatie voor Lucretius staat centraal in deze scriptie. Mijn onderwerp is het new
historicism van Stephen Greenblatt; mijn uitgangspunt is dat de fascinatie voor Lucretius haar sporen
nalaat in Greenblatts theorievorming en praktijk. Mijn eerste bewering is dat Greenblatt sterk
beïnvloed en gevormd is door het epicurisme. Deze beïnvloeding uit zich niet alleen op biografisch
vlak, maar als stichter van het new historicism, sijpelt ze ook door tot in het hart van zijn
literatuurwetenschap. Mijn ietwat gewaagde stelling is dan ook dat het new historicism sterk
epicuristisch is. Of nog stoutmoediger: een van de meest invloedrijke en belangrijkste stromingen
van de moderne historische literatuurwetenschap is gefundeerd op het model van het epicurisme.
Greenblatt zal uiteraard de eerste zijn om toe te geven dat het niet onlogisch is dat ook zijn
theorievorming beïnvloed is door het epicurisme, aangezien wij allen, als moderne subjecten,
volgens hem indirect beïnvloed en gevormd zijn door de epicuristische ideeën (2011: 262-263). Het
belang van deze scriptie ligt dan ook niet in de weinig inhoudsvolle claim dat het new historicism
epicuristisch is, maar wel in het opsporen van de concrete plaatsen waar het denken van Lucretius
zich heeft genesteld in Greenblatts theorievorming en kritische praktijk. Zijn meest recente publicatie
The Swerve is het uitgangspunt voor dit onderzoek. Het boek is de aanleiding om heel wat
10
theoretische premissen van het new historicism onder de loep te nemen en in het licht van het in de
epicuristische
fysica
belangrijke
clinamenbegrip
een
aantal
theoretische
concepten
te
systematiseren, waaronder het immer belangrijke concept “to swerve “ bij de zogenaamde moments
of negotiation (“ogenblikken van verhandeling”). Uiteraard is deze scriptie niet de eerste poging tot
een systematisering van (een aantal begrippen uit) het new historicism en zijn heel wat auteurs mij
voorgegaan, waarvan ongetwijfeld John Brannigan (1998), Jürgen Pieters (2001), en Mark Robson
(2008) de bekendste zijn. Geen van deze auteurs had de intentie om een exhaustieve studie van het
new historicism te schrijven en ook deze scriptie heeft deze claim niet. Robson geeft dan ook toe dat
er onvermijdelijk enkele lacunes in zijn werk zijn en nog zullen ontstaan:
Stephen Greenblatt is, as I write this, still alive. He will, I hope, live for many years. He will, I hope,
write several more books. By the time this book appears, he will have published work that it will
necessarily have been impossible for me to take into account. (Robson 2008: 13)
Een systematisering van het concept van de swerve is bij allen zo’n lacune. De recente publicatie van
The Swerve en de expliciete bewering van Greenblatt daarin dat hij, op Shakespeare en Montaigne
na, ook gefascineerd is door het werk van een andere auteur, Lucretius, wierp de problematiek op
van een systematisering van enkele begrippen. De nadruk die hij legt op de atomische afwijking
(clinamen, swerve) verraadt niet alleen het belang van dit concept in The Swerve, maar laat eveneens
een groter belang vermoeden in zijn eigen theorievorming en praktijk.
Stephen Greenblatt overtuigt als stichter van het new historicism en een van de belangrijkse
hedendaagse Shakespearegeleerden heel wat lezers met een vlotte en sterk retorisch bewuste
schrijfstijl – studenten, collega wetenschappers, en zelfs het brede publiek – van het belang van het
new historicism, maar een groot systematisch denker is hij niet. In de inleiding tot Practicing New
Historicism, een boek dat hij samen met Catherine Gallagher schreef, reageren ze in de eerste plaats
verwonderd op de toen voor het eerst opduikende claims van heel wat auteurs dat het new
historicism geëvolueerd was tot een geïnstitutionaliseerde vorm van literatuurkritiek en schrijven ze
dat ‘[s]urely, we of all people should know something of the history and the principles of new
historicism, but what we knew above all was that it (or perhaps we) resisted systematization’
(Gallagher & Greenblatt 2000: 1; mijn cursivering). Het overspannende doel van deze scriptie is dan
ook om een belangrijk deelaspect van Greenblatts new historicism te systematiseren en
overzichtelijk te maken.
Laat het voor de lezer duidelijk zijn dat deze scriptie geen onderzoek beoogt te zijn naar de
overlevering van De rerum natura en de invloed die het gedicht – en bij uitbreiding het epicurisme –
had op de moderniteit. Deze scriptie pretendeert op geen enkele ogenblik een bijdrage te zijn aan de
receptiegeschiedenis, mentaliteitsgeschiedenis of cultuurgeschiedenis. Net zomin is het een bijdrage
11
aan de klassieke filologie, de Latijnse en Oudgriekse letterkunde of aan de studie van Lucretius en
Epicurus. Daarvoor ligt de focus te weinig op deze auteurs en te veel op de geschriften van
Greenblatt. Wat ik met deze scriptie echter wel voor ogen heb is een bijdrage te leveren aan de
algemene, theoretische literatuur- en cultuurwetenschap en de studie van het new historicism en
Stephen Greenblatt in het bijzonder. Het is natuurlijk altijd mogelijk – en zeer wenselijk – dat de
inzichten die voortkomen uit de systematisering en analyse van Greenblatts theorievorming en
kritische praktijk, net zoals de atomen van tijd tot tijd onvoorspelbaar zwenken, eveneens van
invloed zullen zijn in alle bovengenoemde studiegebieden. Omdat ik een voorgeschiedenis heb met
de klassieke literatuur, zullen auteurs zoals Lucretius en Epicurus wel vaak opduiken, maar worden
hun geschriften besproken in functie van Greenblatts new historicism. Ik ben er dan ook sterk van
overtuigd dat inzicht in het epicurisme – en de epicuristische fysica van het atomisme – tot een beter
begrip van het new historicism kan leiden.
Deze scriptie bestaat uit twee hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk staan de theoretische
geschriften van Greenblatts new historicism centraal. Daarin wordt duidelijk dat Greenblatts
fascinatie
voor
Lucretius
en
het
epicurisme
zich
uit
in
zijn
metahistorische
en
cultuurwetenschappelijke visie. Greenblatt profileert zich als een theoretisch clinamendenker, een
denker die aandacht besteedt aan de onvoorspelbaarheid en heterogeniteit van een cultuur. Voor ik
tot dit conclusie kom, kader ik in de eerste plaats Greenblatts persoonlijke fascinatie voor Lucretius
binnen de theorievorming van het new historicism. The Swerve is geen alleenstaand boek en in het
boek resoneren dan ook heel wat oudere theoretische concepten van Greenblatts new historicism
die noodzakelijk zijn voor de opbouw van mijn argumentatie. Dit eerste onderdeel fungeert dan ook
als een theoretische inleiding op het new historicism. In het tweede onderdeel licht ik de bijzondere
rol toe die de historische anekdote speelt in het new historicism. Deze rol vertoont sterke
gelijkenissen met de het clinamen van de atomen. Gelijkend op het libertaire atomisme van
Lucretius, spreek ik in het derde onderdeel zelfs van een historisch atomisme bij Greenblatt, wanneer
ik de gelijkenissen tussen beide stromingen bespreek. In het vierde en laatste onderdeel ga ik over
tot een systematisering van het swerve-begrip in de geschriften van Greenblatt.
In het tweede hoofdstuk zwenkt mijn aandacht van Greenblatts theoretische geschriften
naar het boek The Swerve en de praktische kant van Greenblatts clinamendenken. De afscheiding van
het eerste hoofdstuk is eerder arbitrair gemaakt, aangezien het zo is dat, omdat Greenblatt slechts
weinig ogenblikken van zuivere theoretische reflectie aan de dag legt, in zijn geschriften theorie en
praktijk nooit eenvoudig van elkaar te scheiden zijn. Uit dit tweede hoofdstuk blijkt dat het clinamen
niet alleen een fundamenteel concept is in de theorievorming van Greenblatt, maar tevens als een
belangrijke techniek fungeert in zijn zelfvorming als publieke intellectueel. De opdracht die
Greenblatt de leden van de MLA stelt is om aansluiting te vinden bij het brede publiek en hij
12
presenteert het clinamen als middel daartoe. In het eerste onderdeel van dit hoofdstuk onderzoek ik
de poëtica van The Swerve geschriften en beargumenteer ik dat Greenblatts fascinatie voor Lucretius
zich onder andere uit in het poëticale navolgen van Lucretius. Met het doel om een breed publiek te
bereiken, hanteert Greenblatt een schrijfstijl die afwijkt van de traditionele academische schriftuur.
Deze afwijking wordt duidelijk wanneer ik The Swerve in het tweede onderdeel vergelijk met een
recente traditioneel academisch werk over een gelijkaardig onderwerp. In het derde onderdeel breng
ik de sociale energie die in The Swerve circuleert aan het licht. Het wordt duidelijk dat The Swerve
doordrongen is van dezelfde energieke ideeën als heel wat andere romans en discursieve praktijken
van de hedendaagse leescultuur. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het boek een bestseller werd
en Greenblatts zelfvorming als publieke intellectueel daardoor slaagde. Ten slotte analyseer ik in het
laatste onderdeel de motieven die schuilgaan achter Greenblatts zelfvorming als publieke
intellectueel. Ik analyseer zijn positie in het academische veld en ga na in welke zin The Swerve
onderdeel is van een discours van Greenblatt om een nieuwe of hernieuwde machtspositie in te
nemen in het hiërarchische academische veld. Ik beargumenteer dat de expliciete analyse van
Lucretius in The Swerve ook een impliciete vorm van zelfpresentatie is van Greenblatt.
Wat ik in beide hoofdstukken tracht aan te tonen is dat het epicurisme een belangrijke en
verfrissende interpretatiesleutel is tot Greenblatts new historicism. Met deze scriptie wil ik dan ook
een nieuw inzicht verschaffen in het new historicism en een bijdrage te leveren aan de
systematisering van een van de belangrijkste literatuurwetenschappelijke stromingen van de laatste
decennia.
13
I.
The Swerve in het new historicism
‘I began with the desire to speak with the dead’ (Greenblatt 1988: 1).
Deze eerste, vaak aangehaalde woorden vormen niet alleen de aanhef van het openingshoofdstuk
van Shakespearean Negotiations, maar ook het beginpunt van dit hoofdstuk. In deze woorden geeft
Stephen Greenblatt uiting aan de wens om via de studie van het verleden in dialoog te treden met de
doden. De wens om via representaties van het verleden een gesprek met de doden aan te knopen is
niet alleen een bekend topos in Greenblatts denken, maar is, sinds Petrarca met veel weemoed en
misprijzen van zijn eigen tijd literaire brieven schreef naar zijn klassieke voorgangers als Cicero en
Livius, en Machiavelli zich tegen zonsondergang terugtrok in zijn studeerkamer, zijn fijnste gewaden
aantrok en via de lectuur van boeken een gesprek aanknoopte met de antieke auteurs, een
veelvoorkomend motief in de historische literatuurstudie en historiografie (Pieters 2005). ‘This
desire’, zo schrijft Greenblatt,
is a familiar, if unvoiced, motive in literary studies, a motive organized, professionalized, buried
beneath thick layers of bureaucratic decorum: literature professors are salaried, middle-class
shamans. If I never believed that the dead could hear me, and if I knew that the dead could not speak,
I was nonetheless certain that I could re-create a conversation with them. Even when I came to
understand that in my most intense moments of straining to listen all I could hear was my own voice,
even then I did not abandon my desire. It was true that I could hear only my own voice, but my own
voice was the voice of the dead, for the dead had contrived to leave textual traces of themselves, and
those traces make themselves heard in the voices of the living. Many of these traces have little
resonance, though every one, even the most trivial or tedious, contains some fragment of lost life;
others seem uncannily full of the will to be heard. (Greenblatt 1988: 1)
Hoewel de tekstuele bronnen en overblijfselen van het verleden dat verleden slechts representeren
en op de keper beschouwd slechts levenloze materiële tekstdragers zijn, dragen deze artefacten toch
een deel van het concrete historische leven en de realiteit waarin ze zijn vervaardigd met zich mee
(Greenblatt 1988: 6). Greenblatt noemt deze vonk van leven de sociale energie die in het werk vervat
zit (1988: 6). Deze energie is niet onmiddellijk waarneembaar, maar wordt gemedieerd door de vorm
van de representatie en is ‘associated with repeatable forms of pleasure and interest, with the
14
capacity to arouse disquiet, pain, fear, the beating of the heart, pity, laughter, tension, relief,
wonder’ (Greenblatt 1988: 6). Eenvoudiger gesteld is de ervaring van sociale energie een affectieve,
esthetische ervaring in de brede zin van het woord. De tweeledigheid van het taalteken – de
onlosmakelijke verbinding van een waarneembare klank of het grafische equivalent daarvan en het
betekenisconcept dat aan die klank wordt gegeven (Eagleton 2008: 84) – impliceert dat de formele
aspecten van de tekstuele representatie aan de grondslag liggen van deze ervaring. Het is immers zo
dat alle effecten die worden opwekt bij de lezer de vervulling zijn ‘of that which has been
prestructured by the language of the text’ (Iser 1978: 21).
De sociale energie creëert de illusie die sommige lezers kunnen hebben van een waarachtig
contact met het verleden (Greenblatt 1988: 6-7). De doden laten tekstuele sporen na; hun stemmen
die via de eigen stem van de lezer verwoord worden tijdens de leesact. Op deze manier ontstaat een
interne dialoog, een contact tussen heden en verleden in een wat Johan Huizinga ‘denkbeeldige
tegenwoordigheid’ (1995: 19) zou noemen. Wie een tekst leest, treedt in een imaginaire dialoog met
die tekst en spreekt met de doden (Greenblatt 1988: 1).
In zijn presidentiële toespraak als voorzitter van de MLA in 2002, pleit Greenblatt dat in deze
mogelijkheid tot een gesprek met de doden voor velen de fascinatie voor taal ligt (2003a: 420). Het is
immers zo dat taal, in haar geschreven vorm en op voorwaarde dat de drager niet verloren gaat, niet
gebonden is aan ruimtelijke of temporele beperkingen. De stem in een tekst vergaat niet bij het
overlijden van de materiële auteur en is in staat de dood te overwinnen. De tekstuele boodschap kan
immers gelezen worden door een voor de auteur niet te overziene verscheidenheid aan lezers, die
elk op een ander ogenblik in dialoog met de tekst kunnen treden.4 Woorden hebben ‘the uncanny
ability to reach us across immensities of space and time’ (Greenblatt 2003a: 420). Welnu, over een
geografische afstand van meer dan 12.000 km – van Rome tot New Haven – en over een
chronologische afstand van meer dan twee millennia bereikten ook de woorden van Lucretius
Greenblatt. Bij het lezen van De rerum natura als student aan de universiteit van Yale, zo schrijft
Greenblatt, had hij het gevoel dat ‘a dead man was insistently and personally addressing me, trying
to give me a message’ (Greenblatt 2003a: 423). Greenblatt trad vervolgens in dialoog met de dode
Lucretius.
Uit zijn toespraak voor de MLA en uit de inleiding van The Swerve blijkt heel duidelijk dat
Greenblatt gefascineerd is door Lucretius’ gedicht. In dit hoofdstuk van mijn scriptie staat de vraag
centraal hoe die fascinatie voor Lucretius haar sporen nalaat in de theorievorming en praktijk van
Greenblatt. In het eerste onderdeel van dit hoofdstuk kader ik de fascinatie voor Lucretius binnen de
4
Deze opvatting van de leesbaarheid van schrift na het overlijden van de auteur, noemt Jacques Derrida de
‘itérabilité’ (1995: 175 ) van het schriftteken. Derrida bedoelt hiermee dat elke schriftteken blijvend kan
worden gelezen door telkens een nieuwe lezer en in telkens een nieuwe context, waardoor de betekenis van
de taaluiting steeds wegdrift (1995: 175-177).
15
theorievorming van Greenblatt. Het is immers zo dat een aantal oudere theoretische concepten van
Greenblatts new historicism aanwezig zijn in The Swerve. Mijn betoog zal dan ook twee verschillende
bewegingen maken. In de eerste plaats zal ik de invloed van Greenblatts eigen praktijk op The Swerve
en de fascinatie van Greenblatt voor Lucretius aanduiden. Mijn betoog zal daarom af en toe zwenken
van die concrete fascinatie voor Lucretius en een aantal theoretische premissen van het new
historicism behandelen die als noodzakelijke bouwstenen dienen voor het vervolg van deze scriptie.
Vervolgens ga ik, in de omgekeerde beweging, na hoe die fascinatie voor Lucretius haar sporen
nalaat in Greenblatts new historicism. Ik wil immers duidelijk maken hoe het atomisme en het
clinamenbegrip van het epicurisme resoneren in het hart van Greenblatts thoerievorming en
kritische praktijk. Mijn hypothese is dat de Lucretiaanse filosofie als interpretatiesleutel kan dienen
voor het new historicism van Greenblatt. Ten slotte ga ik nog een stap verder, en wil ik
beargumenteren hoe Greenblatt, beïnvloed door de dialoog met Lucretius, zichzelf als een
clinamendenker profileert. Maar voor mijn betoog zover komt, dienen we stil te staan bij de
begrippen resonantie en verwondering.
1. Greenblatts fascinatie voor Lucretius: “Resonance and Wonder”
In het essay “Resonance and Wonder” (Greenblatt 1990: 161-183) stelt Greenblatt dat de stemmen
in een tekst, jaren-, eeuwen- of in dit concrete geval zelfs millennialang blijven resoneren. Met
resonantie doelt Greenblatt op de specifieke vermogen van een artefact
to reach out beyond its formal boundaries to a larger world, to evoke in the viewer the complex,
dynamic cultural forces from which it has emerged and for which as metaphor or more simply as
metonymy it may be taken by a viewer to stand. (Greenblatt 1990: 170)
De resonantie in een representatie is kortweg de wereldlijke verankering van een artefact met de
realiteit waarin dat artefact tot stand is gekomen (Robson 2008: 86). Het is het historischinhoudelijke aspect van een representatie, de energieke boodschap vervat in de tekst, die ervoor
zorgt dat de lezer het gevoel krijgt de sociale energie te kunnen waarnemen en de culturele
grondslagen van de tekst te begrijpen. Deze resonerende boodschap is niet te herleiden tot één
enkele stem van een fysieke auteur. Hoewel het new historicism van Greenblatt geenszins het belang
van het fysieke bestaan van de individuele auteur in het tot stand komen van de representatie
ontkent, neemt de stroming aan dat de auteur, net als alle objecten die hij produceert, evengoed zelf
het product is van de sociale discursieve formatie waarin hij leeft (Howard 1992: 24-32). In de
theorievorming over zelfvorming zijn er twee traditionele tegenpolen, die men ruwweg kan doen
samenvallen met de bestaande tegenpolen in het debat over nature en nurture (Robson 2008: 49).
Het identiteitsdebat in de literatuurtheorie en culturele studies concentreert zich rond de vragen (1)
of identiteit een gegeven is met een vaste kern, dan wel fluctueert en sociaal wordt geconstrueerd
16
en (2) of identiteit dient worden begrepen in individuele termen, dan wel in sociale, collectieve
categorieën (Culler 2011: 109; Robson 2008: 49-50). Het new historicism propageert dat identiteit
geen gegeven is, maar sociaal geconstrueerd wordt door de sociale rollen die een persoon vervult in
de interactie met anderen (Robson 2008: 51). Deze visie op identiteit is sterk schatplichtig aan het
denken van de Franse poststructuralisten Louis Althusser en Michel Foucault (Pieters 2001: 31-35).
Volgens de marxistische ideologietheorie van Althusser is de ideologie waarin een individu
leeft niet louter een weerspiegeling van de realiteit, maar ‘the imaginary relationship of individuals
to their real conditions of existence’ (Althusser 1990: 123). Deze definitie impliceert dat ideologie
een construerende en betekenisgevende functie vervult. Het is immers zo dat, volgens Althusser, de
ideologie waarin een individu leeft een collectief conceptueel netwerk van sociale en culturele
betekenissen oplegt aan dat individu (Pieters 2001: 32). Dit collectieve netwerk is talig geconstrueerd
en zorgt ervoor dat het individu zijn ervaringsrealiteit kan ordenen volgens betekenisvolle
categorieën. De categorieën zijn grotendeels imaginair en vallen niet noodzakelijkerwijs samen met
de concrete werkelijkheid (Althusser 1990: 123). Het netwerk van categorieën kan gezien worden als
de ideologisch vervormende bril die het individu opzet om naar de realiteit te kijken. Het gevolg is
dat de concrete werkelijkheid niet buiten de bekende oppositionele categorieën kan worden gezien.
Een voorbeeld ter verheldering: Greenblatt haalt zelf het voorbeeld aan dat de hedendaagse
westerse cultuur en haar superioriteitsgevoel, dat gefundeerd is op dichotomische ideeën van een
clash of cultures5, blind is voor het feit dat sommige gevangen van Guantanámo Bay blanke westerse
burgers zijn (2010a: 3). Heel wat westerse burgers lijken maar niet te kunnen vatten hoe enkele
westerlingen van hun land vervreemden, zich bij een volgens het westen extremistische
terreurgroepering aansluiten en uiteindelijk in een gevangenis op een stuk niemandsland op Cuba
belanden (Greenblatt 2010a: 3). Er is nauwelijks plaats voor grijs, alleen voor zwart en wit.
Althusser stelt verder dat elke ideologie een materieel bestaan heeft in ideologische
staatsapparaten en hun praktijken en rituelen (1990: 130). Ideologische staatsapparaten zijn ‘a
certain number of realities which present themselves to the immediate observer in the form of
distinct and specialized institutions’ (Althusser 1990: 110). Deze instituties zijn onder andere de pers,
de familie, de kerk, de bureaucratie en het onderwijs, die elk hun eigen rituelen en praktijken
hebben. Welnu,
[t]he individual in question behaves in such and such a way, adopts such and such a practical attitude,
and, what is more, participates in certain regular practices which are those of the ideological
5
Voorbeelden van deze dichotomiethesen, waarbij twee samenlevingsmodellen tegenover elkaar worden
geplaatst en waarvan het ene model als dominant en geëvolueerd wordt voorgesteld, terwijl het andere als
primitief wordt beschreven, zijn Benjamin Barbers Jihad vs. McWorld (1995) en Samuel Huntingdons Clash of
Civilisations and the Remaking of the World Order (1996).
17
apparatus on which ‘depend’ the ideas which he has in all consciousness freely chosen as subject.
(Althusser 1990: 126)
Het individu maakt zich de ideeën van de ideologische staatsapparaten eigen en geeft aan die ideeën
een materieel bestaan door ze te incorporeren in zijn concrete acties en rituelen (Althusser 1990:
132). Het zich eigen maken van die ideeën gebeurt tijdens de interpellatie, de belangrijkste
ideologische functie (Pieters 2001: 176-177). Een ideologie functioneert immers door individuen
voortdurend aan te spreken en aldus te onderwerpen (Althusser 1990: 133). Het is immers zo dat
wanneer een individu het gevoel heeft dat bijvoorbeeld een reclameboodschap of een roep op straat
werkelijk tot hem gericht is, hij zich onderwerpt aan een ideologisch staatsapparaat en de ideeën van
dat apparaat overneemt (Althusser 1990: 148). Deze onderwerping stelt de ideologische
staatsapparaten in staat macht uit te oefenen op alle subjecten. Het feit dat ideologie bovendien
talig is, impliceert volgens Greenblatt dat er geen ontsnappen mogelijk is aan de onderwerping. Als
leerling van de deconstructie en het bekende adagium il n’y a pas de hors-texte redeneert Greenblatt
dat er geen punt ligt buiten de taal. Ontsnappen uit de talige gevangenis van de ideologie is
onmogelijk (zie Miller 2004: 188). De onderwerping is absoluut. Om deze redenen spreken new
historicists niet over individuen, maar over subjecten (Greenblatt 1988: 12; Montrose 1989: 21).
Naast Althusser, is Michel Foucault een belangrijke inspiratiebron van Greenblatts new
historicism (Pieters 2001: 223-263). In tegenstelling tot Althusser, spreekt Foucault niet over
ideologie, maar wel over pouvoir/savoir (1980). Foucault is immers van mening dat macht (pouvoir)
onlosmakelijk verbonden is met kennis (savoir). De opgedane kennis die een individu heeft over de
concrete realiteit – het collectieve conceptuele netwerk van sociale en culturele betekenissen –
dwingt die realiteit in een conceptueel keurslijf en oefent aldus grote macht uit op dat individu
(Culler 2011: 8). Bovendien is het zo dat die kennis, door allerlei instituten – die Althusser de
ideologische staatsapparaten noemt – doorsijpelt tot in elk onderdeel van de maatschappij, er vrij in
circuleert en aldus alle sociale en culturele praktijken determineert (Lentricchia 1989: 235-237). Deze
determinatie is vrij absoluut: ‘all social life is organized and controlled down to its oddest and
smallest details’ (Lentricchia 1989: 234). Het is immers zo dat de machtsuitoefening automatisch
werkt doordat het individu zich in de normen en waarden van de instituten herkent en de daarmee
samengaande machtsuitoefening verinnerlijkt (Foucault 1989: 280). Het individu houdt aldus de
determinerende macht van de instituten zelf in gang en blijft zo onderworpen. Dit mechanisme van
zelfdwang en ontindividualisering ‘resulteert in een reële onderwerping. Geweldsmiddelen zijn niet
langer noodzakelijk’ (Foucault 1989: 279).
De band tussen kennis en macht wordt duidelijk in wat Foucault het discours noemt. Het
discours is het gestructureerde totaal van de heterogene praktijken waarin kennis circuleert (Pieters
18
2001: 225). Alle materiële artefacten – de diverse discursieve praktijken van allerlei aard: wetteksten,
literatuur, architectuur, theater, geneeskundige traktaten, schoolboeken – die aantonen hoe een
cultuur en maatschappij omgaat met de problemen waarmee zij wordt geconfronteerd, vormen een
discours. Bij het onderzoek gaat Foucault de gelijkenissen na tussen de verschillende discursieve
praktijken en hoopt zo tot inzicht te komen in de onderliggende boodschap van het discours.
Op dit vlak lijkt het discours van Foucault goed op de ideeën van de ideologische
staatsapparaten van Althusser. Een van de verschillen tussen beide is dat Althusser een, volgens
Foucault, te statisch traditioneel marxistisch onderscheid tussen een determinerende onderbouw en
een gedetermineerde bovenbouw hanteert en aldus een te grote rol toebedeelt aan de economie
(Laclau & Mouffe 1985: 98-99). Foucault hanteert daarentegen de notie van het dispositief, een veel
dynamischer gramsciaans model waarin macht wordt gezien als een netwerk van diverse productieve
energieën die een uiterst dynamisch spel van sociale en culturele formatie in gang zetten (Pieters
2001: 225-227). Volgens dit model kan macht ook actief gevormd worden door de discursieve
praktijken. Foucaults interesse is genealogisch en gaat dan ook niet zozeer uit naar wat de
verschillende discursieve praktijken betekenen, dan wel naar hoe die betekenis tot stand komt door
een complex dialectisch netwerk van negotiërende strategieën (Pieters 2001: 227). Om deze reden
stelt Foucault dat ideologie niet als een taal moet worden benaderd, maar wel als een hegemonische
oorlog en strijd. ‘The history which bears and determinates us’, zo schrijft hij, ‘has the form of a war
rather than that of a language: relations of power, not relations of meaning’ (Foucault 1980: 114).
Foucaults opvatting van pouvoir/savoir als een circulerende energie door een maatschappij
en cultuur lijkt heel sterk op Greenblatts begrip sociale energie. Schatplichtig aan Foucault is
Greenblatt immers van mening dat alle representaties van het verleden – alle discursieve formaties –
een lading van sociale energie in zich hebben (1988: 14). Deze sociale energie dringt tot in elk aspect
van de samenleving door en circuleert steeds in gemedieerde vorm door de verschillende discursieve
formaties van een maatschappij (Greenblatt 1988: 1-20). Greenblatt is eerder een pragmaticus dan
een theoreticus en komt er nooit aan toe het begrip sociale energie helder te definiëren. Verder dan
een opsomming van wat sociale energie allemaal kan zijn, komt het niet. Sociale energie is ‘[p]ower,
charisma, sexual excitement, collective dreams, wonder, desire, anxiety, religious awe, free-floating
intensities of experience […] everything produced by the society can circulate unless it is deliberately
excluded from circulation’ (Greenblatt 1988: 19).
De implicatie van deze circulerende sociale energie is dat Greenblatt breekt met de
autonome literatuurtheorieën en beargumenteert dat representaties onbegrijpelijk worden wanneer
ze uit hun context worden gehaald (2005a: 12-13). Een tekst is allesbehalve een autonoom
kunstwerk dat los van de historische context kan worden gelezen (Greenblatt 2005a: 12). Sterker
nog: een tekst is context, want heeft net als alle andere culturele artefacten sociale energie
19
geabsorbeerd (Robson 2008: 22). Literatuur wordt evenzeer gedetermineerd door ideologie als alle
andere producten van een maatschappij (Lentricchia 1989: 237). De tekstcriticus analyseert dus niet
zomaar een autonome tekst, maar een onderdeel van een cultuur en dient bijgevolg de traditionele
grenzen6 van de tekst open te breken en deze tekst in het licht van en als vormende bijdrage aan een
cultuur te lezen (Greenblatt 2005a: 12). Een tekst is geen spiegel van een eenduidige Zeitgeist, maar
schrijft als onderdeel van een discursieve formatie ook zelf mee aan het discours en produceert dus
ook cultuur (Robson 2008: 22; Lentricchia 1989: 234). De uitwisseling tussen tekst en context – voor
zover deze dichotomie nog opgaat – is wederzijds. ‘It would, I think’, zo schrijft Greenblatt, ‘be a
mistake to regard this process as uni-directional’ (Greenblatt 1990: 157).
And if an exploration of a particular culture will lead to a heightened understanding of a work of
literature produced within that culture, so too a careful reading of a work of literature will lead to a
heightened understanding of the culture within which it was produced. (Greenblatt 2005a: 13)
De opzet van wat Greenblatt een poetics of culture7 noemt, is onderzoeken op welke manier een
cultuur zichzelf vormt en afbeeldt, en betekenis geeft aan de ervaringen van haar leden (1980: 4).
Ontleend aan het denken van cultuursemioticus Clifford Geertz, spreekt Greenblatt niet over
ideologie, maar wel over cultuur (1980). Hoewel het verschillende benamingen zijn, zijn beide
concepten inwisselbaar. Geertz definieert cultuur immers als ‘a set of control mechanisms – plans,
recipes, rules, instructions […] – for the governing of behavior’ (Geertz 1973: 49). Cultuur
determineert het gedrag van haar subjecten en houdt ze aldus in bedwang. Welnu, Greenblatt
ontwikkelt een gelijkaardige definitie van cultuur en stelt dat
[t]he ensemble of beliefs and practices that form a given culture function as a pervasive technology of
control, a set of limits within which social behavior must be contained, a repertoire of models to which
individuals must conform. (Greenblatt 2005a: 11)
Greenblatts new historicism lijkt een gedetermineerde mensvisie te hebben met bitter weinig plaats
voor menselijke agentes. Greenblatt weerlegt deels deze kritiek door te stellen dat cultuur bestaat
uit mobiliteit (mobility) en beperking (constraint) (2005a: 11). Om ervoor te zorgen dat het
merendeel van de subjecten kunnen aarden in een cultuur en zich aan de cultuur conformeren,
moeten de normen en waarden van een cultuur flexibel genoeg zijn, zodat subjecten het gevoel
6
Het new historicism is sterk beïnvloed door het Franse poststructuralisme en de deconstructie (Pieters 2001).
Als men de implicaties van het intertekstualiteitsbegrip, zoals geponeerd door Julia Kristeva (1969) in acht
neemt, moet men toegeven dat een tekst geheel onbegrensd is. De tekst is onderhevig aan wat Derrida een débordement noemt; de tekst is niet beperkt tot de grenzen van de materiële drager, maar is ‘a differential
network, a fabric of traces referring endlessly to something other than itself, to other differential traces’
(Derrida 2004: 69). Het onderscheid tussen tekst en context vervalt op die manier helemaal.
7
Pas in zijn latere werk neemt Greenblatt – eerder schoorvoetend – de term new historicism aan als benaming
voor zijn praktijk (1990: 146). Zelf geeft hij de voorkeur aan de benaming poetics of culture (1982: 5-6).
20
hebben vrij te kunnen bewegen in een cultuur (Greenblatt 2005a: 11). Zijn de beperkingen van een
cultuur immers te eng, dan voelen subjecten zich gevangen in een ideologisch systeem. De
beperkingen moeten flexibel zijn, maar slechts tot op een bepaalde hoogte: zijn deze beperkingen
immers te wijd dan wordt de cultuur als normloos beschouwd en kan het culturele systeem zelf geen
macht uitoefenen op haar subjecten (Greenblatt 2005a: 11-12). Het begrip cultuur is sterk gelieerd
aan de identiteitsvorming of wat Greenblatt zelfvorming (self-fashioning) noemt (1980).
Sinds het boek Renaissance Self-Fashioning in 1980 verscheen is zelfvorming een klassiek
begrip geworden dat slaat op het gevoel dat een subject van een ideologie het gevoel heeft uniek te
zijn en zelf vorm te kunnen geven aan zijn eigen identiteit (Greenblatt 1980: 1-2). Deze zelfvorming
heeft vier voorwaarden: (1) het individu heeft een gevoel van een unieke, essentiële kern, het Zelf.
(2) Dat Zelf wordt door het individu gecultiveerd en gepresenteerd. (3) Bij deze zelfrepresentatie en –
vorming botst het individu op restricties, want hij komt in contact met de culturele structuur van
beperkingen die niet toelaten dat individuen zich al te vrij gedragen. (4) Bij dit alles moet het individu
de illusie hebben dat zijn zelfvorming op basis van eigen vrijwillige keuzes gebeurt (Robson 2008: 53).
Greenblatt doorprikt deze illusie en beargumenteert dat het hele concept van zelfvorming in de
zestiende eeuw ontstaan is door een culturele verandering (1980: 1). Het gevoel van vrijheid als
gevolg van de illusie van individualiteit moet gezien worden in verhouding tot een ideologisch
cultureel systeem (Greenblatt 1980: 75-76). Dat systeem legt haar subjecten de verplichting op tot
zelfvorming: subjecten moeten zichzelf vormen, ze hebben geen keuze (Greenblatt 1980: 75-76;
Robson 2008: 56). Deze verplichte zelfvorming ‘is always, though not exclusively, in language’
(Greenblatt 1980: 9). Het individu moet zijn uniciteit uitdrukken in een collectief medium waarover
hij geen (volledige) controle heeft (Derrida 2004: 64). Zelfvorming is sterk verbonden aan het begrip
improvisatie, ‘the ability to insert the self in the sign systems of others’ (Greenblatt 1991: 98; mijn
cursivering). Een succesvol individu moet zich steeds kunnen aanpassen aan nieuwe, onbekende
situaties. Daarom beargumenteert Greenblatt dat
self-fashioning occurs at the point of encounter between an authority and an alien, that what is
produced in this encounter partakes of both the authority and the alien that is marked for attack, and
hence that any achieved identity always contains itself the signs of its own subversion or loss.
(Greenblatt 1980: 9)
Bij zelfvorming verliest het individu door de taal altijd een deel van het Zelf. De mens kan zichzelf
vormen en veranderingen aanbrengen in een cultuur, maar blijft altijd een subject van een talig
cultureel systeem (Greenblatt 1990: 164). Er is geen ontsnappen aan. De zelfvorming is niet absoluut
en slechts mogelijk binnen de beperkingen van een cultuur.
21
Cultuur fungeert bij Greenblatt dus als een ruimte waarin het individu het gevoel heeft
mobiel genoeg te zijn om zijn eigen identiteit te vormen (2005a). Overtreedt het individu echter een
grens, dan treden de instituten straffend op (Greenblatt 2005a: 12). Deze bestraffing is heel letterlijk
te vatten. De ideeën die Giordano Bruno verwoordt in Lo Spaccio de la Bestia Trionfante (“De
uitdrijving van het triomfantelijke beest”) overschrijden de grenzen van wat toegestaan is en Bruno
belandt na jarenlange ondervraging op de brandstapel op de Campo dei Fiori (Greenblatt 2011: 233241). Zelfvorming in een cultuur is te vergelijken met een hond aan een leiband. De hond kan gaan
en staan waar hij wil, zolang hij niet verder van zijn baasje verwijderd is dan de leiband lang is. Zodra
de hond te ver voorop loopt, voelt hij vanzelf de beperkte lengte van een leiband. Bovendien kan het
baasje zelf beslissen hoe ver hij zijn hond laat lopen door de lengte van de leiband te vergroten of te
verkleinen. Uiteindelijk kan het baasje op elk moment wanneer hij vindt dat zijn hond te ver dreigt af
te dwalen, de hond “straffen” door aan de leiband te rukken en zo te laten lopen binnen de
toegestane ruimte.
Omdat volgens Geertz een cultuur een semiotisch netwerk van categorieën van normen en
waarden is, stelt hij dat cultureel onderzoek in wezen hermeneutisch onderzoek is naar de betekenis
van dat netwerk van betekenaars (1973: 5). Welnu, ook new historicists gaan op zoek naar een
betekenisnetwerk, maar leggen – ontleend aan het genealogische model van Foucault – de nadruk in
hun onderzoek niet zo zeer op wat de betekenis is van de normen en waarden van een cultuur, maar
wel op ‘how collective beliefs and experiences were shaped, moved from one medium to another,
concentrated in manageable aesthetic form, offered for consumption’ (Greenblatt 1988: 5). Of
anders gezegd: hoe sociale energie circuleert, in verscheidene vormen wordt gemedieerd, en welke
scheppende rol deze vormen spelen in een cultuur (Brannigan 1998: 8; Greenblatt 2005a: 15). Hoe
vormt een subject zijn identiteit? Waar treden er conflicten met de beperkingen van een cultuur op?
Het zijn allemaal aandachtspunten van Greenblatts new historicism (Robson 2008: 59-64).
Wat resoneert in De rerum natura is dus niet alleen de stem van de fysieke auteur Lucretius,
maar ook de sociale energie die erin vervat zit, de intertekstuele echo’s van andere discursieve
praktijken die inzicht verschaffen in de dynamische culturele krachten aan het werk ten tijde van
Lucretius. Bovendien is in de receptie van Lucretius door filosofen als Marsilio Ficino en Giordano
Bruno een discours van zelfvorming te lezen dat maar al te vaak botst met de culturele beperkingen
in de Renaissance.
Hoewel de resonantie in een representatie inhoudelijk en historisch van aard is, is het
vormelijke aspect van de representatie niet te verwaarlozen. ‘Man can think in the sense that he
possesses the possibility to do so’, schrijft Martin Heidegger, ‘This possibility alone, however, is no
guarantee to us that we are capable of thinking’ (Heidegger 1978: 345). In deze boutade verwoordt
Heidegger dat ook al heeft elke mens de mogelijkheid om te kunnen denken, niet iedereen dat ook
22
effectief doet. Zo is het ook met resonantie. Hoewel elke representatie sociale energie bezit, is het
niet zo dat deze energie ook daadwerkelijk resoneert. De mogelijkheid moet nog steeds geactiveerd
worden door een specifieke vorm die in staat is deze sociale energie te activeren en bij de lezer het
gevoel op te wekken dat de tekst geen levenloze drager van woorden is, maar vol leven zit
(Greenblatt 1988: 6). Deze stelling bewijst, volgens Greenblatt althans, het gevoel dat sommige
representaties resonanter zijn dan andere en met name dat ‘those who love literature tend to find
more intensity in simulations – in the formal, self-conscious miming of life – than in any other textual
traces left by the dead’ (Greenblatt 1988: 1). Hoewel het op het eerste gezicht paradoxaal is dat er
überhaupt een vonk van leven kan zitten in fictionele werken – er lag immers, in tegenstelling tot een
geschiedkundig werk, nooit echt leven aan de oorsprong van de representatie –, is het net deze
afwezigheid van leven dat een auteur van een roman, novelle of gedicht doet anticiperen om er meer
sociale energie in te steken (Greenblatt 1988: 1).8 Literaire werken zijn dan ook uitermate geschikt
om ons in een oprecht contact met het verleden te brengen (Lentricchia 1989: 223). Literatuur is,
volgens Greenblatt, de concrete manifestatie van het gedrag en de zelfvorming van de auteur, een
expressie van de beperkingen die in werking zijn binnen een cultuur, en ten slotte ook een reflectie
op die culturele beperkingen (Greenblatt 1980: 4). Hoewel het new historicism het moderne
onderscheid tussen fictie en non-fictie niet hanteert (Pieters 2001: 12)9, maakt Greenblatt toch een
impliciet onderscheid tussen fictionele en niet-fictionele representaties, en blijft literatuur centraal
staan in zijn onderzoek:
The literary text remains the central object of my attention in this study […] in part because […] great
art is an extraordinarily sensitive register of the complex struggles and harmonies of culture and in
part because […] whatever interpretative powers I possess are released by the resonances of literature
[…] So from the thousands [of writers] we seize upon a handful of arresting figures who seem to
contain within themselves much of what we need, who both reward intense, individual attention and
promise access to larger cultural patterns. (Greenblatt 1980: 5-6)
De vorm van de representatie slaat de brug naar een tweede aspect van Greenblatts fascinatie: de
verwondering. Het inzicht in de historiciteit is niet de enige, laat staan de belangrijkste reden van
Greenblatts fascinatie. De ware kracht van Lucretius’ gedicht ligt, volgens Greenblatt, tautologisch
genoeg net in het feit dat het een gedicht is (2011: 8). Het is immers zo dat Lucretius niet alleen een
8
De resonantie van een tekst is volgens Greenblatt onderhevig aan een soort halveringstijd. Naar analogie met
radioactieve straling vervalt door de jaren heen de resonantie van een tekst. Zo is het te verklaren dat sommige
teksten – en volgens Greenblatt zijn dit vaak niet-literaire teksten – nog weinig resonantie hebben (1988: 1).
9
Ook hier toont het new historicism de invloed van de deconstructie (Cohen 1987: 33; Pieters 2001: 18). Het is
zo dat, het narrativisme van Hayden White indachtig (zie o.a. 1978), beide types teksten hun inhoud op een
gelijkaardige wijze presenteren. ‘[T]he ‘objective’, ‘factual’ historical sources’, zo stelt Jürgen Pieters, ‘are
organized by means of the same rhetorical and figurative mechanisms as literary texts’ (Pieters 2001: 15).
23
begenadigd filosoof en een van de belangrijkste volgelingen van Epicurus was, maar bovendien een
voortreffelijk dichter. Zo slaagde hij er niet alleen in de uitdaging om een uiterst complete synthese
van het epicurisme te geven, maar goot hij deze filosofie nog eens in de vorm van een bijna 8000
verzen tellend leerdicht, geschreven in dactylische hexameters – een zo mogelijk nog uitdagendere
onderneming. Daarbij kwam bovendien dat Lucretius aan het begin van een filosofische traditie in
het Latijn stond en daardoor te kampen had met terminologische problemen. Het is immers zo dat
het Grieks door de jarenlange filosofische traditie – van de archaïsche natuurdenkers als Thales van
Milete, over de dialogen van Plato, tot de geschriften van de Stoa en Epicurus – een zeer uitgebreid
en specifiek filosofisch jargon had ontwikkeld (Verbaal 2007: 42). Het Latijn waarin Lucretius schreef
stond filosofisch gesproken nog in haar kinderschoenen. Afgezien van de geschriften van Cicero en
Varro, kende het Latijn ten tijde van Lucretius nauwelijks filosofische traktaten en beschikte het
bijgevolg vaak niet over equivalenten van het eerder duistere en ingewikkelde Griekse filosofische
jargon (Verbaal 2007: 42-43). Lucretius beseft voor wat voor een taak hij staat en benadrukt aan het
begin van het eerste boek van De rerum natura de moeilijkheid van de onderneming:
Nec me animi fallit Graiorum obscura reperta
difficile inlustrare Latinis versibus esse,
multa novis verbis praesertim cum sit agendum
propter egestatem linguae et rerum novitatem (Lucretius 1992: 1.136-139)
Nor do I fail to understand that it is difficult to make clear the dark discoveries of the Greeks in Latin
verses, especially since we have often to employ new words because of the poverty of the language
and the novelty of the matters (Lucretius 1992: 15).
De combinatie van de herkenbare inhoud en de esthetische vorm van het werk zorgt ervoor dat De
rerum natura – millennia na het ontstaan ervan – nog steeds voldoende sociale energie laat
resoneren die niet alleen Greenblatt met verwondering slaat, maar ook de uitgever van de Loeb
editie van het werk, Martin Ferguson Smith, doet schrijven dat ‘that is largely why his work still grips
our attention, still throbs with life and excitement’ (Smith 1992: xlv).
Greenblatt definieert verwondering als ‘the power of the object displayed to stop the viewer
in his tracks, to convey an arresting sense of uniqueness, to evoke an exalted attention’ (Greenblatt
1990: 170). Jürgen Pieters wijst erop dat Greenblatts idee van verwondering verwant is aan
opvattingen over het sublieme en een esthetica van de vervreemding (2001: 120). Ik zou zelfs durven
stellen dat de ervaring van verwondering het best te omschrijven valt als de ervaring van het
sublieme in een kunstwerk. Het artefact grijpt de toeschouwer aan, wekt een vervreemdend effect
op, en zet hem aan tot contemplatie. Hoewel Greenblatt zich herhaaldelijk verzet tegen de
formalistische literatuurtheorieën, is hun invloed hier te merken. Wanneer Greenblatt het over
24
verwondering heeft, beschrijft hij in zekere zin hoe de waarneming van het kunstwerk – om het met
een term uit het Russisch formalisme te stellen – wordt gedesautomatiseerd. Het kunstwerk staat
door de formele eigenschappen op zichzelf en wordt bewust als kunstwerk ervaren.10 Verwondering
vertoont zeer sterke gelijkenissen met wat de formalistische literatuurtheorieën vervreemding
noemen: het is het resultaat van een kunstwerk dat als een geïsoleerd en autonoom object wordt
gepercipieerd (Robson 2008: 86). Hoewel het kunstwerk ooit omgeven was door andere objecten en
andere stemmen, wordt het nu in een bijna extatische stilheid ervaren. Van intertekstuele echo’s,
zoals bij de ervaring van resonantie, is even geen sprake.
Even, maar niet voor lang. Hoewel verwondering voornamelijk esthetisch en formeel van
aard is, is het nooit volledig lost te koppelen van de resonantie van een werk (Pieters 2001: 120).
Beide staan in een circulaire relatie tot elkaar. De esthetische ervaring van verwondering neemt
volgens Greenblatt immers toe naarmate we meer inzicht in de historische verankering van het
object krijgen. Bovendien zet verwondering een toeschouwer of lezer aan om het artefact te
bestuderen en de resonantie in een werk op te sporen (Pieters 2001: 119). Verwondering is dus nooit
los te koppelen van resonantie (Greenblatt 1990: 171).
Dat verwondering en vervreemding gelijkaardige concepten zijn is reeds duidelijk, maar ook
resonantie kan een vervreemdend effect teweegbrengen. Verwondering kan een gevolg zijn van de
herkenning van het heden in het verleden; wanneer de Ander in het verleden verdacht veel op het
Zelf begint te lijken. Dit is zo wanneer Greenblatt De rerum natura leest en zijn fascinatie voor de
epicuristische fysica en de filosofische implicaties daarvan verwoordt. Greenblatt vindt het in de
eerste plaats bijzonder verrassend hoe enkele kernwaarden en kernideeën van de moderniteit reeds
aanwezig zijn in het twee millennia oude gedicht (2011: 5-8). Ook al zijn enkele ideeën die Lucretius
propageert hopeloos verouderd en komen ze voor een laatmoderne lezer als Greenblatt absurd over,
toch zijn enkele ideeën zeer herkenbaar:
I marveled – I continue to marvel – that these perceptions were fully articulated in a work written
more than two thousand years ago. […] Hidden behind the worldview I recognize as my own is an
ancient poem, a poem once lost, apparently irrevocably, and then found. (Greenblatt 2011: 6-7)
Hier is sprake van vervreemding in de neutrale betekenis. Greenblatt ziet de idealen van zijn eigen
contemporaine cultuur verwoord in een gedicht met een historische afstand van 2000 jaar.
Historische afstand is eenvoudig gesteld de afstand tussen heden en verleden. Hoewel deze afstand
10
Victor Sjklovski stelt dat kunst tot doel heeft om te desautomatiseren, ‘om de mens weer in staat te stellen
het leven bewust te ervaren, om de objekten te laten voelen, om steen weer tot steen te maken […] Voor dat
doel bestaan in de kunst twee procédees: het procédee van de ‘vervreemding’ en het procédee van de
komplicering van de vorm, waardoor de perceptie aanzienlijk bemoeilijk en vertraagd wordt, omdat in de kunst
het waarnemingsproces een doel op zichzelf is en gerekt dient te worden’ (Sklovski 1982: 18).
25
op het eerste gezicht slecht een louter objectief gegeven lijkt te zijn, is het volgens
geschiedtheoreticus Mark Salber Phillips eveneens een retorisch concept (2003b: 437-438). Elke
representatie van het verleden plaatst haar lezers via retorische en formele technieken in een zekere
afstandsrelatie tot dat verleden (Phillips 2003b: 438). Deze afstand kan als groter of kleiner worden
aangevoeld dan de objectieve chronologische tijdspanne tussen de gerepresenteerde gebeurtenissen
en het heden (Phillips 2004: 124). Aldus ontstaan er twee historische afstanden: (1) een objectieve,
chronologische tijdspanne en (2) een subjectieve, retorisch geconstrueerde afstand. Eenvoudiger
gesteld: door de specifieke vorm van de vertelling, kan bijvoorbeeld het gevoel worden opgewekt dat
de gebeurtenissen zich vlak voor de ogen van de lezer afspelen, terwijl ze zich – chronologisch gezien
– eeuwen eerder hebben afgespeeld. Phillips benadrukt dat ook het cognitieve aspect van belang is
(2003a: 218). Als een representatie het verleden op een heldere en herkenbare wijze weergeeft, kan
het begrip bij de lezer van het verleden stijgen en kan een afstandverkleinend effect worden
opgewekt. Dit is het geval bij Greenblatts lezing van De rerum natura. Greenblatt herkent zijn eigen
tijd in het verleden en krijgt daardoor meer inzicht in het verleden – het lijkt immers op heel wat
vlakken op het heden – en ziet ook hoe het heden erfgenaam is van dat verleden. Deze verwondering
stijgt nog meer door de grote objectieve historische afstand die Greenblatt van Lucretius’ cultuur
scheidt. In zijn Treatise of Human Nature schrijft David Hume, dat mensen des te meer verwondering
hebben voor artefacten uit geografisch ver verwijderde culturen, maar een temporele afstand doet
die verwondering alleen maar toenemen (2000: 277-279).
Ook het niet herkennen kan tot verwondering leiden. Zelfs al is de historische verankering
duidelijk en wordt het kunstwerk als geïntegreerd en allesbehalve autonoom ervaren, dan nog kan
de cultuur waarin het werk is ingebed zeer vreemd overkomen (Pieters 2001: 120). Maar al te vaak is
het verleden anders dan het heden. Greenblatt haalt het voorbeeld aan van de dertiende-eeuwse
Vlaamse franciscaner monnik Willem van Ruysbroeck (1991: 54). Wanneer Willem op
ontdekkingsreis naar de Tataren trekt, treft hij bij aankomst in Mongolië een voor hem vreemde
cultuur met ongewone gebruiken en rituelen:
Postquam ergo recessimus de Soldaia, tertia die inuenimus Tartaros: inter quos cum intraueram,
visum fuit mihi recte quod ingrederer quoddam aliud sæculum. (Willielmus de Rubruquis 2010: I).
After having left Soldaia, we came on the third day across the Tartars, and when I found myself among
them it seemed to me of a truth that I had been transported into another century. (Willielmus de
Rubruquis 1998: 52)
Willem vindt de cultuur zo vreemd dat hij het gevoel heeft in een andere eeuw te zijn beland. Het
verleden kan dus, om het met een frase van David Lowenthal (1985) te zeggen, aanvoelen als een
vreemd land. Het verleden kan immers soms zo fundamenteel anders overkomen, dat het niet in te
26
beelden is hoe het heden erfgenaam is van het verleden. De verwondering als gevolg van het anders
zijn van het verleden, leidt aldus ook tot een vervreemding van het heden (Pieters 2001: 120).
De uitvoerige theoretische kadering van Greenblatts fascinatie voor Lucretius lijkt misschien
een heuse afdwaling van het vooropgestelde doel van dit hoofdstuk: sporen vinden van de fascinatie
voor Lucretius in het denken van Greenblatt. Vooralsnog heb ik vooral de omgekeerde denkbeweging
gedaan en heb ik sporen van Greenblatt zelf gezocht in zijn fascinatie voor Lucretius. Hoe het ook zij,
via deze zijsprong beoogde ik de basis te leggen voor mijn verdere analyse. Deze analyse vat ik aan
met een studie van de rol van de anekdote binnen het denken van Greenblatt.
2. “Pour la petite histoire”: de historische anekdote in het new historicism
It will not escape anyone who reads this book that my chapters are constructed largely around
anecdotes, what the French call petites histories, as distinct from the grand récit of totalizing,
integrated, progressive history, a history that knows where it is going. (Greenblatt 1991: 2)
De meeste essays en artikels van Greenblatt zijn opgebouwd volgens een gelijkaardig structureel
patroon. Ze beginnen zo goed als allemaal met het vertellen van een historische anekdote die op het
eerste gezicht ver verwijderd ligt van het literaire werk dat, opnieuw, uiteindelijk nog steeds centraal
staat in het onderzoek (zie Greenblatt 1980: 5-6). In het essay “Fiction and Friction” vertelt
Greenblatt bijvoorbeeld het opvallende verhaal van Jeane le Febvre die in 1601 tot haar grote
verbazing ontdekt dat haar huismeid Marie le Marcis – en met wie ze al vijf weken lang het bed deelt
– eigenlijk een man is (Greenblatt 1988: 73-75). Het onvermijdelijke gebeurt: Jeane en Marie worden
verliefd en besluiten, tot groot protest van het dorp waarin ze wonen, te trouwen. Het schandaal
bereikt Rouen, waarop een tribunaal dokters wordt aangesteld om te bepalen of Marie een man of
vrouw is. Het tribunaal kan geen uitsluitsel geven, bestempelt Marie als hermafrodiet en beveelt
hem/haar dan maar tot zijn/haar vijfentwintigste te wachten met trouwen. De anekdote is schriftelijk
overgeleverd in het werk van Jacques Duval, een dokter van het tribunaal, en Greenblatt kadert dit
werk op zijn beurt binnen een groter discours van geneeskundige en filosofische traktaten – van
Hippocratus, over Galenus en Aristoteles tot het neoplatonisme (1988: 75-86). We bevinden ons
mijlenver van Twelfth Night, het literaire werk dat centraal staat in het essay, en Greenblatt beseft
dat maar al te goed: ‘we seem to have swerved far from the world of Shakespearean theater’ (1988:
86). Greenblatts betoog neemt echter opnieuw een wending en we belanden terug bij Twelfth Night
(Greenblatt 1988: 86-93). Deze innovatieve manier waarop niet alleen Greenblatt, maar ook zijn
collega Louis Montrose, hun onderzoek presenteerden, sloeg aan en werd al gauw de – op den duur
clichématige – standaardvorm waarin new historicists hun onderzoek voorstellen (Gallagher &
Greenblatt 2000: 47). Desalniettemin blijft het in sommige gevallen nog hoogst verwonderlijk hoe
27
Vanessa Schwartz, bijvoorbeeld, van een anekdote over de populariteit van het Parijse mortuarium
aan het einde van de negentiende eeuw uitkomt bij een analyse van de oorsprong van de
laatmoderne spektakelmaatschappij (1995).
De historische anekdote speelt een centrale rol in het new historicism en de incorporatie
ervan in de presentatie van het onderzoek is, volgens Paul Fry een ‘rather marvelous, oblique way
into literary topics’ (Fry 2009: 2). De aangehaalde anekdotes zijn immers keer op keer frappante
verhalen over molenaarszonen, kleermakers, transseksuelen, schipbreukelingen, duivelsuitdrijvingen
en heksenvervolgingen, waarin de andersheid van het verleden duidelijk wordt (zie Greenblatt 1988,
1993, 1997a). Deze anekdotische aanpak, zo schrijft Greenblatt in een essay over de werkwijze van
Clifford Geertz, heeft hij ontleend aan de Amerikaanse antropoloog (1997a). In het essay “Thick
Description” stelt Geertz dat literatuurcritici en antropologen gelijkaardig werk verrichten en dat de
literatuurwetenschappelijke methodes antropologen in staat stellen om inzicht te krijgen in de
bestudeerde cultuur (1973: 3-30). Antropologie is volgens Geertz in ultimis een interpretatie van een
cultureel betekenisnetwerk en is bovendien te vergelijken met het lezen van een manuscript (1973:
5, 9-10). Het is immers zo dat de tijdens het veldwerk verzamelde interviews, verhalen en anekdotes
– net als vele overgeleverde manuscripten – vaak ‘full of ellipses, incoherencies, suspicious
emendations, and tendentious commentaries’ staan, ‘but not in conventialized graphs of sound but
in transient examples of shaped behavior’ (Geertz 1973: 10). Het is de taak van de antropoloog om,
in de eerste plaats een overzicht te krijgen over de fragmenten die hij bezit, vervolgens de ellipsen
aan te vullen, de incoherenties aan te duiden en de emendaties en interpolaties uit de verhalen te
filteren, om zo uiteindelijk inzicht te krijgen in de onderliggende betekenisstructuren (Geertz 1973:
10). De verzamelde tekstuele representaties vertellen uiteraard niet het volledige verhaal van een
cultuur en daarom moet een antropoloog de fragmentarische overblijfselen zo goed mogelijk
interpreteren om in staat te zijn het onderliggende culturele verhaal te reconstrueren (Geertz 1973:
9-10). Deze laatste interpretatieve stap noemt Geertz thick description (1973: 9-10). Hij ontleent de
term aan Gilbert Ryle (2009: 479-510) die stelt dat thick description een manier van vertellen is
waarin de verhaalde acties reeds gekaderd worden binnen een betekenisnetwerk (Greenblatt 1997a:
16). Het verhaal wordt zodanig verteld dat alle noodzakelijke aanvullingen – de causaliteit, logica, en
het einddoel van de handelingen – reeds aanwezig zijn in de opbouw van het verhaal zelf (Greenblatt
1997a: 16). Deze aanvullingen hoeven niet noodzakelijkerwijs aanwezig te zijn in het verhaal zelf,
maar wel in de narratieve omkadering (Greenblatt 1997a: 17). Het gevolg is dat de toehoorder of
lezer nog maar weinig actief denkwerk hoeft te verrichten, aangezien de auteur het verhaal reeds
zodanig heeft omkaderd – gekookt zou Claude Lévi-Strauss (1990) zeggen – dat alles te vatten is.
Binnen Geertz’ betoog over thick description vervult de anekdote een bijzondere rol. Door de
specifieke verhaalvorm ontsnapt een anekdote immers aan een omkaderende interpretatie
28
(Greenblatt 1997a: 15). Het woord is etymologisch afgeleid van het Griekse adjectief “a)ne/kdotoj”
(“onuitgegeven”) en wordt gebruikt om een ‘amusant kort verhaal’ (Philippa et al. 2011a) aan te
duiden. Een anekdote is de vertelling van een opvallende en vaak onverwachte, singuliere
gebeurtenis waarin echt bestaande mensen de hoofdrol spelen (Bauman 2005). Traditioneel ontleent
het woord zijn bekendheid aan de zesde-eeuwse Byzantijnse geschiedschrijver Procopius die
omstreeks 550 in zijn Anèkdota (“Ongepubliceerde verhalen”11) schokkende, scabreuze, en ronduit
schandaleuze roddelverhalen neerschreef over het hof van Justinianus I (Cameron 1996: 8; Philippa
et al. 2011a). Zo’n 1500 jaar later worden anekdotes nog steeds voortdurend verteld en vervullen ze
een zeer belangrijke functie in de alledaagse communicatie (Keunen 2007: 57). In zowat elk gesprek
vertellen de gesprekspartners wel enkele anekdotes. Het zijn vaak korte, levendige en amusante
verhalen over de dagelijkse gebeurtenissen van een van de gesprekspartners waarin toeval een zeer
belangrijke plaats in de plotontwikkeling inneemt. Het gevolg is dat de luisterende gesprekspartner
maar zelden weet hoe het verhaal zal aflopen en vaak geamuseerd en verwonderd op de
plotontwikkeling reageert. Narratoloog David Herman benadrukt dat verhalen conflicten en
contingenties nodig hebben om interessant (noteworthy) en vertellenswaardig (tellable) te zijn
(2002: 84). Wanneer een verhaal slechts weinig of geen contingenties bevat, wordt het te
voorspelbaar, verliest het verhaal zijn vertellenswaardigheid, en is het bijgevolg voor de sprekers
vaak ook niet meer interessant genoeg om te onthouden (Herman 2005: 83). ‘Interessante verhalen’,
zo schrijft Bart Keunen, ‘tonen hoe gebeurtenissen ontsnappen aan de verwachting’ (Keunen 2007:
54; mijn cursivering). Welnu, de populariteit van anekdotes in de dagelijkse communicatie is toe te
schrijven aan het feit dat ze zo’n interessante verhalen zijn, omdat ze zo goed als uitsluitend uit
contingenties bestaan (Keunen 2007: 57). Daardoor circuleren ze vaak jarenlang in een
gemeenschap, worden ze overgeleverd van generatie op generatie en uiteindelijk soms zelfs
schriftelijk vastgelegd. Dit alles maakt de verhalen bijzonder interessante studieobjecten voor
antropologen en historisch cultuuronderzoekers.
De verrassende contingenties maken de historische anekdote volgens Geertz tot ‘a not
untypical excerpt’ (Geertz 1973: 7), waarmee hij bedoelt dat anekdotes weerstand bieden tegen een
volledige absorptie binnen een groter voorspelbaar en eenduidig verhaal (Greenblatt 1997a: 15).
Anekdotes zijn niet ontypisch, want als discursieve praktijken blijven ze de producten van subjecten
en ontegensprekelijk onderdeel van een cultuur (Geertz 1973: 49). Het zijn dus wel representatieve
verhalen en geven als zodanig toegang tot het culturele netwerk waarin ze zijn ingebed, maar toch
zijn anekdotes nog steeds niet typerend voor een hele cultuur (Greenblatt 1997a: 15). Uiteraard
11
Hoewel dit de letterlijke vertaling ervan is, geniet het werk meer bekendheid onder de Latijnse titel Arcana
historia, wat in het Nederlands door Hein van Dolen vertaald is als Verzwegen verhalen (Procopius 2005). De
mysterieuze en schandaleuze connotaties van het woord anekdote worden zo in de verf gezet.
29
kunnen anekdotische verhalen wel geïnterpreteerd en, waar nodig, geduid worden, maar ze blijven
uiteindelijk te verrassend en te onvoorspelbaar om antropologen in staat te stellen via anekdotes tot
een eenduidige en allesomvattende cultuuranalyse te komen. Geertz haalt zelf een anekdote van een
Marrokaanse schaapherder aan (1973: 7-9) met, volgens Greenblatt, als doel
to surprise and to baffle, not to assume a comfortable place in a preexisting analysis of Moroccan
culture. It functions then to subvert a programmatic analytical response, a fully systematized
methodology, and it helps Geertz call into question, in the midst of his residual allegiance to
structuralism, whether either a culture or a method could ever be rendered satisfyingly systematic.
(Greenblatt 1997a: 15)
Een anekdote is moeilijk te contextualiseren – moeilijk te koken – want het blijft in zekere zin ‘raw, a
note in a bottle’ (Geertz 1973: 9). Aldus weerstaan anekdotes in zekere zin aan thick description: ze
kunnen maar moeilijk gekaderd worden binnen een systematische culturele analyse. Het enige
systematische en voorspelbare aan een anekdote is de onvoorspelbaarheid van het verhaal. Wat een
anekdote dan ook aantoont, is niet een homogene eenduidigheid, maar de onvoorspelbare
heterogeniteit van een cultuur (Pieters 2001: 126).
Het new historicism dankt haar ontstaan als stroming door de collectieve afzetting van
enkele literatuurcritici tegen de voorgaande literatuurwetenschappelijke benaderingen (Pieters
2001: 25). Behalve tegen de formalistische literatuurtheorieën, zoals het new criticism, zet het new
historicism zich af tegen de traditionele historiserende benaderingen, of wat new historicists het
oude historisme noemen (Pieters 2001: 24). Het grootste verwijt van new historicists aan het adres
van hun traditionele voorgangers is de manier waarop het verleden in hun onderzoek maar al te vaak
als een eenduidig en monolitisch blok werd beschreven (Pieters 2001: 27). Greenblatt noemt deze
benadering monologisch, want volgens hem sloegen de traditionele historisten en positivisten, zoals
bijvoorbeeld de letterkundige John Dover Wilson en de historicus Leopold von Ranke, nauwelijks acht
op de verschillende stemmen in een tekst (1982: 5; 1990: 168). In de zoektocht naar een antwoord
op de vraag ‘wie es eigentlich gewesen´ (Ranke 1824: vi) hielden ze geen rekening met het feit dat
hun eigen onderzoek, als product van een bepaalde cultuur, ideologisch gekleurd is (Ankersmit 1994:
126; Boone 2007: 102; Greenblatt 1982: 5). Ze gingen ervan uit dat objectiviteit een noodzakelijke en
realiseerbare voorwaarde is voor geschiedschrijving en waren er bovendien van overtuigd dat de
historische realiteit naadloos kon worden achterhaald door de analyse van louter traditioneel
geschreven bronnen (Ankersmit 1994: 126; Boone 2007: 102-103). ‘Opinies, dromen, fantasmen,
ideën waren al te ongrijpbaar om gevat te worden door een wetenschappelijke analyse’ (Boone
2007: 153), zo vonden Ranke en zijn collega’s het. Vele van deze ideeën – die vaak in anekdotes
werden neergeschreven – stemden vaak niet overeen met de geschreven historiografische bronnen,
30
en werden in een historische analyse dan maar verzwegen (Boone 2007: 153). Onderzoekers van de
Rankeaanse school besloten hun historiografische werken vaak met de conclusie dat het verleden
werd gekenmerkt door een coherente en consistente Zeitgeist (Greenblatt 1982: 5). Die Zeitgeist
diende, volgens Greenblatt, dan ten onrechte als ‘a stable point of reference, beyond contingency, to
which literary interpretation can securely refer’ (Greenblatt 1982: 5). Contingentie werd gebannen
en aldus werd het dissonante amalgaam van stemmen uit het verleden gereduceerd tot een
harmonieus gezang van eensluidende stemmen (Pieters 2001: 27-28).
New historicists beseffen daarentegen maar al te goed dat ook zij ideologisch
gedetermineerd zijn (Montrose 1989: 23-24) en proberen in hun onderzoek de heterogeniteit van
het verleden te behouden (Greenblatt 1990: 168-169). Greenblatt contrasteert zijn eigen praktijk
met die van het oude historisme en kan om die reden bijgevolg dialogisch worden genoemd (Pieters
2001: 154-155). De term dialogisme komt van Michael Bachtin die beargumenteert dat taal per
definitie dialogisch van aard is (Pieters 2001: 155). Bachtin stelt dat taal in de eerste plaats een
communicatiemiddel is tussen verschillende individuen – “dialoog” in de meest gebruikelijke zin van
het woord – en bovendien bevat elke taaluiting de potentiële aanwezigheid van meerdere stemmen
– “dialoog” in de letterlijke betekenis van het woord12 (Pieters 2001: 155). Door verschillende,
dissonante stemmen aan het woord te laten hoopt Greenblatt de heterogeniteit en dynamiek van
het verleden intact te laten (Pieters 2001: 86). Die dissonante stemmen vindt Greenblatt in
historische anekdotes.
In het essay over Geertz haalt Greenblatt het verhaal aan van John Bowman, een kleermaker
uit York die op 26 juni 1668, verwikkeld in een gesprek met een kennis op zijn dagelijkse wandeling
naar huis, plots en als bij toeval een geest ziet verschijnen op een brug (1997a: 22). Greenblatt
beschrijft hoe het dagelijkse leven van de kleermaker door de numineuze verschijning van de geest
‘so violently disrupted’ wordt, en ‘a whole fabric of the everyday […] suddenly torn apart’ (Greenblatt
1997a: 22) is. Bij het aanzien van de geest valt de kleermaker flauw. Volgens Rudolf Otto is het
flauwvallen van de kleermaker bij de verschijning van het numineuze13 te verklaren door de
fundamentele Andersheid (Qa/teron) van het numineuze (1950: 14). De reactie op deze verschijning
is dubbel van aard: het numineuze wordt als een mysterie (mysterium) aangezien dat tezelfdertijd
fascinerend (fascinans) en angstaanjagend (tremendum) is, want het ligt buiten de bekende
categorieën van het dagelijkse leven (Otto 1950: 31). ‘Here we have a terror fraught with an inward
12
“Dialoog” komt van de Griekse samenstelling “di/a” – wat “doorheen” betekent – en “lo/goj” – “woord”
(Philippa et al. 2011b). Bachtin bedoelt hiermee dat doorheen één spreek-act, één woord, verschillende andere
spreek-acten en woorden te horen zijn.
13
Als fenomenoloog van de religie gebruikt Otto de term numen om de onherleidbaar religieuze en nietrationele aspecten van religies aan te duiden (1950: 6-7). Hij is immers van mening dat religie te
gerationaliseerd is en hoopt via numen terug vat te krijgen op de heterogeniteit van religie (Otto 1950: 1-11).
31
shuddering such as not even the most menacing and overpowering created thing can instil’, zo
beschrijft Otto het tremendum-aspect. ‘It has something spectral in it’ (Otto 1950: 14). De geest is zo
irrationeel, zo anders, dat de kleermaker met verwondering wordt geslagen en het bewustzijn
verliest. Bij het lezen van anekdotes geeft Greenblatt voornamelijk blijk van het fascinans-aspect. Hij
verwoordt het als volgt:
Anecdotes are the equivalents in the register of the real of what drew me to the study of literature:
the encounter with something that I could not stand not understanding, that I could not quite finish
with or finish off, that I had to get out of my inner life where it had taken hold, that I could retell and
contemplate and struggle with. (Greenblatt 1990: 5)
Greenblatt is gebeten door de onvoorspelbare contingenties en heterogeniteit in historische
anekdotes die volgens hem een ‘crude shock of the real’ (Greenblatt 1997a: 26) veroorzaken. Hij
bedoelt hiermee dat anekdotes meer dan literaire teksten naar de empirische werkelijkheid
verwijzen, omdat de stemmen die in de anekdotes resoneren er minder zelfbewust in verweven zijn
(Greenblatt 1997a: 14-15). Anekdotes zijn niet op voorhand beraamd, maar rauw, en laten dus een
oprechter contact toe met het verleden – in al zijn diversiteit en onvoorspelbaarheid – dan de
gekookte literaire representaties (Greenblatt 1997a: 15-16). Jürgen Pieters merkt op dat Greenblatt
zich hier op glad ijs waagt en op het punt staat één van zijn eigen uitgangspunten te ondermijnen
(2001: 130-131). Het is immers zo dat het new historicism, schatplichtig aan de deconstructie, de
tekstuele geconstrueerdheid van alle representaties van het verleden propageert, wat impliceert dat
‘we can have no access to a full and authentic past, a lived material existence, unmediated by the
surviving textual traces of the society in question’ (Montrose 1989: 20). Greenblatt heeft echter
schrik om het Derridiaanse tekstualisme toe te passen, want dan worden alle banden met de
materiële realiteit verbroken14, maar wil evenmin ten prooi vallen aan het referential fallacy15
(Pieters 2001: 130). Greenblatt schippert tussen beide in en vindt een oplossing in de argumentatie
dat anekdotes uiteraard ook representaties van het verleden zijn en dus geen ongemedieerd contact
met het verleden toelaten, maar – terwijl andere representaties het verleden alleen maar
representeren – anekdotes het verleden wel kunnen oproepen (Pieters 2001: 132-133). ‘[B]ut will
reality come when it is called?’, vraagt Greenblatt zich onmiddellijk af. Nee, ‘only a reality-effect is
14
Wanneer dit tekstualisme immers wordt doorgedreven moeten we, zoals Paul De Man doet, concluderen dat
niet alleen literaire representaties fictioneel zijn, maar alle representaties zonder meer. ‘Literature is fiction not
because it somehow refuses to acknowledge “reality,” but because it is not a priori certain that language
functions according to principles which are those, or which are like those, of the phenomenal world. It is
therefore not a priori certain that literature is a reliable source of information about anything but its own
language’ (De Man 1986: 11).
15
Deze term, zo genoemd door Umberto Eco (1976: 56), is de volgens de deconstructie en het new historicism
foute opvatting ‘that an actual state of the world must underwrite the functioning of every semiotic entity’
(Lewis 1979: 460).
32
conjured, nothing more’ (Greenblatt 1997a: 20). Greenblatt ontleent de notie van het realiteitseffect
aan Roland Barthes. Barthes gebruikt de term om erop te wijzen dat op het eerste gezicht
onbelangrijke opsommingen van details in romans of historiografische teksten niet louter descriptief
van aard zijn, maar voornamelijk tot doel hebben bij de lezer de retorisch geconstrueerde illusie op
te wekken dat de tekst de werkelijkheid toont (1989: 141-148). Beïnvloed door Barthes, schrijft
Greenblatt dat, hoewel anekdotes bijna magische verhalen zijn die zo oprecht verankerd lijken in de
ontstaansrealiteit, ze deze realiteit toch niet daadwerkelijk kunnen oproepen, maar slechts een
retorisch geconstrueerde illusie van die realiteit opwekken (Greenblatt 1997a: 19-21). Anekdotes
blijven echter wel speciaal, want het is het genre dat een van de sterkst mogelijke vormen van het
realiteitseffect kan opwekken (Greenblatt 1997a: 16). Verder dan dit is het theoretisch immers niet
mogelijk.16
Greenblatt analyseert Geertz’ werkwijze en concludeert dat de wijze waarop hij aan
antropologie doet een ‘sustained practice of “estrangement”’ (Greenblatt 1997a: 27) is. Door Geertz’
werkwijze over te nemen en verschillende verwonderlijke anekdotes in een adem te bespreken met
voor een westerse lezer (over)bekende canonieke teksten van Shakespeare, wil Greenblatt de lectuur
van het literaire werk vervreemden (Greenblatt 1997a: 27). Als een parasiet infecteert de vreemde
anekdote immers de zo vertrouwde canonieke tekst dat de lezer twijfelt aan de traditionele, vaak
eenduidige interpretatie van die tekst (zie Miller 2004). Greenblatts lezer vraagt zich bijvoorbeeld af
hoe het mogelijk is dat hij in Twelfth Night al jaren over de reflecties over transseksualiteit heeft
gelezen. De eens zo vanzelfsprekende interpretatie blijkt dat plots helemaal niet meer te zijn (Miller
2004: 182). In het inleidende essay van Learning to Curse licht Greenblatt deze praktijk toe:
I am committed to the project of making strange what has become familiar, of demonstrating that
what seems an untroubling and untroubled part of ourselves (for example, Shakespeare) is actually
part of something else, something different. (Greenblatt 1990: 8)
Hoewel Greenblatt zich verzet tegen de formalistische literatuurtheorieën en van mening is dat elk
kunstwerk gecontextualiseerd moet worden (2005a: 12-13), sluit hij zich expliciet aan bij de
formalistische opvatting dat kunst een vervreemdend effect moet opwekken bij de toeschouwer
(1997a: 26). Greenblatt stelt dat de canonisering van een bepaald werk een decontextualisering is en
tot gevolg heeft dat de resonantie en de verwondering, waarvan het werk eens zo doordrongen was
16
Greenblatt lijkt zich aan te sluiten bij Jacques Lacan die beargumenteert dat de realiteit ‘or what is perceived
as such, is what resists symbolization absolutely’ (Lacan in Botting 1994: 27). Dit impliceert dat eens een poging
wordt ondernomen om de realiteit te vatten in een symbolische representatie – zij het in een anekdote,
historiografie of literatuur – die realiteit onherroepelijk verloren gaat. Via een representatie doordringen tot de
realiteit is dan ook onmogelijk: wie anekdotes bestudeert, bestudeert niet de realiteit, maar wel ‘a culture’s
representational technology’ (Greenblatt 1991: 3).
33
en waardoor het in de eerste plaats in de canon is opgenomen, vervallen tot niets. Het werk wordt te
vertrouwd en verliest zijn numineuze uitstraling van weleer:
The twist is that celebrated works of literature – and Hamlet is probably the supreme example – by
virtue of their fame run the risk of losing their ability at once to seem strange and to estrange. A tiny
anecdote […] can […] displace the familiarity of the canon and thus return to art one of its principal
powers. (Greenblatt 1997a: 26)
De dialectische, circulaire relatie die de begrippen resonantie en verwondering tot elkaar innemen
wordt begrijpelijk in de rol van de anekdote (Pieters 2001: 120). Hoe meer de resonantie in een
literaire tekst namelijk duidelijk wordt, hoe meer kans dat die tekst opnieuw fris oogt en net als het
verleden verwonderlijk wordt (Greenblatt 1990: 173). Greenblatt wil in de presentatie van zijn
onderzoek de resonantie van een tekst en de daarbij gaande verwondering zo veel mogelijk
behouden (Gallagher & Greenblatt 2000: 10). Zijn praktijk wekt vervreemding op: niet door het
literaire werk op de voorgrond te plaatsen en los te rukken uit de context, zoals formalistische
literatuurtheorieën stellen, maar door het werk onder te dompelen in die context, te verbinden met
op het eerste gezicht zeer vreemde anekdotes en andere discursieve praktijken (1990: 170).17
Volgens Mark Robson slaagt hij daar volledig in: ‘Wonder, then, is not evaporated by new historicism,
it is ‘democratized’, in that is to be found in a wide variety of objects that cannot be attributed to the
work of a specific, special individual’ (Robson 2008: 83). Wat Greenblatt immers duidelijk wil maken
is dat de literaire tekst, de anekdotes en alle andere discursieve praktijken die hij in zijn essays
aanhaalt, doordrongen zijn van eenzelfde, vreemde, sociale energie (1988: 12; 1997a: 21). De opzet
van het new historicism is dan ook ‘[t]o renew the marvelous at the heart of the resonant’ (1990:
181). Greenblatt gebruikt anekdotes als bindmiddel tussen resonantie en verwondering en is volgens
Jürgen Pieters het bewijs bij uitstek dat ‘Greenblatt is clearly inscribing himself in an aesthetics of
estrangement’ (Pieters 2001: 120).
De wisselwerking tussen anekdote en literatuur is wederzijds. De prestigieuze status van het
canonieke werk verschaft de anekdote een literatuurwetenschappelijke aandacht (Greenblatt 1990:
14) en bovendien geeft de anekdote het literaire werk heel wat meer spankracht door het sterke
realiteitseffect af te schijnen op het literaire werk (Gallagher & Greenblatt 2000: 47-48). De functie
van de historische anekdote is een wending, weg van het literaire werk naar de anekdote, om
uiteindelijk terug uit te komen bij het canonieke werk:
17
‘Wonder has not been alien to literary criticism, but it has been associated (if only implicitly) with formalism
rather than historicism. I wish to extend this wonder beyond the formal boundaries of works of art, just as I
wish to intensify resonance within those boundaries’ (Greenblatt 1990: 170). Greenblatts praktijk kan volgens
Stephen Cohen dan ook omschreven worden als een historisch formalisme (1995).
34
The turn to the historical anecdote in literary study promised both an escape from conventional
canonicity and a revival of the canon, both a transgression against the domestic and a safe return to it.
(Gallagher & Greenblatt 2000: 47)
In de vroege fase van het new historicism is duidelijk merkbaar hoe de anekdote geen afwending
van, maar slechts een zijwaartse benadering van de canon is. Greenblatt geeft, samen met Catherine
Gallagher, grif toe dat de canonieke tekst het uitgangspunt van het onderzoek was en dat de
verwonderlijke anekdotes in functie van die literaire tekst werden geselecteerd (2000: 47). Op deze
manier valt het vroege new historicism volgens Carolyn Porter ten prooi aan zijn eigen kritiek, want
door eenzelfde – zij het vreemde – sociale energie in alle discursieve praktijken te (willen) lezen (zie
Greenblatt 1988: 12; 1997a: 20), wordt de heterogeniteit van het verleden evenzeer op een
monologische wijze gereduceerd (1990: 57-58). Enkel anekdotes die dezelfde resonantie vertoonden
als de canonieke tekst overleefden het selectieproces voorafgaand aan de presentatie van het
onderzoek. De verwondering die de onderzoeker dan ook toonde in de presentatie van zijn
onderzoek wanneer hij vaststelde dat de anekdote als bij toeval op het canon leek, was dan ook vals
en niets meer dan een retorische ingreep (Fineman 1989: 75; Gallagher & Greenblatt 2000: 47).
Theoretisch gezien zou dit selectieproces niet mogen bestaan, maar zouden anekdotes arbitrair
moeten worden gekozen om de interne diversiteit van een cultuur aan te tonen (Pieters 2001: 126).
Het verleden is zo heterogeen en complex dat de onderzoeker in principe elke mogelijke anekdote
zou kunnen kiezen, deze vervolgens in een wat Walter Cohen ‘arbitrary connectedness’ (Cohen 1987:
34) noemt met de canonieke tekst verbinden, om zo uiteindelijk zijn punt duidelijk te maken.
Joel Fineman reageert heel wat enthousiaster op de manier waarop in het new historicism,
en in de essays van Greenblatt in het bijzonder, anekdotes worden geïncorporeerd (1989). ‘I want to
argue, on formal grounds’, zo begint Fineman zijn analyse, ‘that the anecdote, in significant ways,
determines the practice of historiography’ (Fineman 1989: 50). Het gebruik van anekdotes in
geschiedschrijving heeft, behalve vormelijke uitwerkingen, uiteraard ook metahistorische en
conceptuele implicaties. De formele eigenschappen van een historiografische representatie zorgen
ervoor dat lezers zich een beeld vormen over de metahistorische en conceptuele ideeën die
circuleren in die representatie (Phillips 2003a: 218; 2003b: 439; 2004: 127-128).18 De vorm is voor de
auteur vaak nooit een doel op zich, maar slechts een middel om iets bij de lezers te bereiken.
Maar wat wil Greenblatt nu nog meer met de anekdote bewerkstelligen? Behalve om de
waarneming van canonieke werken terug vervreemdend te maken, heeft Greenblatt met de
incorporatie van anekdotes tot doel zich te verzetten tegen de Hegeliaanse teleologische
18
Wanneer bijvoorbeeld twee werken dezelfde historische gebeurtenis representeren, maar dit in een andere
vorm doen, dan is het onvermijdelijk zo dat de lezers verschillende leeservaringen zullen hebben (zie Iser 1978:
20-22).
35
geschiedschrijving (Pieters 2001: 127). Frank Ankersmit benadrukt dat historiografen zich niet zozeer
bekommeren om de singulariteit van de gebeurtenissen, maar wel met de interpretatie van die
gebeurtenissen in een overkoepelend en vaak determinerend historiografisch model (1990: 138139). Welnu, in de zoektocht naar wetmatigheden poneerde Hegel het bekende dialectische model
van geschiedschrijving (Vermeersch & Braeckman 2008: 176-177). Het model bestaat uit een tot in
de eeuwigheid herhalende triade van een situatie (these), de reactie op die situatie (antithese) en
het resultaat van de botsing tussen beide (synthese) die dan opnieuw als een situatie fungeert die
een reactie uitlokt (Boone 2007: 187). Dit dialectisch model is zeer nomothetisch en generaliserend
(Boone 2007: 291), want het is volgens Fineman te sterk gedacht vanuit
an absolute, inevitable, inexorable teleological unfolding, so that, in principle, nothing can happen by
chance, every moment that participates within such Hegelian history, as the Spirit materially unfolds
itself into and unto itself, is thereby rendered timeless[.] (Fineman 1989: 57)
Volgens Fineman is dialectisch denken zo obsessief teleologisch van aard dat het de singuliere
gebeurtenissen in een wetmatig dwanglijf dwingt. Daardoor laat het geen plaats open voor de
gebeurtenissen zelf en is het te monologisch van aard. Er is immers geen enkele vorm van afwijking
of contingentie mogelijk. Al deze opmerkingen in gedachte, is een geschiedenis die aan dit model
beantwoordt, volgens Fineman, zelfs ‘not historical’ (Fineman 1989: 57). Greenblatts
geschiedopvatting moet gekaderd worden binnen de posthegeliaanse traditie van geschiedschrijving
(Fineman 1989: 59; Pieters 2001: 127). Deze traditie staat bijzonder sceptisch tegenover de
zogenaamde grote verhalen of metaverhalen, omdat ze een te determinerende interpretatie
opleggen aan de geschiedenis (Boone 2007: 238). Sinds het laatmodernisme, zo schrijft Jean-François
Lyotard, zit de tijd van het overkoepelende grand récit erop:
Dans la société et la culture contemporaine, société postindustrielle, culture postmoderne, la question
de la legitimation du savoir se pose en d’autres termes. Le grand récit a perdu sa crédibilité, quel que
soit le mode d’unification qui lui est assigné: récit spéculatif, récit de l’émancipation. (Lyotard 1979:
63)
De Hegeliaanse dialectiek is bij uitstek het prototype van zo’n grand récit en Greenblatt wil het
continuüm van de Hegeliaanse geschiedschrijving ondermijnen door meer aandacht aan de kleine
verhalen, de petites histoires, te besteden (Pieters 2001: 127; zie Greenblatt 1991: 2). Het dominante
realiteitseffect in de anekdotes breekt het overkoepelende historische narratief voor een deel open
(Fineman 1989: 61), want dat narratief is – zoals de ideologie – slechts een imaginair verhaal over de
concrete werkelijkheid (zie Althusser 1990: 123). Bovendien verzet de anekdote zich – als compact,
afgerond verhaal van een singuliere gebeurtenis vol contingenties – tegen de inbedding in dat
36
grotere historische narratief (Gallagher & Greenblatt 2000: 50). Anekdotes zitten vol contingenties
waardoor ze ‘uncertain of their bearings, disorganized, fragmentary’ lijken en niet kunnen worden
opgenomen binnen een teleologisch discours ‘that knows where it is going’ (Greenblatt 1991: 2).
Samenvattend is de anekdote, volgens Fineman, dan ook het enige literaire genre dat historisch
verantwoord is, want het is
the literary form that uniquely lets history happen by virtue of the way it introduces an opening into
the teleological, and therefore timeless, narration of beginning, middle, and end. The anecdote
produces the effect of the real, the occurrence of contingency, by establishing an event as an event
within and yet without the framing context of historical successivity. (Fineman 1989: 61)
Het new historicism wil nooit een totaliserend grand récit schrijven. ‘The task of understanding then’,
zo schrijven Gallagher en Greenblatt, ‘depends not on the extraction of an abstract set of principles,
and still less on the application of a theoretical model, but rather on an encounter with the singular,
the specific, and the individual’ (Gallagher & Greenblatt 2000: 6). Geschiedschrijving is een
ontmoeting met het singuliere verhaal en de anekdote is, als vertelling van een singuliere
gebeurtenis, het kleinste ondeelbare historiografisch deel: een historeem (Fineman 1989: 57).
3. Greenblatts historisch atomisme
Enter Lucretius. We zijn Lucretius al even uit het oog verloren, maar hier, in het hart van Greenblatts
historiografische praktijk resoneert het denken van Lucretius. De vergelijking tussen anekdotes en
atomen ligt voor de hand: als historemen zijn anekdotes net als atomen ondeelbare fundamenten,
maar daar eindigt de vergelijking niet. Lucretius beschrijft in het tweede boek van De rerum natura
hoe het hele universum is opgebouwd uit bewegende atomen (1992: 2.62-332). Deze atomen vallen
door hun eigen gewicht in een rechte lijn naar beneden, maar af en toe wijken ze een weinig van hun
rechte lijn af. Het gevolg is dat sommige atomen botsen, samenvallen (concillium) en zo nieuwe
materie vormen:
Illud in his quoque te rebus cognoscere avemus,
corpora cum deorsum rectum per inane feruntur
ponderibus propriis, incerto tempore ferme
incertisque locis spatio depellere paulum,
tantum quod momen mutatum dicere possis.
quod nisi declinare solerent, omnia deorsum,
imbris uti guttae, caderent per inane profundum,
nec foret offensus natus nec plaga creata
principiis: ita nil umquam natura creasset. (Lucretius 1992: 2.216-224)
37
One further point in this matter I desire you to understand: that while the first bodies are being
carried downwards by their own weight in a straight line through the void, at times quite uncertain
and uncertain places, they swerve a little from their course, just so much as you might call a change of
motion. For if they were not apt to incline, all would fall downwards like raindrops through the
profound void, no collision would take place and no blow would be caused amongst the firstbeginnings; thus nature would never have produced anything. (Lucretius 1992: 113)
Het bewijs voor deze theorie vindt Lucretius in zonnestralen. Als een zonnestraal binnenvalt in een
verduisterde kamer is te zien hoe sommige stofdeeltjes neerdwarrelen in onvoorspelbaar
verschillende richtingen (1992: 2.112-141). Het eerste argument dat Lucretius aanhaalt is wat Jeffrey
Purinton (Purinton 1999: 259) het kosmogonische argument noemt (Lucretius 1992: 2.216-250).
Niets ontstaat uit het niets, maar is opgebouwd uit samenvallende atomen (Lucretius 1992: 1.150).
De uiterst onvoorspelbare ‘atomic swerve’ (Smith 1992: xxxiii) of clinamen is een noodzakelijke
voorwaarde om nieuwe materie te vormen (Lucretius 1992: 2.243-250). Als atomen niet zouden
afwijken zou nooit iets nieuws kunnen worden gemaakt. Het clinamenbegrip resoneert al sterk in
Greenblatts beschrijving van de onvoorspelbaarheid van anekdotes (1991: 2), maar weerklinkt zelfs
woordelijk in de beschrijving van een anekdote. De anekdote is volgens Greenblatt ‘a swerve in the
ordinary and well-understood succession of events’ (Greenblatt 1990: 5; mijn cursivering). Welnu,
door deze swerves, deze anekdotes, op te nemen in zijn historiografisch model laat Greenblatt niet
alleen de noties kans en toeval toe, maar wordt zijn model voor het eerst zelfs echt historisch
(Fineman 1989: 62).
Greenblatt is uiteraard niet de eerste die anekdotes incorporeert in een historiografisch
model. Al sinds het begin van de westerse geschiedschrijving verwerkte Thucydides anekdotes in zijn
werk over de Peloponnesische Oorlogen (Fineman 1989: 50-57), en het werk van Herodotus is zelfs
zo goed als volledig opgebouwd rond anekdotes – de zogenaamde Ionische novelles (Trenkner 1958:
163-177). In “Le discours de l’histoire” wijst Roland Barthes erop dat die anekdotes vaak volledig
lijken te worden opgeslorpt binnen het overkoepelende historische narratief waarin ze als illustratie
worden aangehaald (1989: 127-140), maar wanneer de anekdotes aan een nauwkeurige lezing
worden onderworpen, onthullen deze vaak afwijkende boodschappen (Gallagher & Greenblatt 2000:
51). Het verschil met deze voorgaande pogingen is dat Greenblatt wel anekdotes aanhaalt, maar dit
nooit als illustratie van een totaliserende opvatting doet (Pieters 2001: 126).19 Net zoals Eric
Auerbach in Mimesis bij het litteken van Odysseus begint en eindigt met een overzicht van de
weergave van de werkelijkheid in de Europese letterkunde (2003: 3-23) – en dit alles zonder enig
19
Greenblatt is niet op zoek naar een integratief historiografisch werk, maar wil, opnieuw, de heterogeniteit
van het verleden zo goed mogelijk benadrukken en behouden (Pieters 2001: 126). Daarom stelt Pieters voor
dat, Ankersmits opmerkingen indachtig (Ankersmit 1990: 45-77), de verhalen die Greenblatt aanhaalt eerder
“micro-storia” worden genoemd, en geen “anekdotes” (Pieters 2001: 126).
38
programmatisch punt of ‘gestures toward a wholly integrated and sequential account, a history of
causes and effects’ (Gallagher & Greenblatt 2000: 33) –, zo ook kiest Greenblatt een op het eerste
gezicht nietszeggende anekdote uit, duidt hij de resonantie erin aan, en roept hij de heterogene en
complexe wereld van die anekdote op (Gallagher & Greenblatt 2000: 35-39). De incorporatie van
anekdotes is een verzetsdaad tegen de teleologische geschiedschrijving en in zijn verzet lijkt
Greenblatt de woorden van Siddharta aan te halen:
‘Wanneer iemand zoekt’, zei Siddharta, ‘dan kan het licht gebeuren dat hij alleen oog heeft voor
hetgeen hij zoekt, dat hij zichzelf niet toestaat om iets te vinden, verblind is omdat hij alleen maar aan
datgene denkt waarnaar hij op zoek is, omdat hij een omschreven doel heeft, en van dat doel bezeten
is. Zoeken betekent: een doel hebben. Vinden daarentegen: vrij zijn, open staan, geen doel hebben.
U, eerwaarde, bent misschien een zoeker, want terwijl u uw doel nastreeft, ziet u veel over het hoofd,
van wat zich dicht onder uw ogen ophoudt.’ (Hesse 1973: 128)
Wie te bezeten van een doel – een telos – aan geschiedschrijving doet, ziet veel over het hoofd.
Goede geschiedschrijving moet aandacht besteden aan de afwijkingen in de meest minieme details.
De geschiedenis is niet teleologisch, maar dialogisch: net als de plotruimte van een moderne roman,
is de “plot van de geschiedenis” gedecentraliseerd en evolueert hij tegelijkertijd in verschillende,
vaak onvoorspelbare richtingen, zonder evenwel noodzakelijk naar een ontknoping te leiden (zie
Keunen 2007: 92-96).
Door het atomisme en het principe van het clinamen te introduceren, verzet het epicurisme
zich tegen het noodlot. De afwijkingen zijn niet altijd zo toevallig, maar soms ook het gevolg van een
vrije wil van de atomen. In het tweede, libertaire argument om het bestaan van het clinamen aan te
tonen, stelt Lucretius dat hoewel het hele universum in een voortdurende staat van beweging is, een
persoon of dier er uiteindelijk zelf kan voor kiezen om die keten van beweging te starten:
nam dubio procul his rebus sua cuique voluntas
principium dat et hunc motus per membra rigantur (Lucretius 1992: 2.261-262)
For undoubtedly it is his own will in each that begins these things, and from the will movements go
rippling through the limbs. (Lucretius 1992: 115)
Opnieuw ziet Lucretius het bewijs in de empirische werkelijkheid. Wanneer de cellen aan het begin
van een paardenrace worden geopend, duurt het een fractie van een seconde vooraleer de paarden
beginnen te lopen (Lucretius 1992: 2.263-265). Het is gedurende die luttele fractie van een seconde
dat het paard zelf beslist om te lopen. Bovendien valt het af en toe ook wel eens voor, dat ondanks
de verwoede pogingen van de ruiter, een paard beslist om niet te lopen (zie Greenblatt 2011: 189).
Het principe van het clinamen zorgt ervoor dat atomen ‘at times quite uncertain’ (Lucretius 1992:
39
113) kunnen losbreken uit de eindeloos gedetermineerde, causale keten van het noodlot (Lucretius
1992: 2.251-293). Lucretius fundeert zijn argumentatie in het tweede, libertaire argument, op een
heuse cirkelredenering (Purinton 1999: 265). Als er geen clinamen zou zijn, zo stelt Lucretius, dan zit
alles vast in de greep van het noodlot en is vrije wil onmogelijk (1992: 2.251-260). Maar aangezien
vrije wil wel degelijk bestaat – dat is immers empirisch waarneembaar tijdens een paardenrace –
bestaat het clinamen noodzakelijkerwijs ook (Lucretius 1992: 2.261-293).
Purinton benadrukt dat, alhoewel het epicurisme de vrije wil propageert, de stroming
daarom niet stelt dat noodzakelijkheid niet bestaat (1999: 253-254). Zo is reeds aangetoond dat
volgens het epicurisme het bestaan van atomen en het clinamen een noodzakelijke voorwaarde is
voor de vrije wil, maar daarnaast is die vrije wil ook beperkt. Niet alles is zomaar mogelijk. Zo vallen
de atomen steeds neer en kunnen ze, zelfs als ze dat zouden willen, nooit omhoog gaan (Lucretius
1992: 2.184-215). Epicurus en zijn volgelingen waren libertaire atomisten (Purinton 1999: 254). De
vrije wil is beperkt, want op het laagste niveau blijft alles gedetermineerd.20 Deze epicuristische
opvattingen resoneren zeer sterk in Greenblatts denken. Net als Lucretius gaat ook Greenblatt ervan
uit dat een cultuur haar leden toestaat vrij te bewegen, maar deze vrijheid wel beperkt is (2005a: 11).
Greenblatt benadrukt keer op keer de mobiliteit van subjecten en hun invloed op de geschiedenis.
Het begrip self-fashioning impliceert immers dat elk subject zich volgens het principe van de vrije wil
kan vormen, maar alleen maar binnen de vastgelegde grenzen en denkkaders van een cultuur
(Greenblatt 1990: 163-164). ‘And these selves’, zo gaat Greenblatt verder,
conditioned by the expectations of their class, gender, religion, race and national identity, are
constantly effecting changes in the course of history. […] Agency is virtually inescapable. Inescapable
but not simple: new historicism, as I understand it, does not posit historical processes as unalterable
and inexorable, but it does tend to discover limits or constraints upon individual intervention.
(Greenblatt 1990: 164)
Instituten kunnen door de geplande acties van subjecten worden neergehaald; alles kon door de
onvoorspelbare, maar gewilde acties van subjecten anders zijn dan het is verlopen, maar toch blijven
deze subjecten gedetermineerd (Greenblatt 1990: 166). In het debat over agency neemt Greenblatt
een tussenpositie in tussen het humanistisch culturalisme en het antihumanistisch structuralisme
(Pieters 2001: 179). Het culturalisme propageert dat de individuele mens zelf betekenis geeft aan zijn
ervaringswereld en aldus zijn eigen geschiedenis bepaalt (Pieters 2001: 169). Culturalisten, zoals
20
Het debat over hoe vrij de mens is volgens het epicurisme is nog steeds volop aan de gang (Wendlandt &
Baltzly 2004: 43-44). Omdat de teksten van Epicurus over het clinamen niet zijn bewaard, zijn er heel wat
speculaties over wat Epicurus’ opvatting in verband met het clinamen en de vrije wil zou zijn (Purinton 1999:
259). Voor een overzicht van dit debat, zie Purinton (1999: 256) en Wendlandt & Baltzly (2004). Hoe het ook zij,
Greenblatt lijkt zich aan te sluiten bij de traditionele opvatting dat het clinamen een noodzakelijke voorwaarde
is voor vrije wil (2011: 189).
40
Raymond Williams, blijven nog steeds aanhangers van de traditioneel marxistische opvatting dat het
menselijke bewustzijn beïnvloed wordt door externe materiële processen, maar stellen wel dat het
individu zelfbewust de geschiedenis kan beïnvloeden en zo aan de materiële determinaties kan
ontsnappen (Pieters 2001: 173). Volgens het culturalisme zijn artistieke producten de beste
indicatoren om te zien hoe de ervaringswereld van de artiest gestructureerd is, maar ook hoe de
artiest deze ervaringswereld probeert te veranderen (Pieters 2001: 172), want alle menselijke
handelen is ‘an attempt to make a significant response to a particular objective situation’ (Williams
1980: 23). Het structuralisme, daarentegen, benadrukt de historische bepaaldheid van de mens en is
van mening dat geschiedenis de mens bepaalt en niet andersom (Pieters 2001: 179). Het klassieke
voorbeeld van dit antihumanistisch denken is Louis Althusser die zou stellen dat het individu niet in
staat is tot zelfvorming, maar zich alleen maar kan conformeren aan de waarden van de heersende
ideologie. Volgens dit sterk doorgedreven antihumanistisch denken evolueert geschiedenis dan ook
onafhankelijk van de subjecten (Pieters 2001: 176-177). Greenblatt positioneert zijn kritische praktijk
tussen beide in en zou het eens zijn met de bewoording van Karl Marx in de Achttiende Brumaire:
Men make their own history, but they do not make it just as they please in circumstances they choose
for themselves; rather they make it in present circumstances, given and inherited. (Marx 1996: 32)
Hoewel Greenblatt heel wat structuralistische ideeën overneemt in zijn definitie van cultuur (zie
2005a), vindt hij het antihumanisme te vergaand en probeert hij deze structuralistische
cultuurdefinitie in evenwicht te brengen door aan zijn werkwijze enkele culturalistische opvattingen
toe te voegen (Pieters 2001: 181-192). Ondanks deze culturalistische invloeden helt volgens Pieters
de balans nog steeds over naar de kant van het structuralisme (2001: 190). Hoe het ook zij,
Greenblatt is van mening dat de handelingen van subjecten de loop van de geschiedenis kunnen
beïnvloeden, maar die subjecten worden uiteindelijk wel gedetermineerd door de cultuur waarin ze
leven (Greenblatt 1990: 163; Pieters 2001: 195). Door de notie van een vrije wil toe te voegen aan
het structuralistische gedachtegoed, vertoont Greenblatts geschiedopvatting heel wat gelijkenissen
met het libertair atomisme van Lucretius.
In tegenstelling tot de teleologische rechte-lijn-denkers toont Greenblatt zich een
clinamendenker. Met deze term duid ik beoefenaars van een geschiedopvatting waarin aandacht
wordt besteed aan de contingentie en heterogeniteit van de geschiedenis. Een clinamendenker
herwaardeert de methodologische relevantie van anekdotes, die door het merendeel van de historici
wel als illustraties werden aangehaald, maar methodologisch als nugae (“onzin”) werden afgedaan
(zie Gallagher & Greenblatt 2000: 49). Anekdotes bieden verzet tegen een te eng structuralistische
aanpak. Door deze kleinste historiografische delen te bestuderen verschuift de aandacht van een
allesomvattend antihumanistisch macroniveau naar een microniveau waar de rol van het subject
41
terug geherwaardeerd wordt (Boone 2007: 220). Als clinamendenker besteedt Greenblatt aandacht
aan hoe een subject zijn tijd ervoer, want deze persoonlijke geschriften tonen vaak hoe subjecten
anders over hun tijd dachten dan het gangbare grand récit doet vermoeden (1980: 4, 2005a: 12).
Anekdotes zijn afwijkingen in de teleologie en verzetten zich aldus tegen een inbedding in een
totaliserend verhaal (Greenblatt 1990: 5, 1991: 2). De anekdote is het clinamen in de geschiedenis.
En deze afwijking werkt bevrijdend.
Zowel Lucretius als Greenblatt hebben met hun werk een bevrijdend doel voor ogen.
Lucretius wil, net zoals Epicurus, met filosofie de mens bevrijden van irrationele angsten en de
kwalijke gevolgen daarvan:
o miseras hominum mentes, o pectora caeca!
qualibus in tenebris vitae quantisque periclis
degitur hoc aevi quodcumquest! nonne videre
nil aliud sibi naturam latrare, nisi utqui
corpora seiunctus dolor absit, mensque fruatur
iucundo sensu cura semota metuque? (Lucretius 1992: 2.14-19)
O pitiable minds of men, O blind intelligences! In what gloom of life, in how great perils is passed all
your span of time! not to see that all nature barks for is this, that pain be removed away out of the
body, and that the mind, kept away from care and fear, enjoy a feeling of delight! (Lucretius 1992: 95)
haec igitur qui cuncta subegerit ex animoque
expulerit dictis, non armis, nonne decebit
hunc hominem numero divom dignarier esse? (Lucretius 1992: 5.49-51)
He therefore who has vanquished all these and cast them forth from the mind by words, not by
swords, will it not be proper that he be held worthy to be counted in the number of the gods?
(Lucretius 1992: 383)
Vrij zijn van de angst voor de dood, het goddelijke noodlot en de kwalijke gevolgen van religie is het
hoogste doel van Lucretius’ filosofie (1992: 2.251-293, 3.380-831, 5.1198-1240). Alleen wie vrij is van
al deze angsten en de pijn die ze met zich meebrengen, is waarlijk een autonoom individu en kan een
staat van ataraxia (“onverstoorbaarheid”) bereiken (Smith 1992: xxix). Wie gelukkig wil worden,
moet inzicht krijgen in de aard der dingen. Het besef dat het hele universum alleen maar uit
afwijkende atomen en niets anders bestaat, bant volgens het epicurisme alle angsten uit en maakt
het individu vrij om gelukkig te leven zonder al te veel zorgen (Greenblatt 2011: 199). Welnu,
Greenblatt heeft met zijn essays over afwijkende anekdotes tot doel om gaten te prikken in een
Hegeliaanse geschiedschrijving en aldus, in de eerste plaats, geschiedschrijving uit het dwanglijf van
42
de teleologie te halen en bovendien een grotere vrijheid aan het individu toe te kennen. Wat
Greenblatt keer op keer benadrukt is dat, hoewel voor sommigen de aanpak van het new historicism
ook vervalt tot een monologisme (zie Porter 1990), de interpretaties die het new historicism
aanbiedt uiteraard ook niet sluitend zijn. Geschiedenis is onvoorspelbaar en contingent. De grand
récits van weleer vertonen serieuze gaten, want geen enkel narratief is in staat de complexiteit van
het verleden te vatten en tot een stabiel verhaal te verwerken (Gallagher & Greenblatt 2000: 52).
Anekdotes openen de geschiedenis en ondermijnen voor waar aangenomen narratieven:
Approached sideways, through the eccentric anecdote, “history” would cease to be a way of stabilizing
texts; it would instead become part of their enigmatic being. (Gallagher & Greenblatt 2000: 51)
Deze uitvoerige bespreking van de functie van de historische anekdote brengt heel wat gelijkenissen
aan het licht tussen het libertaire atomisme van Lucretius en Greenblatts metahistorische
theorievorming. Samenvattend kunnen we stellen dat deze gelijkenissen directe of indirecte
indicaties zijn van Greenblatts fascinatie voor Lucretius. De invloed van het epicurisme op
Greenblatts theorievorming en kritische praktijk is echter nog veel verdergaand dan wat ik hierboven
heb uiteengezet. De ideeën van het epicurisme resoneren sterk in Greenblatts new historicism en
deze resonantie wordt nog duidelijker wanneer we overgaan tot het laatste onderdeel van dit
hoofdstuk en het swerve-begrip bij Greenblatt zelf aan een nauwkeurige studie en systematisering
onderwerpen.
4. “But nature to her bias drew in that”: the swerve in het new historicism
Het swerve-begrip duikt op in Greenblatts cultuurvisie. Ik heb reeds beargumenteerd dat Greenblatt,
net als Lucretius, van mening is dat subjecten hun leven zelf kunnen bepalen, zij het binnen de
bepalende beperkingen van hun cultuur (1990: 163). Welnu, die cultuur ziet Greenblatt als een
vluchtig netwerk van uitwisselingen – zij het van materiële goederen, ideeën, of menselijke subjecten
(2005a: 15). De uitwisseling van materiële goederen is te zien als een letterlijke uitwisseling in de zin
van het kopen, verkopen, of ruilen van goederen (Greenblatt 1988: 9). Een koper betaalt een
bepaalde som geld en krijgt voor die som bijvoorbeeld een tekstuitgave van Vergilius’ Aeneis.
Uiteraard worden de ideeën die in de Aeneis worden verwoord op deze manier ook uitgewisseld; een
letterlijke, materiële uitwisseling gaat niet zelden samen met een figuurlijke, ideële uitwisseling
(Greenblatt 2010c: 250). Ten slotte zijn ook mensen mobiel. Deze mobiliteit is enerzijds letterlijk op
te vatten in termen van een geografische beweging – denk maar aan de vele Vlamingen die via de
Red Star Line naar de Verenigde Staten emigreerden. Anderzijds is een culturele beweging te
verstaan als een figuurlijke beweging in bijvoorbeeld de vorm van sociale mobiliteit – wat Greenblatt
43
met het concept van zelfvorming vat. Dit alles doet Greenblatt concluderen dat een cultuur, net als
het universum volgens de epicuristische fysica, voortdurend in beweging is.21
Greenblatt vat deze culturele bewegingen op als intra- en interzonale bewegingen. Het is
immers zo dat een cultuur volgens Greenblatt is opgebouwd uit verschillende zones (Pieters 2001:
34-35), die ruwweg overeenkomen met wat Pierre Bourdieu velden noemt. Volgens Bourdieu is de
maatschappij onderverdeeld in verschillende leefwerelden of velden (1992).22 Elk veld heeft zijn
eigen handelingspraktijken – de habitus – en is daardoor relatief autonoom ten opzichte van andere
velden (Dubois, Emery & Sing 2000: 89). Deze habitus komt overeen met de subideologie van een
veld. Net als een ideologie heeft de habitus een materieel bestaan in de concrete acties van de
actoren van een veld, is hij niet alleen individueel, maar ook collectief, en wordt hij door de actoren
van het veld geïnterioriseerd (Bourdieu 1990: 59; Jenkins 2002: 75-75). Intern wordt elk veld
gekenmerkt door een niet aflatende strijd om kapitaal – zij het economisch of symbolisch – waarvan
het bezit gepaard gaat met macht en ervoor zorgt dat er in elk veld tussen de actoren hiërarchische
relaties ontstaan (Bourdieu 1992: 321). Wie veel kapitaal wil bezitten in een veld en aldus een rol van
betekenis wil spelen, moet zich gedragen volgens de habitus van het veld (Bourdieu 1979: vi, 23-24).
Wie zich immers niet aan de habitus houdt, wordt bestraft met symbolische repressie, en zal nooit
succesvol worden (Bourdieu 1992: 104). Het verschil tussen Bourdieus velden en Greenblatts zones,
is onder andere dat de zones bij Greenblatt strikt horizontaal gedacht moeten, terwijl de veldtheorie
van Bourdieu uitgaat van dominerende en gedomineerde velden (Bourdieu 1992: 76-84; Pieters
2001: 234). Bovendien is het zo dat alle velden zich bevinden in een overkoepelend machtsveld
(Bourdieu 1992: 300). Een ander verschil is dat Bourdieu het over de moderne maatschappij heeft,
terwijl Greenblatt de vroegmoderne maatschappij bespreekt. Ondanks deze verschillen, sluit
Greenblatts cultuurvisie wel aan bij Bourdieus opvatting dat, wil iemand succesvol zijn in een veld,
die persoon zich moet schikken naar de regels van dat veld en dat betekent dat, wanneer een
geproduceerd object vanuit het ene veld naar het andere wordt getransporteerd, aanpassingen
noodzakelijk zijn.
Welnu, deze aanpassingen staan centraal in Shakespearean Negotiations waar Greenblatt
zijn aandacht richt op het Elizabethaanse en Jacobijnse theater en onderzoekt op welke wijze
interzonale uitwisselingen van cultureel materiaal mogelijk zijn. Hij stelt vast dat de theaterstukken
van Shakespeare vaak eenzelfde, heterogene en onstabiele sociale energie bevatten als heel wat
21
Mark Robson merkt op dat Greenblatt over culturele processen vaak in termen spreekt van “botsen” en
“schuiven” (2008: 7). Volgens Robson ziet Greenblatt een cultuur dan ook als ‘a fluid and active process’
(Robson 2008: 7).
22
Voorbeelden hiervan zijn het politieke, economische, wetenschappelijke of literaire veld, of – specifieker –
het veld van de journalistiek of de haute couture.
44
historische anekdotes. Deze sociale energie wordt steeds in andere, steeds aangepaste vormen
gemedieerd en Greenblatt besluit dan ook dat
[t]he textual traces that have survived from the Renaissance […] are the products of extended
borrowings, collective exchanges, and mutual enchantments. They were made by moving certain
things […] from one culturally demarcated zone to another. We need to understand not only the
construction of these zones but also the process of movement across the shifting boundaries between
them. Who decides which materials can be moved and which must remain in place? How are cultural
materials prepared for exchange? What happens to them when they are moved? (Greenblatt 1988: 7)
Alle teksten – of het nu bijvoorbeeld wetteksten of gedichten zijn – zijn volgens Greenblatt de
producten van uitwisselingen. Greenblatts cultuurvisie vertoont zeer sterke gelijkenissen met de
epicuristische fysica. Waar op een macroniveau de cultuur, net als het epicuristische universum, in
een voortdurende staat van beweging is, speelt op een microniveau sociale energie dezelfde rol als
de atomen. Het is immers de sociale energie die onophoudelijk in beweging is en circuleert doorheen
de verschillende discursieve praktijken van een cultuur. Op zich is sociale energie, net als de atomen,
niet waarneembaar, tenzij ze een grotere vorm aanneemt en samenvalt of vastklit tot bijvoorbeeld
een theaterstuk. Bovendien is het zo dat een kunstwerk nooit zomaar uit het ijle ontstaat en net
zoals volgens het epicurisme alle objecten een samenvallen van atomen zijn, zo is elk kunstwerk
opgebouwd uit sociale energie (Greenblatt 1988: 12). Deze premisse stelt Greenblatt in staat om aan
een empirische cultuurwetenschap te doen – in de brede zin van het woord. Greenblatts poetics of
culture heeft, nogmaals, ten doel om de innerlijke diversiteit van een cultuur te analyseren aan de
hand van de singuliere verschijningsvormen (zie p. 36). In heel wat werken lijkt Greenblatt wel op de
cultuurwetenschappelijke tegenhanger van een fysicus die doorheen een microscoop de atomaire
structuur van een object waarneemt. In de “atomaire structuur” van theaterstukken, zoals
bijvoorbeeld Twelfth Night, ziet Greenblatt geen protonen, neutronen of elektronen, maar wel de
sporen van culturele mobiliteit.
Laten we even terugzwenken naar het essay “Fiction and Friction” en het opvallende verhaal
van Jeane le Febvre en haar huismeid Marie le Marcis. De treffende anekdote is niet het enige
verhaal van transseksualiteit in de vroegmoderne periode. Greenblatt opent het essay met een
anekdote uit 1580 die is opgenomen in het reisdagboek van Michel de Montaigne. Daarin vertelt
Montaigne een gelijkaardig verhaal als dat van Jeane en Marie, maar ditmaal over een vrouw die
besluit als man door het leven te gaan en verliefd wordt op een vrouw uit het Franse dorpje Montieren-Der (Greenblatt 1988: 66). Hun bruiloft leidt, net als die van Jeane en Marie, tot heel wat
commotie wanneer de man door een vorige dorpsgenoot herkend wordt als vrouw. Hierop wordt hij
door de autoriteiten voor de keuze gesteld om opnieuw als vrouw door het leven of de doodstraf te
45
ondergaan (Greenblatt 1988: 66). De man wil niet meer als vrouw leven en kiest ervoor om
opgehangen te worden. ‘I begin with this story’, zo schrijft Greenblatt, ‘because in Twelfth Night
Shakespeare almost, but not quite, retells it’ (Greenblatt 1988: 66). Twelfth Night vertelt het verhaal
van Viola die schipbreuk lijdt en aanspoelt in Illyrië (Shakespeare 1997: 1769, 1.2.1). Ze ziet zich
genoodzaakt om in dienst te treden bij Orsino, de hertog van Illyrië (Shakespeare 1997: 1770, 1.2.4360). Daarvoor vermomt ze zich als man en neemt ze de naam Cesario aan. In opdracht van de hertog
moet Cesario als boodschapper dienen en de gravin Olivia, op wie de hertog verliefd is, overtuigen
om met de hertog te trouwen (Shakespeare 1997: 1774, 1.5.28-41). Ook hier gebeurt het
onvermijdelijke en Olivia en Cesario worden verliefd. Door heel wat onvoorspelbare plotwendingen –
waaronder de plotse verschijning van Sebastian, de dood gewaande tweelingbroer van Viola – wordt
de in die tijd ongetwijfeld schandaleuze, homoseksuele bruiloft tussen Olivia en Cesario afgewend en
de ware identiteit van Cesario onthuld (Shakespeare 1997: 1818, 5.1.242-270). All’s well that ends
well: Olivia trouwt met Sebastian, en Viola huwt de hertog Orsino.
De gelijkenissen tussen Shakespeares komedie en Montaignes anekdote verleiden Greenblatt
om enkele counterfactual vragen te stellen:
What if Olivia had succeeded in marrying Orsino’s page Cesario? And what if the scandal of a marriage
contracted so far beneath a countess’s station were topped by a still greater scandal: the revelation
that the young groom was in fact a disguised girl? Such a marriage […] would make sense in a play that
had continually tantalized its audience with the spectacle of homoerotic desire: Cesario in love with
“his” master Orsino, Orsino evidently drawn toward Cesario, Antonio passionately in love with
Sebastian, Olivia aroused by a page whose effeminacy everyone remarks. (Greenblatt 1988: 66-67)
Hoewel er volgens Greenblatt weinig aanwijzingen zijn dat Shakespeare deze specifieke anekdote
van Montaigne heeft gelezen en er geen sprake is van een directe beïnvloeding, is de sociale energie
in Twelfth Night van eenzelfde soort als die in het verhaal over het koppel van Montier-en-Der
(Greenblatt 1988: 86). De vorm die het blijspel aanneemt is gelijkaardig, maar geenszins gelijk:
“almost, but not quite”. Waar in de anekdote van Montaigne – net als bij de anekdote over Jeane en
Marie – immers sprake is van een homoseksueel huwelijk, eindigt Twelfth Night daarentegen met
twee heteroseksuele bruiloften. Greenblatt vat het als volgt samen:
What happened in Montier-en-Der was against nature, in Twelfth Night events pursue their natural
curve, the curve that assures the proper mating of man and woman. To be matched with someone of
one’s own sex is to follow an unnaturally straight line; heterosexuality, as image of nature drawing to
her bias implies, is bent. (Greenblatt 1988: 68)
Het happy end van het stuk ziet Greenblatt als een ‘happy swerving’ (Greenblatt 1988: 68). Doordat
er uiteindelijk twee heteroseksuele bruiloften plaatsvinden in de plaats van de homoseksuele bruiloft
46
waarnaar de logisch gedachte plot aan het evolueren was, is de “natuurlijke” gang van zaken via een
plotwending hersteld (Greenblatt 1998: 68). Op het ogenblik dat de ware identiteit en het geslacht
van Cesario worden onthuld, zegt Sebastian de verliefde Olivia dat
So comes it, lady, you have been mistook.
But nature to her bias drew in that. (Shakespeare 1997: 1818, 5.1.259-260)
De verschijning van Sebastian als een deus ex machina zorgt ervoor dat de plot zwenkt en in zijn
“natuurlijke” plooi valt. Om die “natuurlijke” gang van zaken te omschrijven haalt Shakespeare een
metafoor aan uit het game of bowls: “but nature to her bias drew in that”.23 In het game of bowls is
de bias zowel de curve die de bal maakt om het doel te bereiken, als het gewicht dat in de bal wordt
geïmplementeerd om hem in onevenwicht te brengen en toe te laten een curve te laten beschrijven
(Greenblatt 1988: 68). Het is duidelijk dat Shakespeares Twelfth Night een invloed van het
epicurisme verraadt. Het clinamen is volgens Lucretius een noodzakelijk natuurverschijnsel om
nieuwe objecten te creëren en allesbehalve een goddelijke ingreep (Lucretius 1992: 6.43-702).
‘Nature is an unbalancing act’ (Greenblatt 1988: 68), zo interpreteert Greenblatt de subtekstuele
reflecties over seksualiteit in het stuk. Hoewel het niet ondenkbaar is dat sommige mensen zich
aangetrokken voelen tot leden van hetzelfde geslacht, zijn diegenen die niet afwijken van deze
rechte lijn van de homoseksualiteit, onnatuurlijk (Greenblatt 1988: 69). Het Elizabethaanse medische
discours beschrijft hoe sommige vrouwen met een bijzonder grote clitoris, zoals Marie le Marcis, hun
geslachtsdeel misbruiken als een penis om plezier op te wekken bij een andere vrouw (Greenblatt
1988: 83). Dit misbruik impliceert een afwijking van het normale doel van het vrouwelijke
geslachtsdeel. Dat doel is immers niet het geven, maar wel het ontvangen van plezier (Greenblatt
1988: 83). Met dit plezierbegrip geeft het medische discours gewag van eenzelfde epicuristische
ondertoon als Shakespeares blijspel. Het beleven van plezier is volgens het epicurisme immers een
van de drie criteria waarop kennis kan worden vastgesteld (Smith 1992: xxxi). De mens kiest
normaliter steeds wat plezierig is en gaat het pijnlijke uit de weg (Smith 1992: xxxi). Het plezier dat
een vrouw ontvangt bij de seksuele voorplanting is dus het bewijs van een goede, natuurlijke gang
van zaken en is volgens het Elizabethaanse medische discours bovendien een goddelijk teken dat de
enige manier van voorplanten een heteroseksuele curve is (Greenblatt 1988: 84). Wie dan ook
weerstand bood aan de natuurlijke curve, zoals de Virgin Queen Elizabeth I steeds volhield,
belemmerde de creatie van een nageslacht en werd door diezelfde maatschappij en culturele
constellatie waarin Elizabeth I nota bene monarch was, als staatsgevaarlijk beschouwd (Greenblatt
23
Dit balspel wordt nog steeds gespeeld en staat in Nederland en Vlaanderen bekend als bowls of koersbal en
is verwant aan petanque of jeu-de-boules. Het spel wordt gespeeld met aan één kant afgeplatte ballen die de
speler in een curve-beweging zo dicht mogelijk bij een klein balletje moet spelen.
47
1988: 69). De Elizabethaanse cultuur waarvan Shakespeares Twelfth Night een product is, toont zich
dus sterk Lucretiaans. Rechtlijnige creatie is onmogelijk; het clinamen is natuurlijk en noodzakelijk
voor de creatie van een nageslacht en het bewijs hiervoor is plezier.
Niet alleen Twelfth Night, maar ook Greenblatts lezing van het stuk verraadt epicuristische
invloeden. De komedie kent volgens Greenblatt heel wat afwijkingen of swerves. Deze afwijkingen
zijn niet zo toevallig, maar vormen de structurele onderbouw van het blijspel (Greenblatt 1988: 68).
Swerving in Twelfth Night, then, is at once a source of festive surprise and a time-honored theatrical
method of achieving a conventional, reassuring resolution. No one but Viola gets quite what she or he
consciously sets out to get in the play, and Viola gets what she wants only because she is willing to
submit herself to the very principle of deflection: “I am not that I play” [...]. She embraces a strategy
that the play suggests is not simply an accident of circumstance but an essential life-truth: you reach a
desired or at least desirable destination not by pursuing a straight line but by following a curved path.
(Greenblatt 1988: 70-71)
Wie succesvol een doel wil bereiken in het leven, zo leest Greenblatt de Elizabethaanse cultuur, moet
zijn doel niet in een rechte lijn benaderen, maar schuin. De mentale voorstelling die Greenblatt
maakt van deze swervebeweging is bijzonder interessant om te vergelijken met andere passages
waarin het concept voorkomt. De passage over Twelfth Night toont aan hoe Greenblatt de beweging
van het clinamen als een curve inbeeldt. De plot van het blijspel evolueert via een omweg naar het
vooropgestelde doel. Het clinamen is een boog, een omweg om obstakels uit de weg te gaan. De
metafoor die Shakespeare aanhaalt uit het game of bowls is evenzeer van toepassing op Greenblatts
swerve-begrip. Deze boogvormige voorstelling van het clinamen komt immers overeen met de
voorstelling die Greenblatt maakt van culturele mobiliteit.
Culturele mobiliteit kan volgens Greenblatt plaatsvinden door verschillende vormen van
uitwisseling (Greenblatt 1988: 8-11). Een van die modi waarop sociale energie kan worden
getransporteerd is de symbolische verwerving (symbolic acquistition) (Greenblatt 1988: 10). Dit is een
culturele uitwisseling waarin een sociale praktijk van de ene maatschappelijke zone naar de andere
wordt overgebracht door die praktijk op een symbolische wijze te representeren (Greenblatt 1988:
10). Tijdens zo’n uitwisseling kan sociale energie in een mimetische vorm van de ene naar de andere
zone in een maatschappij worden verplaatst (Greenblatt 1988: 10-14). Greenblatt stelt dat zo’n
mimetische weergave altijd vergezeld is door – en zelfs het product is van – verhandeling en
uitwisseling.24 Verhandeling is de noodzakelijke voorwaarde voor een succesvol transport van sociale
24
Greenblatt ziet deze mimetische weergave als een ‘negotiation and exchange’ (Greenblatt 1988: 12). Hoewel
het Nederlandse equivalent negotiatie bestaat, en dit net als de Engelse variant zowel een duidelijk financiële
als een figuurlijke betekenis heeft, is dit een verouderd woord en kies ik ervoor om de term verhandeling te
gebruiken.
48
energie en is gebaseerd op een economische logica van quid pro quo in (Greenblatt 1988: 10). Voor
wat hoort wat. De mimetische economie van uitwisseling betekent dat het uitgewisselde object
onderhevig is aan een opname van (appropriation) en tegelijk een afwijking (swerve away) ten
opzichte van de oorspronkelijke vorm (Greenblatt 1988: 159). Jürgen Pieters verduidelijkt zo’n
ogenblik van verhandeling. Volgens hem stelt Greenblatt vast dat als subversieve ideeën, die
circuleren doorheen een cultuur, naar de zone van het theater worden getransporteerd, ze niet
zelden worden gefictionaliseerd (Pieters 2001: 253). Een voorbeeld ter verheldering: in het
Jacobijnse theater werd het na 1606, ten straffe van het in die tijd exuberant hoge bedrag van £10,
verboden om Gods naam ijdel te gebruiken (Greenblatt 1988: 10). ‘This regulation’, zo schrijft
Greenblatt, ‘threatened to remove from the performances not simply a set of names but a whole
range of powerful energies, rituals, and experiences’ (Greenblatt 1988: 10). Het antwoord van de
theaterspelers en theatermakers op dit voorschrift was dat wat vroeger in Godsnaam werd
gezworen, vanaf dat ogenblik bij Jupiters baard werd geuit (Greenblatt 1988: 10). De verandering die
plaatsvond in het Jacobijnse theaterjargon is een voorbeeld van een metaforische verwerving, een
van de drie types van symbolische verwerving. De Romeinse god Jupiter vertoonde reeds heel wat
gelijkenissen met de christelijke god en werd daarom als metafoor voor Hem gebruikt (Greenblatt
1988: 10-11). Vloeken in de expliciete naam van God mocht niet, dus nam men in de zone van het
theater afstand van de naam en werd God gefictionaliseerd tot Jupiter. Op die manier werd, via de
metaforische omweg naar de Romeinse oppergod, een overtreding van de wet vermeden en
bovendien een veilig schot ingevoerd tussen de theatrale representatie en de “werkelijkheid”
(Greenblatt 1988: 11). Deze metaforische verwerving stelde theatermakers zoals Shakespeare in
staat om belangrijke sociale energieën die circuleerden doorheen de Jacobijnse cultuur en die door
de wet dreigden te verdwijnen uit de zone van het theater, toch te behouden. Wat Greenblatt
schrijft over Twelfth Night gaat ook op voor dit voorbeeld:
Shakespeare discovered how to use the […] power that the theater could appropriate, how to
generate plots that would not block or ignore this power but draw it out, develop it, return it with
interest, as it were, to the audience. (Greenblatt 1988: 88)
In een ogenblik van verhandeling brengt Shakespeare subversieve sociale energie op een
metaforische wijze ten tonele en benadrukt hij zo de subversieve ondertoon van de taalhandeling.
Vloeken bij Jupiters baard was een gedesautomatiseerde taaluiting in de Jacobijnse cultuur, gold als
een vorm van linguïstische foregrounding, en wekte een vervreemdend effect op bij de
toeschouwers in The Globe (zie Pieters 2001: 256). Het is een prototype voorbeeld van een ogenblik
van verhandeling. In de eerste plaats belichaamde Jupiter al heel wat kenmerken van de christelijke
god, en konden enkele eigenschappen eenvoudigweg overgenomen (appropriation) en toegepast
49
worden op de Romeinse oppergod. Tegelijk is de naamsverandering van God naar Jupiter een
vormelijke afwijking (swerve away) ten opzichte van de oorspronkelijke vorm. Het is een stap opzij,
een parodos, waardoor een kritische, vervreemdende blik op een deelaspect van de cultuur kan
worden geworpen. Door Gods naam achterwege te laten werkt de literaire taal van het theaterstuk
parodisch omdat ‘it allows for the contestation of certain fixed conceptions of the real by laying bare
their contingency and artificiality, their participation in what Lacan called the symbolic order’ (Pieters
2001: 209). De afwijkende, dramatische enscenering van een cultuur en haar inherente contradicties
stelt de zone van het theater in staat om te reflecteren over en een antwoord te bieden op die
cultuur (Pieters 2001: 211-212). Het swerve-begrip in ogenblikken van verhandeling is een stap opzij
voor obstakels en een fundamenteel creatieprincipe voor kritische reflecties.
Culturele uitwisselingen zijn volgens Greenblatt altijd onderhevig aan een economische
logica die stelt dat een rechtstreekse overname onmogelijk is (Greenblatt 1993: 118; Robson 2008: 34). Zelfs bij de meest eenvoudige en op het eerste gezicht ook rechtlijnige vorm van culture
uitwisseling, de appropriatie, is er immers sprake van een nauwelijks waarneembare, doch minimale
afwijking van de oorspronkelijke vorm (Greenblatt 1988: 9). Het is zo dat bij culturele mobiliteit de
afwijking niet altijd een drastische formele aanpassing hoeft te zijn om tot een succesvolle culturele
uitwisseling te leiden, maar de kleinste afwijking al voldoet en zelfs noodzakelijk is. Net als bij het
epicuristische atomisme, is het niet de grootte van het clinamen dat telt om iets nieuws te vormen,
maar wel het feit dat er een clinamen is:
quare etiam atque etiam paulum inclinare necessest
corpora; nec plus quam minimum, ne fingere motus
obliquos videamur et id res vera refutet.
namque hoc in prompt manifestumque esse videmus,
ex supero cum praecipitant, quod cernere possis;
sed nil omnino recta regioni viai
declinare quis est quid possit cernere sese? (Lucretius 1992: 2.243-250: mijn cursivering)
Therefore again and again I say, the bodies must incline a little; and not more than the least possible or
we shall seem to assume oblique movements, and thus be refuted by the facts. For this we see to be
manifest and plain, that weights, as far as in them lies, cannot travel obliquely, when they drop
straight from above, as far as one can perceive; but who is there who can perceive that they never
swerve ever so little from the straight undeviating course? (Lucretius 1992: 115; mijn cursivering)
Zelfs de kleinste afwijking kan enkele atomen doen botsen en tot een waarneembaar concillium van
atomen leiden (Greenblatt 2011: 188). Het clinamen is noodzakelijk, een rechtlijnige creatie is
onmogelijk (Lucretius 1992: 2.221-224).
50
Het swerve-begrip in ogenblikken van verhandeling is niet enige afwijking die als boog wordt
voorgesteld. Ook de grote culturele swerve die Greenblatt in zijn meest recente boek beschrijft,
voldoet aan dit mentale beeld. Het is zo dat de cultuurhistorische voorstelling die Greenblatt in The
Swerve geeft van de receptie van het epicurisme als zo’n boog wordt geconcipieerd. De cultuur van
de Renaissance was al op heel wat vlakken gelijkaardig aan de cultuur van Lucretius en de
ontstaanscontext van De rerum natura, nog vóór het gedicht door Poggio werd (her)ontdekt. In The
Return of Lucretius to Renaissance Florence benadrukt Alison Brown dat er reeds in het dertiende- en
de veertiende-eeuwse Firenze een interesse was voor het epicurisme die onder andere merkbaar is
in de geschriften van Boccaccio (2010: 3-4). Het renaissancistische Firenze werd bovendien
gekenmerkt door een opvallende religieuze openheid (Brown 2010: 10). Dit betekende niet dat het
geloof werd afgezworen – het was immers nog steeds ‘unthinkable not to have been a Christian’
(Brown 2010: 4) –, maar wel dat er meer en meer heterodoxe ideeën werden verwoord:
Italian city dwellers were as distrustful as the peasants in Montaillou of ideas that ran counter to their
everyday experience. A Dominican sermon in Florence’s cathedral in 1305 claimed that people no
longer believed either in paradise or in hell, and six years earlier a businessman of Tuscan origin
denied the possibility of resurrection. (Brown 2010: 10-11)
Mensen werden kritischer ten opzichte van de geloofsdogma’s, omdat hun ervaring deze dogma’s
tegensprak. Zonder het te beseffen, waren heel wat dorpelingen epicuristen aan het worden door
net als in de epicuristische epistemologie kennis af te leiden uit zintuiglijke gewaarwording (zie p. 6).
Deze heterodoxie, zo schrijft Greenblatt, werd zelfs geuit in een van de hoogste regionen van het
christelijke geloof: de pauselijke kanselarij (2011: 135-154). De vijftiende-eeuwse kanselarij was een
corrupt bureaucratisch apparaat dat gekenmerkt werd door een opmerkelijke dialoogcultuur die zich
uitte in humor (Greenblatt 2011: 139-141). Heel wat geleerden namen in hun zucht naar ambitie hun
collega’s op de korrel in bijzonder venijnige satirische geschriften. Dit blijkt onder andere uit de
literaire dialoog De curiae commodis (“Over de voordelen van de Curia”) van Lapo da Castiglionchio
de Jongere:
Quod si quando instituto sermone de rebus leviorubus devenitur ad iocum et dicacitatem, (magna est
enim omnibus in curia Romana obloquendi ac maledicendi libertas licentiaque permissa) nemini
parcitur, non modo absenti, sed ne praesenti quidem. Invehitur pariter in cunctos magno risu et
cachinno omnium. Cenae, popinae, lenocinia, largitiones, furta, adulteria, stupra flagitia in medium
proferuntur. (Lapo da Castiglionchio 1999: 174, 176).
But whenever a conversation about lighter matters comes up, if it turns toward jests and raillery (for a
great liberty and license is allowed in the Roman curia for reproaching and abusing) no one is spared,
whether he is absent or present, and everyone is equally attacked, to the great guffawing and laughter
51
of all. Dinner parties, tavern life, pandering, bribes, thefts, adultery, sexual degradation, and shameful
acts are publicly revealed. (Lapo da Castiglionchio 1999: 175, 177)
Deze vaak hoogst subversieve humor werd lange tijd getolereerd door de katholieke kerk. Pas in de
zestiende eeuw, onder toenemende druk van de Reformatie, werden deze subversieve satirische
praktijken in het hart van haar bureaucratisch apparaat voor de katholieke kerk onhoudbaar en
werden er pogingen ondernomen om ze in de kiem te smoren (Greenblatt 2011: 144). Het is dan ook
van een dergelijke venijnige sfeer, schrijft Greenblatt, dat Poggio zich terugtrok en op boekenjacht
trok, met de alom gekende (her)ontdekking tot gevolg (2011: 154). Ten slotte ontwaart Brown – zij
het na de (her)ontdekking van De rerum natura door Poggio – bij de gewone bevolking een steeds
toenemende bezorgdheid en angst voor de dood. Ze schrijft dat ‘[o]ne young woman in Bologna […]
admitted on her deathbed in the 1480s that despite putting all her hope in God, “I yet fear fear itself,
because I don’t know where I am going,”’ (Brown 2010: 13). Bovengenoemde verschijnselen tonen
aan hoe de cultuur van de Renaissance zo goed als klaar was voor de receptie van Lucretius’ gedicht.
Net als bij Greenblatts ontdekking van De rerum natura (zie 2011: 5), bracht de lectuur van het
gedicht geen nieuwe ideeën aan de dag, maar systematiseerde het enkele onsamenhangende
gedachten die reeds volop circuleerden doorheen de cultuur van de Renaissance. Het is volgens
Brown immers zo dat De rerum natura ‘in differing ways reflected contemporary concerns. By
helping to articulate them, [Lucretius’] poem gave them a “reality and concreteness” in a fifteenthcentury context that has hitherto gone unnoticed’ (Brown 2010: 15).
Het vijftiende-eeuwse Firenze weerspiegelde in heel wat aspecten het laatrepublikeinse
Rome. Greenblatt heeft oog voor deze gelijkenissen en beschrijft de receptie van het epicurisme dan
ook als een curve die aanvangt in de oudheid, over de “duistere” middeleeuwen heen gaat, om
opnieuw neer te dalen in de Renaissance op de denkbeeldig rechte tijdslijn die deze drie periodes
verbindt. De mentale voorstelling heeft veel weg van de traditionele, simplistische brugvoorstelling
die heel wat mensen hebben over de relatie van de Renaissance tot de oudheid:
52
C
B
A
oudheid
middeleeuwen
Renaissance
A: oorspronkelijke koers vóór het clinamen
B: plaats van het clinamen
C: nieuwe koers na het clinamen
Figuur 1: Mentale voorstelling van het clinamen in The Swerve
De beschrijving die Greenblatt geeft van de tocht van De rerum natura tot aan de (her)ontdekking
van Poggio in 1417 is een perfecte metafoor van een ogenblik van verhandeling. Het is immers zo dat
elke verhandeling van sociale energie gepaard gaat met een terugkeer (return) van die sociale
energie naar een andere zone:
We can say, perhaps, that an individual play mediates between the mode of the theater, understood
in its historical specificity, and elements of the society out of which that theater has been
differentiated. Through its representational means, each play carries charges of social energy onto the
stage; the stage in its turn revises that energy and returns it to the audience. (Greenblatt 1988: 14;
mijn cursivering)
Een theaterstuk zoals Macbeth waarin de sociale energie van heksenvervolgingen en
duiveluitdrijvingen wordt verhandeld tot het bekende verhaal over de Schotse koning, confronteert
het publiek met deze culturele problemen en wekt verwondering op (Greenblatt 1988: 101).
Wanneer het publiek na de opvoering (de zone van) het theater verlaat, dragen ze de geënsceneerde
ideeën met zich mee en sijpelen die aangepaste reflecties door in verschillende zones van de
maatschappij. Op die manier draagt het theater bij aan de productie van cultuur:
Why shouldn’t we say then that Macbeth, with its staging of witches and its final solution, probably
contributed, in an indirect but powerful way, to the popular fear of demonic agency and the official
persecution and killing of women? (Greenblatt 1993: 111: mijn cursivering)
Via de omweg in het theater wordt op “an indirect but powerful way” een nieuw discours
geproduceerd. Het clinamen wordt als een noodzakelijke boog voorgesteld die ervoor zorgt dat
53
sociale energie via de parodos naar de fictionele zone van het theater aangepast kan terugkeren in
‘the zone of the real’ (Greenblatt 1993: 110). The Swerve vertelt dan ook het metaforische verhaal
van een ogenblik van verhandeling: daar komt met de (her)ontdekking van Lucretius’ gedicht na een
omweg van zo’n duizend jaar het swerve-begrip bijna letterlijk terug in de wereld.
Er zijn echter aanwijzingen dat dit niet de enige mentale voorstelling van het clinamen is die
Greenblatt maakt. Deze boogvormige voorstelling zou immers een premisse van Greenblatts new
historicism onder druk zetten, omdat ze een breuk impliceert tussen de Renaissance en de
middeleeuwen. In Renaissance Self-Fashioning benadrukt Greenblatt net dat hoewel de Renaissance
heel wat historische veranderingen kende ten opzichte van de middeleeuwen, er geen sprake is van
een radicale discontinuïteit tussen beide periodes (Greenblatt 1980: 2; Pieters 2001: 41). In dat
opzicht zijn er misschien wel twee mentale voorstellingen mogelijk van de receptie van het
epicurisme. Enerzijds is er de receptie van het gedicht dat gevat kan worden in een boog.25 Anderzijds
is er de voorstelling van de impact van de receptie die meer aansluit bij de heersende mentale
voorstelling van het epicuristische clinamen. Voor die mentale voorstelling baseren heel wat
geleerden zich op de betekenis van het Griekse werkwoord kli/nw en de Latijnse pendant inclinare
die beide net als in het Nederlands de idee van een afwijking af inclinatie uitdrukken (Englert 1987:
17). Walter Englert vat deze opvattingen samen en geeft de beweging als volgt weer:
25
Daarmee wil ik echter niet stellen dat de (her)ontdekking van het gedicht door Poggio de enige keer was dat
het gedicht opdook sinds de oudheid. Zoals Greenblatt opmerkt, werden passages uit De rerum natura tussen
de vierde en negende eeuw vaak vluchtig geciteerd in grammaticale en lexicale compendia (2011: 12).
Bovendien haalde Isidorus van Sevilla in de zevende eeuw Lucretius aan als autoriteit op het vlak van
meteorologie en zijn er aanwijzingen dat het gedicht (her)ontdekt was en gekopieerd werd tijdens de
Karolingische renaissance (Greenblatt 2011: 12). Het verschil met Poggio’s (her)ontdekking was dat het gedicht
door de onophoudelijke aanvallen op de volgens het christendom atheïstische inhoud tijdens de voorgaande
eeuwen nooit in circulatie werd gebracht (Brown 2010: 2-3; Greenblatt 2011: 12-13). De subversieve sociale
energie werd opzettelijk uit circulatie gehouden door het christendom.
54
A
A
B
B
C
C
A: oorspronkelijke koers vóór het clinamen
B: plaats van het clinamen
C: nieuwe koers na het clinamen
Figuur 2: Mentale voorstelling van het clinamen in De rerum natura (Englert 1987:17)
Englert merkt op dat, hoewel de hoek van het clinamen vrij groot is weergegeven, deze afwijking al
de kleinst mogelijke kan zijn (1987: 18). De grote culturele shift die Greenblatt waarneemt in de
Renaissance is misschien niet zo radicaal als op het eerste gezicht blijkt en lijkt eerder op een kleine
koerswijziging – “nec plus quam minimum”– van de atomen (zie 2011: 10). Een kleine, niet radicale
discontinuïteit, maar met grote gevolgen. Hoe het ook zij, Englerts schema verschilt met de
boogvormige voorstelling van Greenblatt doordat het clinamen een verandering van richting uitdrukt
en het atoom van koers doet zwenken, waardoor het niet meer uitkomt bij een punt op de
oorspronkelijke rechte koers. Deze voorstelling sluit meer aan bij Greenblatts stelling dat de
(her)ontdekking van De rerum natura de wereld in ‘a new direction’ (Greeenblatt 2011: 11) deed
zwenken.
Dat Greenblatt er twee mentale concepties van het clinamen op nahoudt die elkaar niet
uitsluiten, wordt duidelijk in enkele passages uit zijn recente bijdrage aan wat hij de
mobiliteitsstudies, de studie van culturele mobiliteit, noemt. In het inleidende essay uit de door hem
samengestelde bundel Cultural Mobility licht Greenblatt de opzet van de mobiliteitsstudies toe. Deze
tak van de cultuurwetenschappen houdt zich volgens hem bezig met wat middeleeuwse theologen
contingentia noemden, onvoorspelbare afwijkingen in het goddelijke noodlot (Greenblatt 2010a: 16).
Deze contingenties zijn volgens Greenblatt, zoals al bleek uit de bespreking van de rol van de
historische anekdote, prototypische swerves. Greenblatt stelt deze definitie echter vrijwel
onmiddellijk bij door te stellen dat ‘to be fully convincing, mobility studies also need to account for
the intense illusion that mobility in on particular direction or another is predestined’ (2010a: 16).
Zonder een zekere, zij het minimale wetmatigheid, is elke vorm van wetenschap onmogelijk.
Greenblatt gaat verder en stelt dat het vaak zo is dat eenzelfde cultureel artefact een voorspelbaar
55
doel heeft en een onvoorspelbare swerve in de circulatie van dat artefact (Greenblatt 2010a: 17).
Wanneer Harriet Beecher Stowe in 1852 Uncle Tom’s Cabin schreef, had ze zich waarschijnlijk wel
ingebeeld een werk te schrijven dat de heersende opvattingen over slavernij in de Verenigde Staten
aanklaagde en wou veranderen. Wat ze echter niet voor mogelijk had kunnen houden is dat, zoals
Heike Paul in het essay “Cultural Mobility Between Boston and Berlin” beargumenteert, het boek een
belangrijke
invloed
zou
hebben
op
de
retoriek
van
de
negentiende-eeuwse
Duitse
feminismebeweging, een Russische boerenopstand tegen de contractarbeid zou inspireren, en het
protest van Engelse dienstmeisjes tegen huiselijk geweld zou voeden (Greenblatt 2010a: 17, Paul
2010). ‘The heart of movement’, zo besluit Greenblatt, ‘lies in the surprise of movement, the sense of
not quite knowing where the journey will end or even where it began’ (Greenblatt 2010a: 18-19).
Wanneer we het effect van Uncle Tom’s Cabin abstraheren en schematisch weergeven, bekomen we
de volledige mentale voorstelling die Greenblatt maakt van het swerve-begrip:
E
C
B
A
D
F
A: oorspronkelijke koers vóór het clinamen
B: plaats van het clinamen
C: nieuwe koers na het clinamen
D: culturele beperkingen
E: “the surprise of movement”
F: bedoelde eindpunt door middel van het clinamen
Figuur 3: Mentale voorstelling van het clinamen in Cultural Mobility
De bewegingen die Greenblatt als swerves voorstelt, schieten alle kanten op en lijken wel op de
kronkelige vorm van wat Gilles Deleuze en Félix Guattari in Mille Plateaux het rhizoom noemen
(1980). Met deze term, ontleend aan de botanie, duiden Deleuze en Guattari een gedachtebeeld aan
dat moeilijk te vatten is omdat het in verschillende onvoorspelbare richtingen evolueert. Welnu, net
als de kronkelige vorm van de ondergrondse wortel van een plant is het te verwachten resultaat van
een ogenblik van verhandeling – te vergelijken met de hoofdwortel – relatief eenvoudig te volgen,
56
maar schieten er heel wat andere swerves alle richtingen uit – de zijwortels – die steeds tot
verrassende resultaten leiden, omdat ze bijzonder moeilijk in kaart te brengen en te volgen zijn.
Een dergelijke, rhizomatische voorstelling van het clinamen, bestaande uit een boog en
vertakkingen, is misschien wel de belangrijkste bijdrage die Greenblatt levert aan de studie van het
epicurisme en Lucretius in het bijzonder. Dat de sleutel tot deze mogelijke interpretatie van het
clinamen niet in The Swerve ligt, maar wel indirect uit een ander werk gehaald wordt, maakt het des
te ironischer. Bovendien geeft het ook meer inzicht in de agens van het clinamen volgens Greenblatt.
Zoals reeds duidelijk is geworden, is Greenblatt ervan overtuigd dat menselijke agentes een clinamen
in gang kunnen zetten. Dat blijkt niet alleen uit de bespreking van heel wat ogenblikken van
verhandeling in Shakespearean Negotiations, waar de agens van verandering vaak niemand minder
dan de Bard is, maar ook uit het essay “Theatrical Mobility”. In dat essay beschrijft Greenblatt hoe hij
zich in de voetsporen van Shakespeare begaf tijdens het Cardenio-project. In samenwerking met
regisseur Charles Mee, schreef Greenblatt in 2003 een toneelstuk gebaseerd op Cardenio, een
verloren gegaan toneelstuk van Shakespeare en zijn jongere collega John Fletcher, Double Falsehood,
een theaterproductie van de achtiende-eeuwse dramaturg Lewis Theobald, en het eerste boek van
Cervantes’ Don Quixote (2010b: 82). De bedoeling van het project was om niet alleen een
theatervoorstelling te geven voor het brede publiek in Cambridge, Massachusetts, maar om de tekst
naar theatercompagnieën over de hele wereld op te sturen met de vraag om het stuk aan te passen
aan hun specifieke culturele constellaties (Greenblatt 2010b: 90). Op die manier wou Greenblatt tot
een beter inzicht komen in de werking van culturele mobiliteit, maar voor het zover kon komen,
dienden hij en Mee het stuk te schrijven en daarvoor moesten er heel wat aanpassingen worden
gedaan. Het schrijversduo paste in de eerste plaats de volgorde van de verhalen aan, te beginnen
met het omdraaien van het raamverhaal in Shakespeare en Fletchers Cardenio (Greenblatt 2010b:
85). Wat volgt in het essay is een opsomming van enkele mechanische en technische procedés als
toolkit voor verhandelingen (Greenblatt 2010b: 85-86). Aldus wekt Greenblatt de indruk op dat een
ogenblik van verhandeling zeer mechanisch is – en de basis is dat volgens hem ook – maar ‘once we
had established the basic structure of the play’, zo gaat hij verder, ‘the writing, the greater part of
which was done with astonishing facility by my collaborator, seemed anything but mechanical’
(Greenblatt 2010b: 86). Volgens Greenblatt kan iedereen een theaterstuk schrijven, maar is het niet
iedereen gegeven om een succesvolle verhandeling te bekomen. Alleen echte artiesten zoals Charles
Mee, zo lijkt Greenblatt te stellen, zijn in staat om een swerve in gang te zetten.
Met deze stelling wil Greenblatt uiteraard niet beweren dat er numineuze literaire genieën
bestaan die in hun genialiteit autonome werken kunnen schrijven. Deze autonomie heeft hij immers
al voldoende weerlegd (zie Greenblatt 1988: 4, 12). Wat hij wel bedoelt is dat sommige auteurs, zoals
Charles Mee, subjecten zijn ‘who had a special insight into the workings of the ideology of the
57
historical moment to which they belong’ (Pieters 2001: 216). Dit ideologisch inzicht vertaalt zich in
een beter begrip van de economische logica van culturele uitwisseling en resulteert niet zelden in
een kritisch kunstwerk. Hoewel Mee alle kwaliteiten van een goede artiest tentoonspreidt, blijft
Shakespeare voor Greenblatt nog steeds de Artiest par excellence, omdat hij zijn theaterstukken niet
al te teleologisch, met een welomschreven doel voor ogen, schreef, maar volgens het principe van de
open-ended appropriation werkte: ‘Shakespeare’s imagination worked by restless, open-ended
appropriation, adaptation and transformation’ (Greenblatt 2010b: 76). Shakespeare schaafde zijn
stukken steeds bij, waardoor ze steeds opnieuw verrasten en het publiek zo aangrepen.26 Een auteur
als Shakespeare neemt als het ware sociale energie op, geeft er een draaibeweging aan, en ziet pas
achteraf waar het stuk zal uitkomen. Shakespeare begreep als geen andere dat een auteur niet al te
veel druk mag uitoefenen op de sociale energie door haar een al te strak keurslijf op te leggen. Op
die manier laat hij haar de kans om in verschillende richtingen te zwenken. Sociale energie is immers
zeer onstabiel en kan plots, uit eigen beweging, net als de atomen door hun vrije wil, zelf van koers
veranderen (zie Lucretius 1992: 2.260-261). Een menselijke agens heeft wel invloed op het begin van
het clinamen, maar weet niet waar het zal uitkomen.
En dat is voor ons laatmoderne mensen misschien maar goed ook, vindt Greenblatt. ‘When it
occured, nearly six hundred years ago’, zo beschrijft hij het ogenblik waarop Poggio De rerum natura
(her)ontdekte in het klooster van Fulda,
the key moment was muffled and almost invisible, tucked away behind walls in a remote place. There
were no heroic gestures, no observers keenly recording the great event for posterity, no signs in
heaven or on earth that everything had changed forever. […] The finder of the manuscript could not,
of course, have fully grasped the implication of its vision or anticipated its influence, which took
centuries to unfold. Indeed, if he had an intimation of the forces he was unleashing, he might have
thought twice about drawing so explosive a work out of the darkness in which it slept. (Greenblatt
2011: 12)
5. Een poging tot conclusie
Het is duidelijk dat de fascinatie die Greenblatt als student al had voor Lucretius’ De rerum natura
zich vertaalt in de theorievorming en praktijk van het new historicism. Greenblatt probeert aandacht
te besteden aan de contingentie en heterogeniteit van de geschiedenis en profileert zich aldus als
een clinamendenker. Door zich in zijn kritische praktijk te richten op de vluchtige en moeilijk te
kaderen anekdotes, bevrijdt hij de literatuur- en cultuurgeschiedenis van het Hegeliaanse keurslijf
van het grand récit. De anekdotes zijn als kleinste, singuliere historiografisch deel te vergelijken met
26
Het bewijs voor deze eindeloze aanpassingen, ziet Greenblatt in het feit dat de theaterstukken van
Shakespeare nooit een vaste vorm hadden, wat zich vertaalde in het ontbreken van vaste tekstedities van zijn
werken (Greenblatt 2010b: 77).
58
de atomen in het epicurisme. Net als die atomen vlieden anekdotes alle kanten op en maken ze
bewegingen die niet te vatten zijn vanuit een al te strak teleologisch gedacht historische narratief.
Greenblatts metahistorische praktijk lijkt – direct of indirect – gemodelleerd op het Lucretiaanse
libertaire atomisme. Greenblatts visie op menselijk handelen sluit bovendien nauw aan bij de
epicuristische mensvisie. Het is zo dat Greenblatt, door zoveel aandacht te besteden aan de
afwijkende anekdotes, ervan overtuigd is dat menselijke subjecten in staat zijn om de geschiedenis te
beïnvloeden, zij het in omstandigheden die ze zelf niet kiezen. Subjecten hebben een beperkte vrije
wil die zich uit in het concept self-fashioning, wellicht Greenblatts belangrijkste bijdrage aan de
cultuurwetenschap. Bovendien speelt het clinamenprincipe, in een cultuur die sterk op het
voortdurend in beweging zijnde epicuristische universum lijkt, een even fundamentele rol in
Greenblatts denken over culturele mobiliteit als in de epicuristische fysica. Bij beide is het clinamen
een noodzakelijke voorwaarde voor creatie. De mobiliteitsstudies hebben volgens Greenblatt ten
doel om swerves te bestuderen en net als bij de studie van historische anekdotes, beseft hij dat er
altijd aspecten van culturele mobiliteit zijn die niet te vatten zijn in een overkoepelend narratief,
omdat er bij elke swerve steeds nieuwe swerves ontstaan en tot onverwachte en niet altijd te
overziene gevolgen leiden.
Kortom, Greenblatt profileert zich op theoretisch vlak als een clinamendenker. Deze wijze
van theoretische zelfvorming uit zich niet alleen in de theoretische concepten die Greenblatt
gebruikt, maar ook in de woordkeuze die hij in zijn vele essays en werken hanteert. Zoals indirect
duidelijk is uit enkele geciteerde passages, komt het werkwoord “to swerve” zo vaak voor in de
werken van Greenblatt – en dan met name in Shakespearean Negotiations – dat we kunnen spreken
van een duidelijke theoretische zelfvorming. Met het werkwoord duidt hij vaak aan hoe hij van de
ene op het eerste gezicht vergezochte anekdote naar een andere overgaat, of van de marge van een
tekst naar het centrum van een canoniek werk zwenkt. Een dergelijke plotse zwenking naar het
volgende hoofdstuk hebben we niet nodig. Het volstaat immers om het spoor van Greenblatts
zelfvorming als theoretisch clinamendenker te volgen om bij een ander, praktisch, aspect van deze
zelfvorming uit te komen. Wat ik in het volgende hoofdstuk zal doen, is meer aandacht besteden aan
The Swerve – het boek dan – dan in dit hoofdstuk, wanneer ik in Greenblatts expliciete bespreking
van de receptie van het epicurisme, en Lucretius in het bijzonder, een impliciete zelfvorming als
publieke intellectueel analyseer.
59
II.
The Swerve in de humane wetenschappen
Though the task seems to me much more difficult than it is often imagined, I am not averse to trying to
reach a larger readership. But I doubt that our specialized scholarly work can be successfully couched
in a marketable form for the general reader – assuming such a reader still exists – and I doubt that in
most cases we should try to do so. (Greenblatt 2003a: 425)
Slechts weinig auteurs, laat staan wetenschappelijke auteurs, zien hun werk op een bestsellerlijst
belanden. Stephen Greenblatt is hier een uitzondering op. Zijn meest bekende werk is ongetwijfeld
Will in the World, een biografie van Shakespeare (Greenblatt 2004). Het werk stond negen weken
lang op de New York Times bestsellerlijst (Donadio 2005), en werd genomineerd voor de National
Book Award (NBF 2007) en de Pulitzer Prize (TPP 2005) een prestatie die door slechts weinig andere
wetenschappelijke publicaties geëvenaard werd. Tot in september 2011 The Swerve werd
uitgebracht. Het boek werd niet alleen een bestseller, maar won in 2011 zelfs de prestigieuze
National Book Award in de categorie non-fictie (NBF 2011) en in 2012 de Pulitzer Prize in de categorie
algemene non-fictie (TPP 2012b). Hoewel Greenblatt in 2003 nog zijn twijfels had bij het welslagen
van zijn oproep, is hij er tot tweemaal toe in geslaagd aansluiting te vinden bij het brede publiek. In
een vorm kritische zelfvorming is hij erin geslaagd zich als publiek intellectueel te profileren. Hoe is
het hem gelukt? Een deel van het antwoord kunnen we opnieuw bij Lucretius vinden.
1. New historicism of new belletrism?
De kracht van De rerum natura ligt in het feit dat het gedicht op een voor velen – van Cicero en
Vergilius, over Poggio Bracciolini tot Greenblatt zelf – verbluffende wijze ingewikkelde
wetenschappelijke inzichten combineert met poëzie (Greenblatt 2011: 51). Greenblatt beschrijft hoe
Poggio, op het ogenblik dat hij het manuscript van De rerum natura (her)ontdekte, ‘would have seen
immediately that Lucretius’ Latin verses were astonishingly beautiful. […] He had encountered a
poem that conjoined “brilliant genius” in philosophy and science with unusual poetic power’
(Greenblatt 2011: 50-51). De formele kwaliteiten van het gedicht dienden vaak als excuus om de als
gevaarlijk bestempelde epicuristische filosofie te bestuderen en zorgden ervoor dat de ideeën van
60
het epicurisme konden circuleren en doorwerken tot in alle lagen van de maatschappij (Greenblatt
2011: 182-183). Lucretius besefte zelf dat heel wat lezers vooroordelen hadden ten opzichte van de
filosofie die hij propageerde. Het epicurisme werd reeds in de oudheid ten onrechte als een
orgiastische en verwilderde filosofie afgeschilderd en daarom ook aangevallen (Smith 1992: xl). Om
zijn moeilijk te aanvaarden boodschap beter te verkopen, besloot Lucretius dan ook om de filosofie
in een dichtvorm te gieten:
[…] quoniam haec ratio plerumque videtur
tristior esse quibus non est tractata, retroque
volgus abhorret ab hac, volui tibi suaviloquenti
carmine Pierio rationem exponere nostram
et quasi musaeo dulci contingere melle,
si tibi forte animum tali ratione tenere
versibus in nostris possem, dum perspicis omnem
naturam rerum qua constet compta figura. (Lucretius 1992: 1.943-950)
[…] since this doctrine commonly seems somewhat harsh to those who have not used it, and the
people shrink back from it, I have chosen to set forth my doctrine to you in sweet-speaking Pierian
song, and as it were to touch it with the Muses’ delicious honey, if by chance in such a way I might
engage your mind in my verses, while you are learning to see in what shape is framed the whole
nature of things. (Lucretius 1992: 59)
Men vangt meer vliegen met stroop dan met azijn, luidt het spreekwoord. En Lucretius besefte dit
maar al te goed. Zijn keuze voor een filosofisch leerdicht was een moeilijke, niet voor de hand
liggende en bewust afwijkende keuze. In de eerste plaats was de versmelting van poëzie met
wetenschap ten tijde van Lucretius ‘as rare then as it is now’ (Greenblatt 2011: 51), maar bovendien
sprak Lucretius’ leermeester Epicurus zich meermaals laagdunkend uit over dichters (Smith 1992:
xlix). Epicurus zou, volgens Diogenes Laertius, gezegd hebben dat ‘[o]nly the wise man will be able to
converse correctly about music and poetry, without however actually writing poems himself’
(Diogenes Laertius 2005: 647). Epicurus verweet dichters zoals Homerus en Hesiodus met lugubere
en angstaanjagende verhalen over goden de mensen ongegronde angsten in te boezemen (De Ley
2005: 314). Hoewel Epicurus dus allesbehalve een voorstander van poëzie was, was Lucretius van
mening dat het doel de middelen heiligt en het schrijven van De rerum natura was dan ook een
bewuste afwijking van de stichter van het epicurisme. En met succes: het gedicht werd al in de
oudheid als een “bestseller” beschouwd (Greenblatt 2011: 51-52).
Wat Greenblatts The Swerve dan weer tot bestseller maakt, is een gelijkaardige versmelting
van academische inhoud met een “zoete”, narratieve stijl. Het boek vertelt het verhaal van Poggio
61
Bracciolini die in 1417, naar alle waarschijnlijkheid in het klooster van Fulda, een manuscript van
Lucretius’ De rerum natura (her)ontdekte. Het verhaal begint met een karakterschets van Poggio:
In the winter of 1417, Poggio Bracciolini rode through the wooded hills and valleys of southern
Germany toward his distant destination, a monastery reputed to have a cache of old manuscripts. As
must have been immediately apparent to the villagers looking out at him from the doors of their huts,
the man was a stranger. Slight of build and clean-shaven, he would probably have been modestly
dressed in a well-made but simple tunic and cloak. (Greenblatt 2011: 14)
De rest van het werk leest als een soort historische roman doorspekt met heel wat anekdotes. Het
verhaal wordt voortdurend onderbroken door anekdotes die ten doel hebben om meer uitleg te
verschaffen over wetenschappelijke praktijken. Narratologisch gesproken wordt het verhaal dan ook
gepresenteerd met heel wat anachronieën in de opbouw. Daardoor valt het verhaal uiteen in een
aantal onderscheidbare delen, die echter telkens opnieuw naar de Poggio’s (her)ontdekking van De
rerum natura leiden (zie o.a. Greenblatt 2011: 49-50, 181-185, 203-205). De (her)ontdekking van het
gedicht fungeert als een narratief scharnierpunt in het verhaal en Lucretius speelt niet alleen een
belangrijke rol in The Swerve, maar geldt tevens als een poëticaal voorbeeld.
Greenblatt licht zijn academische poëtica toe in het inleidende essay van Learning to Curse.
Daar benadrukt hij dat hij een narratieve literatuurkritiek beoefent. ‘These essays reflect […] my will
to tell stories, critical stories or stories told as a form of criticism’ (Greenblatt 1990: 5). Greenblatt
doet aan literatuurkritiek door verhalen neer te schrijven waarover de lezer kritisch dient na te
denken. Deze narratieve literatuurkritiek manifesteert zich in de voorkeur voor anekdotes en de
essayistische vorm waarin Greenblatt zijn onderzoek presenteert. Mark Robson stelt dat Greenblatts
keuze voor het essay is ingegeven door ‘a desire to provoke the reader into thinking rather than
simply stating, in a magisterial way, what should be thought or done’ (Robson 2008: 45). Wat
Greenblatt dan ook beoogt met zijn narratieve literatuurkritiek, is de lezer actief te betrekken in het
kritische proces door geen voorgekauwde schrijfvorm te kiezen. Zijn essays hebben in zekere zin dan
ook ten doel om wat Gilles Deleuze een nooshock noemt (2005: 152-155) teweeg te brengen en de
lezer aan te zetten tot denken. Belangrijker is echter dat een essayistische vorm en de keuze van
anekdotes op theoretisch vlak vermijden dat er totaliserende conclusies kunnen worden gemaakt
(Robson 2008: 47).
Hoe het ook zij, Greenblatt schrijft zelf dat de keuze voor een narratieve literatuurkritiek niet
zozeer is ingegeven door de theoretische functie van het singuliere verhaal – belichaamd in de
anekdote – als wel door persoonlijke omstandigheden (1990: 6). Hij vertelt hoe zijn vader een
obsessieve drang had om verhalen te vertellen en hoe hij van thuis uit een persoonlijke fascinatie
heeft gecultiveerd om verhalen neer te schrijven en bovenal te delen met anderen (Greenblatt 1990:
62
8). Verhalen vertellen is een zeer belangrijke menselijke activiteit, stelt Greenblatt, aangezien hij er
sterk van overtuigd is dat verhalen in tijden van psychische moeilijkheden therapeutisch kunnen
werken (1990: 8). Door over zichzelf na te denken en te schrijven, kan iemand een kritische afstand
ten opzichte van zichzelf creëren en daardoor beter in staat zijn een oplossing te vinden voor de
problemen waarmee hij wordt geconfronteerd (Greenblatt 1990: 7-8). Deze therapeutische kracht
van literatuur, zo schrijft Greenblatt,
intensified my interest in narrative, it made me quite literally wish to get the narratives outside myself.
Hence perhaps the critical distance that I attempt to inscribe in and with the stories I tell, for the
narrative impulse in my writing is yoked to the service of literary and cultural criticism; it pulls out and
away from myself. (Greenblatt 1990: 8)
Greenblatt stelt deze narratieve drang om persoonlijke verhalen te vertellen in dienst van de
literatuurwetenschap en incorporeert deze persoonlijke anekdotes vaak in de weergave van zijn
onderzoek. Zoals we zullen zien, is The Swerve hier geen uitzondering op.
Jeffrey Williams merkte deze persoonlijke tendens van heel wat literatuurwetenschappers al
op aan het einde van de jaren ’90 van de twintigste eeuw. ‘Publicize your privates’ (Williams 1999:
414), roept hij uit, waarmee hij bedoelt dat de literatuurwetenschap aan het eind van de jaren ’90
van de vorige eeuw werd gekenmerkt door een autobiographical turn (Williams 1999: 414). De
literatuurwetenschappelijke publicaties werden, in tegenstelling tot de onpersoonlijke, ingewikkeld
filosofische en sociaal-wetenschappelijke stijl van de geschriften van de high theory, meer en meer in
een subjectieve, autobiografische stijl van belijdenissen geschreven (Williams 1999: 414).27 Deze
evolutie is Elaine Showalter, Greenblatts voorloper als voorzitter van de MLA in 1998, ook niet
ontgaan:
In the 1970s and 1980s, personal voices in academia were often muted in the interests of theoretical
analyses. In the 1990s, with the massive return of the emotional repressed in the form of novels,
memoirs, and personal essays, writers are discussing much more honestly and wrenchingly the
spiritual malaise within even successful university careers. (Showalter 1999: 321)
Het opvallende aan de nieuwe geschriften was dat ze vaak geschreven waren door gevestigde
academische waarden uit de tijd van de high theory en werden voorgesteld als een bevrijding van de
literatuur uit de klauwen van die theorie – waarin de auteurs nota bene zelf een belangrijk aandeel in
hadden (Williams 1999: 415-417). De teksten waren bedoeld voor een breder publiek van niet
gespecialiseerde lezers en werden daarom ook uitgegeven bij een niet louter academische uitgeverij
27
Hij noemt de nieuwe schrijfstijl in de literatuurwetenschap – als parodie op Confessions of the Critics, een
anthologie verzameld door Harold Aram Veeser (1996), die voorheen al de belangrijkste verzameling essays
van het new historicism uitgaf – het new confessionalism (Williams 1999: 414).
63
(Williams 1999: 418-420). Williams noemt deze tendens ‘the “Routledgizing” of academic publishing’
(Williams 1999: 429), waarmee hij bedoelt dat heel wat werken aan het eind van de jaren ’90 de
producten waren van een
shift to more discernibly marketable topics to produce books that are timely and “sexy,” in a more
attractive style, in shorter lengths, with larger print runs and with more attractive covers, and that
presumably garner larger audiences. This shift is due not to a loss of serious purpose […], but to the
material exigencies of university funding and the demand for academic presses to be self-supporting if
not profit-earning, as well as to the journalized ethos of the intellectual public sphere. (Williams 1999:
429)
Dergelijke publicaties werden gedetermineerd door een economische infrastructurele logica van
boekenwinkels zoals Barnes & Noble waar boeken, om zo snel mogelijk te worden verkocht, over hot
topics moesten gaan, terwijl de auteurs van die boeken – oprecht of onoprecht – leken te geloven in
een hoger doel om het brede publiek te verlichten. Deze boeken volgden het model van de
journalistiek en hadden ten doel om een groot publiek te bereiken en door hun verkoopsucces geld
uit de wacht te slepen voor verder onderzoek (1999: 429). ‘It is not so much for the sake of the public
[…], but for the sake of the profession, particularly in a time of contested material support’ (Williams
1999: 425). De meer literaire stijl en de persoonlijke vertelstem staan alleen maar ten dienste van het
einddoel van het werk: verkopen bij het brede publiek (Williams 1999: 17).
Williams noemt deze wending het new belletrism, omdat de schrijvers zich niet alleen als
literatuurcritici presenteerden, maar zich ook als bredere cultuurcritici in de stijl van bellettristen
zoals Matthew Arnold, John Stuart Mill en George Orwell profileerden (1999: 427-428). Williams
vraagt zich af waarom deze wending in de literatuurkritiek heeft plaatsgevonden en geeft een
eenvoudig antwoord: geld. Het nijpende tekort aan financiële ondersteuning, waar Greenblatt het in
zijn presidentiële toespraak nog steeds over heeft (2003a: 424), zorgde ervoor dat humane
wetenschappers een nieuwe afzetmarkt moesten vinden om zo nieuwe fondsgelden in de wacht te
slepen (Williams 1999: 417). Ook Showalter stelt dat deze tendens te verklaren is door de steeds
toenemende financiële druk en dat de persoonlijke geschriften een nostalgische terugblik zijn op
betere tijden waarin de humane wetenschappen vanzelfsprekend waren en gespaard bleven van
besparingen en een hoge publicatiedruk (1999: 318-321). Goedverkopende boeken, zoals Will in the
World en The Swerve, zorgen er volgens Williams voor dat de plaats van de humane wetenschappen,
en literatuurdepartementen in het bijzonder, wordt geherwaardeerd in de samenleving (1999: 417418). Critici zoeken hun toevlucht tot deze autobiographical turn om uit een ivoren toren te breken
en zien de wending als een noodzakelijke overlevingsstrategie van de humane wetenschappen.
Williams benadrukt dat het voor de auteurs meer is dan zomaar een poging om geld te verdienen
64
aan het bredere publiek en ziet het als een vorm van crossover criticism (1999: 420). Het is een
hybride vorm van literatuurkritiek die tussen de puur academische publicaties en het al te
vulgariserende werk in ligt (Williams 1999: 420). Hoewel de huidige toestand van de
literatuurwetenschap uiteraard niet gelijk gebleven is sinds de jaren ’90, werpt Williams’
argumentatie nog steeds licht op een boek als The Swerve. The Swerve is een vorm van crossover
criticism, het is versmelting van academische inhoud in een literaire stijl en is aldus een poging van
Greenblatt om aan kritische zelfvorming te doen door zichzelf te presenteren als publieke
intellectueel. Het is dan ook geen louter confessioneel werk, maar eerder een academisch werk
bedoeld voor het brede publiek.
In zijn presidentiële toespraak als voorzitter van de MLA schrijft Greenblatt dat het de taak
van de literatuurwetenschapper is om sociale energie die dreigt vergeten te worden in circulatie te
houden (Greenblatt 2003a: 423). Hij stelt zich ten doel om de resonante sociale energie in De rerum
natura, die hem zo persoonlijk aansprak, opnieuw in circulatie te brengen en voor een breed publiek
toegankelijk te maken. Greenblatt beseft echter maar al te goed dat het publiek niet zit te wachten
op zijn werk en dat hij dus zelf pogingen zal moeten ondernemen om uit de academische wereld te
breken en de waren aan de man te brengen (2003a: 424-425). Hij moet als een artiest zelf een
resonant verhaal maken, en de sociale energie in Lucretius’ gedicht opnieuw mobiel maken. Deze
mobiliteit, zo bleek al uit de bespreking van culturele mobiliteit (zie p. 44, 47), ‘is not the expression
of random motion but of exchange’ (Greenblatt 2005a: 15). Wanneer een artiest – in dit geval
Greenblatt zelf – materiaal van de ene culturele zone naar de andere wil verplaatsen, dan gaat dit
steeds gepaard met een uitwisseling (Greenblatt 2005a: 15). De veldtheorie van Bourdieu komt
opnieuw van pas wanneer we Greenblatts zelfvorming als publiek intellectueel bestuderen. Succes in
een veld hangt samen met de mate waarin een subject zich in zijn handelingen en denken aan de
habitus van dat veld houdt (Bourdieu 1979: vi, 23-24). Wie de habitus overtreedt, wordt bestraft met
symbolische repressie (Bourdieu 1992: 104). Wat Greenblatt dus moet doen, wil hij slagen in zijn
zelfvorming, is zich schikken naar de regels van het veld waarin hij wil publiceren en dat betekent,
volgens Greenblatts eigen theorievorming, verhandelen.
Ik heb reeds beargumenteerd dat verhandeling volgens Greenblatt een noodzakelijke
voorwaarde is voor een succesvol transport van sociale energie en een economische logica van quid
pro quo inhoudt (zie p. 48). Greenblatt kan niet zomaar een traditionele academisch werk schrijven
en hopen dat het aanslaat bij de brede lezer. Hij kan de sociale energie die vervat zit in Lucretius’
gedicht wel overnemen (appropriation), maar moet haar weergeven in een aangepaste, nietacademische versie (swerve away) (zie Greenblatt 1988: 159). Wil Greenblatts zelfvorming als
publieke intellectueel slagen, dan moet hij de mimetische economie goed begrijpen en zijn materiaal
succesvol laten zwenken (to swerve) van de ene zone naar de andere (2005a: 15). Hij moet aan
65
improvisatie doen. Improvisatie is de mentale pendant van het darwinistische idee van de natuurlijke
selecte. Beïnvloed door dezelfde sociale energie die in Lucretius’ gedicht zit (Greenblatt 2011: 262;
zie Lucretius 1992: 5.783-877), stelde Charles Darwin dat de soorten die zich het beste kunnen
adapteren aan hun omgeving een evolutionair voordeel hebben. Wie zich niet voldoende kan
aanpassen, sterft uit. Welnu, improvisatie is de mogelijkheid van een individu om zich op korte tijd
aan te passen aan veranderende omstandigheden en deze in zijn eigen voordeel om te buigen
(Greenblatt 1973: 41). Het is een vorm van mentale mobiliteit en kan vergeleken worden met de
aanname van een persona (Pieters 2001: 48-51). Hierbij is het van groot belang dat deze persona als
spontaan en natuurlijk overkomt (Greenblatt 1973: 38). Is dit immers niet het geval, dan wordt de
illusie van authenticiteit al gauw doorprikt en is de zelfvorming niet succesvol. Zelfvorming gebeurt
zo goed als altijd in en door taal (Pieters 2001: 51). Het talige aspect is zelfs van zo’n fundamenteel
belang dat Greenblatt spreekt over ‘narrative self-fashioning’ (Greenblatt 1980: 51). Ontleend aan
het denken van Michel De Certeau (1988) benadrukt Greenblatt namelijk dat het schrijven en
vertellen van verhalen bij uitstek een middel is om macht uit te oefenen en fundamenteel is voor de
identiteitsvorming van subjecten (Greenblatt 1990: 7-9). De kracht van de verbeelding is zo groot dat
ze nieuwe talige werelden kan construeren, de Ander aldus kan temmen en het Zelf in een
prominente plaats kan inschrijven in deze geconstrueerde werelden (Pieters 2001: 54-55).
Greenblatt baseert deze theorievorming rond verhalen onder andere op een persoonlijke
gebeurtenis uit zijn kindertijd. ‘My earliest recollections of “having an identity” or “being a self”, zo
schrijft hij, ‘are bound up with story-telling – narrating my own life or having it narrated for me by my
mother’ (Greenblatt 1990: 6). “Ik vertel je een verhaal, en ik vertel je wie ik ben”, is de logica van
zelfvorming. Dat verhaal hoeft niet eens over het subject zelf te gaan, maar kan, net als Greenblatts
moeder deed, over iemand anders gaan en toch nog een uitdrukking van iemands identiteit zijn
(2005b: 303). Vertellen en identiteitsvorming gaan hand in hand (Greenblatt 2005b: 303). Bijgevolg is
het mogelijk om uit de expliciete analyse en beschrijving van de hercirculatie van Lucretius’s gedicht
in The Swerve de impliciete zelfvorming van Greenblatt te analyseren. Wat Greenblatt in zijn analyse
projecteert, onthult heel wat over zijn persoonlijke zelfvorming. Greenblatt creëert al schrijvend zijn
(nieuwe) persona als publiek intellectueel door middel van de persoonlijke anekdotes en de
narratieve schrijfstijl van The Swerve. Hij is niet de stichter van het new historicism en de highbrow
academicus die hij slechts heel af en toe in zijn andere geschriften wel is, maar spreekt op een zeer
toegankelijke en vriendelijke toon het brede publiek toe. Hij is hun gelijke. Het dient hierbij echter te
worden opgemerkt dat hoewel Greenblatt zich voorstelt alsof hij hiërarchisch op gelijke hoogte staat
met zijn lezer, hij uiteraard een academische autoriteit blijft en hij onderwijst, net zoals de Meester
66
Epicurus (De Ley 2005: 323)28, de te ontvangen “waarheid”. Hoe het ook zij, de technieken van
Greenblatts zelfvorming worden duidelijk wanneer we enkele passages uit het boek aandachtiger
bekijken.
In het inleidende hoofdstuk van The Swerve vertelt Greenblatt hoe hij tijdens zijn studies aan
de universiteit van Yale op het einde van het academiejaar vaak naar de universitaire coöperatieve
boekenwinkel ging om er tussen de bakken vol afgedankte stockartikels te snuisteren in de hoop
enkele interessante boeken op de kop te tikken voor weinig geld. Op een dag kocht hij zo voor het
luttele bedrag van tien cent een Engelse vertaling van Lucretius’ De rerum natura. Het boek
vergaarde gedurende enkele maanden stof op zijn boekenplank, maar Greenblatt nam het in de loop
van de zomer in handen en begon er – zonder al te veel verwachtingen – in te lezen. Greenblatt was
blij verrast, want wat hij las fascineerde hem. Zo vertelt hij hoe hij volop genoot van het gedicht aan
Venus, de openingspassage van het eerste boek, maar ‘[w]hen I reached the beginning of a lengthy
exposition of philosophical first principles’, zo gaat Greenblatt verder,
I fully expected to lose interest: no one assigned the book to me, my only object was pleasure, and I
had already gotten far more than my ten cents’ worth. But to my surprise, I continued to find the book
thrilling. It was not Lucretius’ exquisite language to which I was responding. […] No, it was something
else that reached me, something that lived and moved within the sentences for more than 200
densely packed pages. (Greenblatt 2011: 2)
Greenblatt vertelt hoe Lucretius’ gedicht zo’n twee millennia nadat het geschreven werd nog altijd
een bijna numineuze kracht uitstraalt (2011: 3). Het doel van Lucretius’ gedicht was om de mens te
bevrijden van ongegronde angsten, zoals de angst voor toekomstig leed, de dood, de goden en het
noodlot (Smith 1992: xli; Vermeersch & Braeckman 2008: 81). De sleutel om deze angsten uit te
bannen, is het inzicht in de aard van de natuur en het besef dat alles in het universum – de planeten,
de aarde, het menselijk lichaam en de menselijke geest – materieel is en opgebouwd uit
onwaarneembaar kleine deeltjes, de atomen (Lucretius 1992: 1.483-643). Alle materie is een
samenvallen van atomen en is onderhevig aan een natuurlijk proces van begin en einde (Lucretius
1992: 2.1105-1174). Lichaam en geest zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en bij het overlijden
van het lichaam gaat de geest niet naar een hiernamaals, maar sterft ze af en valt ze, net als het
lichaam, terug uiteen in atomen (Lucretius 1992: 3.325-326, 3.455-458). Daarom concludeert
Lucretius dat
28
Het epicurisme was nog steeds sterk hiërarchisch opgebouwd (De Ley 2005: 325). De absolute leider, en
heiland was Epicurus, vlak onder hem stonden de zogenaamde geassocieerde leiders – de leeftijdsgenoten en
eerste volgelingen van Epicurus –, daarna kwamen de leraars en uiteindelijk de leerlingen (De Ley 2005: 325).
Epicurus had zo’n hiërarchische status bereikt, dat hij zelfs verafgood werd (Hibler 1984: 17).
67
Nil igitur mors est ad nos neque pertinet hilum,
quandoquidem natura animi mortalis habetur; (Lucretius 1992: 3.830-831)
Therefore death is nothing to us, it matters not one jot, since the nature of the mind is understood to
be mortal. (Lucretius 1992: 253)
Omdat Greenblatts moeder een panische angst had voor de dood en meermaals haar kinderen met
deze angst confronteerde, vinden de kernideeën van Lucretius’ gedicht gemakkelijk hun weg tot in
het diepste van zijn vezels (2011: 3-5):
I can, in any case, testify that, even in a prose translation, On the Nature of Things struck a very deep
chord within me. Its power depended to some extent on personal circumstances – art always
penetrates the particular fissures in one’s psychic life. The core of Lucretius’ poem is a profound,
therapeutic meditation on the fear of death, and that fear dominated my entire childhood. (Greenblatt
2011: 3)
Het dient gezegd: Greenblatt is een begenadigd schrijver met een soms meer dan gezonde voorliefde
voor retoriek. Door de trauma’s uit zijn kindertijd ontwikkelde Greenblatt een grote sympathie voor
de Lucretiaanse gedachte dat het ergste wat een mens kan overkomen niet sterven is en de eeuwige
folteringen in het hiernamaals ondergaan, maar wel leven met die angst voor dat hiernamaals. Deze
angst maakt immers niet alleen het eigen leven op aarde tot een levende hel (Lucretius 1992:
3.1023), maar ‘to inflict this anxiety on others’, zoals Greenblatt zijn moeder – desondanks haar
goede bedoelingen – verwijt, maakt ook andermans leven tot een hel en is niets minder dan
‘manipulative and cruel’ (2011: 5). We krijgen als lezers een inkijk in het persoonlijke leven van
Greenblatt. ‘This is a warm, intimate start to a warm, intimate book, a volume of apple-cheeked
popular intellectual history’ (Garner 2011), schrijft Dwight Garner in een recensie van The Swerve. De
persoonlijke touch van Greenblatt is de recensent niet ontgaan:
“The Swerve,” like “Will in the World,” brings us Mr. Greenblatt in his more cordial mode. He wears his
enormous erudition lightly, so lightly that most readers will forgive him for talking, at times, a bit down
to them. (Garner 2011)
Ook al doorprikt Garner Greenblatts zelfpresentatie als hiërarchisch gelijke (zie p. 65), dan nog merkt
hij de persoonlijke toon op in de schrijfstijl van Greenblatt. Het is deze licht erudiete, narratieve
schrijfstijl – Greenblatts persoonlijke sfragi/j of stempel op het werk – die het boek onderscheidt
van andere werken. Dit verschil wordt duidelijk wanneer we The Swerve vergelijken met een ander
werk.
68
2. Greenblattian Negotiations: The Swerve en The Return
De hoofdvraag die Greenblatt in Shakespearean Negotiations en in een groot aantal andere essays en
artikels bezighoudt, luidt als volgt: ‘how is the social energy inherent in a cultural practice negotiated
and exchanged?’ (1988: 12). Greenblatt wil inzicht krijgen in het proces waarop sociale energie van
het ene medium naar het andere en door de ene zone naar de andere wordt getransporteerd (1988:
5-7). Wat zijn de technieken van de verhandeling? Welnu, deze procedés en technieken worden
duidelijk wanneer Greenblatts eigen werk The Swerve wordt vergeleken met The Return of Lucretius
to Renaissance Florence van Alison Brown (2010). Browns boek is de presentatie van een gelijkaardig
en ongeveer gelijktijdig verschenen onderzoek naar de (her)ontdekking en hercirculatie van De rerum
natura, maar dan geschreven in een traditioneel academische vorm. Wanneer we beide boeken
vergelijken, valt de persoonlijke en niet-academische stijl van Greenblatts bestseller nog duidelijker
op. Hoewel The Swerve een goed onderbouwde wetenschappelijke publicatie is, zijn er nauwelijks
voetnoten of kruisreferenties te bespeuren. Het boek heeft wel een lijst met gebruikte literatuur en
maakt gebruik van eindnoten, maar het opvallende is dat er in de tekst zelf geen enkele referenties
aan die eindnoten worden gemaakt. De lezer wordt er zo op geen enkel ogenblik aan herinnerd dat
hij een academisch werk leest en wordt niet aangespoord om secundaire werken te raadplegen of de
gemaakte beweringen te controleren. Alleen wie er echt op gebrand is om meer te weten, kan –
zonder hulp van de auteur of uitgever – zelf op zoek gaan naar de eindnoten. Dat is zeker niet het
geval bij Browns werk. Brown maakt gebruik van voetnoten om haar bronnen aan te geven en alles
aan haar werk wijst op een traditioneel academische publicatie. Dit verschil in opmaak onthult al
enkele belangrijke zelfvormingstechnieken van Greenblatt. Door de ruimtelijke scheiding van het
bibliografische apparaat en de tekst wordt de institutionele verbinding met de academische wereld
tot een minimum beperkt.29 Het boek wil allesbehalve een academische uitstraling hebben. De
afschrikwekkende sociale magie van het werk wordt bedwongen (zie p. 3). Het boek moet voor
iedereen toegankelijk zijn. Bij verhandeling moeten er veranderingen worden doorgevoerd wil de
transport succesvol verlopen, maar er zijn grenzen aan de mogelijkheden. Sommige veranderingen
worden tegengehouden door gangbare conventies in een culturele zone (Greenblatt 1988: 17). Eén
van die conventies zijn de verplichte bibliografische verwijzingen aan het einde van het boek. Ook
Greenblatts The Swerve kan hier niet van afwijken.
Browns boek opent, net als The Swerve, met een persoonlijke insteek. In het voorwoord uit
Brown haar persoonlijke interesse voor haar studieobject:
29
Ook Will in the World heeft enkele bibliografische referenties bij de hoofdstukken, maar deze staan opnieuw,
net als bij The Swerve, gescheiden van de tekst. Opvallend is bovendien dat Will in the World noch voetnoten,
noch eindnoten heeft. Het boek wil op paratekstueel niveau een nog meer niet-academische uitstraling hebben
dan The Swerve.
69
This book reflects my longstanding interest in Lucretius and the attraction he held for Florentines in
the hundred years after the rediscovery of his poem De rerum natura (On the nature of things) in
1417. […] De rerum natura was copied in numerous manuscripts in Florence and then printed in
several different editions in Italy, raising question of what drew so many readers to this long and
difficult poem. (Brown 2010: vii)
Hoewel Brown, net als Greenblatt, haar persoonlijke betrokkenheid met het onderzoek benadrukt,
illustreert het vervolg het verschil tussen beide werken. ‘One of these readers was Bartolomeo Scala,
a miller’s son from the provinces who became chancellor of Florence in 1465’, gaat Brown verder,
When writing his biography in the 1970s, I had been intrigued by the fascination that Lucretius held for
Scala throughout his life, despite the critical stance he initially adopted towards this Roman poet in his
public role as chancellor. (Brown 2010: vii)
Het verschil met Greenblatt is dat Brown haar status als academica benadrukt. Om deze reden
spreekt ze beheerst over haar persoonlijke betrokkenheid met het onderzoek. Brown heeft tijdens
haar voorgaand academisch onderzoek een interesse voor Lucretius ontwikkeld en deze interesse is
zeker geen bijna religieuze fascinatie voor de dichter, zoals bij Greenblatt het geval is (Greenblatt
2011: 1-3). Integendeel, Brown is net nieuwsgierig om de kracht van De rerum natura op zo vele
gewone mensen, zoals Scala en Greenblatt, te analyseren (2010: x). Een academicus mag
geïnteresseerd zijn in zijn studieobject, maar dient zich te beheersen, zo lijkt Brown met deze
subtiele details te stellen. Ook al heeft Greenblatt, net als Brown, Lucretius voor het eerst leren
kennen in een academische setting (2011: 1), toch minimaliseert hij de banden met de academische
wereld zo veel mogelijk. Hij trof het gedicht aan tijdens het shoppen in een boekenwinkel en zonder
al te veel verwachting begon hij het op het eerste gezicht saaie boek te lezen (2011: 1-2). Greenblatt
benadrukt dat het enige doel van zijn lectuur, net als die van de doorsnee lezer, plezier was (2011: 2).
Het doel van al deze subtiele retorische ingrepen lijkt om de nadruk zo min mogelijk op de
academische wereld te leggen. Wanneer hij dan toch verwijst naar zijn academische loopbaan, is dit
steeds op een heel gemoedelijke en ongekunstelde manier:
I am committed by trade to urging people to attend carefully to the verbal surfaces of what they read.
Much of the interest of poetry depends on such attention. But it is nonetheless possible to have a
powerful experience of a work of art even in a modest translation, let alone a brilliant one. That is,
after all, how most of the literate world has encountered Genesis or the Iliad or Hamlet, and, though it
is certainly preferable to read these works in their original language, it is misguided to insist that there
is no real access to them otherwise. (Greenblatt 2011: 2-3).
70
Greenblatt gaat er – terecht – van uit dat kennis van het Latijn niet vanzelfsprekend is (2011: 2, 256).
Zijn eerste ontmoeting met De rerum natura was immers ook niet in de originele dactylische
hexameters, maar in ‘Martin Ferguson Smith’s workmanlike prose – clear and unfussy, but hardly
remarkable’ (Greenblatt 2011: 2). Lucretius’ gedicht en alle andere teksten worden steevast in
vertaling weergegeven en als er eens Latijn in een passage opduikt, zijn dit telkens amper enkele
eenvoudige woordjes, steeds vergezeld van een vertaling. In The Return of Lucretius worden de
geciteerde passages ook in vertaling weergegeven, maar komt er iets meer Latijn, zij het nog steeds
weinig, aan te pas. Greenblatt lijkt zich dan ook te portretteren als de doorsnee lezer die geen
waardeoordelen schuwt en de pracht van literatuur af en toe wil benadrukken. Hoewel Greenblatt
de taal van De rerum natura mooi vindt, beseft hij maar al te goed dat hij niet te hautain mag
overkomen voor het brede publiek dat enkel in aanraking komt met de klassieke literatuur door
middel van moderne vertalingen.
Het brede doelpubliek moet niets hebben van het duistere vakjargon en daarom schrijft
Greenblatt zo eenvoudig en zo helder mogelijk. Zowel The Swerve als The Return of Lucretius
behandelen de boekgeschiedenis en de circulatie van manuscripten. Het verschil in behandeling is
interessant om van naderbij te bekijken. Wanneer Greenblatt het over de boekgeschiedenis heeft,
doet hij dit op een zeer eenvoudige en toegankelijke manier. Hij doet het zelfs zo eenvoudig dat de
doorsnee bachelorstudent die een inleidend vak paleografie heeft gevolgd al meer kennis van de
materiële geschiedenis van het boek bezit dan in The Swerve wordt beschreven. Greenblatt legt de
basis van de hele praktijk van het kopiëren van boeken uit, inclusief een beschrijving van het alle
opmerkelijke en voor een moderne lezer vaak bizarre materiaal (2011: 36-44). Bovendien stoffeert
hij zijn uiteenzetting met heel wat anekdotes over scribae (2011: 40-42) en details over de
boekenworm – de echte dan (2011: 80-86). Dit alles valt zeer in de smaak van de recensenten:
The details that Mr. Greenblatt supplies throughout “The Swerve” are tangy and exact. He describes
how one of the earliest versions of a fluid for repairing mistakes on a manuscript — Whiteout 101 —
was a mixture of milk, cheese and lime. He observes the hilarious complaints that overworked monks,
their hands cramped from writing, sometimes added to the margins of the texts they were copying.
(Garner 2011)
Greenblatts bespreking lijkt een zeer toegankelijke en gevulgariseerde inleiding tot de
boekgeschiedenis te zijn. Het verschil met Brown is dan ook opmerkelijk. De circulatie en de
manuscriptentraditie van De rerum natura staan ook centraal in haar boek en op het einde van haar
werk is een traditionele, technische uiteenzetting toegevoegd van het stemma codicum van het
Vaticaanse manuscript (MS Vat. Rossi 884) dat door Niccolò Macchiavelli is getranscribeerd (2010:
113-122). In deze uiteenzetting maakt Brown gebruik van het typische filologische vakjargon en komt
71
haar schrijfstijl als te ontoegankelijk voor het brede publiek over. Wanneer Brown in het tweede
hoofdstuk van haar boek de circulatie van Lucretius’ gedicht in het vijftiende-eeuwse Firenze
behandelt, doet ze dit door de directe citaten van het werk in de humanistische traktaten van onder
andere Ficino en Scala te bestuderen (2010: 16-41). Het begin van het hoofdstuk is een lange
opeenvolging van citaten en dit alles resulteert in een typisch academische bewijsonderbouwing die
niet geschikt is voor een breed publiek (2010: 16-21). De anekdotische schrijfstijl van Greenblatt
vormt een wereld van verschil en laat hem overkomen als een academicus die maar al te goed beseft
wat zijn lezer wil: geen technische uiteenzetting van het stemma codicum van een manuscript van De
rerum natura of een opeenstapeling van citaten, maar eenvoudigweg – zij het wel correct – verhalen
hoe het is overgeleverd, zonder de levendige details over kopiisten en kloosters evenwel te vergeten.
Greenblatts levendige schrijfstijl slaat aan bij het brede publiek en is het prototype voorbeeld
van wat hij energeia noemt (Greenblatt 1988: 5-6; 1993: 121-122). Deze schrijfstijl is de
noodzakelijke vorm die ervoor zorgt dat de sociale energie die in elk werk vervat zit, geactiveerd en
geactualiseerd wordt (Greenblatt 1988: 6). Greenblatt ontleent het concept energeia aan Aristoteles,
die met de term een zeer energieke schrijfstijl aanduidt die door onder andere het gebruik van
metaforen in staat is om levenloze objecten als levend te beschrijven (1984b: 3.10.1411a25-b21). De
dichter kan, volgens Aristoteles, met het gebruik van mimetische taal de lezer doen geloven dat hij
ooggetuige is van wat hij leest, omdat wat hij leest zich voor zijn ogen lijkt af te spelen (1984a:
17.1455a.22-26; 1984b: 3.11.1411b24-28). Greenblatt spreekt van een zeer dramatische, bijna
theatrale weergave van de resonante sociale energie: de sociale energie die als een Derridiaanse
afwezige aanwezigheid in een tekst zit, wordt pas waarneembaar wanneer de vorm van de
representatie beantwoordt aan het principe van de energeia (Greenblatt 1993: 121-122).30
In het essay “Toward a Poetics of Culture” beargumenteert Greenblatt dat de mate waarin
een kunstwerk op een succesvolle wijze sociale energie kan verhandelen en transporteren doorheen
verschillende zones, gemeten wordt aan de hand van de opgewekte interesse en het plezier bij de
toeschouwer (1990: 158). Elk kunstwerk heeft een vormende kracht op de maatschappij, die groter
wordt naarmate het werk meer interesse en plezier kan opwekken (Greenblatt 1990: 157-158). De
kracht van het Elizabethaanse en Jakobijnse theater lag, volgens Greenblatt, voor een groot deel in
het verschaffen van plezier aan de toeschouwer. Het doel van elk toneelstuk was nog steeds
vermaak, zoveel vermaak ‘that the audience will pay for it again and again’ (Greenblatt 1988: 135).
Shakespeare wist als geen andere om de boodschap van zijn theaterstukken ondergeschikt te maken
aan het vermakende doel en net daardoor de boodschap des te beter te laten overkomen op zijn
30
De gelijkenis in terminologie tussen energeia, de actualiserende vorm, en sociale energie, de geactualiseerde
inhoud, is niet toevallig. De Griekse term ‘is the origin in our language of the term “energy”, a term I propose
we use, provided we understand that its origins lie in rhetoric rather than physics and that its significance is
social and historical’ (Greenblatt 1988: 6).
72
publiek (Greenblatt 1988: 135). De techniek die Shakespeare in staat stelde om dit te doen, noemt
Greenblatt emptying out (1988: 138). De term vertoont zeer sterke gelijkenissen met het
clinamenbegrip (swerve away) bij verhandelingen. De sociale energie van een representatie kan
immers in een nieuw medium worden overgenomen door naast de vorm aan te passen ook de
boodschap lichtjes uit te hollen (Greenblatt 1988: 126). Een directe overname is onmogelijk:
Greenblatt zou nooit dezelfde academische stijl als Alison Brown kunnen behouden, vervolgens met
het boek naar een niet-academische uitgeverij stappen en hetzelfde resultaat hopen te boeken als
wanneer hij de schrijfstijl herwerkt. Inhoudelijk dienen er ook aanpassingen worden gemaakt: het is
onmogelijk om het hele stemma codicum uit te leggen, zonder de aandacht van de brede lezer te
verliezen. Sociale energie kan enkel cultureel mobiel worden als er aanpassingen gebeuren aan de
representatie waarin die energie zit vervat (Greenblatt 2010a: 7-13). Dit alles bewijst Greenblatts
argumentatie dat succesvolle verhandeling niet in een rechte lijn werkt, maar wel schuin en het liefst
nog met ‘a drastic swerve’ (Greenblatt 1988: 126). Het hart van Greenblatts denken toont zich
opnieuw heel Lucretiaans.
Behalve het epicurisme, speelt ook het denken van Aristoteles een belangrijke rol in
Greenblatts theorievorming over de waarde van plezier. De contingente anekdotes die Greenblatt in
The Swerve aanhaalt zijn niet alleen bedoeld om, opnieuw, de onvoorspelbaarheid en heterogeniteit
van het verleden aan te tonen, maar ook om verwondering en plezier op te wekken. Greenblatt
benadrukt keer op de keer de waarde van plezier. Hij doet dit in een reactie tegen de traditionele
literatuurhistorici met wie hij tijdens zijn opleiding aan de universiteit van Yale werd geconfronteerd
(1997b: 474). Deze waren, volgens Greenblatt, zo afgestompt door het new criticism dat hun
geschriften, op enkele uitzonderingen na, volstonden met ‘surly defensives and pedantic bluster’
(1997b: 474). Deze literatuurhistorici hielden zich alleen maar bezig met oorzakelijke gevolgen,
positivistische bronnenstudies en banden consequent alle esthetische oordelen uit de
literatuurkritiek (Greenblatt 1997b: 474-475). Als reactie hierop herwaardeert Greenblatt in zijn
kritische praktijk de persoonlijke betrokkenheid met de literaire tekst en de rol van plezier hierin:
Pleasure is an important part of my sense of literature – that is, part both of my own response (for
pleasure and what I have called disturbance are often identical) and of what I most wish to
understand. I am frequently baffled by the tendency especially in those explicitly concerned with
historical or ideological functions of art to ignore the analysis of pleasure or, for that matter, of play.
[...] Literature may do important work in the world, but each sentence is not hard labor, and the
effectiveness of this work depends upon the ability to delight. You certainly cannot hope to write
convincingly about Shakespeare without coming to terms with what Prospero at the end of The
Tempest claims was his whole "project": "to please". (Greenblatt 1990: 9)
73
Greenblatt toont zich in deze passage opnieuw beïnvloed door de aristoteliaanse poëtica en retorica.
Aristoteles verbindt verwondering met plezier en stelt dat het aanleren van nieuwe ideeën en
verwonderd zijn, activiteiten zijn die beide plezier verschaffen (1984a 4.1148b12-17; 1984b:
1.11.1371a31-b10). In tegenstelling tot Horatius en Plutarchus, is Aristoteles van mening dat poëzie
niet tegelijk plezierig (dulce) en instructief (utile) beoogt te zijn, maar wel plezier wil verschaffen door
instructief te zijn (Biester 1997: 24). Hij beargumenteert dat dramatische afwijkingen de meeste
verwondering en plezier verschaffen en dat wanneer nieuwe inzichten worden aangeleverd in een
ongebruikelijke taal dit eveneens resulteert in verwondering en plezier (1984b: 3.10.1410b10-14).
Greenblatt stelt het new historicism net als het epicurisme ten doel om plezier te verschaffen. Hij wil
bij zijn lezers plezier opwekken door verwondering en doet dit door de incorporatie van anekdotes.
De anekdote als afwijking (swerve) in een teleologisch gedachte geschiedschrijving fungeert ‘less as
explanatory illustration than as disturbance, that which requires explanation, contextualization,
interpretation’ (Greenblatt 1990: 5). Het is deze verstoring van de teleologie die plezier verschaft,
want het slaat de lezer met verwondering – ‘for pleasure and what I have called disturbance are
often identical’ (Greenblatt 1990: 9). Dit plezier is echter noch te vergelijken met het door de
eeuwenlange christelijke vijandigheid ten onrechte aan het epicurisme toegeschreven, orgiastische
lichamelijke plezier (zie Greenblatt 2011: 101-102), noch met het mentale epicuristische plezier dat
verwoord wordt in een van de bekendste passages van De rerum natura:
Suave, mari magno turbantibus aequora ventis,
e terra magnum alterius spectare laborem;
non qui vexari quemquast iucunda voluptas,
sed quibus ipse malis careas quia cernere suave est. (Lucretius 1992: 2.1-4)
Pleasant it is, when on the great sea the winds trouble the waters, to gaze from shore upon another’s
great tribulation: not because any man’s troubles are a delectable joy, but because to perceive what
ills you are free from yourself is pleasant. (Lucretius 1992: 95)
De afwezigheid van pijn (a)poni/a) resulteert in het hoogste plezier en maakt de mens gelukkig
(Lucretius 1992: 2.1-19). De grootste belemmering in de zoektocht naar plezier zijn echter de
onverzadigbare verlangens die sommige mensen achternajagen (Greenblatt 2011: 196-197).
Onverzadigbare verlangens zijn een oorzaak van pijn en ongeluk en daarom is Epicurus van mening
dat luxe en uitspattingen zoveel mogelijk moeten worden vermeden (Greenblatt 2011: 197).
#Otan ou}n le/gwmen h(donh\ te/loj u(pa/rxein, ou) ta\j tw~n a)sw/twn h(dona\j kai_ ta\j e)n a)polau/sei
keime/naj le/gomen (Epicurus 1963: 64)
74
When we say that pleasure is the end, we do not mean the pleasures of debauchees or the pleasures
of sensuality. (Epirucus in Smith 1992: xl)
Alleen zo kan iemand de mentale rusttoestand van de ataraxia (“onverstoorbaarheid”) bereiken en
oprecht gelukkig worden.
Kortom, het epicurisme ‘aimed to liberate [its followers] from all fears and disturbances, to
make them self-sufficient, and so enable them to attain tranquility of mind’ (Smith 1992: xxix; mijn
cursivering). Het convulsieve mentale plezier dat anekdotes volgens Greenblatt teweegbrengen staat
in schril contrast met het epicuristische ideaalbeeld van de ataraxia, maar Greenblatts
plezieropvatting sluit wel aan bij de wijze waarop dat plezier wordt veroorzaakt. Het is zo dat inzicht
in de wonderlijke aard der dingen resulteert in de geruststelling dat alles materieel is en leidt tot een
bevrijdend pleziergevoel (Smith 1992: xxix-xxx). Volgens Greenblatt leidt inzicht in de heterogene
“aard der dingen” niet tot een geruststellend plezier, maar tot het besef van de complexiteit en de
bevrijding van de teleologische geschiedschrijving (zie p. 41-42). Het plezier wordt op zijn beurt
opgewekt door de wonderbaarlijkheid van de afwijking (Greenblatt 2011: 8-9). Beide plezierprincipes
vallen onder de aristoteliaanse categorie van plezierig omdat het instructief is – dulce quoniam utile.
Inzicht in de verwonderlijke aard der dingen wekt mentaal plezier op.
Ten slotte speelt ook de taal een rol in de opwekking van plezier. Het is inmiddels geen
geheim meer dat Greenblatt bewondering heeft voor de wijze waarop Lucretius wetenschap en
poëzie met elkaar verweeft (2011: 8). Greenblatt profileert zich als arestoteliaan wanneer hij stelt
dat niet alleen de filosofische inhoud van De rerum natura, maar ook de ongebruikelijke, poëtische
vorm waarop die inhoud gepresenteerd wordt, plezier opwekken (2011: 8). Deze Lucretiaanse
omarming van schoonheid en plezier – poëzie en wetenschappelijk inzicht – ziet hij pas echt
belichaamd in de cultuur van de Renaissance (Greenblatt 2011: 8). In die periode verzoenden heel
wat academische werken een poëtische stijl met wetenschappelijke inzichten:
It was virtually a reflex, so that works that were seemingly far away from any aesthetic ambition at all
– Machiavelli’s analysis of political strategy, Walter Ralegh’s description of Guiana, or Robert Burton’s
encyclopedic account of mental illness – were crafted in such a way as to produce the most intense
pleasure. (Greenblatt 2011: 8)
Greenblatt lijkt te suggereren dat ook hij met The Swerve, net als Lucretius, een versmelting van een
academische inhoud met een poëtische stijl beoogt, met de bedoeling om een breed publiek te
bereiken. Wie echter denkt aan een versmelting van poëzie en wetenschap komt naar alle
waarschijnlijkheid uit bij geschriften die helemaal niet voor het brede publiek geschikt zijn. Terry
Eagleton verbindt de opkomst van de high theory aan het einde van de jaren ’60 niet alleen met het
ontstaan van een meer wetenschappelijke manier van denken over de humane wetenschappen,
75
maar ook met het verschijnen van een nieuwe schrijfstijl (2004: 70). De patriarchale en conservatieve
denkstructuren dienden te worden afgebroken, maar daarvoor volstond het niet om anders te
denken. Nee, men diende te ontsnappen uit de talige denkkaders en een geheel nieuwe schriftuur
drong zich daarom op. ‘Philosophers like Martin Heidegger, Theodor Adorno and Jacques Derrida
could say what they meant only by forging new literary styles, bursting the bounds between poetry
and philosophy’ (Eagleton 2004: 70). De poëtische schrijfstijl van Derrida had niet ten doel om
pasklare antwoorden te bieden, maar de lezers actief te betrekken in het denkproces en hen uit te
dagen, bijna te provoceren, om mee met hem de gevestigde denkkaders kritisch te deconstrueren.
Denkers als Derrida zouden volgens Eagleton de moderne Lucretii zijn, maar Greenblatt zou het met
deze stemming allesbehalve eens zijn. Derrida is de titel van “moderne Lucretius” niet waardig, want
wat hij schrijft is hoogst ontoegankelijk voor een niet-gespecialiseerde lezer. ‘I’ve never been a great
believer in the obscure sublime in academic writing’ (Greenblatt in Donadio 2005), geeft Greenblatt
toe. Greenblatt is voorstander van een toegankelijke literaire stijl. In de inleiding van Hamlet in
Purgatory uit hij zijn ongenoegen met de schriftuur van heel wat collega’s die in de presentatie van
hun onderzoek een literaire stijl schuwen:
It seems a bit absurd to bear witness to the intensity of Hamlet; but my profession has become so
oddly diffident and even phobic about literary power, so suspicious and tense, that it risks losing sight
of – or at least failing to articulate – the whole reason anyone bothers with the enterprise in the first
place. (Greenblatt 2001: 4)
Greenblatt zet zich in zijn academische poëtica af tegen de schriftuur van de deconstructie en lijkt
zich aan te sluiten bij een bekend, polemisch citaat van John Searle over de schrijfstijl van Derrida:
Michel Foucault once characterized Derrida's prose style to me as ‘obscurantisme terroriste.’ The text
is written so obscurely that you can't figure out exactly what the thesis is (hence ‘obscurantisme’) and
when one criticizes it, the author says, ‘Vous m'avez mal compris; vous êtes idiot' (hence ‘terroriste’).
(Searle 1983)
Greenblatt profileert zich als de moderne Lucretius door in een toegankelijke, aangename stijl te
schrijven. Net als Derrida wil hij de lezer actief betrekken in de kritische praktijk, maar waar Derrida
dit met een poëtische literatuurkritiek doet, opteert Greenblatt voor een prozaïsche, narratieve vorm
van literatuurkritiek.
Greenblatt schrijft zeer toegankelijk en doet er alles aan om de hoogdravende academische
schriftuur zo licht mogelijk te maken met een prozaïsche, narratieve schrijfstijl doorspekt met
anekdotes. Net als Epicurus en Lucretius wil ook Greenblatt allesbehalve een highbrow boek
schrijven dat enkel toegankelijk is voor een selecte groep academici en geïnteresseerden. De sterkte
76
van het epicurisme lag erin dat het de gewone mens op de straat ook aansprak (Greenblatt 2011:
75). Epicurus predikte het samen-filosoferen (sumfilosofei~n) en dit betekende, in tegenstelling tot
bij Plato en Aristoteles, niet dat leerling en leermeester samen in dialoog de waarheid trachten te
achterhalen, maar wel dat ze ook effectief samenleefden (De Ley 2005: 323). Iedereen was welkom
in de Tuin en kwam ook: jongeren, ouderen, vrouwen en slaven (Long 1974: 15). Daarom leek de Tuin
volgens Anthony Long wel eerder op een commune van vrienden dan op een college of filosofisch
onderzoekscentrum: ‘[t]hose who committed themselves to Epicurus were not so much students
‘reading for a course’ as men and women dedicated to a certain style of life’ (Long 1974: 15).
‘Epicurus was offering something more than caviar to a handful of particle physicists’, vat Greenblatt
samen,
Indeed, eschewing the self-enclosed, specialized language of an inner circle of adepts, he insisted on
using ordinary language, on addressing the widest circle of listeners, even on proselytizing. And the
enlightenment he offered did not require sustained scientific inquiry. (Greenblatt 2011: 75)
Hoewel Greenblatt Epicurus en Lucretius als twee voortrekkers voorstelt, dient te worden opgemerkt
dat niet alleen het epicurisme, maar zo goed als alle hellenistische filosofieën een breed publiek
aanspraken (De Ley 2005: 301). De hellenistische filosofen zijn in dit opzicht te vergelijken met de
hedendaagse generatie academici die na de ronkende namen van de high theory komen. De
epicuristen, stoïcijnen en sceptici kwamen allemaal na de hoogconjunctuur van de Atheense filosofie,
belichaamd door de “grote drie” – Socrates, Plato, Aristoteles – en dienden, uit schrik om epigonen
te worden, hun plaats te veroveren (De Ley 2005: 298-299). Deze nieuwe, vaak niet uit Athene
komende filosofen verzetten zich tegen de elitaire filosofie van hun Atheense voorgangers en
richtten zich tot een breder publiek en besloten daarom hun vaak duistere en ingewikkelde doctrines
op de achtergrond te houden en de praktische zijde van de filosofie te benadrukken (De Ley 2005:
301-303). Alles moest en zou toegankelijk zijn voor een breed publiek. Wanneer Lucretius dan ook
schrijft dat hij de duistere vondsten van de Grieken wil verlichten (1992: 1.136-139), moet dit met
een korrel zout genomen worden. De praktische doctrines van Epicurus waren nooit duister, maar
reeds verlicht en toepasbaar door velen. Waar Lucretius het dan ook over heeft zijn de vaak
technische en hoogfilosofische kernideeën van de epicuristische fysica. Ik heb echter mijn twijfels bij
Greenblatts claim over de toegankelijkheid van Lucretius’ gedicht. Lucretius goot de epicuristische
theorie wel in een volgens hem zoete en aangename poëtische stijl, maar deze stijl lijkt me niet
toegankelijk voor het grote publiek. Hoewel er gedurende de gehele Griekse en Romeinse oudheid
een opvallend grote bekendheid was met het schrift en literatuur, bleef het merendeel van de
bevolking ongeletterd (Harris 1991: 13; Kaster 1988: 37). Robert Kaster stelt dat, met uitzondering
van enkele regionale verschillen, meer dan twee derde van de bevolking in de eerste drie eeuwen
77
van onze tijdsrekening ongeletterd was (1988: 38). Kim Haines-Eitzen schat zelfs dat sinds de
opkomst van het Griekse alfabet tot het einde het Romeinse keizerrijk nooit meer dan 10 tot 15
percent van de bevolking geletterd was (1991: 7). Ongeletterdheid was zo wijdverspreid dat zelfs
heel wat mensen die een functie bekleedden waar geletterdheid voor vereist was, niet konden lezen,
laat staan schrijven (Kaster 1988: 36). Ook al was het in de oudheid wel de gewoonte om poëzie voor
te dragen, dan nog bleef dit een activiteit beperkt tot de culturele elite. Lucretius hielp het
epicurisme wel verspreidden, maar de hexameters waren niet geschikt voor de brede bevolking,
zoals Greenblatt doet uitschijnen (2011: 75). Integendeel, ze waren voor het overgrote deel van de
bevolking niet eens verstaanbaar. Bovendien lag ook tijdens de Renaissance, wanneer Lucretius’
gedicht opnieuw in circulatie kwam, het percentage geletterden zeer laag (Greenblatt 2011: 17). De
verspreiding van het epicurisme beperkte zich dus keer op keer tot een elitaire bovenlaag en nooit
tot de brede bevolking. Greenblatt beseft dit wel, maar benadrukt dit te weinig. Pas aan het einde
van het boek geeft hij toe dat met de eerste vertalingen van De rerum natura in het Frans, Italiaans
en Engels de ideeën uit deze elitaire kring begonnen te geraken en verder doorsijpelden in de
maatschappij (2011: 257). Een ongeletterde bevolking had meer aan de korte aforismen en boutades
van Epicurus dan het lange leerdicht van Lucretius. Lucretius leek in dat opzicht misschien wel meer
op een schrijver als Derrida dan Greenblatt wil toegeven.
Greenblatt bevindt zich in een gelijkaardige situatie als de hellenistische filosofen. De gouden
eeuw van de culturele theorie, zoals Eagleton het schrijft, is voorbij (2004: 1). Greenblatt treedt in de
voetsporen van een schier eindeloze lijst bekende namen zoals Roland Barthes, Michel Foucault,
Jacques Derrida, Jacques Lacan, Claude Lévi-Strauss, Louis Althusser, Julia Kristeva, Hélène Cixous,
Luce Irigaray, Pierre Bourdieu, Gilles Deleuze, Fredric Jameson, Jurgen Habermas, Walter Benjamin,
Theodor Adorno, Max Horkheimer, Edward Said en Paul De Man. Greenblatt zoekt zijn heil in een
toegankelijke, narratieve schrijfstijl die de ingewikkelde theoretische inzichten combineert met
verhalen en anekdotes en zo een breder publiek aanspreekt dan de geschriften van voorgangers.
Greenblatt modelleert zijn academische poëtica naar een verkeerde inschatting van Lucretius. Dit
blijkt niet alleen uit de verkeerde inschatting van de toegankelijkheid van Lucretius’ leerdicht in The
Swerve, maar ook uit een passage uit het vroege werk van Greenblatt:
Even the profoundest truths and the most sanctified moral imperatives, it is claimed, are unpalatable
and hence ineffectual without what Lucretius calls “the pleasant honey of poetry.” The philosopher
can only discuss the nature of the good and formulate abstract moral precepts, but the poet, armed
with the magical power of fables and figured speech, can fire the blood and move the will of his
audience. (Greenblatt 1973: 36; mijn cursivering)
78
Uit deze passage blijkt hoe Greenblatt de poëtische stijl van Lucretius interpreteert als een
aangename en verhalende stijl. Deze misinterpretatie werpt ook meer licht op Greenblatts niet altijd
even helder uitgelegde energeiabegrip. De literaire dimensie van een werk is belangrijk, maar
Greenblatt lijkt het niet zozeer over een poëtische vorm in de enge zin van het woord te hebben, als
wel over een algemene literaire dimensie van het werk (zie 2001: 4). Een prozaïsche, verhalende stijl
valt evenzeer onder wat Greenblatt als energiek beschouwt. Hoe dan ook, gebaseerd op deze
misinterpretatie van Lucretius hanteert Greenblatt een schrijfstijl die als een gelijkaardig zoetmiddel
moet dienen om een boek voor het brede publiek te schrijven. Volgens een recensent is hij daar
alvast in geslaagd. In tegenstelling tot de veel te donkere en ingewikkelde geschriften uit de tijd van
de high theory, is The Swerve een ‘well-brewed coffee with plenty of milk and sugar stirred in; it’s a
latte, not an espresso’ (Garner 2011).
Greenblatts zelfvorming voldoet aan alle eisen om als een succesvolle vorm van crossover
criticism te worden bestempeld (zie Torgovnick 1994: 7 en Williams 1999: 423). Het belangrijkste bij
zo’n vorm van kritiek is dat het boek geschreven wordt vanuit een persoonlijke band met het
onderwerp, ‘not for the sake of personal revelation but so that the writing may be “eloquent” rather
than “dutiful and dull”’ (Torgovnick 1994: 421). Persoonlijke betrokkenheid en een narratieve stijl
gaan hand in had en maken het werk geschikt voor het brede publiek (Williams 1999: 417). Williams
benadrukt bovendien dat deze persoonlijke betrokkenheid een sterk narratief bewustzijn verraadt en
daarenboven een uitgekiende retorische ingreep is om het verhaal aan geloofwaardigheid te doen
winnen (1999: 419). De inbedding in een autobiografische context verleent het werk immers een
Barthesiaans realiteitseffect (zie Barthes 1989: 141-148). Het is een win-win-situatie voor Greenblatt.
Niet alleen slaat zo’n autobiografische insteek aan bij een breder publiek, maar tegelijk wordt de
interne geloofwaardigheid van zijn werk versterkt en neemt zijn academische geloofwaardigheid
voor het brede publiek toe. Hoewel de zelfvormingtechnieken van Greenblatt duidelijker worden
wanneer we The Swerve benaderen vanuit het denkkader van Williams, biedt deze benadering nog
steeds geen voldoende antwoord op de vraag waarom het boek een bestseller werd en de
zelfvorming van Greenblatt als publieke intellectueel al dan niet geslaagd is. Om deze vraag te
kunnen beantwoorden, dienen we onze aandacht te verschuiven van de vorm van de representatie
naar de sociale energie die vervat zit in The Swerve.
3. De circulatie van sociale energie in The Swerve
De energeia in Greenblatts anekdotische schrijfstijl in The Swerve moet de sociale energie activeren,
de interesse bij de brede lezer opwekken en het boek aan de man brengen. En met succes. Williams
benadrukt dat de hedendaagse leescultuur de waarde van het esthetische literatuurgenot heeft
geherwaardeerd en stelt dat de nieuw bellettristische geschriften daar gretig op inspelen (1999:
79
425). De anekdotes die Greenblatt in The Swerve aanhaalt, zijn dan ook niet alleen typerend voor de
stijl van het new historicism, maar bovendien sterk “marktgericht”. In Bring on the Books for
Everybody schrijft Jim Collins dat de hedendaagse leescultuur meer dan ooit een uiterst sociale en
populaire cultuur is geworden (2010: 4). De recente democratisering en popularisering van de
leescultuur als gevolg van enkele infrastructurele (r)evoluties – zoals de opkomst van nieuwe
boeken-megastores zoals Barnes & Noble, Amazon, en televisie-boekenclubs zoals Oprah Winfrey’s
Book Club – hebben de status en de functie van literatuur zodanig veranderd dat de gebruikswaarde
van boeken centraal staat in de hedendaagse literaire ervaring (Collins 2010: 2-5). De functie van
literatuur is dubbel, zo schrijft Collins: ‘whether it be the delivery of essential information about
acquiring significant others and material goods or the delivery of a “pure” aesthetic experience
intended to transcend the realm of mere consumerism’ (Collins 2010: 4-5), in beide gevallen
benadrukken de romans de therapeutische waarde van literatuur. In zijn analyse ziet Collins dat de
negentiende-eeuwse opvattingen van literatuur als vorm van zelftransformatie opnieuw hevig
resoneren in de hedendaagse leescultuur (2010: 10). De prijswinnende hedendaagse romans zijn
vaak zeer sterk intertekstuele verhalen waarin literaire ervaringen centraal staan. Lezen is volgens
Collins een vorm van erotiek geworden: ‘one of the most distinct developments within popular
literary culture’, zo schrijft hij, is ‘the feverish celebration of literary reading as an experience so
overpowering that it can only be described in erotic terms’ (Collins 2010: 222). De romans
beschrijven vaak allemaal hoe personages boeken lezen en door de leesact een verlossende ervaring
ondergaan. Keer op keer wordt de schoonheid en de waarde van literatuur herbevestigd (Collins
2010: 246-252). Boeken lezen is aldus een vorm van hyperrealiteit geworden. Het lezen van literatuur
resulteert niet zozeer in een verlossende ervaring, maar die ervaring is letterlijk te vinden in de
literatuur: de lezer leest immers een boek waarin een lezer een verlossende ervaring ondergaat door
een boek te lezen. Deze therapeutische kracht van literatuur erkende Augustinus al in zijn
Confessiones, waar hij in het achtste boek beschrijft hoe hij in een ogenblik van religieuze twijfel de
stem van zijn buurjongen of -meisje hoorde: ‘tolle lege, tolle lege’ (Augustinus Hipponensis 1960:
8.12). Hij gehoorzaamde de stem, nam een evangelie ter hand, begon te lezen en ervoer al snel de
bekerende kracht die uitgaat van de ontmoeting met een stem in een boek (1960: 8.12). Deze
ontmoeting leidt tot een transformatie van het Zelf en vervolledigt het individu. De hedendaagse
literatuur vervult een gelijkaardige therapeutische, verlossende functie in het hart van de
laatmoderne consumptiemaatschappij (Collins 2010: 243).
Het is dan ook geen toeval dat The Swerve een prijswinnend boek werd. Greenblatt beschrijft
hoe de lectuur van De rerum natura en de ideeën die erin werden gepropageerd voor hem
persoonlijk een verlossing waren van de angst voor de dood die hij jarenlang kreeg ingelepeld door
zijn moeder en vader (2001: 6; 2011: 5-6). De ideeën in het gedicht verwoordden voor het eerst
80
enkele gedachten waar Greenblatt zelf al aan dacht (2011: 5). Greenblatt was echter niet de enige
die het epicurisme als een verlossing ervoer. Bij de (her)ontdekking van De rerum natura
weerspiegelden de (her)ontdekte ideeën in Lucretius’ gedicht enkele bezorgdheden die al geruime
tijd in de maatschappij circuleerden (Brown 2010: 10-15). Maar ook in de ontstaanscontext van het
gedicht, tijdens de late Romeinse republiek, werd het gedicht als een verlossing verwelkomd.
Lucretius was net als Epicurus een missionaris die zich ten doel stelde om mentale rust te brengen in
tijden van grote sociale onrust (Smith 1992: xxiii). Ten tijde van Lucretius werd de Romeinse
republiek immers opgeschud door de ene onrust na de andere: de Bondgenotenoorlog, de slag bij de
Porta Colina, de slavenopstand van Spartacus, de staatsgreep van Sulla, en de Catilinarische
samenzwering (Naerebout & Singor 2009: 279-282). Gedurende zestig jaar werd het Italiaanse
schiereiland geteisterd door bloederige burgeroorlogen en conflicten die ervoor zorgden dat de vrije
boeren verarmden, terwijl de rijke elite alleen maar rijker werd: de kloof tussen arm en rijk
vergrootte, het stedelijke proletariaat nam bijzonder snel toe (Naerebout & Singor 2009: 316). De
laatrepublikeinse maatschappij was een periode van politieke en sociale onrust als gevolg van
onderdrukking, wreedheden, ambitie, een sterke sociale hiërarchie, en een uiterst beperkte sociale
mobiliteit (Naerbout & Singor 2009: 308-309). In zo’n tijden betekende Lucretius’ gedicht voor velen
een verlossing van de angst voor de dood – die reëler was dan ooit – en een bevrijding uit de
determinatie van het noodlot door het clinamenprincipe.
Keno/j e)kei&nou filoso/fou lo/goj, u(f)’ ou{ mhde\n pa/qoj a)nqrw&pou qerapeu&etai: w#sper ga\r
i)atrikh~j ou)de\n o)/feloj mh\ ta\j no/souj tw~n swmatw~n e)kballou&shj, ou{twj ou)de\ filosofi/aj, ei)
mh\ to\ th~j yuxh~j e)kba/llei pa/qoj. (Epicurus 1963: 169)
Vain is the word of a philosopher by whom no human suffering is cured. For just as medicine is of no
use, if it fails to banish the diseases of the body, so philosophy is of no use, if it fails to banish the
suffering of the mind. (Epicurus in Smith 1992: xlii)
Epicurus zag zijn filosofie als een therapie om de mensen te genezen van mentale onrust en schreef
zijn leer voor aan zijn volgelingen als het zogenaamde viervoudige medicijn (h( tetrafa/rmakoj) (De
Ley 2005: 308).31 Wie gelukkig wou worden, zo beloofde Epicurus, moest leren filosoferen en dat
betekende in de praktijk dat de filosofische voorschriften van Epicurus zo strikt mogelijk moesten
worden opgevolgd (De Ley 2005: 307-308). Greenblatt benadrukt dat filosofie ten tijde van Lucretius
gold als een middel om sociale stress te bestrijden (2011: 67). In de turbulente periode van de late
republiek werd de maatschappij gekenmerkt door een toenemende mate van sociale verbrokkeling
31
Om als een herinnering te dienen in tijden van vertwijfeling, vatte Epicurus, volgens de traditie zijn leer
samen in een gebalde boutade als volgt: ‘de godheid is niet te vrezen, de dood is onverdacht, en het goede is
makkelijk te verwerven, het verschrikkelijke makkelijk te dragen’ (Epicurus in De Ley 2005: 308).
81
en overviel velen het gevoel dat de maatschappij haar vaste waarden verloor (Greenblatt 2011: 71).
De epicuristische filosofie diende daarom als een religie in de originele betekenis van het woord: een
therapeutisch bindmiddel tussen verschillende individuen.
De manier waarop Greenblatt in The Swerve
het verleden beschrijft is een andere
belangrijke reden waarom het boek aansloeg bij vakjury’s en het brede publiek. Wanneer Greenblatt
bijvoorbeeld de Romeinse leescultuur bespreekt, wijst hij er meermaals op dat deze sociale context
waarin Lucretius’ gedicht wordt gepubliceerd een moment van hoogbloei is (2011: 58-59). ‘Rome had
caught the fever of books’ (Greenblatt 2011: 61): de Romeinse samenleving leek even geobsedeerd
door literatuur als de hedendaagse leescultuur. Het is opvallend dat Greenblatt steevast het
anachronistische moderne woord “boek” gebruikt voor heel wat materiële dragers van literatuur,
zoals papyrusrollen, codices, manuscripten, incunabelen, gestandaardiseerde drukken, moderne
paperbacks en elektronische boeken, terwijl in de oudheid “boek” gebruikt werd om één rol aan te
duiden (zie Isidorus Hispalensis 1985: 6.13). Hoe het ook zij, deze maniakale “boekenkoorts” zorgde
ervoor dat privé-bibliotheken een veelvoorkomend verschijnsel waren in de Romeinse samenleving
(Greenblatt 2011: 60). Boeken stonden symbool voor eruditie en ze als materiële objecten in een
bibliotheek tentoonspreiden, belichaamde, net als vandaag, de smaak van de lezer (zie Collins 2010:
11-12).32 Behalve deze privé-collecties kwamen aan het einde van de republiek ook meer en meer
publieke bibliotheken op (Greenblatt 2011: 61-63). Die bibliotheken werden, net als de hedendaagse
gemeenschapsbibliotheken, bekostigd door belastingsgeld en giften van weldoeners (Greenblatt
2011: 62). Bovendien hadden deze publieke bibliotheken heel wat architectonische gelijkenissen met
de moderne bibliotheken. Deze gelijkenissen zijn niet toevallig, aldus Greenblatt: ‘our sense that a
library is a public good and our idea of what such a place should look like derive precisely from a
model created in Rome several thousand years ago’ (Greenblatt 2011: 62). De centrale leeszaal van
zo’n bibliotheek was vaak versierd met bustes van bekende schrijvers en filosofen en waren ‘signs of
access to the spirits of the dead, symbols of the spirits that books enabled readers to conjure up’
(Greenblatt 2011: 62). Greenblatt herkent in de Romeinse leescultuur zijn eigen fascinatie, maar ook
die van vele anderen, om via literatuur met de doden te spreken (2011: 62).
Deze fascinatie om met de doden te spreken doordringt het hele boek. Wanneer Poggio het
manuscript van De rerum natura (her)ontdekt in het klooster van Fulda, redt hij geen boek uit een
stoffige kloosterbibliotheek, maar een mens, de antieke schrijver Lucretius, van de vergetelheid der
32
De materialiteit van boeken, en de smaakdistinctie die hiermee gepaard, is zo doorgedrongen in de
laatmoderne leescultuur dat de boeken die een lezer leuk vindt een onderdeel van diens identiteit zijn
geworden. De smaak voor boeken is meer dan ooit een middel tot onderscheiding geworden en wordt daarom
opvallend materieel geëtaleerd door de lezer (Collins 2010: 200-203). Om het met de woorden van een
personage uit Nick Hornby’s High Fidelity te zeggen: ‘what really matters is what you like, not what you are like’
(Hornby 1995: 117).
82
tijden (Greenblatt 2011: 178-181). Volgens Greenblatt was Poggio, net als Petrarca, gedreven door
een antiquarische interesse voor alles wat hem in contact met de antieke wereld kon brengen
(Greenblatt 2011: 119-121). Het duidelijkste teken van deze obsessie was de bibliomanie waar
Poggio in zijn geschriften blijk van geeft (Greenblatt 2011: 19). Uit de correspondentie die Poggio met
zijn humanistische vrienden onderhield, is duidelijk te lezen hoe hij met boeken omging alsof het
levende, bezielde wezens waren (Greenblatt 2011: 179). Hij zag een boek als een gevangenis voor de
inmiddels dode auteur en stelde zich ten doel om die auteur te bevrijden door diens ideeën opnieuw
in circulatie te brengen (Greenblatt 2011: 180). Dat Poggio niet de enige was die gebeten was door
deze bibliomanie blijkt uit het antwoord van Francesco Barbaro aan het adres van Poggio op het
vernemen van diens ontdekking van enkele manuscripten:
You have revived so many illustrious men and such wise men, who were dead for eternity, through
whose minds and teaching not only we but our descendants will be able to live well and honourably.
(Barbaro in Greenblatt 2011: 180-181)
Poggio werd als een held onthaald, een magiër die de doden opnieuw tot leven wekt en een nieuw
leven schenkt (Greenblatt 2011: 181). In zijn presidentiële toespraak vergelijkt Greenblatt
literatuurwetenschappers met moderne Poggio’s die zich moeten inspannen ‘to keep alive and to
circulate what might otherwise be silenced forever’ (Greenblatt 2003a: 423). Greenblatt neemt dan
ook gewillig de antropomorfe toon van Poggio over wanneer hij het over het manuscript van De
rerum natura heeft.
Behalve deze ideële, antropomorfe toon, besteed Greenblatt ook heel wat aandacht aan de
materialiteit van de literaire werken. Leah Price, een collega van Greenblatt aan de universiteit van
Yale, benadrukt dat de hedendaagse literatuurwetenschap een tendens vertoont om de materialiteit
van het boek te benadrukken (2009: 120). Price benoemt deze verandering in focus van tekst naar
boek de bibliographical turn en heeft met de benaming duidelijk new historicist onderzoeken in het
achterhoofd (2009: 121). In haar onderzoek naar de aard van deze bibliografische wending stelt ze
zich onder andere de vraag ‘what difference does it make whether we structure that enquiry around
the human subjects who perform those operations or around the inanimate objects that undergo
them’ (Price 2009: 124). Een verhaal of onderzoek dat niet een menselijke agens, maar het materiële
boek centraal stelt, noemt Price een it-narrative (2009: 124). Zo’n verhaal legt de nadruk op de
circulatie van een materieel boek (Price 2009: 125). Peter McDonald benadrukt dat wat circuleert
doorheen een cultuur, meer is dan zomaar het materiële object, maar een in hoge mate
geïnstitutionaliseerde symbolische vorm is (2006: 225). Behalve de materiële component – het boek
of de papyrusrol – circuleren er dus ook ideeën – of wat Greenblatt sociale energie zou noemen.
Welnu, The Swerve is zo’n it-narrative: hoewel Greenblatt de (her)ontdekking van De rerum natura
83
vanuit het standpunt van Poggio beschrijft, legt hij net als in een it-narrative een zeer grote nadruk
op de circulatie van het materiële boek en de ideeën die in dat werk worden verwoord. Poggio en het
manuscript van De rerum natura delen de hoofdrollen in Greenblatts werk. Het opvallende aan deze
it-narratives is dat de boeken die een hoofdrol spelen in de verhalen antropomorf worden
weergegeven: het zijn bezielde boeken waarvan de gedachten door de verteller – die vaak als
karaktergebonden verteller het boek zelf is – kenbaar worden gemaakt (Price 2009: 127). De boeken
spreken over zichzelf en benadrukken hun inhoud en de ideeën die ze bevatten (Price 2009: 127).
Heel vaak beklemtonen ze de fysieke pijnen van het gedrukt worden en het slecht behandeld worden
door een onvoorzichtige lezer (Price 2009: 128-129). Wat echter erger is voor het boek is de mentale
pijn van het niet gelezen worden: ‘the physical violence of being mangled is double by the psychic
violence of being silenced’ (Price 2009: 129). De boodschap van het it-narratives is dat wie een boek
in een privé-collectie op een boekenkast stof laat vergaren, dat boek gevangen houdt, mishandelt en
ongelukkig maakt. Een boek is pas echt gelukkig is wanneer het vrij kan circuleren: ‘books should be
transferred, not treasured’ (Price 2009: 125).
Het ogenblik waarop Poggio in 1417 het manuscript van De rerum natura aantrof in de
kloosterbibliotheek van Fulda, toont de gelijkenissen met een it-narrative aan:
Poggio may not have had time, in the gathering darkness of the monastic library, and under the wary
eyes of the abbot or his librarian, to do more than read the opening lines. […] Ordering his scribe to
make a copy, he hurried to liberate it from the monastery. What is not clear is whether he had any
intimation at all that he was releasing a book that would help in time to dismantle his entire world.
(Greenblatt 2011: 50; mijn cursivering)
Het manuscript lijkt wel gevangen: het wordt nauwgezet bewaakt door een monnik en Poggio doet
er alles aan om het boek zo snel mogelijk te laten kopiëren en opnieuw in circulatie te brengen.
Wanneer de kopie van het manuscript was voltooid, stuurde Poggio het op naar Niccolò Niccoli
(Greenblatt 2011: 203-204). Niccoli liet het gedicht op zijn beurt enkele malen kopiëren en was een
spilfiguur in de circulatie van het epicurisme (Greenblatt 2011: 204). Hoewel Niccoli uiteindelijk een
belangrijke schakel bleek voor de verspreiding van het gedicht, dreigde het gedicht en de stemmen
die het bevatte in Niccoli’s privé-bibliotheek uit de circulatie te verdwijnen en aldus stilgezwegen te
worden. Ondanks veelvuldige smeekbrieven om het gedicht opnieuw in handen te krijgen, hield
Niccoli het gedicht tot groot ongenoegen van Poggio voor meer dan twaalf jaar bij:
You have now kept the Lucretius for fourteen years and the Asconius and Pedianus too. […] Does it
seem just to you that, if I sometimes want to read one of these authors, I cannot on account of your
carelessness? […] I want to read Lucretius but I am deprived of his presence; do you intend to keep him
another then years? (Bracciolini in Greenblatt 2011: 209; mijn cursivering).
84
Poggio kan zijn woede nog moeilijk onderdrukken en overdrijft het aantal jaren dat Niccoli het
gedicht bijhield. Hij is er zo van aangedaan dat hem het contact met Lucretius wordt ontzegd. Niet
alleen het gedicht, maar Lucretius zelf zit immers gevangen in de bibliotheek. Wanneer Poggio dan
uiteindelijk een kopie van het gedicht ontvangt, wordt dit opnieuw als een bevrijding voorgesteld:
Released from the confinement of Niccoli’s rooms, On the Nature of Things slowly made it way once
again into the hands of readers, about a thousand years after it had dropped out of sight. (Greenblatt
2011: 209)
En dit keer is er geen stoppen aan de circulatie van het boek. Het boek en zijn auteur, zo lijkt het wel,
zijn nu pas echt gelukkig.
Sinds Barthes de Auteur dood heeft verklaard (zie 1989: 49-55) is er volgens sommigen een
sprake van een desacralisering van de literatuur. Deze desacralisering is onder andere merkbaar aan
de geseculariseerde taal waarmee over literatuur wordt gesproken (Collins 2010: 28-29).
Literatuurcritici en –recensenten lijken wel vrienden te zijn die geen literaire meesterwerken
aanbevelen, maar good reads en het daarbij meer dan ooit over de materiële boeken hebben en niet
over literatuur (Collins 2010: 29). Hoewel Greenblatt de klassieke auteurs op het religieuze af
beschrijft als geesten uit het verleden die gered moeten worden van vergetelheid (2011: 48), past de
nadruk op de materialiteit – het zijn boeken, geen literaire werken – perfect bij de nieuwe
geseculariseerde omgang met literatuur. Bovendien presenteert Greenblatt zich als een zeer amicale
criticus die het boek op basis van persoonlijke, autobiografische argumenten aanbeveelt en niet op
grond van zijn academische titel. Deze zelfpresentatie past binnen het discours van de hedendaagse
leescultuur die komaf maakt met het geïnstitutionaliseerde lezen en vindt dat literatuur opnieuw
bevrijd moet worden uit de greep van de literatuurprofessoren en academici (Collins 2010: 22). Het
opvallende is dat het vaak net die academici zelf, zoals Harold Bloom (zie 2001: 21-29), zijn die het
voortouw nemen in deze autonomiebeweging. Literatuur moet voor iedereen toegankelijk zijn en
daarvoor moet eerst de idee worden omvergeworpen dat ‘the theory-besotted academy might
retain any kind of authority whatsoever when it comes to knowing why we should read literary
works’ (Collins 2010: 23). Lezen is een individuele activiteit, benadrukt Bloom, en welke boeken de
lezer kiest, hangt volledig af van de persoonlijke betrokkenheid en keuzes van de lezer (2001: 21-22).
Hoewel de dood van de Auteur volgens Barthes de emancipatie van de lezer inhield,
betekent dit niet dat de auteur helemaal verdwenen is. Lezers zijn vandaag de dag nog steeds
geïnteresseerd in de fysieke auteur van het literaire werk dat ze zo appreciëren (Collins 2010: 28-30).
Het verkoopsucces van boeken zoals Greenblatts Will in the World (2004), maar ook het toenemende
literaire toerisme naar de werkplaatsen en geboortehuizen van schrijvers tonen aan dat de
hedendaagse literaire cultuur nog steeds een cultus van de auteur kent. Hoewel de auteur dus
85
opnieuw belangrijker is, betekent dit echter niet dat de auteur de autoriteit van betekenis is. In
tegenstelling tot de romantische literatuuropvatting weigert de doorsnee lezer zich te onderwerpen
aan de absolute wil van de auteur (zie Collins 2010: 26). Die tijden zijn lang vervlogen. De auteur
wordt echter wel geduld als een vriendelijke metgezel die bij het leesproces aanwezig is en ervoor
zorgt dat de lezer het gevoel heeft met een andere geest te kunnen communiceren (Wood 1994: 21).
De auteur is geen geïsoleerd genie meer, maar een artiest, net zoals de lezer (Collins 2010: 30-31).33
De dialoog die een moderne lezer aangaat met de auteur is een seculiere dialoog tussen gelijken en
de doorsnee moderne lezer herkent zich dan ook in de Romeinse leescultuur zoals ze door
Greenblatt wordt beschreven. Uit die beschrijving blijkt immers hoe de auteur in de oudheid niet als
een geïsoleerd genie, maar als een uiterst sociale artiest werd aanzien (2011: 68). Ook al trok de
auteur zich bij wijl en stond terug in een villa op het platteland om te schrijven, toch voelde hij zich
volgens Greenblatt niet te goed voor zijn lezers (2011: 68-69). Dit is te verklaren doordat de
poëtische inspiratie niet van de individuele auteur, maar van de muzen kwam. De auteur was slechts
het medium waardoor de muzen hun poëzie lieten weerklinken. Lezer en auteur waren beide
“gewone stervelingen” en stonden op een gelijkaardige hoogte.
Greenblatt ziet in de Romeinse late republiek en het vroege keizerrijk ‘distinctive signs of the
emergence of what we think of as a “literary culture”’ (Greenblatt 2011: 63). Het bewijs hiervoor
haalt hij uit een anekdote over de Romeinse auteur Tacitus die op een dag in het Colosseum een
wildvreemde ontmoette die zijn werken bleek te hebben gelezen (Greenblatt 2011: 63). Greenblatt
besluit de anekdote met de stelling dat '[c]ulture was no longer located in close-knit circles of friends
and acquaintances; Tacitus was encountering his “public” in the form of someone who had bought
his book at a stall in the Forum or read it in a library’ (Greenblatt 2011: 63). Deze anekdote is een
voorbeeld van de manier waarop Greenblatt in The Swerve de Romeinse leescultuur voorstelt als
sterk gelijkend op de hedendaagse populaire leescultuur. Deze beschrijving klopt natuurlijk niet. Het
feit alleen al dat het merendeel van de bevolking ongeletterd was (Harris 1991: 13; Kaster 1988: 37),
ondermijnt Greenblatts claim. Bovendien parafraseert Greenblatt de anekdote op zo’n wijze dat
enkele belangrijke elementen die zijn betoog onderuit dreigen te halen worden verzwegen. De
anekdote haalt Plinius de Jongere aan in een van zijn brieven, waarin hij echter heel duidelijk
vermeldt dat de lezer die Tacitus ontmoette, behoorde tot de elitaire ordo equestris: ‘Tacitus
narrabat sedisse se cum circensibus proximis equitem Romanum’ (Plinius Minor 1958: 9.23.2; mijn
cursivering). Ook Erich Auerbach, aan wie Greenblatt de anekdote heeft ontleend, benadrukt dat de
onbekende lezer lid was van de hoogste sociale klasse (1993: 237). Al was het wel zo dat de literaire
33
De rol van de lezer is in de hedendaagse leescultuur zo toegenomen dat er volgens Collins sprake is van een
‘shift in authority’ (Collins 2010: 30). Het inlevingsvermogen en de persoonlijke betrokkenheid van lezers met
de tekst wordt zo belangrijk geacht binnen het discours van de literaire ervaring dat lezers de status van
medeauteur hebben bereikt (Collins 2010: 30).
86
cultuur zich niet beperkte tot de elite op het Romeinse schiereiland en ook de elite in de provincies
de werken las (Auerbach 1993: 238), dan nog bleef de leescultuur beperkt tot de hoogste sociale
klassen en was er van een echte populaire leescultuur geen sprake. Greenblatt slaagt er in zijn
beschrijving niet in om de nodige nuance aan de dag te leggen en neemt dan ook een loopje met de
waarheid.
Volgens Collins wordt de laatmoderne leescultuur, hoewel ze nog nooit zo populair was als
vandaag, in heel wat hedendaagse romans weergegeven als een met uitsterven bedreigde activiteit
‘kept alive only through the intervention of a small but devoted club’ (Collins 2010: 224). Hoewel de
romans die ze lezen uiteraard ook onderdeel zijn van de cultuurindustrie, geven heel wat romans hun
lezers het gevoel dat ze tot een selecte groep behoren die denkt als enige de esthetische en
therapeutische waarde van literatuur in te zien (Collins 2010: 224-226). Dit gemeenschapsgevoel en
het geloof in de therapeutische kracht van literatuur tonen aan hoe heterogeen een cultuur kan zijn.
Hoewel de hedendaagse populaire leescultuur een gedesacraliseerde omgang met literatuur heeft,
blijven er nog steeds enkele diepgewortelde sacrale elementen over in het hart van diezelfde
leescultuur. Collins beargumenteert dat de roman in de hedendaagse leescultuur meer dan ooit een
vorm van zelfhulp is geworden die lezers helpt in hun identiteitsvorming (2010: 4-5). In de
laatmoderne consumptiemaatschappij waar identiteit sterk verbonden is met de smaakcultuur van
de lezer (Collins 2010: 191; zie ook De Cauter 2004: 44-45), beschouwen lezers romans als
zelfhulpboeken over relaties, en culturele en materiële consumptiegoederen (Collins 2010: 183).
Boeken lezen is een vorm van zelfcultivering en bezorgt de lezer de noodzakelijke mentale rust in de
chaotische wereld van het consumentisme. Het is een therapeutische activiteit die het individu het
gevoel geeft vollediger te worden (Collins 2010: 199). Lezen is een Jungiaans religieuze ervaring als
een activiteit die bijdraagt in de zoektocht naar volledigheid.34 De Jungiaanse definitie van religie
verzoent het denken van Rudolf Otto met de oorspronkelijke betekenis van het woord en stelt religie
voor als ‘a careful and scrupulous observation of what Rudolf Otto aptly termed the numinosum’
(Jung 1969: 7). Voor Jung is religie een psychische attitude van het individu om zich toe te wijden aan
activiteiten en ideeën die hij belangrijk en mooi acht (1969: 8). Door terug te gaan op de
basisbetekenis van het woord, wordt de definitie van wat een religieuze ervaring is zeer breed. Alles
wat een individu als fundamenteel belangrijk acht, wordt als religieus gecatalogiseerd. De definitie
omvat zowel alle traditionele religies als profane en seculiere fascinaties. Volgens deze definitie is het
34
De individuatietocht, zoals beschreven door Carl Gustav Jung, is een dialectische zoektocht om het bewuste
en onderbewuste van de psyche te verbinden en daardoor een “volledig” individu te worden (Jung 1940: 3).
Het individu start deze tocht immers in psychisch onevenwicht en gaat opzoek om de verloren balans tussen
bewuste en onderbewuste te herstellen (Palmer 1997: 142-150). De tocht is ‘a progression from sheer ego
consciousness to the ego’s rediscovery of the unconscious and reintegration with it to forge the self’ (Segal
1992: 11).
87
mogelijk dat de ene persoon beeldende kunst of literatuur als religie beschouwt, terwijl de andere
voetbal als een religie aanziet en zelfs wetenschap voor sommige wetenschappers een religie kan
zijn. Hoe dan ook, na het beleven van zo’n religieuze ervaring – zij het zondagmorgen naar de mis
gaan of zondagmiddag naar een voetbalwedstrijd – ervaart het individu, behalve een individuele
verbondenheid, ook een verbondenheid met de andere leden van de religieuze gemeenschap
(Ulanov 1997: 305). Wanneer Greenblatt het in zijn toespraak als voorzitter van de MLA voor het
eerst over Lucretius heeft, beschrijft hij literatuurkritiek als
an attempt to understand moments of intense absorption in books, to prolong these moments and to
share them with others. We want to dwell at the point of contact, to listen intently for the whispered
words, to communicate our experience to others or rather to confirm that others have had the same
experience we have had. (Greenblatt 2003a: 419-420)
Als Greenblatt over zijn persoonlijke ervaring met de therapeutische kracht van De rerum natura
schrijft, draagt hij een boodschap van verbinding uit naar zijn lezers die voortdurend over deze
ervaring lezen en misschien ook al zelf hebben meegemaakt. Greenblatt doet meer dan zomaar een
inkijk in zijn persoonlijk leven bieden, maar ontwikkelt via deze religieuze functie een nauwe band
met zijn lezer. Greenblatts boek, werkt net als het epicurisme in tijden van sociale onrust als een
sociaal bindmiddel. Wanneer Greenblatt de wereld van Lucretius beschrijft, roept hij de gelijkenissen
met de laatmoderniteit op. Mensen ontberen vandaag, net als toen, ‘a fixed repertory of beliefs and
practices’, zijn bovendien ‘unusually free of the dictates of the gods’, en bevinden zich meer dan ooit
‘in the peculiar position of choosing among sharply divergent visions of the nature of things and
competing strategies of living’ (Greenblatt 2011: 71). Een boek over het epicurisme, en met
bovendien dezelfde therapeutische effecten als het epicurisme, doet het in het laatmodernisme ook
goed.
Wat The Swerve nog meer doet, is deze lezers, die in de verlossende kracht van literatuur
geloven, confronteren met een doemscenario van jewelste. ‘There was a time in the ancient world’,
schrijft Greenblatt over de wetenschappelijke en literaire hoogbloei tijdens het hellenisme,
– a very long time – in which the central cultural problem must have seemed an inexhaustible
outpouring of books. Where to put them all? How to organize them on the groaning shelves? How to
hold the profusion of knowledge in one’s head? The loss of this plenitude would have been virtually
inconceivable to anyone living in its midst. (Greenblatt 2011: 86)
Voor een moderne lezer die in de therapeutische en verlossende kracht van literatuur gelooft, lijkt
het hellenisme dan ook een natte droom te zijn. De leescultuur van het hellenisme werkte door tot in
de Romeinse republiek, maar tegen de vierde eeuw stond diezelfde cultuur onder grote druk
88
(Greenblatt 2011: 87-94). De opkomst van het christendom betekende op de lange termijn het einde
van de klassieke leescultuur en halverwege de vroege middeleeuwen hing het lot van een hele
literaire traditie aan een zijden draadje.
The scribes must have been among the first to notice: they had less and less to do. Most of the
copying stopped. The slow rains, dripping through the holes in the decaying roofs, washed away the
letters in books that the flames had spared, and the worms, those “teeth of time,” set to work on what
was left. But worms were only the lowliest agents of the Great Vanishing. Other forces were at work to
hasten the disappearance of books, and the crumbling of the shelves themselves into dust and ashes.
(Greenblatt 2011: 86)
Het lot van de boeken belichaamde het lot van een hele levenswijze en cultuur (Greenblatt 2011: 9193). Wat Greenblatt beschrijft, is dan ook een waar doemscenario voor de doorsnee moderne
boekenliefhebber. The Swerve is het script voor een literaire rampenfilm. De middeleeuwse
monniken doen hun uiterste best om de boeken te bewaren en van de ondergang te redden, maar
doen die boeken geweld aan door ze in bibliotheken op te sluiten en uit circulatie te houden. De
echte helden van deze rampenfilm zijn dan ook de humanistische boekenjagers zoals Poggio die de
boeken uit de handen van de monniken rukken, de ideeën en stemmen van de auteurs die in de
boeken zitten opgesloten bevrijden, opnieuw in circulatie brengen, en in leven houden.
The Swerve is doordrongen van eenzelfde sociale energie als andere producten en
discursieve praktijken van de moderne populaire leescultuur. Greenblatts beschrijving zorgt ervoor
dat moderne lezers het heden in het verleden herkennen en die herkenning leidt in de eerste plaats
tot een vervreemding van het verleden: de lezer is verbaasd dat het verleden zo’n gelijkenissen
vertoont met het heden. Greenblatt is in zijn opzet geslaagd om de resonantie van De rerum natura
te verspreiden onder een breed publiek (zie 2003a: 423). Vanuit zijn fascinatie voor Lucretius is hij
misschien te enthousiast geweest in de beschrijving van het verleden. Zo toont die beschrijving aan
hoe heel wat culturen – van het hellenisme, de late Romeinse republiek, en de Renaissance –
verwonderlijke gelijkenissen tonen met het heden. De academische en literaire cultuur van het
verleden lijken wel belichamingen van de droom van heel wat moderne lezers te zijn. Dit zorgt ervoor
dat de herkenning van het heden in het verleden dreigt te ontaarden in een esthetisering en
verheerlijking van dat verleden. Walter Benjamin waarschuwt voor zo’n esthetisering van een
cultuur: wanneer immers zo goed als alle producten van een cultuur een esthetische glans van
verwondering krijgen, dan dreigt die hele cultuur geësthetiseerd te worden (2003: 269). Esthetisering
van een cultuur leidt ertoe dat die cultuur als een kunstwerk wordt aanzien (Robson 2008: 89). De
bekendste verwoording van dat gevoel is ongetwijfeld Horatius’ dulce et decorum est pro patria mori.
89
De leden vinden hun cultuur zo mooi dat ze, volgens Benjamin, maar al te graag ten oorlog zouden
gaan en hun leven geven om die cultuur in stand te houden (2003: 269).
Het feit dat Greenblatt waardeoordelen niet schuwt en doorheen het boek vaak “het
wondermooie Latijn” van De rerum natura benadrukt35, is – behalve opnieuw een uiting aan een
sociale energie van een leescultuur waarin esthetische oordelen over literatuur helemaal terug in de
mode zijn (zie Collins 2010: 229-246) – een bijdrage tot deze verwondering over het verleden en kan
ertoe leiden dat lezers zich schuldig maken aan een esthetisering van het verleden. Heel wat humane
wetenschappers stellen zich daarom ten doel om een descriptief onderzoek te schrijven en, hoewel
het bon ton is dat sommigen in het begin van hun werk hun persoonlijke engagement even kort
vermelden (zie o.a. Brown 2010: vii), onthouden ze zich zo veel mogelijk van waardeoordelen en
proberen ze in de rest van hun onderzoek hun betrokkenheid met het onderzoeksobject zo objectief
mogelijk te houden. Ze hebben tot doelstelling om een ideologievrij werk te schrijven en
onderschrijven de bevindingen van Terry Eagleton die, na te hebben beargumenteerd dat literatuur
een sterk evaluatief begrip is, schrijft dat
literature does not exist in the sense that insects do, and that the value-judgements by which it is
constituted are historically variable, but that these value-judgements themselves have a close relation
to social ideologies. They refer in the end not simply to private taste, but to the assumptions by which
certain social groups exercise and maintain power over others. (Eagleton 2008: 14)
Greenblatt is daarentegen van mening dat een ideologievrij werk onmogelijk is, omdat een
objectieve, neutrale onderzoekspositie volgens hem nooit kan worden ingenomen (Greenblatt 1990:
167). Sterker nog, het nastreven van objectiviteit is een even sterk ideologisch gekleurde keuze als
schrijven vanuit een persoonlijke betrokkenheid met het studieobject (Greenblatt 1990: 167). Wie
objectiviteit nastreeft, schrijft zich immers in in de heersende academische en politieke ideologie
(Greenblatt 1990: 167). Greenblatt geeft dan ook graag toe dat zijn kritische praktijk en die van
andere new historicist collega’s sterk beïnvloed en gevormd werd door de Vietnamoorlog (1990: 166167). De onderzoeker is uiteindelijk ook een subject van een ideologie en ontsnapt dus niet aan een
zekere vorm van determinatie. Eén van de fouten van het oude historisme is dan ook de aanname
dat een onderzoeker een objectieve, a-historische positie kan innemen ten opzichte van zijn
studieobject (Pieters 2001: 100). Greenblatt is zich steeds bewust van zijn eigen historische positie en
stelt dat het verleden niet mag dienen als een vluchtoord vanuit een schijnbaar a-historische positie
(Pieters 2001: 101). In zijn geëngageerde schrijven lijkt Greenblatt de woorden van, opnieuw,
Eagleton aan te halen. In After Theory benadrukt Eagleton dat omdat er geen punt ligt buiten cultuur,
35
Het gedicht is volgens Greenblatt geschreven in een ‘exquisite language’, en is ‘astonishingly beautiful’,
‘compellingly, seductively beautiful’ (Greenblatt 2011: 2-3, 50, 202).
90
er ook geen enkele rationele grond is om culturen – hedendaagse of historische – aan kritiek te
onderwerpen (2004: 55, 59-60). ‘I cannot judge between my culture and yours’, schrijft hij,
because my judgement is bound to be made from within my own culture, not from some disinterested
point outside it. There is no such place to stand. So either we are inside or complicit, or outside and
irrelevant. […] It is good news that we cannot entirely escape our culture – for if we could, we would
not be able to submit it to critical judgement. (Eagleton 2004: 55-62)
Een volledig objectieve cultuurkritiek is onmogelijk, onverstaanbaar en onwenselijk. De best
mogelijke theorie is een kritische theorie. Het doel van het new historicism is dan ook om geen
objectieve, maar een kritische relatie te creëren tussen het heden en het verleden, zonder dat
daarvoor waardeoordelen over het verleden moeten worden geschuwd (Greenblatt 1990: 166-167).
Hoewel waardeoordelen toegelaten zijn, waarschuwt Greenblatt er echter wel voor dat dit niet tot
een fascistische esthetisering en verheerlijking van het verleden mag leiden, maar wel tot een studie
van de inventieve sociale energie in een cultuur (Gallagher & Greenblatt 2000: 12-13). Het verleden
en alle kunstwerken uit een cultuur, blijven net als die cultuur, dialogisch en dus niet te herleiden tot
een verheerlijkbare monologische entiteit (Greenblatt 1990: 168-169). Ondanks deze theoretische
ingesteldheid legt Greenblatt in The Swerve te weinig nadruk op de heterogeniteit van het verleden.
Greenblatt is te gedetermineerd door de hedendaagse populaire leescultuur en projecteert deze
ideologie – gewild of niet – op het verleden. Het verleden lijkt te veel op het heden en wordt
hierdoor soms als een monologisch blok beschreven. In zijn poging om zichzelf als publieke
intellectueel voor te stellen, overtreedt Greenblatt zijn eigen theoretische premissen en verliest hij
academische betrouwbaarheid. Door deze monologische visie op het verleden gekoppeld aan een
zeer herkenbare sociale energie voor de moderne lezer, loopt die lezer het gevaar om het verleden
te verheerlijken. Het verschil tussen een lezer die het verleden verheerlijkt en iemand die dat niet
doet, lijkt Greenblatt zelf te hebben verwoord. De laatste lezer is ervan overtuigd dat een breed
maatschappelijk engagement voor literatuur een noodzakelijk goed is dat moet worden
aangemoedigd (zie Greenblatt 2011: 63), terwijl het eerste type lezer daar ook van overtuigd is, maar
veel fanatieker is in zijn overtuiging. De gedachten van zo’n lezer lijken verwoord in de kloosterregel
van Pachomius die monniken verplicht om te lezen:
The fundamentals of a syllable, the verbs and nouns shall be written for him and even if he does not
want to, he shall be compelled to read. (Pachomius in Greenblatt 2011: 25)
De boekenkoorts, de bibliotheken, de bibliomanie, de cultus van de auteurs, de
vermenselijkte boeken, en de boekenjagers zijn allemaal producten van maatschappijen die ‘[were]
poised to expand the circle of reading to a larger public’ (Greenblatt 2011: 61). In de bespreking van
91
de leescultuur doorheen de eeuwen is een impliciete boodschap te lezen voor de toekomst van de
humane wetenschappen. Literatuur en literatuurkritiek moeten opnieuw populair gemaakt worden
en niet beperkt blijven tot een elitaire aristocratische kring, suggereert Greenblatt. Wetenschappers
moeten uit hun sociaal isolement breken en, net als de Romeinse auteurs, sociale, publieke
intellectuelen worden. In een maatschappij waarvan gezegd wordt dat haar leden geobsedeerd zijn
door de zorg voor hun lichaam (zie De Cauter 2004), is het de opdracht van humane wetenschappers
om opnieuw een ‘broad commitment to reading’ te doen ontwaken en ‘to combine care for the body
with care for the mind’ (Greenblatt 2011: 63). Iedereen moet aan het lezen worden gezet. Greenblatt
predikt een neohumanisme waarin literatuur en literatuurkritiek, net als in het Firenze van Poggio en
Niccoli, weer een plaats veroveren in het hart van de maatschappij. In zo’n maatschappij werd de
waarde van de humane wetenschappen niet in twijfel getrokken, maar waren ze zo vanzelfsprekend
dat alle leidinggevende functies werden bekleed door mensen die de studia humanitatis hadden
gevolgd (Greenblatt 2011: 119-120). De vroege generatie humanisten onderhield nauwe contacten
met elkaar, was van elkaars onderzoek en ontdekkingen op de hoogte, en verleende diensten aan de
maatschappij. De samenleving erkende op haar beurt de verdienstelijkheden van de humanisten en
betuigde haar respect. Toen Poggio op 30 oktober 1459 overleed, besloot de Florentijnse republiek
hem met een grote ceremonie te begraven in de Santa Croce en gaf ze opdracht om een standbeeld
van Poggio op te richten voor de Santa Maria del Fiore (Greenblatt 2011: 217). Zo kreeg Poggio de
publieke erkenning waarnaar hij steeds streefde (Greenblatt 2011: 218). Greenblatt preekt voor het
koor. Alhoewel de hedendaagse academische cultuur van de humane wetenschappen in schril
contrast staat met de tijd van het vroege humanisme, is de leescultuur die Greenblatt beschrijft wel
een feit. De bedoelde lezers van The Swerve, en de vakjury’s van de National Book Award en de
Pulitzer Prize denken er net zo over als Greenblatt. Ze vinden immers allemaal de waarde van
literatuur vanzelfsprekend (Collins 2010: 260).
De manier waarop deze boodschap voor de humane wetenschappen wordt gesuggereerd,
laat zien hoe Greenblatt zich opnieuw als clinamendenker profileert. In de dankbetuigingen in
Marvelous Possessions vermeldt Greenblatt een studente die hem aan het einde van een van zijn
lezingen aan de universiteit van Chicago aansprak (1991: viii-ix). De studente vroeg Greenblatt zich te
verantwoorden voor zijn eigen positie als joods schrijver en intellectueel in het discours over de
Europese ontdekkingsreizigers. De studente vond dat hij door zijn sardonische schrijfstijl de indruk
opwekte zich op een valse, objectieve afstand ten opzichte van zijn discours te positioneren
(Greenblatt 1991: ix). Hoewel Greenblatt zich, volgens de studente, in zijn discours zou willen
wegcijferen, is het inmiddels duidelijk dat hij daar zelf anders over denkt en van mening is dat dit
noch voor hem, noch voor elke andere wetenschapper, mogelijk is. Greenblatts antwoord was dan
ook dat
92
I do not claim such protection nor do I imagine myself situated at a safe distance. On the contrary, I
have tried in these chapters, not without pain, to register within the very texture of my scholarship a
critique of the Zionism in which I was raised and to which I continue to feel, in the midst of deep moral
and political reservations, a complex bond. (Greenblatt 1991: ix)
Wat hij dan ook impliciet beoogt met zijn werk over de ontdekking van Amerika is over eigen
autobiografische problemen schrijven. Greenblatt wil via een omweg – een clinamen – in de
geschiedenis zijn doel bereiken. Hij schrijft via een historische studie over zijn eigen tijd en overbrugt
de onvermijdelijke historische afstand die het verleden van het heden scheidt door zijn historische
studie (Robson 2008: 4). Zo ook in The Swerve. Greenblatt wil over de hedendaagse crisis en de
toekomst van de humane wetenschappen schrijven en doet dit door terug te gaan naar de oorsprong
van die humane wetenschappen. Greenblatt hoopt een nieuwe Petrarca te zijn die ‘inspired others to
seek out lost classics that had been lying unread’ (Greenblatt 2011: 23). Hoewel Petrarca niet de
eerste boekenjager was, was het wel zijn verdienste dat de humane wetenschappen in de eerste
plaats ontstonden en geïnstitutionaliseerd werden (Greenblatt 2011: 119-120). ‘Always historicize!’
(Jameson 2003: 9) is niet alleen de slogan voor Fredric Jamesons onderzoek naar het politieke
onbewuste in de literatuur, maar geldt ook als slogan voor Greenblatt. Door terug te keren naar de
oorsprong van de humane wetenschappen en te schrijven over wat de eerste humanisten dreef in
hun onderzoek en liefde voor de literatuur, hoopt Greenblatt een vonk te doen overslaan op zijn
collega’s. Jamesons slogan wordt in The Swerve bovendien aangevuld door een nieuwe slogan van
Jeffrey Williams ‘Always personalize!’ (Williams 1999: 415). Greenblatt bepleit zijn zaak door niet
alleen naar de oorsprong van de humane wetenschappen te kijken, maar door eveneens de
therapeutische effecten van literatuur op zijn eigen leven aan te tonen. Hij hoopt zo zijn collega’s de
noodzakelijke nieuwe impuls te geven, die volgens hem nodig is om de humane wetenschappen uit
de crisis te helpen.
4. Greenblatt Self-Fashioning – From acting out to cashing in?
Het is duidelijk dat Greenblatt zich profileert als een publieke intellectueel die voeling heeft met het
brede publiek en voorvechter is van een vernieuwing van de humane wetenschappen. Deze
zelfvorming is een keuze die wordt gestuurd door de veranderende omstandigheden van de
academische wereld. Volgens de logica van Williams zouden het echte doel en de motivering van
Greenblatts self-fashioning zelfs volledig ingegeven zijn door de financiële situatie waarin de humane
wetenschappen zich bevinden (1999: 425). Greenblatt zou uit vrees voor academisch lijfbehoud
ervoor kiezen om zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden en de voorwaarden die
deze veranderingen hem stellen. Een gedwongen keuze, maar nog steeds een keuze. Greenblatt
heeft immers altijd de keuze om zich niet aan te passen, en zich te onttrekken aan de ratrace om
93
financiële middelen. Het feit dat Greenblatt zich toch lijkt aan te passen, lijkt me enerzijds te
verklaren doordat hij nog steeds in de academische wereld wil blijven meedraaien en een nieuwe
machtspositie wil innemen, en anderzijds omdat de wijze waarop hij aan zelfvorming doet in The
Swerve een manier is die hem bijzonder weinig moeite kost. Het is immers zo dat heel wat
karakteristieke eigenschappen van Greenblatts zelfvorming teruggaan op theoretische premissen van
het new historicism.
Hoewel The Swerve een autobiografische insteek heeft, is dit voor Greenblatt helemaal geen
nieuwe wending. In heel wat anders essays en artikels legt hij door het aanhalen van
autobiografische anekdotes maar al te vaak de nadruk op zijn persoonlijke betrokkenheid met het
studieobject (zie o.a. Greenblatt 1980: 255-257; 1990: 1-15, 146-160; 1991: 1-25; 1997b; 2001: 3-9;
2003a). De autobiographical turn, waar Williams over spreekt, had zich al van het begin af aan
gemanifesteerd in Greenblatts denken en bovendien leverde Greenblatt met een verhaal over zijn
vakantie in Laos zelfs een bijdrage aan de anthologie van Harold Aram Veeser, waaraan Williams
onder andere het ontstaan van die autobiografische wending toeschrijft (Greenblatt 1996). Behalve
deze autobiografische toon was er ook al sprake van een bibliographical turn in werken zoals
Shakespearean Negotiations. Het verschil is dat waar in zijn vorige werken de nadruk op de circulatie
van een ideële sociale energie lag en de materialiteit van de objecten iets minder de aandacht
verdiende, Greenblatt in The Swerve meer aandacht besteedt aan de materiële vorm waarin sociale
energie circuleert. Greenblatt beklemtoont dat de materialiteit van het culturele artefact een
belangrijke factor is bij de analyse van culturele mobiliteit (2010c). Zo benadrukt hij in het laatste
hoofdstuk van Shakespearean Negotiations de rol van het materiële boek door te stellen dat de
invloed van de theaterstukken van Shakespeare sterker doorleefde in de literatuur dan in het theater
(Greenblatt 1988: 160). Shakespeare werd in de loop van de geschiedenis meer en meer met
literatuur geassocieerd dan met theater en dit is volgens Greenblatt te verklaren door de publicatie
van Shakespeares theaterstukken in boekvorm (1988: 160-161), waaraan hij later als hoofdredacteur
van The Norton Shakespeare nota bene zelf zou bijdragen (zie Shakespeare 1997). De materialiteit
van het boek liet plots een letterlijke culturele mobiliteit toe, aangezien het niet langer gebonden is
aan één bepaalde locatie:
the book is supremely portable. It may be readily detached from its immediate geographical and
cultural origins, its original producers and consumers, and endlessly reproduced, circulated,
exchanged, exported to other times and places. (Greenblatt 1988: 160)
Elders benadrukt Greenblatt dat deze letterlijke geografische beweging vaak samengaat met een
ideële figuurlijke culturele beweging (2010c: 250). Eén zo’n letterlijke beweging bracht het
verzamelde werk van Shakespeare in 1877 in boekvorm in de rugzak van Henry Morton Stanley mee
94
op Congorivier. De ontdekkingsreiziger moet volgens Greenblatt heel blij zijn geweest dat hij het
boek mee had, want door het boek in het vuur te gooien, redde het hem van de dood in de handen
van enkele inheemse stammen (1988: 162). Deze anekdote toont aan dat de eens zo subversieve
ideeën die verwoord werden in de werken van Shakespeare aangepast waren en aan het eind van de
negentiende eeuw als legitimatiemiddel van het Britse keizerrijk fungeerden:
For Stanley, Shakespeare’s theater had become a book, and the book in turn had become a genial
companion, a talisman of civility, a source not of salutary anxiety but of comfort in adversity.
(Greenblatt 1988: 163)
De antropomorfe wijze waarop Greenblatt over de materiële boeken spreekt, is bovendien een
uitwerking van zijn eigen fascinatie om via literatuur met de doden te kunnen spreken. Door zowel
de materialiteit als de idealiteit van het boek te benadrukken speelt Greenblatt – bewust of niet – in
op de wensen van de populaire leescultuur. De bewoording is seculier, maar toch schemert een vorm
van sacraliteit door. Op vormelijk vlak staat Greenblatt dan al weer sinds het begin van zijn carrière
bekend om een zeer anekdotische, prozaïsche schrijfstijl, waardoor zelfs zijn meer ingewikkelde
theoretische geschriften toegankelijk zijn. Wat hij dan ook alleen maar diende te doen, is een
inhoudelijk iets toegankelijker versie te maken van zijn traditionele academische geschriften, door
enkele wetenschappelijke basispraktijken voldoende toe te lichten aan de hand van licht verteerbare
anekdotes.
Ten slotte gaat het sterke bewustzijn over de rol van de humane wetenschappen in de
hedendaagse samenleving reeds terug op enkele oorspronkelijke premissen. Greenblatt schrijft hoe
hij zijn academische carrière aan de universiteit van Berkeley begon tijdens de hevige
studentenprotesten tegen de Vietnamoorlog (1990: 4). In tijden waarin lessen en seminaries om de
haverklap werden afgelast door studenten die het lokaal bezetten uit protest tegen de
onaangekondigde inval van de Verenigde Staten in Cambodja, en de geur van traangas de campus
doordrong, was het tellen van het aantal lettergrepen in de gedichten van Ben Johnson allesbehalve
vanzelfsprekend (Greenblatt 1990: 4). Greenblatt zette de problematische rol van de humane
wetenschappen op de agenda en profileerde zich al vroeg als een clinamendenker. In de eerste
plaats probeerde Greenblatt, schatplichtig aan de praktijk van Foucault, de genealogische
verwantschap tussen het heden en het verleden te benadrukken. ‘To study the culture of sixteenthcentury England did not present itself as an escape from the turmoil of the present’, schrijft hij,
it seemed rather an intervention, a mode of relation. The fascination for me of the Renaissance was
that it seemed to be powerfully linked to the present both analogically and causally. This doubled link
at once called forth and qualified my value judgments: called them forth because my response to the
past was inextricably bound up with my response to the present; qualified them because the analysis
95
of the past revealed the complex, unsettling historical genealogy of the very judgments I was making.
To study Renaissance culture then was simultaneously to feel more rooted and more estranged in my
own values. (Greenblatt 1990: 167)
Behalve inzicht verwerven in de heterogene culturele formaties, is het doel van Greenblatts new
historicism om via een omweg naar het verleden, inzicht te krijgen in het heden. Volgens Greenblatt
is het immers zo dat ‘we are situated at the close of the cultural movement initiated in the
Renaissance; the places in which our social and psychological world seems to be cracking apart are
those structural joints visible when it was first constructed’ (Greenblatt 1980: 174-175). Enkel door
de genealogische verwantschap te benadrukken, kregen de humane wetenschappen aan het einde
van de jaren ’60 maatschappelijke relevantie en behielden ze hun bestaansrecht. Sterker nog,
Greenblatt schrijft dat ‘[w]riting that was not engaged, that withheld judgments, that failed to
connect the present with the past seemed worthless’ (Greenblatt 1990: 167).36 Ten tweede vond
Greenblatt dat de traditionele grenzen tussen onderzoeksdepartementen en -disciplines doorbroken
dienden te worden, wilden de humane wetenschappen de democratisering van het hoger onderwijs
overleven. Greenblatt begon zijn carrière aan de universiteit van Berkeley in het Engelse
literatuurdepartement, waar hij naar eigen zeggen niet kon aarden (1990: 4). Hij voelde zich letterlijk
geïsoleerd en schrijft hoe hij om zijn isolement te geraken de traditionele academische grenzen van
het literatuurdepartement wou openbreken (Greenblatt 1999: 4-5).
My own work was pulling me in other directions – I wanted in fact to erase all boundaries separating
cultural studies into narrowly specialized compartments – and in the years that followed, I found
people in other departments […] with whom to talk and exchange work. (Greenblatt 1990: 4).
Wat Greenblatt beschrijft, is hoe hij in zekere zin zelf de interdisciplinaire insteek van de high theory
in gang zette en gedurende de jaren ’60 en ’70 aan de verwetenschappelijking van de humane
wetenschappen
heeft
bijgedragen.
Robson
onderschrijft
Greenblatts
claim
van
verwetenschappelijking en stelt dat ‘[w]hat new historicism did was to engage more explicitly with
critical ‘theory’, especially with the works of thinkers such as Michel Foucault, while at the same time
retaining many of the traditional aspects of literary criticism’ (Robson 2008: 12). Door in een ogenblik
van verhandeling de grenzen tussen departementen negotieerbaar te maken en vervolgens van heel
36
In het voorwoord van de hernieuwde uitgave van Renaissance Self-Fashioning, naar aanleiding van de
vijfentwintigste verjaardag van het boek, verwoordt Greenblatt deze genealogische aanpak als volgt: ‘I believed
that in describing some of the mechanisms of identity formation in the Renaissance I was participating, in a
small, scholarly way, in a much larger project, the project of grasping how we have become the way we are’
(Greenblatt 2005c: xvi-xvii).
96
wat grenzen af te wijken, haalden de humane wetenschappen het einde van de twintigste eeuw. Het
clinamen heeft zijn waarde toen al bewezen en kan dat volgens Greenblatt vandaag opnieuw doen.
Het is duidelijk dat de beweging die Greenblatt voor zijn zelfvorming in The Swerve moet
maken, slechts een kleine wending is en nauwelijks de dramatische afwijking die hij in zijn
presidentiële toespraak aankondigt. Er zijn verschillende modi waarop sociale energie kan worden
getransporteerd (Greenblatt 1988: 8). Eén zo’n modus noemt Greenblatt de appropriatie, een
overname waarvoor weinig vormelijke of inhoudelijke aanpassing noodzakelijk is (1988: 9). Deze
manier van culturele uitwisseling is bijvoorbeeld mogelijk als het object van transport al onderdeel
van het publieke domein is en eenvoudig en kosteloos kan worden toegeëigend door de agens van
de appropriatie (Greenblatt 1988: 9). De sociale energie die The Swerve bevat, doordringt eveneens
de hele populaire leescultuur en kan Greenblatt nog eens heel gemakkelijk appropriëren vanuit zijn
voorgaande geschriften. Hoewel er dus nog maar weinig aanpassingen moeten worden gemaakt om
een bestseller te schrijven en zijn zelfvorming als publiek intellectueel te doen slagen, hebben de
lichte aanpassingen die Greenblatt uitvoert toch hun gevolgen. Greenblatts zelfvorming als publieke
intellectueel en nieuwe generatie humane wetenschapper heeft als gevolg dat hij kritiek vanuit het
academische veld te verwerken krijgt.
Vergelijkend literatuurwetenschapper en recensent Michael Dirda is heel wat minder
enthousiast over Greenblatts boek. Hij begint zijn recensie met te benadrukken dat Greenblatt al op
jonge leeftijd heel wat academisch prestige had vergaard en is uitgegroeid tot een van de meest
notabele Shakespeare-geleerden en uiteindelijk hoofdredacteur van Shakespeares verzamelde
werken werd (Dirda 2011). Dirda beklemtoont bovendien dat Greenblatt de stichter is van het new
historicism, wat volgens Robson ‘the most influential movement within literary studies of the last
twenty years’ (Robson 2008: 120) is. Michael Payne schrijft dan weer dat Greenblatt, behalve
stichter, nog steeds de meest invloedrijke beoefenaar van de stroming is (Payne 2005: 1). Het is
duidelijk dat Greenblatt heel wat symbolisch kapitaal bezit en daardoor een machtspositie in het
academische veld inneemt die verbonden is met een prestigieuze titel.37 Het is dan ook niet
onlogisch dat Greenblatt in 2002 voorzitter van de MLA werd. Twee jaar later, in 2004, zo gaat Dirda
verder,
37
Wanneer een actor in een veld zich conform de habitus van dat veld gedraagt, verwerft die actor een
prestigieuze titel (Bourdieu 1979: 23). Het belang van zo’n titel is niet te onderschatten, want het bezit van
ervan zorgt er niet alleen voor dat andere actoren sneller gehoor zullen geven aan de oproep van de
titeldrager, maar ook dat die titeldrager verondersteld wordt kennis en dus ook macht te bezitten over zaken
van buiten het domein waarin de titel is verworven (Bourdieu 1979: 23-24).
97
he brought out “Will in the World,” a life and times of Shakespeare, and this proved – such things do
happen – a bestseller. In the book, Greenblatt spoke with considerable authority, reflecting a lifetime
of thought and speculation about Shakespeare’s plays and career. (Dirda 2011)
Greenblatt spreekt over Shakespeare met heel wat academische autoriteit vanuit zijn machtspositie
als gerenommeerd Shakespeare-geleerde en hoofdredacteur van The Norton Shakespeare. ‘But “The
Swerve”’, zo vindt Dirda,
an account of how the rediscovery of the Latin poet Lucretius shook up the Renaissance, is a work that
a journalist or a hard-working amateur might have produced, a sprawling paraphrase of other people’s
research. […] In short, this is a book that feels a little mushy and over-sweetened, in the way of so
much popular history with an eye on the bestseller list. (Dirda 2011)
Dirda lijkt Greenblatt te verwijten dat hij een academische sellout is, op zoek naar gemakkelijk te
verdienen geld door andermans werk te vulgariseren in een formaat dat voorbestemd is om een
bestseller te worden. Waar een andere recensent Greenblatts boek nog als een perfecte latte
omschreef (Garner 2011), is het voor Dirda ‘over-sweetened’ (Dirda 2011). Hij herkent de jonge,
ambitieuze stichter van het new historicism niet meer die met zijn geëngageerde en gedreven
literatuurwetenschap heel wat furore maakte in de academische wereld, en vraagt zich af of
Greenblatt zich nu definitief in de late, vulgariserende fase van zijn carrière bevindt (Dirda 2011).
Dirda vergelijkt Greenblatts twee bestsellers met elkaar en vindt dat waar Greenblatt een autoriteit
is over Shakespeare en erin slaagt om gedreven door zijn persoonlijke fascinatie voor de Bard, een
vonk te doen overslaan bij het brede publiek, hij niet in staat is om op een even gepassioneerde toon
over Lucretius te schrijven (Dirda 2011). Dit is volgens Dirda het gevolg van het gevoel dat Will in the
World geschreven is door een gepassioneerde wetenschapper die jarenlang onderzoek op een zeer
erudiete, maar toch uiterst toegankelijke toon presenteert, terwijl The Swerve eerder het werk is van
een hardwerkende amateur die het onderzoek van anderen compileert en uitgeeft (2011).
Greenblatt heeft zijn oproep om meer interesse voor het werk van collega’s aan de dag te leggen te
veel opgevolgd en levert te weinig eigen bijdrages, met als gevolg dat hij – in tegenstelling tot bij Will
in the World – er voor deze recensent niet in slaagt om een schrijfstijl van energeia te bereiken en de
resonante sociale energie te activeren.
Bovendien valt de anekdotische schrijfstijl waarmee Greenblatt zijn bekendheid verwierf bij
de recensent niet in de smaak (Dirda 2011). Er worden volgens Dirda te veel anekdotes
geïncorporeerd waardoor het betoog vaak van de hoofdthese wegdrift en de gedachtegang
onduidelijk te volgen is (2011). Het betoog in the Swerve is vaak heel onvoorspelbaar en schiet, net
als de atomen, alle kanten uit. Het clinamendenken speelt Greenblatt volgens Dirda parten. De
anekdotes verraden, opnieuw volgens Dirda, het gebrek aan eigen inbreng en hij suggereert dan ook
98
dat Greenblatts hoofdthese te zwak wordt onderbouwd (2011). ‘Greenblatt tells us more than seems
relevant’ (Dirda 2011), terwijl hij oppert dat de anekdotische aanpak eerder een schrijfstijl is om een
breed publiek te plezieren dan wetenschappelijk verantwoord. Het bewijsmateriaal dat Greenblatt
aanhaalt, oogt te licht om te overtuigen. Dirda vindt dat ‘[t]o those who have never read much
classical literature or know little about the Renaissance “The Swerve” may well seem fresh, even
though it trots out one historical golden oldie after another’ (Dirda 2011). De meeste kennis die
Greenblatt bijvoorbeeld over Lucretius aanhaalt, vindt Dirda al gauw terug in de inleiding van een
eenvoudige Engelse tekstuitgave van De rerum natura (2011). Meer dan een doorsnee inleiding op
Lucretius en de boekgeschiedenis is het boek dan ook niet.
Dirda’s kritiek op de anekdotische aanpak, sluit in zekere zin aan bij enkele bemerkingen die
David Simpson formuleerde over de methode van het new historicism. Het enthousiasme dat new
historicists aan de dag leggen voor de anekdote en de heterogeniteit van een cultuur, spelen volgens
Simpson hun onderzoek parten (1995: 161). Hoewel het niet de opzet is van new historicist
onderzoek om een hegeliaans grand récit te zijn en de onderzoeker daarom focust op singuliere
anekdotes (zie p. 42), beperkt die singulariteit de draagwijdte van het onderzoek waardoor het
onderzoek maar ‘half-knowledge’ (Simpson 1995: 11) oplevert. Dirda bekritiseert de anti-hegeliaanse
aanpak niet, maar lijkt zich wel aan te sluiten bij de kritiek dat het onderzoek te weinig kennis
aanreikt. Dirda is meer gewend van Greenblatt en The Swerve valt dan ook niet in zijn smaak. ‘I found
the book strangely unserious’, vat hij samen,
The prose was clear but lacking energy, the covered material largely consisted of borrowed finery, and
the whole felt uncomfortably like an attempt to create a nonfiction pot-boiler in the shallow mold of
“How the Irish Saved Civilization”. By no means a bad book, “The Swerve” simply sets its intellectual
bar too low, complacently relying on commonplaces in its historical sections and never engaging in an
imaginative or idiosyncratic way with Lucretius’ great poem as a work of art. (Dirda 2011)
Dirda vindt dat Greenblatt de intellectuele lat gewoon niet hoog legt. Als academicus vindt hij het
boek te vulgariserend om nog een vorm van literatuurwetenschap te zijn. Waar Greenblatt in Will in
the World overvloedig gebruik maakt van zijn verbeeldingsvermogen om het leven van Shakespeare
te reconstrueren, omdat hij van mening is dat ‘to understand how Shakespeare used his imagination
to transform his life into his art, it is important to use our own imagination’ (Greenblatt 2004: 14),
ontbreekt het in The Swerve net aan deze verbeeldingskracht. Greenblatt koppelt niet genoeg terug
naar het gedicht, maar wil te veel “plezierige weetjes” meedelen en grijpt daardoor wel de aandacht
van de brede lezer, maar blijft tegelijk op de oppervlakte rondzwerven.
Deze recensie kan begrepen worden als een vorm van symbolische repressie. Volgens Dirda
overtreedt Greenblatt de habitus van het academische veld en dient daarvoor worden gestraft met
99
symbolische repressie: Dirda gebruikt zijn titel als prijswinnend recensent38 en academicus om
Greenblatt te berispen (zie Bourdieu 1979: 21-28; 1992: 104). Greenblatt moet zijn titel als
academicus afstaan, want wie zo’n boek schrijft is die titel niet waardig, en is hoogstens een
journalist, of sterker nog, een amateur (Dirda 2011). Greenblatt benadrukt zelf dat elke vorm van
identiteitsvorming ook zijn eigen subversie inhoudt (1980: 9). Zijn poging om een machtspositie als
publieke intellectueel in te nemen resulteert in het verlies aan symbolisch kapitaal in het
academische veld. Greenblatt overtreedt de academische habitus door – zoals onder andere blijkt uit
de bespreking van de klassieke leescultuur – niet voldoende te nuanceren en te vulgariserend te
schrijven. Dirda fluit Greenblatt hiervoor terug en berispt hem. Als Dirda de keuze zou krijgen tussen
Greenblatts The Swerve of Browns The Return of Lucretius, zou hij ongetwijfeld dat laatste boek
hoger inschatten. Uit de academische recensies van het boek blijkt dat Brown de intellectuele lat
immers wel hoog genoeg legt om een originele bijdrage aan de wetenschap te leveren (McCahill
2011: 923; Passannante 2010: 1248).39 Greenblatt daarentegen kiest voor de gemakkelijke weg,
parafraseert andermans onderzoek en wil, zo lijkt de suggestie van Dirda te zijn, met andermans
onderzoek geld verdienen op de rug van een breed publiek (2011). De habitus van het academische
veld verbiedt dit. Wat telt is symbolisch kapitaal, geen economisch kapitaal. Dat symbolisch kapitaal
verwerft een academicus door originele bijdrages aan de wetenschap te leveren en zich van heel wat
taken te kwijten zonder enige financiële vergoeding. De academische habitus wordt immers
gekenmerkt door een ingebouwde vrijgevigheid, spreekt Greenblatt de leden van MLA toe:
We do not parcel out our days in billable hours. On the contrary, most of the teachers I have known in
my life have ungrudgingly taken on tasks – advisees, tutorials, theses – without any prudential
calculation of compensation or cost. This generosity is structural, built into our professional lives, from
the graduate student instructors, who routinely do far more than they are paid for, to the senior
professors, who typically do everything they did when they were starting out, plus more and more,
virtually without limit. (Greenblatt 2003a: 424)
Een academicus hoort zich niet te bekommeren om geldgewin. Hij wordt wel betaald, maar schrijft
zijn onderzoek en vervult heel wat andere taken ad majorem academiae gloriam.
Greenblatt gedraagt zich niet professioneel en zijn zelfvorming lijkt, in de ogen van Dirda, te
veel ingegeven door geldgewin en daarom vals. De fascinatie voor Lucretius komt niet voldoende
naar voren in het boek, zodat het lijkt alsof die persoonlijke betrokkenheid geveinsd is en een vorm is
van wat Simpson professioneel antiprofessionalisme noemt (1995: 80). Simpson bespreekt in zijn
38
Dirda is, net als Greenblatt, een Pulitzer Prize-winnaar. In 1993 ontving hij, omwille van zijn kritische
recensies deze prestigieuze prijs in de categorie criticism (TPP 2012a).
39
Ook Greenblatt zelf prijst op de blurb van het boek het werk als een waardevolle en originele bijdrage aan de
Renaissance studies.
100
werk een persoonlijke anekdote die is opgenomen in de epiloog van Greenblatts Renaissance SelfFashioning (Greenblatt 1980: 255-257; Simpson 1995: 177-178). Daarin vertelt Greenblatt hoe hij op
een vlucht van Baltimore naar Boston, terwijl hij nota bene Clifford Geertz’ Interpretation of Cultures
aan het lezen was, werd aangesproken door een radeloze vader naast hem (Greenblatt 1980: 255).
De vader was op weg naar zijn zoon die als gevolg van een ziekte niet meer kon spreken en daardoor
alle wil om te leven had opgegeven (Greenblatt 1980: 255). Om zich voor te bereiden op de
ontmoeting met zijn zoon, vroeg de man aan Greenblatt om geluidloos de woorden ‘I want to die. I
want to die’ (Greenblatt 1980: 225) te vormen. Hoewel hij de man graag wou helpen, deinsde
Greenblatt er voor terug om de woorden te vormen:
I could not do what the man had asked […] I felt superstitiously that if I mimed the man’s terrible
sentence, it would have the force, as it were, of a legal sentence, that the words would stuck like a
burr upon me. And beyond superstition, I was aware […] of the extent to which my identity and the
words I utter coincide, the extent to which I want to form my own sentences or to choose for myself
those moments in which I will recite someone else’s. (Greenblatt 1980: 256).
Wat Greenblatt vreest is de performatieve functie van de woorden en het geloof dat als hij de
woorden zou uiten, hij geen controle meer zou hebben over zijn eigen zelfvorming (1980: 256-257).
Simpson vindt de anekdote zo’n passend voorbeeld van Greenblatts eigen theorie dat hij twijfelt aan
de oprechtheid van het verhaal (1995: 177-178). Het verhaal heeft te sterke gelijkenissen met
literaire verhalen en zou, als het niet verzonnen is, dan wel aangepast zijn om als een Barthesiaans
realiteitseffect te functioneren. Het is dan ook geen oprechte antiprofessionele persoonlijke inkijk,
maar een retorische ingreep van een professioneel academicus om de boodschap effectiever te laten
overkomen. Dirda lijkt te suggereren dat de inleiding van The Swerve een louter professioneel
inspelen op de markt is om meer te verkopen. Ik ben het daar niet mee eens en heb voldoende
aangetoond dat Greenblatt gefascineerd is door Lucretius en deze fascinatie – ongewild of niet – zijn
sporen nalaat in de theorievorming en praktijk van Greenblatts new historicism.
Het is opvallend dat de symbolische repressie geuit wordt in The Washington Post, een niet
academisch medium. De symbolische repressie van Greenblatt is dan ook tegelijk een profilering van
Dirda. Hij lijkt zich te beroepen op het ethos van het academische veld als beschermer van de
maatschappij en de bevolking en pikt het daarom niet dat de “onschuldige lezer” bedrogen wordt
met een boek dat zijn beloftes niet waarmaakt. Dirda gebruikt zijn titel als prijswinnend recensent en
academicus om zijn invloed te doen gelden en Greenblatt te berispen. Ten koste van Greenblatts
academische titel, werpt Dirda zich op als ware publieke intellectueel.
Greenblatts profilering als publieke intellectueel en redder van de humane wetenschappen is
volgens recensenten als Dirda, vals. Daarvoor is het werk intellectueel niet uitdagend genoeg.
101
Greenblatt wil helemaal niet verlichten, maar slechts geld verdienen door het publiek in zekere zin
uit te melken.40 Hoewel volgens de logica van Williams, Greenblatt een werk als The Swerve zou
schrijven om onderzoeksfinanciering in de wacht te slepen, zijn er heel wat factoren die erop wijzen
dat dit niet het geval is. In de eerste plaats impliceert het vele symbolische kapitaal en de daarbij
gaande titel die Greenblatt door de jaren heen heeft verworven dat zijn positie als academicus niet
onder druk staat. Bovendien levert hij zijn instelling voldoende economisch kapitaal in de vorm van
fondsen door in de laatste jaren minstens twee academische boekpublicaties te hebben: eenmaal als
hoofdredacteur van een boek over culturele mobiliteit en een andere maal als auteur van
Shakespeare’s Freedom – de uitgave van de Rice University Campbell Lectures aan de universiteit van
Chicago (zie Greenblatt 2010d). Kortom, Greenblatt hoeft zich niet te bekommeren om
onderzoeksfinanciering en volgens Dirda schreef Greenblatt het boek om persoonlijk geldgewin.
Gelet op de taboe die op geld rust in het academische veld – hoewel dat veld tegenwoordig
doordrongen is van een economische logica41 – moet Greenblatt een dekmantel aannemen in dat
veld door zich te profileren als redder van de humane wetenschappen.
Greenblatts zelfvorming in The Swerve roept net als zijn anekdote in het vliegtuig de
problematische vraag op of zijn zelfvorming gedetermineerd is of gebaseerd is op vrije wil. Hoe dan
ook, het antwoord op deze vraag hangt af van de mate waarin de zelfvorming als oprecht overkomt.
De oprechtheid van een persona staat volgens Greenblatt in verband met het begrip sprezzatura, ‘a
technique for the manipulation of appearance, a device for masking all the tedious conning of lines
and secret rehearsals that underlie successful performances’ (Greenblatt 1973: 35). Met deze term
uit de kunstwetenschappen bedoelt Greenblatt dat bij succesvolle zelfvorming het subject een
zekere nonchalance vertoont waardoor het lijkt alsof diens zelfvorming zonder voorbedachte
redenen gebeurt en daardoor natuurlijk en oprecht overkomt. Greenblatt vertoont een dergelijke
vorm van sprezzatura in zijn zelfvorming als publieke intellectueel. The Swerve is geen alleenstaand
boek en sluit in zekere zin aan bij het Cardenio-project. Zoals reeds eerder gezegd, was het voor
Greenblatt meer dan zomaar een theaterproductie voor een groot publiek, maar stond deze
productie in het kader van een onderzoeksproject naar culturele mobiliteit en leidden de resultaten
ervan tot de publicatie van Cultural Mobility. Het project lijkt een antwoord op Greenblatts oproep
40
The Swerve volgt het model van de journalistiek (zie Williams 1999: 429). Het is dan ook niet zo toevallig dat
Dirda Greenblatt als journalist bestempelt (Dirda 2011).
41
Cultuurfilosoof Lieven De Cauter (2004: 41-55) beargumenteert dat door het ideologische monopolie van het
transcendentaal kapitalisme in de laatmoderniteit alle velden gedomineerd worden door het economische
veld. Het academische is zeker niet het enige. Deze dominantie uit zich bijvoorbeeld in de taal waarop in
Vlaamse universiteiten en andere instellingen van het hoger onderwijs gesproken wordt. Zo spreekt men niet
alleen over onderzoek, maar ook over studenten in termen van input en output en worden studenten als
klanten beschouwd die credit- of diplomacontracten aangaan. Daarnaast is het zo dat universiteiten voor
financiering sterk afhankelijk zijn van externe fondsen en bewijst de “routledgizing” van academische
uitgeverijen dat ook deze uitgeverijen sterk doordrongen zijn van een economische logica.
102
om wetenschap voor een breed publiek te bedrijven, een oproep die zich onder andere ook
manifesteerde in Will in the World (Greenblatt 2004). De oprechtheid van Greenblatts zelfvorming
lijkt bovendien nog toe te nemen wanneer we in beschouwing nemen dat Greenblatt hoofdredacteur
is van het door veel studenten en amateurlezers gebruikte The Norton Anthology of English
Literature – waarin hij bovendien actief een volume over de literatuur van de zestiende en
achttiende eeuw redigeerde (zie Logan et al. 2006) – en The Norton Shakespeare, wat volgens
Michael Payne Greenblatts ‘most influential piece of public pedagogy’ (Payne 2005: 3) is. Ook al jaagt
Greenblatt misschien persoonlijk geldgewin na, dan nog slaagt hij erin om voldoende sprezzatura te
vertonen om deze onderliggende motivatie te verdoezelen en voor velen als een oprecht publieke
pedagoog over te komen. Voor velen, maar niet voor iedereen. Er zijn immers een aantal
aanwijzingen dat Greenblatt The Swerve voor persoonlijk geldgewin schreef. Het feit dat The Swerve
is uitgegeven door W.W. Norton & Company, doet Dirda twijfelen aan de oprechtheid van
Greenblatts zelfvorming. Toen Greenblatt Will in the World schreef, kreeg hij van zijn uitgever
Norton, los van de uiteindelijke inkomsten na de publicatie, alvast ‘a high six-figure advance’
(Donadio 2005). Het is niet ondenkbaar dat Greenblatt ook nu een aanzienlijke voorschot kreeg.
Hoewel het ontvangen van zo’n aanzienlijke voorschot, nog steeds niet betekent dat Greenblatt een
boek als Will in the World of The Swerve voor geldgewin schrijft, toont het wel aan dat de uitgeverij
het volste vertrouwen heeft in het welslagen van de publicatie en de sommen geld die de verkoop
van het boek zal opleveren – waarvan een groot deel uiteraard aan Greenblatt toekomt. Bovendien is
The Norton Anthology of English Literature een belangrijke reeks met een publiek pedagogisch doel
al zodanig veel verkocht dat Dirda de reeks bestempelt als ‘that great academic money-maker’ (Dirda
2011). The Swerve zal Greenblatt ook nu geen windeieren leggen. Wanneer er geld ter sprake komt,
duiken onvermijdelijk enkele kwatongen als Dirda op die de oprechtheid in twijfel trekken. Deze
twijfel over Greenblatts zelfvorming toont aan dat elke vorm van zelfvorming zijn eigen subversie
inhoudt.
Wanneer we Greenblatts zelfvorming benaderen vanuit zijn eigen theoretisch denkkader,
dan moeten we besluiten dat deze zelfvorming helemaal niet is ingegeven door een absolute vrije
wil, maar bepaald wordt door heel wat externe determinaties. Greenblatt presenteert zijn keuzes en
vormt zijn eigen identiteit alsof het zijn eigen vrije wil is. Hij beseft namelijk als geen ander dat het
bestaan van vrije wil een verplicht vol te houden illusie is, en weet dat wat hij in de epiloog van
Renaissance Self-Fashioning schrijft ook op zijn eigen zelfvorming van toepassing is:
Whenever I focused sharply upon a moment of apparently autonomous self-fashioning, I found not an
epiphany of identity freely chosen but a cultural artifact. If there remained traces of free choice, the
103
choice was among possibilities whose range was strictly delineated by the social and ideological
system in force. (Greenblatt 1980: 256)
Greenblatts zelfvorming is een gedetermineerde keuze die in de eerste plaats is ingegeven door
veranderingen in het academische veld. In het begin van de jaren 2000 krijgen de humane
wetenschappen in de Verenigde Staten nauwelijks nog ideologische steun. De humane
wetenschappen hebben amper nog een plaats in de maatschappij waarin George W. Bush, ‘a person
of conspicuously verbal skills’ (Greenblatt 2003a: 423), tot president is verkozen. Dit gebrek aan
ideologische steun voor de humane wetenschappen uit zich in de benarde financiële situatie van de
academische uitgeverijen, die noodgedwongen besparen op geesteswetenschappelijke publicaties
(Greenblatt 2003a: 424). De actoren van het academische veld moeten hierop zelf actie ondernemen
en Greenblatt profileert zich als voortrekker.
Deze voortrekkersrol lijkt opnieuw gedetermineerd door de positie die hij bekleedt in het
academische veld. De prestigieuze titel als voorzitter van de MLA verplicht hem wel om deze rol op
te nemen, aangezien hij in de voetsporen treedt van heel wat bekende voorzitters zoals Northrop
Frye, Wayne Booth, Joseph Hillis Miller en Edward Said. De voorzitter van de MLA bekleedt een
exemplarische rol in het academische veld en is in zekere zin een personificatie van de humane
wetenschappen. Les sciences humaines, c’est moi. Greenblatt is dan ook wel verplicht om zijn
bezorgdheid te uiten over de toekomst van (actoren in) dat veld:
We are concerned because people who have spent years of professional training – our students, our
colleagues – are at risk. Their careers are in jeopardy, and higher education stands to lose, or at least
severely to damage, a generation of young scholars. (Greenblatt 2002)
Daarbij komt nog eens dat Greenblatt als stichter van het new historiscm gedwongen wordt om
trouw te blijven aan de theoretische uitgangspunten van de stroming, waaronder de reflectie over de
rol van de humane wetenschappen in de hedendaagse maatschappij.
Greenblatts zelfvorming belichaamt dan ook de paradox die hij in Renaissance SelfFashioning aanhaalt:
I perceived that fashioning oneself and being fashioned by cultural institutions […] were inseparably
intertwined. In all my texts and documents, there were, so far as I could tell, no moments of pure,
unfettered subjectivity; indeed, the human subject itself began to seem remarkably unfree, the
ideological product of the relations of power in a particular society. (Greenblatt 1980: 256)
Hoewel hij dit allemaal beseft, lijkt Greenblatt, net als de vroegmoderne mens, te willen blijven
geloven dat het subject een vrije wil heeft en dus zelf zijn identiteit kan bepalen. In Shakespeare’s
Freedom benadrukt hij dat Shakespeare, het prototype voorbeeld van de vroegmoderne mens,
104
tegelijkertijd de belichaming van vrijheid en determinatie is (2010d: 1). Het subject denkt een vrij
individu te zijn, maar is eigenlijk gedetermineerd. Het gevoel van individualiteit en de hiermee
gepaard gaande vrijheid is, volgens Greenblatt, een verplicht vol te houden illusie:
To Greenblatt, self-fashioning is not the way in which people fashioned themselves, but rather the way
in which certain political and religious forces in the Renaissance created the fiction of individual
autonomy in the first place. (Martin in Greenblatt 2003b: 124)
Greenblatt schrijft The Swerve dan ook niet voor het brede publiek, maar voor het instituut
waarvan hij een gedetermineerd subject is. Het verschil is echter dat Greenblatt deze determinatie
veel positiever voorstelt dan recensenten als Dirda. Wat is het brede publiek met een correct, doch
duister jargon dat het niet begrijpt? Wat heeft de brede lezer aan diepgaande filosofische theorieën?
En vooral: wat hebben de humane wetenschappen hieraan? Het belangrijkste is dat de sociale
energie in werken als De rerum natura opnieuw kan circuleren en niet opgesloten blijft in
universiteitsgebouwen en onderzoeksseminaries. Op die manier vinden de ideeën – zij het in
vereenvoudigde vorm – hun weg naar het brede publiek en kunnen ze de maatschappij tot nut zijn.
‘Our profession has its origin in individual moments of absorption’, spreekt Greenblatt de leden van
de MLA toe, ‘but it depends on a movement from these isolated and private experiences to a wider
community’ (Greenblatt 2003: 425). Greenblatt presenteert deze beweging als een radicaal clinamen
en om dit clinamen te doen slagen overtreedt hij de habitus van het academische veld. Enkele collega
humane wetenschappers fluiten hem terug en straffen hem met symbolische repressie, maar
Greenblatt heeft voldoende symbolisch en economisch kapitaal dat het hem niet deert. Bovendien
presenteert hij zichzelf alsof die bestraffing een noodzakelijk kwaad is. De habitus van het
academische veld heeft immers nog te vaste beperkingen en conventies om Greenblatts zelfvorming
helemaal toe te laten (zie Greenblatt 1988: 17), maar Greenblatt vindt dat er wetenschappers zoals
hem nodig zijn om die beperkingen te versoepelen en te verleggen. Zelfs al is de manier waarop
Greenblatt in The Swerve aan zelfvorming doet en kennis aan het brede publiek verschaft volgens
sommigen niet de juiste manier om de toekomst van de humane wetenschappen te verzekeren, dan
nog symboliseert het boek voor Greenblatt een verzet tegen de heersende mentaliteit in de humane
wetenschappen.
Hoewel Greenblatt er in zijn theorievorming een ietwat pessimistische visie ten aanzien van
verzet op nahoudt, en daardoor zelfs heel wat critici beweren dat volgens Greenblatt verzet tegen
een ideologie onmogelijk, beweert hij zelf het tegendeel (Pieters 2001: 203). Verzet is mogelijk, maar
omdat een subject nooit buiten een ideologie kan staan, pleegt het altijd verzet binnen het
ideologische systeem waartegen het zich verzet (Pieters 2001: 203). Het is zo dat succesvol verzet op
den duur wordt geïncorporeerd in het systeem en daardoor de beperkingen van dat systeem
105
versoepelt. Greenblatt pleegt verzet en botst op weerstand van andere subjecten van het instituut
waarvan hij een subject is. Het verschil met andere vormen van verzet is echter dat Greenblatt niet
rebelleert tegen het instituut waarvan hij een subject is, maar juist voor het voortbestaan van
datzelfde instituut. Waarom wordt hij dan gestraft? Het antwoord lijkt te liggen in het feit dat,
hoewel de inmenging van het economische veld reeds ver doorgedreven is in het academische veld,
de habitus van het academische veld nog niet voldoende aangepast is aangepast aan die veranderde
materiële omstandigheden. Greenblatt hoopt dan ook met The Swerve een discursieve praktijk te
produceren die ervoor zal zorgen dat de beperkingen waarmee hijzelf wordt geconfronteerd
versoepelen en aldus de habitus wijzigt. Hij presenteert dit verzet alsof het niet in zijn eigen
voordeel, is maar in het voordeel van het collectief: de humane wetenschappen. Greenblatts
zelfvorming als clinamendenker is tevens een zelfrepresentatie als ideale leider en staatsman: hij
plaatst zijn eigen belang schijnbaar op de achtergrond en stelt – desondanks de symbolische
repressie die hem treft – het algemeen belang van de humane wetenschappen voorop (zie Foucault
2009: 96-99).42 Om dat algemene belang na te streven pleegt Greenblatt verzet. En het middel om
verzet te plegen is volgens Greenblatt het clinamen.
Voor het brede publiek vormt Greenblatt zich in The Swerve als een publieke intellectueel die
voeling heeft met wat de doorsnee lezer wil en populaire uitspraken niet schuwt – zoals toegeven
dat één van zijn favoriete films de populaire historische romcom Shakespeare in Love is (Barnes &
Noble 2004). De reden hiervoor is dat die film volgens hem de interesse voor literatuur opwekte bij
een breed publiek (Barnes & Noble 2004).43 Voor sommige actoren in het academische veld wijkt
Greenblatt dan weer te veel af en komt deze zelfvorming als een overtreding van de habitus over.
Voor anderen in dat veld profileert Greenblatt zich dan weer als de belangloze redder van de
humane wetenschappen. Hoe dan ook, Greenblatt profileert zich als de moderne Lucretius en vindt
42
Foucault bespreekt in zijn les op 1 februari 1978 aan het Collège de France het principe van de
gouvernementalité en stelt dat de ideale gouverneur ‘the common good and the salvation for all’ (2009: 98)
nastreeft. Het is zo dat in de machtseconomie van de gouvernementalité de staat zo rendabel mogelijk dient
worden bestuurd. Het meest rendabele doel voor de staat is een doel dat goed is voor zowel het merendeel
van de subjecten als het collectief (Foucault 2009: 98-99). Dit zorgt ervoor dat subjecten niet het gevoel
hebben dat ze dat doel moeten nastreven, maar wel op basis van hun eigen vrije wil willen nastreven.
43
Opnieuw zijn er twee zijdes aan de medaille. Greenblatt was als literair-historisch consulent zelf betrokken bij
de productie van de film en promoot dus deels zijn eigen werk. Het is echter interessant om op te merken dat
Greenblatt als consulent voorstelde om een historisch correcte versie te maken en de rol die uiteindelijk werd
vertolkt door Gwyneth Paltrow te laten spelen door een man (Gewertz & Powell 1999). De filmmakers legden
het advies naast zich neer en het is dan ook de vraag of de weergave van een historisch correcte homoseksuele
liefde de film, uitgegeven in een land waarin de voorzitter van de Senaat zich expliciet tegen homoseksualiteit
had uitgesproken, nog zeven Oscars zou hebben opgeleverd. Shakespeare in Love is een voorbeeld van hoe de
markt de academicus Greenblatt niet volgde en werpt diezelfde problematiek ook op bij The Swerve. In
hoeverre kunnen we spreken van een oprechte en vrijwillige zelfvorming als publieke intellectueel als zou
blijken dat heel wat aanpassingen in The Swerve ingegeven en opgelegd werden door de uitgever om een
vermarktbaar boek te produceren?
106
dat het clinamen een noodzakelijke beweging is om de humane wetenschappen van de ondergang te
redden.
Wanneer we deze voorgestelde beweging echter aandachtiger bekijken dan valt op dat het
clinamen dat Greenblatt voorstelt nauwelijks een afwijking is van het new historicism. De stroming is,
met enkele lichte vormelijke aanpassingen, gemaakt om een breed publiek aan te spreken. Wat
Greenblatt dan ook voorstelt aan zijn collega’s humane wetenschappers is dat ze allen het
clinamendenken van het new historicism dienen over te nemen om uit de crisis van de humane
wetenschappen te geraken. Greenblatt stelt, net als in de jaren ’60 en ‘70, zijn eigen
literatuurwetenschappelijke stroming voor als de toekomst van de humane wetenschappen. De
zelfvorming van Greenblatt is dan ook een coup in het academische veld. Hoewel hij het clinamen als
uitweg voorstelt, slaat hij in werkelijkheid nauwelijks een nieuwe weg in, maar probeert hij een
literatuurwetenschappelijk monopolie van het new historicism te vestigen. “Afwijken” lijkt eerder op
“navolgen” en “herbevestigen”. Dit brengt ons bij een van de laatste veranderde omstandigheden in
het academische veld: de positie van het new historicism. Hoewel het new historicism al enkele jaren
geïnstitutionaliseerd is, verloor het daardoor net de academische aandacht en werd de stroming
door velen zelfs dood verklaard (Robson 2008: 127). Greenblatts zelfvorming is een poging om het
new historicism opnieuw leven in te blazen. De reactie van Dirda is dan weer een reactie op deze
prise de position door te stellen dat, hoewel het new historicism eens een geëngageerde stroming
was en een belangrijke en noodzakelijke impuls was voor de humane wetenschappen in het
verleden, nu die energieke lading mist en daardoor niet de toekomst van de humane wetenschappen
kan zijn. Hoe het ook zij, Greenblatts beweegreden voor deze poging tot monopolisering lijkt dubbel.
Enerzijds wil Greenblatt zijn positie als leidinggevend humane wetenschapper herbevestigen door de
verwerving van het vele symbolische kapitaal dat gepaard gaat met een herwaardering van het new
historicism. Anderzijds verwerft Greenblatt ook heel wat economisch kapitaal door de
boekenverkoop. ‘Our great failure in recent years’, vindt Greenblatt, ‘is not that we no longer write
for a general public […] but rather that we no longer write for one another, not well enough to
inspire one another to buy and assign our books’ (Greenblatt 2003a: 425; mijn cursivering). De
zelfvorming van Greenblatt levert hem niet alleen enkele bestsellers op bij het brede publiek, maar
leidt ook tot een vernieuwde interesse in zijn traditioneel academisch werk die zich vertaalt in geld.
Greenblatt sluit zijn toespraak als voorzitter van de MLA af met een voorstel:
we should lobby our deans for a small subvention enabling graduate students to buy books, with
which to start their own scholarly libraries. It is in our interest to do so, but, since our enterprise is
generous and important, it is in more than our interest alone. And the need is urgent. In the words of
the sage Hillel, speaking to us still out of the dark backward and abysm of time, “If I am not for myself,
who is for me? If I am only for myself, what am I? And if not now, when?” (Greenblatt 2003a: 425)
107
Het is inmiddels duidelijk welke boeken Greenblatt in gedachten heeft waarmee die studenten hun
bibliotheek moeten aanvullen.
Om alle bovengenoemde redenen te doen slagen stelt Greenblatt het clinamen in de humane
wetenschappen voor als een afwijking. Het clinamen lijkt een verzetsdaad maar is eigenlijk een
voortzetting en consolidatie van het new historicism. Greenblatt en vele collega’s new historicists
zien slechts weinig plaats voor subversie omdat er geen punt buiten cultuur mogelijk is (Brannigan
1998: 8; Pieters 2001: 201). New historicists redeneren dat omdat elke vorm van subversie binnen
een cultuur plaatsvindt en cultuur een zelfregulerend hegemonisch systeem is, elke vorm van
subversie reeds gecontroleerd is door die cultuur (Brannigan 1998: 8). Volgens Greenblatt is verzet in
zekere zin alleen mogelijk is, omdat het wordt toegelaten door het systeem dat het op den duur
incorporeert en op die manier onschadelijk maakt. Greenblatt past de bekende woorden van Kafka
aan Max Brod aan: ‘There is subversion, no end of subversion, only not for us’ (Greenblatt 1988:
39).44 Subversie is een ideologisch wapen van het systeem en ‘is always produced in the interests of
power’ (Brannigan 1998: 8). Greenblatts zelfvorming is een gelijkaardige vorm van subversie die
alleen dient om de hiërarchische positie van Greenblatt en het geïnstitutionaliseerde new historicism
te consolideren en verder uit te breiden in de publieke sfeer. Om hierin te slagen, stelt Greenblatt
zijn zelfvorming als verzet voor. En schreef Remco Campert niet het volgende over verzet?
Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden
zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z’n kop krijgt
zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud
zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt
zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem
44
In een briefwisseling naar aanleiding van Het Proces vraagt Brod aan Kafka of er volgens hem een ontkomen
is aan de machtsgreep van de bureaucratie. Is er dan geen hoop op verzet? Kafka antwoordt flegmatiek: ‘Oh,
there is hope, an infinite amount of hope – but not for us' (Kafka in Benjamin 1968: 116). Kafkas antwoord lijkt
sterk op Foucaults visie dat er geen ontkomen is aan de allesoverheersende macht van de panoptische
bureaucratie (zie 1989).
108
jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet
en dan die vraag aan een ander stellen. (Campert 1976: 428)
Greenblatt stelt niet alleen de leden van de MLA, maar alle humane wetenschappers een vraag: hoe
geraken we uit de crisis waarin we zijn verzeild? “How can we do this? How but by swerving?”
5. Nog een poging tot conclusie
Terwijl Greenblatts fascinatie voor Lucretius zich op theoretisch vlak vertaalt in zijn zelfvorming als
clinamendenker, toont deze beïnvloeding zich ook in zijn zelfpresentatie als publieke intellectueel.
Deze praktische kant van het clinamendenken toont zich in de manier waarop Greenblatt het
clinamen voorstelt als de uitweg uit de crisis waarin de humane wetenschappen zijn verzeild.
Greenblatt profileert zich als een academicus die afwijkt van de traditionele academische
publicatiesfeer en, gebaseerd op een verkeerde inschatting van Lucretius’ poëtica, vormt hij zijn
eigen schriftuur naar het voorbeeld van de Romeinse dichter. Greenblatt beoefent een uiterst
persoonlijke en narratieve vorm van literatuurkritiek en hoopt zo het brede publiek te kunnen
aanspreken. Hij profileert zich als de moderne Lucretius, die ingewikkelde wetenschappelijke
inzichten aan het brede publiek wil aanbieden in een “vermarktbare”, “zoete” stijl. Hoewel hij zijn
zelfvorming zo voorstelt, is de manier waarop Greenblatt in The Swerve zijn onderzoek presenteert
geen drastisch clinamen ten opzichte van zijn vroegere werk. Heel wat begrippen van het new
historicism resoneren in zijn bespreking van de receptie van het epicurisme en de invloed die de
filosofische stroming had op de moderniteit. Een analyse van het clinamen dat Greenblatt voorstelt,
brengt al gauw aan het licht dat het eerder een navolging is van het new historicism en de humane
wetenschappen geen nieuw, maar een reeds geïnstitutionaliseerd en veel betreden pad aanbiedt.
Greenblatt heeft met The Swerve de bedoeling om het new historicism nieuw leven in te blazen en
het boek geldt dan ook als een onderdeel van een discours om een machtspositie te consolideren in
het academische veld.
109
Epiloog
Toen Stephen Greenblatt in oktober 2011, in een van de vele interviews naar aanleiding van de
publicatie van The Swerve, gevraagd werd of hij zichzelf als een epicurist zou omschrijven,
antwoordde hij eerder terughoudend:
Well, I’m not card-carrying. My card has expired. There are some aspects of it I don’t share. But if
being an Epicurean or Lucretian means that I try to enhance pleasure and reduce pain, then yes. If it
means that I don’t believe in a personal deity who intervenes in human affairs, or an afterlife where
we’re rewarded or punished for our actions, then yes. I share Lucretius’ sense of hilarity at the belief
that a deity cares about the outcome of the US election, or a sports match. (Greenblatt in Evans 2011)
Greenblatt is net als heel wat andere laatmoderne mensen beïnvloed door het epicurisme. De
krachten die Poggio Bracciolini in 1417 na een duizendjarige winterslaap door een clinamen opnieuw
in circulatie bracht, hebben via tal van andere onvoorspelbare swerves hun weg gevonden tot bij de
stichter van het new historicism. Als deze scriptie één element heeft belicht in Greenblatts new
historicism, dan wel dat de stroming zeer sterke epicuristische invloeden toont en dat haar stichter
minder terughoudend op de vraag had kunnen antwoorden. De laatste woorden die Greenblatt in
The Swerve aanhaalt, gelden niet alleen voor Thomas Jefferson, een van de Founding Fathers van de
Verenigde Staten, maar ook voor hem. Greenblatt is een epicurist.
De fascinatie die Greenblatt, als stichter van het new historicism, voor Lucretius ontwikkelde
tijdens zijn studies aan de universiteit van Yale, is doorgesijpeld in zijn eigen theorievorming en
praktijk. Met deze scriptie heb ik willen aantonen dat een van de meest invloedrijke en belangrijkste
stromingen in de moderne historische literatuurwetenschap is gevormd op de leest van het
epicurisme. Nog vóór Greenblatt in 1965 zijn undergraduate scriptie over Evelyn Waugh, George
Orwell en Aldous Huxley had verwerkt tot zijn eerste boek en met dat boek al onderhuids de
problematiek van zelfvorming had geïntroduceerd (zie Stevens 2002: 503-504), was de jonge
Greenblatt reeds gefascineerd door de gedachten die Lucretius in zijn leerdicht verwoordde. Nog
vóór Greenblatt nog maar één artikel over Shakespeare had gepubliceerd en de hele academische
wereld zijn voorliefde voor de Bard mocht ontdekken, was hij al in de ban van de ideeën uit De rerum
natura. De fascinatie voor Lucretius is een onderhuidse aanwezige in het oeuvre van Stephen
Greenblatt. Ze dook in 1973 voor het eerst al even vluchtig op in een passage uit
110
Greenblatts vroege werk over Sir Walter Ralegh, werd in 2002 voor de verzamelde leden van de MLA
geëxpliciteerd, en leidde uiteindelijk negen jaar na die toespraak tot de publicatie van The Swerve.
Of Greenblatts fascinatie voor Lucretius een directe invloed had op het new historicism, of
eerder, zoals de atomen, door een schuine, indirecte manier tot stand kwam, is van weinig belang.
Belangrijker is immers dat deze Lucretiaanse invloed aanwezig is in het denken en handelen van
Greenblatt. Hoewel Greenblatt eerder een pragmaticus dan een theoreticus is en in 2000 samen met
Catherine Gallagher nog waarschuwde dat zijn oeuvre moeilijk te systematiseren was, lijkt de
fascinatie voor Lucretius een rode draad te zijn doorheen Greenblatts new historicism. Niet alleen
vertaalt het epicuristische atomisme zich in Greenblatts metahistorische theorievorming, maar biedt
de epicuristische fysica ook een inzicht in de visie die Greenblatt op een cultuur heeft. Bovendien
wordt het concept self-fashioning, een van de meest invloedrijke begrippen in de hedendaagse
cultuurwetenschap, verduidelijkt door de analogie met het libertaire atomisme van de epicuristen.
Bovendien is het duidelijk dat het principe van het clinamen – vertaald in het swerve-begrip – een
alomtegenwoordige rol speelt in Greenblatts new historicism. Hoewel het principe in heel wat meer
contexten voorkomt, zijn de drie belangrijkste inzichten die het produceert, dat het (1) een
interpretatiesleutel is voor de rol van de historische anekdote in de metahistorische theorievorming
van het new historicism, dat het (2) tegelijk ook inzicht verschaft in de manier waarop volgens het
new historicism sociale energie getransporteerd wordt doorheen culturele zones, en dat het (3)
principe uiteindelijk als een kernconcept fungeert in Greenblatts zelfvorming als publieke
intellectueel. Zoals gezegd zijn theorie en praktijk in Greenblatts oeuvre moeilijk van elkaar te
scheiden. Daarom wordt niet alleen het denken van Greenblatt gekenmerkt door zijn voorliefde voor
het epicuristische concept van het clinamen, maar is ook het denken zijn handelen als denker en
schrijver te verklaren door deze stijlfiguur. Greenblatts zelfvorming als theoretisch clinamendenker,
zet hem immers aan om zich in tijden van crisis in de humane wetenschappen ook als praktisch
clinamendenker te profileren. Zo vormt hij zijn identiteit als belangloze redder van de humane
wetenschappen en hoopt hij de toekomst van de humane wetenschappen te vrijwaren door middel
van het clinamen. Gebaseerd op de poëtica van Lucretius, wijkt Greenblatt af van de traditionele
academische schriftuur en schrijft hij een werk voor het brede publiek.
Samenvattend kunnen we stellen dat het clinamen een master trope is in het denken en
handelen van Stephen Greenblatt. Het clinamen is wat Roman Jakobson (1973) de dominante noemt,
want het plaatst als steeds terugkerende stijlfiguur en concept heel wat andere, op het eerste gezicht
niet altijd op een duidelijke manier samenhangende concepten in een ondergeschikte rol. Op die
manier garandeert het de samenhang in het bij momenten moeilijk te systematiseren new
historicism van Greenblatt. Hoewel het echter inherent is aan het clinamen om, als belichaming van
111
het contingente, een volledige systematisering in de weg te staan, is de belichting van dit concept
toch een belangrijke en waardevolle stap voorwaarts in de studie van het new historicism.
Dat een literatuur- en cultuurwetenschappelijke studie over het principe van het clinamen
waarin, naast Lucretius, ook Shakespeare een belangrijke rol speelt, Harold Blooms Anxiety of
Influence niet vermeldt, kan heel wat lezers de wenkbrauwen doen fronsen. Het clinamen duikt
immers al veel vroeger op in de moderne literatuurwetenschap dan in het oeuvre van Greenblatt. In
the Anxiety of Influence ontleent Bloom de term rechtstreeks aan Lucretius en hanteert hij de term
om aan te duiden dat een dichter uit angst om de onvermijdelijke invloed die zijn voorgangers op
hem uitoefenen te veel te laten doorschijnen, zijn invloedrijke voorgangers ontwijkt (1973: 14). Een
dichter gaat zijn voorganger bewust “mislezen” om zo een eigen creatieve ruimte te creëren voor
zichzelf en een nieuwe positie te kunnen innemen in het literaire veld (Bloom 1973: 5). Een nakomer
moet afwijken en zijn voorganger verzwijgen, wil hij niet als epigoon worden afgeschilderd (Bloom
1973: 43). Deze leemte in het oeuvre van een dichter is het sterkste spoor van een afwezige
aanwezigheid van zijn voorganger en verraadt de invloed. ‘‘A strong authentic allusion to another
strong poem’, zo schrijft Bloom, ‘can be only by and in what the later poem does not say, by what it
represses’ (Bloom 2004: 13). De hele geschiedenis van dichterlijke beïnvloeding, aldus Bloom, ‘is a
history of anxiety and self-saving caricature, of distortion, of perverse, wilful revisionism without
which modern poetry as such could not exist’ (Bloom 1973: 30). De enige dichter die vrij was van
deze angst voor beïnvloeding was Shakespeare, omdat hij de enige was die in staat bleek om zijn
voorgangers volledig te absorberen en daarom een grote schaduw op zijn nakomers liet neervallen
(Bloom 1973: 11).
‘Had we but world enough and time’ (Marvell 1997: 1), schreef Andrew Marvell. Het feit dat
Bloom pas in de slotwoorden van deze scriptie ter sprake komt, is in de eerste plaats te wijten aan
het voortdurende afwegen van tijd en ruimte. Anderzijds is het zo dat Greenblatt in The Swerve nooit
refereert aan Bloom. Volgens Bloom is de angst die een criticus voelt voor beïnvloeding erger dan die
van een dichter. Het is immers zo dat een criticus, niet alleen schrik heeft om de invloed van andere
critici te laten merken, maar ook van de dichters wiens werk hij bekritiseert en bestudeert (Bloom
1973: 95). Het feit dat Greenblatt zijn academische poëtica schoolt op de leest van de schriftuur van
Lucretius, lijkt alvast de eerste stap naar een overwinning op de angst voor de beïnvloeding van een
grote voorloper die Greenblatt al jaren voelde. Het blijft echter hoogst ironisch dat Greenblatt tijdens
zijn zelfvorming als publieke intellectueel nooit verwijst naar die andere grote hedendaagse publieke
intellectueel in het Amerikaanse academische veld. Het feit dat Bloom aan de universiteit van Yale
Greenblatt bovendien onderwees over Shakespeare verdubbelt de ironie alleen maar. Dit clinamen
ten opzichte van Bloom is niet alleen het ironische bewijs dat Bloom het misschien wel bij het rechte
eind had met zijn theorie van de poëtische beïnvloeding, maar levert alvast enkele interessante
112
onderzoekspistes op. Is Bloom de grote voorganger die Greenblatt, zoals Odysseus met de Cycloop,
angstvallig probeert te verblinden? Zijn er aanwijzingen dat deze angst voor beïnvloeding zich nog
elders anders uit in de theorievorming en praktijk van Greenblatt? Is er misschien een groter
clinamen merkbaar van het new historicism ten opzichte van de deconstructie? Het zijn allemaal
vragen die me tijdens het schrijven van deze scriptie bezighielden en die hopelijk nog voer kunnen
zijn voor verder onderzoek.
Hoe het ook zij, Greenblatts clinamen ten opzichte van Bloom is niet alleen het bewijs voor
Blooms theorie van de dichterlijke beïnvloeding, maar kan tegelijkertijd opnieuw als argument
worden opgeworpen voor de invloed die de Romeinse dichter Lucretius uitoefende op Greenblatt.
Het clinamen is, naast het gesprek met de doden, een van de dominante master tropes in het oeuvre
van Greenblatt. Deze stijlfiguur is zo alomtegenwoordig in Greenblatts new historicism, dat het, zo
lijkt het wel, op den duur zelfs is doorgesijpeld tot in zijn onbewuste.
Misschien heeft deze beïnvloeding door Lucretius en zijn epicuristische fysica van het
atomisme en het clinamenprincipe Greenblatt in 1980 wel beïnvloed in het schrijven van Renaissance
Self-Fashioning. Het boek maakte heel wat furore en werd al gauw als een instant classic beschouwd.
Volgens Paul Stevens is het inmiddels een ‘commonly held view that Renaissance Self-Fashioning
marked a major change in direction in English studies’ (Stevens 2002: 492). Met de publicatie van het
boek zette Greenblatt een clinamen in beweging. Hij brak de traditionele grenzen tussen de
departementen open door literatuurkritiek en historische letterkunde te verzoenen met de
belangrijke inzichten uit de kritische theorie. Waar Lucretius’ leerdicht als motor fungeerde voor een
steeds groter wordend proces van culturele verandering, zo heeft ook Greenblatts boek, volgens
Catherine Belsey, een gelijkaardige impact gehad. ‘Few works of literary criticism can have exerted a
greater influence on their own discipline than Stephen Greenblatt’s Renaissance Self-Fashioning’,
schrijft ze,
Published in 1980, the book was immediately admired, taken up, imitated, and explained, to the point
where, within a very short time, it seemed that every American English department needed its
resident early modern new historicist, and every Renaissance studies doctoral candidate’s research
paper began with a historical anecdote. (Belsey 2007: 27).
Bij het lezen van Belsey’s woorden kon ik mijn glimlach moeilijk onderdrukken. Ook deze scriptie
begon immers met een anekdote uit het (nog niet zo ver) verleden. We begonnen met
studentenprotest, en zullen ook zo eindigen.
Het was crisis. En dat is het nog steeds. Wereldwijde besparingen treffen het hoger
onderwijs. Tijdens het schrijven van deze slotwoorden protesteren zo’n 150.000 studenten in
Québec tegen de besparingen die hun overheid op het hoger onderwijs wil doorvoeren (De Greef
113
2012). De Québecse overheid wil de inschrijvingsgelden aan de instellingen voor het hoger onderwijs
de komende vijf jaar stelselmatig verdubbelen. Eén op de drie studenten van het Québecs hoger
onderwijs gaat niet akkoord met deze beslissing en staakt uit ongenoegen met de besparingen. De
Esdoornrevolutie, zoals het studentenprotest werd gedoopt, is deze week haar vierde maand
ingegaan. Opnieuw zijn de humane wetenschappen de eerste, maar lang niet de enige, die het
moeten ontgelden. Terwijl de droom op een democratisch en betaalbaar hoger onderwijs wereldwijd
steeds uitzichtlozer wordt, leidt het in de straten van Québec en Montréal dag na dag tot grimmigere
schermutselingen tussen studenten en ordehandhavers. Om de situatie onder controle te krijgen riep
de Québecse overheid enkele dagen geleden Loi Spéciale 78 in het leven. Het is een noodwet die de
lessen aan instellingen van het hoger onderwijs opschort en een hardhandig optreden tegen
protesterende studenten toelaat. Samenscholingen van meer dan tien studenten zijn verboden (Loi
78: 3(16)). Bovendien worden lesgevers verplicht om hun studenten aan te sporen naar de colleges
te komen en het protest te ontmoedigen (Loi 78: 2(3)). Studenten die zich niet aan deze noodwet
houden, kunnen tot $5000 beboet worden (Loi 78: 5(25)). Studentenvertegenwoordigers die
oproepen tot betogen riskeren een nog hogere boete van maar liefst $35.000 (Loi 78: 25(1)). Op die
manier tracht de Québecse overheid het protest te onthoofden. Studenten en academisch personeel
worden de mond gesnoerd. De overheid treedt hard en kordaat op. Net als hun Engelse lotgenoten
twee jaar geleden lijkt de strijd van de Québecse studenten vandaag ook gestreden.
Als massale straatprotesten en betogingen niet helpen om de toekomst van het hoger
onderwijs, en de humane wetenschappen in het bijzonder, veilig te stellen, dan lijkt de aanpak die
Greenblatt verkiest veel doeltreffender. In tegenstelling tot de studenten, verzet Greenblatt zich niet
tegen de economische logica die het academische veld in haar greep heeft, maar speelt hij in op
diezelfde logica en gebruikt hij ze. Hij legt voldoende improvisatie aan de dag en zet met The Swerve
die vijandelijke logica om naar zijn hand. Hoewel het clinamen dat hij voorstelt eerder een brave
navolging is van zijn eigen new historicism en het bedoelde einddoel dat hij voor ogen heeft met de
uitgevoerde verhandeling in The Swerve misschien iets minder nobel is dan hij laat uitschijnen, dan
nog is het boek een verdienstelijke poging om de toekomst van de humane wetenschappen veilig te
stellen. De kracht van The Swerve ligt in wat Greenblatt zelf ‘the surprise of movement’ (Greenblatt
2010a: 18) noemt. Ook als is het niet zo bedoeld en had Greenblatt met The Swerve eerder de
bedoeling om zijn eigen machtspositie in het academische veld te consolideren, toch komen de
prijzen die het boek won en de vele aandacht die het ondertussen heeft gekregen de humane
wetenschappen in tijden van crisis alleen maar ten goede. Toegegeven, Greenblatt nuanceert af en
toe te weinig en levert een naar mijn gevoel iets te gevulgariseerd apple-cheecked werk af, en het is
dan ook ten zeerste de vraag of dit wel een wenselijke toekomst is voor de humane wetenschappen,
maar er is geen enkele humane wetenschapper die zijn onvrede zal uiten over de publiciteit die het
114
boek de humane wetenschappen oplevert. Het boek zal de humane wetenschappen wel niet de
nodige financiële ademruimte opleveren waarnaar ze zo hard snakken, maar effent met zijn uiterst
toegankelijke stijl de weg voor een ideologische verandering en is een poging om de plaats van de
humane wetenschappen, en de literatuurwetenschap in het bijzonder, in de alsmaar vijandigere
laatmoderne maatschappij te herwaarderen. Ook al is The Swerve geen drastische koerswijziging in
de literatuurwetenschap, dan nog is het een stap in de goede richting.
115
Bibliografie
Althusser, L. (1990). Ideology and the Ideological State Apparatuses (Notes Towards an
Investigation). In: Žižek, S. ed. Mapping Ideology. London & New York (NY): Verso, pp. 100140.
Ankersmit, F. R. (1990). De navel van de geschiedenis. Over interpretatie, representatie en historische
realiteit. Groningen: Historische Uitgeverij.
Ankersmit, F. R. (1994). History and Tropology: the Rise and Fall of the Metaphor. Berkeley (CA):
University of California Press.
Aristoteles (1984a). Poetics. Bywater, I. vert. In: Barnes, J. ed. The Complete Works of Aristotle. The
Revised Oxford Translation. Vol. 2. Princeton (NJ): Princeton University Press, pp. 2316-2340.
Aristoteles (1984b). Rhetoric. Rhys Roberts, W. vert. In: Barnes, J. ed. The Complete Works of
Aristotle. The Revised Oxford Translation. Vol. 2. Princeton (NJ): Princeton University Press,
pp. 2152-2269.
Ashbery, J. (1985). A Wave. Poems. New York (NY): Penguin Books.
Auerbach, E. (1993). Literary Language and its Public. In Late Latin Antiquity and in the Middle Ages.
Manheim, R. vert. Princeton (NJ): Princeton University Press.
Auerbach, E. (2003) [1953]. Mimesis. The Representation of Reality in Western Literature. Trask, W. R.
vert. Princeton (NJ) & Oxford: Princeton University Press.
Augustinus Hipponensis (1960). Confessions. Watts, W. vert. Rouse, W. H. D. ed. Loeb Classical
Library. Vol. 26. Cambridge (MA) & London: Harvard University Press.
Barber, B. (1995). Jihad vs. McWorld. How Globalism and Tribalism are Reshaping the World. New
York (NY): Ballantine Books.
Barnes & Noble (2004). Meet the Writers: Stephen Greenblatt. [Online]. Barnes & Noble. Beschikbaar
op:
http://www.barnesandnoble.com/writers/writerdetails.asp?userid=AG6YcY2DW0&cid=1305
369#interview [Geraadpleegd op 4 mei 2012].
Barthes, R. (1989). The Rustle of Language. Howard, R. vert. Berkeley (CA) & Los Angeles (CA):
University of California Press.
Bauman, R. (2005). Anecdote. In: Herman, D., Jahn, M. & Ryan, M.-L. eds. Routledge Encyclopedia of
Narrative Theory. London & New York (NY): Routledge, p. 22.
Belsey, C. (2007). Historicizing New Historicism. In: Grady, H. & Hawkes, T. eds. Presentist
Shakespeares. London & New York (NY): Routledge, pp. 27-45.
116
Benjamin, W. (1968). Illuminations. Zohn, H. vert. Arendt, H. ed. New York (NY): Harcourt, Brace &
World.
Benjamin, W. (2003). Selected Writings. Eiland, H. & Jennings, M. W. eds. Vol. 4. Cambridge (MA):
Harvard University Press.
Biester, J. (1997). Lyric Wonder. Rhetoric and Wit in Renaissance English Poetry. Ithaca (NY): Cornell
University Press.
Bloom, H. (1973). The Anxiety of Influence. A Theory of Poetry. New York (NY): Oxford University
Press.
Bloom, H. (2001). How to Read and Why. New York (NY): Touchstone.
Bloom, H. (2004) [1979]. The Breaking of Form. In: Bloom, H. et al. eds. Deconstruction and Criticism.
London & New York (NY): Continuum, pp. 1-31.
Blumenberg, H. (1983). The Legitimacy of the Modern Age. Wallace, R. E. vert. Cambridge (MA): MIT
Press.
Boone, M. (2007). Historici en hun métier. Een inleiding tot de historische kritiek. Gent: Academia
Press.
Botting, F. (1994). Relations of the Real in Lacan, Bataille and Blanchot. SubStance 23(1): 24-40.
Bourdieu, P. (1979). La distinction: critique sociale du jugement. Paris: Les Éditions de Minuit.
Bourdieu, P. (1990). The Logic of Practice. Nice, R. vert. Stanford (CA): Stanford University Press.
Bourdieu, P. (1992). Les règles de l’art: genèse et structure du champ littéraire. Paris: Les Éditions du
Seuil.
Brannigan, J. (1998). New Historicism and Cultural Materialism. Basingstoke: Macmillan Press.
Brown, A. (2010). The Return of Lucretius to Renaissance Florence. I Tatti Studies in Italian
Renaissance History. Cambridge (MA) & London: Harvard University Press.
Cameron, A. (1996). Procopius and the Sixth Century. London & New York (NY): Routledge.
Campert, R. (1976). Alle bundels gedichten. Amsterdam: De Bezige Bij.
Cohen, S. (1995). New Historicism and Genre: Towards a Historical Formalism. In: Fluck, W. ed. REAL.
Yearbook of Research in English and American Literature. Vol. 11. Tübingen: Gunter Narr
Verlag, pp. 405-424.
Cohen, W. (1987). Political Criticism of Shakespeare. In: Howard, J. E. & O’Connor, M. F. eds.
Shakespeare Reproduced. The Text in History and Ideology. New York (NY) & London:
Methuen, pp. 18-46.
Collins, J. (2010). Bring on the Books for Everybody. How Literary Culture Became Popular Culture.
Durham & London: Duke University Press.
117
Culler, J. (2011) [1997]. Literary Theory: A Very Short Introduction (herziene uitgave). Oxford: Oxford
University Press.
Davis, A. et al. (2010). Thousands of Students Storm Tory HQ in Protest at Tuition Fees Rise. London
Evening Standard, 10 november 2010. [Online]. London Evening Standard. Beschikbaar op:
http://www.thisislondon.co.uk/news/thousands-of-students-storm-tory-hq-in-protest-attuition-fees-rise-6534510.html [Geraadpleegd op 11 april 2012].
De Cauter, L. (2004). De capsulaire beschaving. De stad in het tijdperk van het transcendentaal
kapitalisme. Rotterdam: NAi Uitgevers.
De Greef, A. (2012). Studentenprotest verlamt Québec. De Standaard, 19 mei 2012. [Online]. De
Standaard. Beschikbaar op:
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=9G3Q9GML [Geraadpleegd op 21 mei
2012].
De Ley, H. (2005). Geschiedenis van de antieke wijsbegeerte. Gent: Universiteit Gent. Ook vrij
beschikbaar op: http://www.flw.ugent.be/cie/1ba/index.htm.
De Man, P. (1982). The Resistance to Theory. Yale French Studies 63: 3-20.
Deleuze, G. & Guattari, F. (1980). Capitalisme et Schizophrénie 2. Mille Plateaux. Paris: Les Éditions de
Minuit.
Deleuze, G. (2005). Cinema 2. The Time-Image. Tomlinson, H. & Galeta, R. verts. London: Continuum.
Derrida, J. (1987). Ulysse gramophone. Paris: Galilée.
Derrida, J. (1995). Signatuur, Evenement, Context. In: Derrida, J. ed. Marges van de filosofie. Groot,
G. vert. Kampen & Kapellen: Kok Agora & Pelckmans, pp. 167-195.
Derrida, J. (2004). Living On. Hulbert, J. vert. In Bloom, H. et al. eds. Deconstruction and Criticism.
London & New York (NY): Continuum, pp. 62-142.
Diogenes Laertius (2005). Lives of Eminent Philosophers. Hicks, R. D. vert. & ed. Loeb Classical Library.
Vol. 185. Cambridge (MA) & London: Harvard University Press.
Dirda, M. (2011). Stephen Greenblatt’s “The Swerve”. The Washington Post, 23 september 2011.
[Online]. The Washington Post. Beschikbaar op:
http://www.washingtonpost.com/entertainment/books/stephen-greenblatts-the-swervereviewed-by-michael-dirda/2011/09/20/gIQA8WmVmK_story.html [Geraadpleegd op 20
april 2012].
Donadio, R. (2005). Who Owns Shakespeare? The New York Times, 23 januari 2005. [Online]. The
New York Times. Beschikbaar op:
http://query.nytimes.com/gst/fullpage.html?res=9C07EFD81738F930A15752C0A9639C8B63
&fta=y [Geraadpleegd op 12 april 2012].
Dubois, J., Emery, M. & Sing, P. (2000). Pierre Bourdieu and Literature. SubStance 29(3): 84-102.
118
Eagleton, T. (2004). After Theory. London: Penguin Books.
Eagleton, T. (2008) [1983]. Literary Theory: An Introduction (verjaardagsuitgave). Oxford: Blackwell
Publishing.
Eco, U. (1976). A Theory of Semiotics. Bloomington (IN): Indiana University Press.
Englert, W. G . (1987). Epicurus on the Swerve and Voluntary Action. American Classical Studies. Vol.
16. Atlanta (GA): Scholars Press.
Epicurus (1963). Epicurea. Usener, H. ed. Studia Philologica. Vol. 3. Roma: “L’Erma” di Bretschneider.
Evans, J. (2011). Greenblatt on Lucretius: Madness or Therapy? The History of Emotions Blog, 20
oktober 2011. [Online]. Queen Mary University of London. Beschikbaar op:
http://emotionsblog.history.qmul.ac.uk/?p=412 [Geraadpleegd op 21 mei 2012].
Fineman, J. (1989). The History of the Anecdote: Fiction and Fiction. In: Veeser, H. A. ed. The New
Historicism. London & New York (NY): Routledge, pp. 49-76.
Foucault, M. (1980). Truth and Power. Gordon, C. vert. In: Gordon, C. ed. Power/Knowledge: Selected
Interviews and Other Writings 1972-1977. London: Harvester, pp. 109-133.
Foucault, M. (1989). Discipline, toezicht en straf: de geboorte van de gevangenis. Vertalerscollectief
vert. Groningen: Historische Uitgeverij.
Foucault, M. (2009). Security, Territory, Population. Lectures at the Collège de France, 1977-1978.
Burchell, G. vert. Senellart, M. & Davidson, A. I. eds. Basingstoke: Palgrave Macmillan.
Fry, P. (2009). Lecture 19 – The New Historicism. [Online]. Open Yale Courses. Beschikbaar op:
http://oyc.yale.edu/transcript/469/engl-300. [Geraadpleegd op 1 april 2012].
Gallagher, C. & Greenblatt, S. J. (2000). Practicing New Historicism. Chicago (IL) & London: University
of Chicago Press.
Garner, D. (2011). An Unearthed Treasure That Changed Things. The New York Times, 27 september
2011.
[Online].
The
New
York
Times.
Beschikbaar
op:
http://www.nytimes.com/2011/09/28/books/the-swerve-how-the-world-became-modernby-stephen-greenblatt-review.html [Geraadpleegd op 12 april 2012].
Geertz, C. (1973). The Interpretation of Cultures: Selected Essays. New York (NY): Basic Books.
Gewertz, K & Powell, A. (1999). And the Oscar Goes to… The Harvard University Gazette, 18 maart
1999.
[Online].
The
Harvard
University
Gazette.
Beschikbaar
op:
http://news.harvard.edu/gazette/1999/03.18/shakespeare.html [Geraadpleegd op 17 mei
2012].
Greenblatt, S. J. (1965). Three Modern Satirists: Waugh, Orwell, and Huxley. New Haven (CT): Yale
University Press.
Greenblatt, S. J. (1973). Sir Walter Ralegh: The Man and his Roles. New Haven (CT) & London: Yale
University Press.
119
Greenblatt, S. J. (1980). Renaissance Self-Fashioning. From More to Shakespeare. Chicago (IL) &
London: The University of Chicago Press.
Greenblatt, S. J. (1982). Introduction. Genre 15(1-2): 3-6.
Greenblatt, S. J. (1988). Shakespearean Negotiations. The Circulation of Social Energy in Renaissance
England. Berkeley (CA) & Los Angeles (CA): University of California Press.
Greenblatt, S. J. (1990). Learning to Curse. Essays in Early Modern Culture. London & New York (NY):
Routledge.
Greenblatt, S. J. (1991). Marvelous Possessions. The Wonder of the New World. Oxford: Clarendon
Press.
Greenblatt, S. J. (1993). Shakespeare Bewitched. In: Cox, J.N. & Reynolds, L.J. eds. New Historical
Literary Study. Essays on Reproducing Texts, Representing History. Princeton (NJ): Princeton
University Press, pp. 108-135.
Greenblatt, S. J. (1996). Laos is Open. In: Veeser, H. A. ed. Confessions of the Critics. London & New
York (NY): Routledge, pp. 221-234.
Greenblatt, S. J. (1997a). The Touch of the Real. Representations 59: 14-29.
Greenblatt, S. J. (1997b). What is the History of Literature? Critical Inquiry 23(3): 460-481.
Greenblatt, S. J. (2001). Hamlet in Purgatory. Princeton (NJ) & Oxford: Princeton University Press.
Greenblatt, S. J. (2002). A Special Letter from Stephen Greenblatt. [Online]. Modern Language
Association. Beschikbaar op:
http://www.mla.org/resources/documents/rep_scholarly_pub/scholarly_pub [Geraadpleegd
op 3 mei 2012].
Greenblatt, S. J. (2003a). Presidential Address 2002: "Stay, Illusion". On Receiving Messages from the
Dead. PMLA 118(3): 417-526.
Greenblatt, S. J. (2003b). Psychoanalysis and Renaissance Culture. In: Martin, J. J. ed. The
Renaissance: Italy and Abroad. Rewriting Histories. London & New York (NY): Routledge, pp.
124-148.
Greenblatt, S. J. (2004). Will in the World. How Shakespeare Became Shakespeare. New York (NY) &
London: W. W. Norton & Company.
Greenblatt, S. J. (2005a). Culture. In: Payne, M. ed. The Greenblatt Reader. Oxford: Blackwell
Publishing, pp. 11-17.
Greenblatt, S. J. (2005b). Story-Telling. In: Payne, M. ed. The Greenblatt Reader. Oxford: Blackwell
Publishing, pp. 303-306.
Greenblatt, S. J. (2005c). Renaissance Self-Fashioning. From More to
(verjaardagsuitgave). Chicago (IL) & London: The University of Chicago Press.
Shakespeare
120
Greenblatt, S. J. (2010a). Cultural Mobility: An Introduction. In: Greenblatt, S. J. et al. eds. Cultural
Mobility. A Manifesto. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 1-23.
Greenblatt, S. J. (2010b). Theatrical Mobility. In: Greenblatt, S. J. et al. eds. Cultural Mobility. A
Manifesto. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 75-94.
Greenblatt, S. J. (2010c). A Mobility Studies Manifesto. In: Greenblatt, S. J. et al. eds. Cultural
Mobility. A Manifesto. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 250-253.
Greenblatt, S. J. (2010d). Shakespeare’s Freedom. London: The University of Chicago Press.
Greenblatt, S. J. (2011). The Swerve. How the World Became Modern. New York (NY) & London: W.
W. Norton & Company.
Haines-Eitzen, K. (2000). Guardians of Letters. Literacy, Power, and the Transmitters of Early Christian
Literature. Oxford: Oxford University Press.
Harris, W. V. (1991). Ancient Literacy. Cambridge (MA): Harvard University Press.
Heidegger, M. (1978). What Calls for Thinking? Wieck, F.D. & Gray, J.G. verts. In: Farell, D. ed. Martin
Heidegger: Basic Writings. London: Kegan Paul, pp. 341-368.
Herman, D. (2002). Story Logic: Problems and Possibilities of Narrative. Lincoln (NE) & London:
University of Nebraska Press.
Herman, D. (2005). Conflict. In: Herman, D., Jahn, M. & Ryan, M.-L. eds. Routledge Encyclopedia of
Narrative Theory. London & New York (NY): Routledge, p. 83.
Hesse, H. (1973). Siddharta. Een Indiese vertelling. Binkhuysen, A.M.H. vert. Amsterdam: De Bezige
Bij.
Hibler, R. W. (1984). Happiness Through Tranquility. The School of Epicurus. New York (NY):
University Press of America.
Hornby, N. (1995). High Fidelity. New York (NY): Riverhead Books.
Howard, J. E. (1992). The New Historicism in Renaissance Studies. In: Wilson, R. & Dutton, R. eds.
New Historicism and Renaissance Drama. London & New York (NY): Longman, pp. 19-32.
Huizinga, J. (1995). Het esthetische bestanddeel van geschiedkundige voorstellingen. In: Huizinga, J.
& Krul, W. E. eds. De taak der cultuurgeschiedenis. Groningen: Historische Uitgeverij, pp. 734.
Hume, D. (2000). Treatise of Human Nature. Norton, D. F. & Norton, M. J. eds. Oxford: Oxford
University Press.
Huntingdon, S. (1996). Clash of Civilizations and the Remaking of World Order. New York (NY): Simon
and Schuster.
Iser, W. (1978). The Act of Reading. A Theory of Aesthetic Response. Baltimore (MD) & London: The
John Hopkins University Press.
121
Isidorus Hispalensis (1985). Etymologiarum siue Originum libri XX. Vol. 1. Lindsay, W. M. ed. Oxford
Classical Texts. Oxford: Oxford University Press.
Jakobson, R. (1973). La dominante. In: Jakobson, R. & Todorov, T. eds. Questions de poétique. Paris:
Les Éditions du Seuil, pp. 145-151.
Jameson, F. (1981). The Political Unconscious. Narrative as a Socially Symbolic Act. Ithaca (NY):
Cornell University Press.
Jenkins, R. (2002). Pierre Bourdieu. London & New York (NY): Routledge.
Jung, C. G. (1940). The Integration of the Personality. Dell, S. M. vert. London: Kegan Paul, Trench,
Trubner & Co.
Jung, C. G. (1969). The Collected Works of C. G. Jung. Hull, R. F. C. vert. Read, H., Fordam, M., Adler,
G. & McGuire, W. eds. Vol. 2. London: Routledge.
Kaster, R. A. (1988). Guardians of Language. The Grammarian and Society in Late Antiquity. Berkeley
(CA), Los Angeles (CA) & London: University of California Press.
Kernan, A. (1999). In Plato’s Cave. New Haven (CT) & London: Yale University Press.
Keunen, B. (2007. Verhaal en verbeelding. Chronotopen in de westerse verhaalcultuur. Gent:
Academia Press.
Kristeva, J. (1969). Semeiotikè, recherches pour une sémanalyse. Paris: Éditions du Seuil.
Laclau, E. & Mouffe, C. (1985). Hegemony and Socialist Strategy. London & New York (NY): Verso.
Lapo da Castiglionchio (1999). De curiae commodis Dialogus. Celenza, C. S. vert. & ed. In: Celenza, C.
S. ed. Renaissance Humanism and the Papal Curia. Lapo da Castiglionchio the Younger’s De
curiae commodis. Ann Arbor (MI): The University of Michigan Press, pp. 102-228.
Lentricchia, F. (1989). Foucault’s Legacy: A New Historicism? In: Veeser, H. A. ed. The New
Historicism. London & New York (NY): Routledge, pp. 231-242.
Lévi-Strauss, C. (1990). The Raw and the Cooked. Weightman, J. & Weightman, D. verts.
Mythologiques. Vol. 1. Chicago: Chicago University Press.
Lewis, T. E. (1979). Notes Toward a Theory of the Referent. PMLA 94(3): 459-475.
Logan, G. M. et al. eds. (2006). The Sixteenth Century/ The Early Seventeenth Century. The Norton
Anthology of English Literature. Vol. B. New York (NY) & London: W. W. Norton & Company.
Loi 78 (2012). Loi permettant aux étudiants de recevoir l’enseignement dispensé par les
établissements de niveau postsecondaire qu’ils fréquentent. Assemblée Nationale (Québec).
Long, A. A. (1974). Hellenistic Philosophy. Stoics, Epicureans, Sceptics. Berkeley (CA) & Los Angeles
(CA): University of California Press.
Lowenthal, D. (1985). The Past is a Foreign Country. Cambridge: Cambridge University Press.
122
Lucretius (1992). De rerum natura. Rouse, W. H. D. vert. Smith, M. F. ed. Loeb Classical Library. Vol.
181. Cambridge (MA) & London: Harvard University Press.
Lyotard, J.-F. (1979). La condition postmoderne. Rapport sur le savoir. Paris: Les Éditions de Minuit.
Marvell, A. (1997). “To His Coy Mistress“ and Other Poems. Negri, P. ed. Mineola (NY): Dover
Publications.
Marx, K. (1996). Later Political Writings. Carver, T. vert. & ed. Cambridge: Cambridge University
Press.
McCahill, E. (2011). Alison Brown, The Return of Lucretius to Renaissance Florence. The Journal of
Modern History 83(4): 921-923.
McDonald, P.D. (2006). Ideas of the Book and Histories of Literature: After Theory? PMLA 121(1):
214-228.
Miller, J. H. (2004). The Critic as Host. In Bloom, H. et al. eds. Deconstruction and Criticism. London &
New York (NY): Continuum, pp. 177-207.
Montrose, L. A. (1989). Professing the Renaissance: The Poetics and Politics of Culture. In: Veeser, H.
A. ed. The New Historicism, pp. 15-36.
Naerebout, F. G. & Singor, H. W. (2009). De Oudheid. Grieken en Romeinen in de context van de
wereldgeschiedenis. Amsterdam: Ambo.
National Book Foundation (NBF) (2007). 2004 National Book Award Finalists. [Online]. New York (NY):
National Book Foundation. Beschikbaar op:
http://www.nationalbook.org/nba2004_finalistpr.html [Geraadpleegd op 5 mei 2012].
National Book Foundation (NBF) (2011). 2011 National Books Awards. [Online]. New York (NY):
National Book Foundation. Beschikbaar op:
http://www.nationalbook.org/nba2011.html#.T4WF-9XDX6J [Geraadpleegd op 12 april
2012].
Otto, R. (1950). The Idea of the Holy: An Inquiry into the Non-rational Factor in the Idea of the Divine
and its Relation to the Rational. Harvey, J. W. vert. London, Oxford & New York (NY): Oxford
University Press.
Palmer, M. (1997). Freud and Jung on Religion. London & New York (NY): Routledge.
Passannante, G. (2010). Alison Brown. The Return of Lucretius to Renaissance Florence. Renaissance
Quarterly 63(4): 1247-1248.
Paul, H. (2010). Cultural Mobility Between Boston and Berlin: How Germans Have Read and Reread
Narratives of American Slavery. In: Greenblatt, S. J. et al. eds. Cultural Mobility. A Manifesto.
Cambridge: Cambridge University Press, pp. 122-171.
Payne, M. (2005). Introduction: Greenblatt and New Historicism. In: Payne, M. ed. The Greenblatt
Reader. Oxford: Blackwell Publishing, pp. 1-8.
123
Philippa, M. et al. eds. (2011a). Anekdote. In: Philippa, M. et al. eds. Etymologisch woordenboek van
het Nederlands. [Online]. Amsterdam: Amsterdam University Press. Beschikbaar op:
http://www.etymologie.nl/ [Geraadpleegd op 3 april 2012].
Philippa, M. et al. eds. (2011b). Dialoog. In: Philippa, M. et al. eds. Etymologisch woordenboek van
het Nederlands. [Online]. Amsterdam: Amsterdam University Press. Beschikbaar op:
http://www.etymologie.nl/ [Geraadpleegd op 6 april 2012].
Phillips, M. S. (2003a). Histories: Micro- and Literary: Problems of Genre and Distance. New Literary
History 34(2): 211-229.
Phillips, M.S. (2003b). Relocating Inwardness: Historical Distance and the Transition from
Enlightenment to Romantic Historiography. PMLA 118(3): 436-449.
Phillips, M.S. (2004). Distance and Historical Representation. History Workshop Journal 57: 123-141.
Pidd, H. (2010). Cold, Cramped, Confined – Occupational Hazards for Kent’s Sit-in Students. The
Guardian, 30 december 2010. [Online]. The Guardian. Beschikbaar op:
http://www.guardian.co.uk/education/2010/dec/30/kent-university-tuition-fees-protest
[Geraadpleegd op 9 mei 2012].
Pidd, H. (2011). Students to end sit-in protest. The Guardian, 4 januari 2011. [Online]. The Guardian.
Beschikbaar op: http://www.guardian.co.uk/education/2011/jan/04/students-end-sit-inprotest [Geraadpleegd op 9 mei 2012].
Pieters, J. (2001). Moments of Negotiation. The New Historicism of Stephen Greenblatt. Amsterdam:
Amsterdam University Press.
Pieters, J. (2005). Speaking with the Dead. Explorations in Literature and History. Edinburgh:
Edinburgh University Press.
Plinius Minor (1958). Epistulae. Schuster, M. ed. Teubner. Leipzig: Teubner.
Porter, C. (1990). Are we Historical Yet? In: Carroll, D. ed. The States of ‘Theory’. History, Art, and
Critical Discourse. Irvine Studies in the Humanities. Stanford (CA): Stanford University Press.
Price, L. (2009). From The History of a Book to a "History of the Book". Representations 108: 120-138.
Procopius (2005). Verzwegen verhalen. Een schandaalkroniek uit Byzantium. van Dolen, H. L. vert.
Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Purinton, J. S. (1999). Epicurus on ‘Free Volition’ and the Atomic Swerve. Phronesis 44(4): 253-299.
Ranke, L. von (1824). Geschichten der romanischen und germanischen Völker von 1494 bis 1535. Vol.
1. Leipzig: G. Reimer.
Reid, I. (1977). The Short Story. London & New York (NY): Routledge.
Robson, M. (2008). Stephen Greenblatt. Routledge Critical Thinkers. London & New York (NY):
Routledge.
124
Ryle, G. (2009) [1971]. Collected Essays 1929-1968. London & New York (NY): Routledge.
Schwartz, V. R. (1995). Cinematic Spectatorship before the Apparatus: Early Mass Culture in Fin-deSiècle Paris. In: Schwartz, V. R. & Charney, L. eds. Cinema and the Invention of Modern Life.
Berkeley (CA): University of California Press, pp. 297-319.
Searle, J. R. (1983). The World Turned Upside Down. The New York Review of Books 30(16), 27
oktober 1983. [Online]. The New York Review of Books. Beschikbaar op:
http://www.nybooks.com/articles/archives/1983/oct/27/the-word-turned-upside-down/
[Geraadpleegd op 29 april 2012].
Sedghi, A. & Shepherd, J. (2011). Tuition Fees 2012: What Are the Universities Charging? The
Guardian, 23 juni 2011. [Online]. The Guardian. Beschikbaar op:
http://www.guardian.co.uk/news/datablog/2011/mar/25/higher-educationuniversityfunding#data [Geraadpleegd op 12 mei 2012].
Segal. R. A. (1992). The Gnostic Jung. Princeton (NJ): Princeton University Press.
Shakespeare, W. (1997). The Norton Shakespeare. Greenblatt, S. J., Cohen, W. & Gurr, A. eds. New
York (NY) & London: W. W. Norton & Company.
Showalter, E. (1999). Presidential Address 1998: Regeneration. PMLA 114: 318-328.
Simpson, D. (1995). The Academic Postmodern and the Rule of Literature: A Report on HalfKnowledge. Chicago (IL): University of Chicago Press.
Sjklovski, V. (1982). Kunst als procédé. In: Bogman, S. et al. eds. Russies Formalisme. Sjklowskij,
Jakobson, Ejchenbaum, Tynjanov. Nijmegen: SUN, pp. 11-32.
Smith, S. et al. (2010). If MPs Fail to Support Higher Tuition Fees, Student Numbers Are Likely to Be
Cut, Putting Social Mobility at Risk. The Telegraph, 8 december 2010. [Online]. The Telegraph.
Beschikbaar op:
http://www.telegraph.co.uk/comment/letters/8187107/If-MPs-fail-tosupport-higher-tuition-fees-student-numbers-are-likely-to-be-cut-putting-social-mobility-atrisk.html [Geraadpleegd op 12 mei 2012].
Stevens, P. (2002). Pretending to be Real: Stephen Greenblatt and the Legacy of Popular
Existentialism. New Literary History 33(3): 491-519.
The Pulitzer Prizes (TPP) (2005). The 2005 Pulitzer Prize Winners. Biography and Autobiography.
[Online]. New York (NY): Columbia University. Beschikbaar op:
http://www.pulitzer.org/citation/2005-Biography-or-Autobiography [Geraadpleegd op 5 mei
2012].
The Pulitzer Prizes (TPP) (2012a). Criticism. [Online]. New York (NY): Columbia University. Beschikaar
op: http://www.pulitzer.org/bycat/Criticism [Geraadpleegd op 20 april 2012].
The Pulitzer Prizes (TPP) (2012b). The 2012 Pulitzer Prize Winners. General Nonfiction. [Online]. New
York (NY): Columbia University. Beschikbaar op: http://www.pulitzer.org/citation/2012General-Nonfiction [Geraadpleegd op 18 april 2012].
125
Trenkner, S. (1958). The Greek Novella in the Classical Period. Cambridge: Cambridge University
Press.
Ulanov, A. B. (1997). Jung and Religion: The Opposing Self. In: Young-Eisendrath, P. & Dawson, T. eds.
The Cambridge Companion to Jung. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 296-313.
Veeser, H. A. ed. (1996). Confessions of the Critics. London & New York (NY): Routledge.
Verbaal, W. (2008). Latijnse literatuur in de oudheid. Gent: Academia Press.
Vermeersch, E. & Braeckman, J. (2008). De rivier van Herakleitos. Een eigenzinnige visie op de
wijsbegeerte. Antwerpen & Amsterdam: Hautekiet.
Voltaire (1838) [1764]. Dictionnaire Philosophique. Paris: Imprimerie de Cosse et Gaultier-Laguionie.
Wendlandt, L. & Baltzly, D. (2004). Knowing Freedom: Epicurean Philosophy beyond Atomism and
the Swerve. Phronesis 49(1): 41-71.
White, H. (1978). Tropics of Discourse: Essays in Cultural Criticism. Baltimore (MA) & London: John
Hopkins University Press.
Williams, J. (1999). The New Belletrism. Style 33(3): 414-442.
Williams, R. (1980). Problems in Materialism and Culture: Selected Essays. London: Verso.
Willielmus de Rubruquis (1998). The Journey to the Eastern Parts of the World of Friar William of
Rubruck of the Order of Minor Friars in the Year of Grace MCCLIII. Rockhill, W. W. vert. In:
Rockhill, W. W. ed. The Journey of William of Rubruck to the Easter Parts of the World, 125355: as Narrated by Himself with Two Account of the Earlier Journey of John of Pian de
Carpine. New Delhi: Asian Educational Services, pp. 40-282.
Willielmus de Rubruquis (2010). Itinerarium fratris Willielmi de Rubruquis de ordine fratrum
Minorum, Galli, Anno gratia 1253. ad partes Orientales. [Online]. Adelaide:
[email protected] Beschikbaar op:
http://ebooks.adelaide.edu.au/h/hakluyt/voyages/rubruquis/. [Geraadpleegd op 26 maart
2012].
Wood, M. (1994). The Magician’s Doubts. Nabokov and the Risks of Fiction. Princeton (NJ): Princeton
University Press.
Ysebaert, T. (2011). Verdubbel het inschrijvingsgeld. De Standaard, 22 september 2011. [Online]. De
Standaard. Beschikbaar op:
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=1K3FVVGN [Geraadpleegd op 11 april
2012]
Download