Kerstliturgie 2007 - Passage

advertisement
Kerstliturgie 2007 – ‘gewoon heel bijzonder’
Vooraf
Deze liturgie is samengesteld door Ineke Ludikhuize. Daar waar teksten zijn gebruikt van
anderen staat dit vermeld; de overige teksten zijn van haar zelf. Reacties op deze liturgie zijn
welkom en kunt u sturen naar Passage Servicepunt ([email protected]; Postbus
1058, 3860 BB Nijkerk).
Probeer bij de versiering van de ruimte rekening te houden met het thema door zoveel
mogelijk simpele (gebruiks)voorwerpen te gebruiken. Maak van gewone dingen iets
bijzonders. Bijvoorbeeld: een paar mooie stenen met groene klimop en rode tomaten in een
glazen (fruit)schaal. Als u inbreng van leden in de liturgie op prijs stelt, zou u ook wat leden
kunnen vragen om een (kerst-, geboorte-)voorwerp mee te nemen dat voor hen een
bijzondere betekenis heeft gekregen. Zij kunnen daar dan iets over vertellen bijvoorbeeld
i.p.v. het voorlezen van een verhaal. U kunt ook alle leden vragen om een dergelijk voorwerp
mee te nemen. Zij zetten dit voorwerp voor of tijdens de liturgie op een tafel en vertellen in
kleine groepjes aan elkaar wat het bijzondere is van hun gewone voorwerp.
Over het thema
Het thema van deze liturgie is ‘gewoon heel bijzonder’.
We lezen over in verwachting zijn.
Een kind dat geboren wordt;
een moeder, een vader, kraambezoek.
Alles is gewoon en toch bijzonder.
Engelen meestal hebben ze geen wit gewaad
of gouden kroon,
maar zijn het mensen als u en ik
die gewoon heel bijzonder op ons pad komen.
Herders gewone mensen, gewoner zijn ze er niet.
Zij zien een kind in een stal en weten:
dit is bijzonder.
Mensen als u en ik
gewoner kan het bijna niet.
Maar wie haar licht laat schijnen in de wereld
is gewoon heel bijzonder.
Om te beginnen
Spreek weer een woord
Blijft de mens achterwege
die Hij eenmaal riep,
weer woest en ledig
wordt al wat God schiep.
1
Komt er geen Adam
die redt en bevrijdt,
verloren de aarde
een chaos wordt zij.
O God blijf geloven
volhard in uw visioen,
kom ons te boven,
schep en verzoen.
Schep als in den beginne
spreek weer een woord,
breek bij ons binnen,
ga met ons door.
Verwek in ons midden
de mensenzoon,
hoor naar ons bidden,
verwerk’lijk uw droom.
Uit: ‘Dus ik besta’ Hans Bouma
Bidden
God, u bent anders
dan al die lichten
waarmee wij ons omringen.
U bent het licht in onze ogen,
de bron waaruit wij leven,
het licht dat ons omstraalt
als het leven donker is.
U maakt van ons, gewone stervelingen,
mensen die uw licht laten stralen,
mensen met oog voor het gewone
dat heel bijzonder is.
Dan wordt een kind een koning
met een stal als paleis.
Dan vieren wij als engelen en herders
en met alle vaders en moeders
de geboorte van een kind,
mensenzoon, Jezus Messias.
Amen
Zingen
Een nieuw adventslied
(melodie gezang 51, Liedboek voor de Kerken – Lieve Heer, Gij zegt kom en ik kom)
Ik geloof in mijn God als de kracht,
die het licht ontsteekt, waar het duister is,
die weer glans aanbrengt, waar geen luister is,
die een vuurvlam is in de nacht.
Ik geloof in mijn God als de bron,
van waaruit alles leeft wat geboren is,
die weer thuisbrengt wat ooit hier verloren is,
die het woord sprak, waarmee het begon.
2
Ik geloof in mijn God als het doel
van de voeten die hier op aarde staan,
van de dromen die door alle landen gaan,
van de zoektochten van het gevoel.
Ik geloof in mijn God als de stem,
die de wereld naar toekomst en vrede leidt
en de globalisering, zo lang verbeidt,
van geloof, hoop en liefde door Hem.
Alfred C. Bronswijk
Lezen
Lucas 2: 1 t/m 7
Zingen
(melodie gezang 259, Hervormde bundel 1938– Schaart u om den goeden Herder)
Door het donker hier gekomen,
aangetrokken tot het licht,
willen wij het Kind bezingen
dat op aarde vrede sticht.
In dit kind staat het te lezen
hoe God zich ons allen dacht:
zie de toekomst, hier geboren,
voor het menselijk geslacht!
In dit Kind is vleesgeworden
hoe God ook het donker door
heel zijn goede schepping trouw blijft.
Deze ster wijst ons het spoor!
Oude dromen, haast vervlogen,
uit een lang voorbije tijd,
zingen wij ons nieuw te binnen,
door de hemel begeleid.
En met allen die gegaan zijn
met de dromen van oudsher,
zoeken wij naar nieuwe wegen
bij het lichten van de ster.
Zolang wij nog durven dromen,
uitzien naar wat toekomst biedt,
zullen wij ons laten leiden
door dit Kind, dit licht, dit lied.
Sytze de Vries
Lezen
Lucas 2: 8 t/m 14
Zingen
Gezang 134 (Liedboek voor de kerken)
3
Voorlezen (eventueel)
Voor wie een kerstverhaal wil voorlezen: hieronder drie suggesties. Twee korte verhalen en
de tekst van een interview. U kunt op deze plek ook leden laten vertellen over iets gewoons
dat voor hen bijzondere betekenis kreeg (zie ook onder ‘vooraf’ en ‘uitwisseling’). Als u beide
wilt doen, kunt u gezang 139 gebruiken als overgang van het verhaal naar de uitwisseling.
Verhaal I
Een boekhandel, een klant. Maar is het een gewone klant? Een verhaal over een
boekhandelaar en een bijzonder gebaar.
De regen striemde over straat, aangejaagd door een koude wind die je tot op het bot
verkleumde. Kerstmis in Nederland. Nou ja, één dag voor kerstmis. Morgen zou de
boekhandel gesloten zijn, maar vandaag gelukkig nog niet. Meneer Graan bleef in de
deuropening van de boekwinkel onder de hete luchtstroom staan. Hèhè, daar knapte je van
op. Thuis zette hij de thermostaat nooit boven de 17 graden.
Dat kon zijn energierekening niet aan, niet als er ook nog een halfje brood op de plank moest
komen. Het viel niet mee als je 72 was en nooit aan pensioenopbouw gedaan had. Maar hij
zeurde niet. Zeker niet als hij hier was. Tot zijn genoegen zag hij dat het erg druk was. Mooi.
Rustig schuifelde hij tussen de mensen door naar de tafel literatuur, keek uit zijn ooghoeken
of iemand op hem lette – nee.
Het boek van Maarten ’t Hart dat hij gelezen had, had hij al uit zijn binnenzak gehaald, de
stapel had hij al gevonden, en hij legde het boek bovenop de andere. Niemand zag iets. Zijn
ruilboek had hij ook al uitgezocht. De nieuwe Philip Roth. Aan de andere kant van de tafel
lag die stapel, hij pakte het bovenste boek op en bladerde. Waar zat de beveiligingsstrip?
Ah. Geroutineerd schudde hij het stripje eruit.
Zijn ogen gingen naar de kassa. Een rij mensen stond daarvoor, de mensen erachter hadden
geen aandacht voor de winkel – hij schoof het boek onder zijn jas en liep naar de uitgang.
Weer gelukt. “Meneer!” Hij bleef net buiten de winkel staan omdat een zware hand op zijn
schouder drukte. Hij draaide zich om naar een donkerharige man. Het was de
boekhandelaar, ze kenden elkaar want hij maakte wel eens een praatje. De man hield hem
een schaal voor. “Wilt u geen kerstkransje?”
Meneer Graan begon te stotteren. “Ik, ik … het was niet mijn bedoeling om …” Zijn hart
bonkte in zijn keel. Wat zei hij nu? Er was niks aan de hand. Hij dwong zichzelf tot een
glimlach en pakte een kransje van de schaal. “Lekker, dank u.” “Alstublieft,” zei de
boekhandelaar. “ Eet smakelijk. Ik moet weer naar binnen.” Meneer Graan knikte. “Dank u.”
De boekhandelaar gaf hem een vriendelijk klopje op zijn schouder. “Prettige feestdagen
nog.” “Dank u, en u van hetzelfde.”
Meneer Graan zette aarzelend een paar stapjes. De boekhandelaar knikte nog een keer.
Toen boog hij zich naar meneer Graan toe en zijn stem daalde tot een gefluister: “Legt u
hem wel weer op dezelfde stapel terug? Het is de moeite waard om te lezen. Tot na de
kerst.” Verbluft bleef meneer Graan staan. De boekhandelaar liep terug zijn volle winkel in,
met de schaal kerstkransjes.
Nico Voskamp (winnaar van de kerstverhalenwedstrijd 2004 van de NCRV)
4
Verhaal II
Een nar geeft weg wat hem lief is. Daardoor wordt de ontmoeting met het Kind in de kribbe
gewoon heel bijzonder.
DE KERSTNAR
In het Oosten
leefde twee duizend jaar geleden
een jonge nar.
En zoals elke nar
verlangde hij ernaar,
wijs te worden.
Hij hield van de sterren
en werd niet moe
naar hen te kijken
en zich over de oneindigheid van de hemel te verwonderen.
Zo gebeurde het,
dat in dezelfde nacht, dat Jezus geboren werd,
niet alleen de koningen Kaspar, Melchior en Balthazar
de nieuwe ster ontdekten,
maar ook de nar!
‘De ster is helderder
dan alle anderen’ dacht hij
‘Het is een Koningsster, een nieuwe koning is geboren.
Ik wil hem mijn diensten aanbieden,
want elke koning heeft ook een nar nodig.
Ik wil hem gaan zoeken,
De ster zal mij de weg wijzen!’
Lang dacht hij erover na,
Wat hij voor de koning mee zou brengen.
Maar behalve zijn narrenkap,
zijn klokkenspel
en zijn bloem
bezat hij niets dat hem lief was.
Zo ging hij op weg,
de narrenkap op het hoofd,
het klokkenspel in de ene
en de bloem in de andere hand.
In de eerste nacht
bracht de ster hem bij een hut.
Daar zag hij een kind dat verlamd was.
Het huilde, omdat het niet met de andere kinderen kon spelen.
‘Och’, dacht de nar,
’Ik wil het kind mijn narrenkap geven.
Hij heeft de narrenkap meer nodig dan een koning’.
5
Het kind zette de narrenkap op het hoofd en lachte van vreugde.
Dat was voor de nar dank genoeg.
In de tweede nacht bracht de ster hem bij een paleis.
Daar zag hij een kind dat blind was.
Het huilde, omdat het niet met de andere kinderen kon spelen.
‘Och’, dacht de nar,
‘Ik wil het kind mijn klokkenspel geven.
Het heeft het klokkenspel meer nodig dan een koning’.
Het kind liet het klokkenspel klinken en lachte van vreugde.
Dat was voor de nar dank genoeg.
In de derde nacht bracht de ster hem bij een kasteel.
Daar zag hij een kind dat doof was.
Het huilde, omdat het niet met de andere kinderen kon spelen.
‘Och’, dacht de nar,
’Ik wil het kind mijn bloem geven.
Het heeft de bloem meer nodig dan een koning’.
Het kind keek naar de bloem en lachte van vreugde.
Dat was voor de nar dank genoeg.
‘Nu heb ik niets meer dat ik voor de nieuwe koning kan mee brengen.
Het is maar beter, dat ik terug ga’, dacht hij.
Maar
toen de nar omhoog keek
naar de hemel
stond de ster stil
en scheen nog helderder dan tevoren.
Toen vond hij de weg
naar een stal midden op het veld.
Voor de stal ontmoette hij drie koningen
en een groep herders.
Ook zij zochten de nieuwe koning.
Hij lag daar in een kribbe,
Het was een Kindje, arm en naakt.
Maria, die een schone doek over het stro wilde leggen,
Keek hulpzoekend om zich heen.
Ze wist niet, waar ze het kindje even neer kon leggen.
Jozef voederde de ezel,
En alle anderen
hadden hun handen vol met geschenken.
De drie koningen met goud, wierook en mirre,
De herders met wol, met melk en brood.
Alleen de nar stond daar met lege handen.
Vol vertrouwen legde Maria het Kind in zijn armen.
6
Hij had de Koning gevonden die hij wilde dienen.
En hij wist ook dat hij zijn
narrenkap
zijn klokkenspel
en zijn bloem
weggegeven had voor dit kind
dat hem nu met zijn glimlach
de wijsheid schonk
waar hij naar verlangde.
Max Bolliger
7
Interview met Raymond
Raymond was een gewone jongen. Het leek met hem de verkeerde kant op te gaan. Toen
gebeurde er iets bijzonders in zijn leven. Hij is nu bijzonder gewoon.
Raymond werd christelijk opgevoed. Ging mee naar de kerk en naar de zondagsschool,
waar hem werd verteld dat hij een keus moest maken voor God en dat hij daarvoor kon
bidden. Dus hij bad. Maar er gebeurde niets. „Toen besloot ik dat het christelijk geloof niet
waar kon zijn.“ Tijdens zijn puberteit verzette hij zich tegen het geloof. Hij zag christenen als
mensen met oogkleppen die in hun eigen wereldje leefden. Verder dacht hij weinig over God
na. Het geloof zei hem niets meer.
Op zijn zestiende liep Raymond weg van huis. Hij kon zich thuis niet meer aan de regels
houden, waardoor het escaleerde. „Ik zag het geloof als iets waardoor ik me meer aan regels
moest houden dan mijn klasgenoten bijvoorbeeld. Ik zag dat zij meer vrijheid hadden. En ik
probeerde die vrijheid eerst te krijgen door bij vriendjes te blijven slapen die wel uit mochten
en naar feestjes mochten gaan, maar later wilde ik gewoon op mezelf wonen en mijn eigen
leven leiden.“
Het contact met zijn ouders werd minder. Zijn ouders zochten hem wel regelmatig op, maar
de leefwijze van zijn vrienden botste met die van zijn ouders. Eerst woonde hij in een
antikraakpand bij iemand in huis. Daarna kwam hij via het jongerenadviescentrum in een
opvangcentrum terecht, waar hij aan een traject van begeleid wonen begon. Vervolgens
kreeg hij een studentenkamer toegewezen en leidde daar zijn eigen leventje. Zijn kamer zat
onder de muizen en kakkerlakken, maar het deerde hem weinig. Raymond: „Het was lang
leve de lol. Ik wilde van mijn vrijheid genieten en nam het ervan; drinken, uitgaan, blowen,
verkeerde vrienden.“ Hij bouwde zelfs zijn eigen wietplantage om aan geld te komen. Want
werken deed hij allang niet meer. Ook verhandelde hij gestolen spullen.
„Ik rookte wiet uit een grote zak. Er was geen rem meer. Ik stond ermee op en ging ermee
naar bed. Ik sliep slecht, omdat ik ieder uur weer wiet nodig had. Op een gegeven moment
kon ik met mijn ogen dicht een joint draaien. Ik kon doen en laten wat ik wilde en door mijn
handeltje had ik voldoende geld om zoveel te roken als ik wilde. Ik werd egoïstisch, keurde
alles wat ik deed goed, terwijl ik dat normaal gesproken af zou keuren. Ik wilde freelance
werk gaan doen als webmaster. Maar eigenlijk kwam daar maar weinig van terecht. Ik was
lui; ik lag alleen nog maar in bed, lag een beetje achter mijn computer, maar er kwam erg
weinig uit mijn handen.“
Met Kerst nodigden zijn ouders Raymond uit om de kerstdagen bij hen te vieren. „Ik had in
die tijd geen vrienden meer over, dus ik had zo iets van: ‘Laat ik dat maar doen, dan eet ik
tenminste weer eens gezond’. Want ik wist van vroeger dat er met Kerst altijd goed gegeten
werd. Zelf at ik alleen maar broodjes met pasta en de koelkast stond vol met bier. Met
vitaminepillen hield ik me dan zo’n beetje in leven. Maar na een kerstmaal zou ik er dan weer
even tegenaan kunnen.“
Raymond kwam kerstavond al naar zijn ouders, want door zijn verstoorde dag- en nachtritme
zou hij anders de volgende dag niet eens uit zijn bed kunnen komen.
„Mijn moeder vroeg of ik mee ging naar de kerk, maar dat vond ik hypocriet. Alleen met Kerst
naar de kerk gaan, dat heeft helemaal geen zin. Of je gaat erheen of niet. En dan zou ik al
die mensen weer zien, die me zouden veroordelen. En daar had ik geen zin in. Bovendien
kwam ik nauwelijks meer buiten, dus ik was mensenschuw, haast paranoia.“
Uiteindelijk wist zijn moeder hem over te halen om toch mee naar de dienst te gaan. En dat
heeft hij geweten. Hij vertelt: „Ik zat in die dienst, waar de dominee sprak over de manier van
kersfeest vieren. Met een kerstboom, kalkoen, vrienden enzovoorts. ‘Maar’, vroeg de
dominee, ‘weten we eigenlijk wel wat we aan het vieren zijn’? Hij legde de link met mensen
die hun hele leven kunnen indelen met hun carrière en drukke hobby’s, behalve met God. Zij
missen het doel van hun leven.
8
En dat sprak mij heel erg aan. Want eigenlijk was ik mijn hele leven aan het verdoen met
drugs, feesten en het ontvluchten van de wereld, terwijl ik eigenlijk iets miste. Mijn leven gaf
mij inderdaad geen voldoening.“
De dag na tweede kerstdag ging Raymond op bezoek bij zijn opa, die hij al jaren niet meer
had gezien. Er kwam ook een vriend van zijn opa, die vroeger met hem evangelisatiewerk
had gedaan. „Ik zag in die man de passie die hij in zijn leven had,“ vertelt Raymond. „Hij
kende God en dat was alles voor hem. En ik dacht: ‘dat mis ik dus. Die man heeft een doel in
zijn leven’. En ik ontdekte dat ik ook wilde wat hij had.“
De preek van eerste kerstdag en de ontmoeting van derde kerstdag zetten Raymond stil.
Maar toen moest hij opnieuw beginnen. Hij dacht dat alleen te kunnen en besloot niet meer
te blowen en zijn leven te beteren. Maar toen hij weer in zijn huis kwam, stond daar nog die
zak wiet naast zijn bed. „Ik hield het nog geen uur vol of ik zat alweer met een joint in mijn
mond. Maar toen begon ik me zó schuldig te voelen. Ik dacht: ‘Ik zeg dat ik wil stoppen en
mijn leven wil beteren, maar ondertussen ben ik hier de junk als niemand het ziet’.“
Raymond moest op zijn knieën. „Ik bad tot God of Hij mij wilde helpen. En ik begreep dat als
ik opnieuw wilde beginnen, ik echt schoon schip moest maken. Ik moest beginnen met mijn
kamer te ontdoen van alle kwade zaken. En op het moment dat ik me dat realiseerde, kon ik
alleen nog maar huilen. Ik belde mijn broer en vroeg hem of hij me wilde helpen mijn kamer
op te ruimen. Mijn kamer zag eruit zoals je wel eens op tv een kamer van een junk ziet;
bezaaid met kleren, wiet en andere rommel. We zijn een maand bezig geweest om alles
naar de vuilstort te brengen.“
Thuis biechtte Raymond alles op aan zijn ouders en vertelde hen dat hij opnieuw wilde
beginnen en weer thuis wilde komen. „Dat moment was heel emotioneel. En ik weet nu dat
door mijn verandering het geloof ook meer is gaan leven voor mijn twee broers. En dat vind
ik heel bijzonder, want ook zij hadden weinig meer met het geloof.“
Inmiddels hangt er op Raymonds kamer een prikbord met zijn doopkaart, met daaromheen
allerlei kaarten met bemoedigende teksten en foto’s van praisebijeenkomsten.
Raymond heeft radicaal gebroken met zijn oude leven. „Vooral vlak na mijn verandering was
het enige boek dat ik nog las de Bijbel, die ik nu ook met andere ogen lees. Op die derde
kerstdag vorig jaar is het verlangen naar drugs weggenomen en daar is eigenlijk het
verlangen om de Bijbel te lezen voor in de plaats gekomen. Daardoor ben ik heel snel
geestelijk gegroeid, en ook mede door de kring waar ik op zit en de bijbelstudie die ik doe.“
Raymond is inmiddels begonnen met een vierjarige opleiding aan de bijbelschool in
Veenendaal.
Ook zijn oude vrienden vertelt hij stuk voor stuk over zijn verandering. „Ik ga dan een hapje
met ze eten en dan gaan we de kroeg in, waar ik vaak een hele avond met hen zit te praten.
Ze willen God heel graag ontkennen, maar als ze mij spreken en de verandering in mij zien,
geven ze ook wel toe dat dat niet van mijzelf kan komen.“
(tekst: Mirjam Hollebrandse – website EO)
9
Uitwisseling (eventueel)
Aanwezigen vertellen elkaar in kleine groepen welk voorwerp zij meenamen naar de viering
en waarom dit voorwerp voor hen bijzonder is (geworden). Daarna worden alle voorwerpen
op een tafel bij elkaar gezet.
Zingen
Gezang 139 (Liedboek voor de kerken)
Lezen
Gedicht: Het begon in de kribbe
Het begon in de kribbe
Gods plan met mijn leven
Het begon in de kribbe
Gods zo rijke zegen
God zag dat het goed was
zo teer en zo klein
Hij, tussen de mensen
ja, zo moest het zijn
Zo kwam Hij op aarde
zo ongewoon gewoon
onze Heiland en Koning
lag in een kribbe, zat niet op een troon
Zo trouw aan de mensen
zo trouw ook aan mij
Ik hoef niet te vrezen,
want Hij is nabij
Nabij om te troosten
Zijn arm om mij heen,
door Gods plan van de kribbe
ben ik nooit meer alleen
Daarom wil ik knielen
met heilig ontzag
en immer gedenken
zijn geboorte... die dag.
Vivien (op de website van de EO)
10
Overdenking (eventueel)
Engelen –
Even zijn ze weer volop in beeld al die engelen
en ze laten hun licht schijnen in de duisternis
en hun stem horen
en wij zingen graag met ze mee;
zo hard en vrolijk als we maar kunnen
’Ere zij God’.
Ze hangen in kerstbomen,
ze staan op schoorsteenmantels,
ze treden op in kerstspelen van kinderen op school en in de kerk.
Maar verder.......
wat moet je nou met al die engelen?
Begin januari ruimen we ze weer op:
terug in de doos tot volgend jaar Kerst.
Nou,
sla dan eerst maar eens je bijbel open
en kom op het spoor van al die engelen:
op de ladder tussen hemel en aarde
heen en weer tussen God en mens in Jakobs droom.
Of in de woestijn
met een kruik water en eten in de weer voor Elia,
een mens het leven moe.
Als de engel hem aanraakt
dan kan Elia weer opstaan en verder gaan
en is de reis niet te lang.
In het kerstverhaal
komen ze ook steeds maar weer terug.
Ach je komt ze zo vaak tegen
die engelen.
En kijk dan ook eens naar jezelf
en stel jezelf twee vragen:
Waar en wanneer
ging of gaat er een engel in mijn leven met me mee
om me te beschermen en te bemoedigen?
Voor wie mocht ik dit jaar zelf een engel zijn?
Engelen –
meestal hebben ze geen wit gewaad
of gouden kroon,
zoals die engelen uit de kerstdoos.
Meestal zijn engelen mensen als u en ik
die gewoon heel bijzonder op ons pad komen.
Herders –
Horen en zien vergaat hen.
Engelen en gezang.
‘Laten we naar Bethlehem gaan’
zeggen ze tegen elkaar.
Gewone mensen in een bijzondere nacht.
Ze vinden een stal
onder bijzonder gesternte.
In de stal een kind
met een vrouw en een man.
11
Kraambezoek.
Het is een alledaags tafereel. Of niet?
De herders zien met nieuwe ogen:
het kind is hun koning
hun licht
hun redding.
Mensen –
Zijn al eeuwenlang op zoek naar vrede,
naar redding voor de wereld, voor hun ziel.
Engelen en herders zetten ons mensen
met de voeten op de grond.
Als je niet zelf een engel bent
niet zelf op pad gaat
niet zelf je licht laat schijnen
in de duisternis van deze wereld,
wie dan?
Jezus is geboren,
Gods zoon
opdat wij als dochters en zonen van God
meer dan het gewone zouden doen, zoals Hij.
Gewoon bijzonder.
Zingen
Dit is de nacht van de zwervers (tekst:Jan van Opbergen; melodie:Jan-Willem van de Velde)
Voor velen een onbekend lied. Tip: vraag een aantal leden om tevoren dit lied samen in te
studeren. Het lied wordt dan door die groep (voor)gezongen.
Dit is de nacht van de zwervers,
van zoekers naar een huis,
mensen speurend naar vrede.
Wie geeft zijn vijand thuis?
Hoe komt een kind terecht.
Waar moet het neergelegd,
hoe zal het veilig gaan,
wie reikt het vrede aan?
Waar is een plek voor de kleinen.
Waar gaan de armen voor?
Wie ontgrendelt de deuren.
Wie breekt de tralies door?
Hoe komt een kind terecht.
Waar moet het neergelegd,
hoe zal het veilig gaan,
wie reikt het vrede aan?
Heden is ons geboren
de mens die ruimte schiep,
die zolang hij mocht leven
om recht en vrede riep.
Hij brengt de mens terecht,
heeft toekomst aangelegd
om veilig in te gaan –
wie reikt hem vrede aan?
12
Bidden
God,
met eerbied noemen wij uw naam.
Altijd zijt gij met ons op weg,
en dichter dan wij durven dromen,
zijt gij bij ons
wanneer uw zoon ons samenbrengt.
Dank u voor deze viering,
voor de vreugde
die wij deze dagen mogen beleven.
Wij bidden voor alle mensen die niet gezellig of comfortabel wonen,
mensen dichtbij en ver weg
die weinig of geen geld hebben
door ziekte van een familielid, door faillissement, echtscheiding of werkloosheid
of doordat ze geboren zijn in een omgeving vol armoede.
Omdat we onze zorg en onze aandacht voor al die mensen in Gods
handen willen leggen, bidden wij samen:
Allen: God, sluit al die mensen in de warmte van uw hart.
Wij bidden voor mensen die geen plaats krijgen in onze samenleving,
die net als Maria en Jozef moeten ervaren dat lang niet iedereen gastvrij is.
Die vanwege hun huidskleur, hun mening, hun nationaliteit niet worden aanvaard.
Dat ze warmte, geborgenheid en genegenheid mogen ondervinden van mensen die met hen
op weg durven en willen gaan, bidden wij samen:
Allen: God, sluit al die mensen in de warmte van uw hart.
Omdat niet elk gezin voldoende nestwarmte kan bieden aan kinderen en jongeren
bidden we voor wie zich in het eigen gezin niet echt thuis voelen,
voor de kinderen van de rekening.
Dat zij altijd een luisterend oor mogen vinden voor hun vragen en problemen bij anderen,
bij leeftijdsgenoten, vrienden, opa’s of oma’s.
Voor ouders en opvoeders bidden wij,
dat zij zich bewust zijn van hun grote verantwoordelijkheid
en zich daarnaar gedragen. Zo bidden wij samen:
Allen: God, sluit al die mensenkinderen in de warmte van uw hart. AMEN
Zingen
Zal er ooit een dag van vrede (Tekst: H. Jongerius; melodie: gezang 139, Liedboek voor de
kerken)
Zal er ooit een dag van vrede,
zal er ooit bevrijding zijn
voor een volk dat zonder reden
levenslang op weg moet zijn.
Zal er ooit een blijvend heden
vol van goede vrede zijn
waar geen pijn meer wordt geleden:
levenslang gebroken zijn.
Zal er ooit een dag van vrede,
zal er ooit bevrijding zijn.
13
Zie de takken aan de bomen
waar het jonge groen ontluikt
tot een stralend nieuwe zomer
waar de vredesbloesem ruikt.
Zie de sterren aan de hemel
waar het duister van de nacht
door hun schijnsel wordt verdreven
tot een nieuwe dag die lacht.
Zie de takken aan de bomen
waar het jonge groen ontluikt.
Zoals bomen mensen tonen
dat er kracht tot groeien is
zal de zon der mensen komen
die de boom des levens is.
Zoals sterren mensen melden
dat geen nacht te donker is
zal een kind ons komen redden
dat het licht der wereld is,
zal een kind ons komen redden,
dat het licht der wereld is.
Tenslotte
Laat God wonen in je handen,
en in elke daad die je verricht.
Laat God wonen in je voeten,
en in elke richting die je kiest.
Laat God wonen in je gehoor,
en in elk moment van je luisteren.
Laat God wonen in je verstand,
en in elke gedachte die jou bezielt.
Laat God wonen in je ogen,
en in elke blik die je anderen schenkt.
Laat God wonen in je mond,
en in elk woord dat je spreekt.
Laat God wonen in je adem,
en in elk lied dat in je zingt.
Laat God wonen in je tranen,
en in elke lach die je dag verlicht.
Laat God wonen in je hart,
en in elke vezel van je gevoel.
Laat God wonen in je komen,
en ook in het scheiden met je gaan.
Amen.
(tekst: Alfred C. Bronswijk)
14
Download