Natuur focus 1-2006

advertisement
V L A A M S D R I E M A A N D E L I J K S T I J D S C H R I F T OV E R N AT U U R S T U D I E & - B E H E E R – M A A RT 2 0 0 6 – JA A R G A N G 5 – N U M M E R 1
Natuur.focus
Spinnen
in Antwerpen
Ecologie
van ondiepe vijvers
Achteruitgang
van orchideeën
Studie
22
Natuur.focus
5(1):22-29
IN
DE FOCUS
ONDIEPE VIJVERS EN MEREN
STEVEN DECLERCK, FRANK VAN DE MEUTTER
& LUC DE MEESTER
Ondiepe vijvers en meren
Ecologische achtergronden en beheer
STEVEN DECLERCK, FRANK VAN DE MEUTTER & LUC DE MEESTER
Het intensief gebruik van meststoffen in de landbouw en de verhoogde lozing van huishoudelijk
afvalwater in de loop van de 20° eeuw heeft tot een sterke toename van nutriënten in de Vlaamse
oppervlaktewateren geleid. Dit heeft in vele vijvers en meren gezorgd voor een omslag van helder naar
troebel water, waardoor waterplanten en andere waterorganismen verdwenen. In dit artikel wordt het
fundamenteel verschil tussen heldere, door waterplanten gedomineerde en troebele, vegetatieloze
systemen toegelicht. Hierbij wordt een theoretisch overzicht gegeven van de voornaamste factoren
en processen die bepalend zijn voor de structuur en dynamiek van zoetwatergemeenschappen.
Daarna wordt ingegaan op het belang van ondergedoken vegetatie voor de soortenrijkdom en
natuurwaarde van aquatische gemeenschappen. Tenslotte wordt aangegeven welke
beheersmaatregelen kunnen genomen worden om een onderwatervegetatie te bekomen.
Figuur 1: De Blankaartvijver (Woumen, Diksmuide): (a) in de heldere toestand anno 1904 (foto: Jean Massart), en
(b) in de troebele toestand anno 1980 (foto: Georges Charlier) (uit Vanhecke et al. 1981).
Twee alternatieve evenwichten
De theorie van de twee alternatieve evenwichten in ondiepe meren (Scheffer et al.
1993) is essentieel voor een goed begrip van
de voedselwebstructuur en -dynamiek van
ondiepe vijvers en meren (Figuur 1). Deze
theorie stelt dat ondiepe vijvers of meren
zich in twee alternatieve toestanden kunnen
bevinden die niet geleidelijk maar plotsklaps
in elkaar kunnen overgaan. Bij een gegeven
gehalte aan nitraten en fosfaten kan het
water van eenzelfde meer zowel troebel als
helder zijn. Heldere vijvers (Figuur 2a) worden doorgaans gekenmerkt door een goed
ontwikkelde onderwatervegetatie, een lage
dichtheid aan planktonische algen (fytoplankton), hoge dichtheden aan groot dierlijk plankton (zoöplankton), lage aantallen
zoöplanktonetende en bodemwoelende vissen en hoge aantallen roofvissen. De alternatieve troebele toestand (Figuur 2b) wordt
gekenmerkt door hoge dichtheden aan
fytoplankton en hoge gehaltes aan zwevende partikels in het water. In troebele vijvers
is de ondergedoken vegetatie schaars of
afwezig,wordt de zoöplanktongemeenschap
gedomineerd door kleine soorten en zijn de
dichtheden aan planktonetende en bodemwoelende vissen hoog. Zowel de heldere als
troebele toestand worden gekenmerkt door
een zekere graad van stabiliteit (Scheffer et
al. 1993). Deze stabiliteit is sterk afhankelijk
van de beschikbaarheid aan fosfaten en in
mindere mate nitraten (Figuur 3). In voedselarme meren (<30 μg fosfor/liter) is de helderwatertoestand zeer stabiel en de troebele toestand onwaarschijnlijk. Bij intermediaire gehaltes aan nutriënten zal een verhoging van het nutriëntenaanbod leiden tot
een verminderde stabiliteit van de heldere
toestand en een verhoogde stabiliteit van de
troebele toestand. Bij hoge tot zeer hoge
nutriëntengehaltes (>200 μg fosfor/liter) zal
de troebele toestand zeer stabiel zijn, terwijl
de heldere toestand moeilijk of niet te hand-
ONDIEPE VIJVERS EN MEREN
Figuur 2: (a) een voorbeeld van een vijver (a) in de
heldere toestand (foto: Steven Declerck) en (b) in de
troebele toestand (foto: Luc De Meester).
haven of te bereiken is. Samenvattend geldt
dus dat een toename in nutriënten de kans
vergroot op troebel water en het steeds
moeilijker maakt om de helderwatertoestand te herstellen.
Het feit dat de helderwater- en troebele vijvertoestand een zekere stabiliteit vertonen
is het resultaat van tal van complexe interacties tussen verschillende componenten
van het voedselweb. De relatie tussen de
troebelheid van het water en de ondergedoken vegetatie speelt hierbij een sleutelrol
(Jeppesen et al. 1997; Scheffer 1998). Doorgaans wordt een positief verband gevonden
tussen het gehalte aan nutriënten (fosfaten)
en de troebelheid, doordat nutriënten de
groei van algen stimuleren (Figuur 4). Troebelheid heeft een grote impact op de groei
van de ondergedoken watervegetatie. De
groei van waterplanten is immers sterk
afhankelijk van licht. Onder een kritische
lichtintensiteit kunnen waterplanten niet
meer groeien en sterven ze af. De troebelheid
en de diepte van de vijver bepalen samen of
de hoeveelheid licht die de bodem kan bereiken voldoende is om vegetatiegroei toe te
laten.Waterplanten spelen evenwel ook een
cruciale rol doordat ze een toename van de
watertroebelheid tegengaan (Figuur 4) en
op die manier zichzelf bestendigen. In aanwezigheid van waterplanten zal bij een ver-
STEVEN DECLERCK, FRANK VAN DE MEUTTER
& LUC DE MEESTER
Figuur 3: De stabiliteit van de heldere en troebele
toestand in functie van het nutriëntenaanbod, in
analogie met een knikker die er steeds naar streeft een
zo laag mogelijk gelegen positie in te nemen. De
grafiek geeft aan dat er een brede marge is in
nutriëntengehaltes waarbij zowel de heldere als de
troebele toestand kunnen voorkomen. Beide
toestanden worden gekenmerkt door een zeker
stabiliteit. De stabiliteit van de troebele toestand
neemt toe met toenemend nutriëntengehalte (15).
De stabiliteit van de heldere toestand neem toe bij
afnemend nutriëntengehalte (51).Volgend op een
verstoring kan het systeem bij een gegeven
nutriëntengehalte abrupt van de ene in de andere
toestand overgaan. (Met toestemming van het
Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en
Afvalwaterbehandeling, Nederland)
hoging van de nutriëntenconcentraties de
troebelheid van het water aanvankelijk
slechts weinig toenemen. Pas als de gehaltes
aan nutriënten op doorgedreven wijze blijft
toenemen zal na verloop van tijd een kritische troebelheid bereikt worden waarbij de
vegetatie zal verdwijnen. Doordat de stabiliserende werking van de waterplanten op de
waterhelderheid dan wegvalt, resulteert dit
plots in een versnelde verdere toename van
de troebelheid (Figuur 4). Dergelijke sterk
verhoogde troebelheid verhindert vervolgens de hervestiging en groei van waterplanten (Scheffer et al. 1993; Scheffer 1998).
Bij een verhoging van het nutriëntenniveau
kan de vegetatie zichzelf tot op zekere hoogte bestendigen via verschillende interacties
(Figuur 5). Waterplanten verminderen de
fytoplanktongroei rechtstreeks door competitie voor voedingsstoffen (Lürling et al.
2006) en soms door het uitscheiden van
groeiremmende stoffen (Figuur 5a). Waterplanten kunnen de heldere toestand ook stabiliseren doordat ze onrechtstreeks kunnen
bijdragen tot een verhoging van de graasdruk
IN
DE FOCUS
Natuur.focus
5(1):22-29
Figuur 4: De relatie tussen troebelheid en nutriënten,
in aan- en afwezigheid van ondergedoken vegetatie. In
een intermediair bereik van nutriëntengehaltes zijn er
twee evenwichten: een evenwicht mét en een
evenwicht zonder vegetatie. De ‘kritische troebelheid’
geeft aan bij welk niveau van troebelheid
waterplantenvegetaties als gevolg van gebrek aan
licht verdwijnen. De peilen tonen de richting van
verandering aan wanneer het systeem zich niet in één
van beide alternatieve evenwichen bevindt (naar
Scheffer et al. 1993).
op fytoplankton en perifyton (dit is een laagje van op waterplanten groeiende algen, protisten en bacteriën).Waterplantenvegetaties
zijn immers essentieel voor een succesvolle
recrutering van roofvissen zoals snoek.Wanneer talrijk aanwezig kan snoek de populatiedichtheid van andere vissoorten verlagen.
Zoöplanktonetende vissen jagen op het zicht
en eten daarom vooral het in het oog springend groot zoöplankton (Brooks & Dodson
1965). Groot zoöplankton (zoals de watervlo
Daphnia; Figuur 6) is efficiënter in het onderdrukken van algengroei dan klein zoöplankton (Declerck et al. 1997).Vissen die macroinvertebraten eten (zoals zeelt) kunnen
nadelig zijn voor waterplanten doordat ze
onder andere jagen op slakken die efficiënt
zijn in het afgrazen van perifyton. Perifyton
kan de groei en overlevingskansen van
waterplanten verminderen doordat het een
dikke laag op de waterplanten vormt en zo
het aanbod aan licht vermindert (Jones &
Sayer 2003). Predatie door snoek kan dus tot
een verhoogde begrazing van het fytoplankton en perifyton leiden en op die manier de
groei van waterplanten bestendigen (Figuur
5a). Verder beschermt vegetatie ook op
direkte wijze groot zoöplankton doordat het
een schuilplaats biedt tegen zoöplanktonetende vis (Burks et al. 2001). Waterplanten
vormen ook een buffer tegen vertroebeling
doordat ze de bodem bedekken. Dit vermindert opwoeling van sedimenten door golfwerking of bodemwoelende vissen (Figuur
5b).
In troebele vijvers wordt de groei van ondergedoken waterplanten beperkt door een
23
24
Natuur.focus
5(1):22-29
IN
DE FOCUS
gebrek aan licht. Een beperkt lichtaanbod is
een sleutelmechanisme dat het troebel
evenwicht in ondiepe vijvers stabiliseert
(Figuur 5). Fytoplankton wordt minder in z’n
groei beperkt door troebelheid dan ondergedoken waterplanten doordat het in de hogere, meer lichtrijke delen van de waterkolom
kan groeien. Naast lichtbeperking zijn er verschillende bijkomende interacties die bijdragen tot de stabilisatie van het troebele evenwicht. De troebele toestand wordt doorgaans gekenmerkt door een visgemeenschap
gedomineerd door grote soorten zoals brasem, karper, giebel en kolblei (Figuur 5b).
Dergelijke grote bodemwoelende vissen stabiliseren in ondiepe meren de troebele toestand doordat ze slib opwoelen en doordat
ze waterplanten beschadigen (Zambrano et
al. 2001; Scheffer et al. 2003). Het opwoelen
van slib zorgt ook voor een aanrijking van
nutriënten in de waterkolom, hetgeen algengroei bevordert. Verder kunnen deze vissen
grote aantallen juvenielen voortbrengen
met een hoge predatiedruk op groot zoöplankton tot gevolg. Onder troebele toestanden hebben deze vissen ook minder te
lijden onder predatie door snoek, aangezien
snoek slechts goed gedijt en foerageert in de
aanwezigheid van vegetatie (Figuur 5b).
Daarnaast bevordert een hoge watertroebelheid ook de kans op de bloei van blauwwieren. Blauwwieren (of cyanobacteriën) zijn
eigenlijk bacteriën met bladgroen die in de
competitie voor licht in het voordeel zijn ten
opzichte van ander fytoplankton. Cyanobacteriën kunnen op hun beurt dan weer de
watertroebelheid bevorderen doordat ze
meer licht kunnen vangen (Scheffer et al.
1997) en doordat ze veelal giftig en slecht
STEVEN DECLERCK, FRANK VAN DE MEUTTER
& LUC DE MEESTER
ONDIEPE VIJVERS EN MEREN
verteerbaar zijn voor zoöplankton (Gliwicz &
Lampert 1990).
In afwezigheid van vegetatie wordt het sediment van troebele vijvers vaak bedekt door
een zuurstofloze, half-vloeibare laag van slib
die gevormd wordt door de ontbinding van
afgestorven fytoplankton. Dergelijk slib is
ongunstig voor de kieming en het wortelen
van waterplanten. Bovendien wordt dit losse
slib gemakkelijk opnieuw opgewoeld door
golven of door vissen, waardoor het bijdraagt
tot de troebelheid van de waterkolom. Door
lage zuurstofconcentraties wordt tevens de
chemische binding van fosfaat in het sediment bemoeilijkt en wordt de vrijstelling van
deze nutriënten naar de waterkolom bevorderd (Søndergaard et al. 2003).
De ecologische meerwaarde
van ondergedoken
watervegetatie
Naast de belangrijke functionele rol van
ondergedoken watervegetatie in ondiepe
meren en vijvers, is er ook een verband tussen de aanwezigheid van waterplanten en de
samenstelling en soortenrijkdom van andere groepen van organismen. Zo worden biotopen met waterplanten veelal gekenmerkt
door rijkere gemeenschappen aan ongewervelden (insecten, wormen, mijten, molluscen, zoöplankton…), zowel in termen van
biomassa als in aantal soorten (Hargeby et
al. 1994; Declerck et al. 2005; Van de Meutter 2005). Dit is waarschijnlijk een gevolg van
een hogere structurele diversiteit en van de
functie van onderwatervegetatie als schuilplaats tegen predatie. Ondergedoken vegetatie is tevens van belang voor trekkende
eenden, koeten, ralachtigen en zwanen, die
zich met waterplanten of macro-invertebraten voeden. Op vegetatieloze vijvers zijn
daarentegen doorgaans enkel de dichtheden
van visetende vogels hoog (Scheffer 1998).
Een afname van ondergedoken vegetatie kan
een sterke afname van de aantallen trekvogels tot gevolg hebben (Hanson & Butler
1994). Ook voor broedvogels is ondergedoken vegetatie belangrijk, omdat de dichtheid
aan invertebraten geassocieerd met waterplanten bepalend kan zijn voor het overlevingssucces van kuikens (Scheffer 1998).
Implicaties voor het beheer:
verarming en Actief Biologisch
Beheer
Het overgrote deel van de Vlaamse ondiepe
vijvers vertoonde oorspronkelijk een helderwatertoestand. Omwille van de ecologische
meerwaarde van de helderwatertoestand,
streeft beheer dat gericht is op het herstel
van oorspronkelijke natuurwaarden overwegend de heldere evenwichtstoestand na. Om
een overgang van de troebele naar de heldere toestand te bewerkstelligen, kunnen verschillende maatregelen worden genomen.
Aangezien eutrofiëring de belangrijkste oorzaak is van de grootschalige vertroebeling
van ondiepe vijvers, en doordat een stabiele
helderwatertoestand niet haalbaar is bij een
te hoge nutriëntenbelasting, is het terugdringen van de nutriëntengehaltes een zeer
voor de hand liggende maatregel (Jeppesen
et al. 2005). Dergelijke vermindering van
nutriënten kan via verschillende ingrepen
worden bewerkstelligd, zoals een doorgedreven (chemische of biologische) waterzuivering, een hydrologische afzondering ten
opzichte van vervuilde oppervlaktewateren
golfslag
roofvis
2
bodemwoelende vis
planktivore vis
Bodemopwoeling
z o öplankton
fytoplankton
WATERPLANTEN
beschikbare
nutriënten
1
TROEBELHEID
“ e e t b a r e ” algen
roofvis
cyanobacteri ë n
WATERPLANTEN
TROEBELHEID
Figuur 5:Vereenvoudigde schemas van enkele belangrijke interacties die verantwoordelijk zijn voor het stabiliseren van de alternatieve toestanden in ondiepe vijvers en meren.
Rode pijlen duiden op negatieve en groene pijlen op positieve effecten. Grijze pijlen geven samenvattend het verloop van belangrijke terugkoppelingsmechanismen weer die de
heldere toestand stabiliseren. Figuur 5a: (1) Waterplanten hebben via directe en indirecte mechanismen (zie tekst) een negatieve invloed op algen. Hier hebben ze voordeel bij
aangezien dit tot een verlaging van de troebelheid van het water leidt; (2) Terugkoppelingsmechanisme waarbij waterplanten onrechtstreeks zichzelf bestendigen doordat ze een
geschikt habitat vormen voor snoek. Dit leidt tot een toegenomen zoöplanktongraasdruk op het fytoplankton doordat er minder zoönktonetende vis is. Figuur 5b:Waterplanten
werken een vermindering van bodemopwoeling in de hand, rechtstreeks doordat ze de bodem fysiek bedekken en golfwerking tegengaan, en onrechtstreeks doordat ze een
negatieve invloed hebben op bodemwoelende vissen.
ONDIEPE VIJVERS EN MEREN
en de verwijdering van het nutriëntenrijk
bodemslib. Als gevolg van de fundamentele
wijziging in voedselwebstructuur die door
eutrofiëring wordt veroorzaakt, en de daarmee gepaard gaande zelfversterkende
mechanismen (zie eerder), blijft het succes
van nutriëntenverarming in de praktijk dikwijls beperkt. De troebele toestand handhaaft zich zelfs wanneer nutriëntengehaltes
worden teruggebracht tot een niveau dat
lager is dan dat van vóór de eutrofiëring
(Figuur 4). Een bijkomende ingreep in het
voedselweb is daarom veelal noodzakelijk.
Actief biologisch beheer (ABB) (Gulati et al.
1990; Meijer et al. 1999; Gulati & van Donk
2002) is een techniek die wordt toegepast
om de omslag van troebel naar helder water
in geëutrofieerde vijvers te bewerkstelligen,
en kan als een toepassing van de theorie van
de alternatieve evenwichten worden
beschouwd. Dergelijk herstelbeheer komt in
essentie neer op een schoktherapie, waarbij
gepoogd wordt de voedselwebstructuur die
kenmerkend is voor de troebele toestand
(dominantie door algen, zoöplanktonetende
en bodembewonende vis) te doorbreken en
op een drastische manier te veranderen in
andere levensgemeenschappen die kenmerkend zijn voor de heldere toestand. ABB
houdt in de praktijk vooral een manipulatie
van het visbestand in omdat het visbestand
een doorslaggevende rol speelt in de handhaving van de troebele toestand en omdat
het visbestand een voedselwebcomponent
is die, anders dan algen en zoöplankton, relatief gemakkelijk kan worden gemanipuleerd
(Box 1). Bij ABB worden planktonetende en
bodemwoelende vissen verwijderd, terwijl
Figuur 6: Zoöplankton. De watervlo Daphnia magna,
een efficiënte grazer op algen met een potentieel
grote impact op de waterhelderheid (foto: Joachim
Mergeay).
STEVEN DECLERCK, FRANK VAN DE MEUTTER
& LUC DE MEESTER
het bestand aan roofvis, in het bijzonder
snoek,wordt begunstigd.Een afname van het
aantal zoöplanktonetende vissen resulteert
immers in een verminderde predatiedruk op
groot zoöplankton. Hierdoor kunnen zich
dense populaties van groot, efficiënt op
algen grazend zoöplankton (Daphnia) ontwikkelen, met een verheldering van het
water als gevolg.Verder resulteert de verwijdering van bodembewonende vissen in een
verminderde omwoeling van bodemslib en
plantenvraat.Van essentieel belang voor het
succes van biomanipulatie is dat zich, kort na
de ingreep,vanuit de zaadbank een onderwatervegetatie ontwikkelt als gevolg van de tijdelijke verheldering van het water. Deze
vegetatie kan dan via de reeds beschreven
terugkoppelingsmechanismen de heldere
toestand stabiliseren (Meijer et al. 1999).
Concrete aanbevelingen voor
waterbeheerders
Bij vegetatierijke vijvers en meren die nog
niet erg onder eutrofiëring hebben geleden
dient het beheer vooral preventief te zijn en
in eerste instantie betekent dit het weren van
negatieve externe invloeden, zoals een
invoer van nutriënten, herbiciden en slib.
Onoordeelkundige bepotingen met vis moeten zeker worden vermeden. Bij grootschalige bepotingen met zoöplanktivore en
bodembewonende vis is een hoge natuurwaarde van de vijver immers niet te handhaven. Hengelpraktijken waarbij nutriëntenrijke lokmiddelen worden gebruikt, worden
best geweerd. In systemen die reeds hun
vegetaties gedeeltelijk of geheel door verrijking verloren hebben, kan men voor herstelmaatregelen opteren.
Creëren van geschikte randvoorwaarden
Herstelmaatregelen kunnen slechts op duurzame wijze succesvol zijn indien de geschikte
randvoorwaarden worden gecreëerd. Effecten
van eutrofiëring kunnen immers slechts efficiënt worden bestreden als eerst de oorzaken
worden aangepakt. Dit kan in eerste instantie
door de aanvoer van vervuild of nutriëntenrijk
water te reduceren (Jeppesen et al. 2005).
Soms kan dit op een eenvoudige en zeer effectieve manier worden gerealiseerd door verbindingen met andere geëutrofieerde systemen
af te sluiten. Soms laat de hydrologische context dergelijke ingrepen evenwel niet toe en
dient een vorm van waterzuivering te worden
overwogen. Diffuse verontreiniging vanuit
omliggende percelen kan eventueel worden
tegengegaan via de aanleg van bufferzones.
Indien mogelijk is het uiteraard het beste om
de bronnen van eutrofiëring op schaal van het
stroomgebied aan te pakken.
IN
DE FOCUS
Natuur.focus
5(1):22-29
Herstelmaatregelen: Actief Biologisch
Beheer
Het visbestand is de voedselwebcomponent
die het gemakkelijkst kan worden gemanipuleerd. Concreet bestaan de meest effectieve
beheersmaatregelen dan ook uit een drastische verwijdering van het bestand aan zoöplanktonetende en bodembewonende vis
zoals karper, brasem, kolblei, en giebel, maar
ook kleinere soorten als blankvoorn, zonnebaars en juveniele baars (Figuur 7a). Opdat
de maatregelen kans op succes zouden hebben dient in de regel minstens 70 en bij voorkeur zelfs meer dan 90% van het oorspronkelijke visbestand te worden verwijderd (tot
minder dan 50 kg/ha; Gulati & van Donk
2002). Vispopulaties hebben immers een
grote capaciteit tot snel herstel. De drastische afvissing zal derhalve niet resulteren in
het verdwijnen van de vis uit het systeem, en
dat is ook niet de bedoeling. Het is de bedoeling om via een schoktherapie een omslag
van het systeem naar de helderwatertoestand te realiseren. Eens deze biotoopverandering is opgetreden, zal het visbestand zich
herstellen en een nieuw evenwicht bereiken,
met relatief lage densiteiten aan zoöplanktonetende en bodembewonende vissen, en
relatief hoge densiteiten aan roofvissen.
Begeleidende maatregelen
De kans op een succesvol herstelbeheer kan
worden vergroot via begeleidende maatregelen, zoals onder meer het verwijderen van
de sliblaag, het introduceren van snoek en
het aanplanten van waterplanten.
– Het verwijderen van de sliblaag via baggerwerken of afgravingen (na drooglegging) is een dure operatie die evenwel
essentieel kan zijn voor het herstel van de
watervegetaties in sterk verrijkte waters.
Om doeltreffend te zijn dient de verwijdering van slib grondig, tot op het mineraal
substraat en over de gehele vijveroppervlakte, te gebeuren. Wel dient er voor
gezorgd te worden dat een eventuele
zaadvoorraad in de oppervlakkige laag van
het mineraal substraat niet tezamen met
het slib wordt verwijderd.
– Introductie van snoekbroed (Figuur 7b)
kan nuttig zijn als middel om een succesvol herstel van ongewenste vissoorten te
verhinderen. In tegenstelling tot bij drooglegging (zie onder) resulteren afvissingen
zelden in de volledige verwijdering van vispopulaties. Een verwijdering van een groot
deel van de populatie resulteert in een
sterk verminderde competitie voor voedsel tussen en binnen soorten. Doordat vissoorten als karper en brasem bijzonder
hoge aantallen eitjes kunnen produceren,
25
26
Natuur.focus
5(1):22-29
IN
DE FOCUS
ONDIEPE VIJVERS EN MEREN
Figuur 7: Ingrepen die de helderwatertoestand bevorderen: (a) het afvissen van een groot deel van het
zoöplanktonetend en bodembewonend visbestand; (b) bepoting met snoekjuvenielen die jagen op het broed van
ongewenste vissen (foto’s: Luc De Meester en Rollin Verlinde/Vildaphoto).
brengt dit het gevaar met zich mee dat de
resterende individuen zich in het eerstvolgende groeiseizoen succesvol kunnen
voorplanten nog voordat de heldere toestand is gestabiliseerd. Als de omstandigheden gunstig zijn kan een voldoende grote populatie van opgroeiende snoek dergelijk herstel gedurende enige tijd onderdrukken. Het succes van snoekintroducties is evenwel wisselvallig en afhankelijk
van vele factoren.
– In systemen waar de oorspronkelijke vegetatie als gevolg van eutrofiëring volledig is
verdwenen kan het herstelproces soms
bespoedigd worden via de inbreng van
waterplanten kort na de ingreep.Uiteraard
dienen daartoe steeds streekeigen planten te worden gebruikt. Indien er nog een
redelijke kans op de aanwezigheid van een
oorspronkelijke zaadbank bestaat, geeft
men best deze zaadbank eerst een kans
vooraleer over te gaan tot het invoeren
van waterplanten.
De kans dat bovengenoemde begeleidingsmaatregelen effect hebben is klein indien ze
als alleenstaande maatregel worden uitgevoerd. Wanneer ze evenwel samen worden
uitgevoerd met de verwijdering van een aanzienlijk deel van het visbestand, kunnen de
verschillende maatregelen elkaar versterken
in het doorbreken van de troebele stabiele
toestand (Box 1).
Herstelbeheer via drooglegging
Een groot aantal vijvers in Vlaanderen werd
oorspronkelijk gecreëerd voor de viskweek.
Deze vijvers zijn zo gemaakt dat ze op een
goedkope en efficiënte manier kunnen worden afgevist via drooglegging (Burny 1999).
In sommige gevallen kan drooglegging
STEVEN DECLERCK, FRANK VAN DE MEUTTER
& LUC DE MEESTER
nefast zijn voor populaties van zeldzame vissoorten, maar meestal kan een groot deel
van dergelijke populaties worden gerecupereerd en op andere plaatsen worden uitgezet. Bij het heruitzetten van vis dient er
steeds op te worden gelet dat dit niet neerkomt op een verplaatsing van het probleem.
Het spreekt voor zich dat de verwijdering van
een problematisch visbestand voor het herstel van de ene vijver geen zin heeft als dit
leidt tot de degradatie van een andere vijver.
Bij dergelijke translocaties dient bovendien
de verspreiding van niet-inheemse vissoorten (blauwbandgrondel, zonnebaars, Amerikaanse dwergmeerval) te worden vermeden
(Louette et al. 2004). Drooglegging heeft
trouwens, naast de voordelen van een verwijdering van het visbestand, ook verschillende andere heel belangrijke positieve
effecten, doordat het verlanding tegengaat
(bodemverdichting, verhoogde zuurstoftoevoer naar en compostering van de sliblaag),
de kieming van plantenzaden bevordert en
bijdraagt tot een natuurlijke verwijdering
van nutriënten.
Droogzetting kan tijdelijk nadelig zijn voor
macro-invertebraten die niet over droogteresistente ruststadia beschikken. Voor sterk
geïsoleerde systemen is naar de effecten van
droogzetting nog niet veel onderzoek
gebeurd, maar in waterrijke gebieden met
onderling verbonden systemen blijkt de
dichtheid en diversiteit van de macro-invertebratengemeenschap (libellen, waterwantsen, waterkevers,…) eerder een positieve dan
een negatieve reactie te vertonen wanneer
alternerend een deel van de vijvers wordt
droog gezet (Van de Meutter et al. 2006).
Belangrijk is wel dat er steeds een aantal
geschikte vijvers aanwezig zijn van waaruit
de herstelde vijvers kunnen worden geherkoloniseerd.
Visbepoting na beheersingreep
Met uitzondering van snoek is bepoting met
vis na afvissen zelden nodig omdat van alle
soorten doorgaans genoeg individuen overblijven om de populaties te behouden. Na
droogzetting kan wel een gecontroleerde
herintroductie van vis worden overwogen.
De aanwezigheid van vis dient evenwel niet
in alle gevallen als noodzakelijk te worden
beschouwd, zeker niet in kleinere vijvers en
poelen. Visloze habitats herbergen immers
vaak een erg karakteristieke en soms ook
zeldzame insecten- (De Knijf & Anselin 1996;
Johansson & Brodin 2003) en amfibieënfauna (Hecnar & McLoskey 1997). In ieder geval
dient de introductie van vis te worden vermeden in systemen die van nature visloos
zijn (bvb. vennen).
STEVEN DECLERCK, FRANK VAN DE MEUTTER
& LUC DE MEESTER
ONDIEPE VIJVERS EN MEREN
IN
DE FOCUS
Natuur.focus
5(1):22-29
Box 1: Een voorbeeld van Actief Biologisch Beheer in Vlaanderen
Hoewel de toepassing van ABB in Vlaanderen nog niet goed is ingeburgerd, werd vanaf de tweede helft van de jaren negentig door het
Laboratorium voor Aquatische Ecologie reeds met deze methode geëxperimenteerd in het kader van een aantal studie- of herstelprojecten (Declerck et al. 2001; Vandekerkhove et al. 2003; Van de Meutter 2005). Zo werden onder meer de effecten van herstelbeheer op een
vijver van het Blankaartdomein (de ‘Visvijver’) gedurende de periode 1995-2000 opgevolgd.
Voordat herstelmaatregelen werden uitgevoerd bevond de Visvijver zich in een troebele toestand. De vijver was volledig omringd door hoge
populieren en op de vijverbodem had zich, onder meer als gevolg van bladval, een dikke laag organisch slib opgestapeld. Hoewel de vijver
tijdens de winter van 1994-1995 grotendeels werd ontslibd, bleef de vijver tijdens 1995 gekenmerkt door een relatief hoog gehalte aan
zwevende stoffen en algen. Bij zowat de helft van de waarnemingen dat jaar was de vijverbodem onzichtbaar. Het visbestand werd gedomineerd door blankvoorn en rietvoorn (meer dan 65% van de totaal geschatte visbiomassa), en werd gekenmerkt door een laag aandeel
aan snoek (minder dan 10% van de visbiomassa). Op waterlelie na waren waterplanten afwezig. Tijdens de winter van 1995-1996 werd
ongeveer 87% van het oorspronkelijke visbestand verwijderd. De daaropvolgende lente werden 175 snoekjuvenielen uitgezet (Figuur 7).
De daaropvolgende jaren (1996-1997 en 1997-1998) werden gelijkaardige ingrepen uitgevoerd (De Smedt et al. 1998). De populieren
rond de vijver werden tijdens de winter van 1996-1997 gerooid.
De eerste ABB-maatregelen in de Visvijver werden onmiddellijk gevolgd door sterke verschuivingen in de structuur van het voedselweb. In
vergelijking met de situatie van vóór de ingrepen werd een sterke afname in het gehalte aan zwevende stoffen, nutriënten en fytoplankton waargenomen. Dit ging gepaard met een sterke toename van de helderheid van het water en een spectaculaire toename van vegetaties van ondergedoken waterplanten, in het bijzonder van kranswieren (Chara globularis; Rommens & Van Assche 1998). Het visbestand
recupereerde snel na de afvissing via recrutering. Dit verhinderde evenwel de vestiging van waterplanten niet. Alhoewel de bedekkingsgraad met waterplanten tijdens de laatste jaren een tendens vertoonde tot afname en sterke schommelingen kan vertonen tussen jaren,
blijkt de vijver tot op vandaag, 10 jaar na de eerste herstelmaatregelen, gekenmerkt door overwegend helder water en een ondergedoken
waterplantenvegetatie (Floris Verhaege, persoonlijke mededeling). Wegens de hoge belasting met fosfaten en slib, onder meer als gevolg
van overstromingen vanuit de Blankaartvijver tijdens regenrijke periodes, is het behoud van de heldere toestand in deze vijver op langere
termijn zeker niet gewaarborgd (Luc Denys, persoonlijke mededeling).
PO4-P (mg/l)
Zwevende stoffen (mg/l)
Bedekkingsgraad (%)
Figuur bij Box 1: Zwevende stoffen, opgeloste fosfaten, en de samenstelling en bedekkingsgraad van de waterplantenvegetatie vóór (1995) en na (1996-2000) de
herstelmaatregelen in de ‘Visvijver’ van het natuurreservaat ‘De Blankaart’.
27
28
Natuur.focus
5(1):22-29
IN
DE FOCUS
Precies omdat vissen zo een belangrijke
impact hebben op de structuur van een stilstaand water dient bepoting steeds op voorhand grondig te worden onderzocht. Best
wordt eerst een totaalvisie voor het beheer
van het systeem ontwikkeld. Het visbestandsbeheer behoort in functie van deze
totaalvisie te worden uitgestippeld. Hierbij
dient ook te worden nagedacht over hoe
eventuele bijsturingen praktisch kunnen
worden verwezenlijkt. Bronpopulaties dienen in ieder geval streekeigen te zijn en grondig te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van exoten.
Waterpeilbeheer
Waterpeilschommelingen in plassen, vijvers
en meren zijn een natuurlijk fenomeen.Zeker
in systemen waar waterpeilschommelingen
van nature voorkomen dienen deze eerder
behouden dan tegengewerkt te worden
omdat ze de successie in de vegetatie
gedeeltelijk kunnen terugschroeven in het
voordeel van ondergedoken waterplanten
(Van Geest et al. 2005a,b). Het is in vele
gevallen goed dat een vijver gedurende een
deel van het jaar gedeeltelijk droog staat.
Dergelijke tijdelijke droogstand gaat verlanding tegen en kan onder de juiste randvoorwaarden voordelig zijn voor typische, zeldzame vegetaties (o.a. Oeverkruid, Dwergbies,
STEVEN DECLERCK, FRANK VAN DE MEUTTER
& LUC DE MEESTER
ONDIEPE VIJVERS EN MEREN
Borstelbies; voor meer informatie over het
herstelbeheer van zwak gebufferde systemen verwijzen we onder meer naar Brouwer
et al. 1996).
De noodzaak van een strategische aanpak
Indien een beheerder een groter aantal
ondiepe vijvers of meren onder zijn bevoegdheid heeft dient hij zijn middelen zo efficiënt
mogelijk aan te wenden. Het is van belang
dat herstelmaatregelen prioritair worden
uitgevoerd in systemen die het meest kans
maken op succesvol herstel. Een degelijke
voorstudie biedt de beste garanties op juiste beslissingen. Vooraleer tot herstelbeheer
wordt overgegaan dienen een aantal belangrijke vragen te worden beantwoord: In welke
toestand bevindt het systeem zich? Welke
zijn de cruciale kenmerken van het systeem:
nutriëntengehaltes, waterhelderheid, bedekkingsgraad van watervegetaties, samenstelling en dichtheid van het visbestand, de slibdikte… Zijn er bijzondere natuurwaarden
aanwezig? Is het verminderen van interne en
externe nutriëntenbronnen haalbaar? Kan
het visbestand worden gemanipuleerd of
verwijderd?
Herstelbeheer kan ook succesvol zijn zelfs
indien niet onmiddellijk iets aan de nutriëntentoevoer kan worden gedaan. Algemeen
geldt dat hoe kleiner een vijver, hoe groter de
SUMMARY BOX:
DECLERCK S., VAN DE MEUTTER F. & DE MEESTER L. 2006. Shallow lakes
and ponds. Ecological backgrounds and management recommendations. Natuur.focus 5 (1): 22-29.
The intensified use of fertilizers and the increased pollution through
untreated domestic waste water has resulted in a strong increase in
the nutrient levels of Flemish surface waters during the 20th century. In many ponds and lakes, this has resulted in a shift from a
clear water state to a turbid water state. As a consequence, water
plants and associated fauna have disappeared in many cases. In this
kans op succesvol herstelbeheer. Bij hoge
nutriëntenniveau’s zijn de effecten van herstelmaatregelen evenwel meestal maar tijdelijk. Indien geen duurzame oplossing voor
de aanvoer van nutriënten bestaat kan nog
steeds geopteerd worden voor een herhaalde toepassing van ABB, waarbij de frekwentie van de ingreep wordt afgestemd op de
resultaten (bvb om de 4-7 jaar). Dergelijk
beheer is dan vergelijkbaar met andere
beheersvormen die natuurlijke successie of
verrijking van systemen proberen tegen te
gaan (e.g plaggen, maaibeheer…), en kan
vooral in vijvers die gemakkelijk kunnen worden drooggezet.
De publieke opinie
Het droogzetten of afvissen van een vijver
trekt snel de aandacht en lokt vaak ook
afkeuring uit bij het publiek.Vooral op publiek
toegankelijke waters is het derhalve van het
grootste belang dat de verschillende geledingen van omwonenden, visserijverenigingen,
reservaatbezoekers, andere belanghebbenden goed worden voorgelicht over de doelstellingen en het nut van de geplande ingrepen. Tevens is een grondige logistieke voorbereiding noodzakelijk zodat alle maatregelen snel en efficiënt kunnen worden uitgevoerd en onnodig dierenleed kan worden
voorkomen.
paper, we explain the fundamental difference between transparent
vegetated systems and systems that are turbid and devoid of water
plants. We give a theoretical overview of the most important factors and processes that determine the structure and dynamics of
freshwater communities. We also discuss the importance of aquatic vegetation for the species richness and conservation value of
aquatic communities. Finally, we give a number of recommendations that may help to maintain or restore the clear water state in
lakes and ponds.
ONDIEPE VIJVERS EN MEREN
STEVEN DECLERCK, FRANK VAN DE MEUTTER
& LUC DE MEESTER
DANK:
Het Laboratorium voor Aquatische Ecologie kreeg de gelegenheid
expertise te verwerven in de studie en het beheer van ondiepe vijvers en meren dankzij verschillende door de Vlaamse overheid
gesubsidieerde projecten, zoals het TWOL-project IN/KD/98.002,
diverse AMINAL projecten op herstelbeheer van de vijvers van het
natuurreservaat De Blankaart en De Kraenepoel (AMINAL/NA/99;
AMINAL/NA/OV/2000.028; AMINAL/NA/OVL/00/03), en de VLINA-projecten VLINA C97/03 en VLINA00/06. We danken de talrijke enthousiaste medewerkers en studenten die hebben deelgenomen aan het veldwerk. Wouter Rommens leverde ons de gegevens
van de vegetatie-ontwikkeling in de Visvijver (De Blankaart, Woumen). We zijn ook het Instituut voor Natuurbehoud, Natuurpunt
vzw en de eigenaars en conservators van het Blankaartreservaat, De
Kraenepoel en De Maten erkentelijk voor hun ondersteuning en
constructieve medewerking. Luc Denys en Koenraad Muylaert
gaven constructieve commentaren op een eerdere versie van dit
artikel.
AUTEURS:
Steven Declerck is postdoctoraal onderzoeker bij het
FWO-Vlaanderen. Frank Van de Meutter geniet van een
postdoctoraal mandaat van de K.U.Leuven. Luc De
Meester is hoogleraar in ecologie en evolutionaire
biologie aan de K.U.Leuven. Alle auteurs zijn verbonden
aan het Laboratorium voor Aquatische Ecologie van de
K.U.Leuven.
CONTACT:
Steven Declerck, Laboratorium voor Aquatische Ecologie,
K.U.Leuven, Ch. de Bériotstraat 32, B-3000 Leuven.
[email protected];
http://www.kuleuven.ac.be/bio/eco
Referenties
Brooks J.H. & Dodson S.I. 1965. Predation, body size, and composition of plankton. Science 150: 28-35.
Brouwer E., Bobbink R., Roelofs J.G.M. & Verheggen G.M. 1996. Effectgerichte maatregelen tegen verzuring en eutrofiëring van oppervlaktewateren. Rapport Katholieke Universiteit Nijmegen, Nijmegen.
Burks R.L., Jeppesen E. & Lodge D.M. 2001. Littoral zone structures as Daphnia refugia against fish predators. Limnology and Oceanography 46: 230-237.
Burny J. 1999. Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse Kempen (1910-1950). Tweehonderd gesprekken samengevat. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Natuurhistorisch Genootschap
in Limburg, Nederland.
Declerck S., De Meester L., Podoor N. & Conde Porcuna J.M. 1997.The relevance of size efficiency to biomanipulation theory: a field test under hypertrophic conditions. Hydrobiologia 360: 265-275.
Declerck S., De Meester L., Geenens V., Vyverman W., Rommens W. & Decleer K. 2001. Experimenteel
ecologisch onderzoek naar de herstelkansen van het aquatisch ecosysteem van de Blankaart door
hydrologische isolatie en voedselwebmanipulatie. Rapport K.U.Leuven van het TWOL-project
IN/KD/98.002, Leuven.
Declerck S., Vandekerkhove J., Johansson L., Muylaert K., Conde-Porcuna J.M., Van der Gucht K., Martinez C.P., Lauridsen T., Schwenk K., Zwart G., Rommens W., Lopez-Ramos J., Jeppesen E.,Vyverman W.,
IN
DE FOCUS
Natuur.focus
5(1):22-29
Brendonck L. & De Meester L. 2005. Multi-group biodiversity in shallow lakes along gradients of phosphorus and water plant cover. Ecology 86: 1905-1915.
De Knijf G. & Anselin A. 1996. Een gedocumenteerde Rode Lijst van de libellen van Vlaanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 4: 1-90.
De Smedt P., Declerck S., Vyverman W., Decaestecker E., De Meester L. & Ollevier F. 1998. Hydrobiologisch onderzoek in het erkend natuurreservaat ‘De Blankaart’. Rapport K.U.-Leuven in opdracht van
AMINAL (Afdeling Natuur) & ‘Ecologisch Impulsgebied Ijzervallei’, Leuven.
Gliwicz Z.M. & Lampert W. 1990. Food thresholds in Daphnia species in the absence and presence of
blue-green filaments. Ecology 71: 691-702.
Gulati R.D., Lammens E.H.R.R., Meijer M.-L. & Van Donk E. (red.) 1990. Biomanipulation - Tool for water
management. Hydrobiologia 200/201.
Gulati R.D. & Van Donk E. 2002. Lakes in The Netherlands, their origin, eutrophication and restoration:
state-of-the-art review. Hydrobiologia 478:73-106.
Hanson M.A. & Butler M.G. 1994. Responses to food web manipulation in a shallow waterfowl lake.
Hydrobiologia 280: 457-456.
Hargeby A., Andersson G., Blindow I. & Johansson S. 1994. Trophic web structure in a shallow eutrophic
lake during a dominance shift from fytoplankton to submerged macrophytes. Hydrobiologia 280: 8390.
Hecnar S.J. & McLoskey R.T. 1997. The effects of predatory fish on amphibian species richness and distribution. Biological Conservation 79: 123-131.
Jeppesen E., Søndergaard M. & Christoffersen K. (red.) 1997. The structuring role of submerged macrophytes in lakes. Ecological Studies. Springer Verlag, New York.
Jeppesen E., Sondergaard M., Jensen J.P., Havens K.E., Anneville O., Carvalho L., Coveney M.F., Deneke R.,
Dokulil M.T., Foy B., Gerdeaux D., Hampton S.E., Hilt S., Kangur K., Kohler J., Lammens E.H.H.R, Lauridsen T.L., Manca M., Miracle M.R., Moss B., Noges P., Persson G., Phillips G., Portielje R., Schelske C.L.,
Straile D., Tatrai I., Willen E. & Winder M. 2005. Lake responses to reduced nutrient loading - an analysis of contemporary long-term data from 35 case studies. Freshwater Biology 50: 1747-1771.
Johansson F. & Brodin T. 2003. Effects of fish predators and abiotic factors on dragonfly community
structure. Journal of Freshwater Ecology 18: 415-424.
Jones J.I. & Sayer C.D. 2003. Does the fish-invertebrate-periphyton cascade precipitate plant loss in shallow lakes? Ecology 84: 2155-2167.
Louette G., Declerck S., Van Thuyne G. & De Meester L. 2004. De Bruine Amerikaanse dwergmeerval in
Vlaanderen: historiek, ecologie en beheer. Natuur.focus 3: 46-50.
Lürling M., van Geest G., Scheffer M. 2006. Importance of nutrient competition and allelopathic effects
in suppression of the green alga Scenedesmus obliquus by the macrophytes Chara, Elodea and Myriophyllum. Hydrobiologia 556: 209-220.
Meijer M.L., de Boois I., Scheffer M., Portielje R. & Hosper H. 1999. Biomanipulation in shallow lakes in
The Netherlands: an evaluation of 18 case studies. Hydrobiologia 409: 13-30.
Rommens W. & Van Assche J. 1998. Ecologisch onderzoek in het erkend natuurreservaat ‘De Blankaart’.
Studie van de macrofyten en zaadbank in het vijvercomplex van de Blankaart en de nabije omgeving
van het Blankaartgebied. Rapport K.U.-Leuven in opdracht van AMINAL (Afdeling Natuur) & Ecologisch Impulsgebied Ijzervallei, Leuven.
Scheffer M. 1998. Ecology of shallow lakes. Chapman & Hall.
Scheffer M., Hosper S.H., Meijer M.-L., Moss B. & Jeppesen E. 1993.Alternative equilibria in shallow lakes.
Trends in Ecology and Evolution 8: 275-279.
Scheffer M., Rinaldi S., Gragnani A, Mur L.R. & van Nes E.H. 1997. On the dominance of filamentous cyanobacteria in shallow, turbid lakes. Ecology 78: 272-282.
Scheffer M., Portielje R., Zambrano L. 2003. Fish facilitate wave resuspension of sediment. Limnology
and Oceanography 48: 1920- 1926.
Søndergaard M., Jensen J.P. & Jeppesen E. 2003. Role of sediment and internal loading of phosphorus
in shallow lakes. Hydrobiologia 506:135-145.
Vandekerkhove J., Declerck S., Michels E., Gerits W., Weyns C., Niessen B. & De Meester L. 2003. Inrichting en beheer van de Kraenepoel te Aalter: ontwikkeling van zoöplankton en visfauna na herstelmaatregelen (AMINAL, afdeling Natuur). Rapport K.U.-Leuven in opdracht van AMINAL
(AMINAL/NA/OVL/00/03), Leuven.
Van de Meutter F. 2005. Local and regional processes in macroinvertebrate communities in shallow
lakes. Doctoraatsverhandeling KULeuven.
Van de Meutter F., Stoks R. & De Meester L. 2006. Rapid response of macroinvertebrates to drainage
management of shallow connected lakes. Journal of Applied Ecology 43: 51-60.
Van Geest G.J.,Wolters H., Roozen F.C.J.M., Coops H., Roijackers R.M.M., Buijse A.D. & Sheffer M. 2005a.
Water-level fluctuations affect macrophyte richness in floodplain lakes 2005. Hydrobiologia 539:
239-248.
Van Geest G.J., Coops H., Roijackers R.M.M., Buijse A.D. & Scheffer M. 2005b. Succession of aquatic vegetation driven by reduced water-level fluctuations in floodplain lakes. Journal of Applied Ecology 42:
251-260.
Vanhecke L., Charlier G. & Verelst L. 1981. Landschappen in Vlaanderen vroeger en nu:Van groene armoede naar grijze overvloed. Nationale Plantentuin van België, i.s.m. Belgische Natuur- en Vogelreservaten (BNVR), Meise.
Zambrano L., Scheffer M. & Martinez-Ramos M. 2001. Catastrophic response of lakes to benthivorous
fish introduction. Oikos 94: 344-350.
29
Download