M00BS017

advertisement
VLAAMS VERBOND VAN HET
KATHOLIEK BUITENGEWOON ONDERWIJS
Guimardstraat 1
1040 BRUSSEL
M00BS017
is bestemd voor BuBaO en BuSO
KLASSEMENT: ADM/GD/Alg. Zaken
Trefwoorden: Preventie
Bescherming
Brussel, 15 december 1999.
DE INTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP
HET WERK
Mevrouw
Mijnheer
De Wet van 4 augustus 1996 betreffende het Welzijn van de werknemers bij de uitvoering van
hun werk (Belgisch Staatsblad van 18 september 1996) bepaalt het kader waarbinnen de
reglementering inzake veiligheid en gezondheid op het werk wordt hervormd. Gezien nog niet
alle scholen vertrouwd zijn geraakt met de termen als preventieadviseur in vervanging van de
term diensthoofd veiligheid, of als Interne Dienst voor preventie en bescherming op het werk in
vervanging van het Comité voor veiligheid gezondheid, verfraaiing en mede in het licht van de
sociale verkiezingen in het jaar 2000 vonden wij het belangrijk u uitvoerig toelichting te geven
over de Interne Dienst alsmede over de preventieadviseur zelf.
De regelgeving werd gesynthetiseerd op basis van een mededeling desbetreffend van het
VVKSO. De Koninklijke besluiten die deze materie regelen vindt u in bijlage na de mededeling.
Gelieve deze mededeling te klasseren onder ADM/GD/Alg. Zaken, bij de med. VSKO van 30
oktober 1996 i.v.m. “het welzijn van de werknemer op het werk”.
Meer inlichtingen kan u bekomen bij: L. De Geyter - adviseur wetgeving BuO –
Tel. 09/269 14 82 - Fax 09/269 14 85
Met vriendelijke groeten,
K. Casaer
secretaris-generaal
2
1
ALGEMEEN
1.1
Regelgeving

Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van
hun werk (Belgisch Staatsblad van 18 september 1996).Med. VSKO 30 oktober 1996.

Koninklijk Besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de
werknemers bij de uitvoering van hun werk (Belgisch Staatsblad van 31 maart 1998).
Verder in deze tekst spreken wij van het Besluit Beleid inzake het welzijn (zie bijlagen
hierna).

Koninklijk Besluit van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor preventie en
bescherming op het werk (Belgisch Staatsblad van 31 maart 1998). In deze mededeling
spreken we van het Besluit Interne Dienst (zie bijlagen hierna)

Koninklijk Besluit van 27 maart 1998 betreffende de Externe Dienst voor preventie en
bescherming op het werk (Belgisch staatsblad van 31 maart 1998). Dit besluit benoemen
we verder het Besluit Externe Dienst (zie bijlagen hierna).

Koninklijk Besluit van 3 mei 1999 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités
voor preventie en bescherming op het werk (Belgisch Staatsblad van 10 juli 1999). Als
benaming gebruiken we verder het Besluit Comité (zie bijlagen hierna).
1.2
Gehanteerde begrippen
De volgende begrippen worden gehanteerd:

De Wet: de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de
uitvoering van hun werk;

Interne Dienst: Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk (IDPB);

Externe Dienst: Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk (EDPB);

Preventieadviseur van de interne dienst: elke natuurlijke persoon verbonden aan een
interne dienst en belast met de in punt 4 omschreven opdrachten met uitsluiting van het
administratief personeel en medisch hulppersoneel (paramedisch personeel) en van de
deskundigen die beschikken over verschillende vaardigheden die betrekking hebben op:
arbeidsveiligheid, arbeidsgeneeskunde, ergonomie, bedrijfshygiëne, de psychologische
aspecten van de arbeid;

Comité: het Comité voor preventie en Bescherming op het werk, bij ontstentenis van een
Comité, de vakbondsafvaardiging en bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, de
werknemers zelf overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de Wet (CPB);

ARAB: het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming.

DRBS: het dynamisch risicobeheersingssysteem.
3
2
De partijen betrokken bij het welzijnsbeleid
De relaties tussen de verschillende betrokken partijen en de daarmee gepaard gaande
verantwoordelijkheden kunnen als volgt worden samengevat.

De inrichtende macht als werkgever staat er voor in dat er een welzijnsbeleid wordt
gevoerd in de instellingen1 die tot haar bevoegdheid behoren. Zij moet het algemeen beleid
uitstippelen en aan het leidinggevend personeel2 instructies geven over de uitvoering van
het beleid. Zij draagt daarvoor de volledige eindverantwoordelijkheid.

De leden van de hiërarchische lijn – dat wil zeggen alle leidinggevenden – moeten ervoor
zorgen dat dit geplande beleid ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Binnen hun
bevoegdheid hebben zij bepaalde opdrachten, zoals: meewerken aan het DRBS;
arbeidsmiddelen op onregelmatigheden onderzoeken; arbeidsongevallen, onderzoeken;
zorgen voor een goede communicatie met de werknemers, zorgen voor een goede joballocatie enz…

De personeelsleden3 hebben de verplichting mee te werken aan de ontwikkeling van het
beleid dat door de inrichtende macht wordt gevoerd. Hiertoe moeten zij – rekening houdend
met hun opleiding en de door de inrichtende macht gegeven instructies – meewerken aan
de naleving van de wetgeving, gevaren signaleren en zelfs actief bijdragen tot een veilig en
gezond arbeidsmilieu. Meer in concreto hebben zij de verplichting om de arbeidsmiddelen
juist te gebruiken en de veiligheidsvoorzieningen niet uit te schakelen.

De preventieadviseur van de Interne Dienst vervult tegenover al deze partijen een
adviserende rol. Zijn specifieke taken worden nader omschreven in artikel 5 tot 10 en 12
van het Besluit Interne Dienst. Het is belangrijk te onderstrepen dat het Besluit enkel de
In het Koninklijk Besluit spreekt men altijd over ‘de onderneming’. Het begrip onderneming is
echter heel ruim. Zo verwijst men in de omzendbrief betreffende de verkiezingen voor de
ondernemingsraden en de Comités voor preventie en bescherming op het werk van 2 juni 1999 (Belgisch
staatsblad van 30 juni 1999) voor wat het begrip onderneming betreft naar de technische bedrijfseenheid,
waarbij de technische bedrijfseenheid bepaald wordt op grond van economische en sociale criteria en
waarbij ook in geval van twijfel de sociale criteria primeren. Zij worden vastgesteld in het licht van het
fundamentele belang dat de werknemers hebben bij een goede werking van de raden en de Comités. Het
kan dat deze werking niet overeenstemt met de juridische entiteit. Zulks is het geval wanneer een
bedrijfszetel gekenmerkt wordt door een bepaalde economische zelfstandigheid (ten opzichte van de
directie van de hoofdzetel) en een bepaalde sociale zelfstandigheid.
1
2
In het Koninklijk Besluit van 25 mei 1999 (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1999) betreffende de
ondernemingsraden en de Comités voor preventie en bescherming op het werk, wordt onder
leidinggevend personeel verstaan: de personen belast met het dagelijks beheer van de onderneming, die
gemachtigd zijn om de werkgever te vertegenwoordigen en te verbinden, alsmede de personeelsleden,
onmiddellijk ondergeschikt aan deze personen, wanneer zij eveneens opdrachten van dagelijks beheer
vervullen.
3
De Wet en de Uitvoeringsbesluiten spreken altijd van werknemers en van personen die gelijk
gesteld worden met werknemers. Onder deze laatste verstaat men:
- personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van
een ander persoon;
- de personen die een beroepsopleiding volgen waarin het studieprogramma voorziet in een vorm van
arbeid die al dan niet in de opleidingsinstelling wordt verricht;
- de personen verbonden met een leerovereenkomst;
- de stagiairs;
- de leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in
een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht.
4
veiligheidsdeskundigen en de arbeidsgeneesheren beschouwt4 als preventieadviseurs die
behoren tot de Interne Dienst.
3
Het begrip preventie en rol van de verschillende diensten en
instellingen
3.1.
Deskundigheid
Wanneer men preventie definieert als de deskundigheid waarover iemand beschikt om
adviezen te geven in verband met de voorkoming van risico’s en de voorkoming van schade of
de beperking van schade, kan men vaststellen dat deze deskundigheid aanwezig kan zijn op
drie niveaus. Zij kan variëren van een algemene bekwaamheid om een diagnose te stellen en
de belangrijkste maatregelen die moeten worden genomen te bepalen, tot een uitgesproken
specialisatie op een erg specifiek terrein.
3.2.
Interne Dienst - Eerstelijnspreventie
Krachtens artikel 33 van de Wet is elke inrichtende macht als werkgever verplicht een Interne
Dienst op te richten. Daartoe beschikt zij over ten minste één preventieadviseur. De dienst staat
de inrichtende macht, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bij voor de
toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de
werknemers bij de uitvoering van hun werk en alle andere preventiemaatregelen en –
activiteiten.
Deze bepalingen impliceren dat elke inrichtende macht altijd over een Interne Dienst
moet beschikken. Deze visie van de wetgever is gebaseerd op het feit dat er een
kernactiviteit is die altijd zelf moet worden uitgevoerd (en dus niet kan worden
uitbesteed) en waarvoor er in de instelling een persoon is die deze functie kan vervullen.
In concreto betekent dit dat in elke onderwijsinstelling ten minste de eerstelijnspreventie
intern moet gebeuren. Deze vorm van preventie bestaat erin dat er een persoon
beschikbaar is waarbij alle betrokken partijen terecht kunnen, die een diagnose kan
stellen van het probleem en die een verbindingsfunctie vervult tegenover de Externe
Dienst.
3.3
Externe Dienst - Tweedelijnspreventie
Wanneer de Interne Dienst niet alle opdrachten die haar zijn toevertrouwd zelf kan uitvoeren,
moet de inrichtende macht aanvullend een beroep doen op een erkende Externe Dienst.
De dienst is samengesteld uit verschillende preventieadviseurs, die beschikken over
verschillende vaardigheden, waardoor het mogelijk wordt de problemen inzake welzijn op het
werk multidisciplinair te behandelen.
4
Dit is niet zo erg van belang voor de opdrachten die moeten worden vervuld, maar wel voor het
statuut dat aan deze preventieadviseurs werd toegekend.
5
De dienst heeft een afzonderlijke afdeling die belast is met het medisch toezicht. Deze afdeling
kan worden beschouwd als de voortzetting of opvolger van de vroegere interbedrijfsgeneeskundige dienst.
Het is belangrijk te onderstrepen dat deze Externe Dienst aanvullend optreedt tegenover de
Interne Dienst en dus nooit de Interne Dienst kan vervangen.
4
Indeling van de werkgevers in groepen
4.1
De verschillende groepen
De inrichtende machten als werkgevers worden ingedeeld in vier groepen.

Groep A omvat alle werkgevers die meer dan 1 000 werknemers tewerkstellen.

Groep B omvat alle werkgevers die tussen 200 en 1 000 werknemers tewerk stellen.

Groep C omvat de werkgevers die minder dan 200 werknemers tewerkstellen en die niet
zijn opgenomen in groep A en B.

Deze nieuwe groep is de groep D die de werkgevers omvat die minder dan 20 werknemers
tewerkstellen en waar de werkgever zelf de functie van preventieadviseur vervult.
Groepsindeling van de werkgevers volgens
aantal werknemers en activiteiten
Niet gespecifieerde activiteiten
Bv. scholen
Aantal werknemers
1-19
20-49
50-99
D
100-199
C
200-499
500-499
A
B
Industrie maar ook inrichtende machten die
activiteiten hebben in de volgende
branches
-
-
Industrie voor winning, reiniging distributie van water
Metaalverwerkende industrie en de fijnmechanische
en optische industrie, (uitgezonderd het
vervaardigen van producten uit metaal,
machinebouw, automobielbouw, fabricatie van autoonderdelen, transportmiddelen)
Andere be- en verwerkende industrieën
(uitgezonderd hout en meubel)
D
C
B
+1000
A
6
-
-
Productie, distributie van elektriciteit, gas, stoom en
warm water
Vervaardiging en eerste verwerking van metalen
Vervaardiging van steen, cement, betonwaren,
aardewerk, glas, e.d.
Chemische industrie (uitgezonderd: chemische
grondstoffen, petro- en carbochemische, industriële
of agrarische chemische producten)
Kunstmatige en synthetische continugaren- en
vezels
Vervaardigen van producten uit metaal
Machinebouw
Automobielbouw en auto-onderdelen
Overige transportmiddelen
Houtindrustrie en houtmeubelen
Bouwnijverheid
Winning en vervaardiging van splijt- en kweekstoffen
Cokesovenbedrijven
Aardolie-industrie
Chemische grondstoffenfabrieken
Petro- en carbochemische industrie
Vervaardigen van andere chemische producten met
voornamelijk industriële of agrarische toepassing
D
C
C/D
B
B
A
Samenvattend kan gesteld worden dat àlle BuO-scholen zullen behoren tot groep C of D
4.2
Belang van de indeling in groepen
De hierboven vermelde indeling dient een dubbel doel. Net zoals in het verleden, wordt deze
indeling gebruikt om te bepalen welke vorming de preventieadviseurs moeten hebben genoten.
Het gaat hier zowel om de preventieadviseurs die belast zijn met de leiding van de dienst als de
andere preventieadviseurs. Tegenwoordig wordt deze indeling echter ook aangewend om te
bepalen welke opdrachten altijd intern moeten gebeuren en voor welke opdrachten een beroep
moet of kan worden gedaan op een Externe Dienst.
4.3
Berekening van het aantal werknemers en gelijkgestelde personen
Dit aantal werknemers wordt als volgt berekend: het aantal kalenderdagen waarop elke
werknemer, gedurende een periode van vier trimesters die elk trimester voorafgaat, is
ingeschreven in het personeelsregister wordt gedeeld door 365. Zo kan men rekening houden
met het personeelsverloop.
7
Voorbeeld
Berekening van het aantal
werknemers
Tewerkgestelde Aantal dagen tewerkpersoneelsleden
gesteld
Aantal werknemers
Referteperiode:
1
365
1,00
Aantal dagen
2
365
1,00
3 t.e.m. 84
29 930
82,00
1 oktober 1998 en
30 september 1999.
85
300
0,82
Totaal: 31 510 dagen
86
250
0,68
Tewerkstelling gedurende
87
100
0,27
de referteperiode.
88
100
0,27
89
50
0,14
31510 = 86,33
365
90
50
0,14
Totaal
90
31 510
86,33
Ingeschreven tussen
(300d : 365 =0,82)
Wanneer een werknemer minder dan ¾ van de normale arbeidstijd werkt wordt het aantal
kalenderdagen gedeeld door twee. Er wordt dus rekening gehouden met deeltijdse
tewerkstelling.
5 Opdrachten en taken van de Interne Dienst
5.1
Begrippen
5.1.1 Opdracht
Een opdracht kan omschreven worden als de te vervullen functie om een bepaald doel te
bereiken, bv. het meewerken aan en het advies verlenen over de hygiëne op de
arbeidsplaatsen of bij de organisatie van de arbeidsplaatsen tot een gezonde werkomgeving
met aandacht voor de werkdruk.
5.1.2 Taak
Een taak kan worden omschreven als de activiteit of de activiteiten die moet of moeten worden
verricht om de opdracht te kunnen vervullen. Een belangrijke taak van de preventieadviseur is
het verrichten van allerlei onderzoeken op de arbeidsplaats. Bij dergelijke onderzoeken kan de
preventieadviseur vaststellingen doen die kunnen bijdragen tot de uitvoering van verschillende
opdrachten, zoals risicoanalyse, de hygiëne op de arbeidsplaats, de organisatie van de
arbeidsplaats en de vorming van de werknemers.
8
5.2
Opdrachten en taken voorbehouden aan de arbeidsgeneesheer
In principe kunnen alle opdrachten en taken worden uitgevoerd door om het even welke
preventieadviseur, op voorwaarde dat hij over de nodige kennis beschikt en rekening houdt met
het principe van de multidisciplinariteit.
Toch worden bepaalde opdrachten en taken voorbehouden aan de arbeidsgeneesheer. Dit is
noodzakelijk omdat deze opdrachten en taken verband houden met de uitoefening van de
geneeskunde of omdat het medisch geheim in het gedrang kan worden gebracht. Bovendien
benadert de arts deze opdrachten vooral vanuit het perspectief van de fysische en psychische
gesteldheid van het individu.
De volgende opdrachten zijn voorbehouden aan de arbeidsgeneesheer:


Een eerste opdracht is het onderzoeken van de wisselwerking tussen de mens en de
arbeid. Dit onderzoek draagt bij tot:
.
. een betere afstemming van de mens op zijn taak;
.
. de aanpassing van het werk aan de mens.
De tweede opdracht betreft het gezondheidstoezicht op de werknemers. Dit toezicht heeft
volgende doelstellingen:
.
de tewerkstellingskansen voor iedereen bevorderen, door aanpassingen aan de werkmethodes, de werkpost en het werk voor te stellen;
.
de tewerkstellingskansen bevorderen voor de personen met een beperkte arbeidsgeschiktheid;
.
het opsporen van beroepsziekten en aandoeningen gebonden aan de arbeid;
.
de werknemers hierover informeren en adviseren;
.
meewerken aan de opsporing van risicofactoren;
.
vermijden dat werknemers worden tewerkgesteld bij taken waarvan zij wegens hun
gezondheidstoestand de risico’s niet kunnen dragen;
.
vermijden dat tot het werk personen worden toegelaten die lijden aan besmettelijke
ziekten, die een risico kunnen betekenen voor de andere werknemers;
.
vermijden dat personen tot het werk worden toegelaten die een gevaar voor de veiligheid
van andere werknemers inhouden.

De derde opdracht heeft betrekking op het toezicht houden op de organisatie van de eerste
hulp en de dringende verzorging van de werknemers die het slachtoffer worden van een
ongeval of ziek worden op het werk.

Tenslotte moet de arbeidsgeneesheer samenwerken met de andere preventieadviseurs om
alle andere opdrachten en taken toegewezen aan de Interne Dienst te helpen realiseren. Bij
deze opdrachten zijn twee specifieke taken voorbehouden aan de Arbeidsgeneesheer:
. er voor zorgen dat de eerste hulp en de dringende verzorging inderdaad kunnen worden
verleend;
. de aangifte van beroepsziekten doen.
De opdrachten voorbehouden voor de arbeidsgeneesheer kunnen zowel in de Interne Dienst
zelf, als in de Externe Dienst worden uitgeoefend. In het eerste geval wordt in de Interne Dienst
een departement belast met het medisch toezicht opgericht. In het tweede geval worden zij
9
uitgevoerd door de afdeling belast met het medisch toezicht die verplichtend aanwezig moet
zijn in de Externe Dienst.
Alleszins is het zo dat alle opdrachten van de arbeidsgeneesheer altijd uitgeoefend moeten
worden door een Externe Dienst, wanneer de werkgever geen departement voor het medisch
toezicht heeft opgericht. In dat geval moet ook de aangifte van de beroepsziekten door deze
Externe Dienst gebeuren.
5.3
Opdrachten en taken in relatie met de Externe Dienst
5.3.1. Groep D
Bij de werkgevers van groep D zijn de opdrachten die verplichtend moeten worden uitgevoerd
door de Interne Dienst beperkt tot de coördinatie en samenwerking met de Externe Dienst.
Deze opdrachten hebben betrekking op:

de organisatie van de samenwerking met de Externe Dienst;

de coördinatie verzekeren met de Externe Dienst door alle nuttige informatie te verschaffen
die de dienst nodig heeft om zijn opdrachten te kunnen vervullen;

in het kader van de risicoanalyse samenwerken met de Externe Dienst; in concreto gebeurt
dit door:
de preventieadviseur te vergezellen bij onderzoeken op de arbeidsplaats;
.
hem bij te staan bij het onderzoeken van de oorzaken van arbeidsongevallen en
beroepsziekten;
.
hem bij te staan bij de opstelling van inventarissen;
.


meewerken aan de uitvoering van de preventiemaatregelen; in concreto gebeurt dit door:
.
advies te verstrekken over de maatregelen inzake propaganda, onthaal, informatie,
vorming en sensibilisering van de werknemers;
.
advies te verstrekken over de opstelling van instructies voor werknemers;
meewerken aan:
.
de uitwerking van de procedures bij ernstig en onmiddellijk gevaar;
.
de organisatie van de eerste hulp en de dringende verzorging.
Bij de werkgevers van groep D moeten de volgende opdrachten altijd worden uitgevoerd door
een Externe Dienst:

de bijstand aan de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers in de
uitwerking, de programmering, de uitvoering en de evaluatie van het beleid bepaald door
het dynamisch risicobeheersingssysteem;

de medewerking aan de identificatie van gevaren;

advies over de resultaten die voortvloeien uit het vaststellen en nader bepalen van de
risico’s;

voorstellen van maatregelen om over een permanente risicoanalyse te beschikken;
10

advies verlenen en voorstellen formuleren voor de opstelling, de uitvoering en bijsturing van
het globaal preventieplan en het jaaractieplan.
Bovendien heeft de Externe Dienst altijd de taak op de arbeidsplaats de arbeidsongevallen te
onderzoeken die een arbeidsongeschiktheid van drie of meer dagen tot gevolg hebben.
Alle andere opdrachten en taken kunnen naar keuze van de werkgever intern of extern
gebeuren. Als ze intern gebeuren, moet wel de nodige deskundigheid aanwezig zijn.
5.3.2 Groep C
Bij de werkgevers van groep C moeten dezelfde opdrachten en taken door de Interne Dienst
worden uitgevoerd als bij de werkgevers van groep D. Het gaat hier in het bijzonder om de
coördinatieopdracht tegenover de Externe Dienst.
Bovendien horen ook de volgende opdrachten tot de kernopdrachten:

het verlenen van advies over hygiëne op de arbeidsplaats, wat o.a. betrekking heeft op de
refters, kleedkamers, sanitair, werk- en rustzitplaatsen en andere bijzondere sociale
voorzieningen eigen aan de onderneming/instelling en die bestemd zijn voor de
werknemers;

het ter beschikking staan van de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de
werknemers voor alle vragen in verband met de toepassing van de welzijnsreglementering
en die eventueel voorleggen aan de Externe Dienst;

het verzekeren van het secretariaat van het Comité.
Dit impliceert dat de Interne Dienst de volgende kerntaken moet uitvoeren:

het verrichten van veelvuldige en systematische onderzoeken op de arbeidsplaats, hetzij op
verzoek van de werkgever of van de werknemers en hun vertegenwoordigers;

ten minste éénmaal per jaar een grondig onderzoek verrichten van de arbeidsplaatsen en
de werkposten;

de documentatie bijhouden die de werkgever ter beschikking moet houden van het Comité.
Zij heeft betrekking op de wetgeving die van toepassing is op de onderneming, de
documenten die krachtens die wetgeving moeten worden opgesteld, de documenten die in
de onderneming worden opgesteld om het welzijn van de werknemers en de interne en
externe milieuzorg te verzekeren, de inventaris van toestellen die gecontroleerd moeten
worden door erkende organismen, de inventaris van gevaarlijke stoffen en preparaten en
de emissiepunten met betrekking tot lucht- en waterverontreiniging.

zelf de nodige maatregelen nemen om de oorzaken van gevaar of hinder te verhelpen, bij
dringende noodzakelijkheid en onmogelijkheid om op de directie een beroep te doen;

de opstelling van de maandverslagen, en wanneer er minder dan 50 werknemers worden
tewerkgesteld, de driemaandelijkse verslagen;

de opstelling van het jaarverslag en de arbeidsongevallensteekkaart;

het opstellen, aanvullen of viseren van de documenten in het kader van de keuze, de
aankoop, het gebruik en het onderhoud van arbeidsmiddelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen;

het bijhouden van de kennisgevingen die de werkgever aan de overheid moet doen;
11

de taken verrichten in het kader van het secretariaatswerk van het Comité.
Voor de opdrachten en taken die hierboven niet zijn opgesomd, mag de werkgever een keuze
maken tussen de Interne of de Externe Dienst. Als hij kiest voor de Interne Dienst, moet deze
wel over de nodige bekwaamheid beschikken.
5.4
Bewijs van bekwaamheid
Wanneer de Interne Dienst er voor kiest zelf de opdrachten uit te voeren en de voorgeschreven
taken te verrichten, moet de werkgever kunnen aantonen dat de dienst over de vereiste
bekwaamheid beschikt. Hiertoe moet de werkgever een identificatiedocument ter beschikking
houden van de met toezicht belaste ambtenaar.
Dit document vermeldt:

de identificatie van de werkgever;

de opdrachten die de Interne Dienst vervult;

de samenstelling van de Interne Dienst, het aantal preventieadviseurs, hun kwalificaties en
hun prestatieduur;

de vaardigheden die vertegenwoordigd zijn in de Interne Dienst;

de middelen van administratieve, technische en financiële aard waarover de dienst
beschikt;

de adviezen van het Comité;

wat het gezondheidstoezicht betreft, de erkenning verleend door de Gemeenschap.
Dit identificatiedocument kan:

een apart document vormen;

deel zijn van het jaarverslag van de Interne Dienst;

een bijlage zijn bij de overeenkomst gesloten met de Externe Dienst.
12
6
De structuur van de Interne Dienst
De structuur van de Interne Dienst kan als volgt schematisch worden voorgesteld.

Een inrichtende macht die geen Comité moet oprichten en minder dan twintig werknemers
tewerkstelt moet een Interne Dienst oprichten met minimaal één preventieadviseur. Deze
persoon is normaal een werknemer verbonden met een arbeidsovereenkomst. In dit geval
mag de werkgever ook zelf de functie van preventieadviseur vervullen.

Een inrichtende macht die geen Comité moet oprichten maar meer dan twintig werknemers
tewerkstelt moet een Interne Dienst oprichten met minimaal één preventieadviseur. Deze
persoon is altijd een werknemer verbonden met een arbeidsovereenkomst. Als er meer
preventieadviseurs zijn, wordt één van hun belast met de leiding van de dienst.

Een inrichtende macht die een Comité moet oprichten moet een Interne Dienst oprichten
met minimaal één preventieadviseur. Als er meer preventieadviseurs zijn, wordt één van
hen belast met de leiding van de dienst.

Een inrichtende macht die verschillende Comités moet oprichten, moet een Interne Dienst
oprichten met een afdeling per technische bedrijfseenheid. Er is ten minste een
preventieadviseur per afdeling en bovendien één voor het geheel. Een werkgever met twee
Comités moet dus een dienst oprichten met twee afdelingen. Er zijn ten minste drie
preventieadviseurs: twee voor de afdelingen en één voor het geheel.

Als er voor verschillende inrichtende machten één Comité wordt opgericht omdat ze een
technische bedrijfseenheid vormen, moet een Interne Dienst met minimaal één
preventieadviseur worden opgericht. Als er meer dan één preventieadviseur is, wordt één
van hen belast met de leiding van de dienst.
De organisatie van de afdelingen zelf wordt overgelaten aan de vrije keuze van de inrichtende
macht zelf, afhankelijk van de opdrachten die moeten worden vervuld. Is er in een afdeling
meer dan één preventieadviseur, dan wordt één van hen belast met de leiding van de afdeling.
Ook wanneer binnen een Interne Dienst geen afdelingen moeten worden opgericht is de
werkgever volledig vrij de Interne Dienst te organiseren zoals hem dat het meest geschikt lijkt.
Wel moet altijd voldaan worden aan de basiseisen gesteld in de Wet en Besluit Interne Dienst.
7
De samenstelling van de Interne Dienst en de duur van de
prestaties
7.1
Het principe van de multidisciplinariteit
De Interne Dienst moet zo zijn samengesteld dat zijn opdrachten kunnen worden vervuld op
grond van het principe van multidisciplinariteit. Dit principe wordt bereikt door het gecoördineerd
optreden van preventieadviseurs en deskundigen die beschikken over de verschillende
vaardigheden die bijdragen tot de bevordering van het welzijn van de werknemers.
13
7.2
De vereiste vaardigheden
Om een probleem multidisciplinair en dus vanuit verschillende gezichtshoeken te kunnen
benaderen moet men kunnen beschikken over verschillende vaardigheden. Deze vaardigheden
hebben betrekking op:

Arbeidsveiligheid;

Arbeidsgeneeskunde;

Ergonomie;

Bedrijfshygiëne;

Psychosociale aspecten van de arbeid.
De inrichtende macht bepaalt welke vaardigheden er aanwezig moeten zijn in haar instelling (al
dan niet in de Interne Dienst zelf) en voor welke vaardigheden hij een beroep doet op een
Externe Dienst. Zij bepaalt dit op basis van het globaal preventieplan en na voorafgaand advies
van het Comité.
Zij geeft een conform gevolg aan de met algemene stemmen uitgebrachte adviezen. Aan al de
andere adviezen geeft zij gevolg binnen de door het Comité voor preventie en bescherming
gestelde termijn. Als zij niet overeenkomstig deze adviezen handelt, er geen gevolg aan geeft
of een andere keuze heeft gemaakt uit de uiteenlopende adviezen, deelt ze de redenen hiervan
mee aan het Comité. Dit is dezelfde procedure als die in het ARAB was bepaald.
Nadat bepaald is welke vaardigheden er nodig zijn om de multidisciplinaire aanpak te
verzekeren, moet men nagaan waar men deze vaardigheden zal halen.
De vaardigheid inzake arbeidsveiligheid moet altijd aanwezig zijn in de Interne Dienst.
De vaardigheid inzake arbeidsgeneeskunde kan aanwezig zijn in de Interne Dienst zelf, onder
de vorm van een departement belast met het medisch toezicht, of kan worden gehaald bij een
Externe Dienst. Wel is het zo dat de vaardigheden inzake arbeidsveiligheid en arbeidsgeneeskunde nooit door één en dezelfde persoon mogen worden beoefend. Dit wil zeggen dat het niet
mogelijk is deze vaardigheden te cumuleren in één enkele persoon.
De vaardigheden die betrekking hebben op ergonomie, bedrijfshygiëne en de psycho-sociale
aspecten van de arbeid kunnen worden gevonden op drie plaatsen:

Ofwel horen ze tot de Interne Dienst zelf;

Ofwel worden ze gevonden in een Externe Dienst;

Ofwel vindt de inrichtende macht ze in zijn eigen instelling maar buiten de Interne Dienst.
De werkgever bepaalt de manier waarop de Interne Dienst in concreto wordt samengesteld na
voorafgaand advies van het Comité.
7.3
De werkingsmiddelen van de Interne Dienst
De werkgever bepaalt ook, na voorafgaand advies van het Comité, de technische en
wetenschappelijke middelen, de lokalen en financiële middelen, en het administratief personeel
dat ter beschikking van de Interne Dienst wordt gesteld. Hij geeft aan dit advies gevolg op de
manier zoals hierboven is bepaald.
14
7.4
De minimumduur van de prestaties
De werkgever bepaalt, na voorafgaand akkoord van het Comité, de minimumduur5 van de
prestaties van de preventieadviseurs zodat de aan de Interne Dienst toegewezen opdrachten
altijd volledig en doeltreffend worden vervuld. Op verzoek van elke belanghebbende partij kan
de minimumduur van de prestaties worden gewijzigd, volgens dezelfde procedure.
8
De verhoudingen in de Interne Dienst
8.1 De vaststelling van de relaties tussen de verschillende onderdelen van de
Interne Dienst
Wanneer een Interne Dienst moet bestaan uit meerdere afdelingen of wanneer een
departement belast met het medisch toezicht is opgericht (weinig waarschijnlijk voor BuO)
bepaalt de werkgever, na voorafgaand advies van het Comité:

welke de verhouding is tussen de afdelingen, het departement en de centrale dienst6;

door wie de leiding van de dienst en eventueel elke afdeling wordt verzekerd;

hoe dit gebeurt.
8.2
De persoon belast met de leiding van de Interne Dienst
Het Koninklijk Besluit bepaalt niets in verband met de leiding van de Interne Dienst of de
afdeling die behoort tot de groep C. Hier moet aanvaard worden dat aangezien de
preventieadviseurs die werkzaam zijn in deze groep enkel moeten beschikken over een
basiskennis, dit ook voldoende is om de leiding van de dienst of afdeling te verzekeren.
8.3
De plaats van de preventieadviseurs belast met de leiding tegenover de
hiërarchie
De preventieadviseur belast met de leiding van de dienst hangt rechtstreeks af van de persoon
belast met het dagelijks beheer. Het is deze persoon aan wie hij rechtstreeks rapporteert en die
het recht heeft hem bevelen te geven. Omdat hij ook kan worden geconfronteerd met
problemen die zich voordoen in één of meer afdelingen van de Interne Dienst heeft hij ook
rechtstreeks toegang tot de persoon of personen belast met het dagelijks beheer van de
technische bedrijfseenheid of –eenheden waarvoor de afdeling(en) werd(en) opgericht.
5
Onder duur van de prestaties verstaat men de tijd die minimaal besteed moet worden om de
opdrachten en activiteiten toegekend aan de preventieadviseurs te kunnen vervullen. Deze bepaling is
volledig geïnspireerd door artikel 833.5 van het ARAB. De vzw Prebes, werkgroep onderwijs heeft een
minimumduur van de prestaties voorgesteld die als referentie door de technische inspectie wordt
gehanteerd.
6
Met de centrale dienst bedoelt men de dienst in zijn geheel.
15
9
De vorming van de preventieadviseur
Voor de werkgevers die horen bij groep D is er niet voorzien in een specifieke vorming.
Net zoals in het verleden geldt voor de werkgevers en technische bedrijven die behoren tot
groep C dat:

de preventieadviseurs voldoende kennis moeten hebben van de op hun instelling van
toepassing zijnde wetgeving;

zij de nodige technische en wetenschappelijke kennis moeten hebben om hun opdrachten
en taken te vervullen.
In tegenstelling tot het vroegere artikel 833.3.1 van het ARAB wordt de inhoud van deze kennis
nu wel nader bepaald, zonder dat echter een specifieke organisatie aan deze vorming wordt
opgelegd. De kennis heeft betrekking op:

de technieken in verband met risicoanalyse;

de coördinatie van preventieacitiviteiten;

de maatregelen in verband met de hygiëne op de arbeidsplaatsen;

de organisatie van de eerste hulp en dringende verzorging en de maatregelen bij ernstig en
onmiddellijk gevaar.

de collectieve arbeidsbetrekkingen;

de verslaggeving.
10
Het statuut van de preventieadviseur7
10.1
Arbeidsovereenkomst en tewerkstelling
Artikel 42 van de Wet bepaalt dat de preventieadviseurs van een Interne Dienst moeten
behoren tot het personeel van de werkgever 8.
Het begrip ‘behoren tot het personeel van’, slaat op het bestaan van een arbeidsverhouding en
houdt voor de privé-sector (dus geldig voor het gesubsidieerd vrij onderwijs) in dat het gaat om
een tewerkstelling krachtens een arbeidsovereenkomst 9.
Het is niet voldoende dat de preventieadviseur een arbeidsovereenkomst heeft. Dit is immers
niets anders dan een juridisch statuut. Hij moet ook effectief worden tewerkgesteld in de
instelling waarvoor een Interne Dienst is opgericht. De tewerkstelling duidt op een vrijwel
permanente aanwezigheid in de instelling, zodat de preventieadviseur bereikbaar is en
inderdaad ter beschikking kan staan van de partijen die bij het preventiebeleid zijn betrokken.
7
Beperking tot de preventieadviseurs behorende tot de Interne Dienst, dus niet diegenen die
behoren tot een Externe Dienst waarop de inrichtende macht kan een beroep doen.
Deze bepaling is geïnspireerd op artikel 833.1.1, tweede lid van het ARAB, waarin een
soortgelijke bepaling voorkwam voor het diensthoofd VGV en zijn adjuncten.
8
9
Voor de openbare sector gaat het gewoonlijk om een tewerkstelling krachtens een eenzijdige
door de overheid opgelegde regeling of een statuut.
16
10.2. Procedure tot aanduiding, vervanging en verwijdering van een
preventieadviseur
De werkgever duidt de preventieadviseurs of hun tijdelijke plaatsvervangers aan, vervangt hen
of verwijdert hen uit hun functie na voorafgaand akkoord van het Comité. Ook deze bepaling
vindt haar oorsprong in een bepaling van het ARAB, n.1. artikel 833.2.1. In dit verband kan de
betekenis van de gebruikte begrippen in herinnering worden gebracht.
De aanduiding slaat op het feit dat een bepaalde persoon in concreto wordt aangewezen om de
functie van preventieadviseur te vervullen. Dit begrip werd in de oorspronkelijke wetgeving
ingevoerd, omdat het diensthoofd VGV werd aangeduid tussen de personeelsleden van de
onderneming. Aangezien het ook mogelijk is een preventieadviseur van buitenaf aan te trekken
en hiermee een arbeidsovereenkomst te sluiten, slaat het begrip aanduiding nu ook op
aanwerving. Door de indienstneming zal immers ook de aanduiding gebeuren.
Voor alle preventieadviseurs van een Interne Dienst die niet uit afdelingen bestaat is het
akkoord vereist van het Comité dat voor de instelling is opgericht.
Voor alle preventieadviseurs van een school is het voorafgaand akkoord vereist van het Comité
dat bevoegd is voor deze school van de inrichtende macht.
Als men geen akkoord bereikt binnen één of meer Comités, moet de volgende procedure
worden gevolgd:

de inrichtende macht als werkgever vraagt het advies van de met het toezicht belaste
ambtenaar;

de ambtenaar hoort de betrokken partijen;

hij poogt de standpunten te verzoenen;

lukt dit niet, dat formuleert hij aangetekend een advies aan de werkgever;

binnen dertig dagen na de kennisgeving van dit advies, brengt de werkgever het of de
Comité’(s) voor PBW op de hoogte van dit advies;

pas dan kan de werkgever een eindbeslissing nemen.
De zo geschetste procedure heeft vooral tot doel in de school en/of scholengemeenschap te
komen tot een minnelijke schikking. De verzoeningsprocedure en het feit dat het advies ook ter
kennis wordt gebracht van het Comité of de Comités kunnen hierbij een belangrijke rol spelen
en de beslissing van de inrichtende macht als werkgever beïnvloeden. Terzelfder tijd wordt
echter ook de autonomie van de werkgever gerespecteerd, die binnen de school of
schoolgemeenschap de eindverantwoordelijkheid draagt en dus ook de mogelijkheid moet
hebben om zelf een eindbeslissing te nemen.
10.3
De onafhankelijkheid van de preventieadviseurs
De preventieadviseurs vervullen hun opdracht in volledige onafhankelijkheid tegenover de
werkgever en de werknemers. Het begrip volledige onafhankelijkheid is daarbij ruimer dan het
begrip ‘technische en morele’ onafhankelijkheid dat in het kader van het statuut van de
arbeidsgeneesheren werd gebruikt. Er kan worden gesteld dat het begrip onafhankelijkheid ten
minste deze twee vormen van onafhankelijkheid impliceert. Daarnaast werd de noodzaak van
onafhankelijkheid uitgebreid naar alle preventieadviseurs en betreft ze niet alleen de
preventieadviseurs belast met de leiding van de dienst.
Tenslotte bepaalt de Wet uitdrukkelijk dat de preventieadviseurs geen nadeel mogen
ondervinden van hun activiteiten als preventieadviseur.
17
10.4
Permanente vorming en beroep op deskundigen
De preventieadviseurs moeten niet alleen de nodige opleiding hebben genoten om de
opdrachten die hun zijn toegewezen te kunnen vervullen. Zij moeten ook de mogelijkheid
hebben van permanente vorming.
Dit is niet alleen een recht maar ook een plicht. Om deze permanente vorming mogelijk te
maken moet de werkgever hen de toestemming geven om alle nuttige contacten te
onderhouden met universitaire centra en andere gespecialiseerde instanties die vormingen
organiseren.
De aan vormingsactiviteiten bestede tijd wordt als normale werktijd beschouwd en daarbij
horende kosten worden vergoed.
De preventieadviseurs moet niet alleen de mogelijkheid hebben een gepaste opleiding te
volgen, zij moeten ook de mogelijkheid hebben een beroep te doen op deskundigen die horen
bij de tweede en derdelijnspreventie. Dit is niet alleen een recht maar ook een plicht. Zij kunnen
dan ook alle contacten onderhouden met:

de Externe Dienst;

de Externe Diensten voor technische controles op de werkplaatsen;

alle ander diensten of instellingen die gespecialiseerd zijn of bijzonder bevoegd op een of
meer gebieden die samen het welzijn op het werk vormen en in verband met
mindervaliden.
Op die diensten kunnen zij een beroep doen wanneer het gaat om specifieke problemen die
een bijzondere deskundigheid vergen die niet verplicht aanwezig is in een Externe Dienst.
Hoewel dit niet meer uitdrukkelijk wordt bepaald, kan de preventieadviseur ook een beroep
doen op de specifieke deskundigheid die in de instelling zelf aanwezig is. Dit vloeit immers
voort uit de specifieke informatieplicht die aan de inrichtende macht als werkgever wordt
opgelegd. De werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers moeten immers
aan de preventieadviseurs alle informatie geven die zij vragen om hen in de mogelijkheid te
stellen de opdrachten van de Interne Dienst te vervullen.
11
Samenvattend
Voor de toepassing van het Besluit Interne Dienst worden de inrichtende machten
ingedeeld in vier groepen rekening houdend met het aantal werknemers en met de aard
van de activiteiten die in de onderwijsinstelling worden uitgeoefend. De opdrachten, de
organisatie en de werking van de interne dienst worden geregeld en het statuut van de
preventie-adviseurs van een interne dienst wordt bepaald.
18
De interne dienst:
 staat de inrichtende macht, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bij voor de
toepassing van wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de
werknemers bij de uitvoering van hun werk en alle andere preventiemaatregelen en
activiteiten;
 heeft als opdracht de inrichtende macht, de leden van de hiërarchische lijn en de
werknemers bij te staan in de uitwerking, programmatie, uitvoering en evaluatie van het
beleid bepaald door het dynamisch risicobeheerssysteem;
De preventieadviseurs van de interne dienst:
 voeren in het kader van de permanente risico-analyse en het opstellen en bijsturen van het
globaal preventieplan en jaarlijks actieplan, allerlei opdrachten uit;
 stellen in het kader van het beheer en de werking van de interne dienst: maand- of
driemaandelijkse verslagen, jaarverslagen en arbeidsongevallensteekkaarten op;
 stellen documenten op, vullen ze aan of viseren ze in het kader van de keuze, de aankoop,
het gebruik en het onderhoud van de arbeidsmiddelen en de persoonlijke
beschermingsmiddelen;
 houden de kennisgevingen bij die in toepassing van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten aan
de overheid moeten worden overgemaakt;
 verrichten taken in het kader van het secretariaatswerk van het Comité, zoals bepaald in de
reglementering die de werking van het Comité vaststelt;
Organisatie en werking van de interne Dienst
 De inrichtende macht is verplicht om een interne dienst op te richten die al dan niet kan
bestaan uit verschillende afdelingen.
 De interne dienst is zodanig samengesteld dat zijn opdrachten kunnen worden vervuld op
grond van het principe van multidisciplinariteit.
 De preventieadviseur belast met de leiding van de dienst/afdeling hangt rechtstreeks af en
heeft rechtstreekse toegang tot de persoon/personen belast met het dagelijks beheer;
 De samenstelling van de interne dienst en de minimumduur van de prestaties van de
preventieadviseurs worden bepaald door de inrichtende macht na voorafgaand advies van
het Comité;
 De werkgever creëert de voorwaarden opdat de opdrachten en activiteiten van de
preventieadviseur doeltreffend kunnen worden vervuld.
Statuut van de preventieadviseurs
 Preventieadviseurs hebben een apart statuut waardoor zij hun opdracht vervullen in
volledige onafhankelijkheid ten overstaan van de inrichtende macht en de werknemers.
 Preventieadviseurs bezitten specifieke kennis en hebben een verplichte aanvullende
vorming genoten. Zij hebben ook het recht en de plicht zich te vervolmaken en de nodige
contacten te onderhouden.
Download