Handleiding gevaarlijke stoffenvoor de schoonmaakbranche

advertisement
Handleiding gevaarlijke
stoffen voor de
schoonmaakbranche
Versie januari 2007
Inhoudsopgave
1.
1.1
1.2
1.3
Inleiding
Inventarisatie van gevaarlijke stoffen
Opslag van gevaarlijke stoffen
Transport van gevaarlijke stoffen
2.
2.1.
2.2.
Stoffeninventarisatie
Inleiding
Matrix stoffeninventarisatie
Tabel 1 Stoffeninventarisatie
Tabel 2, WMS symbolen en code
Tabel 3 ADR symbolen en code
3.
3.1
3.2.
3.3
3.3.1.
3.3.2.
3.3.3.
3.3.4.
3.3.5.
3.4.
3.5.
3.6.
3.7.
3.8.
3.9
Opslag van gevaarlijke stoffen
Inleiding
Welke stoffen vallen onder de werkingssfeer van de PGS-15?
Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening
Relatie met bouwregelgeving
Kwaliteit vloeren
Kwaliteit stellingen
Ventilatie
Productopvang
Verpakking en etikettering
Onverenigbare combinaties
Gebruik opslagvoorziening
Incidenten met gemorste gevaarlijke stoffen
Rook- en vuurverbod, blustoestellen
Persoonlijke beschermingsmaatregelen
4.
4.1.
4.2.
4.2.1.
4.2.2.
4.2.3.
4.3.
4.3.1.
4.3.2
4.3.3.
4.3.4
4.3.5.
4.3.6.
4.3.7.
Transport van gevaarlijke stoffen
Inleiding
Algemene voorzieningen voor transport van gevaarlijke stoffen
Algemene voorzieningen voor de uitrusting van het voertuig
Algemene voorzieningen voor documenten
Algemene voorzieningen voor verpakkingen
Vrijstellingen.
Inleiding
Bepalen van vrijstellingsmogelijkheden
De gevarenklassen
Is mijn product gevaarlijk?
Vrijstellingen die samenhangen met de aard van het vervoersproces. (ADR 1.1.3.1)
Gelimiteerde hoeveelheden
Vrijstelling in samenhang met de vervoerde hoeveelheid per transporteenheid, de zgn.
1000 punten regeling
Samenvatting
4.4.
Bijlage I
Bijlage II
Lijst van R-zinnen
Lijst van S-zinnen
2
Handleiding Gevaarlijke Stoffen
1. Inleiding
Aan opslag en transport van gevaarlijke stoffen worden door de overheid diverse eisen gesteld.
OSB heeft daarom voor haar leden drie boekjes samengesteld om hen wegwijs te maken in
deze ingewikkelde materie. Deze handleidingen gaan over de inventarisatie, de opslag en het
transport van gevaarlijke stoffen. Door de veranderde wetgeving was het noodzakelijk de
handleidingen te herschrijven. De drie boekjes zijn daarom aangepast en samengevoegd tot
één handleiding. Deze zal alleen elektronisch ter beschikking komen. Dit omdat de huidige
ontwikkelingen het noodzakelijk maken de teksten regelmatig aan te passen.
Om te kunnen bepalen of de binnen uw bedrijf gebruikte stoffen gevaarlijk zijn, dient er altijd
eerst een inventarisatielijst van deze stoffen te worden opgesteld. De handleiding bevat hiertoe
een toelichting plus een model voor een inventarisatielijst.
Vervolgens dient u na te gaan of de eventueel door u gebruikte gevaarlijke stoffen op de juiste
wijze zijn opgeslagen. De handleiding biedt ook hier de nodige informatie, gebaseerd op de
nieuwe Richtlijn Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, de zogenaamde Publicatiereeks
Gevaarlijke Stoffen deel 15 (PGS-15).
Doorgaans dient u hiervoor te beschikken over een vergunning Wet Milieubeheer. Bestaande
vergunningen zijn gebaseerd op de CPR 15-1. Bestaande vergunningen Wet Milieubeheer
verleend op basis van de CPR 15 blijven van kracht. Het bevoegd gezag kan alleen nadere
eisen stellen voor wat betreft de brandveiligheid voorzieningen, voor zo ver deze niet voldoen
aan de stand der techniek.
Bij een volledige revisie van de vergunning Wet Milieubeheer en bij nieuwe vergunningen geldt
de PGS-15 als leidraad en speelt de CPR 15 geen rol meer. Bij een veranderingsvergunning en
een deelwijziging op aanvraag van de vergunninghouder blijft het regime van de bestaande
vergunning op basis van de CPR 15 van kracht.
In geval ambtenaren toch de mening zijn toegedaan dat de CPR 15 nog van toepassing is bij
een volledige revisie of een nieuwe vergunning kan het raadzaam zijn hen te verwijzen naar
Infomil * om zich daar nader te informeren over de toepassing van de CPR c.q. de PGS-15.
Voordat u aanpassingen aan de opslag laat uitvoeren is het dringend aan te raden altijd
eerst met het bevoegd gezag te overleggen over de door het bevoegd te stellen eisen.
Ook als u gevaarlijke stoffen vervoert, dient u aan een aantal eisen te voldoen. Bovendien kunt
u wellicht gebruik maken van een (gedeeltelijke) vrijstellingsregeling. Hoe deze
vrijstellingsregeling werkt en of deze voor u van toepassing is, kunt u eveneens bepalen met
deze handleiding.
Overigens zijn de twee aspecten Opslag en Transport slechts een klein deel van de regelgeving
waarmee schoonmaakbedrijven bij het omgaan met gevaarlijke stoffen te maken kunnen
krijgen. Deze handleiding zegt namelijk niets over (veelal complexe!) zaken als de
lozingsregelgeving van bedrijfsafvalwater en het transport van afval plus afvalwater. Verder
kunnen bedrijven te maken krijgen met onder meer regelgeving in het kader van De Algemene
Beoordelings Methodiek (ABM) van RIVM, ARBO-regels, Verpakkingswetgeving, Convenanten
etc.
3
Ad* -Infomil is een infocentrum voor bedrijven en gemeenten inzake Milieuwetgeving en
vergunningen.
Dergelijke regelgeving is te complex en/of te uitgebreid om in deze handleiding mee te nemen.
Hier wordt volstaan met het signaleren van genoemde problematiek en het verwijzen naar
deskundigen en de betrokken instanties.
1.1.
Inventarisatie van gevaarlijke stoffen
Om vast te kunnen stellen of er specifieke eisen worden gesteld aan de opslag en het transport
van stoffen, dient eerst een deugdelijke inventarisatie te worden uitgevoerd. Het samenstellen
van een inventarisatielijst zal in eerste instantie redelijk veel tijd kosten, doch is noodzakelijk
omdat deze lijst veel inzicht verschaft over de gebruikte stoffen en vooral aan de daaraan
verbonden gevaren
1.2.
Opslag van gevaarlijke stoffen
Aan de opslag van gevaarlijke stoffen wordt een aantal eisen gesteld. Deze eisen zijn
afhankelijk van de opgeslagen hoeveelheden en het specifieke gevaar dat bepaalde stoffen of
combinaties van stoffen geven.
De Sandoz-ramp in Basel in 1986 is destijds aanleiding geweest voor de ontwikkeling van
richtlijnen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, de zogenaamde CPR 15-richtlijnen.
De richtlijnen in de CPR 15-serie zijn nu in geactualiseerde vorm samengevoegd tot een nieuwe
richtlijn in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, de PGS-15.
In deze richtlijn zijn de regels opgenomen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen,
waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Voor
de bepaling van het vereiste beschermingsniveau is uitgegaan van de huidige stand der
techniek die geldt voor de bouwkundige uitvoering van opslagvoorzieningen,
brandbestrijdingssystemen en arbeidsmiddelen. De voorschriften in de richtlijn vormen een
nadere invulling van de bepalingen van de Wet milieubeheer, de Arbeidsomstandighedenweten regelgeving en het Bouwbesluit.
1.3
Transport van gevaarlijke stoffen
In deze handleiding staat beschreven hoe binnen de schoonmaakbranche invulling kan worden
gegeven aan het transport van gevaarlijke stoffen over de weg binnen Nederland. Tevens wordt
de mogelijkheid beschreven om dergelijk transport uit te voeren zonder aan de gehele ADR
(transport)-wetgeving te moeten voldoen. Een en ander is mogelijk door gebruik te maken van
een zogenaamde “vrijstellingsregeling”, die in de wetgeving is opgenomen. Dit is overigens een
vrij complexe materie!
Indien het niet mogelijk of haalbaar is binnen de aangegeven beperkingen te vervoeren, valt het
transport van gevaarlijke stoffen altijd onder de ADR-wetgeving en dienen uitgebreide
maatregelen te worden getroffen. In dat geval wordt doorverwezen naar de wetgeving zelf.
Let op: Deze handleiding is gebaseerd op de ADR-2007 en de huidige wet- en regelgeving.
Voor details en exacte interpretatie wordt u verwezen naar de officiële wettekst. Het ADR zal
per 1 januari 2009 wijzigen, waarschijnlijk zal er ook dan een overgangstermijn zijn tot en met
30 juni 2009.
4
2.
Stoffeninventarisatie
2.1.
Inleiding.
Om vast te kunnen stellen of er specifieke eisen worden gesteld aan de opslag en het transport
van stoffen, dient eerst een deugdelijke inventarisatie te worden uitgevoerd. Het samenstellen
van een inventarisatielijst zal in eerste instantie redelijk veel tijd kosten, doch is noodzakelijk
omdat deze lijst veel inzicht verschaft over de gebruikte stoffen en vooral aan de daaraan
verbonden gevaren. Het is van belang hier te vermelden dat schoonmaakbedrijven in het
algemeen te maken hebben met producten, die op hun beurt zijn samengesteld uit een aantal
stoffen in bepaalde verhoudingen. In de verdere handleiding zal echter (aansluitend op de
elders gebruikte terminologie) worden gesproken over stoffen. De inventarisatielijst is het
uitgangspunt voor het bepalen van de eventuele eisen die aan de opslag en het transport van
de gevaarlijke stoffen in uw bedrijf worden gesteld. De matrix stoffeninventarisatie (zie
voorbeeld in tabel 1) is het uitgangspunt voor het vastleggen van de eisen die aan het transport
en de opslag van de gevaarlijke stoffen in uw bedrijf worden gesteld. Voor het invullen van de
stoffeninventarisatie heeft u de, bij de stoffen horende, veiligheidsinformatiebladen (VIB) of in
het Engels het Material Safety Datasheet (MSDS) nodig. Een leverancier is verplicht om een
recente versie van een veiligheidsinformatieblad aan u te verstrekken, indien het een product is
dat als gevaarlijk wordt beschouwd. In de andere gevallen kunt een exemplaar bij uw
leveranciers opvragen. Gezien het dynamische karakter van wetgeving is het een goed principe
om een VIB dat ouder is dan 2 jaar als verouderd te beschouwen.
2.2.
Matrix stoffeninventarisatie.
De stoffenlijst kan op verschillende manieren gestalte worden gegeven. U kunt alle stoffen
invoeren op alfabet, u kunt onderscheid maken tussen stoffen die niet als gevaarlijk worden
beschouwd en die welke voor WMS en/of ADR zijn ingedeeld. Hier geldt eigenlijk dat u de
indeling naar eigen voorkeur kunt maken. Hieronder wordt per kolom uitgelegd wat u kunt
invullen en hoe u aan de benodigde informatie kunt komen.
Kolom 1, Stofnummer
U kunt hier gewoon beginnen bij 1 en dan verder doornummeren. U kunt ook een
artikelnummer van uw bedrijf of van de leverancier invullen.
Kolom 2, Handelsnaam
Hier vult u de naam in van de stof of het middel zoals die op de verpakking en op het VIB staat.
Kolom 3, Leverancier
Hier vult u de naam en eventueel NAW gegevens van de leverancier in. Dit is nuttig als u in
geval van calamiteit snel nadere gegevens wilt opvragen. Ook voor het opvragen van een
update van het VIB is het handig hoewel de leverancier eigenlijk verplicht is om ongevraagd
updates te sturen.
Kolom 4, Datum VIB
Hier vult u de afgifte datum en eventueel het versie nummer van het in uw bezit zijnde VIB in.
Indien u in de afgelopen 12 maanden dit, als gevaarlijk ingedeeld, product nog heeft gekocht bij
uw leverancier, zou u automatische bij wijzigingen in het VIB een nieuw exemplaar
toegezonden moeten krijgen. Mocht het een niet-gevaarlijk product betreffen dan moet u zelf
regelmatig een nieuw exemplaar opvragen. Zoals in de inleiding al gezegd dient een VIB ouder
dan 2 jaar als verouderd te worden beschouwd.
Indien in het hypothetische geval dat er in de laatste 2 jaar geen wijziging hebben
plaatsgevonden, dan is het toch aan te bevelen een exemplaar en nieuwe afgiftedatum op te
vragen. Hiermee toont u aan nagedacht te hebben over het product.
5
Kolom 4, Indeling volgens WMS
Met WMS wordt bedoeld de Wet milieu gevaarlijke stoffen Deze Nederlandse wet is mede
gebaseerd op de Europese Preparatenrichtlijn (99/45/EG). De WMS kent een aantal
gevarenklassen met een daarbij behorend symbool. Sommige gevarenklassen zijn voor OSBleden nauwelijks relevant maar omwille van de compleetheid worden alle 11 klassen in tabel 2
gegeven. Verder kent de WMS nog de klassen Carcinogeen, Mutageen en Reprotoxisch (CMR
stoffen). Deze stoffen hebben geen apart symbool, wel bepaalde R-zinnen (zie kolom 11).
Wat is een CMR stof?
Stoffen die volgens de criteria van Annex VI van Richtlijn 67/548/EEC (geïmplementeerd in de
Wet Milieugevaarlijk Stoffen) geclassificeerd worden als Carcinogeen (kankerverwekkend) en/of
Mutageen (induceert veranderingen in erfelijke genetische eigenschappen) en/of Reproductie
toxisch (giftig voor de voortplanting), worden CMR stoffen genoemd. Afhankelijk van de
beschikbare informatie kunnen CMR stoffen verder ingedeeld worden in C, M en R categorie 1
(eigenschap vastgesteld voor de mens), 2 (eigenschap zeer waarschijnlijk van toepassing voor
de mens) of 3 (eigenschap vermoed voor de mens).
In de schoonmaakwereld komen deze stoffen niet of nauwelijks voor. Wie wil weten waar het
over gaat doet er goed aan om te kijken op site van SZW. Op deze site kun je doorklikken naar
SZW lijsten met kanker verwekkende- en mutagene stoffen en processen (CRM stoffen).
Kolom 5, Indeling ADR (vervoer)
De vervoerswetgeving wordt door velen als gecompliceerd ervaren. Toch is het in feite vrij
eenvoudig. Alles draait om het z.g. UN-nummer. Alle te vervoeren gevaarlijke stoffen hebben
een uniek UN-nummer. Dat kan een UN-nummer zijn voor een enkelvoudige stof maar het kan
ook zijn voor een product (preparaat). Bijvoorbeeld een zure ontkalker krijgt UN-nummer 3264
en de vervoersnaam is dan UN3264 BIJTENDE ZURE ANORGANISCHE VLOEISTOF, N.E.G.
(Fosforzuur, Sulfaminezuur), 8, III
De letters NEG staan voor Niet Elders Genoemd hetgeen aangeeft dat het hier gaat om een
preparaat, dan wel een stof, die als zodanig niet is opgenomen in de ADR wetgeving en dus
wordt ingedeeld op grond van het gevaar. Tussen haakjes worden de stoffen genoemd die
verantwoordelijk zijn voor het gevaar en daarachter staat de ADR code.
8, III staat voor klasse 8 en verpakkingsgroep III (zie hiervoor hoofdstuk 4 van deze handleiding,
Transport van gevaarlijke stoffen. In de tabel vult u in kolom 5 het UN-nummer in en de ADR
gevaarscode. De gevaarscode correspondeert met het label dat op de buitenverpakking goed
zichtbaar moet zijn aangebracht. Het kan voorkomen dat een stof een dubbele gevaarscode en
dus ook 2 vervoersetiketten heeft b.v. 8/3 is een bijtende ontvlambare stof. Deze gevaarscode
is overigens ook belangrijk in verband met de opslag regelgeving.(zie hoofdstuk 3 van deze
handleiding, Opslag van gevaarlijke stoffen)
Tabel 3 geeft een overzicht van de vervoersetiketten. Deze zijn duidelijk anders dan de WMSlabels hoewel ze soms op elkaar lijken. Het komt ook voor dat stoffen voor WMS anders zijn
ingedeeld dan voor ADR. Daaraan komt op termijn een eind als het z.g. Global Harmonised
System (GHS) van kracht wordt. Daarvoor moeten eerst de stoffen volgens de nieuwe regels
worden ingedeeld en pas daarna kan een begin worden gemaakt met het opnieuw indelen van
de preparaten. De verwachting is dat pas in 2008 de nieuwe labelling voor stoffen zichtbaar
wordt op producten in de markt. Het zou wel eens tot 2015 kunnen duren voor het systeem in
zijn geheel is ingevoerd.
6
Kolom 6, Limited Quantities (LQ)
In hoofdstuk 4, Transport van gevaarlijke stoffen en in hoofdstuk 3, opslag van gevaarlijke
stoffen wordt het begrip Limited Quantities uitgelegd alsmede het belang van deze regeling in
verband met bepaalde vrijstellingen bij transport en opslag. In kolom 6 kunt u aangeven of de
door u gebruikte stoffen zodanig zijn verpakt dat ze onder het LQ regime vallen. U kunt dat
vaststellen in rubriek 14 van een deugdelijk VIB en u kunt ook kijken op de transportverpakking
en het vervoerdocument of er een LQ label (zie tabel 3) aanwezig is. Tenslotte kunt u via het
UN-nummer in de grondstoffenlijst tabel 3.2.1 in het ADR vaststellen welke LQ code geldt voor
uw specifieke stof en dan in Tabel 1 van hoofdstuk 4 opzoeken of u onder de regeling val
Kolom 8, pH
De pH waarde geeft aan of een stof zuur, basisch dan wel neutraal is. De waarde ligt op een
schaal van 1 tot 14. pH 7 is absoluut neutraal. Een pH waarde < 7 geeft aan dat een stof een
zuur karakter heeft waarbij moet worden opgemerkt dat een stof pas echt als sterk zuur wordt
beschouwd als de pH <2 is. Een pH waarde > 7 betekent dat een stof alkalisch is waarbij moet
worden opgemerkt dat pas vanaf pH 11,5 een stof echt als een sterke base wordt beschouwd.
De pH waarde hoort te staan in rubriek 9 van een deugdelijk VIB.
Kolom 9, Vlampunt
Definitie vlampunt:
Het vlampunt is de laagste temperatuur waarbij een vloeistof zoveel damp ontwikkelt, dat deze
kan worden aangestoken door bijvoorbeeld een vonk of een vlam. Het vlampunt geeft de mate
van brandbaarheid aan. Hoe lager het vlampunt, des te brandbaarder de vloeistof.
Belangrijke grenzen zijn 55ºC en 61ºC, dit zijn namelijk de grenswaarde voor indeling als
brandgevaarlijk in respectievelijk de WMS en voor ADR. Toch kan het voorkomen dat een stof
weliswaar een vlampunt heeft dat indeling als gevaarlijk tot gevolg heeft maar dat de stof niet is
ingedeeld. Zie daarvoor kolom 10, “onderhoudt de verbranding”. Het vlampunt hoort, indien
relevant, te staan in rubriek 9 van het VIB.
Kolom 10, Onderhoudt de verbranding
Als een stof een vlampunt heeft van < 55 (WMS) resp. tussen 35 en 61 (ADR) maar niet de
verbranding onderhoudt, dan is de stof toch niet als brandgevaarlijk ingedeeld.
Kolom 11, R-zinnen
R-zinnen geven het gevaar aan dat aan een stof verbonden is aan. Een complete lijst van Rzinnen vindt u in bijlage I. Bij alle R-zinnen horen weer bepaalde gevaarsymbolen die u vindt in
tabel 2, WMS symbolen en code. De voor het product relevante R-zinnen en het bijbehorende
symbool vindt u in rubriek 15 van het VIB.
Overigens vindt u ook R-zinnen in rubriek 16 van het VIB maar die zijn gerelateerd aan de
onverdunde grondstoffen die in het preparaat worden gebruikt. Dit zorgt vaak voor verwarring.
Kolom 12, S-zinnen
S-zinnen geven relevante veiligheidsmaatregelen aan. Een complete lijst van S-zinnen vindt u
in bijlage II. De voor het product relevante S-zinnen vindt u in rubriek 15 van het VIB.
7
Kolom 13, Locatie
In deze kolom kunt u invullen waar welk product staat c.q. is opgeslagen. Als u van mening bent
dat deze informatie weinig zinvol is, kan deze kolom worden verwijderd.
Kolom 14, Voorraad gegevens
In verband met de eisen die de milieuvergunning stelt kan het nuttig zijn om de minimale,
maximale of gemiddelde voorraad per product vast te leggen.
Kolom 15, Opmerkingen
In deze kolom kunt u alles kwijt wat niet in één van de eerdere 14 kolommen is vastgelegd.
8
Tabel 1 Stoffeninventarisatie (Zie Excel document)
Kolom
Stofnummer
2
Handelsnaam
3
Leverancier
Datum VIB*
4
Indeling WMS
5
Indeling ADR
1
Azijnzuuranhydride
OSB
31-11-2004
C
UN 1715 label 8/3
2
3
4
Sanitairreiniger
Interieurreiniger
Stripper
OSB
OSB
OSB
1-5-2005
1-5-2005
1-4-2003
Xi
Niet
C
UN 3264 label 8
niet
UN 3266 label 8
*Gezien de voortdurend in beweging zijnde wetgeving is het principe vervang een VIB na maximaal 2 jaar.
6
LQ
8
pH
22
<1
19
nvt
19
<1
ca.8
13-14
9
10
11
12
Vlampunt Onderhoudt R zinnen S zinnen
verbranding
49
Ja
10-20/22-34 1/2-2636/37/3945
nvt
nvt
58
13
Locatie
14
Voorraad
Min/Gem.
Laboratorium 1/3 kg.
Werkkast
Werkkast
Magazijn
1-10 liter
1-10 liter
5-25 liter
Nvt
Nvt
Nee
36-38
nvt
34-52/53
15
Opmerkingen
Nieuw VIB opvragen
9
2-46
nvt
2-2636/37/3945
Tabel 2, WMS symbolen en code
Symbool en
WMS code
Omschrijving
E
Ontplofbaar
O
Oxiderend
F+
Zeer licht ontvlambaar
F
Licht ontvlambaar
Geen symbool
Alleen tekst: ontvlambaar (= R 10)
T+
Zeer vergiftig
T
Vergiftig
C
Bijtend
Xn
Schadelijk
Xi
Irriterend
N
Milieugevaarlijk
Als GHS is doorgevoerd zullen deze symbolen zijn vervangen door de nieuwe GHS symbolen,
een paar daarvan zijn boven weergegeven.
10
Tabel 3 ADR symbolen en code
Label
ADR
code
3
Omschrijving
Brandgevaarlijke vloeistof klasse
Er is een identiek label Code 2.1 met een 2 in de punt. Die
staat voor brandgevaarlijk gas
Brandgevaarlijke vaste stof
4.1
4.3
Ontwikkelt brandbare gassen bij aanraking met water
5.1
Oxiderende stof
Er is een identiek label code met 5.2 in de punt, code 5.2. Die
staat voor organisch peroxide
6.1
Giftige stof
Er is een identiek label code met 2.3 in de punt, code 2.3. Die
staat voor giftig gas
8
Bijtende (Corrosieve) stof
9
Verschillende gevaren o.a. milieu gevaarlijk
LQ
Label voor transport onder de LQ vrijstellingsregeling (zie
transporthandleiding hoofdstuk 3
Er zijn nog meer ADR symbolen maar die zijn voor OSB minder relevant.
Ook onder GHS zullen de transportsymbolen verschillen van de afleversymbolen.
Bovenstaande symbolen gelden ook voor GHS.
11
3.
Opslag van gevaarlijke stoffen
3.1
Inleiding
Aan de opslag van gevaarlijke stoffen wordt een aantal eisen gesteld. Deze eisen zijn
afhankelijk van de opgeslagen hoeveelheden en het specifieke gevaar dat bepaalde stoffen of
combinaties van stoffen geven. Milieuregels voor bedrijven zijn vooral gebaseerd op de Wet
milieubeheer (Wm). Bedrijven hebben een milieuvergunning nodig, tenzij ze voldoen aan
algemene regels die staan in zogenaamde 8.40-AMvB's. Dit zijn algemene maatregelen van
bestuur (AMvB) op basis van artikel 8.40 van de Wm. Deze AMvB's bevatten milieuregels voor
bepaalde bedrijfssectoren zoals de horeca, transportbedrijven en detailhandel. Bedrijven die
onder zo'n 8.40-AMvB vallen (ongeveer 300.000), hebben geen milieuvergunning nodig, maar
moeten hun activiteiten wel melden bij de gemeente.
Zie ook: http://www.vrom.nl/ onder dossier 8.40 AMvB’s
De richtlijnen in de CPR 15-serie zijn nu in geactualiseerde vorm samengevoegd tot een nieuwe
richtlijn in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, de PGS-15, deze is gratis te downloaden op
de site van het ministerie van VROM.
Indien een bestaande opslagvoorziening, alsmede de daarvoor verleende milieu- resp.
hinderwetvergunning is gebaseerd op de CPR 15-richtlijnen of de CPR 11-6, kan deze situatie
nog steeds als de stand der techniek worden beschouwd en blijven de genoemde richtlijnen op
deze vergunning dus van toepassing! In de praktijk zal dus een geleidelijke overgang naar de
nieuwe PGS-15 ontstaan. De uitgangspunten voor ontwerp en bouw van een opslagvoorziening
kunnen over het algemeen niet gedurende de levensduur gewijzigd worden. Aangenomen mag
dus worden dat deze uitgangspunten ongewijzigd blijven.
Dit geldt in mindere mate voor bijvoorbeeld (veiligheid)voorzieningen, blusinstallaties etc.
Gebruiks- of onderhoudsprocedures en soortgelijke organisatorische maatregelen kunnen waar
nodig relatief snel aangepast worden. Bij revisievergunning zal daarom steeds vastgesteld
moeten worden welke bestaande maatregelen van kracht kunnen blijven en waar regels uit de
PGS toegepast zullen gaan worden. Gewijzigde inzichten in risico’s en benodigde
voorzieningen, en technische mogelijkheden tot aanpassingen binnen bestaande installaties
zullen hier een rol spelen. Een uitzondering vormen de inrichtingen waarin
brandbeveiligingsinstallaties zijn geïnstalleerd waarvan op grond van ervaring is gebleken dat
deze niet meer adequaat zijn. Deze vergunningen moeten op dit punt worden geactualiseerd
en/of opslagsituaties moeten worden aangepast.
Bij uitbreidings- en oprichtingsvergunningen zal altijd de PGS-15 gehanteerd worden.
Bij het toezicht door de Arbeidsinspectie en bij de advisering door de locale en regionale
brandweer omtrent nieuwe opslagen van gevaarlijke stoffen geldt eveneens dat PGS-15 het
uitgangspunt vormt. De basis voor de inspectie is altijd de Milieuvergunning of de AMvB 8.40
Attentie:
Voor de toepassing van PGS-15 geldt het zgn. “gelijkwaardigheidbeginsel”. Dit houdt in dat
andere maatregelen kunnen worden getroffen dan in de voorschriften van PGS-15 zijn
opgenomen. In de praktijk betekent dit dan wel dat tijdens het vooroverleg of in de
vergunningaanvraag, gegevens moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat met deze
maatregelen minimaal een gelijkwaardige bescherming van het milieu, arbeidsbescherming of
brandveiligheid kan worden bereikt.
Maar ook voor het gezag (veelal de gemeente, maar ook de Arbeidsinspectie of de brandweer)
is de PGS niet bindend! Hoewel deze veelal door de instanties als richtlijn wordt gebruikt, is er
géén sprake van een landelijk uniform beleid en men kan lokaal dan ook afwijkende en/of
aanvullende eisen stellen.
12
3.2.
Welke stoffen vallen onder de werkingssfeer van de PGS-15?
In PGS-15 is voor de indeling en definiëring van gevaarlijke stoffen aangesloten bij de Wet
vervoer gevaarlijke stoffen. De classificatie van gevaarlijke stoffen vindt plaats conform de
Europese overeenkomst ADR (Accord Européen relatif au transport international des
marchandises dangereuses par route). Het ADR kent 13 classificaties van gevaarlijke stoffen.
De gevarenklassen.
Gevaarlijke goederen worden ingedeeld in klassen, en dit volgens de aard van het gevaar.
Indien een stof meerdere gevaarlijke eigenschappen vertoont, wordt ze ingedeeld volgens het
grootste gevaar tijdens het vervoer.
De complete lijst met gevaarsklassen is hieronder gegeven.
-Klasse 1 :
ontplofbare stoffen en voorwerpen.
-Klasse 2 :
gassen
-Klasse 3 :
brandbare vloeistoffen
-Klasse 4.1 :
brandbare vaste stoffen
-Klasse 4.2 :
voor zelfontbranding vatbare stoffen
-Klasse 4.3 :
stoffen die in aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen
-Klasse 5.1 :
oxiderende stoffen (stoffen die de verbranding bevorderen)
-Klasse 5.2 :
organische peroxiden
-Klasse 6.1 :
giftige stoffen
-Klasse 6.2 :
besmettelijke (of infectueuze) stoffen
-Klasse 7 :
radioactieve stoffen
-Klasse 8 :
bijtende (corrosieve) stoffen
-Klasse 9 :
diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen waaronder milieugevaarlijke stoffen
Niet alle gevarenklassen zijn voor OSB-leden relevant. In deze handleiding kunnen we ons
beperken tot de klassen:
-Klasse 2 :
gassen
-Klasse 3 :
brandbare vloeistoffen
-Klasse 5.1 :
oxiderende stoffen (stoffen die de verbranding bevorderen)
-Klasse 5.2 :
organische peroxiden
-Klasse 8 :
bijtende (corrosieve) stoffen
-Klasse 9 :
diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen waaronder milieugevaarlijke stoffen
Tabel 1:
Werkingssfeer PGS-15
Wel onder werkingssfeer PGS-15
ADR-klassen:
3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1 en 8
de milieugevaarlijke stoffen van de klasse 9 m.u.v.
genetisch gemodificeerde organismen
ADR-klasse 2 voor zover spuitbussen en gasflessen
ADR-klasse 5.2* tot maximaal 150 kg
CMR-stoffen:
carcinoge, mutagene en reprotoxische stoffen
gevaarlijke afvalstoffen
(niet vallend onder ADR klasse 1, 6.2 en 7)
13
Niet onder werkingssfeer PGS-15
ADR-klassen:
1, 6.2, 7
overige stoffen van de klasse 9
ADR-klasse 5.2 vanaf 150 kg (hiervoor
geldt CPR 3)
nitraathoudende kunstmeststoffen
(hiervoor geldt CPR 1)
genetisch gemodificeerde organismen
bestrijdingsmiddelen tot 400 kg (valt onder
Bestrijdingsmiddelenbesluit)
Ondergrenzen voor vrijstelling
Voor de werkingssfeer van PGS-15 zijn ondergrenzen vastgesteld. Daarbij is rekening
gehouden met zowel de gevaarsaspecten die bepaalde stoffen kunnen bezitten als wel de
hoeveelheid gevaarlijke stoffen die voor een goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mag
worden beschouwd. In de navolgende tabel zijn de te hanteren ondergrenzen genoemd.
Tabel 2: Ondergrenzen voor vrijstelling
Verpakkinggroep
Gevaar conform de
klasse zonder
bijkomend gevaar
Alle klassen en de CMR
I
stoffen
nvt
2
(UN 1950 Spuitbussen
& UN 2037 Houders,
klein, gas)
3
II
3
III
4.1, 4.2, 4.3
II enIII
5.1
II en III
8
II en III
9
II en III
Ondergrens / vrijstelling in
kg of l*
1
50
25
50
50
50
250
250
Bij overschrijding is PGS-15 van toepassing.
Voor verpakking die onder het regime van gelimiteerde hoeveelheden (LQ) vallen (zie
hoofdstuk 3.4 van het ADR en hoofdstuk 4.3.6 van deze handleiding) geldt een vrijstelling die
twee keer zo hoog is als in de tabel genoemd.
Om te weten of uw stoffen vallen onder verpakkingsgroep II of III dient u de desbetreffende
informatie te halen uit rubriek 14 van het VIB. Voor stoffen met een bijkomend gevaar is de
laagste ondergrens/vrijstelling bepalend.
Opgemerkt wordt dat hoeveelheden van gevaarlijke stoffen die de voornoemde ondergrenzen
niet overschrijden wel verantwoord moeten worden opgeslagen. Dat wil zeggen dat opslag niet
op de werkvloer mag plaatsvinden, tenzij het gaat om een hoeveelheid die als werkvoorraad
kan worden aangeduid.
Door deze nieuwe richtlijn is in principe het probleem van opslag in werkkasten opgelost
immers de hoeveelheden gevaarlijke stof in een werkkast zullen normaal gesproken
ruimschoots binnen de vrijstellingsregeling vallen.
Hieronder volgt nog een willekeurig en niet compleet overzicht van mogelijke eisen die gelden
bij opslag volgens PGS-15. Nogmaals wordt er nadrukkelijk op gewezen dat de uiteindelijk te
nemen maatregelen worden bepaald door de lokale overheid die daarvoor weliswaar PGS-15
als leidraad hanteert maar die ook mag afwijken. Het is dan ook af te raden om pro actief
maatregelen te nemen en dan een milieuvergunning aan te vragen.
3.3 Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening
De PGS-15 besteedt veel aandacht aan brandveiligheid. Verder zijn er eisen voor de
vloeistofdichtheid van vloeren en aan de kwaliteit van stellingen.
14
3.3.1. Relatie met bouwregelgeving
De bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening voor gevaarlijke stoffen zijn aanvullend op
hetgeen in het Bouwbesluit 2003 voor de opslag van gevaarlijke stoffen reeds is geregeld. Er is
wat betreft filosofie, veiligheidsniveau en begrippen aansluiting gezocht bij het Bouwbesluit
2003. Onder bouwkundige eisen worden in dit verband constructieve en materiaaltechnische
eisen verstaan. Dit is vergelijkbaar met wat in het Vuurwerkbesluit is gedaan. De doelstelling
van het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot het beperken van uitbreiding van brand
(brandcompartimentering) is vergelijkbaar met de doelstelling van de in het kader van de Wet
milieubeheer te stellen voorschriften aan de opslag van gevaarlijke stoffen: een brand in een
ruimte waarin gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen moet zoveel mogelijk beperkt blijven tot die
ruimte, en een brand buiten een dergelijke ruimte zou buiten die ruimte moeten worden
gehouden.
3.3.2. Kwaliteit vloeren
Binnen een opslagvoorziening of bij een overslag- of laad- en losgedeelte moeten
bodembeschermde voorzieningen en maatregelen zijn getroffen die in combinatie leiden tot een
verwaarloosbaar bodemrisico (A) conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming
bedrijfsmatige activiteiten (NRB).
In de vloer van een opslagvoorziening mogen zich geen openingen bevinden die in directe
verbinding staan of kunnen worden gebracht met een riolering of met het oppervlaktewater.
3.3.3. Kwaliteit stellingen
Een stelling voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen moet bestand zijn tegen de
opgeslagen gevaarlijke stoffen en stabiel zijn. Een stelling mag niet zwaarder worden belast
dan waarvoor de stelling ontworpen is. De geschiktheid van een stelling moet kunnen worden
aangetoond. Bij het gebruik van een stelling moet rekening gehouden worden met de risico's
van de gevaarlijke stof, zowel qua klasse als verpakkingsgroep.
3.3.4. Ventilatie
Een opslagvoorziening moet doelmatig zijn geventileerd. Afvoer van ventilatielucht moet op
de buitenlucht plaatsvinden. Indien natuurlijke ventilatie op de buitenlucht aanwezig is, moeten
ventilatieopeningen zo ver mogelijk van elkaar (diametraal) zijn aangebracht. De ventilatie moet
continu zijn en de ventilatievoud (aantal keren per uur dat de lucht in een ruimte ververst wordt)
van de ruimte per uur moet te allen tijde minimaal 1 bedragen. Een grotere ventilatievoud kan
noodzakelijk zijn, afhankelijk van de gevaarsaspecten van de opgeslagen stoffen
(explosieveiligheid / arbeidshygiënische omstandigheden).
3.3.5. Productopvang
Een opslagvoorziening moet zodanig zijn geconstrueerd dat gelekte of gemorste gevaarlijke
vloeistof redelijkerwijs niet uit de voorziening kan stromen. Daartoe moet de opslagvoorziening
een opvangcapaciteit hebben van tenminste 110% van de inhoud van de grootste emballage,
maar (als dat méér is) tenminste 10% van de inhoud van de totale emballage. De
opvangvoorziening moet voldoende bestand zijn tegen de opgeslagen stoffen. In de
opvangvoorziening mogen zich geen openingen bevinden die in rechtstreekse verbinding staan
met de riolering.
Toelichting: De opvangcapaciteit geldt alleen voor vloeistoffen. Lege ongereinigde emballage
telt daarbij niet mee. Voor opslaghoeveelheden groter dan 10 ton gelden andere bepalingen
(zie hoofdstuk 4).
15
3.4. Verpakking en etikettering.
De verpakking van de in een opslagvoorziening aanwezige gevaarlijke stoffen moet zodanig zijn
dat:
• niets van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen;
• het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan
wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan
vormen;
• de verpakking tegen normale behandeling bestand is.
IBC's en kleine verpakkingen moeten zijn voorzien van het zogenaamde UN kenmerk, wat wil
zeggen dat het een geteste verpakking is die voldoet aan de testeisen die zijn opgesteld door
de Verenigde Naties
Toelichting:
Over het algemeen bevinden gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening zich in de
zogenaamde UN-gekeurde verpakking. Daarnaast zijn er consumentenomverpakkingen die zijn
verpakt volgens het regime van de zogenaamde gelimiteerde hoeveelheden (limited quantities /
LQ) In deze verpakkingen is een dermate geringe hoeveelheid gevaarlijke stof aanwezig dat er
slechts een beperkt risico ontstaat indien deze hoeveelheid vrijkomt. (ADR sectie 3.4 en ook
hoofdstuk 4.3.6 van deze handleiding behandelen de wijze waarop gelimiteerde hoeveelheden
behandeld moeten worden en welke vrijstellingen daarvoor gelden.)
Breekbare verpakking moet in een opslagvoorziening (de werkvoorraad uitgezonderd) zoveel
mogelijk conform de vervoersregelgeving opgeslagen worden als samengestelde verpakking
(zie ADR subsectie 1.2.1 en 4.1.1.5).
De etikettering van de in een opslagvoorziening aanwezige gevaarlijke stoffen moet zodanig
zijn dat de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen. (zie p 12 Tabel 3
ADR symbolen en code)
3.5. Onverenigbare combinaties
Gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen die met elkaar gevaarlijke reacties kunnen aangaan waarbij
sterke verhoging van temperatuur of druk optreedt of waarbij gassen kunnen ontstaan die
giftiger of brandbaarder zijn dan op grond van de eigenschappen van één van de stoffen is te
verwachten, moeten gescheiden van elkaar worden opgeslagen. Dit voorschrift is niet van
toepassing voor stoffen die vallen onder het regime van gelimiteerde hoeveelheden (hoofdstuk
3.4 van het ADR).
Toelichting:
Het doel van het gescheiden opslaan van gevaarlijke stoffen is dat bij het vrijkomen van de stof
uit de verpakking voorkomen wordt dat door de vrijgekomen stof een groter (vervolg)effect
ontstaat dan op grond van de eigenschappen van de betreffende stof verwacht kan worden. In
de volledige tekst van PGS-15 is in bijlage 3 weergegeven hoe in praktische zin deze
doelstelling kan worden gerealiseerd.
3.6. Gebruik opslagvoorziening
Indien verpakte gevaarlijke stoffen gestapeld worden opgeslagen, moet de verpakking op
veilige wijze gestapeld zijn, waarbij rekening gehouden wordt met de sterkte van de verpakking.
Pallets met verpakte gevaarlijke stoffen die zijn gestapeld, moeten van een deugdelijke
constructie zijn. Voor iedere wijze van verpakking moet afhankelijk van gewicht en sterkte van
de verpakking een maximale stapeling worden vastgesteld. Breekbare (glazen) enkelvoudige
verpakking mag niet worden gestapeld. In een opslagvoorziening mogen geen gemotoriseerde
transportmiddelen (zoals heftrucks) aanwezig zijn, anders dan ten behoeve van en slechts
gedurende de tijd van het laden en lossen. In de opslagvoorziening moet regelmatig worden
gecontroleerd op lekkages of beschadiging van de aanwezige emballage.
16
3.7. Incidenten met gemorste gevaarlijke stoffen
Gemorste of gelekte gevaarlijke stoffen die in een opslagvoorziening zijn vrijgekomen moeten
zo snel mogelijk worden opgeruimd. Daartoe moeten in of nabij de opslagvoorziening
materialen aanwezig zijn om deze stoffen te immobiliseren, te neutraliseren of te absorberen.
De aard en hoeveelheid van deze materialen moeten zijn afgestemd op de aard en hoeveelheid
van de opgeslagen gevaarlijke stoffen, en de grootte van de aanwezige verpakkingen.
Indien een verpakking lekt, moet deze lekkage onmiddellijk worden verholpen, bijvoorbeeld
door lekkende vaten in overmaatse vaten te plaatsen. Bij lekkage moet ontwikkeling en
verspreiding van giftige of explosieve stoffen of stankstoffen tot een minimum worden beperkt
door doelmatige ventilatie, beperking van verspreiding van de vloeistof en snelle opname door
middel van absorptiemateriaal. Op een duidelijk zichtbare plaats bij de toegang tot de inrichting
of bij de portier moet een duidelijk leesbare instructie zijn aangebracht over de te nemen
maatregelen in het geval van een calamiteit. Deze instructie moet gegevens bevatten van
instanties of personen waarmee in het geval van een calamiteit contact moet worden
opgenomen.
3.8. Rook- en vuurverbod, blustoestellen
Binnen een opslagvoorziening en tevens binnen een afstand van 2 m daarbuiten mag niet
worden gerookt en mag geen open vuur aanwezig zijn. Aan de buitenzijde van de
opslagvoorziening moet op daartoe geschikte plaatsen met betrekking tot dit verbod een
2
pictogram in overeenstemming met NEN 3011 zijn aangebracht. Voor elke 200 m
vloeroppervlakte van een opslagvoorziening moet ten minste één draagbaar
blustoestel aanwezig zijn met een vulling van ten minste 6 kg of liter blusstof. Het blustoestel
moet tegen weersinvloeden zijn beschermd. De keuze van het type blustoestel moet zodanig
zijn dat deze geschikt is om een beginnende brand van de opgeslagen stoffen te blussen.
3.9 Persoonlijke beschermingsmaatregelen
Indien in een opslagvoorziening gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van een
werknemer aanwezig is of kan ontstaan, moeten voor werknemers die aan dat gevaar
blootstaan of kunnen blootstaan persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal
beschikbaar zijn en moet ervoor worden gezorgd dat werknemers, indien daartoe aanleiding is,
die middelen gebruiken. Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden onderhouden,
gerepareerd en zindelijk worden gehouden. Meer informatie hierover vindt u in de
Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.
Toelichting:
Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn mede bedoeld om personen te beschermen bij
onvoorziene voorvallen en incidenten met verpakkingen. Bij persoonlijke beschermingsmiddelen welke aan een houdbaarheidsdatum zijn gerelateerd mag de op de verpakking
vermelde houdbaarheidsdatum niet overschreden worden. Persoonlijke beschermingsmiddelen
moeten te allen tijde voor een ieder duidelijk zichtbaar, gemakkelijk bereikbaar en voor direct
gebruik gereed zijn. Alvorens een persoonlijk beschermingsmiddel te kiezen maakt de
werkgever, in het kader van de risico-inventarisatie en evaluatie, een beoordeling van de
uitrusting die hij voornemens is ter beschikking te stellen. Deze beoordeling omvat:
a.
Een inventarisatie en evaluatie van de gevaren die niet met andere middelen vermeden
kunnen worden;
b.
Een omschrijving van de kenmerken die de persoonlijke beschermingsmiddelen moeten
bezitten om de onder a vermelde gevaren te kunnen ondervangen, rekening houdend
met eventuele gevaarsbronnen die de persoonlijke beschermingsmiddelen zelf kunnen
vormen;
c.
Een inventarisatie en evaluatie van de kenmerken van de betreffende persoonlijke
beschermingsmiddelen die beschikbaar zijn, vergeleken met de onder b bedoelde
kenmerken.
17
4.
Transport van gevaarlijke stoffen
4.1. Inleiding
In deze handleiding staat beschreven hoe binnen de schoonmaakbranche invulling kan worden
gegeven aan het transport van gevaarlijke stoffen over de weg binnen Nederland. Ook wordt de
mogelijkheid beschreven om dergelijk transport uit te voeren zonder aan de gehele ADR
(transport)-wetgeving te moeten voldoen. Een en ander is mogelijk door gebruik te maken van
een zogenaamde “vrijstellingsregeling”, die in de wet is opgenomen. Indien het niet mogelijk of
haalbaar is binnen de aangegeven beperkingen te vervoeren, valt het transport van gevaarlijke
stoffen altijd onder de ADR-wetgeving en dienen uitgebreide maatregelen te worden getroffen.
In dat geval wordt doorverwezen naar de wetgeving zelf. U zult dan een veiligheidsadviseur in
dienst moeten hebben dan wel op parttime basis inhuren. Deze handleiding beperkt zich tot
voorschriften voor vervoer van colli, tankvervoer kent ander eisen.
Wij willen er met klem op wijzen dat u voor het transport van gevaarlijke stoffen conform deze
handleiding voldoet aan de eisen die de wetgever stelt, maar dat u zelf altijd verantwoordelijk en
aansprakelijk blijft voor het transport. Ook wijzen wij erop dat deze handleiding is gebaseerd op
de tekst van het ADR 2007. Aangezien de vervoerswetgeving, ADR, iedere 2 jaar wordt
herzien, is de inhoud van deze handleiding geldig tot 1 januari 2009. Daarna is er nog een
overgangstermijn tot 1 juli 2009. Vervolgens moet u voldoen aan het dan geldende ADR 2009.
Wanneer gebruik wordt gemaakt van de regeling zoals beschreven in ADR 1.1.3.1c) is de
vrijstelling beperkt tot vervoer van stoffen, verricht door ondernemingen, dat ondergeschikt is
aan hun hoofdbedrijfsactiviteit, zoals levering aan schoonmaak objecten. De vrijstelling geldt
niet voor vervoer door bedoelde ondernemingen ten behoeve van eigen toelevering of externe
dan wel interne distributie.
Naast bovenbeschreven algehele vrijstelling bestaan nog 2 regelingen die gedeeltelijke
vrijstellingen van de ADR regels inhouden:
-de z.g. 1000 punten regeling (ADR 1.1.3.6). Dit is overigens een vrij complexe materie!
-het vervoer onder het beperkte hoeveelheden regime (Limited Quantities, LQ. ADR 3.4).
4.2. Algemene voorzieningen voor transport van gevaarlijke stoffen
Een bedrijf dat gevaarlijke stoffen vervoert, is verantwoordelijk voor de veiligheid van dit
transport. Ook al wordt gebruik gemaakt van een vrijstellingsregeling binnen de wetgeving, dan
nog kan het bedrijf aansprakelijk worden gesteld voor eventuele nadelige gevolgen voor
derden.
In dit hoofdstuk worden de algemene voorzieningen aangegeven die naar de mening van OSB
altijd aanwezig moeten zijn indien reinigingsmiddelen, maar ook hulpmaterialen batterijen en
machines, worden vervoerd. Dit geldt dus ook als er geen gevaarlijke stoffen aanwezig zijn!
4.2.1. Algemene voorzieningen voor de uitrusting van het voertuig
Om reinigingsmiddelen, hulpmaterialen en/of machines veilig te kunnen vervoeren adviseert
OSB om de volgende voorzieningen te treffen:
• Vastzetten van de eventueel aanwezige gevaarlijke stoffen en de overige te vervoeren
artikelen.
• Scheiden van zuren, basen en chloorbleekmiddel houdende stoffen. Over hoe dit moet
gebeuren is de wetgever niet erg duidelijk. Er moet doeltreffend worden gescheiden zodat
er geen gevaar is voor reactie tussen de verschillende stoffen. Dit betekent in de praktijk dat
er zo mogelijk neutrale stoffen geplaatst dienen te worden tussen met elkaar reagerende
stoffen.
• Lekbakken voor gevaarlijke vloeistoffen.
18
•
•
•
•
•
Minimaal 1 draagbaar brandblusapparaat met een minimumcapaciteit van 2 kg. poeder (of
een daarmee overeenkomende capaciteit van een ander geschikt blusmiddel) dat geschikt
is om een brand in de motor of de bestuurderscabine van de transporteenheid te bestrijden.
Wanneer op de verpakking een ADR vervoerscode staat adviseert OSB voor
transporteenheden met een maximaal toegestane belading van 3500 kg., additioneel een
brandblusapparaat met een minimumcapaciteit van 4 kg. poeder.
Een deugdelijk, reflecterend, veiligheidsvest voor elk bemanningslid van het voertuig.
Autoverbanddoos.
Draagbare verlichtingsapparatuur (Zaklamp)
4.2.2. Algemene voorzieningen voor documenten.
Voor zover niet onder een vrijstellingsregeling zoals beschreven in ADR 1.1.3.1 t/m 1.1.3.5
wordt vervoerd moet elk transport van gevaarlijke goederen voorzien zijn van een aantal
documenten zoals beschreven in hoofdstuk 5.4 van het ADR.
• Een vervoersdocument volgens 5.4.1.1.1.
• Schriftelijke instructies volgens 5.4.3 (TREM card)
• Legitimatiebewijzen voorzien van pasfoto voor elk bemanningslid.
4.2.3. Algemene voorzieningen voor verpakkingen.
Om aan de eisen te voldoen adviseert OSB om alleen stoffen in de originele verpakkingen te
vervoeren en om in ieder geval de aanwijzingen uit het VIB in acht te nemen.
• Er dient aan de volgende verpakkingseisen te worden voldaan:
Ter voorkoming van ongevallen, en teneinde de schade in geval van ongeval zoveel
mogelijk te beperken is het van uitermate groot belang dat gevaarlijke goederen tijdens het
transport op een zeer degelijke wijze verpakt zijn.
Bovendien moet iedere verpakking van als gevaarlijk ingedeelde stoffen voorzien zijn van
de letters UN, gevolg door het UN-nummer van het verpakte product. In de meeste gevallen
voldoet de oorspronkelijke verpakking van de leverancier.
Stukgoedverpakking (colli): dit zijn dozen, vaten, jerrycans, zakken, flessen met een maximale
inhoud van 450 l of 400 kg. Deze verpakkingen kunnen van papier, glas, plastic of hout zijn
vervaardigd. Deze verpakkingen moeten aan een aantal eisen voldoen :
• ze moeten bestand zijn tegen normale transportbehandelingen,
• ze moeten goed gesloten zijn,
• ze moeten bestand zijn tegen de producten die ze bevatten,
• ze moeten zodanig gevuld zijn dat eventuele uitzetting bij warmte mogelijk blijft,
• ze moeten aan de buitenkant vrij zijn van productresten .
Om te weten of een verpakking geschikt is voor gevaarlijke stoffen dient deze gekeurd te zijn.
Als bewijs van de keuring is op de verpakking een UN-merkteken aangebracht
Let er dus op dat de gevaarlijke goederen in een nette UN-gekeurde verpakking worden
vervoerd. Voor kunststof vaten is het ook belangrijk dat deze niet mogen worden gebruikt voor
het vervoer van gevaarlijke stoffen indien deze ouder zijn dan 5 jaar. Het jaartal van fabricage is
opgenomen in de UN-keurmerken.
19
4.2.4. Kenmerken van verpakkingen met gevraarlijke stoffen
Elke gevaarlijke stof in het ADR heeft een stofidentificatienummer, ook wel UN-nummer
genoemd.
Het UN-nummer bestaat uit vier cijfers en is onderdeel van de ADR-transportnaam. Elke met
naam genoemde stof heeft een eigen UN-nummer, bijvoorbeeld “UN 1230” voor methanol of
“UN 1203” voor benzine. Is een stof niet met naam genoemd in het ADR, maar op basis van de
gevaarseigenschappen wel in te delen in een gevarenklasse, dan moet aan de stof een
algemeen UN-nummer worden toegekend, bijvoorbeeld “UN 1760”, dat een algemeen UNnummer is voor bijtende vloeistoffen.
Elke verpakking moet goed zichtbaar en leesbaar voorzien worden van het UN-nummer van de
stof, voorafgegaan door de letters “UN”.
Nieuw in ADR 2007 is het begrip “oververpakkingen”.
Als een extra oververpakking wordt gebruikt (zoals een omdoos, krat of pallet), dan moet deze
worden voorzien van het opschrift “oververpakking” en van alle UN-nummers die op de
aanwezige verpakkingen staan, tenzij deze aan de buitenzijde van de oververpakking duidelijk
zichtbaar zijn. Dit geldt dus b.v. als u 2 cans in een aparte doos of in een ondoorzichtige
krimpfolie naar een object vervoert en niet onder een vrijstellingsregeling valt.
Als gebruik wordt gemaakt van een extra oververpakking (zoals een omdoos, krat of pallet), en
het LQ-kenmerk is aan de buitenzijde niet meer zichtbaar, dan moet ook de oververpakking
hiervan worden voorzien.
Ook voor lege ongereinigde verpakkingen, tanks, etc die retour gaan naar de afzender gelden
bepaalde eisen. Zo mag het vervoerdocument aanwezig zijn dat gebruikt werd bij de volle
lading. De daarop vermelde hoeveelheid moet dan worden vervangen door de tekst “leeg,
ongereinigd, retour”. Labelling moet zijn zoals voor de volle verpakking.
4.2.5 Opleidingseisen, bij vervoer van gevaarlijke stoffen onder vrijstelling
In het verleden was het zo dat aan chauffeurs van voertuigen met een ttm < 3,5 ton geen eisen
werden gesteld m.b.t. opleidingen. De overgangstermijn voor vrijstelling van het
vakbekwaamheidcertificaat voor voertuigen met een ttm < 3,5 ton loopt af. Alle chauffeurs van
gevaarlijke stoffen moeten 1 januari 2007 het certificaat bezitten, tenzij een vrijstelling
(kleinverpakkingen, werkhoeveelheden of beperkte hoeveelheden) wordt gebruikt. Dus ook
onder de 1000 punten regeling is opleiding vereist.
4.3. Vrijstellingen
4.3.1. Inleiding.
Het ADR kent een aantal geheel dan wel gedeeltelijke vrijstellingen. De voor OSB-leden in
aanmerking komende vrijstellingen zijn:
a) ADR 1.1.3.1 c) Vervoer van zgn. “dagvoorraden” die worden vervoerd met zgn.
“servicewagens”. Deze vrijstelling geldt dus niet voor eigen toelevering dan wel externe of
interne distributie. De bovengrens is beperkt tot 450 liter, volgens ADR als gevaarlijk
ingedeelde stoffen, met in acht nemen van de regels van de maxima zoals vastgesteld in
de zgn. 1000 punten regeling (zie onder).
b) ADR 1.1.3.4 Vervoer onder de regeling beperkte hoeveelheden (limited quantities, LQ). Dit
houdt in dat als gevaarlijk ingedeelde stoffen geheel zijn vrijgesteld van de ADR regels als
de verpakking voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in ADR 3.4. In de praktijk
betekent dit dat de stoffen moeten zijn verpakt in een binnenverpakking en
buitenverpakking met in acht nemen van de limieten zoals gegeven in de ADR tabel
3.4.6.(zie tabel 1 hieronder) De buitenverpakking moet dan wel zijn voorzien van een witte
sticker model 8551 of 8552 en zoals beschreven onderaan de LQ tabel verderop in dit
hoofdstuk.
20
c) ADR 1.1.3.6.1 Vrijstelling in samenhang met de vervoerde hoeveelheid per
transporteenheid, de zgn. 1000 punten regeling. Deze regeling geeft alleen vrijstelling voor
de bepalingen van de hoofdstukken:
Voorschriften voor de beveiliging.
- 5.3 Etiketteren en kenmerken van containers en voertuigen
- 5.4.3 Schriftelijke instructies
- Voorschriften voor de bemanning, uitrusting, exploitatie en documentatie m.u.v 8.1.2.1 a)
en c) (vervoersdocumenten) 8.1.4.2 t/m 8.1.4.5 Blusmiddelen.
- 8.2.3 Opleidingseisen aan bemanning.
- 9 Voorschriften inzake goedkeuring van voertuigen.
De volgende voorschriften zijn nog steeds van toepassing:
- gebruik van goedgekeurde verpakkingen
- voorschriften voor het vervoer van verpakkingen en IBC’s ADR 7.2.3
- aanwezig zijn van brandblusmiddelen (tenminste 2 kg poeder) ADR 8.1.4.1(a)
- gebruik van draagbare verlichtingsapparaten ADR 8.3.4
- parkeren/toezicht op voertuigen die zijn beladen met gevaarlijke stoffen boven bepaalde
hoeveelheden ADR 8.4 + 8.5 S14 t/m S21
- voldoende ventilatie voor voertuigen of containers bij bepaalde gassen klasse 2
- vervoer onder gecontroleerde temperaturen
- verbod op vuur en open vlam bij vervoer en laden-en lossen van ontplofbare stoffen en
voorwerpen (klasse 1)
- een vervoerdocument is verplicht. Op het vervoersdocument moet de waarde worden
vermeld die is berekend met behulp van de in 4.3.7 beschreven berekeningsmethoden.
- In het vervoersdocument moet een verklaring worden opgenomen “Vervoer overschrijdt niet
de in 1.1.3.6 voorgeschreven vrijstellingsgrenzen”. Deze verklaring hoeft niet te worden
opgenomen als er zendingen van meer dan één afzender worden vervoerd in dezelfde
transporteenheid. Kortom, voor OSB-leden een weinig praktische vrijstellingsregeling.
4.3.2 Bepalen van vrijstellingsmogelijkheden.
Om te weten of u een vrijstelling nodig heeft dient u eerst vast te stellen of de te vervoeren stof
gevaarlijk is volgens ADR. Bedenk wel dat gevaarlijke stoffen volgens de WMS niet per definitie
ook gevaarlijk zijn voor ADR. In principe kunt u dit vinden in hoofdstuk 14 van het
veiligheidsinformatieblad dat de leverancier u ter beschikking moet stellen.
4.3.3. De gevarenklassen.
Gevaarlijke goederen worden ingedeeld in klassen, en dit volgens de aard van het gevaar.
Indien een stof meerdere gevaarlijke eigenschappen vertoont, wordt ze ingedeeld volgens het
grootste gevaar tijdens het vervoer.
-Klasse 1 :
ontplofbare stoffen en voorwerpen.
-Klasse 2 :
gassen
-Klasse 3 :
brandbare vloeistoffen
-Klasse 4.1 :
brandbare vaste stoffen
-Klasse 4.2 :
voor zelfontbranding vatbare stoffen
-Klasse 4.3 :
stoffen die in aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen
-Klasse 5.1 :
oxiderende stoffen (stoffen die de verbranding bevorderen)
-Klasse 5.2 :
organische peroxiden
-Klasse 6.1 :
giftige stoffen
-Klasse 6.2 :
besmettelijke (of infectueuze) stoffen
-Klasse 7 :
radioactieve stoffen
-Klasse 8 :
bijtende (corrosieve) stoffen
-Klasse 9 :
diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen waaronder milieugevaarlijke stoffen
21
4.3.4. Is mijn product gevaarlijk of niet ?
Om te weten te komen of bepaalde producten gevaarlijk zijn (gevaarlijk in de zin van het ADR)
kan men verschillende zaken nagaan. In het ADR zijn alle criteria en beproevingsmethodes
opgenomen om te bepalen of een product al dan niet gevaarlijk is. Deze beproevingen zijn
echter enkel uit te voeren door specialisten in goed uitgeruste laboratoria. In de dagelijkse
praktijk geeft het veiligheidsinformatieblad (VIB of MSDS, Material Safety Data Sheet)
uitsluitsel. Onder punt 14 van het veiligheidsinformatieblad is altijd aangegeven of het product
als gevaarlijk wordt beschouwd voor het vervoer over de weg. De leverancier van een product
is verplicht om voor stoffen die volgens de WMS als gevaarlijk zijn ingedeeld, een
veiligheidsinformatieblad aan te leveren bij eerste levering en bij wijzigingen indien u in de
afgelopen 12 maanden het product nog heeft gekocht.
Bij voor vervoer gevaarlijke producten vermeldt het veiligheidsinformatieblad minimaal steeds
het UN-nummer (United Nations nummer : dit is een classificatie van gevaarlijke goederen
zoals ze door de Verenigde Naties werd opgesteld), de ‘Proper Shipping Name’ (dit is de
officiële benaming van de stof zoals ze is opgenomen in de lijst der UN-nummers). De
labelnummers (dit is de aanduiding van welke etiketten moeten worden voorzien bij het
vervoer).
Indien het veiligheidsinformatieblad om een of andere reden niet beschikbaar zou zijn kan ook
de originele transportverpakking van het product aanwijzingen geven.
Staan er ADR gevarenlabels op de verpakking ?
Staat er een UN-nummer op de verpakking (de letters UN, gevolgd door 4 cijfers) ?
Indien u stoffen wilt vervoeren die geen ADR code bezitten, dan hoeft u geen specifieke
maatregelen te nemen. Wel raden we u aan de in hoofdstuk 4.2 genoemde algemene
voorzieningen te respecteren.
4.3.5. Vrijstellingen die samenhangen met de aard van het vervoersproces. (ADR 1.1.3.1)
Vervoer van zgn. “dagvoorraden”.
De voorschriften van het ADR zijn niet van toepassing op vervoer, verricht door
ondernemingen, dat ondergeschikt is aan hun hoofdbedrijfsactiviteit, zoals leveringen aan
bouwplaatsen of schoonmaakobjecten in hoeveelheden van ten hoogste 450 liter per
verpakking en met inachtneming van de in ADR 1.1.3.6 (de 1000 punten regeling zie 4.3.7
hieronder) genoemde hoogst toelaatbare hoeveelheden.
Deze vrijstelling geldt echter niet voor vervoer, door bedoelde ondernemingen verricht ten
behoeve van hun eigen toelevering of externe dan wel interne distributie.
4.3.6 Gelimiteerde hoeveelheden.
Voor een deel van de gevaarlijke stoffen gelden speciale voorschriften voor het vervoer van
gelimiteerde hoeveelheden. De LQ code vindt u in de lijst van gevaarlijke stoffen (hoofdstuk 3.2
van het ADR, kolom 7).
U dient daarvoor wel de UN code te kennen (te vinden in het VIB hoofdstuk 14)
In de LQ lijst wordt door middel van codes (LQ 0 tot en met 28) verwezen naar de regels voor
gelimiteerde hoeveelheden. Deze vindt u in ADR tabel 3.4.6 (tabel 1 van hoofdstuk 4). In die
tabel staan de maxima aangegeven van een stof in combinatie met de verpakking waarop een
vrijstelling van toepassing is.
22
Tabel 1 (3.4.6 ADR)
Code
Samengestelde verpakkingen
(maximale netto hoeveelheid)
per
Binnenverpakking
(1)
LQ0
LQ1
LQ2
c
LQ3
LQ4
LQ5
c
LQ6
c
LQ7
LQ8
LQ9
LQ10
LQ11
LQ12
LQ13
LQ14
LQ15
LQ16
LQ17
LQ18
LQ19
LQ20
LQ21
LQ22
LQ23
LQ24
d
LQ25
d
LQ26
LQ27
LQ28
per collo
Binnenverpakkingen geplaatst in met
krimp of
rekfolie omwikkelde trays
(maximale netto hoeveelheid)
per
per collo
binnenverpakking
(2)
(3)
(4)
(5)
Geen vrijstelling in overeenstemming met de voorschriften van 3.4.2.
120 ml
30 kg
120 ml
20 kg
1l
1l
30 kg
20 kg
1l
500 ml
niet toegestaan
niet toegestaan
20 kg
3l
1l
30 kg
20 kg
5l
1l
onbeperkt
30 kg
20 kg
5l
1l
30
kg
20 kg
5l
5l
30 kg
20 kg
3 kg
500 g
30 kg
20 kg
6 kg
3 kg
30 kg
20 kg
500 ml
500 ml
30 kg
20 kg
500 g
500 g
30 kg
20 kg
1 kg
1 kg
30 kg
20 kg
1l
1l
30 kg
20 kg
25 ml
25 ml
30 kg
20 kg
100 g
100 g
30 kg
20 kg
125 ml
125 ml
2l
2l
500 ml
100 ml
1 kg
4kg
500 g
4 kg
3l
30 kg
5 kg
20 kg
(gereserveerd)
(gereserveerd)
(gereserveerd)
(gereserveerd)
(gereserveerd)
(gereserveerd)
(gereserveerd)
(gereserveerd)
30 kg
20 kg
1l
500 ml
30 kg
20 kg
3 kg
1 kg
30 kg
20 kg
6 kg
2 kg
30 kg
20 kg
1 kg
1 kg
2l
500 ml
2l
500 ml
30
kg
20
kg
6 kg
6 kg
30 kg
20 kg
3l
3l
c) Bij waterhoudende homogene mengsels van de Klasse 3 hebben de genoemde
hoeveelheden slechts betrekking op de zich erin bevindende stoffen van de Klasse 3. Dit kan
dus gelden voor alcohol gebaseerde reinigers.
d) Bij het vervoer van de UN-nummers 2315, 3151, 3152 en 3432 in apparaten mogen in ieder
afzonderlijk apparaat de hoeveelheden per binnenverpakking niet overschreden worden. Het
apparaat moet in een vloeistofdichte verpakking worden vervoerd en het volledige collo moet
voldoen aan 3.4.4 c). Voor apparaten mogen geen trays met krimp- of rekfolie worden gebruikt.
23
ADR 2007: De hoeveelheden 3 liter en 1 liter bij LQ19 zijn gewijzigd in 5 kg. Met uitzondering
van kwik, wordt in kolom 7 van ADR tabel 3 LQ19 vervangen door LQ7. Dit betekent dat de
maximale hoeveelheid voor deze stoffen van 3 liter naar 5 liter gaat. Dit is voor de
schoonmaakbranche een belangrijke aanpassing, want onder LQ19, nu dus LQ7 vielen/vallen
alle bijtende stoffen.
Elk collo moet op een duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van:
i) het UN-nummer van het goed in het collo, zoals aangegeven in ADR 3.2, Tabel A, kolom 1,
voorafgegaan door de letters “UN”;
ii) indien zich in hetzelfde collo verscheidene goederen met verschillende UN-nummers
bevinden: de UN-nummers van de goederen in het collo, voorafgegaan door de letters “UN”, of
de letters “LQ” .
Deze opschriften moeten worden getoond binnen een ruitvormig gebied, omgeven door een
lijn, die tenminste 100 x 100 mm meet. De breedte van de lijn die de ruit vormt, moet ten
minste 2 mm zijn; het nummer moet tenminste 6 mm hoog zijn. In die gevallen waarin meer
dan één stof met verschillende UN-nummers in het collo zijn opgenomen, moet de
ruitvormige figuur groot genoeg zijn om elk desbetreffend UN-nummer te omvatten. Indien
de afmetingen van het collo dit noodzakelijk maken, mag het formaat worden verkleind,
onder voorwaarde dat de opschriften duidelijk zichtbaar blijven.
Er zijn twee situatie mogelijk:
1.
U vervoert verpakkingen met maximaal de hoeveelheid die bij de code in ADR tabel 3.4.6
staat aangegeven. Voor de buitenverpakking geldt dat de bruto massa niet groter mag
zijn dan 30 kg. voor samengestelde verpakkingen en 20 kg. voor trays. Tenzij in kolom 3
of 5 anders wordt vermeld of indien u verpakking dit niet toelaat.
U bent vrijgesteld van de regels uit het ADR, behalve voor de kenmerking van colli.
2.
U vervoert verpakkingen met meer dan de maximale hoeveelheid uit tabel 3.4.6.
U bent niet vrijgesteld van de voorschriften uit het ADR. Het vervoer moet dan altijd
volgens de voorschriften van het ADR plaatsvinden.
4.3.7 Vrijstelling in samenhang met de vervoerde hoeveelheid per transporteenheid, de
zgn. 1000 punten regeling.
In de inleiding is al opgemerkt dat dit een vrij complexe regeling is die ook maar gedeeltelijk
vrijstelling geeft van de ADR regels. Voor OSB leden een weinig courante vrijstellingsregeling.
Wel dient u na te gaan of u de 1000 punten niet overschrijdt als u vervoert onder de vrijstelling
zoals beschreven in 3.3.5. (dagvoorraden).
De 1.000 punten regeling
Vrijstelling in samenhang met de vervoerde hoeveelheden per transporteenheid.
Voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen in beperkte hoeveelheden gelden minder
zware eisen. Deze vrijstelling is van toepassing op colli, IBC’s en de grote verpakkingen (LP’s),
maar niet op het bulkvervoer (tank- en losgestort vervoer). Dit is vastgelegd in subsectie 1.1.3.6
van het ADR. Hieronder wordt stapsgewijs de werking van deze vrijstelling uitgelegd.
Uitleg in stappen
De tabel verdeelt de gevaarlijke stoffen in de vervoerscategorieën 0, 1, 2, 3 en 4. Stoffen zijn in
de tabel, vanuit het ADR, via de gevarenklasse en comptabiliteitsgroep, UN-nummer of
verpakkingsgroep ingedeeld in een van de vervoerscategorieën.
In de tabel wordt per vervoerscategorie een maximale hoeveelheid per transporteenheid
toegekend.
24
Tabel 1:
VervoersCategorie
Stoffen of voorwerpen (Verpakkingsgroep of classificatiecode /
-groep of UN-nummer)
0
Hoogst
toelaatbare totale
hoeveelheid per
transport eenheid
0
Klasse 1:
1.1 A, 1.1 L, 1.2 L, 1.3 L, 1.4 L en UN-nummer 0190
Klasse 3:
UN-nummer 3343
Klasse 4.2:
stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep I
Klasse 4.3:
UN-nummers 1183, 1242, 1295, 1340, 1390, 1403,
1928, 2813, 2965, 2968, 2988, 3129, 3130, 3131, 3134,
3148 en 3207
Klasse 6.1:
UN-nummers 1051, 1613, 1614 en 3294
Klasse 6.2:
UN-nummers 2814 en 2900 (risicogroepen 3 en 4)
Klasse 7:
UN-nummers 2912 t/m 2919, 2977, 2978, 3321 t/m 3333
Klasse 9:
UN-nummers 2315, 3151 en 3152
alsmede apparaten die deze stoffen of mengsels bevatten, alsmede ongereinigde lege verpakkingen die
stoffen van deze vervoerscategorie hebben bevat
VervoersCategorie
Stoffen en voorwerpen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep I
en niet onder vervoerscategorie 0 vallen, alsmede stoffen en
voorwerpen van de volgende klassen:
1
Hoogst
toelaatbare totale
hoeveelheid per
transport eenheid
20
Klasse 1:
1.1 B t/m 1.1 Ja); 1.2 B t/m 1.2 J; 1.3 C; 1.3 G; 1.3 H;
1.3 J en 1.5 Da)
Klasse 2:
Alle stoffen met giftige (T) eigenschappen: UN-nummers
1005; 1008; 1016; 1017; 1023; 1026; 1040; 1045; 1048;
1050; 1053; 1062; 1064; 1067; 1069; 1071; 1076; 1079;
1082; 1581; 1582; 1589; 1612; 1660; 1741; 1749; 1859;
1911; 1950; 1953; 1955; 1967; 1975; 2037; 2188; 2189;
2190; 2191; 2192; 2194; 2195; 2196; 2197; 2198; 2199;
2202; 2204; 2417; 2418; 2420; 2534; 2548; 2600; 2676;
2901; 3057; 3083; 3160; 3162; 3168; 3169; 3300; 3303;
3304; 3305; 3306; 3307; 3308; 3309; 3310; 3318; 3355
UN-nummers 3221 t/m 3224 en 3231 t/m 3240
Klasse 4.1:
25
Klasse 5.2:
VervoersCategorie
UN-nummers 3101 t/m 3104 en 3111 t/m 3120
Stoffen en voorwerpen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep II
en die niet onder vervoerscategorie 0, 1 of 4 vallen, alsmede
stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:
2
VervoersCategorie
Hoogst
toelaatbare totale
hoeveelheid per
transport eenheid
333
Klasse 1:
1.4 B t/m 1.4 G en 1.6 N
Klasse 2:
Alle stoffen met brandbare (F) eigenschappen: UNnummers 1001; 1010; 1011; 1012; 1027; 1030; 1032;
1033; 1035; 1036; 1037; 1038; 1039; 1041; 1049; 1055;
1057; 1060;1061; 1063; 1075; 1077; 1081; 1083; 1085;
1086; 1087; 1860; 1912; 1950; 1954; 1957; 1959; 1961;
1962; 1964; 1965; 1966;1969; 1971; 1972; 1978; 2034;
2035; 2037; 2044; 2200; 2203; 2419; 2452; 2453; 2454;
2517; 2601; 3138; 3150; 3153; 3154; 3161; 3167; 3252;
3312; 3354; 3358
Klasse 4.1:
UN-nummers 3225 t/m 3230
Klasse 5.2:
UN-nummers 3105 t/m 3110
Klasse 6.1:
stoffen en voorwerpen die zijn ingedeeld in
verpakkingsgroep III
Klasse 6.2:
UN-nummers 2814 en 2900 (risicogroep 2)
Klasse 9:
UN-nummer 3245
Stoffen en voorwerpen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep III
en die niet onder vervoerscategorie 0, 2 of 4 vallen, alsmede
stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:
3
Hoogst
toelaatbare totale
hoeveelheid per
transport eenheid
1000
Klasse 2:
Klasse 8:
Alle stoffen met verstikkende (A) en/of oxiderende (O)
eigenschappen: UN-nummers 1002; 1003; 1006; 1009;
1013; 1014; 1015; 1018; 1020; 1021; 1022; 1028; 1029;
1044; 1046; 1056; 1058; 1065; 1066; 1070; 1072; 1073;
1078; 1080; 1858; 1913; 1950; 1951; 1952; 1956; 1958;
1963; 1968; 1970; 1973; 1974; 1976; 1977; 1979; 1980;
1981; 1982; 1983; 1984; 2036; 2037; 2073; 2187; 2193;
2201; 2422; 2424; 2451; 2591; 2599; 2602; 2857; 3070;
3136; 3156; 3157; 3158; 3159; 3163; 3164; 3220; 3296;
3297; 3298; 3299; 3311; 3337; 3338; 3339; 3340; 3353
UN-nummers 2794; 2795; 2800 en 3028
26
Klasse 9:
UN-nummers 2990 en 3072
Vervoerscategorie
Hoogst
toelaatbare totale
hoeveelheid per
transport eenheid
4
onbeperkt
Klasse 1:
Klasse 1: 1.4 S
Klasse 4.1:
UN-nummers 1331; 1345; 1944; 1945; 2254 en 2623
Klasse 4.2:
UN-nummers 1361 en 1362 van verpakkingsgroep III
Klasse 7:
UN-nummers 2908 t/m 2911
Klasse 9:
UN-nummer 3268
alsmede ongereinigde lege verpakkingen, die gevaarlijke stoffen hebben bevat, met uitzondering van die
welke onder de vervoerscategorie 0 vallen.
Voetnoot a) voor de UN-nummers 0081, 0082, 0084, 0241, 0331, 0332, 0482, 1005 en 1017 bedraagt de
hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid 50 kg.
Eenheden
De waarden 0, 20, 333 en 1000 en ‘onbeperkt’ hebben afhankelijk van de vervoerde stof
betrekking op kilogrammen of liters. Hiervoor geldt het volgende:
Omschrijving:
Aanduiding:
- Voorwerpen
Bruto massa in kilogrammen
- Voorwerpen van klasse 1
Netto massa van de ontplofbare stof in
kilogrammen
Netto massa in kilogrammen
- Vaste stoffen
- Vloeibaar gemaakte gassen
- Sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte
gassen
- Onder druk opgeloste gassen
- Vloeistoffen
Nominale (water)inhoud van de houders in liters
- Samengeperste gassen
De vervoerde hoeveelheden kunnen bij elkaar opgeteld worden als de transporteenheid één of
meerdere stoffen van dezelfde categorie bevat. Indien de gevaarlijke stoffen behoren tot
verschillende vervoerscategorieën, dan moeten de hoeveelheden alvorens te worden opgeteld
met de volgende factoren vermenigvuldigd worden:
• vervoerscategorie 1 : hoeveelheid x 50;
• vervoerscategorie 1, UN nrs. in voetnoot a van tabel van dit hoofdstuk: hoeveelheid x 20;
• vervoerscategorie 2 : hoeveelheid x 3;
• vervoerscategorie 3 : hoeveelheid x 1;
• vervoerscategorie 4 : hoeveelheid x 0.
Bij optelling van de uitkomsten mag het totaal niet boven de 1000 punten uitkomen!
27
Als de vervoerde hoeveelheden boven de in de tabel gestelde maxima uitkomen, dan gelden
alle relevante bepalingen van het ADR!
Komt uw UN-nummer niet in de tabel voor dan mag dus onder deze regeling 1000 kilo of liter
worden vervoerd.
4.4. Samenvatting.
Indien u, volgens de criteria van het ADR gevaarlijke stoffen, vervoert is de vervoerswetgeving
daarop van toepassing. Aangezien de meeste schoonmaakbedrijven beperkte hoeveelheden
vervoeren (lees dagvoorraad in servicewagens) valt dit vervoer waarschijnlijk onder één van de
vrijstellingsregelingen en zal meestal het treffen van eenvoudige, logische, voorzieningen
voldoende zijn. In deze handleiding is in het kort beschreven hoe men daarmee om kan gaan.
Indien u goederen onder ADR condities vervoert, dus zonder vrijstellingen, dient u altijd gebruik
te maken van de diensten van een ADR-veiligheidsadviseur. Wie toch iets meer wil weten
zonder direct het hele ADR te willen kennen wordt aangeraden de gratis infobladen van de
inspectie verkeer en waterstaat te raadplegen.
Er zijn onder andere infobladen/brochures over de volgende onderwerpen:
Infobladen
• 1000 punten tabel
• Documenten bij vervoer gevaarlijke stoffen
• Herkenning gevaarlijke stoffen (verschijnt binnenkort)
• Veiligheidsadviseur transport gevaarlijke stoffen
• Vrijstelling van goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden
• Vastzetten en stuwen gevaarlijke stoffen
http://www.ivw.nl/nl/Loket/infobladen_en_brochures/gevaarlijkestoffeninfobladenenbrochures.jsp
Het probleem van de infobladen is wel dat ervaring leert dat Verkeer en Waterstaat niet altijd
tijdig een update uitvoert als het ADR wordt vernieuwd.
Dat zou in principe iedere eerste januari van de oneven jaren (2007, 2009 enz).moeten
gebeuren.
28
Bijlage I bij Handleiding gevaarlijke stoffen
Lijst van R-zinnen
R1
In droge toestand ontplofbaar
R2
Ontploffingsgevaar door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken
R3
R4
Ernstig ontploffingsgevaar door schok, wrijving, vuur of andere
ontstekingsoorzaken
Vormt met metalen zeer gemakkelijk ontplofbare verbindingen
R5
Ontploffingsgevaar door verwarming
R6
Ontplofbaar met en zonder lucht
R7
Kan brand veroorzaken
R8
Bevordert de ontbranding van brandbare stoffen
R9
Ontploffingsgevaar bij menging met brandbare stoffen
R10
Ontvlambaar
R11
Licht ontvlambaar
R12
Zeer licht ontvlambaar
R14
Reageert heftig met water
R15
Vormt zeer licht ontvlambaar gas in contact met water
R16
Ontploffingsgevaar bij menging met oxiderende stoffen
R17
Spontaan ontvlambaar in lucht
R18
Kan bij gebruik een ontvlambaar/ontplofbaar damp-luchtmengsel vormen
R19
Kan ontplofbare peroxiden vormen
R20
Schadelijk bij inademing
R21
Schadelijk bij aanraking met de huid
R22
Schadelijk bij opname door de mond
R23
Vergiftig bij inademing
R24
Vergiftig bij aanraking met de huid
R25
Vergiftig bij opname door de mond
R26
Zeer vergiftig bij inademing
R27
Zeer vergiftig bij aanraking met de huid
R28
Zeer vergiftig bij opname door de mond
29
R29
Vormt vergiftig gas in contact met water
R30
Kan bij gebruik licht ontvlambaar worden
R31
Vormt vergiftige gassen in contact met zuren
R32
Vormt zeer vergiftige gassen in contact met zuren
R33
Gevaar voor cumulatieve effecten
R34
Veroorzaakt brandwonden
R35
Veroorzaakt ernstige brandwonden
R36
Irriterend voor de ogen
R37
Irriterend voor de ademhalingswegen
R38
Irriterend voor de huid
R39
Gevaar voor ernstige onherstelbare effecten
R40
Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten
R41
Gevaar voor ernstig oogletsel
R42
Kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing
R43
Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid
R44
Ontploffingsgevaar bij verwarming in afgesloten toestand
R45
Kan kanker veroorzaken
R46
Kan erfelijke genetische schade veroorzaken
R48
Gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling
R49
Kan kanker veroorzaken bij inademing
R50
Zeer vergiftig voor in het water levende organismen
R51
Vergiftig voor in het water levende organismen
R52
Schadelijk voor in het water levende organismen
R53
Kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken
R54
Vergiftig voor planten
R55
Vergiftig voor dieren
R56
Vergiftig voor bodemorganismen
R57
Vergiftig voor bijen
R58
Kan in het milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken
30
R59
Gevaarlijk voor de ozonlaag
R60
Kan de vruchtbaarheid schaden
R61
Kan het ongeboren kind schaden
R62
Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid
R63
Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind
R64
Kan schadelijk zijn via de borstvoeding
R65
Schadelijk: kan longschade veroorzaken na verslikken
R66
Herhaalde blootstelling kan een droge of een gebarsten huid veroorzaken
R67
Dampen kunnen slaperigheid en duizeligheid veroorzaken
R68
Onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten
R14/15
Reageert heftig met water en vormt daarbij zeer ontvlambaar gas
R15/29
Vormt vergiftig en zeer ontvlambaar gas in contact met water
R20/21
Schadelijk bij inademing en bij aanraking met de huid
R20/22
Schadelijk bij inademing en opname door de mond
R20/21/22 Schadelijk bij inademing, opname door de mond en aanraking met de huid
R21/22
Schadelijk bij aanraking met de huid en bij opname door de mond
R23/24
Vergiftig bij inademing en bij aanraking met de huid
R23/25
Vergiftig bij inademing en opname door de mond
R23/24/25 Vergiftig bij inademing, opname door de mond en aanraking met de huid
R24/25
Vergiftig bij aanraking met de huid en bij opname door de mond
R26/27
Zeer vergiftig bij inademing en bij aanraking met de huid
R26/28
Zeer vergiftig bij inademing en opname door de mond
R26/27/28 Zeer vergiftig bij inademing, opname door de mond en aanraking met de huid
R27/28
Zeer vergiftig bij aanraking met de huid en bij opname door de mond
R36/37
Irriterend voor de ogen en de ademhalingswegen
R36/38
Irriterend voor de ogen en de huid
R36/37/38 Irriterend voor de ogen, de ademhalingswegen en de huid
R37/38
Irriterend voor de ademhalingswegen en de huid
R39/23
Vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing
31
R39/24
Vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij aanraking met de huid
R39/25
Vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij opname door de mond
R39/23/24 Vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing en aanraking
met de huid
R39/23/25 Vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing en opname
door de mond
R39/24/25 Vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij aanraking met de huid en
opname door de mond
R39/23/24/25Vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing, aanraking
met de huid en opname door de mond
R39/26 Zeer vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing
R39/27
Zeer vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij aanraking met de
huid
R39/28 Zeer vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij opname door de
mond
R39/26/27 Zeer vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing en
aanraking met de huid
R39/26/28 Zeer vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing en
opname door de mond
R39/27/28 Zeer vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij aanraking met de
huid en opname door de mond
R39/26/27/28Zeer vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing,
aanraking met de huid en opname door de mond
R42/43 Kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing of contact met de huid
R48/20
Schadelijk: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij inademing
R48/21 Schadelijk: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij aanraking met de huid
R48/22 Schadelijk: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij opname door de mond
R48/20/21 Schadelijk: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij inademing en aanraking met de huid
R48/20/22 Schadelijk: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij inademing en opname door de mond
R48/21/22 Schadelijk: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij aanraking met de huid en opname door de mond
R48/20/21/22Schadelijk: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij inademing, aanraking met de huid en opname door de mond
R48/23 Vergiftig: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij inademing
R48/24 Vergiftig: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij aanraking met de huid
R48/25 Vergiftig: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij opname door de mond
R48/23/24 Vergiftig: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij inademing en aanraking met de huid
R48/23/25 Vergiftig: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij inademing en opname door de mond
32
R48/24/25 Vergiftig: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij aanraking met de huid en opname door de mond
R48/23/24/25Vergiftig: gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige
blootstelling bij inademing, aanraking met de huid en opname door de mond
R50/53 Zeer vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu
op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken
R51/53 Vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op
lange termijn schadelijke effecten veroorzaken
R52/53 Schadelijk voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op
lange termijn schadelijke effecten veroorzaken
R68/20 Schadelijk: bij inademing zijn onherstelbare effecten niet uitgesloten
R68/21
Schadelijk: bij aanraking met de huid zijn onherstelbare effecten niet uitgesloten
R68/22
Schadelijk: bij opname door de mond zijn onherstelbare effecten niet uitgesloten
R68/20/21 Schadelijk: bij inademing en aanraking met de huid zijn onherstelbare effecten
niet uitgesloten
R68/20/22 Schadelijk: bij inademing en opname door de mond zijn onherstelbare effecten
niet uitgesloten
R68/21/22 Schadelijk: bij aanraking met de huid en opname door de mond zijn onherstelbare
effecten niet uitgesloten
R68/20/21/22Schadelijk: bij inademing, aanraking met de huid en opname door de mond zijn
onherstelbare effecten niet uitgesloten
33
Bijlage II bij Handleiding gevaarlijke stoffen
Lijst van S-zinnen
S1
Achter slot bewaren
S2
Buiten bereik van kinderen bewaren
S3
Op een koele plaats bewaren
S4
Verwijderd van woonruimten opbergen
S5
Onder . . . houden. (geschikte vloeistof aan te geven door fabrikant)
S6
Onder . . . houden. (inert gas aan te geven door fabrikant)
S7
In goed gesloten verpakking bewaren
S8
Verpakking droog houden
S9
Op een goed geventileerde plaats bewaren
S12
De verpakking niet hermetisch sluiten
S13
Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder
S14
S15
Verwijderd houden van . . . (stoffen waarmee contact vermeden dient te worden aan
te geven door de fabrikant)
Verwijderd houden van warmte
S16
Verwijderd houden van ontstekingsbronnen - Niet roken
S17
Verwijderd houden van brandbare stoffen
S18
Verpakking voorzichtig behandelen en openen
S20
Niet eten of drinken tijdens gebruik
S21
Niet roken tijdens gebruik
S22
Stof niet inademen
S23
S24
Gas/rook/ damp /spuitnevel niet inademen. (toepasselijke term(en) aan te geven
door de fabrikant)
Aanraking met de huid vermijden
S25
Aanraking met de ogen vermijden
S26
Bij aanraking met de ogen onmiddellijk met overvloedig water afspoelen en
deskundig medisch advies inwinnen
Verontreinigde kleding onmiddellijk uittrekken
S27
S28
S29
Na aanraking met de huid onmiddellijk wassen met veel . . (aan te geven door de
fabrikant)
Afval niet in de gootsteen werpen
34
S30
Nooit water op deze stof gieten
S33
Maatregelen treffen tegen ontladingen van statische elektriciteit
S35
Deze stof en de verpakking op veilige wijze afvoeren
S36
Draag geschikte beschermende kleding
S37
Draag geschikte handschoenen
S38
Bij ontoereikende ventilatie een geschikte adembescherming dragen
S39
Een bescherming voor de ogen/voor het gezicht dragen
S40
Voor de reiniging van de vloer en alle voorwerpen verontreinigd met dit materiaal . . .
gebruiken. (aan te geven door de fabrikant)
In geval van brand en/of explosie inademen van rook vermijden
S41
S42
S46
Tijdens de ontsmetting/bespuiting een geschikte adembescherming dragen.
(Geschikte term(en) door de fabrikant aan te geven)
In geval van brand . . . gebruiken. (blusmiddelen aan te duiden door de fabrikant.
Indien water het risico vergroot toevoeg„Nooit water gebruiken”)
Bij een ongeval of indien men zich onwel voelt, onmiddellijk een arts raadplegen
(indien mogelijk hem dit etiket tonen)
In geval van inslikken onmiddellijk een arts raadplegen en verpakking of etiket tonen
S47
Bewaren bij een temperatuur beneden . . . °C. (aan te geven door de fabrikant)
S48
Inhoud vochtig houden met . . . (middel aan te geven door de fabrikant)
S49
Uitsluitend in de oorspronkelijke verpakking bewaren
S50
Niet vermengen met . . . (aan te geven door de fabrikant)
S51
Uitsluitend op goed geventileerde plaatsen gebruiken
S52
Niet voor gebruik op grote oppervlakken in woon- en verblijfruimtes
S53
Blootstelling vermijden - vóór gebruik speciale aanwijzingen Raadplegen
S56
S57
Deze stof en de verpakking naar inzamelpunt voor gevaarlijk of bijzonder afval
brengen
Neem passende maatregelen om verspreiding in het milieu te voorkomen
S59
Raadpleeg fabrikant/leverancier voor informatie over terugwinning/ Recycling
S60
Deze stof en de verpakking als gevaarlijk afval afvoeren
S61
Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies/ veiligheidskaart
S62
S63
Bij inslikken niet het braken opwekken; direct een arts raadplegen en de verpakking
of het etiket tonen
Bij een ongeval door inademing: slachtoffer in de frisse lucht brengen en laten rusten
S64
Bij inslikken, mond met water spoelen (alleen als de persoon bij bewustzijn is)
S43
S45
35
S1/2
Achter slot en buiten bereik van kinderen bewaren
S3/7
Gesloten verpakking op een koele plaats bewaren
S3/9/14 Bewaren op een koele, goed geventileerde plaats verwijderd van . . . (stoffen
waarmee contact vermeden dient te worden, aan te geven door de fabrikant)
S3/9/14/49Uitsluitend in de oorspronkelijke verpakking bewaren op een koele, goed
geventileerde plaats verwijderd van . . . (stoffen waarmee contact vermeden dient te
worden, aan te geven door de fabrikant)
S3/9/49 Uitsluitend in de oorspronkelijke verpakking bewaren op een koele, goed
geventileerde plaats
S3/14 Bewaren op een koele plaats verwijderd van . . . (stoffen waarmee contact vermeden
dient te worden, aan te geven door de fabrikant)
S7/8 Droog houden en in een goed gesloten verpakking bewaren
S7/9
Gesloten verpakking op een goed geventileerde plaats bewaren
S7/47
Gesloten verpakking bewaren bij een temperatuur beneden . . °C. (aan te geven
door de fabrikant)
S20/21 Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik
S24/25 Aanraking met de ogen en de huid vermijden
S27/28 Na contact met de huid, alle besmette kleding onmiddellijk uittrekken en de huid
onmiddellijk wassen met veel . . . (aan te geven door de fabrikant)
S29/35 Afval niet in de gootsteen werpen; stof en verpakking op veilige wijze afvoeren
S29/56 Afval niet in de gootsteen werpen; deze stof en de verpakking naar een inzamelpunt
voor gevaarlijk of bijzonder afval brengen
S36/37 Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding
S36/37/39 Draag geschikte beschermende kleding, handschoenen en een beschermingsmiddel
voor de ogen/het gezicht
S36/39 Draag geschikte beschermende kleding en een beschermingsmiddel voor de
ogen/het gezicht
S37/39 Draag geschikte handschoenen en een beschermingsmiddel voor de ogen/het
gezicht
S47/49 Uitsluitend in de oorspronkelijke verpakking bewaren bij een temperatuur beneden . .
. °C. (aan te geven door de fabrikant)
36
Download