Tekst diaserie over bestuiving

advertisement
1
Deze handleiding hoort bij de plantenles.
Het Groene Wiel is een onderdeel van Stichting Veldwerk Nederland.
Het Groene Wiel
Hendrikweg 14 b
6703 AW Wageningen
0317- 422 041
www.groenewiel.nl
[email protected]
2
INHOUDSOPGAVE
IN HET KORT ........................................................................................................... 4
UITLEG VAN HET PROGRAMMA ............................................................................ 5
ACHTERGRONDINFORMATIE ................................................................................ 7
OVERZICHT VAN DE INHOUD ................................................................................ 8
BESCHRIJVING VAN DE OPDRACHTEN ............................................................. 10
3
IN HET KORT
De plantenles behandelt de bouw van de plant en volgt de levensloop.
Doel
De kinderen leren in deze les:
1. Uit welke delen bestaat de plant.
2. Hoe verloopt de levenscyclus van planten.
3. Welke rol speelt de omgeving in de verschillende stadia van groei en
ontwikkeling.
Doelgroep
Deze les is gemaakt voor groep 5 en 6 van het basisonderwijs.
Opzet
Het programma bestaat uit:
1. Een korte inleiding op school
2. Een door u gegeven les in het Groene Wiel
3. Een korte nabespreking op school.
Voorbereiding
Bekijk wat er van u verwacht wordt m.b.t. de inleiding op school en in het Groene
Wiel. Regel het vervoer, van en naar het Groene Wiel.
Deel de klas in, in maximaal 8 groepen.
4
UITLEG VAN HET PROGRAMMA
Inleiding op school
U kunt vertellen dat de klas naar het Groene Wiel gaat voor een les over het leven
van planten. Wat weten uw leerlingen al van planten?
Maak bijvoorbeeld een lijst van planten-woorden die genoemd worden op het bord
en bespreek de betekenis van de woorden waarvan u het vermoeden hebt dat een
aantal leerlingen die nog niet kent. Maak een indeling in maximaal 8 groepjes.
Inleiding in het Groene Wiel
1. Vertel dat deze les gaat over het leven van een plant. Meestal is dat de
boterbloem, maar soms is er een andere plant omdat je daar dingen
duidelijker aan kunt zien.
2. Elk groepje doet de opdrachten op volgorde. Begin je dus bij 8, dan doe je
daarna nummer 9, dan 10 enz.
3. De gele opdrachten kun je overslaan, tenzij je moet wachten op een groepje
bij de volgende groene opdracht. Dan kun je die gele opdrachten doen, maar
blijf de nummers volgen.
4. Wat je moet doen staat op de opdrachtkaart die bij elke opdracht ligt.
Bij een aantal opdrachten moet je iets schrijven of kleuren in het boekje dat je
krijgt, maar niet bij alle opdrachten!
5. Wees voorzichtig met de planten, ze kunnen gemakkelijk stuk gaan!
6. Elk groepje begint ergens in het leven van de boterbloem, bij een opdracht
met een rode pijl.
7. Er ligt een boekje en een potlood voor iedereen klaar. Schrijf eerst je naam
voorop.
Lesverloop in het Groene Wiel
Hou in de gaten dat de groepjes de opdrachten op volgorde blijven doen.
De les duurt ca. 5 kwartier, dan zijn de meeste groepjes bij hun beginpunt terug.
Groepjes die snel klaar zijn kunnen eventueel de gele opdrachten doen die ze nog
hebben overgeslagen.
5
Nabespreking op school
Als nabespreking kunt u de levenscyclus van de plant bespreken aan de hand van
het werkboekje. Bespreek de begrippen:
zaad:
Een ingepakte plantenbaby met voeding voor de eerste tijd.
kieming:
Het uitlopen van het zaad, begint met de wortel.
wortel(groei):
Groeit bij het begin van de kieming het hardst, moet zorgen
voor water en bouwstoffen voor de plant.
blad:
Dun en groen, moet veel zonlicht op kunnen vangen, met
zonlicht maakt het blad het voedsel voor de plant.
stengelontwikkeling: Stevig, behalve bij waterplanten. Stengels zorgen dat de
bladeren goed in de zon komen te staan, dat de bloemen
zichtbaar zijn voor de insecten of dat zaad goed kan
wegwaaien.
Bloembouw:
Een bloem bestaat uit: kelkbladeren (meestal groen,
beschermt de andere delen als die nog in de knop zitten)
kroonbladeren (vaak met felle kleur om insecten te lokken),
meeldraden (bevatten stuifmeel, nodig voor de bevruchting)
stamper (hierin zitten de eicellen die bevrucht worden door het
stuifmeel, daaruit groeien dan de zaadjes.)
Bestuiving:
Stuifmeel van de ene bloem moet op de stamper van de
andere bloem terecht komen, dan groeit het naar de eicel en
kan er een zaadje gemaakt worden.
vrucht (ontwikkeling): Plantenzaden zitten vaak verpakt in een vrucht. Deze vrucht
beschermt de plantenzaden.
Zaadverspreiding:
Een vrucht is vaak zo gemaakt dat deze ervoor zorgt dat het
zaad ver van de moederplant terecht kan komen. Het nieuwe
zaadje heeft namelijk ruimte en licht nodig om te kunnen
groeien. Zo is de vrucht van de paardenbloem een pluisje die
het zaadje meeneemt in de wind. Bessen worden gegeten
door vogels die dan het zaadje op een heel andere plek weer
uitpoepen enz. Er zijn vruchten met haken die aan diervacht
blijven vastzitten en je hebt speciale drijfzaden bij sommige
waterplanten.
6
ACHTERGRONDINFORMATIE
Didactisch
De inleiding op school is erg belangrijk om ervoor te zorgen dat de leerlingen hun
eigen kennis van de planten paraat hebben bij de les, zodat ze die kunnen gebruiken
bij het uitvoeren van de opdrachten en kunnen aanvullen met nieuwe ervaringen en
begrippen.
De les is zo gemaakt dat de leerlingen met de opdrachten het leven van de plant
volgen, zodat ze de informatie over delen van de plant en hun functie, kunnen
plaatsen in het totale leven van de plant.
De groene opdrachten gaan over de verschillende fasen in de levenscyclus van de
plant. De gele differentiatie-opdrachten gaan in op de rol van de omgeving in de
verschillende stadia van groei en ontwikkeling.
Kort samengevat leren de kinderen in de les:
1. Uit welke delen bestaat de plant.
2. Hoe verloopt de levenscyclus van planten.
3. Welke rol speelt de omgeving in de verschillende stadia van groei en
ontwikkeling.
7
OVERZICHT VAN DE INHOUD
Zoals al in de inleiding is beschreven volgt de les de levensloop van de plant.
In elk stadium van de levensloop is er aandacht voor:
1. het uiterlijk van de plant en de daarbij behorende begrippen.
2. de ontwikkeling van de plant.
3. de relatie met de omgeving.
Schematisch ziet dit er als volgt uit:
Fase
No
Uiterlijk
Zaad en
kieming
1
2
Boterbloemzaad
Kiem in bruine
boon
3
4
Ontwikkeling
Kiemen van de
boon
Uitbeelden van het
kiemen
5
Wortel en
wortelgroei
6
Wat is nodig voor
het kiemen
Kiemplant boterbloem
7
Waar groeit de
wortel heen
Wortelgroei boterbloem
8
9
Blad en
bladontwikkeling
10
11
12
13
Omgeving
Groei van wortels
en plant in zand
en tuingrond.
Kiemplanten van
boterbloem en
andere planten
Groei van de
klaproos
Bladeren van de
boterbloem
Invloed van licht
8
en schaduw op
het blad
Stengel
14
Stevigheid van
stengels
15
Bloem en
bestuiving
Waar groeit de
stengel heen
16
Zelf stengels
maken
17
Knop boterbloem
18
Bloem roos uit
elkaar halen
Bloem-model in elkaar zetten
Bloem van de
boterbloem
19
20
21
22
23
Bloemengeur
Bloem-bezoek
Bestuivingdiaserie
Bestuivingtekeningen
Ontwikkeling
vrucht bij roos
24
25
Vrucht en
zaadverspreiding
26
Vrucht boterbloem
27
28
29
Doorsnede appel
Zaadverspreiding
"Zaadverspreiding
" boterbloem
Zaadverspreiders
9
BESCHRIJVING VAN DE OPDRACHTEN
In deze achtergrondinformatie vindt u links een overzicht van de opdrachten met de
teksten zoals die op de opdrachtkaarten en in het werkboekje staan. Rechts staat
een toelichting op de opdracht. Van de facultatieve opdrachten (gele nummers in de
les) zijn nummer en titel cursief afgedrukt. Bij de toelichting staat aangegeven bij
welke opdrachten gestart kan worden.
Opdrachten
Toelichting
1. BOTERBLOEM ZAAD
Bekijk het zaad van de boterbloem onder
de microscoop.
Plak één zaadje in je werkboekje.
Start-opdracht
Het zaad van de boterbloem is klein, bobbelig en heeft bruine vliesjes aan de zijkanten.
2. ZAAD VAN BINNEN
Pulk een boon uit elkaar.
Zoek binnenin het begin van de nieuwe
plant. Dit is de kiem.
In je boekje staat een boon.
Teken de kiem er in.
Een zaadje is eigenlijk al een heel klein
plantje. Het zit opgevouwen in een
"voedselpakket" dat het meekrijgt van de
moeder-plant. Het "voedselpakket" bij de
boon bestaat uit twee dikke zaadlobben,
die mee omhoog gaan en de twee eerste
"blaadjes" vormen.
3. KIEMEN VAN DE BOON
Kijk in de glazen bakjes hoe bonen
groeien.
Kies uit de 8 tekeningen de 6 goede.
Zet deze in de volgorde waarin de boon
groeit op de plank.
Kijk achter het klepje of je het goed deed.
Leg de tekeningen weer door elkaar.
Bij het ontkiemen komt eerst het worteltje
tevoorschijn. Dit groeit naar beneden.
Later komen de twee zaadlobben boven
de grond. Deze worden dan groen. Nog
later komt het eerste echte blad. De
wortel heeft dan ook zijwortels gekregen.
10
4. UITBEELDEN VAN KIEMEN.
Doe deze opdracht om de beurt.
Ga op de kruk zitten.
Kies één van de tekeningen.
Laat met je armen, benen en hoofd zien
welke tekening je koos.
Kunnen de anderen het raden?
Bij deze opdracht hangen 4 tekeningen
van een ontkiemende boon. A B C en D
Het is mogelijk om later in de klas de
gehele kieming nog een keer uit te
beelden. Zie daarvoor de omschrijving op
blz. 11.
5. WAT NODIG IS VOOR HET KIEMEN
Als er uit het zaad een nieuw plantje
groeit, noemen we dat kiemen.
Hier staan drie bakjes met zaad van
sterrekers.
Bakje 1 krijgt niets
Bakje 2 krijgt schoon water
Bakje 3 krijgt zout water
Bekijk de bakjes.
Wat heeft het zaad nodig om te kiemen?
Start-opdracht
Er staan 3 bakjes met sterrekers-zaad.
Een bakje is droog, het andere krijgt
schoon water en het derde zout water.
Alleen de zaden in het schone water
ontkiemen goed. Zaden ontkiemen dus
alleen als er voldoende vocht is en geen
grote vervuiling.
6. KIEMPLANT BOTERBLOEM
Teken de kiemplant van de boterbloem na
in je boekje.
Opvallend aan de kiemplant van de
boterbloem zijn de lange wortel en de
twee kleine ronde blaadjes. De blaadjes
zijn de zaadlobben die net als bij de boon
vol zaten met voedsel voor de kiem.
Boven de grond vormen ze de eerste
"blaadjes". Omdat het de zaadlobben zijn
lijken ze nog helemaal niet op boterbloemblaadjes.
7. WAAR GROEIT DE WORTEL HEEN
Kijk naar de wortel van deze plant.
Waarom is deze krom gegroeid?
Kies in je boekje het goede antwoord.
Zet er een kruisje bij.
Te zien is een wortel die eerst omhoog,
dan opzij en dan naar beneden is
gegroeid.
Dit komt omdat de bak eerst op zijn kop is
gezet, dan op zijn kant en toen recht.
De wortel is steeds naar beneden
gegroeid.
Waarom is de wortel krom?
11
ODe plant krijgt bier in plaats van water.
O
De wortel is de weg kwijt.
O
De wortel groeit naar beneden,
maar de bak is omgedraaid.
8. WORTELGROEI BOTERBLOEM
Hier zie je boterbloemplanten van jong tot
oud.
Ra, ra, hoe lang zijn de wortels van deze
planten?
Hang bij elke plant het touwtje dat volgens
jullie even lang is als de wortel.
Doe dan het gordijn open.
Maak de vragen in je boekje.
Hang de touwtjes terug en doe het gordijn
dicht.
Wat groeit in het begin het meest?
de wortel / de bladeren
9. GROEI VAN BOTERBLOEM IN ZAND
EN TUINGROND
Bekijk de boterbloem-planten en hun
wortels.
Wat valt op aan de planten in het zand?
De bladeren zijn:
De wortels zijn:
Wat valt op aan de planten in tuingrond?
De bladeren zijn:
De wortels zijn:
Waar groeit de plant het best?
In het zand / in de tuingrond
Start-opdracht
Achter een gordijn is een glasplaat
waardoor de kinderen de wortels kunnen
zien van boterbloemen van verschillende
ouderdom. Ook de plant boven de grond
is goed te zien.
Opvallend is dat bij een jonge boterbloemplant eerst de wortels enorm groeien. Pas
veel later begint de bladgroei goed op
gang te komen. Tegen de tijd dat de plant
omhoog schiet en bloemen gaat maken,
groeien de wortels bijna niet meer. De
wortels moeten eerst voor voldoende
water en mest-stoffen kunnen zorgen,
anders kan de plant boven de grond niet
uitgroeien.
Achter een glasplaat is te zien hoe de
wortels groeien in twee verschillende
soorten grond. De planten zijn bovenop
zichtbaar.
Duidelijk is dat de planten in tuingrond het
veel beter doen. Zowel de plant boven de
grond als de wortels onder de grond zijn
veel groter. Dit komt omdat er in de
tuingrond veel meer mest-stoffen zitten
die de plant nodig heeft om te groeien.
12
10. KIEMPLANTEN
Kiemplanten zijn hele jonge plantjes, die
net uit het zaad zijn gekomen.
Bekijk de kiemplanten.
Welke is van de boterbloem?
Kijk je antwoord na.
Start-opdracht
In een bak staan kiemplanten van
verschillende soorten.
Omdat de meeste kiemplanten beginnen
met de twee ronde zaadlobjes lijken ze
nog erg op elkaar. Pas als de eerste
echte blaadjes komen worden de
verschillen duidelijker.
Om het iets gemakkelijker te maken ligt er
een gedroogde kiemplant van de
boterbloem bij de opdracht.
Achter op het "KIJK-NA" vel staat het
goede antwoord.
11. GROEI VAN DE KLAPROOS
Op de tekeningen zie je hoe de klaproos
groeit.
Zet ze in de goede volgorde op de plank.
Kijk achter het klepje of het klopt.
Leg de tekeningen weer door elkaar.
Het materiaal bestaat uit een serie
tekeningen die de ontwikkeling van de
klaproos laat zien.
Door goed te kijken naar wortelgroei, bladontwikkeling, bloei en zaadvorming
kunnen ze de tekeningen op volgorde
leggen.
Net als bij opdracht 8 is te zien dat in het
begin vooral de wortels heel hard groeien.
De bladeren blijven dan nog dicht bij de
grond. Als de wortels volgroeid zijn gaan
de bladeren omhoog staan en dan schiet
in korte tijd de lange stengel met knoppen
naar boven. De knoppen hangen omlaag.
Dan gaan de knoppen open en bloeit de
klaproos. Als de bloemblaadjes zijn
afgevallen blijft de groene vrucht over.
Deze wordt langzaam geel. Ook de
groene bladeren sterven in deze periode
af. De plant gaat dus helemaal dood.
Pas in het jaar erna groeien uit de zaadjes
weer nieuwe klaprozen.
13
12. BOTERBLOEM BLADEREN
Van deze 7 bladeren zijn er 3 van de
boterbloem.
Pak ze van de plank.
Kijk op de achterkant of het klopt.
Maak de vraag in je boekje.
Aan de boterbloem-plant kun je zien of je
antwoord goed is.
Waar horen de bladeren?
13. LICHT EN SCHADUW
Een boterbloem-plant groeide in de
schaduw.
De andere plant groeide in de zon.
Schrijf in je boekje welke verschillen je
ziet.
Hoe zien de planten er uit:
In de schaduw:
In de zon:
14. STEVIGHEID VAN STENGELS
Stengels van planten zijn niet allemaal
hetzelfde.
Er zijn planten met hele slappe stengels
en planten met hele stevige stengels.
Hier zie je een aantal planten.
Zet ze op volgorde van slap tot stevig.
Kijk je antwoord na.
Een plant maakt steeds nieuwe bladeren
tijdens zijn groei. Bij veel eenjarige planten verandert de vorm van de opeenvolgende bladeren steeds. Daarbij is een
vast patroon herkenbaar. De eerste
(onderste) bladeren zijn het meest
afgerond en hebben een lange bladsteel.
De bladeren daarna krijgen steeds meer
insnijdingen en de bladsteel wordt korter.
De laatste bladeren zijn klein en spits, de
bladsteel is dan het kortst of verdwenen.
Neem je twee dezelfde planten en je laat
er een in de schaduw opgroeien en de
ander in de zon, dan krijg je twee planten
die er verschillend uitzien.
Planten die in de schaduw opgroeien
hebben grotere, rondere en meer
donkergroene bladeren met lange
bladstelen. Door de grotere bladeren en
meer bladgroen kunnen ze met minder
licht toch voldoende voedsel maken.
Start-opdracht
Waterplanten hebben hele slappe
stengels. Slappe stengels zie je ook bij
klim- en slingerplanten, die in andere
planten omhoog klimmen. Stevige
stengels krijg je als ze gaan "verhouten".
Hoe beter dit gebeurt, hoe steviger de
stengel. Bomen hebben een hele dikke,
sterke stengel van hout.
14
15. WAAR GROEIT DE STENGEL HEEN
Waarheen groeit de stengel van een
plant? (kruis aan)
O
Omhoog
O
Naar het licht
Kijk in de doos of je antwoord klopt.
De stengel van een plant groeit naar het
licht. Onder normale omstandigheden dus
omhoog. Maar als de plant ergens staat
waar het licht van opzij komt, dan groeit
de stengel opzij naar het licht toe. Licht is
namelijk van levensbelang voor de plant.
Zonder licht kan de plant geen voeding
maken.
16. STENGEL MAKEN
Maak met elkaar een zo hoog mogelijke
stengel die niet knakt.
Gebruik de stroken papier en bekijk de
voorbeelden.
Welke plant heeft net zo'n soort stengel
als jullie gemaakt hebben?
Zet de stengel in de vaas.
Planten maken stengels voor de
stevigheid. De stevigheid wordt bepaald
door het materiaal (niet houtig of houtig)
en door de vorm.
Bomen hebben een massief houten,
ronde stam. Grassen hebben een holle
ronde stengel. Zegge-planten maken hun
stengels driehoekig. Bij veel kruiden zit er
binnenin de stengel een stevige spiraal.
Bij vlas en hennep zorgen lange vezels
voor de stevigheid.
17. KNOP BOTERBLOEM
Teken de bloemknop van de boterbloem
in je boekje na.
Start-opdracht
De knop van de boterbloem is klein als je
het vergelijkt met de bloem die er uit komt.
Aan de buitenkant zien we de kelkblaadjes die behaard zijn. De haren
zorgen ervoor dat de knop niet snel
uitdroogt.
De knop zit aan het einde van de lange
stengel. De plant wil zijn bloemen zo
goed mogelijk laten zien aan de insecten
om ze te laten bestuiven, daarom zitten ze
boven op zo'n lange stengel zodat ze
boven alle bladeren en andere planten
uitsteken.
15
18. BLOEM ROOS
Haal met je groepje één bloem uit elkaar.
Plak de delen op, net zo als in het
voorbeeld.
Aan de roos zijn de kelkbladeren, de
kroonbladeren, de meeldraden en de
stamper goed te zien.
De kelkbladeren beschermen het tere binnenste van de bloem als deze in de knop
zit.
De kroonbladeren lokken met hun mooie
kleur insecten naar de bloem. Aan de
voet van de kroonbladeren zitten meestal
de honing-klieren en klieren die geuren
maken om ook weer insecten te lokken.
In de meeldraden zit het stuifmeel. De
stamper is plakkerig zodat het stuifmeel
van andere bloemen er gemakkelijk op
vast blijft zitten.
19. BLOEM MODEL
Hier zie je de delen van een nagemaakte
bloem.
Wees voorzichtig.
Zet de bloem in elkaar.
Kijk het na met de foto in het groene
mapje.
Haal de bloem weer uit elkaar.
Leg alles weer op zijn plaats.
Van binnen naar buiten in de bloem vind
je achtereenvolgens de stamper, de
meeldraden, de kroonbladeren en de kelkbladeren.
20. BLOEM BOTERBLOEM
Bekijk de boterbloem met de loep.
Zet in je boekje de namen bij de tekening
van de boterbloem.
Zie vorige twee opdrachten
Zet de woorden op de goede plaats.
Kelkblad - Kroonblad - Meeldraad –
Stamper
16
21. BLOEMENGEUR
Ruik aan de bloemen en onthoud hun
namen.
Doe om de beurt de blinddoek voor.
Ruik aan een bloem.
Weet je nog welke plant het is?
Een aantal bloemen ruikt heel lekker om
insecten aan te trekken die voor de bestuiving moeten zorgen.
22. BLOEM-BEZOEK
Neem je boekje en deze kaart mee naar
buiten.
Ga naar de bloem met vlag 1.
Kijk welke insecten er op de bloem zitten.
Op de achterkant van deze kaart staan de
namen van zulke insecten. (niet van
allemaal)
Schrijf in je boekje:
de naam van de bloem.
de namen van de insecten op de
bloem.
Ga daarna naar vlaggetje 2 en 3 en doe
hetzelfde.
Verschillende soorten bloemen worden
ook door verschillende insecten bezocht.
Dit komt omdat de nectar niet altijd even
gemakkelijk bereikbaar is voor alle
insecten.
Bloemen die plat zijn en omhoog staan
worden door veel soorten insecten
bezocht. Bloemen met een aparte vorm
zoals vingerhoedskruid vaak maar door
één soort, in dit geval de hommel.
23. BESTUIVING – DIASERIE
Zet de koptelefoons op.
Druk op de knop bij de groene sticker.
Druk na afloop op de rode knop.
Zeg tegen je meester of juf dat je klaar
bent met de dia's.
Start-opdracht
De diaserie legt uit hoe de bestuiving in
zijn werk gaat. De ingesproken tekst van
de diaserie staat uitgeschreven op blz. 12.
Zet na elk groepje de slee terug (eerste
dia op het scherm vertonen) en spoel het
bandje terug.
24. BESTUIVING – TEKENINGEN
Bekijk de tekeningen.
Zet ze in de goede volgorde op de plank.
Kijk achter het klepje of het klopt.
Leg de tekeningen weer door elkaar.
De tekeningen laten ongeveer hetzelfde
zien als in de diaserie bij de vorige
opdracht is vertoond. Het op volgorde
zetten is dan ook een verwerking van
opdracht 23.
17
In het werkboekje is de tekeningenserie
nogmaals opgenomen met een korte
kleur-opdracht.
25. ONTWIKKELING ROZENBOTTEL
Als de roos bestoven is groeit er een
rozenbottel.
Hier zie je hoe dat gaat.
Zet de potjes in de volgorde waarin de
rozenbottel groeit.
Als je het goed deed staat er nu een
woord.
Zet de potjes weer door elkaar.
Veel planten verpakken hun zaden in een
vrucht. Deze zorgt er vaak voor dat het
zaad op een nieuwe plaats terecht kan
komen.
Bij de roos is duidelijk te zien dat na de
bloei de rozenbottel groter wordt en
uiteindelijk rood.
26. VRUCHT BOTERBLOEM
Bekijk de vrucht van de boterbloem.
Teken hem na in je boekje.
Start-opdracht
27. DOORSNEDE APPEL
Bekijk de doorgesneden appel.
Zet in je boekje de namen op de goede
plaats.
Kijk je antwoord na.
Ieder kent de doorgesneden appel. Het is
daarom een goed voorbeeld om nog even
aandacht te schenken aan de begrippen
die bij een vrucht horen.
28. ZAADVERSPREIDING
Zaden moeten naar een plek waar ze
kunnen groeien.
Bekijk de video. Spoel de band na afloop
terug.
Kijk naar de zaden in de doosjes.
Weet je wie ze naar een andere plek
brengt? Zet ze bij de goede tekening.
Zaden met pluizen en hele lichte zaden
worden door de wind verspreid. Veel
waterplanten hebben zaden die goed
blijven drijven en zo door de waterstroom
meegevoerd worden naar een nieuwe
plek.
Eikels, kastanjes en beukennootjes
worden onder andere door eekhoorns
De vruchtjes van de boterbloem bestaan
uit een verzameling zaadjes die
gemakkelijk loslaten.
18
Als je het goed hebt gedaan vormen de
letters op de doosjes een woord.
Zet de doosjes weer door elkaar.
meegenomen en als wintervoorraad
verstopt. Als de plek vergeten wordt kan
het zaad daar kiemen.
Bessen worden door veel vogels gegeten.
Met het zaad in de bes gebeurt niets in de
vogelmaag en het wordt na een dag op
een andere plaats uitgepoept.
Er zijn ook zaden die kleven of haakjes
hebben. Die blijven gemakkelijk aan de
vacht van een dier haken (of aan onze
kleren). Ergens anders raken ze weer los.
29. ZAADVERSPREIDING
BOTERBLOEM
Neem elk één zaadje van de boterbloem
mee naar opdracht 1.
Ga daar verder.
Ook de boterbloemzaadjes komen op een
andere plek terecht. Hier zorgen de
kinderen er zelf voor. Zo overbruggen ze
de "winterperiode" waarna ze verder gaan
met het ontkiemen.
19
Uitbeelden van de ontwikkeling van de plant.
(Idee om in de klas uit te voeren, sluit aan bij opdracht 4)
Bij deze opdracht gaan we uitbeelden hoe een plantje uit een zaadje komt. Dit
noemen we het kiemen van het zaadje.
We stellen ons voor dat onze benen de wortels van de plant zijn; onze rug wordt de
stengel; onze armen zijn de bladeren en ons hoofd is een hele mooie bloem.
De plant begint als klein zaadje, waar de wortel, de stengel en de bladeren al in
zitten. Doe nu net alsof je een heel erg klein zaadje bent. Blijf daarbij op je stoel
zitten en trek je benen heel dicht tegen je aan.
Uit dat zaadje komen nu eerst de wortels tevoorschijn. De wortels groeien naar
beneden de grond in. Door de wortels staat de plant stevig in de grond. (Zet ze maar
goed op de grond). Met de wortels haalt de plant voedsel uit de bodem, waardoor hij
kan groeien.
De wortels worden steeds langer en de stengel komt uit het zaadje omhoog. (Ga
maar langzaam staan). Niet alle planten hebben dezelfde soort stengel. Sommige
planten hebben een hele stevige stengel en andere een slappere. (Doe eerst maar
eens een slappe stengel na......, nu een stevige).
De stengel wordt steeds langer, maar de bloemknop hangt nog naar beneden.
Terwijl de stengel groeit, gaan de blaadjes langzaam open. Omdat de plant veel licht
nodig heeft om zijn eten klaar te maken, keert hij zijn blaadjes naar het licht toe. Dat
eten gebruikt de plant om te groeien. En wanneer de plant groot is, komt de
bloemknop omhoog. (Laat hem maar tevoorschijn komen). Eerst is die bloemknop
nog dicht, maar later gaat hij langzaam open en wordt een hele mooie bloem. (Trek
nu maar je mooiste gezicht en stel je daarbij de mooiste bloem voor die je kent).
Zo staat de plant daar een hele tijd te genieten van het zonnetje. Als de zomer dan
voorbij is en het weer wordt slechter, dan heeft hij het allemaal niet meer zo naar zijn
zin. De plant wordt oud en begint te verdorren. Langzaam schrompelt hij helemaal in
elkaar en gaat hij dood.
Vraag:
Welke bloem heb je uitgebeeld?
20
Tekst diaserie over bestuiving
0
Deze diaserie gaat over bestuiving.
Bestuiving is nodig om zaad te krijgen.
Op de dia's zie je de bestuiving van de klaproos.
Bij andere bloemen gebeurt ongeveer hetzelfde.
1
Veel bloemen zoals deze klaprozen, hebben fel gekleurde kroonbladeren. Zo
kunnen bijen zien dat er wat te halen valt.
2
Onder in de bloem zit nectar. Dit is lekker eten voor bijen en andere
insecten.
3
Midden in de bloem zit de stamper.
4
Daarom heen staan meeldraden.
5
Boven in de meeldraden zitten stuifmeelkorrels.
6
Als de bloem bloeit komen de stuifmeelkorrels uit de meeldraden. De
stuifmeelkorrels zijn heel klein, ze zien er uit als geel poeder.
8
Een bij komt nectar halen. De stuifmeelkorrels kleven aan het lijf en de
achterpoten van de bij.
9
De bij vliegt naar de volgende bloem om nog meer nectar te halen.
10
Een aantal stuifmeelkorrels die de bij meenam, blijven plakken op de stamper
van deze bloem.
11
Binnenin de stamper liggen eicellen. Ze zijn hier als blauwe rondjes
getekend. De stuifmeelkorrels maken een buisje naar beneden en komen zo
bij een eicel terecht.
12
Een eicel en een stuifmeelkorrel maken samen een zaadje.
13
De klaproos is uitgebloeid. Er blijft een vrucht over, vol zaadjes.
14
De zaadjes van de klaproos zijn nu klaar. De vrucht gaat van boven open.
Bij harde wind zwiept de stengel heen en weer, zodat de zaadjes er uit weg
waaien.
21
22
Download