Productfiche financiële instrumenten

advertisement
PRODUCTFICHE FINANCIËLE INSTRUMENTEN
OBLIGATIES
ALGEMENE DEFINITIE:
Nationale overheden, supranationale organisaties, financiële instellingen en bedrijven die financiering zoeken, kunnen
kapitaal ophalen via de obligatiemarkt. Beleggers die in deze obligaties investeren, lenen geld aan de emittent in
kwestie. In ruil krijgt de investeerder een coupon die een vast of variabel rendement biedt.
Een obligatie is dus een verhandelbaar schuldbewijs waarmee een emittent zich ertoe verbindt om de koper het
bedrag van de lening (de nominale waarde) op de eindvervaldag terug te betalen. De uitgever betaalt hiervoor als
vergoeding een intrest die op frequente basis (jaarlijks, halfjaarlijks,…) wordt uitgekeerd.
KENMERKEN VAN OBLIGATIES:
UITGEVER
De staat of het bedrijf die het kapitaal ophaalt. We spreken van ‘sovereign bonds’ in het geval van overheidsobligaties
of ‘corporate bonds’ in het geval van bedrijfsobligaties.
PRIMAIRE EN SECUNDAIRE MARKT
Nieuwe obligaties worden uitgegeven op de primaire markt. Op de primaire markt worden obligaties geplaatst bij
grote financiële instellingen, vermogensbeheerders en beursvennootschappen die intekenen voor hun cliënten of
zichzelf. Vervolgens worden de obligaties verhandeld op de secundaire markt.
De secundaire markt is de plaats waar kopers en verkopers, gedurende de looptijd van de obligaties, het instrument
kunnen verhandelen. De secundaire markt verloopt interbancair (tussen banken onderling) of via een beurs waarop
de obligaties genoteerd staat. De liquiditeit van obligaties is afhankelijk van de grootte van de uitgifte en de
bereidheid van financiële instellingen om prijzen te afficheren.
NOMINALE WAARDE
Het bedrag die de uitgever op eindvervaldag zal terugbetalen noemen we de nominale waarde. De uitbetaling van de
coupons worden berekend op dit bedrag.
KOERS VAN DE OBLIGATIES
Obligaties noteren in procent hoewel het procentteken vaak wordt weggelaten. Obligaties worden meestal
uitgegeven dicht tegen nominale waarde (aan 100 of impliciet 100 %). Een obligatie die tegen nominale waarde
noteert, noemen we een à pari obligatie. Obligaties die afwijken van hun nominale waarde, noteren respectievelijk
boven of onder pari.
De marktwaarde (marktkoers) van een obligatie wordt hoofdzakelijk bepaald door vraag en aanbod. De theoretische
waarde – die een leidraad vormt voor de markt – wordt bepaald door alle toekomstige cashflows (eindbetaling en
coupons) te verdisconteren aan een discontovoet.
COUPURE
Obligaties worden in verschillende coupures aangeboden. Zo worden obligaties uitgegeven in coupures van 1 EUR,
1.000 EUR, 5.000 EUR, 10.000 EUR, 50.000 EUR, 100.000 EUR, 250.000 EUR en 1.000.000 EUR. Obligaties met kleine
coupures noemt men ‘retail bonds’. Grote coupures worden meestal aangekocht door institutionele beleggers en
noemt men ‘institutional bonds’.
De minimum coupure van een obligaties is het minimumbedrag die nodig is om de obligatie te kunnen aankopen.
Vervolgens bestaat ook het ‘increment’ dat aangeeft hoeveel nodig is om meer te kopen dan enkel de minimum
coupure. Een praktisch voorbeeld:
Bij een obligatie die 50.000 EUR/1.000 EUR noteert, bedraagt de minimum coupure 50.000 EUR en
vervolgens kan er gekocht worden in delen (coupures) van 1.000 EUR.
Financiële instrumenten
Pagina 1 van 18
LOOPTIJD
De looptijd van een obligatie bepaalt wanneer de obligatie wordt afgelost. Hoe langer de looptijd, hoe groter de
onzekerheid voor de belegger. Investeerders eisen dus een hogere couponrente naarmate de looptijd stijgt. Sommige
obligaties hebben geen aflooptijd of een zeer lange looptijd. In dat geval spreken we van eeuwigdurende obligaties
(perpetuals). Andere obligaties zijn ‘callable’ waardoor ze vroeger dan verwacht door de emittent kunnen worden
afgelost. In het geval van ‘putable’ obligaties, kan de obligatiehouder zelf opteren voor vervroegde aflossing. Meer
info kan u terugvinden in de rubriek “soorten obligaties”.
COUPON
De coupon vormt de intrestvergoeding die de emittent betaalt ter compensatie voor het lenen van het kapitaal. De
hoogte van de coupon wordt hoofdzakelijk bepaald door de kwaliteit (rating) en de looptijd van de obligatie. De
stelregel is: hoe lager de kwaliteit en hoe langer de looptijd, hoe hoger de coupon.
De coupon kan vast of variabel zijn. De vaste coupon is het meest voorkomend. Variable coupons komen in
verschillende vormen voor:
Fixed to floating obligaties: Obligaties die gedurende een bepaalde periode een vaste coupon uitbetalen en
vervolgens overschakelen naar een variabele coupon.
Floating Rate Notes: Obligaties die van bij de start een variabele coupon betalen.
Step-Up obligaties: Obligaties waarvan de coupon verhoogt naarmate de looptijd verstrijkt. De
couponverhoging is vaak afhankelijk van een eventuele ratingverlaging onder een bepaald niveau.
De variabele coupon wordt bepaald door een referentierente plus een risicopremie (spread) voor het kredietrisico.
Meer info kan u terugvinden in de rubriek “soorten obligaties”.
VERLOPEN RENTE (ACCRUED INTEREST)
De ‘accrued interest’ is de rente die verlopen is sinds de vorige coupondatum en de transactiedatum (datum waarop
een koop of verkoop plaatsvindt). De verkoper van een obligatie heeft recht op het gedeelte van de coupon dat nog
niet werd uitbetaald. De koper van een obligatie moet de verlopen rente betalen aan de verkoper. Op de volgende
coupondatum ontvangt de koper de volledige coupon waardoor hij, rekening houdend met de reeds betaalde
verlopen rente, uiteindelijk enkel dat gedeelte van de coupon ontvangt waarop hij recht heeft. De verlopen rente
noteert in procent en moet bij de aankoopkoers (‘clean price’) worden bijgeteld om de totale aankoopprijs te
berekenen:
totale aankoopprijs = marktkoers + verlopen rente
dirty price = clean price + accrued interest
EFFECTIEF RENDEMENT OF YIELD TO MATURITY
Bij de uitgifte van een obligatie is de coupon meestal gelijk aan het effectief rendement. Van zodra de koers afwijkt
van pari (100), is het effectief rendement van een obligatie niet langer gelijk aan de couponrente. Bij de beoordeling
en vergelijking van verschillende obligaties is het beter om het effectief rendement te observeren dan het
couponrendement. Het effectief rendement van een obligatie mag u interpreteren als een schatting van het jaarlijks
gemiddeld rendement die de obligatie zal opbrengen op voorwaarde dat u deze aanhoudt tot op vervaldag.
Het effectief rendement van een obligatie is afhankelijk van twee belangrijke zaken:


De koers waartegen de obligatie noteert. Indien de obligatie boven pari noteert, zal de obligatiebelegger
toekomstig koersverlies realiseren. Indien de obligatie onder pari noteert, zal de obligatiehouder een
toekomstige kapitaalwinst opstrijken.
De grootte van de couponrente.
Het effectief rendement is vaak een goede indicatie voor het toekomstig jaarlijks rendement rekening houdend met
de coupon en de aankoopprijs. Een praktisch voorbeeld:
Een obligatie met een resterende looptijd van 5 jaar, noteert op de secundaire markt aan 90 % en biedt een vaste
coupon van 5%. Hoe bereken ik snel het effectief bruto rendement van deze obligatie als ik deze aankoop?
1) BRUTO COUPON: 5 %
De emittent heeft de obligatie uitgegeven aan 100 %. Hierop betaalt het bedrijf een leningskost van 5 %. Dit is de
leningskost voor het bedrijf, maar niet het exact couponrendement voor de belegger. De belegger koopt immers de
obligatie onder pari aan tegen een koers van 90.
Financiële instrumenten
Pagina 2 van 18
2) BRUTO WERKELIJK COUPONRENDEMENT
De belegger krijgt een coupon van 5 % op een aangekochte koers van 90 %. De belegger ontvangt m.a.w. jaarlijks 50
EUR op een aangekocht bedrag van 900 EUR. Hierdoor ligt het bruto couponrendement hoger:
50/900 = 5,55 % of ook
5%/90% = 5,55 %
Het werkelijk bruto couponrendement bedraagt 5,55 % voor de belegger en niet 5%.
3) TOEKOMSTIGE KAPITAALWINST/VERLIES
De belegger mag het werkelijk couponrendement niet beschouwen als de enige opbrengst. Afhankelijk van een
aankoop onder of boven pari zal de obligatiehouder respectievelijk een toekomstige winst of verlies realiseren op de
koers van de obligatie. In dit voorbeeld zal de obligatiehouder 11,11 % koerswinst realiseren over een periode van 5
jaar. Dus:
Totale koerswinst/verlies = terugbetalingkoers – aankoopkoers
Totale koerswinst/verlies = 1000 EUR – 900 EUR = 100 EUR
Totale koerswinst/verlies = 11,11 % (100/900 of 10/90)
Om een idee te krijgen van de jaarlijkse gemiddelde koerswinst/verlies, kunnen we de totale koerswinst/verlies
annualiseren.
Jaarlijkse koerswinst/verlies = 2,12 % (2,12 % gekapitaliseerd over 5 jaar geeft 11,11 %)
4) EFFECTIEF RENDEMENT OF YIELD TO MATURITY
Om snel een ruwe schatting te maken van het effectief rendement, kan men een optelsom maken van de vorige twee
percentages.
Effectief rendement =
werkelijk bruto couponrendement
+ jaarlijkse koerswinst/verlies
Effectief rendement = 5,55 % + 2,12 % = 7,67 %
5) BELANGRIJKE OPMERKING (INTREST OP INTREST)
In de praktijk is het effectief rendement eveneens afhankelijk van een derde factor: intrest verdiend op herbelegde
coupons. De obligatiehouder zal immers meer verdienen dan zijn effectief rendement indien hij de toekomstige
ontvangen coupons herbelegt. Het is mogelijk om een schatting te maken van het effectief rendement in de
veronderstelling dat de toekomstige coupons zullen kunnen worden herbelegd aan dezelfde marktrente als vandaag.
In dit voorbeeld nemen we een marktrente van 7 %.
eindwaarde
resterende ontvangen herbelegde
looptijd
coupon
coupons
5
€
50 €
70,1
4
€
50 €
65,5
3
€
50 €
61,3
2
€
50 €
57,2
1
€
50 €
53,5
Financiële instrumenten
coupon
totaal
ontvangen
€
coupons
oorspronkelijke
€
coupons
intrest op
€
intrest
intrest op
intrest in %
jaarlijks
waarde
308
250
58
6,44%
1,26%
Pagina 3 van 18
Wanneer we alle toekomstige coupons (250 EUR) kapitaliseren aan 7 %, komen we aan een totaal van 308 EUR. De
intrest op intrest bedraagt 58 EUR (308 EUR – 250 EUR). Op een initiële investering van 900 EUR in de obligatie is dit
een totaalrendement van 6,44 % (58/900) op vijf jaar tijd. Omgerekend naar een jaarlijks gemiddeld rendement zal de
obligatiehouder nog ongeveer 1,26 % jaarlijks extra verdienen aan intrest op herbelegde coupons. Hiermee rekening
houdend, kunnen we schatten dat het effectief rendement gelijk is aan 8,93 % (7,67 % + 1,26 %).
Echter, dit is en blijft een schatting. Indien de toekomstige rentevoeten sterk zouden dalen, zou dit lager uitvallen.
Bovendien gaan we in onze berekening ervan uit dat alle toekomstige rentevoeten gelijk zullen blijven aan de huidige
marktrente. Dit is in de praktijk niet het geval.
Obligaties die boven pari noteren, zijn niet noodzakelijk minder interessant. Vaak ten onrechte denken beleggers dat
deze obligaties minder aantrekkelijk zijn omwille van het toekomstig kapitaalverlies. Opnieuw, de belegger dient te
beoordelen op basis van het effectief rendement. Obligaties die boven pari noteren met een hoge couponrente
kunnen interessanter zijn dan obligaties die onder pari noteren met een lage couponrente. Een voorbeeld:
OBLIGATIE X noteert aan 110 % en biedt een couponrente van 6 % voor de volgende 10 jaar.
 Deze obligatie geeft een effectief rendement van ongeveer 4,72 % jaarlijks
OBLIGATIE Y noteert aan 90 % en biedt een couponrente van 3 % voor de volgende 10 jaar.
 Deze obligatie geeft een effectief rendement van ongeveer 4,25%
Ondanks het feit dat de koper van obligatie X toekomstig kapitaalverlies zal lijden op de koers, is het effectief
rendement toch groter omwille van de hogere couponrente. Bovendien, obligaties die boven pari noteren bezitten
een aantal niet onbelangrijke voordelen:
1) Obligatie die boven pari noteren of zogenaamde ‘premium bonds’ hebben vaak een hoge couponrente.
Bijgevolg zijn ‘premium bonds’ minder intrestgevoelig dan gelijkwaardige obligaties die à pari of onder
pari noteren.
2) Het herinvesteringrisico is kleiner voor ‘premium bonds’. De hogere couponrente zorgt voor hogere
cashflows en het herinvesteren van deze cashflows (coupons) creëert additionele intrest voor de
obligatiehouder. Aangezien de cashflows hoger zijn bij ‘premium bonds’, zal ook de verdiende intrest
hierop groter zijn.
MARKTRENTE
De marktrente is de rente voor een ‘benchmark’ staatsobligatie van dezelfde looptijd. Een voorbeeld:
Belgische bedrijfsobligatie met een effectief rendement van 5 % op 7 jaar
Marktrente = het effectief rendement van een Belgische OLO op 7 jaar = 3%
De marktrente is 3 % en het effectief rendement op de bedrijfsobligatie bedraagt 5%. Het verschil tussen het effectief
rendement op de bedrijfsobligatie en de marktrente noemen we de ‘credit spread’ (risicopremie)
DURATION
Duration is een belangrijke maatstaf van rentegevoeligheid binnen het obligatiebeheer. Het is een getal die bij
benadering tracht na te gaan hoeveel procent de obligatiekoers zal wijzigen indien de marktrente stijgt of daalt met
1%.
De rentegevoeligheid of duration van een obligatie is afhankelijk van drie factoren:
De looptijd: Hoe langer de looptijd van een obligatie, hoe groter de rentegevoeligheid (duration). In een
stijgende renteomgeving, zal een obligatie met een langere looptijd sneller dalen in koers dan een obligatie
met een kortere looptijd.
De couponrente: Hoe groter de couponrente, hoe lager de rentegevoeligheid (duration). In een stijgende
renteomgeving, zal een obligatie met een hoge couponrente minder snel dalen dan een obligatie met een
lage couponrente. De intuïtieve reden hiervoor ligt in het feit dat de obligatiehouder met een hogere
couponrente relatief gezien meer en sneller wordt vergoed. Het risico van een intreststijging wordt voor een
stuk gecompenseerd door de hoge coupon.
Het effectief rendement: Hoe hoger het effectief rendement, hoe lager de rentegevoeligheid (duration). In
een stijgende renteomgeving, zal een obligatie met een hoog effectief rendement minder snel dalen dan een
obligatie met een lager effectief rendement.
Financiële instrumenten
Pagina 4 van 18
Bij een obligatie die à pari noteert met looptijd 5 jaar, couponrente 5 % en marktrente 5 %, bedraagt de duration 4,55.
Indien de marktrente stijgt (daalt) met 1%, daalt deze obligatie ongeveer 4,55 % in koers. Voor zeer grote
schommelingen in de marktrente, is de duration als maatstaf te onbetrouwbaar om een correcte inschatting te geven.
RATING
Een kredietbeoordelaar bepaalt de terugbetalingcapaciteit van een emittent. Deze kredietbeoordelaars geven
obligaties een rating na de analyse van verschillende financiële parameters die de sterkte van de balans,
resultatenrekening en vooruitzichten inschatten. De obligatierating biedt een beeld op de kwaliteit van de emittent.
Er zijn drie grote kredietbeoordelaars: Standard & Poors, Moody’s en Fitch. Niet elke obligatie bezit echter een rating.
Indien een bedrijf kapitaal ophaalt zonder rating, hoeft dit niet noodzakelijk negatief te zijn. Sommige bedrijven
beslissen geen rating aan te vragen omwille van de hoge kostprijs. Een officiële rating helpt het bedrijf wel sneller
kapitaal op te halen. Obligaties worden volgens hun rating opgedeeld in twee categorieën:
Investment Grade Bonds: Obligaties met een relatief lage kans op faillissement.
Speculative Grade Bonds: Obligaties met een relatief hogere kans op faillissement
SOORTEN OBLIGATIES
VANILLA OBLIGATIES
Een obligatie met normale looptijd, zonder vervroegde kans op terugbetaling, en met een vaste coupon beschouwen
we als de meest voorkomende vorm van obligatie. Een klassieke obligatie stijgt (daalt) in prijs, als de intrestvoeten
dalen (stijgen). In een stijgende intrestomgeving wordt de coupon van een bestaande klassieke obligatie minder
interessant voor nieuwe potentiële investeerders indien de koers zou blijven noteren tegen pari. Zij hebben immers
de kans om in te tekenen op nieuwe obligaties die een hogere couponrente bieden. Bijgevolg zal de koers van de
bestaande obligatie zich aanpassen naar beneden toe. Een potentiële koper zal pas interesse tonen in de bestaande
obligatie met de lagere coupon, wanneer de koers voldoende laag is en het effectief rendement hierdoor gelijk wordt
aan de nieuwe obligaties met hogere couponrentes.
Een obligatiehouder die een obligatie aanhoudt tot op vervaldag wordt, in afwezigheid van faillissement, steeds tegen
pari terugbetaald. Tussentijds kan de koers van een obligatie schommelen. Indien de belegger vervroegd zijn obligatie
wenst te verkopen op de secundaire markt, kan de koers boven of onder pari liggen afhankelijk van de evolutie van de
marktrente en de risicopremies sinds aankoop.
Rentegevoeligheid van een klassieke obligatie
FLOATING RATE NOTES
Floating rate notes bieden een variabele coupon aan gedurende de volledige looptijd van de lening. De couponrente
wordt periodiek (maandelijks, kwartaalbasis, jaarlijks,…) aangepast aan een vooraf bepaalde benchmark
(referentierente). ‘Floating rate notes’ kunnen gelinkt worden aan eender welke benchmark, maar het meest
voorkomende type wordt geklikt aan de euribor rente of aan een inflatie-index. Een voorbeeld van een
couponstructuur:
FRN, 3M Euribor + 200bps, reset op kwartaalbasis, halfjaarlijkse uitbetaling.
De referentierente: De driemaandelijkse euribor-rente. Dit is de korte termijn geldmarktrente die een
gemiddelde vormt van wat financiële instellingen elkaar aanreken voor het ontlenen van kapitaal in EUR op
drie maanden tijd.
Financiële instrumenten
Pagina 5 van 18
Credit spread: Naast de referentierente biedt de coupon een extra spread van 200 basispunten (of 2 %)
bovenop de benchmark. De hoogte van de spread hang af van de looptijd, de kwaliteit en de rating van de
uitgever.
Reset: De coupon wordt op kwartaalbasis herberekend. Hoe hoger de reset-frequentie, hoe sneller de
coupon wordt aangepast de nieuwe stand van de referentierente.
Uitbetaling: Ieder half jaar wordt een coupon uitgekeerd.
Floating rate notes hebben vaak ook een ingebouwde cap of floor.
Cap: Een cap is de maximum intrest die de uitgever zal betalen, ongeacht de hoogte van de referentierente.
De cap beschermt de uitgever tegen escalerende rentevoeten.
Floor: Een floor is de minimum intrest die de uitgever moet betalen, ongeacht de laagte van de
referentierente. De floor beschermt de obligatiehouder tegen extreem lage intrestvoeten.
Beleggers die denken dat de marktrente (of de inflatie) op lange termijn zal stijgen, kunnen een aankoop in floating
rate notes overwegen. Investeerders zijn vaak wantrouwig t.o.v. langere looptijden bij klassieke obligaties omdat ze
op die manier hun effectief rendement vast klikken. Indien de marktrente plots stijgt, kan de klassieke obligatiehouder
niet profiteren van deze situatie aangezien hij ingetekend heeft in een obligatie met een lagere coupon. Om dit te
vermijden kunnen langdurige floating rate notes een alternatief vormen. De eerste coupons zullen lager liggen dan bij
een klassieke obligatie, maar deze coupons kunnen stijgen indien de referentierente stijgt. Floating rate notes hebben
bijgevolg een lage duration. In een stijgende intrestomgeving zullen de koersen quasi niet dalen omdat de coupon
telkens wordt aangepast aan de hogere referentierente.
FIXED TO FLOATING OBLIGATIES
Obligaties kunnen een vaste couponrente bieden gedurende een bepaalde looptijd en vervolgens overschakelen naar
een floating rate note structuur. In de meeste gevallen bieden fixed to floating coupons een zeer hoge coupon
gedurende de vaste couponperiode maar een lager effectief rendement dan een klassieke obligatie. De hoge eerste
coupons kunnen aantrekkelijk lijken, maar het totaal effectief rendement kan veel lager uitvallen dan bij een klassieke
obligatie.
Fixed to floating coupons kunnen interessant zijn voor beleggers die eerst weinig verandering verwachten in het
toekomstige verloop van rentevoeten, maar na een bepaalde periode toch een intreststijging voorzien.
ACHTERGESTELDE OBLIGATIES
De beleggers in achtergestelde obligaties worden -bij faling van de vennootschap die ze emitteerde- pas uitbetaald
nadat de andere schuldeisers voldaan zijn. Ze hebben wel voorrang op de aandeelhouders.
BEVOORRECHTE OBLIGATIES
Dergelijke obligaties beschikken meestal over bepaalde activa die dienst doen als waarborg of onderpand. Bij
liquidatie van de onderneming genieten deze beleggers van een voorrang op de andere beleggers en de gewone
schuldeisers. Deze voorrang is weliswaar beperkt tot de opbrengst van de onderliggende activa. Voorbeelden:
Mortgage Backed Securities, Asset Backed Securities.
CONVERTEERBARE OBLIGATIES
Dit zijn obligaties die omgezet kunnen worden in aandelen op het moment zoals voorzien in het contract. In feite
heeft de koper een call optie op de aandelen van de emitterende onderneming. De conversieverhouding geeft aan
hoeveel (nieuwe) aandelen men krijgt bij omwisseling van de converteerbare obligatie.
REVERSE CONVERTEERBARE OBLIGATIES
Dit is een financieel instrument dat de eigenschappen van een obligatie combineert met het risico eigen aan aandelen.
Een “reverse convertible” heeft een wel bepaalde looptijd, een coupon op vaste datum en een vastgelegde interest.
De duur is meestal bepaald op 2 jaar; de rente is merkelijk hoger dan de normale gangbare interest op de
obligatiemarkt. Deze premie wordt aan toonder uitbetaald om het risico te trachten te compenseren.
Het risico vloeit voort uit het feit dat de uitgever de keuze heeft om, op vervaldag, de houder van de obligaties uit te
betalen hetzij in cash, hetzij in effecten van het onderliggend financieel instrument. Bij een dalende markt, loopt men
het risico zware verliezen te lijden.
Financiële instrumenten
Pagina 6 van 18
CALLABLE OBLIGATIES
Een ‘callable bond’ heeft een call datum. Dit is een datum of meerdere datums waarop de emittent het recht heeft,
maar niet de verplichting, om de obligatie vervroegd af te lossen. Emittenten kiezen voor de uitgifte van ‘callable
bonds’ om zo de optie vrij te laten hun schulden vervroegd te kunnen aflossen.
Een vervroegde aflossing vindt vaak plaats indien het bedrijf zich goedkoper kan herfinancieren. Indien de
rentevoeten sinds de uitgifte van de obligatie gedaald zijn, wordt de kans groter dat de uitgever de lening vervroegd
aflost.
‘Callable bonds’ kunnen een nadeel vormen voor de obligatiehouders aangezien zij het risico lopen dat hun belegging
vervroegd wordt afgelost. Mede hierdoor zal de intrestvergoeding op een ‘callable bond’ hoger liggen dan op een
‘non-callable bond’. Obligatiehouders eisen een hogere risicopremie in de vorm van een hogere couponrente. In een
stijgende renteomgeving krijgen obligatiehouders van ‘callable bonds’ een hogere coupon dan ‘non-callable bonds’.
Let wel, in een stijgende renteomgeving zijn de obligaties ook onderhevig aan prijsdruk zoals klassieke obligaties. In
een dalende renteomgeving, blijft het koerspotentieel beperkt omdat de koers van de obligaties gelimiteerd wordt
door een mogelijke call-prijs.
rentegevoeligheid van een callable en klassieke non-callable bond
Obligatie met een call datum kunnen op twee manieren vervroegd worden afgelost:
1) Tegen een vaste call-prijs
Bij de uitgifte wordt een prijs bepaald waartegen de emittent vervroegd kan afbetalen. Meestal wordt de
callprijs vastgelegd op 100 (tegen pari). In sommige gevallen kan de vooropgestelde call-prijs afwijken van
100.
2) Make whole:
Bij een ‘make-whole’ clausule wordt de obligatie afgelost tegen de huidige marktprijs plus een premie. Deze
premie biedt de obligatiehouders toch bescherming tegen een vervroegde afbetaling.
Het effectief rendement voor ‘callable bonds’ kan lager uitvallen bij vervroegde terugbetaling. Hierdoor
houden investeerders ook rekening met de yield-to-call. Dit is het effectief rendement die de obligatie zou
bieden indien zij vervroegd wordt afgelost.
PUTABLE OBLIGATIES
‘Putable bonds’ bieden de obligatiehouder het recht om vervroegde terugbetaling te eisen van de emittent. Het
rendement die de investeerder ontvangt, ligt bijgevolg lager dan bij de klassieke obligatie. Het recht tot vervroegde
afbetaling biedt nu een voordeel in hoofde van de obligatiehouder.
Rentegevoeligheid van een ‘putable bond’
Financiële instrumenten
Pagina 7 van 18
‘Putable bonds’ kunnen meestal worden terugbetaald tegen pari of tegen een vooropgestelde put-prijs. ‘Putable
bonds’ zijn minder intrestgevoelig dan klassieke obligaties. In een stijgende renteomgeving zal de koers van de
obligatie immers nooit onder de vooropgestelde put-prijs dalen. In een stijgende renteomgeving, bieden ‘putable
bonds’ meer bescherming dan de klassieke tegenhanger. De obligatiehouder kan immers overgaan tot vervroegde
afbetaling en de liquide middelen herinvesteren in nieuwe obligaties tegen hogere couponrentes.
PERPETUALS
Eeuwigdurende obligaties of perpetuals hebben extreem lange looptijden of bezitten helemaal geen vervaldag.
Omwille van hun hoge duration – in het geval van een vaste coupon – zijn deze obligaties zeer rentegevoelig.
Perpetuals zijn eveneens zeer gevoelig aan de bewegingen in de rentespreads (het verschil tussen de rente op
bedrijfspapier en staatspapier). Het koersgedrag van perpetuals leunt dichter aan bij dat van aandelen dan obligaties
en bevat dus duidelijk meer risico.
ZEROBONDS
Zerobonds (zero coupon obligaties) betalen geen coupon, maar worden uitgegeven onder pari en kapitaliseren naar
100. Een zerobond bevat geen herinvesteringrisico.
GESTRUCTUREERDE OBLIGATIES/PRODUCTEN
Sommige obligaties worden gestructureerd aan de hand van een combinatie van bovenstaande categorieën. Een
obligatie kan bijvoorbeeld eeuwigdurend zijn in looptijd met een fixed to floating coupon en callable.
Als gevolg van de lage intrestvoeten zochten de banken naar producten met een hogere opbrengst voor hun cliënten.
Deze nieuwe producten kregen speciale namen als domino, snowball, eagle, twister, enz. Tegenover de hogere intrest
die men krijgt staat wel een hoger risico.
Het risico bestaat erin dat, naargelang de emissie, noch de betaling van de rente, noch die van het kapitaal
gegarandeerd is. De terugbetaling van het kapitaal kan afhangen van de koersevolutie van (een) onderliggende
waarde(n) zoals aandelen. Het zijn geen gewone (vanilla) obligaties.
Gestructureerde producten zijn een vrij recent verschijnsel zodat de prijsvorming niet altijd correct is. In sommige
gevallen kan er zelfs niet verkocht worden aan de gepubliceerde koers. Dit wil niet zeggen dat men gestructureerde
producten principieel moet uitsluiten, maar de voorwaarden dienen aandachtig te worden geanalyseerd en de
beslissing moet genomen worden in functie van uw risicoprofiel.
RISICO’S
DEBITEURENRISICO
De uitgever van een obligatie kan steeds failliet gaan waardoor de obligatiehouder niets of slechts een gedeelte van
zijn oorspronkelijke investering kan recupereren. Het debiteurenrisico is afhankelijk van de bedrijfsrisico’s, de sector
en het economisch klimaat. Ratingagentschappen bieden de beleggers een leidraad bij het inschatten van het
debiteurenrisico, maar de rating vormt geen garantie. Obligaties uit de categorie ‘investment grade’ lopen een relatief
lagere kans op faillissement dan obligaties uit de categorie ‘high yield’. Binnen die categorie faalt ongeveer 2% tot 3%
van de bedrijven in een periode van 10 jaar.
LOOPTIJDRISICO
Obligatiebeleggers eisen een hogere rentevergoeding voor obligaties met een langere looptijd. Hoe langer de looptijd,
hoe groter de onzekerheid omtrent de terugbetalingcapaciteit. Beleggers dienen zich bewust te zijn van hun eigen
beleggingshorizon bij de keuze van de looptijden in het obligatie-universum. Hoe langer de looptijd, hoe groter de
tussentijdse koersschommelingen kunnen zijn.
Obligatiebeleggers die hun obligaties aanhouden tot op vervaldag, worden steeds à pari uitbetaald in afwezigheid van
faillissement. Wie zijn obligaties vervroegd wil verkopen, loopt het risico te moeten verkopen onder pari.
COUPONRISICO
De uitgever kan de couponbetaling (tijdelijk) opschorten in geval van (tijdelijke) financiële problemen.
RENTERISICO
De meest obligaties dalen tussentijds in waarde wanneer de marktrente stijgt. Obligatiebeleggers die vervroegd willen
verkopen, lopen het risico dit te doen tegen een koers onder pari. Grote renteschommelingen kunnen leiden tot grote
volatiliteit in obligatieportefeuilles met een hoge duration.
Financiële instrumenten
Pagina 8 van 18
HERBELEGGINGSRISICO
Indien de marktrente stijgt (daalt) boven (onder) de op het effect vermelde couponrente dan kunnen coupons
voordeliger (nadeliger) herbelegd worden. Dit is het positief (negatief) herbeleggingsrisico.
INFLATIERISICO
Door de inflatie zal het terugbetaalde kapitaal minder reële koopkracht vertegenwoordigen dan het door de belegger
initieel belegde kapitaal. Dit verlies in koopkracht speelt des te meer naargelang de inflatie hoger ligt. Bovendien zal
een aantrekkende inflatie resulteren in renteverhogingen door de centrale bank, waardoor beleggers met reeds
obligaties in portefeuille een renterisico zullen lopen.
CREDIT SPREAD (RENTEVERSCHIL, RISICOPREMIE) RISICO
Het effectief rendement op bedrijfsobligaties kan worden opgesplitst in het rendement op een staatslening met
dezelfde looptijd en een risicopremie (credit spread). De risicopremie is de vergoeding die beleggers eisen bovenop de
vergelijkbare “veilige” staatslening.
Investeerders vragen een risicopremie omdat bedrijven gemiddeld gezien een hogere kans op faling lopen dan de
staat. De credit spreads worden beïnvloed door de korte termijn rentevoeten, het economisch klimaat, sectorale
evoluties, het beleggersentiment en de liquiditeit. Een aantal praktische voorbeelden:
-
Economisch klimaat: De gemiddelde risicopremie op de categorie ‘Investment Grade Bonds’ kan stijgen
doordat de economische groeivooruitzichten tegenvallen en het beleggersentiment sterk negatief wordt.
Beleggers worden voorzichtig en eisen een hogere vergoeding. Hierdoor zullen de koersen van
bedrijfsobligaties zakken, waardoor het effectief rendement stijgt en impliciet ook de risicopremie stijgt.
-
Sectorale evolutie: De risicopremie voor bedrijven uit de Telecom sector kan stijgen t.o.v. de algemene credit
spreads indien de sectorale schuldgraad relatief verslechtert t.o.v. de markt. Koersen van Telecom obligaties
kunnen tijdelijk onder druk komen te staan, waardoor hun effectief rendement stijgt.
-
Liquiditeit: Sommige obligaties zijn moeilijk verhandelbaar omwille van een kleine uitgifte. Beleggers eisen
meestal een hogere rentevergoeding voor illiquide obligaties. De risicopremie vervat in de rentevergoeding
zal hoger liggen dan voor meer liquide, gelijkwaarde obligaties
SENIORITEIT
Bedrijven die kapitaal ophalen via de obligatiemarkt stipuleren in de prospectus de senioriteit van de obligatie. De
senioriteit geeft aan hoeveel voorrang obligatiehouders krijgen t.o.v. andere schuldeisers in geval van faillissement.
Enkele voorbeelden:
-
-
Subordinated bonds: Achtergestelde obligaties die pas als laatste in aanmerking komen voor een
(gedeeltelijke) terugbetaling in geval van faillissement. Binnen de subordinated categorie wordt er soms nog
onderscheid gemaakt tussen junior en senior obligaties
Junior bonds: deze obligaties krijgen voorrang op achtergestelde obligaties
Senior bonds: deze obligaties krijgen voorrang op junior en subordinated bonds
Obligatiehouders dienen zich te informeren omtrent de senioriteit van een obligatie alvorens over te gaan tot
aankoop. Obligaties met een lage senioriteit bieden een hogere coupon als vergoeding voor het hoger risico die
obligatiehouders lopen. Obligaties met een lage senioriteit zijn gevoeliger voor bewegingen in de credit spreads.
SECTORAAL RISICO
Bedrijfsobligaties uit dezelfde sector kunnen onderhevig zijn aan risico’s die specifiek voortvloeien uit hun sector.
LANDERISICO
Bedrijfsobligaties zijn onderhevig aan de politieke en economische risico’s van het land waar de emittent
gedomicilieerd is. Het landenrisico is groter voor obligaties uit groeilanden en landen met een hoge schuldratio.
BEDRIJFSSPECIFIEK RISICO
De risicopremies van obligaties worden vooral beïnvloed door het bedrijfspecifiek risico. Een verbetering of
achteruitgang in de financiële gezondheid, omzetgroei, winstgroei, schuldgraad en/of andere financiële parameters
kan leiden tot sterke schommelingen in de credit spread van een obligatie.
Financiële instrumenten
Pagina 9 van 18
VALUTA RISICO
Obligaties die noteren in een andere munt dan de EUR zijn onderhevig aan het wisselkoersrisico. De obligatiehouder
loopt steeds het risico dat de wisselkoers zakt tussen het moment van aankoop en de volgende transactiedatum. De
koper van een obligatie in vreemde munt heeft absoluut geen kapitaalgarantie op vervaldag.
LIQUIDITEITSRISICO
Obligaties worden op een beurs verhandeld of interbancair (tussen banken onderling). Meestal zijn er een aantal
financiële instellingen die optreden als marktmaker voor de uitgiftes. Dit betekent dat bepaalde banken zich garant
stellen om altijd een koop- of verkoopprijs aan te bieden aan de tegenpartij die wenst te handelen. Er is echter geen
enkele garantie op voldoende liquiditeit. Sommige obligaties zijn moeilijk verhandelbaar door een gebrek aan
marktmakers of een gebrek aan volumes op de beurs. Bijgevolg, bestaat steeds het risico dat obligatiehouders hun
obligatie niet vervroegd kunnen verkopen bij gebrek aan voldoende interesse.
Het liquiditeitrisico stijgt in een onzeker economisch klimaat of bij paniek op de financiële markten. In een dergelijk
scenario wordt het verschil tussen de bid en de ask koers groter. Een gedwongen verkoop in een illiquide markt, kan
ertoe leiden dat een obligatiehouder verkoopt tegen een marktprijs die sterk afwijkt van dan de theoretische koers.
Financiële instrumenten
Pagina 10 van 18
Aandelen
ALGEMENE DEFINITIE:
Een aandeel is een waardepapier dat een aantal rechten met betrekking tot een vennootschap geeft. Het
vertegenwoordigt een gedeelte van het kapitaal van een bedrijf en geeft dus zeggenschap in de onderneming.
KENMERKEN VAN AANDELEN:
HOE WORDT PRIJS BEPAALD?
De prijs van een aandeel komt net zoals bij andere financiële producten tot stand wanneer vraag en aanbod in
evenwicht zijn. Om dit evenwicht te bepalen worden alle aankoop- en verkooporders in een orderboek geplaatst. Een
praktisch voorbeeld:
In het bovenstaande voorbeeld is de markt bij een prijs van 61,10 euro in evenwicht.
 2 200 gevraagde effecten: 400 zonder prijslimiet + 200 tegen € 61,25 + 250 tegen € 61,20 euro + 500
tegen € 61,15 + 850 tegen € 61,10
 2150 aangeboden effecten: 400 zonder prijslimiet + 250 tegen € 60,95 + 400 tegen € 61,00 + 500 tegen
€ 61,05 + 600 tegen € 61,10
 Aangezien het aanbod en de vraag niet precies in evenwicht zijn, wordt het aankooporder dat
gelimiteerd is tot de genoteerde koers (61,10 euro) slechts uitgevoerd voor 800 effecten op de 850
gevraagde effecten. De overige 50 effecten worden in een wachtrij geplaatst
DETERMINANTEN DIE DE KOERS BEÏNVLOEDEN
Er zijn een groot aantal elementen waarvan men verwacht dat ze de koers van een aandeel kunnen beïnvloeden. Deze
factoren kunnen we indelen in:

Macro economische factoren
o
Economische conjunctuur: een periode van economische expansie is over het algemeen gunstig
voor bedrijven en dus voor de koersen van hun aandelen, maar we weten dat beurzen de
economische evolutie ook anticiperen. Een neerwaartse beurscorrectie tijdens een periode van
economische expansie is dus mogelijk als de markt een conjunctuurverandering verwacht.
o
Rentevoeten: Normalerwijze bevordert een daling van de rentevoeten de beurs, maar we
moeten meteen deze stelling nuanceren. Als de opbrengst op lange termijn bijna gelijk is aan de
opbrengst van korte termijn investeringen, met andere woorden, als het risico over een lange
periode niet beter beloond wordt dan het risico over een korte periode, wat zal de motivatie
van de spaarder zijn om op lange termijn te beleggen en zo meer risico te nemen? De invloed
van de opbrengst hangt ook samen met de notie “risicopremie”. De risicopremie is het verschil
tussen de opbrengst van risicovolle beleggingen en beleggingen zonder risico. Hoe meer het
risico wordt gelopen op een uitgestrekte periode, hoe meer dit risico beloond moet worden.
Over het algemeen wordt als basisbelegging zonder risico de staatslening genomen (in de
betreffende munt). We beschouwen de verwerving van een staatslening als een risicoloze
belegging, op voorwaarde dat men een staat kiest met een stabiel politiek-economisch systeem,
een inflatie onder controle en een kwaliteitsvolle munt. Soms loopt het grondig mis,
bijvoorbeeld met de Russische leningen ten tijde van de tsaren. De risicopremie moet positief
zijn, dat wil zeggen dat de risicovolle beleggingen beter beloond moeten worden dan de
risicoloze beleggingen. Wanneer we het over “beloningen van risicovolle beleggingen” hebben,
bedoelen we het dividend vermeerderd met de hoop op een positief verschil tussen de
verkoop- en de aankoopprijs. Als de risicopremie nul is of zelfs negatief wordt, is het evident dat
Financiële instrumenten
Pagina 11 van 18
de investeerders hun beleggingen gaan oriënteren naar effecten met vaste opbrengsten op
korte termijn.
o

Wisselkoersschommelingen, inflatie, fiscaliteit, politieke ontwikkelingen e.d.
Ondernemingsspecifieke factoren
o
Winstgevendheid, dividendbeleid, uitgaven R&D, e.d.
o
De kwaliteit van het bedrijf, van zijn bestuur, de bedrijfssector, de productiviteit, e.d.
o
We zien meteen dat het moeilijk is om alle risico’s te vatten die verbonden zijn aan de aard van
het bedrijf en zijn activiteit. Bijvoorbeeld:



de gevolgen van een staking van het personeel : als die van korte duur is, heeft ze maar
een beperkt of zelfs geen enkel effect op het resultaat van het bedrijf. Als de staking
echter langer duurt, kunnen de resultaten van het bedrijf beïnvloed worden en kan de
koers van het aandeel eronder lijden.
het ontslag van een belangrijk bestuurslid kan een negatieve invloed hebben, maar is
zelden lang vooraf gekend. Op dezelfde wijze kan de komst van een manager met een
goede reputatie een invloed hebben op het resultaat en dus misschien op de koers.
Maar wordt zo’n reputatie niet overgewaardeerd? De manager was bedreven in zijn
vorige functie, zal hij het ook in de nieuwe zijn?
Beurstechnische factoren
o
De invloed van andere markten: De beurskapitalisatie van de beurs van Brussel
vertegenwoordigt zelfs niet één procent van de wereldbeurskapitalisatie. De invloed van
belangrijke beurzen zoals New York, Tokyo en Londen beïnvloeden in belangrijke mate de
evolutie van de beurs van Brussel. Zelfs indien de onderliggende elementen de Belgische markt
zouden moeten beïnvloeden, kan de Belgische markt echter negatief beïnvloed worden indien
één van de meer belangrijke markten daalt.
WAARDERING VAN AANDELEN
Het rendement van een aandeel over een bepaald periode bestaat uit twee componenten:
 Dividend;
 Gerealiseerde meer(min)-waarden: positief (negatief) verschil tussen de verkoopkoers en de aankoopkoers
van het aandeel;

Er bestaan diverse methodieken/ratio’s om eenvoudig te bepalen of een aandeel op een bepaald moment al dan niet
goedkoop (duur) gewaardeerd wordt op de beurs door de beleggers en zo in de toekomst een hoog (laag) rendement
kunnen verwachten.
Voorbeelden: koers/winst verhouding; koers/winst verhouding gerelateerd aan jaarlijkse winstgroei van aandeel;
koers/boekwaarde; koers/cash flow; e.d.
BEURSINDEXEN
Een beursindex bevat volgende kenmerken:
 Vat in één cijfer de evolutie van de beurs samen.
 Is veelal gebaseerd op een beperkte gewogen steekproef van aandelen.
 Geeft de nominale evolutie van de beurswaarden weer (<> reële waarde = return-inflatie).
Een belangrijk onderscheid kan gemaakt worden tussen koersindexen en returnindexen. Koersindexen (of
prijsindexen) steunen enkel op de koersevolutie. Returnindexen houden rekening met de evolutie van koers van het
aandeel én met de opbrengst van de herbelegging van het uitgekeerde dividend.
Financiële instrumenten
Pagina 12 van 18
Voorbeelden van indexen:
 Dow Jones Industrial Index
o 30 blue chips die noteren op de NYSE; voornamelijk industriële bedrijven
 Standard & Poor’s Index
o 500 aandelen, 75% van de kapitalisatie van NYSE
o Sterk gecorreleerd met DJII
 (Euro)Stoxx 50
o Stoxx50 bevat aandelen uit geheel Europa
o EuroStoxx50 bevat enkel aandelen uit de eurozone
BEURSGOLVEN
We onderscheiden diverse trendpatronen in de beursindexen:

Lange termijngolven: Over een periode van 30-50 jaar blijkt de beurs opgaande en neergaande fasen te
hebben gekend, maar in het algemeen blijkt de trendlijn stijgend te zijn. Deze stijgende trendlijn geeft
aan dat op lange termijn het nog altijd interessanter is te beleggen in aandelen dan in risicovrije
waarden.

Conjunctuurgolven: Binnen de lange golf kunnen we verder op- en neergaande bewegingen herkennen.
Conjunctuurgolven hebben doorgaans een duurtijd van gemiddeld 2 à 3 jaar; de opgaande fase wordt de
‘bull-fase’ genoemd, de neergaande de ‘bear-fase’.
BELEGGINGSFONDSEN
ALGEMENE DEFINITIE
Een fonds of instelling voor collectieve beleggingen (ICB) verzamelt middelen van individuen om deze vervolgens
namens de groep te beleggen in een portefeuille van effecten, zoals obligaties en/of aandelen. De investeerder
ontvangt van een bepaalde hoeveelheid aandelen van dit fonds. De waarde van deze aandelen reflecteert dan de
waarde van de portfolio die de ICB beheert.
BEVEK (SICAV)
De Sicav is een bijzonder financieel instrument met een eigen juridisch statuut, waarbij de belegger deelbewijzen van
de Sicav ontvangt en niet de onderliggende effecten. De samenstelling van een Sicav kan zeer verscheiden zijn: enkel
obligaties, enkel aandelen, per sector, per munt, per land, enz. De waarde van de Sicav evolueert volgens de koersen
van de onderliggende effecten en wordt uitgedrukt in een inventariswaarde die zijn aan- of verkoopprijs bepaalt.
Meestal bestaat de Sicav onder kapitalisatie- en/of distributievorm.
EXCHANGE TRADE FUNDS
ALGEMENE DEFINITIE
Een ETF of een beurstracker is een beleggingsproduct dat een aandelen-, obligatie- of grondstoffenindex volgt of een
verzameling van effecten zoals een indexfonds. U investeert dus rechtstreeks in de prestatie van een index. Het moet
de spaarder toelaten om op lange termijn op een gediversifieerde manier en tegen een betaalbare prijs te beleggen in
een bepaalde geografische zone, sector of op wereldschaal.
SOORTEN ETF’S

Fysieke ETF: Een fysieke ETF koopt over het algemeen alle effecten in de onderliggende index en houdt ze
aan als fondsvermogen. Wanneer het niet voordelig wordt geacht om alle effecten in de index te kopen
(bijvoorbeeld wanneer een index niet erg liquide is), kan men ook kiezen voor ‘optimalisatie’. Dit betekent
dat een deel van de effecten in de index wordt gekocht in plaats van alle effecten om zo de performance van
de index te tracken.
Uitgevers van fysieke ETF’s lenen vaak ook de aandelen uit aan tegenpartijen (=security lending), die daar
grote behoefte aan hebben, bijvoorbeeld om short te gaan. Dit genereert echter een bijkomend risico, want
als degene die de aandelen leent failliet gaat, zijn de uitgeleende aandelen verloren. Om dat risico te
reduceren wordt vaak onderpand gevraagd.
Financiële instrumenten
Pagina 13 van 18

Synthetische ETF: Deze ETF gebruikt meestal total return indexswaps om de performance van een index te
repliceren. Een swap is een overeenkomst tussen twee partijen waarbij de ene partij een betaling doet op
basis van een vastgesteld percentage, hetzij vast of variabel, terwijl de andere partij betalingen doet op basis
van het totaalrendement van een onderliggend asset.
In het geval van een ETF betekent dit dat het fonds een mandje met effecten houdt dat door de
swaptegenpartij wordt voorgeschreven. De performance van dit mandje wordt met de swaptegenpartij
omgeruild tegen de performance van de index. Dit betekent in essentie dat wanneer u een ETF op swapbasis
koopt, u de performance van de index koopt en niet de fysieke effecten die deze bevat.
Bij synthetische ETF’s worden we echter geconfronteerd met een bijkomend risico, nl. het tegenpartijrisico.
Als de tegenpartij niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen, kan de ETF de verplichtingen jegens zijn
houders niet meer nakomen. Om dat risico te matigen eisen uitgevers van synthetische ETF’s onderpand
(collateral) van de tegenpartij. In dit geval spreken we een collateralized synthetische ETF. In het andere geval
hebben we te maken met een uncollateralized ETF.
VARIANTEN OP ETF’S

Exchange Trade Commodities: ETC’s volgen de prestaties van de grondstoffenmarkten. Ze zijn volledig
gedekt, wat betekent dat het tegenpartijrisico wordt afgedekt. Het belangrijkste verschil tussen ETF's en
ETC's is dat de laatste schuldeffecten zijn in plaats van fondsen.

Exchange Trade Notes: ETN’s zijn ongedekte, niet-achtergestelde schuldeffecten, vaak uitgegeven door
financiële instellingen. De onderschrijvende bank verbindt er zich toe om de indexreturn te betalen, na aftrek
van de nodige kosten. Investeerders worden zo blootgesteld aan het kredietrisico van de tegenpartij. Om dit
risico te reduceren worden vaak waarborgen geëist van de tegenpartij. In dit geval spreken we van een
collateralized ETN.
VASTGOEDCERTIFICATEN
Een vastgoedcertificaat is een effect dat aan de houder ervan een schuldvordering toekent op een vennootschap. Die
schuldvordering verleent een recht op een deel van de inkomsten en de realisatiewaarde van één of meer onroerende
goederen.
AFGELEIDE INSTRUMENTEN
ALGEMENE DEFINITIE
Afgeleide financiële instrumenten zijn ontworpen voor het dekken van het wisselrisico, het renterisico en vooral het
volatiliteitsrisico. De benaming ‘afgeleid’ heeft te maken met het feit dat die instrumenten "zijn afgeleid" van de
onderliggende financiële instrumenten waarvoor ze als dekking zijn bedoeld. Ze kunnen als dekking of speculatief
worden gebruikt.
Een afgeleid financieel instrument geeft aan de eigenaar ervan het recht of de verplichting om een onderliggende
waarde (bijvoorbeeld een aandeel, een valuta, een beursindex) aan te kopen of te verkopen tegen een vooraf
vastgestelde prijs en gedurende een bepaalde periode.
Een afgeleid product mag niet worden verward met een belegging in een onderliggende waarde. Nadat de uitoefenperiode is verstreken, verliest het product al zijn waarde. De belangrijkste categorieën afgeleide financiële
instrumenten zijn: opties, warrants en futures.
HEFBOOMEFFECT
Afgeleide financiële instrumenten bieden de mogelijkheid om een in verhouding tot de inbreng een zeer hoge winst te
halen. Dat noemt men het hefboomeffect. Het volstaat bijvoorbeeld de premie te betalen om in opties te beleggen;
de mogelijke winst kan zeer hoog zijn. Het eraan verbonden risico is echter ook groot: de volledige belegging kan
verloren gaan.
Het hefboomeffect speelt dus in beide richtingen. Steeds moet voor ogen worden gehouden dat een grote
winstverwachting samengaat met een hoog risico. Een belegger die een optie koopt, krijgt de premie maar kan zich
daarentegen blootstellen aan een onbeperkt risico (verkoop van een call- optie zonder over het onderliggende te
beschikken).
Financiële instrumenten
Pagina 14 van 18
OPTIES
Een optie is een financieel instrument dat voor diverse doeleinden kan worden gebruikt, onder meer om een
portefeuille tegen een risico te beschermen, een aanvullend rendement te verkrijgen of te speculeren op stijgingen en
dalingen van uiteenlopende activa zoals grondstoffen (olie, tarwe, metalen, goud,…), rentetarieven, wisselkoersen en
aandelen.
Het is een contract tussen een koper, ook houder genoemd, en een verkoper, ook emittent genoemd, die aan de
houder van de optie het recht geeft om een bepaalde hoeveelheid van een onderliggende waarde, tegen een vooraf
vastgestelde prijs (uitoefenprijs) en op een bepaalde datum (zgn. Europese optie) of gedurende een overeengekomen
periode (Amerikaanse optie), te verhandelen.
Een optie geeft een recht aan de koper/houder, maar houdt een verplichting in voor de verkoper/emittent: als de
houder van een optie te kennen geeft dat hij een transactie wil uitvoeren, dan heeft de verkoper de verplichting om
die transactie te doen. In ruil voor zijn verplichting krijgt de verkoper een premie.
DE CALLOPTIE (HAUSSECONTRACT)

geeft aan de houder ervan het recht om gedurende een bepaalde periode of op een bepaald ogenblik een
bepaalde hoeveelheid activa (contractgrootte) aan te kopen tegen een vastgestelde of overeengekomen
prijs;

De verkoper van de optie heeft de verplichting om de overeengekomen hoeveelheid van de activa te leveren
tegen de uitoefenprijs, als de houder zijn recht wil uitoefenen.

Wie een calloptie koopt, hoopt op een koersstijging (van het onderliggende aandeel bijvoorbeeld).
DE PUTOPTIE (BAISSECONTRACT)

geeft aan de houder ervan het recht om een bepaalde hoeveelheid onderliggende activa tegen een
overeengekomen prijs te verkopen;

De verkoper van de optie heeft de verplichting een bepaalde hoeveelheid van die activa tegen een
overeengekomen prijs aan te kopen;

Wie een putoptie koopt, hoopt op een koersdaling (van het onderliggende aandeel bijvoorbeeld).
Op de vervaldag kan de koper zijn recht uitoefenen, maar hij is daartoe niet verplicht. De verplichting van de verkoper
vervalt, als de koper zijn recht niet uitoefent.
De premie die de verkoper krijgt, is een vergoeding voor de verplichting en dus voor het risico dat hij aanvaardt op
zich te nemen. Het is de prijs van de optie en geeft een beeld van wat de markt bereid is te betalen voor het daaraan
verbonden uitoefenrecht. De premie is niet vast gedurende de gehele looptijd van de optie, maar verandert nagenoeg
dagelijks. Zij hangt af van de twee elementen waaruit zij is samengesteld, met name de intrinsieke waarde van de
optie en de tijdswaarde van de optie (een optie zal duurder zijn naarmate de looptijd langer is; evenzo zal de prijs
steeds sneller gaan dalen naarmate de vervaldag dichterbij komt en dan daalt de prijs tot nul).
Opties kunnen op een secundaire markt worden verhandeld. Elke georganiseerde activamarkt heeft de
contractbepalingen gestandaardiseerd teneinde de opties vlotter verhandelbaar te maken. In het geval van aandelen
bedraagt de looptijd van de optie doorgaans drie, zes of negen maanden, het contract heeft betrekking op 100
aandelen en de uitoefenprijs is uitgedrukt per aandeel.
Tal van opties zijn niet gekoppeld aan een bepaald aandeel, maar aan een aandelenkorf waarvan de evolutie aan de
hand van een beursindex wordt gemeten. In Brussel bestaan er aldus opties op de BEL20-index, die bestaat uit de
twintig belangrijkste Belgische aandelen die op de Brusselse beurs zijn genoteerd. Opties zijn op afzonderlijke beurzen
genoteerd. De meeste financiële centra hebben een georganiseerde optiebeurs en bieden de geïnteresseerde
beleggers informatiebrochures aan met toelichting bij onder meer de werkwijze en de gebruikte instrumenten.
Euronext, een Europese beurs met internationale uitstraling die diensten aanbiedt op de gereglementeerde
aandelenmarkten en derivatenmarkten van België, Frankrijk, Neder- land, Portugal en het Verenigd Koninkrijk (enkel
afgeleide producten), heeft al haar activiteiten met betrekking tot afgeleide producten ondergebracht bij
Euronext.LIFFE. Ze heeft gezorgd voor een harmonisatie van de clausules in de contracten voor aandelenopties (de
omvang van het contract, de vervaldagen, de laatste noteringsdag en de soort (Europees of Amerikaans).
Opties kunnen worden aangekocht via elke bank of beursvennootschap.
Financiële instrumenten
Pagina 15 van 18
VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
Laten we als voorbeeld een calloptie nemen die de mogelijkheid biedt om in de loop van de komende drie
maanden aandeel ‘x’ te kopen tegen de prijs van 50 euro, en veronderstellen we dat de huidige koers van het
aandeel 45 euro bedraagt en de optie 1,5 euro kost. De koper, die 1.5 euro voor die optie heeft betaald, hoopt dat
de koers van aandeel ‘x’ vóór drie maanden voldoende zal zijn gestegen, zodat het interessanter zal zijn de optie
uit te oefenen (m.a.w. 50 euro te betalen om een aandeel te verwerven) dan het aandeel op de beurs te kopen. In
dat geval zal de totale kostprijs 51,5 euro (uitoefenprijs van 50 euro plus de optieprijs van 1,5 euro) bedragen.
Als het aandeel drie maanden later 55 euro waard is, zal de belegger 3,5 euro (55 euro - 51,5 euro) kunnen
verdienen door zijn optie uit te oefenen en het aandeel rechtstreeks op de beurs opnieuw te verkopen. Voor
koersen die meer bedragen dan de kostprijs (51,5 euro), biedt de optie een alsmaar grotere winst.
De waarde van een calloptie neemt dus toe met de kans dat de beurskoers hoger ligt dan de uitoefenprijs en die
kans is des te groter als de looptijd van de optie lang is en het aandeel sterk schommelt. Als aandeel ‘x’
daarentegen minder dan 50 euro waard is, zal de belegger geen gebruik maken van de optie; hij zal verlies lijden
(wat winst betekent voor de verkoper van de optie), dat evenwel beperkt zal blijven tot maximum zijn
oorspronkelijke belegging, m.a.w. de prijs van de optie, d.i. 1,5 euro. Gezien het doel waarvoor een calloptie wordt
gekocht, gaat het dus om een haussecontract.
Voorbeeld 2
In het voorbeeld van aandeel ‘x’ biedt de putoptie de mogelijkheid het aandeel te verkopen tegen 50 euro binnen
drie maanden en men gaat ervan uit dat de prijs van de optie 1 euro is.
Als het aandeel op de vervaldag veel terrein verliest en nog slechts 45 euro waard is, zal de optiehouder zijn recht
uitoefenen en een winst van 4 euro [50 euro - 45 euro (prijs van het aandeel) min 1 euro (prijs van de optie)]
boeken, door tegen de prijs van 50 euro een optie te verkopen die hij voor 45 euro op de beurs kan kopen. Als de
prijs van het aandeel op de vervaldag echter meer dan 50 euro bedraagt, zal de optiehouder zijn optie laten
verstrijken zonder deze uit te oefenen en het verlies blijft beperkt tot het bedrag van de betaalde premie, d.i. 1
euro.
In de praktijk wordt een optie slechts zelden uitgeoefend, want dit impliceert een aan- of verkoop van aandelen
tegen de uitoefenprijs, waarvan de gebruikelijke beurskosten worden afgetrokken. De marktposities kunnen
inderdaad worden verlaten via sluitingstransacties, die veel goedkoper zijn. De optiehouder ziet af van zijn recht
via een sluitingsverkoop en de verkoper kan via een sluitingskoop een einde maken aan zijn verplichting tot
levering.
RISICO’S VERBONDEN AAN OPTIES
Risico verbonden aan de emittent
Men moet zich vergewissen van de solvabiliteit van de emittent. Gaat het om een gecontroleerde instelling, dan is
het risico tamelijk gering, maar toch steeds reëel.
Liquiditeitsrisico
Opties kunnen op georganiseerde secundaire markten (cf. Euronext) of "over the counter" bij een kredietinstelling
worden verhandeld. Niettemin is de liquiditeit gering: men is niet zeker dat de prijs bij de wederverkoop
interessant zal zijn.
Wisselrisico
Het wisselrisico kan aanzienlijk zijn voor opties in andere munten dan de euro, vooral onstabiele munten.
Renterisico
De renteschommelingen hebben een weerslag op de aandelenkoersen en onrechtstreeks op de prijzen van de
opties.
Koersschommelingsrisico
Onstabiele koers, die wordt bepaald door de evolutie en vooruitzichten van de onderliggende activa .
Risico van gebrek aan inkomsten
Een optie levert geen inkomen op, maar alleen een eventuele meerwaarde, afhankelijk van de koers van de
onderliggende waarde.
Financiële instrumenten
Pagina 16 van 18
Warranten
Een warrant is een contract dat recht geeft om een onderliggende waarde te kopen ("call"-warrant) of te verkopen
("put"-warrant) gedurende een bepaalde periode tegen een vooraf vastgestelde prijs. Eigenlijk is het een optie met
een langere levensduur.
Een warrant kan slaan op elk financieel product: aandeel, obligatie, valuta, beursindex, enz. Het is een recht, geen
verplichting. Dat recht kan worden uitgeoefend al naargelang het de houder van de warrant het best past, tijdens de
periode (warrant van het Amerikaanse type) of na het verstrijken van de vastgestelde periode (warrant van het
Europese type).
Het contract bepaalt de hoeveelheid effecten die moeten worden ontvangen of overgedragen wanneer het recht
wordt uitgeoefend. De uitwisseling gebeurt contant of in de onder- liggende waarde.
Er zijn twee soorten warrants: gedekte en ongedekte warrants. Gedekte warrants bieden de mogelijkheid om in te
schrijven op nieuwe aandelen op de wijze zoals vastgesteld bij hun uitgifte. Ongedekte warrants, die enkele jaren
geleden op de markt zijn verschenen, verschillen van de vorige doordat ze betrekking hebben op bestaande aandelen
en door financiële instellingen (vooral banken) worden uitgegeven.
De prijs van de warrant evolueert volgens eigen parameters: de prijs van de onderliggende waarde, de volatiliteit van
die waarde, de resterende looptijd, de uitoefenprijs van het recht, de met de periode overeenstemmende intrest, het
eventuele rendement van de onderliggende activa. Aangezien de evolutie van de onderliggende waarde een
belangrijk element is, is het bijzonder belangrijk dat de belegger daar- op goed anticipeert.
De duur van een warrant ligt over het algemeen vast: de uitoefening gebeurt tijdens een bepaalde periode (de
uitoefenperiode); de warrant verliest zijn volledige waarde na de vervaldatum. Het is dus beter de warrant voordien te
verhandelen.
In de meeste gevallen leidt een warrant een eigen bestaan. De warrant kan op de beurs worden verhandeld en staat
op dezelfde beurs als het aandeel genoteerd. De waarde ervan varieert al naargelang de koers van het aandeel zelf.
De koersen van de warrants staan in een aparte rubriek vermeld op de lijst van effecten genoteerd op Euronext
Brussels.
RISICO’S VERBONDEN AAN WARRANTEN
Risico verbonden aan de emittent
Men moet zich vergewissen van de solvabiliteit van de emittent. Het risico is tamelijk klein als de emittent een
gecontroleerde instelling is, en alleen als het gaat om gedekte warrants waarvoor de emittent zich de moeite heeft
getroost om voorzieningen aan te leggen door te zorgen voor onderliggende waarde, die hij bij de uitoefening
misschien zal moeten aanspreken.
Liquiditeitsrisico
Hangt af van het aantal transacties met de warrant.
Wisselrisico
Geen, voor warrants die recht geven op inschrijving op nieuwe aandelen of obligaties in euro.
Renterisico
Over het algemeen heeft een stijging van de rentevoeten een negatieve invloed op de evolutie van de
aandelenkoersen en onrechtstreeks op de koers van de warrant.
Koersschommelingsrisico
Een warrant is een speculatief instrument; over het algemeen is de koers ervan minder standvastig dan die van
een aandeel of obligatie van dezelfde vennootschap.
Risico van gebrek aan inkomsten
Een warrant geeft geen recht op inkomsten.
Overige risico’s
Op het ogenblik dat de warrant wordt uitgeoefend, kunnen de omstandigheden minder gunstig zijn dan bij de
uitgifte (lagere intrestvoet van het nieuwe effect dan de markt- rente bij een obligatie of lagere aankoopprijs dan
de beurskoers bij een aandeel).
Financiële instrumenten
Pagina 17 van 18
Opgemaakt te _____________________________________ ,op _____________________________________
in twee exemplaren. Elke partij verklaart een exemplaar te hebben ontvangen.
Rekeninghouder I1
1
Rekeninghouder II1
Weghsteen nv
Handtekening voorafgegaan door “Gelezen en goedgekeurd”
Financiële instrumenten
Pagina 18 van 18
Download