BESLUIT van de VLAAMSE REGERING van 23 december

advertisement
BESLUIT van de VLAAMSE REGERING van 23 december
1987 houdende de wijze van vereffening van de toelagen per
dag toegekend voor het onderhoud en de behandeling van
[personen met een handicap], geplaatst ten laste van [het
Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap].
Publicatie B.S.: 12.3.1988
Inwerkingtreding: 1.1.1988
Artikel 1.
De bepalingen van dit besluit zijn enkel van toepassing op de in het kader van het [Vlaams
Agentschap voor Personen met een Handicap] erkende inrichtingen, tehuizen en diensten die
tot de Vlaamse Gemeenschap behoren.
(B.V.R. 18.7.2008)
Art. 2.
§ 1. De vereffening van de tegemoetkoming uit het [Vlaams Agentschap voor Personen met
een Handicap] gebeurt op basis van de door de inrichtingen, tehuizen en diensten bedoeld in
artikel 1 overgelegde trimestriële staten en van het dagprijsdossier, met betrekking tot het jaar
waarvoor de tegemoetkoming gevraagd wordt.
(B.V.R. 18.7.2008)
§ 2. De trimestriële staten worden overgelegd binnen de drie maand volgend op het trimester
waarop ze betrekking hebben.
[Het dagprijsdossier wordt overgelegd uiterlijk op 30 juni volgend op het jaar waarop het
betrekking heeft, tenzij de [Vlaamse minister] die bevoegd is voor het beleid inzake
gehandicapten een latere datum vaststelt.]
(B.V.R. 15.6.1988)
Art. 3.
§ 1. De inrichtingen, tehuizen en diensten bedoeld in artikel 1 ontvangen maandelijkse
voorschotten ten bedrage van één dertiende van de werkelijk verschuldigde toelage voor het
laatste jaar waarvoor deze toelage gekend is, hierna het refertejaar genoemd. Het aldus
bekomen bedrag wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen enerzijds het indexcijfer
van de consumptieprijzen van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar
waarvoor het voorschot wordt betaald, en anderzijds het gemiddeld indexcijfer van de
consumptieprijzen van het refertejaar. Het resultaat ervan wordt dan [afgerond naar de hogere
eenheid].
(B.V.R. 23.11.2001)
Met werkelijk verschuldigde toelage wordt hier bedoeld: de onderhoudsdagen van het
refertejaar, vermenigvuldigd met de erop betrekking hebbende dagprijs, vermeerderd met de
niet in de dagprijs opgenomen vergoedingen en verminderd met de financiële bijdrage die
door de gehandicapten in het refertejaar werd betaald.
§ 2. [Ingeval tijdens het kalenderjaar een nieuwe dagprijs wordt betekend, worden de
maandelijks ontvangen voorschotten herberekend vanaf de maand januari van dat jaar.]
(B.V.R. 19.7.1989)
§ 3. Indien de in artikel 2 bedoelde trimestriële staten of het dagprijsdossier niet binnen de
vastgestelde termijn werden ingediend, wordt vanaf de derde maand volgend op het
verstrijken van deze termijn het maandelijkse voorschot herleid tot tachtig procent, en dit tot
en met de tweede maand na deze waarin de bedoelde documenten worden ingediend.
§ 4. [Indien uit verifieerbare gegevens blijkt dat het voorschot niet in overeenstemming is met
hetgeen aanvaardbaar is op basis van het bestaande aantal onderhoudsdagen en de geldende
dagprijselementen, kan de [Vlaamse minister] die het gehandicaptenbeleid onder zijn
bevoegdheid heeft het voorschot wijzigen] [met dien verstande dat in de twaalf maanden van
het dienstjaar tenminste het bedrag van het voorschot zoals berekend volgens §1, wordt
uitgekeerd].
(B.V.R. 19.7.1989)
(B.V.R. 26.3.2004)
§ 5. [Indien de in de loop van het jaar overeenkomstig § 1 uitgekeerde maandelijkse
voorschotten hoger zijn dan de voor dit jaar overeenkomstig § 2 verschuldigde voorschotten,
wordt het terug te vorderen bedrag in mindering gebracht van de voorschotten verschuldigd
vanaf de derde maand volgend op de betekening van de dagprijs die voor de berekening van
deze voorschotten in aanmerking werd genomen.]
(B.V.R. 19.7.1989)
Art. 4.
Op basis van een driemaandelijkse aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, kan aan
de in artikel 1 bedoelde inrichtingen, tehuizen en diensten een aanvullend maandelijks
voorschot worden verleend voor de uitgaven veroorzaakt door personeelsuitbreiding, die
binnen de subsidieerbare personeelsnormen uitgevoerd is en niet opgenomen is in de
personeelskost van het in artikel 3, § 1, bedoeld refertejaar.
Dit voorschot kan niet meer bedragen dan de subsidieerbare maandelijkse personeelskost die
voortvloeit uit deze personeelsuitbreiding.
Art. 5.
§ 1. Na de verificatie van de staten bedoeld in artikel 2 en de berekening van de dagprijs,
wordt het verschil tussen de voor het betrokken jaar werkelijk verschuldigde toelage en de
maandelijkse voorschotten bedoeld in artikelen 3 en 4 vereffend [met dien verstande dat in de
twaalf maanden van het dienstjaar tenminste het bedrag van het voorschot zoals berekend
volgens §1, wordt uitgekeerd].
(B.V.R. 26.3.2004)
§ 2. [Indien de toegekende voorschotten hoger zijn dan de werkelijk verschuldigde toelage,
wordt het terug te vorderen bedrag in mindering gebracht van de voorschotten verschuldigd
vanaf de derde maand volgend op de betekening van de dagprijs. Het totaal bedrag van deze
terugvorderingen samen met deze bedoeld in artikel 3, § 5, mag, per maand, niet meer dan 50
pct. van het maandvoorschot bedragen.]
(B.V.R. 19.7.1989)
[§3. Het verschil dat wordt bedoeld in artikel 5, §1, wordt vereffend binnen de [18] maanden
die volgen op de datum die wordt bedoeld in artikel 2,§2, 2de lid, de facto is dat [24] maanden
na het einde van het dienstjaar waarop de afrekening betrekking heeft, op voorwaarde dat het
dagprijsdossier tijdig en overeenkomstig de instructies van het [Vlaams Agentschap voor
Personen met een Handicap] ingediend is.]
(B.V.R. 26.3.2004)
(B.V.R. 18.7.2008)
Art. 6.
§ 1. Voor de erkende inrichtingen, tehuizen of diensten waarvoor nog geen dagprijs berekend
werd op basis van een volledig kalenderjaar, bepaalt de [Vlaamse minister] die het
gehandicaptenbeleid onder zijn bevoegdheid heeft een voorlopige dagprijs die rekening houdt
met de financiële bijdrage van de gehandicapten. Deze inrichtingen, tehuizen en diensten
ontvangen een maandelijks voorschot dat gelijk is aan de voorlopige dagprijs,
vermenigvuldigd met het aantal onderhoudsdagen gedurende de tweede maand voorafgaand
aan deze waarvoor het voorschot betaald wordt.
§ 2. [Het maandelijkse voorschot bedoeld in § 1 kan niet gecumuleerd worden met de
voorschotten bedoeld in artikel 3.]
(B.V.R. 19.7.1989)
Art. 7.
Opgeheven worden:
1. in het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen
gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend
voor onderhoud, opvoeding en behandeling van de minderjarigen en van
gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen:
a.
b.
c.
d.
artikel 23, laatste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 juli 1975;
artikel 23bis, ingevoegd door het koninklijk besluit van 27 februari 1980;
artikel 23ter, ingevoegd door het koninklijk besluit van 3 augustus 1981;
artikel 33bis, ingevoegd door het koninklijk besluit van 12 juni 1978;
2. het koninklijk besluit van 27 september 1974 houdende de wijze van vereffening van
de toelagen per dag toegekend voor het onderhoud en de behandeling van
gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, gewijzigd bij de
koninklijke besluiten van 9 april 1976, 4 mei 1979, 29 februari 1980 en 6 augustus
1981;
3. artikel 12, eerste lid van het ministerieel besluit van 24 april 1973 tot bepaling, wat
betreft het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, van de te volgen
bijzondere regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor het
onderhoud en de behandeling van de gehandicapten, geplaatst ten laste van de
openbare besturen;
4. in het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor
de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische,
sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud,
opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die
onder het stelsel van het semi-internaat werken:
a. artikel 11, laatste lid, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 23 september
1975;
b. artikel 11bis, ingevoegd door het ministerieel besluit van 6 maart 1980 en
gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 26 november 1981 en 15 oktober
1982;
c. artikel 20, eerste lid;
5. het ministerieel besiuit van 15 oktober 1982 houdende vaststelling voor de Vlaamse
Gemeenschap van de samenstellingselementen en de toekenningsmodaliteiten van de
provisionele dagprijs voorzien in artikel 23bis van het koninklijk besluit van 30 maart
1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van
de toelagen per dag, toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van
minderjarigen en van gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen.
Art. 8.
De in artikel 7 vermelde bepalingen blijven evenwel van toepassing op de vereffening van de
toelagen die betrekking hebben op de periode tot 31 december 1987.
Art. 9.
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1988.
Art. 10.
De [Vlaamse minister] van Gezin en Welzijnszorg is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gewijzigd :
B.V.R. 15.6.1988 (B.S. 1.7.1988)
B.V.R. 19.7.1989 (B.S. 5.12.1989)
B.V.R. 23.11.2001 (B.S. 31.1.2002, uitwerking 1.1.2002)
B.V.R. 26.3.2004 (B.S. 24.5.2004)
B.V.R. 18.7.2008 (B.S.3.11.2008, uitwerking 1.1.2008)
Download