De zondares – Louis Gaussen

advertisement
De zondares – Louis Gaussen
“… En ziet, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande, dat Hij in des
Farizeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf; en staande achter aan Zijn voeten,
wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van
haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met zalf …”
Lukas 7:36-50
Jaargang 6 nummer 8 – juni 2004
Eerder uitgegeven nummer van Jaargang 6
1. Nabij u is het Woord!
2. De blijde boodschap
3. De hoop van het geloof
4. Blijdschap in Christus
5. Bent u een christen?
6. De zonde vergeven en vergeten
7. Gods boodschap van vrede aan alle mensen
- S.C. von Kapff
- Thomas Boston
- Andrew Murray
- Octavius Winslow
- J.C. Ryle
- H. Grattan Guinness
- Horatius Bonar
Bronvermelding
Oorspronkelijke titels: De berouwhebbende zondares door het geloof behouden
Uit: Keur van leerredenen van de beroemdste kanselredenaren van het buitenland - 1859
Uitgegeven door: H. Höveker, Amsterdam
Deze preek is herschreven onder verantwoordelijkheid van Stichting De Tabernakel
De originele preek is te vinden op onze website: http://www.tabernakel.nl
Vormgeving en druk: Drukkerij AMV, Lunteren
Preek
“En een der Farizeën bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeërs
huis, zat Hij aan. En ziet, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande, dat Hij
in des Farizeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf; en staande achter aan Zijn
voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het
haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met zalf. […] En Hij zeide tot haar:
uw zonden zijn u vergeven. En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: wie is
Deze, Die ook de zonden vergeeft? Maar Hij zeide tot de vrouw: uw geloof heeft u behouden;
ga heen in vrede.”
Lukas 7:36-50
“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,
opdat een iegelijk, die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.”
Dit is de boodschap die de dienaren van Jezus Christus tot uw zielen moeten brengen. De leer
die wij uit onze heilige Schriften geleerd hebben. Dit is wat ik u elke zondag zo duidelijk
mogelijk probeer te verkondigen.
Wij preken u, met Paulus, dat wij allen gezondigd hebben en van Gods heerlijkheid zijn
afgevallen. Elke mond moet gesloten zijn. Alle mensen staan schuldig voor God. Wij allen
zijn als arme zondaren verdorven ter wereld gekomen, geneigd tot alle kwaad. Wij allen halen
vanwege een rechtvaardig vonnis en veroordeling de dood op onze hals. Wij preken u dat God
te heilig en te rechtvaardig is om de zonden, zonder dat deze uitgewist worden, te vergeven.
Maar wij preken u ook dat God in Zijn oneindige en onbegrijpelijke barmhartigheid, Zich
heeft verwaardigd ons een Zaligmaker te zenden, Die Zich als slachtoffer heeft aangeboden
om in onze plaats te lijden. Wij preken u dat de volmaakte gerechtigheid van de tweede Adam
toegerekend wordt aan allen die hun ongerechtigheid voor God erkennen en die hun
vergeving, hun vrede en hun leven slechts op de verdiensten van de Heere Jezus funderen.
Aan allen, die alleen maar vernieuwing van hun natuur of hun hart verwachten als die vanuit
God wordt gewerkt. Door de Heilige Geest, Die door het geloof in hen woont.
Het is een genade die zij alleen maar door de verdiensten van de Zaligmaker ontvangen.
De apostel zegt dat er uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd zal worden. “Wij zijn
om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is. En dat
niet uit ons, het is Gods gave. Niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn
maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat
wij in dezelve zouden wandelen.”
Daar is het Evangelie! Daar is de goede boodschap die wij u moeten verkondigen! Dit is wat
het Heilig Avondmaal in gedachten brengt. Daar bieden wij u, in de naam van Jezus Christus,
in plaats van het uwe, Zijn verbroken lichaam aan en het bloed van het nieuwe verbond,
gestort tot vergeving van uw zonden.
Maar deze goede boodschap is altijd voor de één een ergernis en voor de ander een dwaasheid
geweest. De leer van het kruis is een dwaasheid voor de natuurlijke mens, zegt Paulus tot de
mensen van zijn tijd. De blijde boodschap die wij verkondigen is bedekt in degenen die
verloren gaan, in dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft.
Altijd hebben de vrienden van deze wereld en de wijzen van deze tijd dezelfde
tegenwerpingen gemaakt. Paulus heeft deze tegenwerpingen reeds eeuwen geleden weerlegd
in Romeinen 6 en 7 en Galaten 2 en 3: “Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde
blijven, opdat de genade te meerder worde? Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij zondigen,
omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Is dan Christus een dienaar der
zonde?”
Altijd al heeft men zich, net als Simon de Farizeër in onze tekst, geërgerd aan de woorden van
onze Heere: “Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.” Men heeft tegen deze leer
ingebracht dat zij onze verplichting tot een heilig leven verzwakt; dat zij aanleiding geeft tot
uitspattingen; dat zij de belangrijkste drijfveer tot het doen van goede werken wegneemt. Deze
leer verzekert namelijk de zondaren kosteloos vrijspraak van straf en maakt onze
rechtvaardigheid voor God geheel afhankelijk van de gehoorzaamheid van een Ander. Alsof –
zo denkt men dan –
de verdiensten van die buitengewone mens, die zo lang geleden in Judea leefde, op de een of
andere manier van ons zouden kunnen worden!
Tegenover deze tegenwerpingen stelt de Heilige Schrift drie afdoende antwoorden: het gezag,
de redenering en de ervaring.
Allereerst antwoordt de Schrift door haar gezag. Zij verkondigt ons in de naam van God (Die
niet liegen kan) dat degenen die hun rechtvaardige veroordeling voor God gevoelen en door
Jezus Christus geheel de toevlucht nemen tot de barmhartigheid van God (om van die
rechtvaardige veroordeling verlost te worden), gewís en zéker in hun hart de bijstand van de
Heilige Geest ontvangen. Hij is het, Die hun gedrag en neigingen heiligt, elke dag opnieuw en
elke dag meer.
Daarnaast antwoordt de Schrift ook door de redenering. Zij herinnert ons er vaak aan, dat
vanuit de aard van het christelijk geloof de ziel wordt aangespoord om de zonde te vrezen en
te haten. Alleen dan is het mogelijk dat de liefde tot de wereld, plaats gaat maken voor liefde
tot God en dat Zijn geboden gemakkelijk, Zijn juk zacht en Zijn last licht wordt gemaakt.
Tenslotte antwoordt de Schrift door de ervaring. Die toont ons aan dat de wereldse en
zinnelijke mensen zich altijd tegen deze leer hebben verklaard. Degenen daarentegen die haar
beleden, zijn juist altijd door de wereld beschuldigd van het aanhangen van een te strenge leer.
Zij waren het die het meest nauwgezet de heilige plichten van matigheid, rechtvaardigheid en
Godsvrucht betrachtten.
Deze twee laatste antwoorden (de redenering en de ervaring) zijn dezelfde als die de Heere
Jezus in onze tekst gaf aan de farizeër Simon. Net als de mannen van deze eeuw, verwonderde
Simon zich niet alleen, maar ergerde hij zich ook aan de toegenegenheid waarmee de Heere
een zondige vrouw ontving in Zijn tegenwoordigheid.
Ik zal u hetzelfde tweeledige antwoord geven in de uitleg van onze tekst. U zult nogmaals als
met eigen ogen zien hoe de aard is van het christelijke geloof en welke vruchten het
waarachtige geloof heeft. U zult, naar ik hoop, ook leren uzelf te beproeven en te onderzoeken
of u in het geloof staat. De Heilige Schrift zal ons namelijk enerzijds aantonen hoe de mens
gerechtvaardigd wordt door het geloof zonder de werken en anderzijds hoe het geloof zonder
de liefde en zonder de werken een verkeerd, vals en dood geloof is.
Het is mijn wens dat wij allen uit het voorbeeld van de zondares genoeg zouden leren om ons
vanaf deze dag aan de voeten van Jezus te vernederen en om veel lief te hebben, omdat ons
veel vergeven is. Dat een ieder van ons deze eerlijke woorden van Jezus met het hart zou
verstaan: “Uw zonden zijn u vergeven; ga heen in vrede, uw geloof heeft u behouden.”
“En één der Farizeën bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeërs huis,
zat Hij aan.”
Zo was de zachte en treffende inschikkelijkheid van de Zoon des Mensen tijdens Zijn verblijf
op aarde. Deze Zoon des Mensen is nu nog steeds Dezelfde, hoewel Hij hoger dan de hoogste
hemel is verheven. Onophoudelijk was Hij bezig om onderwijs en troost te geven. Goed
doende ging Hij de wereld door. Hij maakte van de kleinste mogelijkheden gebruik om
nuttige lessen te geven, het geweten te doen ontwaken en de aandacht van de mensen te
vestigen op de dingen die boven zijn. Na Zich zo vernederd te hebben, dat Hij de gestalte van
een dienstknecht aannam, daalde Hij af tot de minsten van hen. Hij leefde gemeenzaam met
hen, verdroeg hun gebreken, onbeschaafdheid, onwetendheid en zelfs hun verachting. Hij
vermeed de huizen van de armen niet, evenmin als die van de tollenaren en zondaren.
Hij verachtte ook de tafel van de hoogmoedige farizeërs niet, die meenden Hem een eer te
bewijzen door Hem aan hun tafel te nodigen. Deze farizeërs waren zo hoogmoedig dat ze
anderen verachtten en op hun eigengerechtigheid vertrouwden. Op die manier waren ze niet
geschikt om de leer van berouw en vergeving te ontvangen. Hij is in de wereld gekomen om
zalig te maken wat verloren is. Hij deed dat te midden van ontberingen en verachting.
Daarmee heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij in Zijn voetstappen zouden gaan.
Men heeft wel gedacht dat de farizeër Simon dezelfde persoon is geweest als Simon de
Melaatse (Matth. 26 en Mark. 14). Het zou goed kunnen dat hij, omdat hij evenals vele
anderen door Zijn macht genezen was, Hem had uitgenodigd voor een bezoek aan zijn
woning. Hij wilde daarmee zijn dankbaarheid tonen en meer leren kennen van Hem, Die zulke
grote werken deed, maar zo zachtmoedig en nederig was.
“En zie,” zegt Lukas, “een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande dat Hij in
des farizeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf; en staande achter Zijn voeten,
wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen en zij droogde ze af met het haar van
haar hoofd, en kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf.”
Wij zullen ons niet laten ophouden door te onderzoeken wie die vrouw kon zijn, van wie hier
gesproken wordt. Zij die haar voor Maria Magdalena houden, kunnen in de Schrift bijna geen
bewijs vinden voor hun veronderstelling. Wij houden haar, na vergelijking met de drie andere
Evangeliën, voor Maria, de zus van Martha en Lazarus. Deze vrouw heeft Jezus ontmoet,
nadat ze een groot deel van haar leven aanstootgevend geleefd had en de stem van haar eer en
geweten en de roepstem van God het zwijgen opgelegd had. Dat moet voor ons genoeg zijn.
Zij heeft Jezus ontmoet, Die berouw en vergeving van zonde predikte. ‘Bekeert u, want het
Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Indien gij u niet bekeert, zult gij vergaan. De Zoon
des Mensen is in de wereld gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Ik ben
het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Komt herwaarts tot Mij, allen die
vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Ik zal vrede geven aan uw zielen. Ik zal wie tot
Mij komt geenszins uitwerpen! Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar
zondaars tot bekering.'
Zo was de prediking van Jezus Christus. De zondares uit Bethanië had die gehoord. Deze
uitnodigingen hadden haar stenen hart verbrijzeld en haar de afschuwelijkheid van haar
vroegere gedrag beter doen voelen dan al de verwijten van andere mensen of de bitterheden
van haar leven.
Ze zal als volgt gedacht hebben: ‘Dus zó heeft God de zonde gehaat! En zó lief heeft Hij de
wereld gehad dat Hij voor ons zelfs Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard! Zo ver gaat God dus
in Zijn beledigde barmhartigheid! En dit heilige en hoge Wezen gaat zo ver dat Hij, in plaats
van mij te verpletteren, mij de handen toesteekt om mij aan te nemen! Terwijl de mensen mij,
zoals ik heb verdiend, met verontwaardiging ver van zich af stoten. Mijn God, mijn God,
eindelijk worden mijn ogen geopend voor mijn ellende en vreselijk gevaar! Ik was op de brede
weg. Ik snelde de dood tegemoet. Ik was Uw vijandin, o goede God. Ik was verloren, voor
altijd! En toch is er voor mij vergeving! Het is dan zeker waar dat Jezus Christus in de wereld
gekomen is om zondaren zalig te maken, van wie ik de voornaamste ben. O eeuwigheid,
eeuwigheid! Nu durf ik u onder ogen te zien; zonder verschrikking kan ik nu een blik slaan op
uw verschrikkelijke diepte die zo dichtbij is. Ik mag er zelfs rust, vrede, reinheid en
heerlijkheid verwachten! O, barmhartigheid van God, hoezeer heb ik u miskend. Hoe verblind
was ik! Dat hart dat U wilt hebben, had ik aan satan overgeleverd. Mijn jeugd, mijn jaren en al
de gaven van Uw lankmoedigheid gebruikte ik om diegenen in het verderf te storten, die U,
mijn Zaligmaker, met Uw bloed had vrijgekocht. En U heeft mij niet verworpen. U wilt mij
weer aannemen.’
Wij weten niet wanneer en hoe de Heere Zijn genade aan deze vrouw geopenbaard had. Het
Evangelie vertelt ons niets over de eerste omstandigheden van haar bekering. Maar in ons
tekstgedeelte zien we haar berouw, haar moed om dat te belijden en haar vurige liefde tot haar
Verlosser. Nadat zij vernomen heeft, dat Hij bij Simon de Farizeër aanzit, schroomt ze niet
om Hem daar op te zoeken, zich aan Zijn voeten te werpen om Hem openlijk te aanbidden en
schuldbelijdenis te doen. Deze vrouw was aanleiding geweest tot ergernis, maar hoe
voorbeeldig, ja zelfs heldhaftig is haar berouw. Door haar voorbeeld toont zij de krácht van de
blijde boodschap van vergeving om een totale verandering van haar leven te bewerken.
Zij wil zoveel mogelijk de noodlottige uitwerkingen van de voorbeelden die ze vroeger
gegeven heeft, herstellen. Zij wil zowel haar overtredingen als haar schande voor het
aangezicht van hemel en aarde belijden. Zij wil de Redder van haar ziel in het stof aanbidden
en zelfs aan Zijn voeten nog tranen van berouw storten. Niets weerhoudt haar daarvan. Zij
spoedt zich naar het huis van de trotse farizeër, vrij van alle mensenvrees.
Zij was rijk, zoals we kunnen opmaken uit de hoge prijs van de nardus die ze over het hoofd
van de Zaligmaker giet. Ze had die (volgens de schatting van Judas Iskarioth) voor 300
penningen kunnen verkopen. Toch aarzelt ze niet zich neer te werpen aan Zijn voeten. Ze
aarzelt niet zich over te geven aan de beoordeling van de mensenmenigte die zich om het huis
verzamelt heeft. Zij laat zich niet tegenhouden door de gedachte: Wat zullen ze van mij
zeggen? Ze gaat zonder uitnodiging een vreemd huis binnen en verstoort de feestvreugde met
haar tranen. Ze wil met deze bijzondere daad openbare belijdenis doen van haar vroegere
zonden en van de haat die ze er nu tegen heeft.
Zie hoe oprecht de droefheid over haar zonden is en hoe nederig haar liefdes-betuigingen aan
de Heere! Zij werpt zich aan Zijn voeten. Zij verbergt zich achter Jezus. Zij kan en durft niet
te spreken. Ze huilt van vreugde en van berouw. Slechts door een tranenvloed kan zij haar
gevoel weergeven. Alles wat zij vroeger gebruikte om te zondigen gebruikt ze nu om haar
liefde en aanbidding te uiten. Haar ogen schitterden vroeger van onheilige vreugde, maar nu
zijn ze door droefheid omfloerst. Haar tranen vloeien nu over de voeten van de Zaligmaker.
Zij droogt ze af met haar haren, waarmee ze zich vroeger versierde. De albasten vaas, die zij
vroeger verkeerd gebruikte, verbrijzelt ze nu aan de voeten van de Zaligmaker, terwijl ze Hem
zalft met die kostbare balsem. Hoe dieper zij haar schuld voelt, hoe meer zij nu liefheeft. Hoe
groter haar liefde is, hoe groter ook haar schuldgevoel is.
“En staande achter Zijn voeten”, zegt Lukas, “wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken
met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten en zalfde ze
met de zalf.” […] “Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel
liefgehad…”
Simon de farizeër had Jezus tot nu toe gezien als een buitengewoon persoon met bijzondere
macht. Maar terwijl dit alles plaatsvindt begint hij te twijfelen aan Zijn Goddelijke zending.
Hij ziet dat de Heere de liefde van de zondares niet afweert, maar Zich deze laat welgevallen
en ermee vereerd is. 'Als Hij een profeet zou zijn,' zei Simon, 'hoe zou Hij dan zo toegeeflijk
kunnen zijn voor zo’n verachtelijke vrouw? Zou Hij haar niet ver van Zich af stoten? Zou Hij
het niet weten dat zij die Hem aanraakt, een vrouw met een slecht leven is? Is Hij niet wijs
genoeg om haar te kennen? Hij is toch zeker veel te heilig om haar aan te nemen? Zou Hij
hiermee niet laten zien in plaats van een profeet een vriend van tollenaren en zondaren te
zijn?’
Arme blinde, open toch uw ogen en ken uzelf! Keer in tot uw geweten, trotse farizeër! Hij Die
bij u is, is ongetwijfeld een profeet, ja meer dan een profeet! Hij is uw Rechter. De hele
wereld zal erkennen dat Hij het is, Die de harten en nieren proeft, want Hij zal een iegelijk
vergelden naar zijn werken. Hij Die bij u is, kent niet alleen het hart van die vrouw, maar ook
uw hart. Hij kent uw hart en denkt u dan dat Hij u in Zijn nabijheid zou dulden als Hij niet de
liefde zelf zou zijn?
En u dan? Hebt u aan Zijn wet voldaan? Hebt u zowel uw tong als uw slechte gedachten
kunnen bedwingen? Hebt u al de hulp, al de kennis en al de overtuigingen die u gegeven zijn
(die u mogelijk nog schuldiger maken dan de vrouw die u veracht) reeds opgesomd? En u dan,
die van buiten zo schoon bent als een witgepleisterd graf, bent u van binnen niet vol
onreinheid? Bent u gereed om voor de Wereldrechter te verschijnen? Hebt u in uw jeugd niet
gezondigd? Hebt u niet vaak gezondigd? En hebt u niet, evenals deze zondares, behoefte aan
de oneindige barmhartigheid van uw God om de toekomende toorn te ontvlieden en aan het
eeuwige vuur te ontsnappen?
Laten we er echter op letten met hoeveel voorzichtigheid en zachtmoedigheid de Heere de
geheime gedachten van de farizeër beantwoordt en hem probeert te laten begrijpen wat het
christelijke geloof is en welke uitwerking het heeft op hen die het aangenomen hebben.
Hiermee laat Hij hem zien dat Hij werkelijk een Profeet is, Die het diepste van iemands
gedachten leest. Verwonder u erover, hoe Hij hem door een eenvoudig en treffend voorbeeld
uitnodigt om tot zichzelf in te keren. Hij toont aan dat de leer van vergeving der zonden door
het bloed van Christus in het geheel niet strijdig is met de heiligheid van God. Integendeel, het
is het machtige middel waardoor de Heilige Geest de harten zuivert en voor Zijn
uitverkorenen het erfdeel van de heiligen in het eeuwige licht voorbereidt.
“Simon, Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester! zeg het. Jezus zeide: Een zeker
schuldheer had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de ander
vijftig. En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van
dezen zal hem meer liefhebben? En Simon, antwoordende, zeide: Ik acht dat hij het is, dien
Hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.”
Pas deze gelijkenis eens toe op uzelf. Dit is de aard van het christelijk geloof. Het kan met
twee woorden beschreven worden: Het bestaat enerzijds daarin dat men zichzelf leert kennen
als een schuldenaar, die niet in staat is om zijn schuld te voldoen. Anderzijds leert men
zichzelf kennen als een schuldenaar wiens schuld door God is kwijtgescholden.
De gelovige christen zegt tot zichzelf: ‘Ik ben met een oneindige schuld bezwaard en niet in
staat om die te voldoen. Ik heb door een rechtvaardig oordeel van God de veroordeling en de
dood op mij geladen.’ Maar de gelovige christen zegt ook met het Woord van God in handen:
‘Jezus Christus is voor mij gestorven. Hij heeft mijn losprijs voldaan. Ik ben dus voor God
vrijgesproken. Ik heb vergeving ontvangen. Ik ben vrij, ik ben gered, ik ben gelukkig. Want de
Schrift zegt tegen mij, dat wie in de Zoon gelooft het eeuwige leven heeft. O mijn God, ik
geloof in de Zoon van God. U wilt dus dat ik leef, eeuwig leef! O barmhartigheid, oneindige
barmhartigheid van mijn God!’
Ziet u wel dat een ieder die van deze twee waarheden is overtuigd, daardoor meer dan door
iets anders aangespoord zal worden? Aan de ene kant is hij des doods schuldig, maar aan de
andere kant is hij vrijgesproken, door Jezus Christus alleen. Door dit te overdenken zal hij
aangespoord worden om de zonde als zijn ergste vijand te ontvluchten en God met alle
krachten van zijn vrijgekochte ziel lief te hebben.
De gelovige christen heeft erkend dat hij aan zijn Schepper volkomen en innige onderwerping
schuldig is. Hij heeft gevoeld dat de wet, die ons gebiedt, Hem lief te hebben met geheel onze
ziel, met geheel ons verstand en met al onze krachten, een goede en heilige wet is. Hij heeft
begrepen dat de zonde een opstand is tegen God en dat hij daardoor een rechtvaardig oordeel
van verdoemenis en dood op zich laadt. Hij heeft er al het slechte van ingezien en vreest de
toekomende toorn.
Daarbij zegt hij tot zichzelf: 'Het is niet aan mij, een verworpen schepsel en een opstandeling,
de strafmaat te bepalen. God moet mij dat zeggen. God zal mij zeggen hoe Hij erover denkt en
hoe ik er dus over moet denken. En wat heeft U mij daarover al veel gezegd, mijn God! Wat
heeft U mij al veel op het kruis van Golgotha geopenbaard! Met welke prijs moest ik
losgekocht worden! De zonde was zo afschuwelijk in Uw ogen, o God, dat het nodig was dat
de Zoon van Uw liefde daarvoor op aarde aan het kruis werd gehangen. Dat was nodig om
zondaren vergeving te kunnen schenken. Alzo lief hebt U dan mijn ziel gehad en zozeer hebt
U de zonde gehaat, dat U Uw eigen Zoon niet gespaard hebt, toen Hij beladen met de
zondenlast voor U stond.
Die eeuwige Zoon moest een mens worden om mij vrij te kopen. Hij moest een Man van
smarten worden, en bespot en gehoond worden. Hij moest om mijn overtredingen in
Gethsémané dodelijk bedroefd worden en in Jeruzalem gegeseld. Hij moest Zijn kruis naar
Golgotha dragen en met doorboorde handen en voeten aan het schandhout gehangen worden.
Maar toch was het lichamelijke lijden maar een zwakke weergave van het diepe en verborgen
lijden van Zijn ziel. Het onpeilbare lijden op het moment dat Hij onder de last van de hemelse
toorn en van onze verdoemenis uitriep: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij
verlaten?”
Zal dan de christen die zó door geloof de Zaligmaker in Zijn doodsangst aanschouwt, niet
uitroepen: 'Wat zou er van mij worden, mijn God, indien ik zo’n grote zaligheid verwierp? En
zou U mij sparen, als ik voor U verscheen in al mijn ongerechtigheid en zonder het bloed van
het kruis, terwijl U Uw eigen Zoon niet gespaard heeft?' Zal hij dan niet voelen dat het
vreselijk is om te vallen in de handen van de levende God? Zal hij niet met heilige smart
opzien naar Hem, Die hij doorboord heeft? Zal hij daarover niet rouwen, als over de dood van
een enige zoon?
Zodra deze gedachte werkelijk door de werking van de Geest van God overtuigend in zijn ziel
zal zijn doorgedrongen, moet het hierboven genoemde bij de christen de overtuiging
bewerkstelligen dat hij zijn schuld bij God nooit zal kunnen voldoen.
Maar dit is nog niet alles. Ik durf te zeggen dat dit slechts de helft is van het geloof van een
christen. Ik beschouw me niet alleen als een machteloze schuldenaar en veroordeelde en een
in zichzelf verlorene. Ik weet tegelijk door het Woord van God en ik geloof het in mijn hart
dat mijn zonden mij vergeven zijn. Mijn geloof heeft mij behouden. Mijn schuld is geheel en
al om niet voldaan. Ik geloof dat, toen ik in mijn zonden begraven was, God mij in Jezus
Christus heeft opgewekt. Hij heeft al mijn schuld om niet vergeven. Hij heeft de schuldbrief
die tegen mij was, uitgewist en helemaal aan het kruishout vernietigd.
Dit verandert het hart. Wij kunnen God niet liefhebben, zolang we denken dat we geen vrede
met Hem hebben. We kunnen God niet liefhebben, zolang we nog kunnen denken of
vermoeden dat Hij onze vijand is, zolang wij denken, dat wij meteen met de werkers der
ongerechtigheid aan Zijn linkerhand gesteld en voor altijd van Hem gescheiden zouden
worden, als wij nu zouden sterven.
Nee, Ik moet weten dat mij veel vergeven is, dat het mij voor een hoge prijs vergeven is. Ik
moet geloven, dat ik voor altijd van de toekomende toorn en de eeuwige verschrikkingen
bevrijd ben. Dit alles moet ik weten en geloven, opdat ik God zal liefhebben en evenals de
zondares veel kan liefhebben.
O, eindeloze liefde van mijn God! Een liefde die zo ver boven ons verstand is verheven als de
hemelen boven de aarde. Een liefde die nog onbegrijpelijker is dan al Zijn andere grootheid.
Wat een barmhartigheid van mijn God! Laat die toch tot alle zielen doordringen. Laat mij, o
mijn Zaligmaker, in mijn dienen van U er velen toebrengen tot de kennis van Uw Evangelie,
tot het geloof van Uw uitverkorenen. Dat Evangelie en geloof zijn immers Uw kracht tot
zaligheid. ‘Wij geloven Heere, wij geloven. Kom ons ongeloof te hulp!’
Daarom, mijn hoorders, buig ik evenals Paulus mijn knieën voor de Vader van onze Heere
Jezus Christus, opdat Hij naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid u allen door Zijn Geest
krachtig zal versterken, zodat Christus door het geloof in uw harten zal wonen. Ja, Heere, door
de kennis van deze liefde vestigt Uw rijk zich in ons hart. Dan hebben zij veel lief, wetend dat
hun veel vergeven is. Dan willen zij God verheerlijken in lichaam en geest. De liefde spoort
hen dan aan en vervult hen. Dan wensen zij niet meer te leven voor zichzelf, maar voor Hem,
Die gestorven is en hen voor de hoogste prijs heeft vrijgekocht.
Dit is wat de christelijke leer uitwerkt. Zij verwekt berouw en liefde. De wetenschap dat men
veel vergeving heeft ontvangen en dat men daarom veel moet liefhebben, doordringt de ziel.
Deze leer toont ons aan dat wij niet méér zijn dan onnutte dienstknechten, als wij alles gedaan
hebben wat ons bevolen wordt om te doen. Wij hebben namelijk niets meer gedaan, dan wat
wij schuldig waren te doen. Door deze leer vindt de christen Gods geboden gemakkelijk, het
juk van Zijn wet zalig en Zijn last licht.
Maar let daartegenover op Simon de Farizeër. Let op de mensen die evenals hij die leer
verwerpen en zich eraan ergeren. De dienst van God is voor hen een last, een hindernis, en
een lastige taak. Zij menen dat de Heere hun schuldenaar wordt voor de onvolmaakte en
liefdeloze verering die zij Hem misschien proberen te geven. Maar let er goed op dat de
woorden waardoor de Heere Simon tot zichzelf wil doen inkeren juist deze zijn: “Dien weinig
vergeven wordt, die heeft weinig lief”. ‘En gij, Simon, gij hebt recht geoordeeld.’ Pas deze
gelijkenis dus op uzelf toe. Wat heeft u tot nu toe voor Mij gedaan? Welke liefde heeft u
gevoeld voor Hem, Die u de Zoon van God, de Zaligmaker der wereld noemt? Bent u vol van
het gevoel van uw verdiensten en van vertrouwen op uw eigen gerechtigheid, dan lijkt u op de
tweede schuldenaar uit de gelijkenis, die dacht slechts een gering bedrag schuldig te zijn.
Welke bewijzen van genegenheid en eerbied heb Ik van u ontvangen, Simon? Hoe koel en
afstandelijk hebt u in uw huis de Verlosser der mensen ontvangen! U hebt Hem nauwelijks de
eer betoond die normaal aan gasten gegeven wordt. Gij hebt Mij geen kus gegeven. U hebt
geen olie op Mijn hoofd en water op Mijn voeten uitgestort. Deze vrouw heeft ze echter met
haar tranen en kussen bedekt, met haar haar afgedroogd en met de kostbaarste balsem gezalfd.
In één woord, Simon, u benadert Mij onverschillig, terwijl deze berouwhebbende Mij liefheeft
als haar Zaligmaker en Mij als haar God aanbidt.’ “Daarom zeg Ik u, haar zonden zijn haar
vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad.”
Hij, die meent dat hem niets of bijna niets is vergeven, heeft bijna geen liefde. Wie gelooft,
weet en voelt dat hem veel vergeven is en heeft veel lief.
Op deze manier gebruikte de Heiland twee middelen om Simon licht te geven en tot zichzelf
te doen inkeren: redenering en ervaring.
Daarom moet iedereen zichzelf hier onderzoeken, tot zichzelf inkeren, zijn bevindingen
aangaande het voorgaande opmerken en zich voor het aangezicht van zijn God afvragen:
‘Ben ik voor de Zaligmaker der wereld als Simon de farizeër of als de berouwhebbende van
Bethanië geweest? Wat heb ik voor Hem gedaan? Welke tranen heb ik aan Zijn voeten
kunnen storten? Welk liefdebewijs heb ik Hem kunnen aanbieden? Heb ik aan Hem getoond
zuiver en vlekkeloos godsdienstig te zijn door weduwen en wezen in hun verdrukking te
bezoeken en mijzelf onbesmet te bewaren van de wereld? Heb ik voor Hem mijn reukfles,
mijn kostbare nardus, mijn vroegere begeertes opgeofferd? Heeft de zonde, die in mijn leden
woont, opgehouden daarin te heersen? Ben ik vurig in mijn gebeden? Geeft Zijn dienst mij
vreugde? Durf ik evenals de zondares Jezus Christus te belijden en te aanbidden in de
tegenwoordigheid van farizeërs en onverschilligen? Heb ik mij erop toegelegd dat in mijn
gezin mijn kinderen Hem lief hebben? Of ben ik slechts koel voor Zijn naam, voor Zijn
dienst, voor Zijn wegen, voor Zijn Woord? Met andere woorden: neem ik er, evenals de
farizeër Simon, genoegen mee, Hem onbeduidende hulde te bieden en slechts koel de
noodzakelijkste beleefdheden voor Hem over te hebben, die men voor het oog van de mensen
fatsoenshalve niet kan weigeren?’
Als u deze vragen zodanig kunt beantwoorden, dat u op Maria lijkt, bent u gelukkig,
duizendmaal gelukkig. Als u de Zaligmaker van ganser harte liefhebt, dan is dat een bewijs
dat Hij u eerst heeft liefgehad. Als u metterdaad Zijn aangezicht zoekt, dan kunt als David
zeggen: “Mijn God! Door U zegt mijn hart mij: zoek Mijn aangezicht” (Franse vertaling). Als
u voelt dat het werk van Gods genade in u vervuld is, dan is dat het bewijs dat het werk der
genade voor u vervuld is. U bent gelukkig! Door het geloof gerechtvaardigd, heeft u vrede
met God. En tot u zijn, net als tot de zondares, de liefelijke en verrukkelijke woorden aan het
einde van onze tekst gericht: “…ga heen in vrede.”
Toen de Heere tot Simon gesproken had: “[Ik] zeg … u: Haar zonden zijn haar vergeven, die
vele waren,” richtte Hij zich tot de vrouw en bevestigde Hij de vergeving die Hij haar al
gegeven had. Hij gaf haar het volgende getuigenis, dat zij tegen alle aardse schatten niet had
willen ruilen: “Uw zonden zijn u vergeven.”
“En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonden
vergeeft?”
De Heere zei tegen de berouwvolle zondares op Goddelijke toon en met Zijn gezag: 'Uw
geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!' Hij alleen heeft het recht om de zonden te
vergeven, omdat Hij het is, Die door de zonden beledigd wordt. Daarom mag Hij dit zeggen.
‘Ga heen, vrede laat ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik
hem u! Ga heen. Ga voortaan uw loopbaan met de vrede van God, die alle verstand te boven
gaat. Uw zonden waren groot. Zij waren rood als scharlaken, nu zijn zij wit geworden als
sneeuw. De Zaligmaker verzekert u dat. Hij zal u door Zijn Geest behoeden, door Zijn raad
geleiden en u vervolgens opnemen in Zijn heerlijkheid en alle tranen van uw ogen afwissen.’
Maar nu eindig ik de verklaring van onze tekst en wend ik mij tot u, die de vragen die ik
stelde, niet zoals de zondares kunt beantwoorden; tot u die beter met Simon de Farizeër
gerangschikt kunt worden bij hen die weinig hebben liefgehad; tot u die misschien in het
geheim lijdt onder de lauwheid van uw godsdienstige gevoelens, onder de verstrooidheid en
koudheid bij het bidden, onder de verkeerde gedachten die u achtervolgen, onder uw lafheid in
de dienst van God en onder uw telkens opnieuw terugvallen in de zonde.
Tot u wil ik mij tenslotte wenden en ik smeek u dit onderricht op uw huidige toestand toe te
passen. Ga naar de wortel van de boom om de oorzaak van zijn onvruchtbaarheid te zoeken.
Ga en zoek uw gebrek aan geloof in de misslagen in uw leven. Waarschijnlijk komen ze
helaas daaruit voort, dat u op de tweede schuldenaar in de gelijkenis lijkt, die weinig heeft
liefgehad en wie weinig vergeven is. Ze komen daaruit voort, dat u de grootheid van uw
schuld niet genoeg heeft gekend en niet in uw hart geloofd hebt, dat deze verschrikkelijke
schuld u heden was kwijt gescholden om niet door Jezus Christus. U heeft geen gebruik
gemaakt van het bloed van het Nieuwe Verbond, tot vergeving der zonden.
Misschien, zei ik al, heeft u nog niet begrepen hoe oneindig groot uw schuld is en hoe
onmogelijk u die kunt voldoen en hoe onherstelbaar verloren u dus bent. U vertrouwt
misschien op een of andere maatregel, op uw toekomstige of vroegere verdiensten. Net als
Simon de farizeër maakt u nog weinig werk van de arbeid van Jezus Christus en van de leer
van het kruis. Dat gevaar wil ik u laten voelen!
Zou u willen dat iemand om u heen, misschien slechts een klein kind, alles zou weten van wat
er in uw hart omgaat? Zou u er niet dodelijk verlegen door zijn? En wat denkt u dan van die
dag waarop u zult verschijnen voor Hem, Die in de hemel is en de harten en nieren proeft?
Welk gebod van de Heilige Schrift heeft u niet overtreden? Welk gebod veroordeelt u niet? En
wat denkt u van dit vonnis: “Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is
in het boek der wet?” Wat zal er dan in de laatste dag van uw ingebeelde eigengerechtigheid
worden, die niets anders is dan een onrein, wegwerpelijk kleed. Wat zal er van u worden voor
die God, Die de zonden zo erg haat, dat Hij Zijn Eigen Zoon niet heeft gespaard? Welke
dagen en uren van uw leven zou u Hem durven tonen?
Keer in, keer in tot uzelf! Nog is het tijd! Werp u in het stof, kniel neer aan de voeten van de
Zaligmaker en zeg: ‘Mijn God, wees mij arme zondaar genadig!’
Maar meestal is het geloof van hen die onder de prediking zitten, niet in dit opzicht gebrekkig.
Het zijn er maar weinigen die erkennen, dat ze machteloze schuldenaars voor God zijn en die
zich bij de grootste van de zondaren rekenen.
Het is vaak iets anders waardoor het gebrek wordt veroorzaakt. Het is zeer moeilijk, de
mensen ervan te overtuigen dat, als zij maar naar Jezus willen gaan, zij daar direct, om niet,
uit loutere genade, de goederen van het heil zullen ontvangen: vergeving der zonden (en niet
alleen de hoop daarop), en met die vergeving de bekering van hun ziel, een geheel vernieuwde
kracht, liefde en hoop en de verandering van hun ellendig hart.
Het moeilijkste is om de mensen ervan te overtuigen dat zij moeten gaan tot Hem, Die de
goddeloze rechtvaardigt. Het is Christus, Die macht heeft volkomen zalig te maken degenen
die door Hem tot God gaan. Als zij met een oprecht hart tot Hem de toevlucht nemen, zullen
zij direct een volkomen, gehele en volmaakte vergeving van hun zonden ontvangen. God zal,
volgens Zijn beloften, die zonden achter Zich werpen. God zal ze begraven op de zeebodem
en ze niet meer gedenken.
Ik smeek u, wie u ook bent, hoe groot uw overtredingen ook zijn: Kom! Kom nu het nog tijd
is tot Jezus, de Zaligmaker van alles wat verloren is. Neem eindelijk, evenals de berouwvolle
zondares, de blijde boodschap aan. Pas dan zult u leren om lief te hebben. Pas dan zal het
geloof uw hart reinigen. Kom dan tot Christus, net als de berouwvolle zondares van Bethanië.
Wacht er niet langer mee. Versmaad de genade van God niet door denkbeelden van eigen
gerechtigheid.
Denk niet dat u pas kunt geloven als u gedeeltelijk veranderd bent. Alsof u uzelf eerst zalig
zou moeten maken om zo waardig te worden om door de Zaligmaker der wereld behouden te
worden. Kom tot Hem! Hij zal u heiligen. Het zien van Zijn barmhartigheid zal uit de
steenrots van uw hart een bron van levend water doen voortkomen. Zijn genade zal de
verandering van uw hart uitwerken, want dat is een deel van uw zaligheid. Dat is het werk van
Zijn Geest. Wie gelooft, ontvangt zeker deze gave van Zijn barmhartigheid.
Kom dan zonder uitstel tot Hem. Als u, evenals de zondares, op Hem steunt en u aan Zijn
voeten werpt, dan zal Hij de liefde Gods door de Geest in uw hart uitstorten. Hij zal er een
nieuw begin, nieuwe kracht en een nieuw leven in leggen. Hij zal tot u, evenals tot de
gelukzalige vrouw zeggen: 'Uw zonden zijn u vergeven, uw geloof heeft u behouden; ga heen
in vrede.' Dan zult u veel kunnen liefhebben, omdat u veel vergeven is. U zult gelukkig zijn en
uw vrede zal groot zijn. ‘Hem die dorst, geef Ik het water des levens om niet,’ zegt het
Evangelie. Amen.
Download