3.4. Bewijs van verzekering

advertisement
Verzekeringsrecht
1.1. Risico
Indelingen van risico:
1. zuiver → een negatieve gebeurtenis, verzekerbaar (bijv. brand) ↔ speculatief, niet
verzekerbaar (bijv. loterij, beurs) m.u.v. levenslange lijfrente (dekt het langleven risico);
2. subjectief ↔ objectief, het risico wordt door de verzekeraar als objectief berekend ook;
3. klein ↔ groot, kleine risico’s worden zelf door de verzekeringnemer gedragen (eigen
risico)
lagere premie;
4. beinvloedbaar (preventiemaatregelen) ↔ niet-beinvloedbaar (overmacht (act of God)).
1.1.2. Risico overdracht
Enkel van financiele aard.
Verzekeraar, draagt de financiele gevolgen.
Verzekerde, blijft het feitelijke risico dragen.
Niet alle risico’s worden verzekerd omdat:
- de te verwachten schade te groot is;
- de te verwachten schade niet te berekenen is;
- bij een gebeurtenis een cumulatie van schades optreedt;
- er sprake is van een slecht schadeverloop.
In sommige gevallen kan beperkte dekking worden geboden middels een hoger eigen risico,
herverzekering, lagere uitkering etc.
Voor onverzekerbare risico’s biedt de overheid een vangnet:
- Wet tegemoetkoming schade, deze biedt burgers en bedrijven schadevergoeding bij
rampen
& zware ongevallen (o.a. niet verzekerbare schade bij zoetwateroverstroming).
- Wet schadefonds geweldsmisdrijven, schadevergoeding aan slachtoffers met ernstig
lichamelijk/ geestelijk letsel van opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijven welke niet op de
dader/ verzekering kan worden verhaald.
1.1.3. Beginselen van verzekering
Tegen betaling van een premie neemt de verzekeraar risico over van de verzekerde. Bij
gedekte
schade ontvangt de verzekerde een uitkering van de verzekeraar.
Solidariteitsbeginsel, verzekeringnemers (klanten) dragen op groepsniveau elkaars
gezamenlijk
risico.
Wet van de grote getallen, bij ↑ aantal verzekeringen stabiliseert de frequentie in
toenemende mate
van een bepaalde gebeurtenis (collectief niveau).
Overlevingstafel/ Sterftetafel, middels statistieken & overlevingstafels kan de verzekeraar
berekenen wat de kans is dat hij moet uitkeren bij leven en/of overlijden van de verzekerde.
Statistieken kennen echter beperkingen;
- de verzekeraar verzekert de toekomst o.b.v. een indicatie uit het verleden
- onvoldoende representatief, de verzekerde groep kan afwijken van de statistische groep.
1.1.4. Premieberekening
Premie = schadefrequentie x gemiddeld schadebedrag, bijv. :
Aantal te verzekeren fietsen tegen diefstal 25.000 stuks.
Gemiddelde uitkering bij diefstal € 500,-.
Aantal gestolen fietsen op jaarbasis 1.000 stuks.
Percentage gestolen fietsen
_.___
__.___
_ 1% = 4%.
Verzekeringspremie 4% x € 500,- = € 20,-.
_ Schadeverzekering
- risicopremie x kosten- en winstopslag (bij tussenpersoon → + provisieopslag).
_ Levensverzekering
- risicopremie, bij overlijden gedurende een verzekeringsjaar.
- spaarpremie, bij leven uitkering van premie op de einddatum / bij overlijden.
- Premie wordt berekend o.b.v.:
- sterfte (sterftetabel);
- intrest (veronderstelde rendement/ rekenrente) en
- kosten (o.a. administratie, provisie en medische kosten keuring).
_ Kapitaalverzekering
- Spaarpremie, uitkering is niet altijd zeker. Bij overlijden wordt niet tot uitkering
overgegaan.
Het risicokapitaal is negatief.
Bijv. Netto koopsom tijdelijke kapitaalverzekering vaste termijn.
Leven 30-jarige man, duur 30 jaar, verzekerd kapitaal € 1.000,-.
- Sterftekans 13% (zie sterfte tabel).
- Contante Waarde (CW) uitkering
_.___
_,_
= € 308,-.
- Netto koopsom 13% x € 308 = € 40,-.
Bijv. Netto koopsom kapitaalverzekering bij leven.
- Overlevingskans 87%
- CW uitkering € 308,-.
- Netto koopsom 87% x € 308 = € 268,-.
1.2. Risico en verzekeringsgedrag
Onderscheid:
- risiconeutralen, waarderen het risico objectief;
- risicomijders, kiezen voor zekerheid;
- risicozoekers, de kans op mogelijke winst wordt hoger gewaardeerd die van mogelijk
verlies.
Bij het afsluiten van een verzekering is er sprake van:
- Zelfselectie/ antiselectie, de verzekeringsnemer met een gunstig risico verzekert zich niet,
degene met ongunstig risico verzekert zich wel.
- Moreel risico, verzekerden kunnen mogelijk onvoorzichtiger worden daar het risico is
overgedragen aan de verzekeraar. De verzekeraar wapent zich hiertegen door het
voorschrijven
van gewenste maatregelen of gedrag (bijv. brandblusser binnen handbereik).
1.3. Soorten verzekering
Verzekering
Rechtsverhouding krachtens welke de een, de verzekeraar, verplicht is tegenover de ander,
de
verzekeringnemer, indien zich een bepaalde gebeurtenis voordoet, een bepaalde prestatie
te
verrichten. Dit is meestal tot het doen van een of meerdere uitkeringen waarvoor de
verzekeringnemer al premie heeft betaald.
1.3.2. Sociale verzekering,
Verzekering ontstaan van rechtswege (bijv. AOW, ANW etc.).
Dit zijn meestal basisvoorzieningen voor inkomen en zorgkosten (recht op een uitkering).
Hier wordt het omslagstelsel gehanteerd, de ontvangen premies worden direct gebruikt
voor de
betaling van de uitkeringen. Hiertegenover staat het kapitaaldekkingsstelsel (gebruikt bij
sommige
levensverzekeringen) de premie wordt dan belegd, tegenover de rechten van de
begunstigde staat
een financiele reserve.
De dekkingsomvang van sociale verzekeringen is bij/ krachtens de wet vastgelegd.
Twee groepen sociale verzekeringen:
- volksverzekeringen → globaal bekeken Nederlandse ingezetenen;
- werknemersverzekeringen → globaal bekeken werknemers en bepaalde
uitkeringsgerechtigden.
Verschillen sociale en privaatrechtelijke verzekeringen
Sociale verzekeringen Privaatrechtelijke verzekeringen
- Wettelijke basis
- Verplichte deelneming
- Geen zelfselectie
- Homogene dekking
- Omslagstelsel
- Uitvoering door hoofdzakelijk
publiekrechtelijke organisaties
- Contractuele basis
- Contractvrijheid
- Zelfselectie
- Dekkingsdifferentiatie
- Kapitaaldekkingsstelsel (enkele levensverz.)
- Uitvoering door privaatrechtelijke
organisaties
1.3.3. Privaatrechtelijke verzekering,
Verzekering ontstaan door het afsluiten van een verzekeringsovereenkomst
(kansovereenkomst art.
7A:1811 BW, deze wet is vervallen). Definitie verzekeringsovereenkomst art. 7:925 BW.
Er zijn vijf elementen in de verzekeringsovereenkomst te onderscheiden:
1. Er dient sprake te zijn van een verbintenis scheppende overeenkomst.
Van toepassing zijn de bepalingen van titel 6(art. 6:21-26 e.v. BW) de overeenkomst ontstaat
niet van rechtswege maar komt tot stand middels aanbod en aanvaarding, hierbij is sprake
van
contractvrijheid art.6:217 BW. De verzekeraar dient binnen de grenzen van het recht te
handelen (art. 1 Grondwet).
2. De verzekeraar verbindt zich tot het doen van een of meer uitkeringen.
Uitkering kan geschieden in geld of natura (art. 7:926 lid 1 BW).
De verzekeringnemer betaalt premie.
Bij schadeverzekering is er sprake van een verplichting tot premiebetaling (wederkerige
overeenkomst) conform art.6:261 BW.
Bij levensverzekering is er meestal geen verplichting tot premiebetaling, het is slechts een
voorwaarde waarvan de verzekeraar mede afhankelijk is. Verplichting tot premiebetaling
blijkt
uit de polisvoorwaarden. Bij het ontbreken van de premiebetalingsverplichting, is er geen
sprake van een wederkerige overeenkomst maar van een eenzijdige overeenkomst.
4. Er bestaat onzekerheid over de uitkering/ premiebetaling.
Dit kan worden beschouwd als een verbintenis onder opschortende voorwaarde, art. 6:21
BW.
Uitkering is afhankelijk van een toekomstige onzekere gebeurtenis, indien de gedekte
gebeurtenis zich voordoet en aan de voorwaarden is voldaan treedt de verbintenis
(uitkering) in
werking. Art. 7:925 BW bepaalt dat ‘voor partijen geen zekerheid bestaat’. Van belang is wat
partijen wisten, niet wat zij behoorden te weten. Mocht een van de partijen wel van een
gebeurtenis op de hoogte zijn da kan de verzekerde geen rechten ontlenen aan de
verzekering
daar de vereiste onzekerheid ontbreekt (arrest HR, 11-04-1997).
5. De overeenkomst voldoet aan de vereisten voor de schadeverzekering/
sommenverzekering.
De verzekering dient te voldoen aan vereisten conform de schadeverzekering (art.7:944 BW)
of
sommenverzekering (art.7:964 BW).
1.3.4. Schadeverzekering versus sommenverzekering
Schadeverzekering Sommenverzekering
Vergoeding van vermogensschade die de
verzekerde zou kunnen lijden (art. 7:944 BW).
Bijv. opstalverzekering.
Onverschillig is in hoeverre met de
uitkering schade wordt vergoed (art. 7:964
BW).
Bijv. levensverzekering (blijvende
invaliditeit), ongeacht de schade wordt een
beperkt percentage van de verzekerde som
uitgekeerd.
Schadeloosstellingsbeginsel,
(indemniteitsbeginsel, art. 7:944 geen dwingend recht en art. 7:960 BW dwingend recht).
Twee aspecten;
1. Strekking, partijen mogen niet de intentie hebben dat de verzekerde middels de
uitkering in
een voordeligere positie zou geraken.
Een schadeverzekering welke in strijd is met art.7:944 is nietig/ vernietigbaar.
2. Uitkering, bij uitvoering van de overeenkomst mag de verzekerde in een voordeligere
positie
mag geraken. De verzekeraar mag volstaan met een uitkering van schadeloosstelling art.
3:40 en
41 BW.
Soms hanteert de verzekeraar voorwaarden die in strijd lijken met het
indemniteitsbeginsel. De
verzekerde krijgt voor de verloren gegane zaak een nieuwe zaak. In dit geval kijkt de
verzekeraar
eerst naar de functionele en economische betekenis van de zaak, daarna komt het
vermogensbelang aan de orde. Bijv. Total loss auto bij ‘allrisk’ verzekering.
De verzekeraar dient er voor te waken dat de verzekeringsvoorwaarden geen ongewenst
verdrag
veroorzaken met verzekerden.
Twee uitzonderingen van dwingend recht (indemniteitsbeginsel):
1. Een vaststellingsovereenkomst waarbij de waarde is vastgesteld o.b.v. een
deskundigentaxatie,
art.7:960 BW. Een uitkering op basis hiervan kan niet worden aangetast wegens in strijd met
het indemniteitsbeginsel.
2. Een vaststellingsovereenkomst
A. Om een uitkeringsgeschil te beeindigen, art.7:900 BW. Middels een overeenkomst kan
de omvang van de schade worden vastgelegd. Deze schade is ook geldig indien zij in strijd is
met dwingend recht tenzij de vaststelling in strijd komt met de goede zeden en openbare
orde art. 7:902BW. In dit artikel wordt gesproken over ‘ter beeindiging’ en niet ‘ter
voorkoming’. Enkel een vaststelling ‘ter beeindiging van’ kan in strijd zijn met dwingend
recht.
B. Zijnde de bewijsovereenkomst, art. 7:900 lid 3 BW, het bewijs van de schade kan slechts
op
een bepaalde wijze worden geleverd. Deze overeenkomst wordt gezien als een vaststelling
ter beeindiging van een geschil art. 7:902 BW en is niet aantastbaar als zij in strijd is met het
indemniteitsbeginsel.
1.3.5. Schadeverzekering versus levensverzekering
Levensverzekering → de in verband met het leven of de dood gesloten sommenverzekering,
waarbij
een ongevallenverzekering niet als levensverzekering wordt beschouwd, art. 7:975BW, vgl.
art 1.1.
Wft. De ongevallenverzekering dekt mede het overlijdensrisico uitsluitend als gevolg van een
ongeval. Zij bevat hierdoor geen spaarelement en valt verzekeringstechnisch meer onder
een
schadeverzekering ondanks dat de ongevallenverzekering juridisch gezien merendeels een
sommenverzekering is.
Belangrijke verschillen tussen de schadeverzekering en de sommenverzekering
(levensverzekering):
1. Het al dan niet van toepassing zijn van het indemniteitsbeginsel
2. De mogelijkheid van de schadeverzekeraar de uitkering te verhalen op een aansprakelijke
derde (subrogatie)
3. De wilsrechten van de verzekeringnemer.
Wilsrechten:
1. Recht op aanwijzen, herroepen of wijzigen van een begunstiging, art.7:966 BW.
2. Recht op het doen afkopen van de levensverzekering, artt.7:978 lid 1 & 7:983 BW.
3. Recht op het premievrij maken van de levensverzekering, art.7:978 lid 2 BW.
4. Recht op het belenen van de levensverzekering, art.7:979 BW.
5. Recht om het recht op uitkering onder bewind te stellen art.7:966 jo. art. 4:164 e.v. BW.
De wilsrechten samen vormen een subjectief vermogensrecht waarover de
verzekeringnemer kan
beschikken. Deze rechten kunnen als geheel worden overgedragen of verpand artt.7:970 en
7:971
BW). Naast wilsrechten kunnen er voor de verzekeringnemer vorderingsrechten (o.a. recht
op de
afkoopwaarde bij afkoop) uit levensverzekeringen voortvloeien art.7:967 lid 8 BW.
1.3.6. Persoonsverzekering (schade/ sommenverzekering).
Dit is de verzekering die het leven of de gezondheid van een mens betreft art. 7:925 lid 2
BW.
De sommenverzekering kan enkel een persoonsverzekering zijn. Belangrijk is de kwalificatie
persoonsverzekering, de rechten van de verzekeraar zijn hierbij soms beperkt (artt.7:928 en
7:940
BW).
Soorten persoonsverzekeringen:
- Zorgverzekering (schade)
- Levensverzekering (sommen)
- Ongevallen (grotendeels sommen)
- Arbeidsongeschiktheid (schade/ sommen)
1.3.8. Overzicht soorten verzekeringen
1.4. Wettelijke en andere bepalingen, Burgerlijk Wetboek,
Beperkingen van de reikwijdte van verzekering:
- Titel 7:17 BW is niet van toepassing op herverzekering (art.7: 927 BW).
- Enkele bepalingen van de levensverzekering zijn niet van toepassing op de z.g.
volksverzekering
(art.7:976 BW)
De kans op een bepaald gevolg door de verwezenlijking v/e bepaald onzeker feit.
1.4.2. Overige wettelijke regelingen
Titel 7.17 BW (Verzekering), WAM en Zvw; Wet op financieel toezicht (Wft); Wet op
medische
keuringen; Noodwet financieel verkeer, Wet bescherming persoonsgegevens; Wet op
belastingen
van rechtsverkeer; Wet op de inkomstenbelasting 2001.
1.4.3. Zelfregulering
Van belang voor de overeenkomst zijn het wettelijke kader en de regels die de bedrijfstak
geformuleerd heeft.
Verenigingen van verzekeraars en tussenpersonen: het Verbond van Verzekeraars, de
Nederlandse
Bond van Assurantiebemiddelaars (NBVA), de Nederlandse Vereniging van
Assurantieadviseurs en
Financiele Dienstverleners (NVA).
Verzekeringen
Sociale verzekeringen
Volksverz:
AOW
ANW
AWBZ
Werknemers
verzekeringen:
WIA
WW
ZW
Privaarrechtelijke
verzekeringen
Schadeverzekeringen
- motorrijtuigencasco
- opstal
- zorg
Sommenverzekeringen
Levensverzekeringen:
- gemengde
- tijdelijke kapitaalverz.
bij overlijden.
Andere sommenverzekeringen
dan
levensverz.:
- ongevallen verz.
(m.u.v. medische
kosten)
Voordelen Nadelen
- groot draagvlak
- de branche legt zich geen regels op die nadelig zijn voor
haar
- vrijblijvendheid van de regelgeving; “de code is geen wet”
- naleving is niet altijd in voldoende mate afdwingbaar
Handhaving van de gedragsregels en bedrijfsregelingen geschiedt vaak door
klachtenorganisaties die
door de branche zijn ingesteld; zie hoofdstuk 10.
1.4.4. Beoordelingskader
Het BW geeft slechts een basisregeling voor de verzekeringsovereenkomst. De inhoud wordt
voor
een groot gedeelte bepaald door de verzekeringsvoorwaarden.
Beoordeling vindt plaats o.b.v. de verzekeringsvoorwaarden en polis:
- Er kan van de wettelijke regeling zijn afgeweken, of
- Er kan een aanvullende regeling zijn getroffen.
De polis en verzekeringsvoorwaarden:
- Kunnen in strijd zijn met dwingend recht of onredelijk bezwarend zijn en daarmee op grond
van
art. 3:40 en 6:233 BW nietig of vernietigbaar zijn, of op grond van de redelijkheid en
billijkheid
niet van toepassing zijn, art. 6:2 en 6:248 BW
- Geven niet een volledig beeld van de tussen partijen bestaande rechten en verplichtingen,
omdat
de wet een aanvullende regeling geeft of omdat op grond van de redelijkheid en billijkheid
een
aanvulling plaatsvindt, art. 6:2 en 6:248 BW.
Beoordelingskader:
de overeenkomst, de wet, jurisprudentie, verdragen, de gewoonte, de literatuur en
zelfregulier
2.1. Verzekeraar
Direct writer, de verzekeraar sluit de verzekeringen rechtstreeks af met de
verzekeringnemer.
Intermediair, de verzekering wordt afgesloten door bemiddeling van een tussenpersoon.
De verzekeraar heeft bedrijfskundig bezien in beginsel drie taken m.b.t. de
verzekeringsovereenkomst:
1. Accepteren, het aangeboden risico wordt beoordeeld op acceptatie en onder welke
voorwaarden.
2. Muteren, wijzigingen in de polis worden verwerkt.
3. Uitkeren, beoordelen of de gemelde gebeurtenis onder de dekking valt.
Wettelijk toezicht
Het wettelijke toezicht is geregeld in de Wft, een onderscheid wordt gemaakt tussen de
verzekeraar
met:
- een statutaire zetel in Nederland art. 2:27 e.v. Wft;
- een statutaire zetel in een andere lidstaat, art. 2:34 e.v. Wft;
- een statutaire zetel in een staat die geen lidstaat is art. 2:40 e.v. Wft.
Bouwstenen verzekeringen conform Wft art.1:1 Wft.
- financiele ondernemer (verzekeraar en de financiele dienstverlener);
- financiele dienst (aanbieden, adviseren, bemiddelen, optreden als gevolmachtigd/ onder
gevolmachtigd agent);
- financieel product (verzekering, krediet, beleggingsproduct).
Gradaties toezicht Wft:
1. Publiciteitstoezicht, op niet nakoming van deze verplichting rust geen juridische sanctie
(geen
toezichtorganisatie/ normen op naleving), bijv. jaarlijkse verplichting van de nv/ bv tot
openbaarmaking van hun jaarcijfers.
2. Normatief toezicht; de toezichthouder oefent achteraf globaal toezicht uit (eisen
betreffende
soliditeit en bedrijfsprocessen).
3. Materieel toezicht, de toezichthouder oefent vooraf toezicht uit (toezicht op de
voorwaarden
en tarieven).
Prudentieel (verstandig) toezicht
Gericht op de soliditeit van financiele ondernemingen en het bijdragen aan de stabiliteit van
de
financiele sector, DNB oefent dit toezicht uit art.1:24 Wft.
Verplichtingen van de verzekeraar:
- Deskundigheid, betrouwbaarheid en integriteit afd. 3.3.2. Wft, art. 3:8 en art 3:10 Wft.
- Structuur en inrichting, afd. 3.3.3. Wft, uitoefening kan enkel middels: nv/ onderlinge
waarborgmij./ Europese vennootschap, art. 3:20 Wft.
- Overige bepalingen, afd. 3.3.4. Wft, schades veroorzaakt of ontstaan uit gewapend conflict
e.a.
mogen niet verzekerd worden ((groot)molestrisico). Uitgezonderd hiervan zijn zee-,
transport-,
luchtvaart-, en reisverzekeringen, art. 3:38 Wft.
- Minimum vermogen, afd. 3.3.5. Wft, de verzekeraar dient over voldoende kapitaal en
middelen te beschikken tot dekking van de kosten, art. 3:53 Wft.
- Solvabiliteit, afd. 3.3.6. Wft, de verzekeraar dient over een minimum solvabiliteitsmarge te
beschikken, art. 3:63 Wft.
- Liquiditeit, afd. 3.3.7. Wft, de verzekeraar dient over voldoende liquiditeit te beschikken.
- Technische voorzieningen, afd. 3.3.8. Wft, de technische voorzieningen dienen toereikend
te
zijn, art. 3:67 Wft.
- Boekhouding en rapportage, afd. 3.3.9. Wft, jaarverslagen en staten dienen periodiek te
worden ingediend, art. 3:72 Wft.
Gedragstoezicht
Dit wordt uitgeoefend door de AFM (Autoriteit Financiele Markten) en bestaat uit de
volgende
onderdelen:
- Deskundigheid, betrouwbaarheid en integriteit, afd. 4.2.1 Wft.
- Structurering en inrichting, afd. 4.2.2. Wft.
- Zorgvuldige dienstverlening, afd. 4.2.3. Wft.
- Meldingsplichten, afd. 4.2.4. Wft.
- Aanbieden, afd. 4.3.1. Wft.
- Onderlinge verhoudingen, financiele ondernemingen afd. 4.3.8. Wft.
Portefeuillerecht tussenpersoon, de verzekeraar kan niet zonder toestemming van de
tussenpersoon zijn portefeuille geheel of gedeeltelijk overboeken naar een andere
tussenpersoon art.
4:103 Wft.
2.2. Verzekeringnemer
De Verzekerde en begunstigde
2.2.1. Verzekeringnemer
De contractpartij van de verzekeraar.
2.2.2. Verzekerde
Schadeverzekeringen, degene die in geval van geleden schade krachtens de verzekering
recht
heeft op vergoeding of dit kan krijgen art. 7:945 BW.
Verzekerde, (schade- en sommenverzekering) art. 7:926 BW spreekt niet van het begrip
‘verzekerde’ maar van de ‘tot uitkering gerechtigde’.
Verzekerde bij sommenverzekering, diegene op wiens leven of gezondheid de verzekering
betrekking heeft art. 7:965 BW.
Derdenbeding, art. 6:253 e.v. BW op ‘een derde’ rust wel o.a. de schademeldingsplicht, art.
7:941
BW.
Bij aanvaarding van het beding geld de derdeverzekerde als partij bij de overeenkomst, art.
6:254
BW en art. 7:945 BW.
2.2.3. Begunstigde
Deze aanduiding wordt enkel gebruikt bij sommenverzekeringen. De begunstigde is degene
die tot
het ontvangen van een uitkering is aangewezen (gerechtigd) artt. 7:926 en 7: 965 BW. Daar
de
verzekeringsovereenkomst een beding t.b.v. de derdebegunstigde bevat (art. 6:253) wordt
dit
uitgebreid geregeld waarbij kan worden afgeweken van de algemene regeling art. 7:969 BW
e.v.
2.2.4. Overzicht betrokkenen bij verzekeringsovereenkomst.
Betrokkene Schadeverzekering Sommenverzekering
Verzekeraar
Verzekeringnemer
Verzekerde
Begunstigde
Contractpartij
Contractpartij
De tot uitkering
gerechtigde
Ontbreekt
Contractpartij
Contractpartij
Persoon van wiens leven of
gezondheid de uitkering afhankelijk is
De tot uitkering gerechtigde
2.3. Tussenpersoon
Deze bemiddelt o.a. bij de totstandkoming van de verzekering, art. 62 WvK.
2.3.1. Omschrijving tussenpersoon
Verschillende tussenpersonen:
1. Loondienstagent, tussenpersoon in dienst van de verzekeraar, art. 7:610 BW. Indien het
loon
geheel/ gedeeltelijk uit provisie bestaat is hij handelsvertegenwoordiger, art. 7:687 BW en
art.
7:688 BW.
2. Gevolmachtigd agent, zelfstandig tussenpersoon welke geen arbeidsovereenkomst met
de
verzekeraar heeft gesloten. Er is hier sprake van een overeenkomst van opdrachten in
beginsel/
bemiddelingsovereenkomst, art. 7:400 BW e.v. en art. 7:425 BW.
Indien in naam en voor rekening van de verzekeringnemer de overeenkomst af te sluiten is
er
sprake van lastgeving met volmacht, art. 3:640 e.v. en 7:414 BW
2.3.2. Taken tussenpersonen
adviseren, verzekeren, beheren
Van belang bij de uitoefening van zijn taken is zijn zorgplicht, art. 7:401 BW. De gebruikelijke
beloning bestaat uit provisie.
2.3.3. Wettelijk toezicht tussenpersonen
Het prudentieel toezicht is in beginsel n.v.t. op een tussenpersoon betreffende
verzekeringen.
De tussenpersoon is geen risicodrager (beheerd geen gelden van de client).
Markttoegang
Onderscheid wordt gemaakt tussen bemiddelen en adviseren. Bij deze activiteiten is een
vergunning van de AFM vereist, art. 2:75 en 2:80 Wft., vrijstellingen hieromtrent art.5 en 6
Vijstellingsregeling Wft.
Op basis van betrouwbaarheid, deskundigheid en integriteit wordt een vergunning verleend,
art.2:78
en 2:83 Wft. Daarnaast dient een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te worden
afgesloten
art.2:83 Wft.
Uitzondering op het vergunningsvereiste:
- De bemiddelaar die een andere hoofd beroepswerkzaamheid heeft dan bemiddelen in
verzekeringen (bijv. reisbureau).
- De bemiddelaar die bemiddelt bij verzekeringen met een jaarlijkse premie < € 500,- en een
volledige looptijd (incl. verlengingen) van < 5 jaar (bijv. fietsverzekering).
Gedragstoezicht
Bijzonderheden betreffende de tussenpersoon
- Structurering & inrichting, afd. 4.4.2. Wft. verplichte interne klachtenprocedure &
aansluiting
bij erkende geschilleninstantie art. 4:17 Wft.
- Zorgvuldige dienstverlening, afd. 4.2.3. Wft. verstrekken van informatie aan de klant, art
4:20
Wft. tenzij anders is overeengekomen art. 4:21 en 4:99 Wft. Ook artt. 4:19, 4:23 en 4:24 Wft
zijn
hier van toepassing.
- Bemiddelen, afd. 4.3.3. Wft. de verhouding met verzekeraars dient transparant te zijn, art.
4:73
Wft.
- Onderlinge verhouding financiele ondernemingen, afd. 4.3.8. Wft. bij constatering van de
tussenpersoon dat de verzekeraar in strijd handelt met de vergunningsverplichting mag niet
meer
bemiddelen worden voor deze verzekeraar art. 4:96 Wft.
2.4. Omschrijving gevolmachtigde agent
Art. 1:1 Wft, deze handelt niet op eigen naam/ voor eigen rekening.
2.4.2. Taken gevolmachtigde agent
Accepteren, muteren & uitkeren.
2.4.3. Wettelijk toezicht gevolmachtigde agent (art. 1:1 Wft).
Markttoegang
De gevolmachtigde agent dient in beginsel te beschikken over een vergunning van de AFM,
art.
2:92 e.v. Wft. en Vrijstellingsregeling Wft. art. 107 Wft.
Gedragstoezicht
- Zorgvuldige dienstverlening, afd. 4.2.3. Wft. verstrekken van informatie aan de klant, art
4:20 Wft.
- Bemiddelen, afd. 4.3.3. Wft. deze agent hoeft niet te beschikken over een
beroepsaansprakelijkheidsverzekering, art. 4:75 Wft.
- Optreden als gevolmachtigd agent, afd. 4.3.6. Wft, sprake moet zijn van een schriftelijk
volmacht, art. 3:60 e.v. BW, art. 4:79 Wft, art 3:62 lid 2 BW en art. 4:80 Wft. zijn hierop van
toepassing.
- Onderlinge verhouding financiele ondernemingen, afd. 4.3.8. Wft. op deze verhouding
zijn de regels conform art. 4:92 Wft. van toepassing.
2.5. Juridische benadering bedrijfskolom
Partijen Overeenkomsten Belangenorganisaties
3.1. Wijzen van totstandkoming
Een verzekeringsovereenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan, art.
6:217 BW.
Voorafgaand aan het aanbod kan een uitnodiging tot een aanbod zijn gedaan. Aanbod of
aanvaarding komt tot stand komt tot stand indien dit de andere partij heeft bereikt, art. 3:38
BW.
Herverzekeraar
Verzekeraar
Gevolmachtigde agent
Assurantietussenpersoon
Verzekeringnemer
Herverzekeringsovereenkomst
Aanstellingsovereenkomst
Aanstellingsovereenkomst
Opdrachtovereenkomst
Verbond van verzekeraars
NVGA
NBVA, NVA
Consumentenbond
MKB-Nederland
Verzekeringsovereenkomst
Hoofdsituaties afsluiten verzekeringsovereenkomst
Situatie Uitnodiging tot het
doen van een
aanbod
Aanbod Aanvaarding
1
2
Verzekeringnemer
Verzekeraar
Verzekeraar
verzekeringnemer
Verzekeringnemer
Verzekeraar
De verzekering is een vormvrije overeenkomst (kan volgens art. 3:37 BW schriftelijk,
mondeling &
elektronisch (nadere regels art. 6:227 b & c BW).
Overeenkomst op afstand
Bepalingen van het BW betreffende de overeenkomst op afstand zijn n.v.t. op de
verzekeringsovereenkomst, art. 7:46i lid 1 BW., voor soortgelijke regels zie art. 1.1 Wft, art
4:28 e.v.
Wft.
Kernbedingen, vallen niet onder het begrip algemene voorwaarden, art.6:231 onder a BW.
Dit zijn
bij verzekeringen o.a. dekkingsbepalingen, uitsluitingen en bepalingen betreffende de
waardemaatstaf. Van belang is dat de verzekeraar de voor of tijdens het afsluiten van de
overeenkomst de mogelijkheid biedt tot kennisneming van de algemene voorwaarden, art.
6:233
onder b en 6:234 BW. Indien hier niet aan is voldaan, dan zijn deze algemene voorwaarden
vernietigbaar, art. 6:233, 3:41 en 3:49 BW.
Bijzondere regeling m.b.t. de overeenkomst welke elektronisch tot stand is gekomen, zie
art. 6:234 onder c BW.
Coassurantie, meerdere verzekeraars zijn betrokken bij de verzekeringsovereenkomst, elke
verzekeraar draagt een bepaald percentage van het risico. De verzekeraars zijn niet
hoofdelijk
verbonden voor verbintenissen uit deze overeenkomst. Teneinde tegenstrijdige
uitkeringsbeslissingen te voorkomen wordt meestal een ‘to follow clause’ opgenomen. Het
standpunt van de eerste verzekeraar dient door de overigen te worden gevolgd.
Coassurantie betreft
vaak een te complex, onzeker of groot risico om door een verzekeraar te worden gedragen.
3.2. Begin dekking
3.2.1.Materieel en formeel begin
Materieel begin, de datum waarop de verzekeraar risico begint te lopen
Formeel begin, de datum waarop de verzekeringsovereenkomst tot stand komt.
Dekking met terugwerkende kracht is in beginsel mogelijk, mits er voor beide partijen
onzekerheid
bestaat over de verzekerde gebeurtenis, art. 7:925 BW.
Voor de zorgverzekering geldt een terugwerkende afwijkende regeling zie art. 5 lid 5a en b
Zvw.
3.2.2. Tijdstip en aanvang dekking
In de wet wordt niet aangegeven vanaf welk tijdstip de verzekeraar risico gaat lopen.
3.3.3. Voorlopige dekking
Hier is er sprake van een volwaardige verzekeringsovereenkomst, bijv. voor 14 dagen. De
definitieve
beoordeling vindt plaats na ontvangst van het aanvraagformulier. Indien de verzekeraar het
risico
niet wenst te accepteren vervalt de voorlopige dekking door verstrekking van de termijn.
Van
toepassing hierbij is ook art. 7:932 BW.
3.3. Mededelingsplicht
Art. 7:928 – 7:931 BW wijdt uit over een dwingendrechtelijke regeling die de
verzekeringnemer
moet ondergaan als blijkt dat hij gegevens onjuist heeft verstrekt/ of verzwegen.
3.3.1.Omvang mededelingsplicht
Bij het afsluiten van een verzekering rust op de verzekeringnemer een mededingingsplicht.
Indien
de verzekeraar geen gebruik maakt van een vragenlijst dan rust op de verzekeringnemer in
beginsel
een spontane mededelingsplicht. De omvang hiervan wordt bepaald door art. 7:928 BW.
Van belang hierbij zijn vier vereisten:
1. Relevantievereiste
Enkel relevante feiten hoeven te worden medegedeeld, art. 7:928 lid 1 en 4 BW.
Van belang bij de beoordeling zijn het materiele- (risico m.b.t. de te verzekeren zaak) en het
morele (moraliteit en zorgvuldigheid verzekerde) risico.
2. Kenbaarheidsvereiste
Het moet voor de verzekeringnemer kenbaar zijn geweest dat de niet of onjuist vermelde
feiten
voor de verzekeraar relevant waren/ konden zijn, art. 7:928 lid 1 BW. Wel is de redelijkheid
van
belang (Haviltex-regel). Indien de verzekeraar geen vragenlijst gebruikt dan wordt o.b.v.
feiten
en omstandigheden de reikwijdte van de mededelingsplicht bepaald.
Van toepassing zijn ook artt.6:238 lid 2 en 7:928 lid 4 en 5 BW.
3. Kennisvereiste
Dit is een geobjectiveerd vereiste, de verzekeringnemer is verplicht de feiten mee te delen
die hij
kent of behoort te kennen, art. 7:928 lid 1 BW. Indien deze feiten onbekend waren dan zijn
de
gevolgen van dit art. n.v.t.
4. Verschoonbaarheidsvereiste
De vorming van een onjuiste voorstelling van zaken moet voor de verzekeraar
verschoonbaar
zijn. Door steeds op de hoogte te zijn van de vereiste gegevens nodig bij het afsluiten van
een
verzekering voorkomt de verzekeraar niet op de hoogte te zijn van de feiten.
Van toepassing zijn de artt. 7:928 lid 4 en lid 6 BW,
Voorlopige dekking
Op de verzekeringnemer rust een spontane mededelingsplicht, art. 7:928 lid 1 BW. Dit
beperkt de
mogelijkheid om zich met vrucht op art. 251 WvK te beroepen. Desondanks ontheft de
voorlopige
dekking de aspirant verzekerde niet van de plicht - ook ongevraagd – feiten/
omstandigheden aan
te geven welke hij kent/ dient te kennen welke het verstrekken van een voorlopige dekking
kunnen
tegengaan.
Mededelingsplicht derden
De verzekeringnemer dient naast het meedelen van feiten welke hij kent/ behoort te kennen
ook
feiten mee te delen betreffende derden welke zij kennen/ behoren te kennen, art. 7:928 lid
2 en 3
BW, bijv. ongevallenverzekering bij derden vanaf zestien jaar.
3.3.2. Gevolgen niet-nakoming mededelingsplicht
Bij niet nakoming kan de verzekeraar de uitkering geheel of gedeeltelijk weigeren. Na
ontdekking
van niet nakoming van de mededelingsplicht dient de verzekeraar binnen twee maanden de
verzekerde hiervan op de hoogte te stellen onder vermelding van de mogelijke gevolgen, art.
7:929
lid 1 BW.
Na deze periode kan de verzekeraar bij een verwezenlijking van dit risico met de gevolgen
van niet
nakoming niet inroepen.
Sanctie voor overeenkomst
Opzegging, art. 7:929 lid 2 BW, is mogelijk indien:
- de verzekeringnemer met de opzet de verzekeraar heeft misleidt, ongeacht de relevantie
van
misleiding; of
- de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben
afgesloten.
Opzegging vindt plaats door:
1. De verzekeraar en wel binnen twee maanden na ontdekking van niet-nakoming en niet
twee
maanden na mededeling conform art. 7:929 lid 1 BW.
2. De verzekerde en wel met dadelijke ingang binnen twee maanden na de mededeling of
nadat de
verzekeraar zich bij risicoverwezenlijking op niet-nakoming van de mededelingsplicht heeft
kunnen beroepen.
Indien de verzekeraar al uitkeringen had verstrekt voor de ontdekking kan hij deze soms
terugvorderen, o.a. van toepassing conform artt. 6:203, 7:929 en 7:930 BW.
Sancties uitkering
Afhankelijk van de situatie verstrekt de verzekeraar:
1. Geen uitkering (art. 7:930 lid 4 en 5 BW);
indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken:
- geen verzekering zou hebben gesloten of
- andere voorwaarden zou hebben gesteld daar op basis van de huidige voorwaarden geen
uitkering verschuldigd is;
indien er sprake is van opzet teneinde de verzekeraar te misleiden.
2. De gehele uitkering;
Ondanks niet-nakoming van de mededelingsplicht kan de verzekeringnemer kan recht
hebben
op een volledige uitkering art. 7:930 lid 2 BW (causaliteitsbeginsel geen causaal verband
tussen
de feiten en verwezenlijking van het risico).
3. Een gedeeltelijke uitkering;
Indien er geen sprake is van opzet en de verzekeraar wel de verzekering was aangegaan bij
kennis van de ware stand van zaken. Er is hier wel sprake van causaal verband, het
proportionaliteitsbeginsel is hier van kracht: de uitkering wordt verminderd naar
evenredigheid
van wat de premie meer of de verzekerde som minder zou hebben bedragen.
Sancties voor derde verzekerden
Uitgangspunt is dat niet nakoming van de mededelingsplicht de gehele verzekering met alle
verzekerden treft, tenzij daarop wettelijk een uitzondering is gemaakt, artt. 7:929 lid 2 en
7:930 lid 5
BW.
De verzekeraar kan enkel opzeggen in geval van opzet tot misleiding door de
verzekeringnemer en
niet in geval van misleiding door een derde. Ook van toepassing zijn de artt. 7:929 lid 3,
7:930 BW.
3.3.3. Overige bijzonderheden mededelingsplicht
Mededelingsplicht bij verzekeringen met een acceptatieplicht
De verzekeraar mag uitsluitend die informatie vragen die hem in staat stelt om te
beoordelen of er
sprake is van een verzekeringsplicht, art. 3 lid 1 en lid 4 Zvw. Alle overige informatie is niet
relevant,
art. 7:928 lid 1 BW. Voor aanvullende zorgverzekeringen bestaat geen acceptatieplicht.
Mededelingsplicht (art. 7: 928 BW) bij wijze van overeenkomst
Dit bestaat enkel bij het afsluiten van de verzekering, wijzigingen zijn hierbij uitgesloten.
De overgang van een verzekering bij overdracht mag niet worden gezien als de
totstandkoming van
een nieuwe verzekering, art. 7:948 BW.
Geen beroep op bedrog of dwaling
Dit wordt uitgesloten door art. 7:931 BW, de regeling van artt. 7:928 – 7:931 BW is een
bijzondere
regeling voor niet of onjuiste opgave.
Oordeel verzekeraar
Conform de regelingen van artt. 7:928 – 7:930 BW is het oordeel van de verzekeraar vaak
beslissend
voor de sanctie. Bijv. het niet nemen van een ongunstigere beslissing bij kennis van de juiste
feiten,
art. 7:928 lid 4 BW of bij kennis van de ware toedracht een hogere premie bedingen, art.
7:930 lid 3
BW.
De redelijkheid en de billijkheid, art. 6:2 en 6:248 BW kunnen hier corrigerend werken indien
het
acceptatiebeleid van de verzekeraar de verzekeringnemer niet kenbaar was of behoorde te
zijn.
Bewijslast verzekeraar
Aan de verzekeraar rust in beginsel de bewijslast, hij dient een beroep te doen op nietnakoming van
de mededelingsplicht. Hij dient te bewijzen dat de verzekeringnemer in gebreke is gebleven.
Op
grond van de redelijkheid en de billijkheid kan de rechter de bewijslast omkeren, art. 150 Rv.
Verzekeringsvoorwaarden
De regeling betreffende mededelingsplicht is van dwingend recht, er mag niet ten nadele
van de
verzekeringnemer/ de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken, mits de
verzekeringnemer een
natuurlijk persoon is en de verzekering is afgesloten anders dan in de uitoefening van een
beroep of
bedrijf, art. 7:943 BW.
Een gangbare afwijking is de bekendheidsclausule (vaak bij brandverzekeringen). Deze
clausule kan
ook bij consumentenverzekeringen worden opgenomen daar het niet ten nadele is van de
consument. Middels deze clausule beperkt de verzekeraar zijn beroep op niet-nakoming van
de
mededelingsplicht.
3.4. Bewijs van verzekering
Er gelden voor de verzekeraar en de verzekerde geen bijzondere regels voor het bewijs van
de
verzekeringsovereenkomst. De verzekering kan met alle middelen rechtens worden
bewezen,
inclusief elektronische berichten en getuigenbewijs, art. 152 lid 1 Rv. De rechter waardeert
de
geleverde bewijsstukken art. 152 lid 2 Rv. Bij iedere wijziging in de polis dient de verzekeraar
een
nieuwe polis te verstrekken aan de verzekerde, deze dient schriftelijk te zijn opgemaakt en
voorzien
van een handtekening van een bevoegd persoon, art. 7:932 BW.
De verzekerde moet zijn belang kunnen aantonen. Bij risico van een dubbele uitkering kan
de
verzekeraar als voorwaarde stellen dat de houder van het nieuwe bewijsstuk zekerheid stelt
voor dit
risico, art. 7:932 lid 3 BW.
3.5. Levensverzekering
3.5.1.Wijzen van totstandkoming
Dekking van het overlijdensrisico
Hierbij speelt de gezondheidstoestand een belangrijke rol. O.b.v. een gezondheidsverklaring,
uitgebreide vragenlijst of een medisch onderzoek wordt een beeld van de
gezondheidstoestand van
de verzekerde gevormd. Indien de verzekerde een andere persoon is dan de
verzekeringnemer dan is
de totstandkoming mede afhankelijk van een niet-contract partij.
Geen overlijdenrisico (kapitaalverzekering/ lijfrente)
De gezondheidstoestand is niet van toepassing. Het invullen en opsturen van het
aanvraagformulier
wordt gezien als de acceptatie van het door de verzekeraar gedane aanbod.
Globaal beeld van de informatieverplichtingen van de levensverzekeraar:
- mogelijkheid bieden ter inzage van de algemene voorwaarden, art. 6:233 BW;
- voorafgaande de totstandkoming van de verzekering dient informatie te zijn verstrekt over
zichzelf en de verzekering, art. 4:20 Wft jo. 57,49 en 60 Bgfo;
- bij het aanbieden van een complex product dient een financiele bijsluiter te worden
verstrekt, art. 4:22 Wft jo. 64 e.v. Bgfo.
Niet naleving van art. 6:233 BW kan directe gevolgen hebben voor de inhoud van de
levensverzekering, de algemene voorwaarden zijn dan niet van toepassing, art. 6:233, 3:41
en 3:49
BW.
3.5.2.Mededelingsplicht levensverzekering.
De dwingend rechtelijke art. 7:982 en 983 BW geven bijzondere regels voor de gevolgen van
niet
nakoming van de mededelingsplicht bij de levensverzekering. Indien de verzekerde de
onjuiste
leeftijd/ geslacht heeft vermeld vindt conversie plaats. Indien de verzekeraar o.b.v. de
nieuwe
gegevens geen verzekering zou hebben afgesloten dan vindt er geen conversie plaats (art.
7:982 lid 2
BW).
De verzekeraar kan de verzekering opzeggen of de uitkering weigeren.
- Bij opzegging verkrijgt de verzekerde het recht op de afkoopwaarde art. 7:983 lid 1
Art. 7:983 lid 1 BW
1. Indien een verzekering die de verzekeringnemer krachtens wet of overeenkomst kan doen
afkopen, overeenkomstig artikel 929 wordt opgezegd, verkrijgt de verzekeringnemer recht
op de afkoopwaarde van de dag vóór haar beëindiging.
- Indien de verzekeraar pas aan het einde van het risico een beroep op niet nakoming van de
mededelingsplicht dan verkrijgt de begunstigde op de op gelijke wijze berekende
afkoopwaarde.
- Indien de verzekeraar op grond van art. 7:930 lid 2 en 3 BW een geheel/ gedeeltelijke
uitkering
verschuldigd is die meer bedraagt dan de afkoopwaarde, dan verkrijgt de begunstigde
aanspraak
op die hogere uitkering.
Daarnaast zijn artt. 7:929 en 7:983 lid 3 BW van toepassing.
3.5.3.Bewijs levensverzekering
De wettelijke regeling inzake de polis art. 7:932 BW geldt ook voor de levensverzekering.
De levensverzekeraar kan bij afgifte van een duplicaatpolis in beginsel geen zekerheid
verlangen of
tekening van een akte van vrijwaring.
4.1. Functies verzekerde som.
Drie functies van de verzekerde som:
1. Indicatie maximale uitkeringsverplichting van de verzekeraar;
2. Belangrijk bij de berekening van de schade-uitkering;
3. Meestal een maatstaf voor de berekening van de premie.
4.1.1. Maximale uitkeringsverplichting
Het maximale bedrag dat de verzekeraar bij een gedekte gebeurtenis uitkeert. Tenzij de
polisvoorwaarden anders bepalen is telkens voor verschillende gebeurtenissen de volledige
verzekerde som beschikbaar (art. 7:955BW).
Afwijkingen:
_ In art. 7:955 lid 2 BW wordt aangegeven dat dit artikel (telkens voor verschillende
gebeurtenissen de volledige som beschikbaar) regelend recht bevat. De polisvoorwaarden
kunnen hier dus in afwijken.
_ Daarnaast kan de verzekeraar een limiet stellen aan de uitkeringen per contractperiode/
verzekeringsjaar.
_ De regel dat de verzekerde som de maximale som is niet altijd van kracht. De
bereddingskosten
en de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade komen mede t.l.v. de verzekeraar
ook
indien daarmee het maximaal te vergoeden bedrag wordt overschreden (art. 7:959 lid1 BW).
Deze bepaling is van dwingend recht voor consumentenverzekeringen. Echter voor nietconsumentverzekeringen
is deze bepaling van regelend recht.
4.1.2. Schadeberekening,
indien het bedrag van de verzekerde som lager is dan de waarde van de verzekerde zaak,
dan hoeft
de verzekeraar slechts een gedeeltelijke uitkering te doen (onderverzekering).
4.1.3. Premieberekening,
de verzekerde som is vaak een maatstaf voor de berekening van de premie.
4.2. Over- en onderverzekering.
4.2.1. Verzekerde som = waarde verzekerde zaak.
Vollewaardeverzekering, de verzekerde som is gelijk aan de waarde van de verzekerde zaak/
de
waarde van het verzekerd belang. Twee mogelijkheden:
1. Bij totaal verlies vergoedt de verzekeraar de volledige schade gelijk aan de verzekerde
som.
2. Bij partiële schade wordt de volledige schade vergoedt.
4.2.2. Verzekerde som > waarde verzekerde zaak.
Oververzekering, indien meer dan de volle waarde wordt verzekerd. Conform art. 7:960 BW
mag
de verzekerde geen uitkering ontvangen waardoor hij in een voordeligere positie zou
geraken
(indemniteitsbeginsel art.7:960 BW). Bij totaal verlies/ partiele schade keert de verzekeraar
enkel een
uitkering uit gebaseerd op de waarde (lager) van de verzekerde zaak. Wel wordt de
verzekerde
volledig schadeloos gesteld. Nadeel bij onderverzekering is dat de verzekerde onnodig teveel
premie
betaalt.
4.2.3. Verzekerde som < waarde verzekerde zaak.
Onderverzekering, indien de verzekerde som minder is dan de waarde van de verzekerde
zaak (art.
7:958 lid 5 BW). De verzekeraar vergoedt de schade naar evenredigheid (gedeeltelijk). Er is
minder
premie betaald waardoor de te ontvangen uitkering lager is (totaal verlies & partiele
schade).
_=
__
___
__
U = uitkering
VS = verzekerde som
WVZ= waarde verzekerde zaak
S = schade
4.2.4. Premier risque-dekking (regelend recht)
Ook indien de verzekerde som te laag is, dient de verzekeraar geleden schade volledig te
vergoeden tot maximaal de verzekerde som. De onderverzekeringsregeling kan in deze
polisvoorwaarden niet van toepassing worden verklaard. Het eerste risico is gedekt, niet het
gehele
risico, vb. reisverzekering, bagage.
Redenen ter afsluiting van een premier risque-dekking:
1. geen behoefte om het totale risico te verzekeren, het risico op totale schade is
onwaarschijnlijk;
2. de verzekeraar weigert dekking te verlenen boven een bepaald bedrag.
4.2.5. Overzicht verhouding verzekerde som en waarde verzekerde zaak
Verhouding VS en
WVZ
Aanduiding verzekering Hoogte uitkering
VS = WVZ
VS > WVZ
VC < WVZ
Vollewaardeverzekering
Oververzekering
Onderverzekering,
tenzij premie risque
dekking
Volledige uitkering
Volledige uitkering
Gedeeltelijke uitkering (U=VS/WVS x S),
Volledige uitkering tot maximaal
verzekerde som
VS = verzekerde som
WVZ = waarde verzekerde zaak
S = schade
4.3. Voortaxatie.
Open polis, deze vermeldt de verzekerde som en niet de waarde van de verzekerde zaak.
Getaxeerde polis/ voortaxatie (door deskundigen/ partijen);
Naast de verzekerde som kan ook de waarde van de verzekerde zaak door verzekeraar en
verzekerde worden vastgelegd. De waarde van de verzekerde zaak wordt dan bij aanvang
van de
verzekering bepaald i.p.v. bij schade.
Partijentaxatie
- voortaxatie → verzekeraar + verzekerde;
- vaststellingsovereenkomst (ter
voorkoming/ beeindiging van een geschil,
art. 7:900 BW);
- indemniteitsbeginsel (dwingend recht) van
toepassing;
- volstaan met de dagwaarde;
- kan enkel worden aangetast indien de
verzekeraar o.b.v. de getaxeerde waarde in
een duidelijk voordeligere positie beland.
Deskundigentaxatie
- voortaxatie → deskundige;
- vaststellingsovereenkomst, echter de
verzekeraar kan deze taxatie niet aantasten
indien de verzekeraar o.b.v. de getaxeerde
waarde in een duidelijk voordelige positie
beland;
- indemniteitsbeginsel n.v.t.;
- volstaan met de taxatiewaarde;
- deskundige mag in geen enkele
maatschappelijke betrekking tot een der
partijen bestaan.
4.4. Belang.
4.4.1.Indemniteitsbeginsel
Op basis hiervan dient de schadeverzekering te strekken tot vergoeding van
vermogensschade van
de verzekerde art. 7:944 BW. Essentieel om een uitkering te ontvangen is dat dit belang
verzekerd is.
Conform art. 6:96 lid 2 BW omvat vermogensschade naast geleden verlies en gederfde winst
ook
vergoeding van kosten. De gehanteerde grens is daar waar het de verzekerde in een duidelijk
voordeligere positie zou terechtkomen art. 7:960 BW. De geleden schade mag enkel worden
gecompenseerd, meer niet.
4.4.2.Soorten belang
Belang bij een goed (zaak/ recht), art. 3:209
BW.
Belang bij
- Eigenaarsbelang (eigenaar,
erfpachter).
- Rechthebbende van een vordering
op een buitenlandse afnemer.
Bijv. goederen;
Verzekeren van subjectieve
vermogensrechten die m.b.t. het
eigendomsrecht vaak met de zaak worden
geidentificeerd o.a. opstal-, inventaris-, &
inboedelverzekering.
- Huidig vermogen; de verzekerde wenst
het vermogen te beschermen tegen
aantasting door o.a. aansprakelijkheid;
- Toekomstig inkomen, verzekeren van
de nog niet verkochte zaken.
Bijv. arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
goederentransportverzekering.
Het verzekerd belang dient te worden onderscheiden van het gevaarsobject.
Verzekerd belang, belang van de eigenaar, erfpachter of huurder van het object.
Gevaarsobject,
- stoffelijk object blootgesteld aan gedekte gebeurtenissen (brand, blikseminslag & storm,
art. 3:2
BW);
- verschillende belangen kunnen betrokken en verzekerd zijn.
- Indien het eigendomsbelang is gedekt vallen gevaarsobject en belang samen.
- Niet elke verzekering heeft een gevaarsobject o.a. de aansprakelijkheidsverzekering.
Verzekering motorrijtuigen Belang Gevaarsobject
-
- WA, motorrijtuig het middel waarmee
schade aan derden wordt veroorzaakt,
uitkering komt hen toe.
- Casco, gevaarsobject het motorrijtuig,
uitkering komt de verzekerde en
benadeelde toe.
-
- Totale vermogen
- Eigendomsrecht
motorrijtuig
-
- Geen
- Motorrijtuig
4.4.3. Tijdstip en aanwezigheid belang
Bij aanvang van de verzekering kan worden getoetst of de verzekering strekt tot vergoeding
van
vermogensschade (art. 7:944 BW). Duidelijk moet zijn welk huidig/ toekomstig belang de
verzekering dekt, het belang dient echter niet bij afsluiting van de verzekering te bestaan.
Bij de strekking tot vergoeding kan sprake zijn van:
- vermogensschade (schadeverzekering), het verzekerde belang hoeft pas aanwezig te zijn
op het
schademoment;
- sommenverzekering of
- overeenkomst van spel en weddenschap.
4.4.4. Derden
Gedekt zijn enkel de belangen van de verzekerde, tenzij anders is overeengekomen (art.
7:946 BW).
In beginsel is het derden belang niet gedekt. De polisvoorwaarden kunnen hier uitsluitsel in
bieden.
Derdenbeding → indien de verzekering ook het belang van een derde verzekert (art. 6:253
BW).
Indien de derde het derdenbeding aanvaardt wordt het derdenbeding onherroepelijk (art.
6:253 lid 2
BW) en krijgt de derde een recht op uitkering bij een gedekte gebeurtenis. Daarnaast geldt
hij als
partij bij de overeenkomst (artt. 6:253 lid 2 en 6:254 BW). Indien in de polisvoorwaarden
vermeld,
wordt de derde ook schuldenaar bij premiebetaling.
Artikel 253 boek 6
1. Een overeenkomst schept voor een derde het recht een prestatie van een der partijen te vorderen of op
andere wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een beding
van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt.
2. Tot de aanvaarding kan het beding door degene die het heeft gemaakt, worden herroepen.
3. Een aanvaarding of herroeping van het beding geschiedt door een verklaring, gericht tot een van de beide
andere betrokkenen.
4. Is het beding onherroepelijk en jegens de derde om niet gemaakt, dan geldt het als aanvaard, indien het ter
kennis van de derde is gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen.
Aanvaarding;
- middels een verklaring gericht tot een der betrokkenen (verzekerde/ verzekeraar) art.
6:253 lid 3
BW;
- hoeft niet uitdrukkelijk te geschieden, art. 3:37 lid 1 BW;
- als het beding onherroepelijk is en jegens derde om niet (zonder tegenprestatie) geldt het
als
aanvaard mits de derde hiervan op de hoogte is gebracht en dit niet heeft afgewezen, art.
6:253
lid 4 BW;
- dient bij uitzondering middels een verklaring te geschieden.
- Indien het derdenbeding nog niet is aanvaard, kan het in beginsel worden gewijzigd door
de
verzekerde. De verzekerde kan het derdenbeding slechts wijzigen m.b.v. de verzekeraar of
de
derde (art. 7:947 BW). Herroeping kan buiten de derde om gaan, na gevallen schade is dit
echter
niet meer mogelijk. Dit ter voorkoming van het benadelen van de derde.
M.b.t. gemeenschappelijk bezit (huwelijk/ geregistreerd partnerschap) is een bijzondere
regeling is
van kracht, zie art. 7:946 lid 2 dit m.b.t. art. 7:946 lid 1 BW. Anders zou degene welke het
huis
(gemeenschappelijk bezit) heeft verzekerd enkel het belang van de verzekerde dekken en
niet van
de partner.
Artikel 946 boek 7
1. De overeenkomst dekt slechts belangen van de verzekeringnemer, tenzij anders is overeengekomen.
2. Indien ingevolge een huwelijk of geregistreerd partnerschap een zaak in een gemeenschap valt, zijn bij een
verzekering van die zaak de deelgenoten voor hun belang verzekerde.
4.5. Waardebegrippen
4.5.1.Herbouwwaarde en verkoopwaarde
Een gebouw is verzekerd naar zijn herbouwwaarde (bedrag nodig voor herbouw,
onmiddellijk na de
gebeurtenis), andere zaken naar hun vervangingswaarde, art. 7:956 BW → regelend recht.
Vaak staat in de polisvoorwaarden dat indien niet tot herbouw wordt overgegaan,
schadevergoeding
plaatsvindt o.b.v. de verkoopwaarde. Op basis van de locatie van de opstal kan er, tussen
herbouwen
verkoopwaarde, een aanzienlijk verschil bestaan.
4.5.1. Nieuwwaarde en dagwaarde
- Nieuwwaarde
Bedrag nodig voor het verkrijgen van nieuwe zaken van dezelfde soort en kwaliteit.
Zaken waarvan de dagwaarde < 40% van de nieuwwaarde vormen hierop een gebruikelijke
uitzondering. De verzekeraar keert dan de dagwaarde uit.
- Dagwaarde
De nieuwwaarde onder aftrek van een bedrag wegens waardevermindering door
veroudering of
slijtage.
- Vervangingswaarde
Benodigd bedrag ter verkrijging van naar soort, kwaliteit, hoeveelheid, staat en ouderdom
gelijkwaardige zaken.
4.5.2. Vaststelling verzekerde som
Meestal is bij verzekering van het eigenaarsbelang de verzekerde som gelijk aan de waarde
van de
verzekerde zaak. De waarde van de verzekerde zaak is afhankelijk van het gehanteerde
waardebegrip. De verzekerde dient na te gaan of met dit waardebegrip het verzekerde
belang
volledig wordt afgedekt.
Het gehanteerde waardebegrip en de functie van de zaak dienen overeen te komen.
Indien er geen sprake is van een verzekerde zaak (aansprakelijkheidsverzekering) dan wordt
de
verzekerde som vaak afgestemd op de grootste schade welke normaliter te verwachten is.
4.5.3. Vaststelling uitkering
De hoogte van de uitkering is mede afhankelijk van het gebruikte waardebegrip in de
polisvoorwaarden.
5. Dekking
5.1.1.Wijzen van dekkingsomschrijving
De dekkingsomschrijving weergeeft welke risico’s de verzekeraar tegen premiebetaling
overneemt.
In de polisvoorwaarden moet de verzekeraar aangeven welke risico’s zijn afgedekt. Dit mag
echter
niet in strijd zijn met wettelijke voorschriften zoals het discriminatieverbod, art. 1 Grondwet.
Globaal gezien zijn er drie vormen van dekkingsomschrijving te onderscheiden:
1. Alles gedekt, tenzij
nadrukkelijk uitgesloten;
2.Niets gedekt, tenzij
uitdrukkelijk ingesloten;
3.Uitdrukkelijk ingesloten &
uitdrukkelijk uitgesloten;
- Komt amper voor.
- Variant → verzekeraar
dekt een bepaald risico
(brand/
arbeidsongeschiktheid)
ongeacht de oorzaak,
tenzij uitdrukkelijk is
uitgesloten.
- verzekerde → bewijzen
dat er sprake is van een
gedekte gebeurtenis
- verzekeraar → uitsluiting
bewijzen.
- Het risico van
onbekende risico’s ligt
grotendeels bij de
verzekerde.
- Enkel de verzekerde
risico’s zijn afgedekt.
- De verzekerde dient te
bewijzen dat er sprake
is van een gedekte
gebeurtenis
- Het risico van onbekende
risico’s ligt grotendeels bij de
verzekerde.
- Meest gangbare vorm.
- Polis vermeld eerst expliciet
de gedekte risico’s en
vervolgens de uitsluitingen.
- De verzekerde dient te
bewijzen dat er sprake is van
een gedekte gebeurtenis, de
verzekeraar moet uitsluiting
bewijzen.
De dekkingsomschrijving is van invloed op de bewijslast die de verzekeraar of verzekerde
draagt.
Hoofregel bewijsrecht: ‘wie stelt, bewijst’ art. 150 Rv.
5.1.2. Opstellen van dekkingsomschrijving
Een verzekeringsovereenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding.
De verzekeringsvoorwaarden kunnen worden opgesteld door:
Verzekeraar
(maatschappijpolis)
Verzekeraars en
tussenpersonen op de beurs
(beurspolis)
Tussenpersoon/
makelaar (makelaarspolis)
- Polisvoorwaarden worden
eenzijdig door de verzekeraar
opgesteld.
- Bij vergelijking dient gelet te
worden op prijs en dekking.
- Meestal standaardvoorw.
opgesteld door verzekeraars
en tussenpersonen conform
(VNAB)
- Bij tekstuele voorwaarde
verschillen zijn de
voorwaarden van de NBUG
van kracht.
- Polisvoorwaarden
opgesteld door de
tussenpersoon (makelaar)
o.b.v. specifieke
clientbehoeften.
- Wordt ook op de beurs
gebruikt.
5.2. Wettelijke uitsluitingen.
5.2.1. Aard of gebrek van de verzekerde zaak (art. 7:951 BW).
De verzekeraar vergoedt geen schade aan een verzekerde zaak indien die is
veroorzaakt
door de aard of een gebrek van die zaak, art. 7:951 BW.
De uitsluiting ‘aard of gebrek van de zaak’ spreekt over ‘een verzekerde zaak’ en is daarom
uitsluitend van toepassing op verzekering met een gevaarsobject. Het is niet van toepassing
op:
- de persoonsverzekering en
- de aansprakelijkheidsverzekering
Het ‘eigen gebrek’ dient de verzekerde zaak te betreffen.
5.2.2. Opzet en roekeloosheid (art. 7:952 BW).
De verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of
door
roekeloosheid heeft veroorzaakt (art. 7: 952 BW).
Bij beoordeling van dit risico kan de verzekeraar ervan uitgaan dat de verzekerde niet zozeer
tekort
schiet in voorkoming van de schade waardoor sprake is van opzet of roekeloosheid.
Schade welke is aan te merken als opzet en roekeloosheid dient niet meer voor rekening van
de
verzekeraar te komen.
Roekeloosheid Opzet
- Een in lakbaarheid aan opzet grenzende
schuld, echter geen bewuste
roekeloosheid.
- Bij bewuste en onbewuste roekeloosheid
kan uitkering worden geweigerd.
- De verzekeraar hoeft slechts
roekeloosheid te stellen en zo nodig te
bewijzen.
- In geval van een geestesstoornis is er geen
sprake van roekeloosheid, art. 7:952 BW
is dan niet van kracht.
- Het willens en wetens handelen waardoor
het gevolg intreedt.
- Iedere vorm van opzet (beperkt of
onbeperkt) wordt hieronder begrepen.
- Bij opzet kan de uitkering worden
geweigerd.
- Grens tussen opzet en roekeloosheid is
nauwelijks van belang
De uitsluiting van opzet en roekeloosheid is niet op alle schadeverzekeringen van toepassing
bijv.
aansprakelijkheidsverzekering; zowel roekeloos gedrag als voorwaardelijke opzet kan leiden
tot
aansprakelijkheid, terwijl deze verzekering hierin juist dekking beoogt te bieden.
Verzekering van zwaardere graden van opzet is in strijd met de openbare orde en goede
zeden en
daarmee nimmer gedekt (art. 3:40 BW). De uitsluiting van art. 7:952 BW heeft voor deze
graden
geen functie.
Bij een aansprakelijkheidsverzekering kunnen feiten en omstandigheden die niet toereikend
zijn
voor een beroep op art. 7:952 BW van dien aard zijn dat het naar maatstaven van
redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar geacht moet worden dat de verzekerde aanspraak maakt op een
uitkering
onder de polis, art. 6:248 lid 2 BW.
Artikel 6:952 BW
De verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of
door roekeloosheid heeft veroorzaakt.
Artikel 6:248, lid 2 BW
Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van
toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Indien er sprake is van meerdere verzekerden dan treft bij opzet of roekeloosheid de andere
verzekerde geen blaam en dient de verzekeraar over te gaan tot uitkering voor zover hun
belang
strekt.
Opzet of roekeloosheid van een rechtspersoon
Indien een orgaan van een rechtspersoon roekeloos of opzettelijk handelen verricht Deze
groep
welke het handelen, kan worden toegerekend moet niet veel groter zijn dan de bestuurders
en de
beleidsbepalers.
5.2.3. Molest als wettelijke uitsluiting.
Artikel 3:38 BW
Het is een schadeverzekeraar met zetel in Nederland verboden schaden te verzekeren
veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse
onlusten, oproer of muiterij die zich in Nederland voordoen. In zee-, transport-, luchtvaarten
reisverzekeringen is het evenwel toegestaan risico’s van molest te verzekeren in de
algemeen gebruikelijke molestclausules zolang de Nederlandsche Bank daartegen geen
bedenkingen naar voren heeft gebracht.
Conform dit artikel mag de verzekeraar molest niet verzekeren. Onderscheid wordt gemaakt
tussen
klein en groot molest
5.3. In- en uitsluitingen in verzekeringsvoorwaarden
5.3.1.Aard of gebrek van de verzekerde zaak
Schade als gevolg van de aard of een gebrek van de verzekerde zaak kan, in afwijking van art.
7:951
BW, in de verzekeringsvoorwaarden geheel of gedeeltelijk worden gedekt.
Gehele dekking → alles wordt vergoedt
Gedeeltelijke dekking → gevolgschade wordt wel vergoed, eigen gebrek schade niet. Schade
veroorzaakt door slijtage, reparatie etc. wordt vergoed, echter het eigen gebrek (de slijtage,
reparatie)
wordt niet vergoed.
5.3.2. Opzet en roekeloosheid
In de polisvoorwaarden kan worden afgeweken van de wettelijke uitsluiting dat bij opzet of
roekeloosheid niet tot een uitkering wordt overgegaan.
Mogelijke afwijkingen:
- Reisverzekering, ‘geen recht op schadevergoeding bestaat indien de verzekerde niet de
normale voorzichtigheid in acht heeft genomen ter voorkoming van beschadiging aan of verlies en
diefstal van bagage, reisdocumenten, geld en of cheques’.
Schade a.g.v. een lichte vorm van schuld/ roekeloosheid wordt hiermee uitgesloten.
- Aansprakelijkheidsverzekering, de verzekeraar kan alle graden van opzet en zelfs
roekeloosheid uitsluiten (het laatste is ongebruikelijk). Deze verzekering dekt echter niet alle
graden van opzet zie art. 3:40 BW.
Zowel het strafrecht als het verzekeringsrecht kent dezelfde vier opzetgraden te weten:
• opzet als oogmerk (met bedoeling)
• opzet als noodzakelijkheids-/ zekerheidsbewustzijn;
• Voorwaardelijke opzet:
• opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn;
• opzet als mogelijkheidsbewustzijn.
Opzet
• Roekeloosheid: bewust/ onbewust;
• Lichte schuld: Schuld bewust/ onbewust.
Middels een opzetclausule tracht de aansprakelijkheidsverzekeraar dekking voor opzettelijke
schades
te beperken tot verzekerbare gevallen.
Klassieke opzetclausule: ‘uitgesloten is aansprakelijkheid voor schade die door de
verzekerde
opzettelijk is veroorzaakt’.
Veelal gebruikte AVP-opzetclausule: ‘Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde
voor
schade veroorzaakt door en/of voortvloeiend uit zijn/ haar: a. opzettelijke en tegen een
persoon of
zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten; (….)’. Aansprakelijkheid voor roekeloos
gedrag
wordt ingesloten, voor opzettelijk handelen wordt uitgesloten, ongeacht of de gevolgen van
het
handelen beoogt, noodzakelijk, waarschijnlijk of mogelijk waren. Alle gradaties van opzet zijn
van
dekking uitgesloten.
5.3.3. Molest als polisuitsluiting
Kleinmolestrisico’s mogen worden verzekerd. Het terrorisme risico is echter beperkt
vanwege het
clausuleblad terrorismedekking. De uitkering is beperkt tot het bedrag dat de verzekeraar
onder
herverzekering ontvangt.
5.4. Uitleg verzekeringsvoorwaarden
5.5.1.Begripsomschrijving
Door de verzekeringsvoorwaarden zo helder en precies mogelijk te formuleren tracht de
verzekeraar
uitlegproblemen te voorkomen. In dit kader kunnen begripsomschrijvingen worden
opgenomen.
5.5.2. Haviltex-regel
‘De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract
een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van
alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de
beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven
omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en
op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan
mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke
rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht’.
Het gaat hier om een beoordeling van de zin die partijen aan een bepaling mochten
toekennen en op
hetgeen zij wat dat betreft op dat moment van elkaar mochten verwachten
Contra proferentemregel
Indien de betekenis van een voorwaarde onduidelijk is vindt uitleg in het voordeel van de
consument plaats, art. 6:238 lid 2 BW. Bij een overeenkomst in de zin van artt. 6:236 en 237
BW
dienen bedingen duidelijk en begrijpelijk te zijn opgesteld. Bij twijfel prevaleert (geldt) de
voor de
wederpartij gunstigste uitleg.
5.5.3. cao-regel
Bij de cao-regel is de betekenis welke naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen
waarin
de cao is opgesteld van belang.
6. Premie
6.1. Premiebetaling
6.1.1. Premiebetaling verzekeringnemer
Bij schadeverzekering is er sprake van een premiebetalingsverplichting voor de
verzekeringnemer (in
beginsel verplicht de premie te betalen aan de verzekeraar). Ondanks dat deze
betalingsverplichting
op de verzekeringnemer rust mag dit ook door een derde betaald worden, art. 6:30 BW.
De schadeverzekering is een wederkerige overeenkomst conform art. 6:261 BW. Op beide
partijen
rusten een of meer verplichtingen (ruilkarakter). Van toepassing hierop is 6.5.5. BW
(wederkerige
overeenkomsten) voor zover daarvan niet wordt afgeweken in titel 7.17 BW (verzekering).
Indien de polis geen tijdstip van premiebetaling vermeld, kan nakoming direct worden
gevorderd
door de verzekeraar, art. 6:28 BW. De verzekeraar/ tussenpersoon kan bij vaststelling van
een
premiebetalingstijdstip (tijdsbepaling art. 6:39 BW) de premie in beginsel niet voor de
vervaldag
vorderen. Betaling kan vooraf/ achteraf per maand, kwartaal of jaar plaatsvinden. Naheffing/
restitutie kunnen aan de orde zijn.
De ziektewet is van toepassing bij een jaarcontract waarbij de zieke > 3 maanden ziek is.
6.1.2. Premie-incasso (verzekeraar/ tussenpersoon)
O.b.v. de polisvoorwaarden betaalt de verzekeringnemer premie aan:
- de verzekeraar;
- de tussenpersoon conform polis overeenkomst (geen regeling);
- de tussenpersoon conform polis overeenkomst (wel een regeling).
Tussenpersoon
Tussenpersoon
I. Betaling aan tussenpersoon zonder regeling in verzekeringsovereenkomst
Girale betaling middels tussenpersoon, art. 4:104 Wft. De verzekeraar incasseert bij de
tussenpersoon. Hierdoor is de verzekeringsschuld van de verzekeringnemer nog niet
voldaan.
Er is slechts ogenschijnlijk aan voldaan art. 6:30 BW. Bij oninbare premie moet dit binnen de
gestelde termijn door de tussenpersoon worden gemeld aan de verzekeraar. Anders kan er
geen
aanspraak gemaakt worden op terugboeking van de reeds betaalde premie. Deze premie
kan dan
o.b.v. zaakwaarneming op de verzekeringnemer worden verhaald artt. 6:30 en 6:200 BW.
Rechtstreekse girale betaling, bevrijdend, art. 6:114 BW.
De verzekeraar verzorgt zelf de incasso (afwijking op art. 4:104 Wft)
Verzekeringnemer Verzekeraar
Verzekeringnemer Verzekeraar
Verzekeringnemer Verzekeraar
Girale betaling Rekg. cour. zonder regeling verz. ovk.
Girale betaling Rekg. cour. met regeling verz. ovk.
I
II
Art. 6: 83 onder c BW
Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:
c. wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de
nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
Art. 7: 934 BW
Het niet nakomen van de verplichting tot betaling van de vervolgpremie kan eerst leiden tot
beëindiging of schorsing van de verzekeringsovereenkomst of de dekking, nadat de schuldenaar
na de vervaldag onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling vruchteloos is
aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning.
De eerste zin geldt niet voor het geval bedoeld in artikel 83, onder c, van Boek 6.
II. Betaling aan tussenpersoon met regeling in verzekeringsovereenkomst
In de polisvoorwaarden kan sprake zijn van een delcrederebeding (de tussenpersoon staat in
voor
de kredietwaardigheid van de verzekeringnemer voor rekening van de opdrachtgever. Het is
voor
de opdrachtgever een garantie dat hij niet met een wanbetaler wordt opgezadeld).
Wanbetaling
door de verzekeringnemer kan niet tot schorsing van de dekking leiden. De tussenpersoon
loopt
het risico dat de verzekeringnemer niet betaalt.
6.1.3. Verrekening door verzekeraar
Dit kan door:
- de verzekeraar;
Als voorwaarde dienen partijen over en weer elkaars schuldeisers te zijn, art. 6:127 BW.
Indien de
uitkering een ander dan de verzekeringnemer toekomt, zou er in dat geval geen verrekening
plaats
kunnen vinden. Middels art. 7:935 wordt bewerkstelligd dat de verzekeraar de premie kan
verrekenen met de uitkering ook indien niet wordt uitgekeerd aan verzekeringnemer/
verzekerde.
Dit geldt niet voor verzekeringen aan toonder/ order. Achterstallige premie van overige
verzekeringen waarvan de uitkering wordt gedaan kunnen worden verrekend,
art. 6:127 lid 2 BW. Dit geldt niet bij aansprakelijkheidsverzekeringen (i.v.m. dwingend recht
art.
7:935 lid 2 BW), de gedupeerde zou anders opdraaien voor de kosten van de veroorzaker.
- de tussenpersoon via de verzekeraar;
De tussenpersoon kan middels het delcrederebeding de premie op zich nemen. Premie
verrekening is mogelijk bij achterstallige premie, art. 7:936 BW. Van belang is dat de
verzekeringnemer de tot uitkering gerechtigde is. Ook hier geldt dat overige achterstallige
premies kunnen worden verrekend. De verzekeraar die wil uitkeren is verplicht om de
tussenpersoon te vragen binnen tien dagen het achterstallige premiebedrag door te geven,
art.7:936 lid 3 BW. Indien dit niet binnen deze 10-dagen termijn gebeurd kan de verzekeraar
de
uitkering zonder inhoudingen doen.
Uitzonderingen op deze wijze van verrekening, art.7:936 lid 4 en 5 BW waarmee belangen
van derden
worden beschermd:
- verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen, art. 7:936 lid 4 onder b BW;
verrekening van achterstallige premie wordt bij verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen
geheel
uitgesloten.
Art.7:936 lid 4 & 5
4. De leden 2 en 3 missen toepassing:
a. bij verzekeringen die aan toonder of order zijn gesteld, tenzij de verzekeringnemer tot
de uitkering is gerechtigd;
b. bij verplichte aansprakelijkheidsverzekering.
5. Het in lid 2, tweede zin, bepaalde mist bovendien toepassing:
a. indien op het recht op uitkering een pandrecht rust als bedoeld in artikel 229 van Boek
3, of een voorrecht als bedoeld in artikel 283 van Boek 3;
b. bij onverplichte verzekering tegen aansprakelijkheid.
- onverplichte aansprakelijkheidsverzekeringen;
in art. 7:936 lid 4 onder b BW wordt de verruimde verrekeningsbevoegdheid voor
achterstallige
premie en kosten m.b.t. andere verzekeringen uitgesloten bij onverplichte
aansprakelijkheidsverzekeringen (AVB en AVP). Wel is verrekening van achterstallige premie
met
de uitkering op grond van dezelfde aansprakelijkheidsverzekering mogelijk,
Art. 7: 935 BW
1. De verzekeraar kan hetgeen hij schuldig is aan de tot uitkering gerechtigde die geen
schuldenaar van de premie is, verrekenen met opeisbare premie voor dezelfde
verzekering, de schade wegens vertraging in de voldoening daarvan en de kosten, bedoeld
in artikel 96 lid 2, onder c, van Boek 6. De eerste zin geldt niet bij verzekeringen die aan
toonder of order zijn gesteld.
2. Bij een verzekering tegen aansprakelijkheid kan de verzekeraar in afwijking van artikel 127
lid 2 van Boek 6 geen andere premie, schade en kosten als bedoeld in lid 1 verrekenen met
hetgeen hij aan de tot uitkering gerechtigde schuldig is, dan die ter zake van dezelfde
verzekering.
- vordering van een hypotheekhouder;
in art. 7:936 lid 5 onder a BW wordt o.a. de hypotheekhouder ontzien, die op grond van art.
3:229 BW een stil pandrecht heeft verkregen op een vordering tot uitkering van de schade
aan de
opstal. De tussenpersoon kan uitsluitend de achterstallige premie voor de opstalverzekering
verrekenen met de uitkering.
Art. 3: 229 BW
1. Het recht van pand of hypotheek brengt van rechtswege mee een recht van pand op alle
vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden, waaronder
begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed.
2. Dit pandrecht gaat boven ieder op de vordering gevestigd ander pandrecht.
- de tussenpersoon rechtstreeks.
De tussenpersoon is op grond van art. 7:936 lid 6 BW bevoegd tot verrekening, ook indien de
uitkering aan een derde verschuldigd is.
De verrekeningsbevoegdheid:
_ vloeit niet voort uit art.6:127 lid 2 BW daar de derde de premie niet verschuldigd is aan de
tussenpersoon;
_ strekt niet verder dan hetgeen waarop de tussenpersoon krachtens art.7:936 lid 2,4 en
5BW
tegenover de verzekeraar aanspraak had kunnen maken.
6.2. Gevolgen van niet betaling
6.2.1. Schorsing dekking (aanmaningsverplichting).
Dit kan o.b.v. art. 7:934 BW (dwingend recht voor consumentenverzekeringen).
Bij zakelijke verzekeringen kunnen de polisvoorwaarden anders bepalen. Binnen de grenzen
van de
redelijkheid en de billijkheid kan de verzekeraar zich beroepen op een afwijkende
schorsingsbepaling, artt. 6:2 en 6:248 BW. Indien de verzekeringnemer de verschuldigde
premie
alsnog betaalt wordt de schorsing zonder terugwerkende kracht opgeheven.
Art. 7: 934 BW
Het niet nakomen van de verplichting tot betaling van de vervolgpremie kan eerst
leiden tot beëindiging of schorsing van de verzekeringsovereenkomst of de dekking,
nadat de schuldenaar na de vervaldag onder vermelding van de gevolgen van het
uitblijven van betaling vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van
14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning. De eerste zin geldt niet voor het geval
bedoeld in artikel 83, onder c, van Boek 6.
- schorsing dekking (7:934 BW);
- nakoming, ontbinding, opzegging.
De aanmaning dient na de vervaldag te geschieden met als gevolg dat de verzekeringnemer
voor de
2e maal herinnerd wordt aan zijn betalingsverplichting. Als uitzondering hierop is art. 6:83
onder c
BW (intreden verzuim zonder ingebrekestelling (mededeling schuldenaar van niet tijdig
betalen)).
6.2.2. Nakoming, ontbinding en opzegging
_ Nakoming → kan in beginsel altijd worden gevorderd.
_ Ontbinding;
- er dient aan de vereisten van art. 6:265 BW te zijn voldaan;
- er dient rekening te worden gehouden met art. 7:934 BW (dwingend recht →
consumenten);
- pas mogelijk als de verzekeraar de verzekeringnemer vruchteloos heeft aangemaand tot
betaling, binnen 14 dagen na de aanmaning;
- daar de polisvoorwaarden voldoende alternatieven biedt wordt door de verzekeraar
meestal
geen gebruik gemaakt van ‘ontbinding’ bij niet betaling;
- heeft niet tot gevolg dat meerdere uitkeringen en premiebetalingen moeten worden
terugbetaald art. 6:271 BW;
- gelet op art. 7:934 BW kan er in geval van niet-betaling enkel sprake zijn van gedeeltelijke
ontbinding m.b.t. de toekomst art. 6:270 BW
Afdeling 5 Wederkerige overeenkomsten
Art. 6: 265 BW
1. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan
de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij
de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar
gevolgen niet rechtvaardigt.
2. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot
ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is.
Art. 6:270 BW
Een gedeeltelijke ontbinding houdt een evenredige vermindering in van de wederzijdse prestaties in
hoeveelheid of hoedanigheid.
Art. 6:271 BW
Een ontbinding bevrijdt de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze
reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor
partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties.
_ Opzegging;
- boek 3 en 6 BW (algemene wettelijke regeling) vermelden geen opzeggingsrecht, art.
7:940BW biedt deze mogelijkheid wel;
- de bevoegdheid van tussentijdse opzegging moet zijn bedongen, art. 7:940 lid 3 BW;
- pas mogelijk als de verzekeraar de verzekeringnemer vruchteloos heeft aangemaand tot
betaling, binnen 14 dagen na de aanmaning;
Art. 7: 940 BW
1. Bij opzegging tegen het einde van een verzekeringsperiode teneinde verlenging van de
overeenkomst te verhinderen, wordt een termijn van twee maanden in acht genomen.
2. De verzekeringnemer en, tenzij het een persoonsverzekering betreft, de verzekeraar kunnen
een overeenkomst die is aangegaan voor een periode van meer dan vijf jaar, of die voor zulk
een periode is verlengd, opzeggen tegen het einde van elk vijfde jaar binnen die periode.
Daarbij geldt de in lid 1 genoemde termijn.
3. Indien de verzekeraar de bevoegdheid heeft bedongen de overeenkomst tussentijds op te
zeggen, komt de verzekeringnemer een gelijke bevoegdheid toe. Tenzij jegens hem is gehandeld
met het opzet tot misleiding neemt de verzekeraar onderscheidenlijk de verzekeringnemer
daarbij een termijn van twee maanden in acht. Indien een verzekering dekking biedt tegen
schade veroorzaakt door risico’s als bedoeld in artikel 3:38 van de Wet op het financieel
toezicht, kan, bij de verwezenlijking van een dergelijk risico of bij een dreiging van het
ophanden zijn daarvan, de verzekeraar onderscheidenlijk de verzekeringnemer in afwijking van
deze termijn van twee maanden, de overeenkomst met inachtneming van een termijn van
zeven dagen opzeggen. De verzekeraar kan slechts tussentijds opzeggen op in de overeenkomst
vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer
van de verzekeraar kan worden gevergd.
4. Indien de verzekeraar de voorwaarden van de overeenkomst ten nadele van de
verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde wijzigt, is de verzekeringnemer gerechtigd de
overeenkomst op te zeggen tegen de dag waarop de wijziging ingaat, en in ieder geval
gedurende één maand nadat de wijziging hem is meegedeeld.
5. De verzekeraar kan een persoonsverzekering niet beëindigen of wijzigen op grond van
verzwaring van het gezondheidsrisico, voor zover dat is gelegen in de persoon van degeen, die
de verzekering betreft.
6. De verzekeringnemer kan de overeenkomst steeds langs elektronische weg opzeggen. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de verzending
van opzeggingen langs elektronische weg.
7. De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der StatenGeneraal is overgelegd.
Voor de overige gevolgen van niet-betaling geldt de bijzondere aanmaningsverplichting niet
van
art.7:934 BW niet.
6.3. Premierestitutie
- indien de verzekeraar in het geheel geen risico heeft gelopen, is de verzekeringnemer geen
premie verschuldigd en heeft hij recht op premierestitutie indien de premie reeds is voldaan,
art.7:938 lid 1 jo. art. 203 BW;
- de verzekeraar heeft wel recht op een redelijke vergoeding van zijn kosten (m.n. voor
langlopende verzekeringen);
- het opzeggingsrecht bestaat ook in het geval van opzet (pag. 170 2e alinea), art.7:938 lid 2
BW;
- art. 7:938 is van regelend recht, de verzekeraar kan afwijken van premierestitutie,
beperkingen
i.v.m. de redelijkheid en de billijkheid worden door de rechter bepaald, artt. 6:2 en 6:248
BW;
- de verzekeringsnemer heeft wettelijk geen recht op premierestitutie indien naar tijd
slechts
gedeeltelijk risico is gelopen;
- bij tussentijdse beeindiging heeft de verzekeringnemer recht op premierestitutie
(dwingend
rechtelijk karakter art.7:939 BW). Er is dan sprake van vermindering naar billijkheid, naast
provisie ne administratiekosten is het tijdsverloop van belang.
- Bij misleiding bestaat geen recht op premierestitutie
Art. 7:938BW
1. Behoudens het geval van opzet van de verzekeringnemer of de derde, bedoeld in artikel 928 lid
2 of lid 3 om de verzekeraar te misleiden is geen premie verschuldigd indien in het geheel geen
risico is gelopen. Indien over een vol verzekeringsjaar geen risico is gelopen, is over dat jaar
geen premie verschuldigd. De verzekeraar heeft recht op een billijke vergoeding van de te
zijnen laste gekomen kosten.
2. Gedurende één maand na afloop van een vol verzekeringsjaar waarin geen risico is gelopen,
mag elke partij de overeenkomst met ingang van het nieuwe verzekeringsjaar opzeggen. Deze
opzegging heeft geen rechtskracht, indien risico is gelopen tussen de aanvang van het nieuwe
verzekeringsjaar en de opzegging.
3. Is slechts risico gelopen over een kleiner aantal zaken of een kleinere hoeveelheid dan was
verzekerd, dan zijn de leden 1 en 2 van toepassing voor zover geen risico is gelopen.
Regelend recht
6.4. Assurantiebelasting
Dot wordt geheven op verzekeringen waarvan het risico in Nederland is gelegen. De ligging
wordt
beoordeeld o.b.v. de verzekeringnemer als de verzekerde zaak. Bepaalde verzekeringen zijn
vrijgesteld van assurantiebelasting. De belasting wordt geheven over de premie en de
poliskosten.
7. Wijzigingen
7.1. Wijzigingen premie en voorwaarden
En bloc-clausule: ‘De verzekeraar heeft het recht bedongen om de premie en voorwaarden
voor alle verzekeringen of een bepaalde groep verzekeringen eenzijdig te wijzigen’.
Deze clausule kan op grond van de feiten en omstandigheden van het geval naar maatstaven
van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. De verzekeraar moet kunnen aantonen dat
de
feiten en omstandigheden, mede gelet op de belangen van de verzekerden, de wijziging
voldoende
rechtvaardigen en dat deze wijziging een proportionele maatregel is.
Bij eenzijdige wijziging door de verzekeraar heeft de verzekeringnemer het opzeggingsrecht
(dwingend recht consumenten verzekeringen, art. 7:940 lid 4 BW vgl. art. 6:237 onder c BW.
Het opzeggingsrecht kan enkel bij wijzigingen ten nadele van de verzekeringnemer.
Bij twee uitzonderingen bestaat geen opzeggingsrecht te weten:
- verhoging o.b.v. een overeengekomen indexering en
- de indexclausule.
Art. 6: 237 onder c BW
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt
in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de
algemene
voorwaarden voorkomend beding
c. dat de gebruiker de bevoegdheid verleent een prestatie te verschaffen die wezenlijk van de
toegezegde prestatie afwijkt, tenzij de wederpartij bevoegd is in dat geval de overeenkomst te
ontbinden;
Art. 7: 940 lid 4 en 5 BW
4. Indien de verzekeraar de voorwaarden van de overeenkomst ten nadele van de verzekeringnemer
of
de tot uitkering gerechtigde wijzigt, is de verzekeringnemer gerechtigd de overeenkomst op te
zeggen tegen de dag waarop de wijziging ingaat, en in ieder geval gedurende één maand nadat de
wijziging hem is meegedeeld.
5. De verzekeraar kan een persoonsverzekering niet beëindigen of wijzigen op grond van verzwaring
van het gezondheidsrisico, voor zover dat is gelegen in de persoon van degeen, die de verzekering
betreft.
7.2. Wijziging risico
Bij totstandkoming van de verzekering heeft de verzekeringnemer een mededelingsplicht.
Indien tijdens de looptijd het aanvankelijke risico wijzigt kan de verzekeraar geen beroep
doen op
artt.7:928, 7:929 en 7:930 BW.
Bij een persoonsverzekering (aanvullende zorgverzekering) heeft de verzekeraar niet het
recht om
de verzekering te beeindigen o.b.v. een verzwaard gezondheidsrisico, art. 7:940 lid 5 BW. Er
kan dus
niet ten nadele van de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken (dwingend recht).
De verzekeraar kan zich op drie mogelijkheden tegen risicoverzekering afdekken:
1. middels een risico-omschrijving een risicoverzwaring van de dekking uitsluiten;
2. de verzekeringnemer een mededelingsplicht betreffende risicoverzwaring opleggen;
3. een garantie (ontbindende voorwaarde, artt. 6:22 BW) opnemen. Beroep op deze
garantie kan
onaanvaardbaar zijn of de clausule kan onredelijk bezwarend zijn, artt. 6:2, 248 en 237
onder h
BW. Belangrijk is dat er sprake moet zijn van voldoende causaal verband tussen de
schadeoorzaak en het niet-nakomen van de garantie.
7.3. Wijziging belanghebbende
7.3.1. Overgang onder algemene titel, art. 3:80 BW;
- de rechtpositie van de voorganger wordt voortgezet;
- met name aan de orde bij erfopvolging;
- verzekeraar en erfgenaam hebben het recht om na 1 maand op te zeggen (moet binnen 9
maanden gebeuren);
- van toepassing zijn artt.4:182; 6:249; 7:17 & 7:950 BW.
Art. 3:80 lid 3 BW
Men verkrijgt goederen onder bijzondere titel door overdracht, door verjaring en door onteigening,
en voorts op de overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging.
7.3.2. Overgang onder bijzondere titel, art. 6:251 BW.
- de verkrijger neemt een of meer bepaalde goederen van de vervreemder over;
- in beginsel gaan de verplichtingen niet op de verkrijger over;
- meest voorkomende titel → overdracht, art. 3:80 lid 3 BW;
- conform de algemene wettelijke regeling gaan
Art. 6:251 BW
1. Staat een uit een overeenkomst voortvloeiende, voor overgang vatbaar recht in een zodanig
verband
met een aan de schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij
het goed behoudt, dan gaat dat recht over op degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt.
2. Is voor het recht een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat de verplichting tot het verrichten
van die tegenprestatie mede over, voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang.
De vervreemder blijft naast de verkrijger jegens de wederpartij aansprakelijk, behoudens voor zover
deze zich na de overgang in geval van uitblijven van de tegenprestatie van haar verbintenis kan
bevrijden door ontbinding of beëindiging van de overeenkomst.
3. Het in de vorige leden bepaalde geldt niet, indien de verkrijger van het goed tot de wederpartij bij
de
overeenkomst een verklaring richt dat hij de overgang van het recht niet aanvaardt.
4. Uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen, kan voortvloeien dat geen overgang
plaatsvindt.
Wijziging
belanghebbende
Overgang onder algemene titel.
Alle rechten en plichten gaan over op de verkrijger, art. 3:80 BW.
Overgang onder bijzondere titel
De verkrijger neemt een of meer bepaalde goederen van de
vervreemder over.
Kwalitatieve rechten (zolang de goederen in eigendom zijn) gaan op
de verkrijger over, art. 6:251 BW.
Volgens art. 6:251 lid 4 BW kunnen de vervreemder (verkoper) en de verkrijger bepalen dat
de verzekering niet overgaat.
De verkrijger kan eenzijdig middels een mededeling aan de verzekeraar de overgang
voorkomen.
Wettelijke regeling ‘verzekering volgt belang bij’ bij overgang onder bijzondere titel, art.
7:948 BW:
Art. 7:948 BW (regelend recht),
de rechten en verplichtingen uit de verzekering gaan over op de verkrijger.
De overgang van de verzekering wordt gekoppeld aan de overgang van het risico.
Met de overgang van het risico gaat de verzekering over.
Bij koop, ruil, levering onder eigendomsvoorbehoud en huurkoop gaat het risico eerder over,
art.7:10; 7:50; 3:93 en 7A:1576m BW.
Art. 7:948 is n.v.t.:
- op rechten (vordering op naam bij een kredietverzekering);
- op een aansprakelijkheidsverzekering inz. een bedrijfsschade verzekering;
- indien de verzekering de verkrijger aanwijst als derde, conform art.7:947 BW
(art.7:948 lid 1-4 BW zijn dan n.v.t. er is sprake van derdenbeding).
Art. 7:948 is beperkt tot overdracht van een zaak of een beperkt recht waaraan de zaak is
onderworpen. Hierdoor is dit artikel niet van toepassing op rechten (bijv. verordening op
naam).
In beginsel geldt hiervoor de algemene regeling van art. 6:251 BW.
8. Uitkering
8.1. Verplichtingen verzekeringnemer en verzekerde
1. Melden van de schade gebeurtenis aan de verzekeraar.
2. Meewerken aan de schaderegeling.
3. Beperken van de schade.
Art. 7: 941 BW
1. Zodra de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde van de verwezenlijking van het risico op
de hoogte is, of behoort te zijn, is hij verplicht aan de verzekeraar de verwezenlijking te melden.
Dit geschiedt zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is.
2. De verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde zijn verplicht binnen redelijke termijn de
verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn
uitkeringsplicht te beoordelen.
3. Indien door de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 of 2 niet is
nagekomen, kan de verzekeraar de uitkering verminderen met de schade die hij daardoor lijdt.
Overgang belang onder bijzondere titel
Verzekering vervalt na 1 maand
Tenzij de verzekerde binnen deze maand aan verzekeraar verklaart de
verzekering voort te zetten.
Verzekeraar kan binnen twee maanden na deze verklaring de verzekering
opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand.
4. De verzekeraar kan het vervallen van het recht op uitkering wegens niet-nakoming van een
verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 slechts bedingen voor het geval hij daardoor in een
redelijk belang is geschaad.
5. Het recht op uitkering vervalt indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een
verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te
misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet
rechtvaardigt.
8.1.1. Mededelingsplicht (art. 7:941 BW e.v.).
- De schadegebeurtenis moet worden gemeld aan de verzekeraar art. 7:941 BW.
- De zorgverzekering is hierop een uitzondering (de verzekerde wendt zich voor zorg tot een
hulpverlener, niet tot de verzekeraar).
- Deze plicht rust op de verzekeringnemer en op de tot uitkering gerechtigde (verzekerde) en
dient zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is te worden gedaan.
- Vanwege het dwingend rechtelijk karakter van art. 7:941 lid 1,2,4 en 5 BW kan niet ten
nadele
van de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken.
- Een mededeling kan in elke vorm geschieden art. 3:37 BW, vaak vraagt de verzekeraar om
een
schriftelijke bevestiging.
- Niet nakoming heeft de wettelijke sanctie, art. 7:941 lid 3 BW als gevolg.
- Opzet heeft de wettelijke sanctie, art. 7:941 lid 5 BW als gevolg.
- Indien de verzekeraar door niet nakoming is geschaad, art. 7:941 lid 4 BW kan zij bedingen
dat
het recht op uitkering vervalt.
8.1.2. Medewerkingsplicht (art. 7:941 lid 2 BW, dwingend recht).
- Er kan niet ten nadele van de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken.
- Sancties op niet-nakoming zijn hetzelfde als van de mededingingsplicht, art.7:941 lid 3,4 &5
BW.
- Indien de verzekerde zijn aansprakelijkheid erkent of aangeeft (bijv. te hard rijden) mag de
verzekeraar hieraan geen negatieve gevolgen verbinden.
Dit is ook van toepassing indien de erkenning juist is, art. 7:953 BW.
8.1.3. Schadebeperkingsplicht (art. 7:957 BW).
Art. 7: 957 BW
1. Zodra de verzekeringnemer of de verzekerde van de verwezenlijking van het risico of het
ophanden
zijn daarvan op de hoogte is, of behoort te zijn, is elk hunner, naar mate hij daartoe in de
gelegenheid is, verplicht binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen, die tot voorkoming of
vermindering van de schade kunnen leiden.
2. De verzekeraar vergoedt de kosten aan het nemen van de in lid 1 bedoelde maatregelen
verbonden,
en de schade aan zaken die daarbij worden ingezet.
3. Indien de verzekerde de in lid 1 bedoelde verplichting niet is nagekomen, kan de verzekeraar de
uitkering verminderen met de schade die hij daardoor lijdt.
Schadebeperkingsplicht
(art. 7:957 BW).
De verzekeringnemer of de verzekerde moet redden wat er te
redden valt, ook indien hij verzekerd is voor de schade.
De verzekeraar is verplicht om de kosten en de schade van de
beredding (bereddingskosten) te vergoeden omdat deze
inspanning mede in zijn belang geschiedt. Deze plicht is n.v.t.
voor verzekerden t.o.v. een zorgverzekeraar.
Van de bereddingsplicht moet de schadebeperkingsplicht van de benadeelde worden
onderscheiden
op grond van art. 6:96BW. Deze gemaakte kosten vallen onder de term ‘schade’. Zij worden
mits de
verzekerde aansprakelijk is en deze aansprakelijkheid is gedekt, door de
aansprakelijkheidsverzekeraar vergoed.
De schadebeperkingsplicht bestaat alleen als de verzekeringnemer/ verzekerde van de (op
handen
zijnde) verwezenlijking van het risico op de hoogte is of behoort te zijn. Deze plicht is ook
hier
afhankelijk van de verwezenlijking van het risico art.7:941 BW).
Onder de schadebeperkingsregeling vallen enkel de maatregelen:
- welke zijn getroffen met als doel om schade te voorkomen/ verminderen;
- waarbij er een redelijke verhouding is tussen de gemaakte kosten/ de opgeofferde zaken
en het
verzekerde belang. Hierbij dient er rekening te worden gehouden met de omstandigheden.
Ook indien de schadebeperkingsactiviteiten geen nut hebben gehad, is de verzekeraar
verplicht deze
activiteiten te vergoeden art. 7:957 BW. Zelfs indien deze hoger uitvallen dan de verzekerde
som,
art. 7:959 BW. Meestal wijkt de verzekeraar af van deze bepaling bijv. bij het verzekeren van
industriele en commerciele activiteiten.
Voor consumentenverzekeringen is de mogelijkheid beperkt, art.7:963 lid 6 BW, de
verzekeraar
dient minimaal de schadebeperkingskosten te vergoeden tot een bedrag gelijk aan de
verzekerde
som. Bij mislukte beredding is de verzekeraar maximaal tweemaal de verzekerde som
verschuldigd.
Bij onderverzekering wordt de vergoeding van de schadebeperkingskosten en de
schadebeperkingsschade bewerkstelligd door de onderverzekeringsregel, art. 7:958 lid 5 BW.
Art. 7:958 lid 5 BW
5. het bedrag van de verzekerde som lager is dan de waarde die aan de schadeberekening ten
grondslag ligt, wordt de vergoeding volgens de leden 2 en 4 verminderd naar evenredigheid van
hetgeen dat bedrag lager is dan de waarde.
Niet nakoming:
Art. 7:963 lid 6 BW
6. Van artikel 959 lid 1 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden
afgeweken voor zover de in dit lid bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de
verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in
de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten.
_ Bij niet-nakoming kan de verzekeraar de uitkering verminderen met de schade die hij
daardoor
lijdt, art. 7:957 lid 3 BW. De bewijslast van schade rust bij de verzekeraar.
_ Indien de verzekeringnemer en de verzekerde zijn schadebeperkingsplicht niet zijn
nagekomen
zijn zij conform art. 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk.
_ Art. 7:957 lid 3 BW geeft bij niet-nakoming een zelfstandige grondslag voor vermindering
van
de uitkering.
_ Indien niet-nakoming niet aan de verzekerde kan worden toegerekend is art. 7:957 lid 1
BW van
toepassing.
_ Niet-nakoming kan roekeloosheid opleveren, art. 7:952 BW.
8.2. Verplichtingen verzekeraar
Hoofdverplichting verzekeraar; het doen van een of meer uitkeringen indien een gedekte
gebeurtenis zich heeft voorgedaan, art. 7:925 BW
Op grond van de algemene regels van het BW is de verzekeraar verplicht te handelen in
overeenstemming met de eisen van de redelijkheid en de billijkheid, artt. 6:2 en 248 BW.
Daarnaast berusten de verplichtingen van de verzekeraar (schaderegeling) zich voornamelijk
op
zelfregulering (Gedragscode Verzekeraars en Gedragsregels personenschade in het verkeer).
8.3. Vaststelling recht op uitkering
Om tot uitkering te komen is het voor de verzekeraar van belang of er sprake is van een:
8.3.1. Geldige verzekeringsovereenkomst;
- de verzekerde moet aantonen dat er sprake is van een geldige verzekeringsovereenkomst.
8.3.2. Gedekte schadegebeurtenis
- de verzekerde moet aantonen dat de schadegebeurtenis heeft plaatsgevonden en onder de
dekking valt ook bij een all-riskdekking
- de verzekeraar dient aan te geven of wettelijke polis uitsluiting van toepassing is vanwege
schade
door een ‘gebrekkige zaak’, opzet of roekeloosheid;
8.3.3. Verzekerd belang
- de verzekerde moet aangeven en eventueel bewijzen dat hij een verzekerd belang heeft
(bewijzen dat hij schade heft geleden welke gedekt is);
- dit is ook van toepassing bij een polis aan toonder of aan order, art.7:949BW;
8.3.4. Causaal verband
- de verzekerde moet kunnen aangeven en eventueel bewijzen dat er een causaal verband is
tussen
de schadegebeurtenis en zijn schade (de schade moet door de gedekte gebeurtenis zijn
ontstaan);
- dit verband wordt bepaald door de leer van de toerekening naar redelijkheid en billijkheid,
art. 6:98 BW.
8.3.5. Omvang schade
De verzekerde dient tevens de omvang van de schade te bewijzen (§8.4)
8.3.6. Bewijslast
De hoofdregel van het bewijsrecht ‘wie stelt, bewijst’ bepaalt in beginsel op wie de
bewijslast rust,
art. 150 Rv.
Op basis van:
- de ‘redelijkheid en de billijkheid’ en
- een bijzondere geschreven of ongeschreven regel
kan de rechter van deze regel afwijken door de bewijslast om te keren.
Bewijslast is niet vereist indien:
- de tegenpartij de feiten heeft erkend art. 149 lid 1 Rv;
- het gaat om feiten of omstandigheden van algemene bekendheid of ervaringsregels.
De partij die niet de bewijslast draagt heeft de mogelijkheid om bij bewijs, tegenbewijs te
leveren,
art. 151 lid 2 Rv.
Hoofdlijnen bewijslast verzekerde en verzekeraar
Bewijslast verzekerde Bewijslast verzekeraar
Bestaan verzekeringsovereenkomst
Gedekte gebeurtenis
Aanwezigheid verzekerd belang
Causaal verband gebeurtenis – schade
Omvang uitkering
Gebreken verzekeringsovereenkomst
Schorsing dekking
Wettelijke en contractuele uitsluitingen
8.4. Vaststelling omvang uitkering
Als de verzekeraar heeft vastgesteld dat hij tot uitkering is gehouden, stelt hij de omvang
van de
uitkering vast. De regeling van vaststelling van de uitkering wordt grotendeels aan de
verzekeraar
overgelaten, artt. 7:958 en 963 BW.
De schade van de benadeelde derde wordt vastgesteld aan de hand van de wettelijke
verplichting tot
schade vergoeding.
Voor het berekenen van schade aan verzekerde zaken worden in het algemeen de volgende
methoden gehanteerd:
8.4.1. Totaalverlies: vergoeding waarde zaak
Hierbij vergoedt de verzekeraar volgens art. 7:958 BW de waarde van het verzekerde belang
bij de
‘zaak’. In beginsel is dit de waarde van de ‘zaak’ voor het intreden van de gebeurtenis.
Er is sprake van totaal verlies indien de zaak:
- is tenietgegaan;
- dusdanig is beschadigd dat zij heeft opgehouden een zaak van de verzekerde te zijn of
- buiten de macht van de verzekerde is geraakt en herkrijging niet is te verwachten.
Schade-uitkering methodes
Totaal verlies
Uitkering van de waarde die de
verzekerde zaak had onmiddelijk voor
de gebeurtenis.
Gedeeltelijke schade
Uitkering o.b.v. de
aftrekmethode
Uitkering o.b.v. de
reparatie- of herstelkosten
Uitkering o.b.v. de
rafractiemethode
Voor de uitkering is de polis van belang, hieruit moet blijken welk waarde begrip moet
worden
gehanteerd. Indien dit niet vermeld staat mag in beginsel bij een gebouw van de
herbouwwaarde
worden uitgegaan en bij andere zaken van de vervangingswaarde, art. 7:956 BW.
De waarde wordt na de gebeurtenis door experts vastgesteld. Voortaxatie kan van kracht
zijn,
daarnaast kan de polis stellen dat de schadetaxatie geldt als een vaststellingsovereenkomst
tussen
partijen. Op basis hiervan kan een onderscheid worden gemaakt in de polis:
8.4.2.Gedeeltelijke schade: aftrekmethode, vergoeding reparatie- of herstelkosten of
rafractiemethode
Polis
Open polis
O.b.v. expert rapportage wordt in onderling overleg de
waarde en uitkering vastgelegd.
Van toepassing is het indemniteitsbeginsel.
De expert rapportage geldt als een
vaststellingsovereenkomst tussen partijen, art.7:900 BW.
Tegen de vaststelling van de schade door deskundigen is
geen tegenbewijs toegelaten, art. 7:900 lid 3 BW.
Mag in strijd zijn met het indemniteitsbeginsel.
Getaxeerde polis
(voortaxatie/
deskudigentaxatie)
De verzekeraar dient de getaxeerde waarde uit te
keren, mits tot dat bedrag is verzekerd, ook als de
verzekerde hierdoor en een duidelijk voordeliger
positie geraakt.
Gedeeltelijke schade
Aftrekmethode, art.7:958 lid 4 BW;
Vergoeding van schade door de
verzekeraar bij verzekering tegen
vervanging, herbouw of nieuwwaarde
naar zijn keuze
= kosten van herstel + waardevermindering
naar verkoopwaarde ondanks herstel
= verzekerde waarde onbeschadigde zaak verkoopwaarde restanten
Vergoeding reparatie- of
herstelkosten
Soms wordt, in afwijking van de wet, een vergoeding
voor waardevermindering van de verzekerde zaak, die
niet door de reparatie ongedaan is uitgesloten.
Refractiemethode
M.n. van toepassing bij de goederentransport
verzekering. Gekeken wordt welk percentage van de
waarde verloren is gegaan.
Meestal is er hier sprake van een partijentaxatie. Het
vastgestelde percentage wordt over de getaxeerde
waarde berekend. Prijswijzigingen na vaststelling
worden zo geelimineerd.
8.4.3. Indemniteitsbeginsel en herbouwwaarde
De uitkering mag niet in strijd zijn met het indemniteitsbeginsel, art.7:960 BW. Dit is van
toepassing
indien de verzekerde bij een opstalverzekering een uitkering o.b.v. de herbouwwaarde
vordert en de
verzekeraar dit weigert i.v.m. het indemniteitsbeginsel. De verzekeraar wenst meestal niet
meer dan
een uitkering o.b.v. de lagere verkoopwaarde te verstrekken.
Van het indemniteitsbeginsel is geen sprake indien:
- de herbouwkosten de waarde van de opstal overtreffen;
- de verzekerde niet tot herbouw overgaat;
- een gebouw naar herbouwwaarde is verzekerd, wordt herbouwd en na herbouw een
andere
functie krijgt dan het oude gebouw.
Middels de keuzeclausule kan de verzekerde kiezen om al dan niet te herbouwen. Bij
herbouw
ontvangt hij een herbouwwaarde-uitkering anders ontvangt hij een verkoopwaardeuitkering.
Op deze wijze is het indemniteitsbeginsel n.v.t.
8.4.4. Eigen risico en franchise
Eigen risico,
De meeste verzekeringen hebben een eigen
risico, wat in mindering wordt gebracht op het
schadebedrag. Bij schade boven de verzekerde
som keert de verzekeraar de volledige som uit.
Franchise,
Drempel waaronder geen uitkering plaatsvindt.
Indien de uitkering ≥ aan het franchisebedrag,
vindt een volledige uitkering plaats.
8.4.5. Bijkomende kosten
Dit zijn onder meer:
- opruimingskosten;
- expertisekosten;
- proceskosten;
- averijgrosse (van toepassing in de scheepvaart → gedane activiteiten en uitgaven met als
doel
het schip en de goederen aan boord te redden, indien deze activiteiten/ uitgaven resultaat
hebben dienen alle belanghebbenden dit in beginsel naar evenredigheid te vergoeden).
8.5. Betaling uitkering
8.5.1. Betaling aan tot uitkering gerechtigde (artt.7:926 en 7:945 BW)
Betaling uitkering
Handelingsonbekwame verzekerde
Uitkering via wett. vertegenw. (wett. vertegenw.), art. 6:31 BW.
Enkel bevrijdend indien dit de handelingsonbekwame tot voordeel strekt (studie
etc.).
Tussenpersoon
Betaling geschiedt enkel indien de tussenpersoon de uitkering aan de tot
uitkering gerechtigde voldoet.
Benadeelde derde, art. 7:954 BW
Deze kan verlangen dat de verzekeraar na melding van het incident de uitkering
rechtstreeks aan hem uitbetaald.
Positie benadeelde derde, verzekerde en verzekeraar
Benadeelde derde Verzekerde Verzekeraar
11
2
→
←1
←2
Vordering, de benadeelde derde krijgt met een directe actie geen vordering op de verzekeraar.
Betaling, de verzekeraar betaalt de o.b.v. de verzekering verschuldigde uitkering aan de verzekerde.
Deze vergoed zelf de schade waarvoor hij aansprakelijk is aan de benadeelde derde.
Betaling, de verzekeraar betaalt de o.b.v. de directe actie van de benadeelde derde of o.b.v. de
polisvoorwaarden de uitkering direct aan de benadeelde derde.
De directe actie;
- bestaat alleen bij een gemelde schade, art. 7:954 lid 1 BW
- is beperkt tot aansprakelijkheidsverzekeringen en schade door dood/ letsel, art. 7:954 lid 1
BW.
Het onderstaande wetsartikel is hier van toepassing.
Art. 7:954 BW
1. Indien in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid de verzekeraar ingevolge artikel 941
de
verwezenlijking van het risico is gemeld, kan de benadeelde verlangen, dat indien de verzekeraar
een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de
benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald.
2. De benadeelde kan zonder melding deze betaling verlangen indien de verzekerde een
rechtspersoon was die heeft opgehouden te bestaan en de verplichting tot vergoeding van de
schade van de benadeelde niet op een ander is overgegaan.
3. Indien de benadeelde zijn in lid 1 bedoelde bevoegdheid nog niet heeft uitgeoefend, kan de
verzekeraar slechts bevrijdend aan de verzekerde betalen nadat hij de benadeelde tevergeefs
verzocht heeft binnen vier weken mede te delen of hij deze bevoegdheid wil uitoefenen, of indien
deze daarvan afstand heeft gedaan.
4. De verzekerde is niet bevoegd ten nadele van de benadeelde over zijn vordering op de verzekeraar
te beschikken, voorzover deze vordering schade door dood of letsel betreft, noch is deze vordering
in zoverre voor anderen dan de benadeelde vatbaar voor beslag.
5. Voorzover de verzekeraar in verband met overschrijding van een verzekerde som tot minder
gehouden is dan het bedrag waarvoor de verzekerde aansprakelijk is, wordt de verschuldigde
uitkering naar evenredigheid toegerekend aan de schade van elk der benadeelden alsmede,
voorzover zij benadeelden betreft met zowel schade door dood of letsel als andere schade, aan
deze onderscheiden schadesoorten. Niettemin blijft de verzekeraar die, onbekend met het bestaan
van vorderingen van andere benadeelden, te goeder trouw aan een benadeelde of de verzekerde
een groter bedrag dan het aan deze toekomende deel heeft uitgekeerd, jegens de andere
benadeelden slechts gehouden tot het beloop van het overblijvende gedeelte van de verzekerde
som. De betaling aan de benadeelden kan worden opgeschort voorzover in verband met het in de
eerste zin bepaalde op redelijke gronden kan worden betwijfeld welk bedrag dient te worden
voldaan.
6. De benadeelde die ter zake van zijn schade door dood of letsel een rechtsvordering instelt tegen
de
verzekeraar, is daartoe slechts bevoegd indien hij er zorg voor draagt dat de verzekerde tijdig in het
geding wordt geroepen. Dit lijdt uitzondering in het geval, bedoeld in lid 2.
7. De leden 1 tot en met 6 missen toepassing voor zover de benadeelde schadeloos is gesteld of voor
zover hem door de wet jegens de verzekeraar een eigen recht op schadevergoeding is toegekend.
8.5.2. Wettelijke rente
Verzuim
Als de verzekeraar traag uitkeert, is deze mogelijk rente over de uitkering verschuldigd.
_ Er is sprake van ‘verzuim’ indien de betaling uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan
de
eisen van art. 6:82 en 6:83 BW is voldaan, art. 6:81 BW.
_ Verzuim treedt in nadat de verzekeraar bij een schriftelijke aanmaning in gebreke is
gesteld,
waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze
termijn uitblijft.
_ Indien er geen termijn is vastgesteld, is de uitkering terstond opeisbaar, art. 6:38 BW.
Art. 6:81 BW
De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is
geworden
en aan de eisen van de artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan
worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.
Art. 6:82 BW
1. Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke
aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen
deze termijn uitblijft.
2. Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos
zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat
hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.
Art. 6:83 BW
Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:
a. wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is
nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.
b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als
bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen;
c. c. wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de
nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
8.5.3. Verjaring
Stilzitten van de verzekerde kan leiden tot verjaring van zijn recht om de uitkering in rechte
te
vorderen. Art. 7:942 bevat een dwingendrechtelijke verjaringsregeling in de zin dat niet ten
nadele
van de verzekeringnemer/ tot uitkering gerechtigde van kan worden afgeweken.
Verzekeringen algemene bepalingen
Art. 7:942 BW
1. Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van
drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de
opeisbaarheid daarvan bekend is geworden.
2. De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt
gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren begint te lopen met de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig heeft
medegedeeld de aanspraak af te wijzen.
3. Bij verzekering tegen aansprakelijkheid wordt de verjaring in afwijking van lid 2, eerste zin, gestuit
door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de tot uitkering gerechtigde of de
benadeelde. In dat geval begint een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren te lopen met de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij
ondubbelzinnig aan degene met wie hij onderhandelt en, indien deze een ander is, aan de tot
uitkering gerechtigde heeft medegedeeld dat hij de onderhandelingen afbreekt.
_ In art. 7:942 lid 1 BW is er geen sprake van een absolute verjaringstermijn.
_ Onder bekendheid wordt daadwerkelijke bekendheid verstaan (subjectieve bekendheid).
_ De tot uitkering gerechtigde hoeft niet bekend te zijn met de juridische status van de
feiten en
omstandigheden, zoals het al dan niet opeisbaar zijn van de vordering.
_ De verzekeraar kan verjaring voorkomen door verjaring te stuiten. Hij dient schriftelijk mee
te
delen dat hij aanspraak maakt op de uitkering, art. 7:942 lid 2 BW.
_ Indien de verzekeraar aanspraak erkent, bedraagt de verjaringstermijn wederom drie jaar,
art.3:319 lid 2 BW.
Vermogensrecht algemeen
Art. 3:319 BW
1. Door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, anders dan door het instellen van een eis
die
door toewijzing wordt gevolgd, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de
volgende dag. Is een bindend advies gevraagd en verkregen, dan begint de nieuwe verjaringstermijn
te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het bindend advies is uitgebracht.
2. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.
Niettemin treedt de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip in dan waarop ook de
oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken.
8.6. Subrogatie
8.6.1. Aard en strekking subrogatie
Aard;
_ Subrogatie → de verzekeraar treedt in de rechten van de verzekerde (afgeleid
verhaalsrecht). Dit
is van toepassing als de uitkering betrekking heeft op schade, waarvoor een derde
aansprakelijk
is. Als de verzekeraar de schade vergoed gaan de rechten van de verzekerde op de
aansprakelijke
derde over op de verzekeraar.
_ Subrogatie vindt plaats bij zowel een verplichte als een onverplichte uitkering.
De derde hoeft niet met de verzekeraar te twisten of de verzekeraar de uitkering wel op
grond
van de verzekeringsvoorwaarden verschuldigd was.
_ Subrogatie vindt ook plaats als de verzekeraar op grond van commerciele overwegingen
een
coulance-uitkering (onverplichte uitkering) doet.
Strekking;
De strekking van subrogatie is te voorkomen dat de aansprakelijke derde voordeel geniet
van
de verzekering.
Zonder subrogatie:
- Hoeft de aansprakelijke derde/ zijn verzekeraar de financiele gevolgen van zijn daad niet te
dragen want door de uitkering is de verzekerde schadeloosgesteld. Deze heeft hierdoor geen
schade en kan dus ook geen schade vorderen van de aansprakelijke derde;
- Kan ook de verzekeraar de aansprakelijke derde niet aanspreken tot schadevergoeding, er
ontbreekt n.l. een rechtsgrond.
_ De algemene bepaling inzake subrogatie art. 6:150 BW geeft aan de verzekeraar geen
verhaalsmogelijkheid.
_ De verzekeraar kan ook niet stellen dat de derde een onrechtmatige daad tegenover de
verzekeraar heft gepleegd, omdat niet voldaan is aan het relativiteitsbeginsel, art. 6:163 BW.
_ De geschonden norm strekt in beginsel niet tot bescherming van het belang van de
verzekeraar.
_ Gemaakte redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, welke de
verzekerde
of de verzekeraar heeft gemaakt, kan de verzekeraar op de aansprakelijke derde verhalen,
vgl.
6:142 BW.
_ Indien de verzekeraar de verzekerde schadeloos heeft gesteld kan de verzekerde geen
aanspraak
meer maken op wettelijke rente. De verzekeraar kan wel uit eigen hoofde aanspraak maken
op
wettelijke rente.
Effect verhaalsrecht AWBZ op premies en uitkeringen
AWBZ-uitvoeringsinstellingen
Uitkeringslast daalt
Premie daalt
Verhaal deel
AWBZ-uitkeringen
WAM-verzekeraars
Uitkeringslast stijgt
Premie stijgt
De verzekerde moet nadat het risico zich heeft verwezenlijkt, zich onthouden van elke
gedraging die
aan het recht van de verzekeraar tegen die derden afbreuk doet, art. 7:962 lid 1 BW en vgl.
art. 6:154 BW. Dit verbod betreft niet het handelen van de verzekerde voordat het risico zich
heeft
verwezenlijkt. Een verzekeraar zal:
- wel een door de verzekerde in het verleden aanvaard exoneratiebeding moeten
eerbiedigen maar
- niet een na het vallen van de schade door de verzekerde getroffen schikking.
8.6.2. Grenzen aan subrogatie
1. Subrogatie vindt enkel plaats bij schadeverzekeringen, niet bij sommenverzekeringen.
2. Subrogatie vindt enkel plaats m.b.t. vorderingsrechten en niet m.b.t. eigendomsrechten.
De verzekerde zal eerst het eigendomsrecht moeten overdragen aan de verzekeraar
conform
artt. 3:84 en 95 BW. Vervolgens kan deze overgaan tot vordering.
3. Subrogatie vindt enkel plaats voor zover de verzekeraar de schade heeft vergoed;
- deze kan uitsluitend de uitkering en niet de geleden schade verhalen in geval van
onderverzekering;
- deze kan uitsluitend de werkelijk geleden schade minus een eventueel eigen risico
verhalen.
De verzekeraar krijgt n.l. niet meer rechten dan de verzekerde tegenover de derde had.
4. Subrogatie vindt niet plaats ten nadele van het recht op schadevergoeding van de
verzekerde.
5. Subrogatie vindt niet plaats t.o.v. bepaalde personen in de directe levenssfeer van de
verzekerde.
Het betreft hier personen waarvan men mag aannemen dat de verzekering mede in hun
belang
is gesloten, voor zover zij al niet nadrukkelijk zijn meeverzekerd.
Subrogatie is wel mogelijk als bovenstaande personen tegenover de verzekerde
aansprakelijk
zijn wegens een omstandigheid die, indien dit aan de verzekerde zelf te wijten was, aan
diens
verzekeringsuitkering een afbreuk zou hebben gedaan. Bijv. indien deze personen als zij
verzekerd waren geen of een lagere uitkering hadden gekregen wegens opzet/
roekeloosheid of
niet-nakoming van de schadebeperkingsplicht, artt. 7:952 en 957 BW.
Art. 7: 962 BW lid 3
3. De verzekeraar krijgt geen vordering op de verzekeringnemer, een mede-verzekerde, de niet
van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de geregistreerde partner van een verzekerde, de
andere levensgezel van een verzekerde, noch op de bloedverwanten in de rechte lijn van een
verzekerde, op een werknemer of de werkgever van de verzekerde, of op degene die in dienst
staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde. Deze regel geldt niet voor zover zulk een
persoon jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou
hebben gedaan aan de uitkering, indien die omstandigheid aan de verzekerde zou zijn toe te
rekenen.
6. Subrogatie vindt niet plaats op grond van bepaalde aansprakelijkheidsgronden zie art.
6:197
BW.
7. Subrogatie vindt niet als de verzekeraar daar afstand van heeft gedaan.
Verzekeraars hebben soms individueel of collectief gedeeltelijk afstand gedaan van hun
verhaalsrecht op grond van subrogatie (zie o.a. bedrijfsregeling brandregres).
Behalve een collectieve beperking van het verhaalsrecht in een bedrijfsregeling, kan het
verhaalsrecht ook door de individuele verzekeraar zijn beperkt door een bepaling in de
verzekeringsvoorwaarden.
8.6.3. Cessie (overdracht)
Met cessie van de uitkeringsvordering op de aansprakelijke derde kan een soortgelijk
resultaat
worden bereikt als met subrogatie, artt. 3:84 en 94 BW.
Bij cessie draagt de verzekerde met een daartoe bestemde akte zijn vorderingsrecht op de
aansprakelijke derde over aan de verzekeraar, dit kan enkel met medewerking van de
verzekerde.
8.7. Samenloop verzekeringen
Bij samenloop is sprake van meervoudige verzekering: het belang is tegelijkertijd op meer
dan een
verzekering gedekt, bijv. bij zorgkosten op de reisverzekering.
8.7.1. Samenloop in de wet
Op grond van het indemniteitsbeginsel mag de verzekerde geen vergoeding ontvangen
waardoor hij
in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. Indien het belang van de verzekerde op
meer dan
een verzekering is gedekt, moet bepaald worden welke verzekeraar welke uitkering moet
doen.
Conform art. 7:961 BW kan de verzekerde met inachtneming van art. 7:960 BW elke
verzekeraar
aanspreken, welke vervolgens de schade dient te vergoeden. De strekking dat er sprake is
van een
oudere of jongere verzekering is hier niet van toepassing.
De draagplicht van elke verzekeraar wordt niet bepaald a.d.h.v. de verzekerde som, maar
a.d.h.v. de
bedragen waarvoor elke verzekeraar aangesproken had kunnen worden.
Het is niet van belang of de verzekeraar de uitkering verplicht/ onverplicht (coulance) heeft
gedaan
in beide gevallen is er recht op verhaal op de overige verzekeraars, art. 7:961 lid 2 BW. Van
toepassing is ook art. 7:961 lid 3 en vgl. 7:962 lid 1 en 3 BW.
Art. 7:961 lid 3
3. De verzekeraars hebben onderling verhaal opdat ieder zijn deel draagt, naar evenredigheid van de
bedragen waarvoor een ieder afzonderlijk kan worden aangesproken. Verzekeraars hebben op
gelijke voet onderling verhaal voor hun redelijke kosten tot het vaststellen van de schade, alsmede
voor hun redelijke kosten van verweer in en buiten rechte. De verzekerde is jegens de verzekeraars
afzonderlijk verplicht zich te onthouden van elke gedraging die ten koste van dezen afbreuk doet
aan hun onderling verhaal.
Art. 7:962 lid 1 en 3 BW
1. Indien de verzekerde ter zake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering
vorderingen
tot schadevergoeding op derden heeft, gaan die vorderingen bij wijze van subrogatie op de
verzekeraar over voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt. De verzekerde moet
zich, nadat het risico zich heeft verwezenlijkt, onthouden van elke gedraging welke aan het recht
van de verzekeraar tegen die derden afbreuk doet.
8.7.2. Samenloop in verzekeringsvoorwaarden
De samenloopregeling (art. 7:961BW) is van regelend recht. Verzekeraars kunnen onderling
afwijkende afspraken maken en eenzijdig in de verzekeringsvoorwaarden afwijkende
bepalingen
opnemen waarmee de rangorde t.o.v. andere verzekeringen wordt bepaald (noncontribution
clausules).
Verzekeringsvoorwaarden bevatten:
_ geen non-contribution clausule;
_ een zachte non-contribution clausule;
_ een harde non-contribution clausule.
Non-contribution clausules;
- zachte non-contribution clausule:
de verzekering biedt slechts dekking indien en voorzover de schade niet onder een andere
verzekering, al dan niet van oudere datum is gedekt;
- harde non-contribution clausule:
er vindt geen uitkering plaats wanneer de schade door een andere verzekering gedekt zou
zijn
indien de onderhavige (voorliggende) verzekering niet bestond.
De harde non-contribution clausule bevat een verdere achterstelling dan de zachte noncontribution
clausule waardoor bij een conflict de verzekering met de zachte non-contribution clausule
dient uit
te keren.
Indien beide verzekeringen een gelijke harde of zachte non-contribution clausule bevatten,
dan
vallen deze clausules tegen elkaar weg en geldt de wettelijke regeling van art. 7:961 BW
Non-contribution
clausule 1
Non-contribution
clausule 2
Resultaat
Hard
Zacht
Hard
Geen
Geen
Hard
Zacht
Zacht
Zacht
Hard
Geen non-contribution clausule van toepassing ob.
art. 7:961 BW.
Geen non-contribution clausule van toepassing
o.b.v. art. 7:961 BW.
Zacht wijkt voor hard, verzekering met de zachte
clausule keert uit.
Geen wijkt voor zacht, verzekering zonder noncontribution
clausule keert uit.
Geen wijkt voor hard, verzekering zonder noncontribution
clausule keert uit.
9.1. Opzegging
Opzegging is een eenzijdige beeindigingswijze; de andere partij hoeft geen medewerking aan
of
toestemming voor de opzegging te verlenen. Er is geen tekortkoming vereist zoals bij
ontbinding.
9.1.1. Opzegging tegen einde contractduur.
Meestal wordt de verzekering stilzwijgend verlengd.
Dit kan worden voorkomen door de verzekering tegen het einde van de verzekeringsperiode
met
inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden op te zeggen, art. 7:940 lid 1 BW en
vgl.
6:237 onder I BW. Deze regeling is van dwingend recht (mag niet ten nadele van de
verzekeringnemer/ tot uitkering gerechtigde worden afgeweken.
Er mag wel een kortere opzegtermijn worden opgenomen in de polisvoorwaarden maar
geen
langere opzegtermijn.
Indien de verzekering voor > 5 jaar is aangegaan of verlengd, dan kunnen de
verzekeringnemer en
de verzekeraar de verzekering ook opzeggen tegen het eind van elk 5e jaar binnen die
periode.
Bij persoonsverzekering (o.a. aanvullende zorgverzekering), mist de verzekeraar de
mogelijkheid van
vervroegde opzegging, art. 7:940 lid 2 BW (dwingend recht voor consumenten
verzekeringen).
Opzegging
Verzekeraar Verzekerde
- opzegging moet worden gemotiveerd;
- opzegging moet schriftelijk art. 7:933 BW;
- aan verzekeringnemer/ vertegenwoordiger;
- via laatst bekende NAW-gegevens,
art.7:933 BW vgl. art.6:236 onder i en m
BW;
- opzegverbod i.v.m. verzwaring van het
gezondheidsrisico, art.7:940 lid 5 BW;
- opzegging i.v.m. wanbetaling blijft wel
mogelijk, art. 7:934 BW.
- opzegging hoeft niet te worden gemotiveerd;
- opzegging kan in elke vorm art.3:37 BW;
- aan verzekeraar/ tussenpersoon met toereikend
volmacht, bij onbevoegde → geen rechtskracht
art. 3:61 BW.
9.1.2. Tussentijdse opzegging
Opzegging binnen de contractperiode. In de voorwaarden moet de mogelijkheid tot
tussentijdse
opzegging zijn opgenomen. Indien enkel de verzekeraar het tussentijdse opzeggingsrecht in
de
voorwaarden heeft bedongen dan komt conform art. 7:940 lid 3 BW ditzelfde recht ook aan
de
verzekerde toe.
Een tussentijdse opzegging heeft voor de verzekerde aanzienlijk negatieve gevolgen, bij een
nieuwe
aanvraag elders wordt gevraagd of de verzekering ooit is opgezegd. Ook kan deze opzegging
zijn
opgenomen op de ‘zwarte lijst’ welke door verzekeraars wordt gehanteerd.
De opzegtermijn bij tussentijdse opzegging bedraagt twee maanden m.u.v.:
1. opzet tot misleiding, art. 7:940 lid 3 BW;
2. dekking tegen groot molest, art. 3:38 Wft;
3. reisverzekering die een of meer grootmolestrisico’s conform art.3:38 BW dekt.
Tussentijdse opzegging mag indien:
1. door de verzekeraar indien blijkt dat de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht niet is
nagekomen;
2. door de verzekeringnemer op grond van de en bloc clausule;
3. door de verzekeraar en de verzekeringnemer over een vol verzekeringsjaar geen risico is
gelopen.
9.1.3. Opzegging bij portefeuille opdracht (art. 3:120 Wft.)
Van toepassing indien de verzekeraar zijn kleine portefeuille van bromfietsverzekeringen
overdraagt
aan een gespecialiseerde motorrijtuigenverzekeraar. De betrokken verzekeringnemers
kunnen
gedurende drie maanden na dagtekening van de Staatscourant (publicatie) de
schadeverzekering
schriftelijk opzeggen. Teveel betaalde premie en belasting worden evenredig terugbetaald,
art.3:120
Wft.
9.2. Overige wijzen beëindiging
Wijzen beeindiging
Automatische
beeindiging;
- Het beeindigen van de verzekering i.v.m. een bepaald tijdsverloop/ bepaalde
gebeurtenis zonder dat hiervoor een rechtshandeling van de verzekeraar/
verzekeringnemer nodig is;
- van toepassing zijn artt. 6:2 en 248 BW.
Ontbinding;
- van toepassing bij tekortkoming, art. 6:265 e.v. BW;
- indien er sprake is van wanbetaling is art. 7:934 BW ook van kracht;
- bij ontbinding zijn beide partijen van hun verbintenis bevrijd, artt. 6:267 en
271 BW;
- indien de verzekeraar overgaat tot ontbinding o.b.v. een (toerekenbare)
tekortkoming van de verzekerde bij een schaderegeling, dan hoeft deze niet
meer uit te keren, art. 6:269 BW; ook art. 7:941 lid 5 BW is hier van kracht als
uitgangspunt geldt wel dat gezien de opzet tot misleiding, alleen in bijzondere
omstandigheden aangenomen kan worden dat het (gehele) verval van uitkering
niet gerechtvaardigd is.
Ontbinding
op afstand
- de consument-verzekeringnemer een bijzonder ontbindingsrecht;
- zonder boete/ opgaaf van reden kan gedurende 14 kalenderdagen de
verzekering worden ontbonden vanaf de dag waarop deze is aangegaan
- van toepassing zijn artt. 4:20 lid 1; 4:28 lid 1 jo lid 4; 4:29 lid 2 Wft
- artikel 4:20 Wft jo. art. 61 Bgfo.
Vernietiging - de verzekeringsovereenkomst welke is strijd is met de openbare orde of de
goede zeden is nietig, art. 3:40 lid 1 BW;
- vernietiging is mogelijk in geval van:
_ wilsgebreken (dwaling en bedrog);
_ vernietiging is op grond van bedreiging en misbruik van
omstandigheden;
- de verzekeraar kan zich niet beroepen op de vernietigingsgronden conform
art.3:44 lid 3 BW(bedrog) en art. 6:228 BW (dwaling).
Beeindiging
met
wederzijds
goedvinden
- de verzekeraar dient erop te letten dat de verzekeringnemer zijn toestemming
heeft gegeven. Dit i.v.m. nadelige gevolgen voor de verzekeringnemer.
9.3. In- en uitlooprisico
Dit doet zich m.n. voor bij aansprakelijk
Uitlooprisico Inlooprisico
De verzekeraar loopt na beeindiging van de
verzekering nog steeds risico en moet
uitkering doen voor gebeurtenissen welke
zich geheel/ gedeeltelijk tijdens de
verzekeringsduur hebben voorgedaan
De verzekeraar kan tijdens de
verzekeringsduur een gebeurtenis moeten
uitkeren die zich geheel of gedeeltelijk voor
de ingangsdatum van de verzekering hebben
voorgedaan.
Er zijn drie mogelijke in- en uitloopmogelijkheden mogelijk:
1. Act committed; - de schade moet tijdens de verzekeringsduur zijn voorgevallen;
- geen inlooprisico, wel uitlooprisico.
2. Loss occurence
- de schade moet zich tijdens de verzekeringsduur hebben gemanifesteerd;
- inlooprisico, voor schade welke voor de verzekeringsingangsdatum is
ontstaat, wel dient de verzekeringnemer eventuele bekende
schadeveroorzakende feiten te melden, art. 7:928 BW;
- beperkt uitlooprisico, vordering van ontstane schade tijdens de verzekering
kan achteraf nog worden ingediend bij de verzekeraar.
3. Claims made; - de vordering moet tijdens de verzekeringsduur bij de verzekerde/
verzekeraar
zijn ingediend, conform de verzekeringsvoorwaarden, art.7:941 BW;
- wel inlooprisico, tenzij de verzekeringsvoorwaarden anders bepalen, tegen
betaling kan ook het uitloop risico verzekerd zijn;
- wel dient de verzekeringnemer eventuele bekende schadeveroorzakende feiten
te melden, art. 7:928 BW;
- geen uitlooprisico.
Inlooprisico Verzekeringsduur
Uitlooprisico
Act committed
dekking
Loss occurence
dekking
Claims made dekking
9.3.2. ‘Na risico’ Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM)
Bij de WAM geldt een uitlooprisico van zestien dagen (nalooprisico), art. 13, 13a en 14
WAM.
Ongevallen en gebeurtenissen welke plaatsvinden binnen de gedekte termijn dient de
verzekeraar te
vergoeden.
_ deze termijn loopt vanaf de dag na de opzegging volgens kennisgeving van de verzekeraar,
de
verzekeraar dient de beeindiging binnen dertig dagen na aanvang te melden aan het RDW;
_ de zestiendagentermijn begint anders op de dag nadat de verzekeraar de RDW de
beeindiging
heeft gemeld.
Het ‘na risico’ eindigt van rechtswege door het van kracht worden van een nieuwe
WAMverzekering.
Voor motorrijtuigen geldt een enigszins afwijkende regeling, art. 14 WAM.
Act Loss
Claim
Act Los
s
Claim
Act Loss
Claim
10.1. Geschillenbeslechting
De financiele dienstverlener heeft de verplichting om zorg te dragen voor een adequate
behandeling
van klachten van clienten, consumenten of deelnemers, art. 4:17 lid 1 Wft.
De financiele dienstverlener dient:
- te beschikken over een interne klachten procedure, ter afhandeling van klachten;
- aangesloten te zijn bij een erkende geschilleninstantie;
- de client voor het sluiten van de verzekeringsovereenkomst in kennis te stellen van de
interne
klachtenprocedure en de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten.
De interne klachtenprocedure moet voldoen aan (art. 4:17 lid 3 Wft jo. art. 39 Bgfo):
- klachtenadministratie met:
_ NAW gegevens;
_ klacht met de dagtekening van ontvangst;
_ een omschrijving van de klacht;
_ een beschrijving van de wijze waarop de financiele dienstverlener de klacht heeft
vastgelegd;
- procedures en maatregelen die waarborgen dat de klachten zorgvuldig, verifieerbaar,
consistent en
binnen een redelijke termijn worden afgehandeld;
- het bewaren van geadministreerde gegevens voor minimaal een jaar nadat de klacht door
hem is
afgehandeld.
10.2. Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFiD)
Doel → aanbieden van een loket voor behandeling van klachten van consumenten m.b.t.
financiele
diensten, art. 2 Statuten KiFiD.
10.2.1. Klager en aangeslotene
Klager;
- uitsluitend toegankelijk voor een klagerconsument (natuurlijk persoon die niet in de
hoedanigheid
van een bedrijf/ beroep handelt);
- een klacht kan enkel tegen een aangesloten financiele dienstverlener worden ingediend.
Aangeslotene;
- enkel klachten van financiele dienstverleners die bij het KiFiD zijn
aangesloten worden behandeld;
- indien de financiele dienstverlener niet is aangesloten en zich voor een
klacht onderwerpt aan de bevoegdheid van de Geschillencommissie
dan zijn de hieruit voortvloeiende kosten voor zijn rekening.
10.2.2. Ombudsman Financiele Dienstverlening
Alvorens een klager zich kan richten tot het KiFiD moet deze zijn klacht eerst voorleggen aan
een
geschillencommissie (Ombudsman Financiele Dienstverlening/ geschillencommissie
Financiele
Dienstverlening).
Taken van de Ombudsman:
- door bemiddeling trachten op te lossen van de klacht;
- bemiddelen tussen consumenten enerzijds en aangeslotenen anderzijds
- verstrekken van inlichtingen en voorlichting m.b.t. financiele dienstverlening en financiele
markten, art. 4 onder k ROFD.
- Ombudsman Financiële
Dienstverlening
- Geschillencommissie
Financiële Dienstverlening
Toegang tot de Ombudsman
- enkel indien de klacht eerst aan de betrokken financiele dienstverlener is voorgelegd en dit
niet
naar tevredenheid van de klager is behandeld/ op gereageerd;
- indien een geschil niet reeds bij de rechter/ andere commissie is behandeld.
Termijn indiening bij Ombudsman
- binnen drie maanden nadat de financiele dienstverlener zijn standpunt aan de klager heeft
bekendgemaakt en gewezen heeft op de mogelijkheden om de klacht aan de Ombudsman
voor te
leggen.
Beoordeling door Ombudsman
Dit geschiedt middels hetgeen wettelijk vaststaat. Financiele dienstverleners worden
aangespoord
om de zelfregulering na te leven.
Uitspraak van Ombudsman
Het oordeel van de Ombudsman kan inhouden, art.7 onder a ROFD;
- niet ontvankelijkheid;
- ongegrondheid;
- onbemiddelbaarheid;
- vaststelling dat en aangeven welk bemiddelresultaat tussen partijen is bereikt;
- een aanbeveling aan de betrokken financiele dienstverlener met inachtneming van de
redelijkheid
en billijkheid welke de omstandigheden van het geval naar oordeel van de Ombudsman met
zich
meebrengen.
Kosten geschillenbehandeling Ombudsman
Er zijn vooralsnog voor de klager geen kosten verbonden in de vorm van klachtengeld.
Publicaties van werkzaamheden
De ombudsman brengt een jaarverslag uit met verslag van de werkzaamheden.
10.2.3. Geschillencommissie Financiele Dienstverlening → € 100 < geschil ≤ € 1.000.000,Na bemiddeling door de Ombudsman kan de klager zijn klacht voorleggen aan de
Geschillencommissie, art. 6.1 RGFD.
Taken van de Geschillencommissie Financiele Dienstverlening
- het behandelen en beslissen over individuele geschillen;
- het bevorderen van een schikking tussen partijen.
Toegang tot de Geschillencommissie Financiele Dienstverlening indien het geschil:
- niet meer aanhangig is bij of niet reeds tot een uitspraak heeft geleid van een:
_ rechter;
_ commissie van scheidsmannen;
_ een andere geschillencommissie conform artikel 9 RGFD;
- eerst schriftelijk is voorgelegd aan de financiele dienstverlener en deze niet naar
tevredenheid van
de klager is behandeld/ hierop binnen redelijk termijn heeft gereageerd en
- eerst is voorgelegd aan de Ombudsman.
Termijn indiening geschil bij de Geschillencommissie Financiele Dienstverlening
Indiening geschiedt middels een formulier aan de Geschillencommissie binnen drie maanden
nadat
het oordeel van de Ombudsman os bekendgemaakt.
Beoordeling door de Geschillencommissie Financiele Dienstverlening
Dit geschiedt middels hetgeen wettelijk vaststaat. Financiele dienstverleners worden
aangespoord
om de zelfregulering na te leven.
Uitspraak van de Geschillencommissie Financiele Dienstverlening
Het oordeel van de Geschillencommissie Financiele Dienstverlening kan inhouden;
- onbevoegd verklaren;
- vaststellen van de te betalen schadevergoeding;
- nakoming opleggen aan de financiele dienstverlener inzake de betreffende overeenkomst
of een
andere tussen partijen geldende verplichting;
- de financiele dienstverlener de bevoegdheid tot uitoefening van een of meer met name
genoemde
rechten uit de betreffende overeenkomst ontzeggen;
- elke andere beslissing die zij redelijk en billijk acht ter beeindiging van het geschil.
_ Een bindend advies berust op een overeenkomst tussen partijen en zal in beginsel worden
gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW.
_ Bij niet nakoming is er sprake van een tekortkoming en kan nakoming worden gevorderd.
_ Indien een partij dit advies onredelijk acht kan deze zich tot de rechter wenden.
_ Deze zal de inhoud slechts marginaal (miniem) toetsen op inhoud en totstandkoming.
_ Als blijkt dat de beslissing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid
en
billijkheid onaanvaardbaar is, is deze vernietigbaar, art. 7:904 lid 1 BW.
Overzicht uitspraken Geschillencommissie
Financiele
dienstverlener vooraf
akkoord met
bindend advies
Financiele dienstverlener niet vooraf
akkoord met bindend advies
Financiele
dienstverlener
alsnog akkoord
met bindend advies
Financiele
dienstverlener niet
alsnog akkoord
met bindend advies
Klager akkoord
met bindend advies
Klager niet
akkoord met
bindend advies
Bindende uitspraak
Geen uitspraak
Bindende uitspraak
Niet-bindende
uitspraak
Niet-bindende
uitspraak
Niet-bindende
uitspraak
Kosten Geschillencommissie
- klager is € 50,- verschuldigd aan klachtengeld;
- indien de klager geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld wordt de financiele
dienstverlener
veroordeeld tot vergoeding van de door de klager gemaakte kosten;
- een kostenvergoeding o.b.v. het liquidatietarief van de rechterlijke macht kan worden
toegekend
tot een maximum van € 5.000,-;
- een veroordeling in de kosten van getuigen –of deskundigen verhoor kan plaatsvinden.
Publicaties van werkzaamheden
- de Geschillencommissie brengt een jaarverslag uit met verslag van de werkzaamheden;
- uitspraken kunnen geanonimiseerd worden gepubliceerd.
10.2.4. Beroepscommissie Financiele Dienstverlening
Tegen de uitspraken van de Geschillencommissie staat (binnenkort) hoger beroep open bij
de
Beroepscommissie Financiele Dienstverlening. Dit is beschikbaar voor geschillen > € 25.000,-.
10.3. Overheidsrechtspraak en arbitrage
Taak van de rechter
Art. 87 Rv
- het beslechten van een geschil middels een uitspraak;
- meestal middels een schikking.
Toegang tot de
rechter
- een ieder heeft toegang tot de rechter art. 6 EVRM;
- de rechter is in beginsel onbevoegd indien er sprake is van een;
_geldige arbitrageclausule is de rechter in beginsel onbevoegd;
_geldige forumkeuzeclausule (partijen kunnen een andere rechter
kiezen dan diegeen die wettelijk absoluut en relatief bevoegd is
- absoluut bevoegd → de rechtbank;
- relatief bevoegd → rechter van een bepaalde soort is bevoegd.
Termijn van indienen - binnen de verjaringstermijn van de verzekeraar/ financiele
dienstverlener moet er worden gedagvaard.
Beoordeling geschil - geschiedt op grond van de wet
Uitspraak - de rechterlijke procedure eindigt met een voor beide partijen
bindende uitspraak, tenzij de partijen een schikking treffen;
- de rechter kan de ingestelde vordering toewijzen of afwijzen;
- de rechter verklaart zich onbevoegd of de eisende partij niet
ontvankelijk.
Kosten rechtspraak - eisende partij dient griffierechten te betalen aan de rechterlijke
instantie;
- bij de kantonrechter kunnen partijen in persoon procederen en zijn
zij niet verplicht om van een advocaat gebruik te maken;
- bij de sector civielrecht, de gerechtshoven en de Hoge Raad kunnen
partijen slechts bij advocaat procederen;
- indien de eisende partij in gelijk wordt gesteld dan zijn de
proceskosten voor rekening van de gedaagde.
Publicatie rechterlijke
uitspraak
- deze worden o.a. in vaktijdschriften anoniem gepubliceerd.
10.3.2. Arbitrage
Taak van de arbiter
art. 1027 & 1036 Rv
- het beslechten van een geschil middels een uitspraak;
- indien overeengekomen kunnen partijen vooraf bemiddelen.
Toegang tot de
arbiter
- enkel indien partijen dit zijn overeengekomen (arbitrageclausule);
- de wetgever acht bij arbitrage de kwaliteit en onpartijdigheid
voldoende gewaarborgd.
Termijn van indienen - binnen de verjaringstermijn van de verzekeraar/ financiele
dienstverlener moet er worden gedagvaard.
Beoordeling geschil
- geschiedt op grond van de wet;
- partijen de arbiter ook opdragen om een beslissing te geven ‘als
goede mannen naar billijkheid’, dit geeft de arbiter meer vrijheid.
Uitspraak - de rechterlijke procedure eindigt met een voor beide partijen
bindende uitspraak;
- het is ongebruikelijk dat tegen deze uitspraak hoger beroep
openstaat.
Kosten rechtspraak - afhankelijk van de afspraken tussen partijen en de arbitrage regels
kan de verliezende partij in de kosten van de arbitrage worden
veroordeeld.
Publicatie rechterlijke
uitspraak
- arbitrage vindt achter gesloten deuren plaats en wordt enkel met
toestemming van partijen gepubliceerd.
10.4. Routes geschillenbeslechting
Route Interne
klachtenprocedure
Klachteninstituut Financiele
Dienstverlening
Overheidsrechtspraak/
Arbitrage
Ombudsman Geschillen
commissie
Route
1
Route
2
Route
3
Route
4
Route
5
X
X
X
X
X
X
X
X (bindende
uitspraak)
X (niet
bindende
uitspraak)
X
X
X
X
Van belang bij de routekeuze kan zijn:
_ Vertrouwen in de wijze van geschillenbeslechting; de klager heeft bijv. geen vertrouwen
in de
Geschillencommissie Financiele Dienstverlening en stapt direct naar de rechter.
_ De aard van het geschil; de klager verwacht geen meerwaarde van bemiddeling door de
Ombudsman gelet op de principiele aard van het geschil.
_ De aard van de uitspraak; de klager wenst geen bindend advies/ wil bijv. direct een
procedure
starten die een bindende uitspraak geeft tegen een financiele dienstverlener die zicht niet
houdt
aan het bindend advies van de Geschillencommissie Financiele Dienstverlening.
_ De tijd; de klager wil binnen enkele weken een voorlopige uitspraak en vraagt daarom een
voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter.
_ De kosten; de klager wil bijv. gelet op de omvang van der vordering eerst zonder hoge
kosten
trachten het geschil op te lossen.
Bij een breder bereik kunnen klager(s) zich wenden tot: De AFM, De Consumentenautoriteit,
DNB, de Nederlandse Mededingingsautoriteit en de Zorgautoriteit.
Download