Uittreksel van 1havo/vwo, hoofdstuk 4, §1

advertisement
Uittreksel van 1havo/vwo, hoofdstuk 4, §1
Dreiging van het water

In de kustgebieden dreigen overstromingen door de zee , vanwege de ligging
…………………………………………. In het binnenland wanneer de
………………………………………….
het zouden begeven.
Bescherming

In Laag-Nederland is bescherming nodig tegen het water.

In Friesland rond 500 v. Chr. eerste ………………………………………….

………………………………………….
Tot ongeveer het jaar
………………………………………….
in gebruik.
Vanaf de twaalfde eeuw aanleg van …………………………………………. tussen de terpen.
Zo ontstonden ………………………………………….

:
Dit zijn
………………………………………….
Overtollig water werd d.m.v.
………………………………………….
geloosd.
Het overtollige water tijdelijk in een boezem , bestaande uit
………………………………………….
, ………………………………………….
………………………………………….
.
en
Land winnen

Vanaf 1200 zijn Nederlanders land gaan winnen.

Aan de zeezijde van de dijken bij vloed en storm een ………………………………………….
.neergelegd. Gevolg: het gebied kwam hoger te liggen. Toen deze gebieden,
…………………………………………. .genoemd, niet meer werden overstroomd, werd er
…………………………………………. .gelegd. Men spreekt dan van een
…………………………………………. .of …………………………………………. .

Vanaf de 16e eeuw ook grote diepe …………………………………………. .drooggemalen,
dankzij de uitvinding van de …………………………………………. .Deze drooggelegde
gebieden heten droogmakerijen, omgeven door een …………………………………………. .Ze
liggen enkele meters onder de zeespiegel .

Land werd zo teruggewonnen op de zee.
Uittreksel van 1havo/vwo, hoofdstuk 4, §2
De Zuiderzeewerken

Tot 1932 nog een open verbinding tussen Zuiderzee en ………………………………………….
.Bij storm …………………………………………. .bedreigd.
In 1916, tijdens de …………………………………………. .vond een grote watersnood door
vele …………………………………………. .Aanleiding tot de uitvoering van de
Zuiderzeewerken was het ………………………………………….
en het
…………………………………………. .

De Zuiderzeewerken bestaan uit twee delen:
1. de aanleg van de ………………………………………….
tussen
…………………………………………. .en ………………………………………….
2. de aanleg van vijf grote polders langs de kusten.

Resultaat:
1. het …………………………………………. is verminderd
2 ………………………………………….
, belangrijk voor de voedselproductie
3. verbetering van de ………………………………………….
4. de bereikbaarheid van Noord-Nederland is ………………………………………….
.
Het Deltaplan

In 1953 vond de grote watersnood plaats in Zeeland en Zuid-Holland, als gevolg van een
combinatie van …………………………………………. en
…………………………………………. ..

Doel van het Deltaplan was bescherming tegen overstromingen. Het plan omvatte de aanleg
van ………………………………………….
en ………………………………………….
Gevolg was een veel …………………………………………. .en daardoor verbetering van de
…………………………………………. .
Ruimte voor de rivier

Ook rivieren hebben grote …………………………………………. .veroorzaakt. Vaak
…………………………………………. .noodzakelijk.

Het plan …………………………………………. .moet overstromingen in de toekomst
voorkomen.

Het gaat om ………………………………………….
en om
…………………………………………. .

Vroeger minder ruimte doordat jaarlijks de …………………………………………. werden
opgehoogd met een …………………………………………. .van de rivier.
In veel uiterwaarden is de bodem …………………………………………. door
…………………………………………. .en ………………………………………….
moesten ………………………………………….
Uittreksel van 1havo/vwo, hoofdstuk 4, §3
om ruimte te maken.
Soms
Water in Nederland en Bangladesh

Nederland en Bangladesh lijken op elkaar. Beide landen:
1. …………………………………………. .
2. …………………………………………. .
3. …………………………………………. .
4. …………………………………………. .
5. …………………………………………. .
Toch grote verschillen tussen beide landen.

De afvoer van het water door de Bengaalse rivieren de Brahmaputra en de Ganges
………………………………………….
is veel ………………………………………….
dan
die van de Rijn.
………………………………………….
is de wisselingen in de waterafvoer van een rivier in
de loop van een jaar.

In Bangladesh valt veel meer neerslag.

De stormen in Bangladesh zijn veel ………………………………………….
Er kunnen zelfs enorme ………………………………………….
dan in Nederland.
ontstaan.
Water, vriend en vijand

Elk jaar overstroomt in de zomer een deel van het land. Er
………………………………………….
dat zorgt voor ………………………………………….
van de grond.

Tegelijkertijd zorgen de overstromingen ook voor ………………………………………….
vele slachtoffers, ………………………………………….
met
en veel schade aan
…………………………………………. .
Wel of geen dijken?

Waarom in Bangladesh geen dijken, polders en gemalen?

Bangladesh heeft ………………………………………….

Rivieren moeten enorm veel ………………………………………….
voor aanleg en onderhoud.
verwerken. Dijken
kunnen daar slecht tegen. Daarnaast ontstaat door de aanleg van dijken een ander probleem:
………………………………………….
.
Uittreksel van 1havo/vwo, hoofdstuk 4, §4
De delta

De vertakkingen van de grote rivieren in Nederland vormen vlak voor de monding een
………………………………………….
Ze vormen een ………………………………………….
.

Van oudsher heeft de handel hier veel ………………………………………….
gebracht.
De Hanze

Aan het einde van de middeleeuwen ontstonden langs de kusten van West-Europa
………………………………………….
waar goederen uit alle windstreken werden
opgeslagen en verhandeld.

Een aantal van deze handelssteden vormden samen de
………………………………………….
Samenwerking moest leiden tot
………………………………………….
van hun handel. In Nederland lagen deze
Hanzesteden aan belangrijke handelsroutes langs de ………………………………………….
en de …………………………………………. .
Wereldhandel

In de Hanzeperiode stelden de steden in West-Nederland nog niet veel voor. Wel ontstond
rond een ………………………………………….

een nieuwe nederzetting: Amsterdam.
Veel mensen werkten daar in de ………………………………………….
………………………………………….
, de
en de …………………………………………. .. In de
zeventiende eeuw werd Amsterdam de ………………………………………….
, dankzij de
handel met gebieden buiten Europa. Ook ander havensteden in West-Nederland profiteerden
van de bloei van Amsterdam.

…………………………………………. is nu de grootste havenstad. De grote groei begon na
………………………………………….
dankzij de opkomst van het Duitse
………………………………………….
Verstedelijking

De ontwikkeling van de steden was te danken aan de groei van
………………………………………….
en ………………………………………….
zwaartepunt van de verstedelijking ligt in ………………………………………….
………………………………………….
Het
De
is daar een van de hoogste ter wereld.
Uittreksel van 1havo/vwo, hoofdstuk 4, §5
Steden groeien

Na 1870 vertrokken tienduizenden mensen naar de stad vanwege de
………………………………………….
.
In de industrieën werden ………………………………………….
een ………………………………………….
gebruikt, aangedreven door
.

Industrialisatie leidde tot een versterking en uitbreiding van het stedelijk patroon.

Versterking ……………………………………………………………………………………. Voor al
deze nieuwkomers waren …………………………………………. nodig.

Uitbreiding: ………………………………………….
Voorbeeld: Eindhoven dankzij Philips.
Steden spreiden zich

Tot 1960 ging de trek naar de stad door. Daarna nam ………………………………………….
We spreken van ………………………………………….
Oorzaken:
1. jonge gezinnen verhuisden naar ………………………………………….
2. bedrijven verhuisden naar de …………………………………………. ..

Randgemeenten groeien vast aan de grote stad en vormen een
………………………………………….

.
De randgemeenten zijn gericht op de centrale stad om daar
…………………………………………………………………………………….
Andersom komt
ook voor. Randgemeenten en centrale stad vormen met elkaar een
………………………………………….
Hier maken ook gemeenten
…………………………………………. .deel van uit.
Stedelijke gebieden

Agglomeraties groeien uit tot stadsgewesten en ten slotte tot stedelijke gebieden.

De Randstad is hiervan een voorbeeld. Deze bestaat uit de vier grote steden en de ertussen
in liggende dorpen en steden. Het heeft de vorm van een hoefijzer.
Uittreksel Basisboek 161 Water en inrichting

In Nederland drie belangrijke waterwerken
1. Het Deltaplan: bescherming van ………………………………………….
………………………………………….
met
en ………………………………………….
2. De ………………………………………….
.
: ………………………………………….
en
…………………………………………. .in het IJsselmeer.
3. …………………………………………. .voorkomen van
………………………………………….
door ………………………………………….
en
…………………………………………. van de dijken en verbetering van de
………………………………………….
.

Twee vormen landaanwinning

Door ………………………………………….
komen kwelders zo
…………………………………………. .te liggen dat ze kunnen worden ingedijkt.

Rond een meer wordt een …………………………………………. aangelegd, waarna het
water kan worden weggepompt naar de ………………………………………….
een …………………………………………. ..
Uittreksel Basisboek 23 Absolute en relatieve afstand

Afstanden op twee manieren uitdrukken.
Er ontstaat

1. ………………………………………….
: de afstand in ………………………………………

2. ………………………………………….
: de afstand in ………………………………………

Relatieve afstand afhankelijk van het ………………………………………….
of een
…………………………………………. .Vliegverkeer maakt de wereld ‘steeds kleiner’.
Uittreksel Basisboek 126 Landbouw

Landbouw is de wijze van voedselproductie door ………………………………………….
het ………………………………………….
en
Er zijn vier vormen van landbouw, namelijk
1. …………………………………………. .
2. …………………………………………. .
3. …………………………………………. .
4. …………………………………………. .

1. ………………………………………….
: verbouwen van
…………………………………………. (bijvoorbeeld granen en aardappels) en
………………………………………….

(bijvoorbeeld zonnebloemen en koolzaad).
2. ………………………………………….
………………………………………….
: verbouwen van
als groente, fruit en bloemen.
De bedrijven zijn veel ………………………………………….
dan bij landbouwvorm 1. Ook
wordt er per ha grond meer ………………………………………….
………………………………………….
en
gebruikt. Vooral in de
…………………………………………. ..

Mengvorm van landbouwvorm 1 en 2 heet ………………………………………….
; de
akkers zijn groter; veel handarbeid.

3. ………………………………………….
: fokken en houden van dieren voor bepaalde
producten. In de Derde Wereld ook gehouden als …………………………………………. .

4. Bosbouw: kweken van bomen ten behoeve van de ………………………………………….
of ………………………………………….
als kurk of latex.
Uittreksel Basisboek 143 Stedelijk gebied

Een centrale stad groeit soms vast aan andere plaatsen in de buurt. Er ontstaat een
………………………………………….

.
Een stadsgewest bestaat uit ………………………………………….
………………………………………….
en ………………………………………….
centrale stad zijn gericht.

Een stadsgewest vormt ook een netwerk van contacten: een
…………………………………………. ..

Stadsgewesten die met elkaar zijn verbonden noemen we een
………………………………………….
die voor
Bijvoorbeeld de Randstad.
op de


Stedelijke gebieden kunnen weer samen een ………………………………………….
zoals aan de ………………………………………….
van de Verenigde Staten: de
zogenaamde ………………………………………….
.
Een ………………………………………….
vormen,
is een enorm grote agglomeratie, bijvoorbeeld
Tokio.
Uittreksel Basisboek 144 Landelijk gebied

Landelijke gebieden zijn gebieden met ………………………………………….
…………………………………………. .
en
Op het platteland drie hoofdvormen van
grondgebruik
1. …………………………………………. .
2. …………………………………………. .
3. …………………………………………. .

Steeds meer boeren stoppen met hun bedrijf. Een deel van de landbouwgrond wordt omgezet
in ………………………………………….
.
Uittreksel Basisboek 147 Suburbanisatie

Rondom de centrale stad zijn kleine plaatsen uitgegroeid tot steden, de zogenoemde
…………………………………………. .. Deze groei is het gevolg van
…………………………………………. ..

Hiervoor twee oorzaken.

1. De ………………………………………….
naar de plaatsen in de buurt. Deze voldeden
aan de behoefte aan ………………………………………….
………………………………………….
en
.
De suburbanisatie is in de Verenigde Staten veel eerder begonnen. Deze heeft daar geleid tot
een groei van de voorsteden alle kanten uit: de ………………………………………….

2. De hoge ………………………………………….
in de voorsteden.
.
Download
Random flashcards
Create flashcards