De bril van Darwin: DEFINITIES

advertisement
De bril van Darwin: DEFINITIES
H1 – evolutie, Darwin, natuurlijke selectie
- natuurlijke selectie:
het natuurlijk systeem, mechanisme dat aan de basis van de evolutie ligt. Evolutie is een
proces, natuurlijke selectie is de kracht die dit proces realiseert. De differentiële overleving
van entiteiten.
- natuurlijke hulpbronnen:
technische term om al die dingen aan te duiden die overleving en voortplanting mogelijk
maken: voedsel, nestplaatsen, voortplantingspartners, ….
- gen
de eenheid van overerving. Een stuk DNA dat de code draagt voor 1 kenmerk. De
verschillende genen worden ingepakt in een chromosoom
- neodarwinisme:
Met de kennis over erfelijkheid de theorie van Darwin opnieuw formuleren. We vertekken
daarbij dus niet van een individu maar van een gen voor een kenmerk.
- Allelen
de gedaante waaronder een gen zich voordoet (twee of meer)
- mutatie:
de abrupte verandering binnen een populatie ten gevolge van variatie in de allelen
- voortplantingssucces:
een gen zorgt ervoor dat zijn ‘voertui’ twee dingen doet: in leven blijven & zich voortplanten.
Als het hier niet in slaagt, mislukt het genoom. Doet hij het wel, dan zal hij kopijen van
zichzelf kunnen verspreiden. Dit is wat men noemt voortplantingssucces.
- Fitness
de som van alle overlevings- en voortplantingskansen
- totale voortplantingssuces
een gen moet niet noodzakelijk van ouders op nakomelingen worden doorgegeven om
verspreid te kunnen worden. De verspreiding is ook mogelijk via verwanten, bijvoorbeeld via
broers en zussen (bij kinderloosheid)
- aanpassing
een gemuteerd gen kan meer kansen op kopieën krijgen in een milieu dat veranderd is ten
opzichte van het milieu waarin het oorspronkelijke gen kon gedijen. Het lichaam dat ontstaat
met de kernen van het gemuteerde gen is automatisch en per definitie beter aangepast aan dat
veranderde milieu.
1
H2 – de menswording, het Moederland
- bipedale houding
het op twee benen rechtop lopen. Deze mogelijkheid is een grote sprong in de evolutie, want
door het vrijkomen van de handen konden dingen gedragen en gemanipuleerd worden. (+eerste fase in evolutie van de mens)
- adaptieve radiatie
tweede fase in de evolutie van de mens. Het zich kunnen aanpassen aan bepaalde ecologische
omstandigheden.
- Homo
Derde fase van de menselijke ontwikkeling. De ontwikkeling van grotere hersenen 
ontstaan van het eigenlijke geslacht van de mens, ‘homo’ genaamd. Er ontstonden ontelbare
mogelijkheden om in te grijpen in de natuur. De homo heeft grotere schedelinhoud en kleinere
tanden in de bovenkaak dan de Australopithecus (zie infra).
- Australopithecus
Dit is de tweede groep mensachtigen (naast ‘homo’). Letterlijk vertaald betekent dit zuidelijke
mensaap. Vroeger dacht men dat de homo was ontstaan uit de Australopithecus, maar
tegenwoordig wint de opvatting veld dat beide geslachten naast elkaar zijn ontwikkeld. Na
enkele miljoenen jaren bleek de Australopithecus minder succes te hebben om uiteindelijk te
verdwijnen.
- A. Afarensis
Deze soort is bekend geworden door het fossiel ‘Lucy’. Deze was de voorouder van de andere
A.-soorten:
- A. Affricanus (Zuid Afrika)
- A. Boisei (iets later in Oost Afrika)
De eerste houdt het een half miljoen jaar uit, de tweede één miljoen jaar. Nog voor het
verdwijnen van de Africanus ontstond nog de A. Robustus. Deze werd gekenmerkt door een
zwaardere schedel en sterkere kaakspieren waardoor hij veel taaier voedsel kon eten. Maar
ook de Robustus stierf uit. Ongeveer één miljoen jaar geleden was er van het geslacht
Australopithecus geen sprake meer.
- ontwikkeling van de homo
De eerste beschreven soort die in Afrika rondliep was de Homo Habilis. Sommigen menen dat
hij evolueerde uit de A; Africanus, maar het is meer waarschijnlijk dat hij afstamt van een
homo soort die wij nog niet kennen. Letterlijk betekent H. Habilis ‘handige mens’. Hij kreeg
die naam omdat zijn schedelinhoud aanzienlijk groter was dan die van de A’s. Ook deze soort
hield het niet veel langer dan één miljoen jaar uit. Hij werd succesvol opgevolgd door de H.
Erectus. Deze naam heeft hij te danken aan het feit dat hij rechtop liep (achteraf heeft men
gezien dat zijn voorgangers dat ook al deden). Na ongeveer 1,5 miljoen jaar moest ook de H.
Erectus het opgeven, maar hij deed dit niet zonder dat hij zorgde voor een ‘moderne mens’: de
Homo Sapiens, de ‘verstandige mens’, de soort waartoe alle mensen vandaag nog steeds
behoren.
- cultuur:
in de biologie wordt daarmee bedoeld: het geheel van artefacten, voorwerpen, gedragingen
die door een wezen zijn ontworpen, verbeterd, aangepast en gebruikt voor een of ander doel
2
- out of Africa hypothese
De kolonisatie van de wereld door een migratie vanuit het oorspronkelijke thuisland in Afrika.
- Homo Sapiens Neanderthalensis (Neanderthaler)
Deze worden ondergebracht in de homo soort. Als men de schedelomvang van deze soort
bekijkt, dan valt de overgang van H. Erectus naar deze soort meteen op. Het vooruitstekende
midden aangezicht en de dikke schedel plaatst hen dichter bij de Erectus, maar door de grote
schedelinhoud en dus de grotere hersenmassa behoren ze toch tot het homo geslacht.
- Environment of Evolutionary Adaptedness (E.E.A.)
Dit is het geheel van omgevingsfactoren waarin onze voorouders leefden en waaraan hun
soort of populatie na vele generaties natuurlijke selectie waren aangepast. Letterlijk vertaald
wordt dat: ‘de omgeving van het evolutionaire aangepast zijn’. Er is geen officiële
Nederlandse vertaling, in het boek spreekt men van ‘moederland’.
- lactase
dit enzym wordt in ons lichaam aangemaakt (bij alle zoogdieren), zodat jonge individuen met
behulp van het enzym de (moeder) melk (lactase of melksuikers) kunnen afbreken.
Aanvankelijk werd dit enzym enkel aangemaakt in kinderlichamen. Na aanpassing behielden
veel volwassenen de mogelijkheid om lactase af te breken waardoor hun menu uitgebreider
werd. Zwarte mensen en Aziaten ontberen nog dikwijls lactase op hogere leeftijd, waardoor
zij verteringsproblemen ondervinden van melkproducten.
H3 – wat is gedrag?
- autotroof
dit zijn organismen die zelf voor hun voeding zorgen (vb.: planten, bomen, …)
 heterotroof: halen voedsel bij anderen (vb.: dieren, maar ook schimmels en paddestoelen)
- fotosynthese
licht wordt gebruikt voor de samenstelling van moleculen (voedsel). Wezens die aan
fotosynthese doen, zijn autotroof, ze voorzien zelf in hun voedsel.
- heterotrofen
halen hun voedsel bij anderen
- thalamus
deel van de hersenen
- ruggenmerg
‘ons biologisch zakrekenmachientje’: om eenvoudige problemen snel op te lossen
- behavioristen
Ontstaan in de VS, begin 20e eeuw, o.a. Burrhus F. Skinner, skinnerboxen
- ethologie
Als reactie op de onnatuurlijke manier van bestuderen, eigen aan behaviorisme
(experimenten). O.a. Konrad Lorenz.
= de studie van het gedrag met methodes eigen aan de biologie, dus zonder verstoren van de
normale gang van zaken.
3
- sociobiologie
E. Wilson. Sociobiologie kan ook kennis opleveren over menselijke gedragsmechanismen.
H4 – Genen van gedrag, evolutie van gedrag
- aangeboren gedrag
gedrag dat door genen bepaald wordt
- aangeleerd gedrag
gedrag dat door de ervaring bepaald is
- soortspecifiek signaal
bepaalde gedragingen komen universeel voor, bij alle leden van een soort, bvb. bij de mens
- wenkbrauwgroet
een voorbeeld van een intraspecifiek signaal (zie hierna). We danken de kennis over deze
universele begroeting aan Eibl-Eibesfeldt en zijn uitgebreide foto- en filmmateriaal. Het gaat
om de kleine, subtiele begroeting tussen onbekenden en omvat: glimlachen, wenkbrauwen
gedurende 1/6 seconde optrekken, wanneer men de andere voldoende dicht genaderd is. Heeft
een vriendelijke functie en verloopt volledig onbewust. Deze groet is aangetoond bij alle
volkeren en is dus aangeboren, soortspecifiek en niét aangeleerd.
- interspecifiek signaal
als een bepaalde gedraging ook over de soortgrenzen heen voorkomt.
Vb.: wenkbrauwgroet bij mens en chimpansee.
- homologe kenmerken
kenmerken die gelijkend zijn door afstamming
- analoge kenmerken
kenmerken die bij verschillende groepen of soorten gelijkend zijn omdat ze als oplossing
dienen voor een zelfde probleem.
Vb.: stroomlijn van vissen en dolfijnen.
- culturele transmissie
gedrag dat door aanleren, cultureel wordt overgedragen en niet genetisch.
vb. het totaal innovatieve gedrag bij Japanse makkaken, die in groep bestudeerd werden
terwijl hen zoet aardappelen werden gevoerd op een strand. Zij leerden de aardappelen in zout
water wassen. De culturele transmissie hield lang stand en zorgde uiteindelijk voor een hele
subpopulatie die het groenten wassen meester was.
- Evolutionair Stabiele Strategie (E.S.S.)
= evenwicht in de evolutie van gedragsstrategieën
John Maynard Smith, gerenomeerd Engels evolutiebioloog zag de gelijkenissen tussen de
economische ruil en beslissingsstrategieën in de biologische wereld. Hij paste de speltheorie,
een analysemethode uit de economie. Hij zag dat de speltheorie toegepast kan worden op
sociaal gedrag. Speltheorie = wiskundige theorie die nagaat welke de beste strategie is.
Duif – Havik strategieën tov elkaar.
- Mutant = Wanneer een speler van strategie verandert, bvb van duif naar havik.
4
- Groepsselectie
Selectie grijpt niet in op groepen en zelfs niet op individuen. Natuurlijke selectie kijkt alleen
naar genen. Konrad Lorenz zondigt tegen dit principe wanneer hij vertelt dat dieren geen
gedrag voortbrengen dat de soort kan schaden.
- Proximale vs. ultieme factoren
proximaal: zaken die onmiddellijke of directe beïnvloeding van gedrag kunnen regelen,
prikkels waar hier en nu op wordt gereageerd
ultiem: de functie die gemaakt zijn door de evolutie en die de indirecte veroorzaking van
gedrag regelen.
- agressieremming en deemoedsgedrag
agressieremming of –inhibitie
H5 – waarom en waardoor? Over proximaal en ultiem
Proximale vs. ultieme vraagstelling
Proximaal: waardoor, directe oorzaak?
Ultiem: waartoe, wat is de uiteindelijke functie, het biologische nut?
Ultieme causaliteit = selectiedruk
Prikkel en signaal
Prikkel: fysisch verschijnsel dat gedrag in gang zet
Signaal: specifieke prikkel die door een soortgenoot wordt gegenereerd
Filteren: enkel die prikkels die biologisch van belang zijn, worden doorgelaten. Dat is zelden
meer dan 1 tien miljoenste van de totale informatie uit de omgeving!
Perifere prikkelfiltering: filtering die op zintuiglijk niveau plaatsgrijpt
Fijne filtering: informatie die op een bepaald moment van belang is en daarom tijdelijk alle
aandacht opeist.
Corpus geniculatum laterale
Onderste deel van de thalamus. Zou de plaats kunnen zijn waar de fijne filtering van prikkels
plaatsvindt.
Herkennen van gezichten: Verwerken van een gestalt
- gestalt: de gehele waargenomen structuur, de totaliteit, wordt als één waargenomen
vb.: Mozart’s Kleine Nachtmusik
prikkelsummatie
het optellen van prikkels om een groter effect te bekomen. ~ prikkelsterkte
→ supranormale prikkel; vb. meeuw wil blijven broeden op reuze-ei
→ supranormale prikkels: ook bij de mens ; vb. push-up, siliconen, make-up
motivatie
drang of motivatie om te vluchten, vechten, vrijen, …Wordt veroorzaakt door inwendige
prikkels, hormonen, programma van de hersenen om gedrag cyclisch te laten verlopen
(biologische klok).
5
Een conflict tussen twee situaties
=> conflictgedrag
=> kan leiden tot ambivalent gedrag: tegenstrijdige gedragingen
=> omgericht gedrag: handeling kan niet worden uitgevoerd, maar wordt ‘omgericht’ naar een
surrogaatobject. Vb.: met deuren slaan
=> doorgeven van agressie
=> overspronggedrag: vb. scholekster en spiegel => vleugels poetsen
vb.: oversprongkrabben, geeuwen, urineren, eten, iets schikken, ordenen, …
H6 – seksualiteit, ouderzorg en voortplantingssucces
Seksueel conflict
Doet zich het eerst voor bij het besluit van de verschillende voortplantingspartners om zich al
dan niet voort te planten. De basis van het seksueel conflict heeft aberraties, zoals
verkrachting, mogelijk gemaakt, al zullen ook wel andere factoren in het spel zijn, zoals
pathologie en socialisering. Want stel dat er een gen zou ontstaan dat zegt: ‘paring, tout
court’, zonder al de dure hofmakerij, dan zou de bezitter van dit gen, in biologisch opzicht,
succes kennen. Maar, dit is echter geen ESS, want als alle mannen deze strategie zouden
aanwenden, dan zou ze niet meer lonen. De vrouwen brengen dan bovendien alleen de
kinderen groot, wat het voortplantingssucces van de man verlaagt (kinderen zij minder goed
verzorgd, lopen meer risico’s)
Meervoudig paren
Paren met meerdere partners
=> spermacompetitie, spermaoorlog: strijd van de zaadcellen om het eerst de eicel te bereiken
vb.: waterjuffers ♂ schrapen vagina ♀ leeg alvorens zelf… Honden hebben zwelling penis, …
Rol van de hoeveelheid zaad, de kwaliteit, de vorm van de penis, grootte van teelballen, …
=> illustratie: Oerang-oetangs leven solitair en zijn monogaam. De mannetjes hebben kleine
teelballen. Gorilla’s leven in groepen, met hiërarchie onder meerdere mannetjes, zij hebben
enorme kloten 
Overspel
= uitingen van een gedragsstrategie die succesvol gebleken is, géén ‘ongelukjes’.
Vb.: mannetjesmezen, beperkte territoria, rijke en arme mannetjes. Vrouwtjes van arme
mannetjes halen goede genen in huis, van bij de buurman en weet zich ondertussen toch
verzekerd van ouderzorg. Genetisch onderzoek toont aan dat niet alle jongen in het nest
dezelfde vader hebben. Wraak bij overspel is meestal verregaand, de vrouwtjes hebben vaak
baat bij monogame relatie, wat overspel toch wat tegengaat. Maar: de mens gedraagt zich niet
monogaam! Techniek van de vrouw om zaad in de baarmoeder op te nemen, speelt rol in al
dan niet plaatsvinden van een bevruchting ~ orgasme van de vrouw.
Jaloezie
Geheel van genen dat een biologisch systeem vormt dat er voor zorgt dat de partner weinig of
geen contact heeft met andere mannetjes. Vrouw kent een andere invulling van jaloezie als
gevolg van de verschillende gevolgen van overspel. Emotionele band, vs. genetische band.
Partnerkeuze
… voor vrouwen => economische hulpbronnen
… voor de mannen => jeugdigheid
Onzekerheid over het vaderschap
6
Sex-appeal
Man maakt in feite jacht op buitenste schors van eierstokken, waar eicellen zitten. Omdat
deze nooit zichtbaar zijn, richt hij zich op secundaire kenmerken => vrouwelijke schoonheid
Borsten: < coïtus met frontaal aanzicht van de partners.
Billen of gluteus maximus spieren (< rechtoplopen + ♀ ook: verleiden): vervangen de
tomaatzwelling die ~ vroegere coïtushouding (zoals bij apen)
Ouderinvestering
Moederinvestering
vaderinvestering
ouderlijk favoritisme: niet alle kinderen krijgen evenveel aandacht, omdat zij in genetisch
opzicht niet allemaal dezelfde ‘return’ geven.
Grootouderinvestering
Over neven, nichten en totaal voortplantingssucces: fitness wordt niet alleen door eigen
voortplantingssucces bepaald, ook door het succes van verwanten.
Verwantenselectie: wanneer genen in de evolutie geselecteerd worden via nakomelingen van
de eigen drager én nakomelingen van verwante dragers
Kindermoord of infanticide: zie vb. met leeuwen die daardoor meteen terug in oestrus komen
Pedofilie: < jeugdigheid
Homoseksualiteit: seks al cultureel fenomeen, los van procreatie? Nog geen duidelijkheid!
Maar: ook seks in andere vormen van procreatief bij o.m. bonobo’s!
H7 – agressie, oorlog en dominantie
Agonistisch gedrag: geheel van twee systemen dominantie en onderwerping
Agressie:
Ruilhandel of diefstal?
Verdediging tegen rovers
Afzwakken van seksuele rivalen
Verhogen van de status
Afschrikken
Afschrikken van partner voor ontrouw
Waarom zijn mannen agressiever dan vrouwen?
Politiestatistieken
Oorlogvoering
(Recessieve overerving ↔ dominante overerving)
Inteelt en oorlog
(seksuele aversie-gen; XEN = aantrekking tot vreemde individuen)
(wapenwedloop: strijd tussen ≠ organismen om alsmaar betere wapens te ontwikkelen)
Dominantie en status
Dominantiehiërarchie en status
Sociale aandacht
Welke factoren bepalen dominantie?
7
H8 – communicatie en taal
Taal = Aangeleerd gedrag?
Taal is communiceren, maar communiceren is niet noodzakelijk taal
Actief proces: actor – reactor
Interspecifieke communicatie: over de soortgrenzen heen
Niet de structuur maar het ontstaan van taal is een biologisch proces, een exponent van de
natuurlijke selectie.
Geur en communicatie: feromonen (vb.: bij sociale insecten)
Androstenol (in okselzweet) kan worden omgezet in androstenon, ♀ verkiezen die geur.
< apocriene klieren => herkenning aan de hand van geur, ♀ blinken uit (baby’s!)
communicatie door aanraken of tactiele communicatie
communicatie via de ogen
spiegelgedrag of congruentie → vb.: verliefd stel in ‘tête-à-tête
gezichtsuitdrukkingen of faciale expressie
→ geweldig complexe gestalt (zie H5)
de ogen => grote ogen zijn aantrekkelijk ≈ Belladonna (wolfskers, verwijdt pupillen)
antitheseprincipe
als motivatie wordt omgekeerd, dan zal ook het gedrag omdraaien. Bijvoorbeeld van agressie
naar angst, van hoge naar lage houding, groot naar klein. Al beschreven door Darwin.
Antitheseprincipe in faciale expressies.
Productie en reactie op signalen via gezichtexpressies gaat buiten bewuste wil om.
Sematectonisch signaal: visueel signaal dat blijvend van aard is en niet verdwijnt, zoals een
beweging of een houding. Vb. een structuur of bouwwerk van een dier dat voor soortgenoten
een betekenis heeft.
Communicatie via de oren of akoestische communicatie
Betekenis van huilen
Endorfine: natuurlijk opiaat dat pijnstillend werkt.
Gecombineerde signalen en metacommunicatie (communicatie boven op communicatie)
Non-verbale communicatie of niet-talige communicatie
Chomsky: De menselijke taal : taal is aangeboren, althans zeker wat betreft de ‘hardware’ en
hij beschikt meteen over heel wat ‘software’ om mee te spreken ook. Mens is geen ‘tabula
rasa’
Stephen Gould: we moeten niet elke structuur of elk fenomeen als aanpassing beschouwen, er
zijn tal van ‘nevenproducten’, vergelijkbaar met driehoeken tussen bogen, in gewelven.
Pidgin = sterk vereenvoudigde taal
Taal wordt serieel doorgegeven.
Chromosomen worden ook wel ‘het geheugen van de soort’ genoemd omdat ze een
schatkamer zijn van massa’s ervaringen van onze voorouders die genetisch zijn vastgelegd.
8
H9 – Hersenen en bewustzijn
Neuronen: zenuwcellen in de hersenen, alle actieve basiselementen van ons brein. Eenvoudig
en quasi overal gelijk principe van prikkelverwerking, kleine elektrische impuls wordt
doorgegeven, geaccumuleerd, waardoor een andere cel reageert met inhibitie of activatie.
Bewustzijn
1. aandacht, richten van aandacht op één punt
2. Abstract beeld, de creatie van en het omgaan met abstracte beelden.
3. betekenis van handeling van tevoren nagaan, plannen en verwachten
dieren en bewustzijn
chimpansee krijgt rode stip op voorhoofd (onder verdoving), hij betast voorhoofd als hij voor
spiegel staat, niet het spiegelbeeld.
Theory of mind:
Ik begrijp wat jouw of zijn geestestoestand is
Ik weet dat jij weet.
…
9
10
Download
Random flashcards
Create flashcards