Oorspronkelijke stukken Allogene stamceltransplantatie na niet-myeloablatieve conditionering: gunstige ervaringen bij 21 hoogrisicopatiënten met een hematologische maligniteit behandeld in het Universitair Medisch Centrum Utrecht e.j.petersen, h.l.lokhorst en l.f.verdonck Hoge dosis myeloablatieve chemo- of radiotherapie (zogenaamde conditionering), gevolgd door allogene hematopoëtische-stamceltransplantatie wordt frequent toegepast voor de behandeling van patiënten met een hematologische maligniteit. Met het stijgen van de leeftijd neemt de kans op aan de conditionering gerelateerde toxiciteit en omgekeerde afstoting (‘graftversus-host’-ziekte (GVHD)) toe, en daarmee de sterfte. Daarom wordt deze behandeling beperkt tot jongere patiënten in een goede klinische conditie.1 2 In een poging om de aan de transplantatie gerelateerde sterfte te reduceren bij oudere of uitgebreid voorbehandelde patiënten, zijn verschillende niet-myeloablatieve conditioneringsregimes ontwikkeld. Meerdere publicaties hebben namelijk laten zien dat het aanslaan van donorcellen ook kan worden bereikt na een voorbehandeling met fludarabine of met een lage dosis totale lichaamsbestraling. Bij deze zogenaamde niet-myeloablatieve conditionering wordt er niet naar gestreefd het beenmerg leeg te maken, maar wordt een immuunsuppressieve conditionering gegeven.3-7 Afstoting van de tumor door het transplantaat. Basis voor het ontwikkelen van deze minder intensieve conditioneringsschema’s is het concept dat het curatieve effect van allogene stamceltransplantatie niet alleen berust op de conditionering, maar vooral op afstoting van de tumor door het transplantaat (‘graft-versus-tumour’effect). Onderbouwing voor dit graft-versus-tumoureffect is geleverd door de waarneming dat patiënten met een recidief na allogene transplantatie opnieuw een remissie kunnen bereiken na behandeling met leukocyten van de oorspronkelijke donor (donorleukocyteninfusie).8 9 Dit effect werd het eerst beschreven bij patiënten met een chronische myeloïde leukemie. Inmiddels blijkt bij meerdere hematologische maligniteiten een graftversus-tumoureffect een rol te spelen. Op basis van deze gegevens hebben wij een protocol ontwikkeld voor de behandeling van patiënten met hematologische maligniteiten die op grond van hun leeftijd of performale status niet in aanmerking kwamen voor allogene stamceltransplantatie volgens standaardproto- Universitair Medisch Centrum Utrecht, afd. Hematologie (huispost G.03.647), Heidelberglaan 100, 3584 CX Utrecht. Mw.dr.E.J.Petersen, dr.H.L.Lokhorst en dr.L.F.Verdonck, hematologen. Correspondentieadres: mw.dr.E.J.Petersen ([email protected]). 2328 Ned Tijdschr Geneeskd 2003 22 november;147(47) samenvatting Doel. Resultaten beschrijven van allogene stamceltransplantatie na niet-myeloablatieve conditionering bij hoogrisicopatiënten met een hematologische maligniteit. Opzet. Prospectief en descriptief. Methode. In het Universitair Medisch Centrum Utrecht werden 21 patiënten met verschillende hematologische maligniteiten in een vergevorderd stadium van hun ziekte behandeld met allogene stamceltransplantatie na niet-myeloablatieve conditionering. De patiënten waren ofwel jonger dan 55 jaar en kwamen wegens comorbiditeit niet in aanmerking voor standaard allogene stamceltransplantatie, of waren 55-70 jaar; zij moesten kunnen beschikken over een HLA-identieke familiedonor of over een donor bij wie 1 antigeen-‘mismatch’ aanwezig was. Zij werden behandeld met een combinatie van fludarabine en een lage dosis totale lichaamsbestraling, gevolgd door het toedienen van een ongemanipuleerd stamceltransplantaat. Resultaten. Het aanslaan van de stamcellen verliep bij op één na alle patiënten snel, waarbij 9 patiënten 4 weken na de stamcelinfusie al een volledig donorcelchimerisme lieten zien. In totaal waren uiteindelijk 12 patiënten volledig donorchimerisch, van wie 1 na donorleukocyteninfusie; 7 patiënten waren nog gemengd chimerisch, met 80% donorcellen. Bij 13 patiënten werd acute ‘graft-versus-host’-ziekte gezien; bij 10 patiënten was deze licht en voorbijgaand. Na een mediane follow-up van 9 maanden waren 5 patiënten (24%) overleden, 4 ten gevolge van progressie van hun ziekte en 1 door een met de transplantatie samenhangende oorzaak. Conclusie. Allogene stamceltransplantatie na niet-myeloablatieve conditionering was een goed uitvoerbare behandeling met een lage, aan de transplantatie gerelateerde sterfte. Het lijkt met name een goede behandelingsoptie voor oudere patiënten die een hoog risicoprofiel wat betreft hun ziekte hebben. collen.6 Deze patiënten werden behandeld met een ‘nietmyeloablatieve stamceltransplantatie’. patiënten, materialen en methoden Inclusiecriteria. Patiënten in de studie waren ofwel patiënten jonger dan 55 jaar die wegens comorbiditeit niet in aanmerking kwamen voor standaard allogene stamceltransplantatie, ofwel patiënten van 55-70 jaar met verschillende hematologische maligniteiten in een vergevorderd stadium van hun ziekte (de diagnosen zijn weergegeven in de tabel). Eén oudere patiënt met acute myeloïde leukemie (patiënt K) en 4 patiënten met multipel myeloom (patiënten Q-T) werden de facto volgens Kenmerken van 21 patiënten die wegens een hematologische maligniteit werden behandeld met niet-myeloablatieve allogene stamceltransplantatie patiënt; diagnose* geslacht; leeftijd ziektestatus‡ donor§ DLI|| chimerismeq GVHD** respons†† follow-up in maanden‡‡ aGVHD 1; cGVHD bep aGVHD 2; cGVHD uit aGVHD 1; cGVHD uit aGVHD 1; cGVHD uit aGVHD 2; cGVHD uit CR 32 PR na DLI † na 14; longembolie in PR 26 A;;34 hoogrisicoPR T-cel-ALL B;;57 MM progressieve ziekte HLA-id sib – FD HLA-id sib 1 × 107 FD C;;43 MM HLA-id sib 1 × 107 FD HLA-id sib – FD recidief na autologe transplantatie; PR na reïnductie F;;66 MM recidief na autologe transplantatie; PR na reïnductie G;;26 2e recidief huidrecidief; van ALL BM-recidief H;;20 cutaan T-cel- refractaire ziekte lymfoom J;;36 ALL; Ph+ refractaire ziekte K;;57 AML CR sib met 1 Agmismatch – FD HLA-id sib – FD cGVHD bep MRD 15; recidief na 14 HLA-id MUD – FD aGVHD 3 CR † na 3; GVHD vader met 1 Agmismatch HLA-id MUD HLA-id sib 1 × 10 FD aGVHD 1 CR – – progressie CR 12; recidief na 11; 2e CR na DLI † na 9; progressief 12 L;;52 MM HLA-id sib D;;57 laaggradig NHL E;;52 MM; del 13 recidief na autologe transplantatie refractaire ziekte recidief; PR na reïnductie 6 – gemengd 1 × 107 + gemengd, 5 × 107 voornamelijk donor – gemengd, voornamelijk donor – FD M;;54 intermediair recidief na autologe B-cel-NHL transplantatie; PR op anti-CD20-antistoffen N;;34 MM PR na autologe transplantatie O;;67 mantelcelrefractair recidief lymfoom P;;36 MM; del 13 PR na autologe transplantatie HLA-id sib HLA-id sib – Q;;55 MM; del 13 PR na autologe transplantatie HLA-id sib – R;;39 MM refractaire ziekte na autologe transplantatie PR na reïnductie HLA-id sib – HLA-id sib – PR na autologe transplantatie HLA-id sib – S;;68 MM; del 13 T;;51 MM MUD met 2HLA- – mismatches HLA-id sib – U;;43 intermediair PR na reïnductie B-cel-NHL vader met HLA- – mismatch V;;55 MDS met mastocytose HLA-id sib geen voorbehandeling – niet aanslaan PR na DLI progressie CR † na 4; progressieve ziekte 18 aGVHD 1; CR cGVHD bep 12 – CR 9 – – 9 FD aGVHD 2; SD cGVHD uit gemengd, aGVHD 2; CR voornamelijk cGVHD bep donor gemengd, – PR voornamelijk donor gemengd, aGVHD 2 PR voornamelijk donor gemengd, aGVDH 1 PR voornamelijk donor FD – PR gemengd, aGVHD 1 voornamelijk donor FD – CR CR (MDS) † na 9; progressieve ziekte 7 7; toename van respons na allogene SCT 7; toename van respons na allogene SCT 6; toename van respons na allogene SCT 6; toename van respons na allogene SCT 5 5; klinische verbetering van mastocytose *ALL = acute lymfatische leukemie; MM = multipel myeloom; NHL = non-hodgkinlymfoom; del 13 = deletie van chromosoom 13 (prognostisch ongunstige factor bij MM); Ph+ = Philadelphia-chromosoompositief (dat is prognostisch ongunstig bij ALL); AML = acute myeloïde leukemie; MDS = myelodysplastisch syndroom. ‡PR = partiële remissie; reïnductie = hernieuwde inductietherapie met cytostatica; BM = beenmerg; CR = complete remissie. §HLA-id = HLA-identiek; sib = broer of zus; Ag = antigeen; MUD = gematchte onverwante donor. ||Infusie met donorlymfocyten. qFD = volledig donorcelchimerisme. **GVHD = ‘graft-versus-host’-ziekte; aGVHD = acute GVHD (in 3 graden: 1, 2 of 3); cGVHD = chronische GVHD (bep = beperkte vorm; uit = uitgebreide vorm). ††CR = complete remissie; PR = partiële remissie; DLI = infusie met donorlymfocyten; MRD = minimale residuale ziekte; SD = stabiele ziekte; MDS = myelodysplastisch syndroom. ‡‡ † = overleden; PR = partiële remissie; GVHD = ‘graft-versus-host’-ziekte; CR = complete remissie; DLI = infusie met donorlymfocyten; SCT = stamceltransplantatie. Ned Tijdschr Geneeskd 2003 22 november;147(47) 2329 dit protocol behandeld doordat zij geïncludeerd waren in een andere studie waarin niet-myeloablatieve transplantatie onderdeel van het behandelingsprotocol was. Patiënten moesten kunnen beschikken over een HLA-identieke familiedonor of over één bij wie 1 antigeen-‘mismatch’ aanwezig was. In uitzonderingsgevallen werd materiaal van een passende onverwante donor gebruikt. Andere inclusiecriteria waren: Karnofsky-score voor dagelijks functioneren 70 op een schaal van 100, levensverwachting 2 maanden, cardiale ejectiefractie 50% en schriftelijke ‘informed consent’. In de studie werden 21 patiënten geïncludeerd vanaf april 2000. Een overzicht van de patiënten wordt gegeven in de tabel. Behandelschema. Alle patiënten werden klinisch behandeld met fludarabine 30 mg/m2 i.v. op dag –4, –3 en –2 vóór de transplantatie (op dag 0), gevolgd door 200 cGy totale lichaamsbestraling in één enkele fractie op dag –1; 4 van de patiënten met een multipel myeloom (Q-T) kregen alleen 200 cGy totale lichaamsbestraling. Zij hadden 6 tot 8 weken tevoren een autologe stamceltransplantatie ondergaan als onderdeel van het ‘Hemato-Oncologie voor Volwassenen Nederland’(HOVON)50-myeloombehandelingsprotocol. Op dag 0 volgde infusie van het ongemanipuleerde stamceltransplantaat. Patiënten met een HLA-mismatch-familiedonor of met een gematchte niet-verwante donor kregen voorafgaand aan het fludarabinegebruik gedurende 4 opeenvolgende dagen (dag –8 tot –5) antithymocytenglobuline (ATG) 2 mg/kg/dag i.v. Ontslag uit de kliniek volgde op de dag na de stamceltransplantatie. Profylaxe tegen GVHD bestond uit mycofenolzuur (mofetil) 15 mg/kg 2 dd per os van dag 0 tot dag +28 in combinatie met ciclosporine 6,25 mg/kg 2 dd per os van dag –1 tot dag +84. Ciclosporine werd daarna afgebouwd op geleide van het chimerismeonderzoek (zie verder) en van GVHD. Stamcelmobilisatie. Donoren kregen voor het mobiliseren van stamcellen uit het beenmerg naar het perifere bloed granulocytkoloniestimulerende factor (G-CSF) 5 mg/kg 2 dd s.c., te beginnen 5 dagen vóór de transplantatie. Leukaferese vond plaats op de dag van de transplantatie. In enkele gevallen was een tweede leukaferese noodzakelijk. Er werden tenminste 5 × 106 CD34+cellen per kg lichaamsgewicht van de ontvanger geoogst. Ondersteunende therapie. Alle patiënten kregen selectieve darmdecontaminatie, bestaande uit ciprofloxacine 500 mg 2 dd en fluconazol 50 mg 1 dd, totdat het aantal neutrofiele granulocyten weer was gestegen tot boven de 500 × 106/l op 2 achtereenvolgende dagen. Ter preventie van virale infecties werd valaciclovir 500 mg 2 dd gegeven vanaf dag –5 (bij mismatchdonoren of niet-verwante donoren vanaf dag – 9) gedurende 1 jaar. Profylaxe tegen Pneumocystis carinii bestond uit cotrimoxazol 480 mg 2 dd vanaf dag –5 (of – 9) gedurende 15 maanden. Alle erytrocyten en trombocyten voor eventuele transfusies werden vooraf bestraald. Chimerismebepaling. ‘Chimerisme’ is een term die in de hematologie wordt gebruikt voor het onderscheiden van patiënt- en donorcelhematopoëse bij degene die de transplantatie heeft ondergaan. Als alle hematopoëse 2330 Ned Tijdschr Geneeskd 2003 22 november;147(47) van de donorstamcellen afkomstig is, spreekt men van een ‘volledig donorcelchimerisme’. Chimerisme werd bepaald in de T- en non-T-celfractie van perifeer bloed, op 4, 8, 12, 26, 39, 52, 65, 78, 91 en 104 weken na de transplantatie. Hierbij werd gebruikgemaakt van een techniek waarbij ‘short tandem repeats’ (STR’s) van 4 basenparen worden gedetecteerd met fluorescerende primers door middel van PCR en geanalyseerd met behulp van genscanning.10 Infusie van donorleukocyten. Patiënten bij wie in het perifere bloed nog meer dan 50% ‘eigen’ cellen aanwezig was (gemengd chimerisme) kregen een infusie met donorleukocyten op dag 90. Voorwaarde was wel dat de immuunsuppressie volledig gestaakt was en dat er geen of een minimale GVHD aanwezig was. Bij de niet-myeloompatiënten werden donorleukocyten ook gegeven als er nog residuale ziekte aanwezig was. De T-celdosis in de donorleukocyten bedroeg 1 × 107 CD3+-cellen/kg (in het geval van een HLA-mismatchdonor of onverwante donor: 1 × 106 CD3+-cellen/kg). Chimerisme werd geëvalueerd 4 en 8 weken na leukocyteninfusie. Als na 8 weken nog gemengd chimerisme ( 50% patiëntcellen) of residuale ziekte aanwezig was en er geen belangrijke GVHD was, volgde een tweede donorleukocyteninfusie. De T-celdosis bedroeg dan 1 × 108 respectievelijk 1 × 107 CD3+-cellen/kg. resultaten Aanslaan van de stamcellen. Van de 21 patiënten lieten er 20 een snel aanslaan van de donorstamcellen zien; de 21e (N) had een leukocytenaantal van 0,1 × 109/l op 5 achtereenvolgende dagen. 2 patiënten (G en V) hadden als laagste leukocytenwaarde 0,2 × 109/l. Alle andere patiënten hadden nooit waarden 0,5 × 109/l. 2 patiënten (G en D) hadden een éénmalige trombocytentransfusie nodig bij een trombocytengetal 15 × 109/l; 1 van deze patiënten (G) was vóór de transplantatie reeds afhankelijk van trombocytentransfusie en werd transfusieonafhankelijk 2 weken na de transplantatie. Geen enkele patiënt had een transfusie met rode bloedcellen nodig. Bij 1 patiënte (N) met een multipel myeloom sloegen de donorstamcellen niet aan. Zij had 6 weken vóór de allogene transplantatie een autologe transplantatie ondergaan en onderging transplantatie met stamcellen van een onverwante donor die niet geheel compatibel was (mismatch op 2 HLA-factoren). Haar beenmerg repopuleerde volledig na een ‘rescue’-behandeling met autologe stamcellen. Chimerisme en donorleukocyteninfusie. Met uitzondering van de patiënte (N) bij wie de donorstamcellen niet aansloegen, werd bij alle patiënten 4 weken na de transplantatie een gemengde donor- en patiëntenhematopoëse dan wel een volledige donorcelhematopoëse (respectievelijk een gemengd dan wel een volledig donorcelchimerisme) aangetoond (zie de tabel). Van de patiënten bereikten 11 een volledig donorcelchimerisme na de stamcelinfusie. Eén patiënt (B) met gemengd chimerisme kreeg na 8 weken een donorleukocyteninfusie en bereikte een volledig donorcelchimerisme. Patiënt J was kortdurend gemengd chimeer, maar converteerde beschouwing Allogene stamceltransplantatie is de enige curatieve optie voor een groot aantal patiënten met een hematologische maligniteit. De belangrijkste bijdrage aan het curatieve effect van deze behandeling wordt geleverd door de donor-T-lymfocyten, het zogenaamde T-celgemedieerde graft-versus-tumoureffect. Deze behandeling 1,0 0,8 overlevingskans ondanks een donorleukocyteninfusie na 8 weken naar een volledige patiëntenhematopoëse en overleed later aan zijn acute lymfatische leukemie. Patiënt K was na 8 en na 16 weken nog steeds gemengd chimeer zonder GVHD en kreeg 2 maal een donorleukocyteninfusie. Hierop was er een geleidelijke verschuiving richting donorchimerisme. Deze patiënt kwam wel in complete remissie van zijn ziekte. Patiënt C was 8 weken na de transplantatie volledig donorchimerisch, maar toonde progressie van zijn multipel myeloom. Hij bereikte een partiële respons na behandeling met donorleukocyten. Van de patiënten bereikten er 2 (M en O) een volledig donorcelchimerisme respectievelijk 4 en 6 maanden na de transplantatie; 7 patiënten (K, L, P-S en U) waren bij de laatste follow-up nog gemengd chimerisch, met meer dan 80% donorcellen. Graft-versus-hostziekte. Van de patiënten kregen er 13 (52%) acute GVHD, 7 met graad 1, 5 met graad 2 en 1 met graad 3 (zie de tabel). Chronische GVHD werd gezien bij 9 patiënten (43%), 4 patiënten met een beperkte vorm en 5 patiënten (24%) met een uitgebreide chronische GVHD van huid en slijmvliezen, waarvoor voortzetting van de immuunsuppressie nodig was. Er hadden 7 patiënten in het geheel geen GVHD. Patiënt G had een acute GVHD graad 3 en overleed ten gevolge van multiorgaanfalen bij een gramnegatieve sepsis. Toxiciteit. Eén uitgebreid voorbehandelde patiënt (G), die de niet-myeloablatieve transplantatie onderging 3 maanden na een autologe stamceltransplantatie, overleed ten gevolge van een gramnegatieve sepsis; daarmee bedroeg de aan transplantatie gerelateerde sterfte 5%. Twee patiënten (E en H) hadden een reactivering van latente Cytomegalovirus-infectie, waarvoor zij behandeld werden met ganciclovir, met een goede respons. Patiënte H kreeg na de transplantatie auto-immuuntrombopenie en -anemie, waarvoor zij behandeld werd met immuunglobulinen, met een volledige respons. Respons en overleving. Van de patiënten hadden er 15 (71%) een respons op de niet-myeloablatieve transplantatie, van wie 10 (48%) een complete remissie bereikten. 2 patiënten (H en K) met refractair myeloom bereikten alsnog een partiële respons na donorleukocyteninfusie. De 4 myeloompatiënten (Q-T) die eerst een autologe stamceltransplantatie hadden ondergaan, hadden allen een toename van de respons na de niet-myeloablatieve transplantatie (zie de tabel). 2 patiënten (F en H) kregen een recidief. Patiënte H met een cutaan T-cellymfoom bereikte een 2e complete remissie na donorleukocyteninfusie. Na een mediane follow-up van 9 maanden waren 5 patiënten (24%) overleden, 4 ten gevolge van progressie van hun ziekte en één door een met de transplantatie samenhangende oorzaak (figuur). 0,6 0,4 0,2 0,0 0 10 20 30 40 maanden Kaplan-Meier-overlevingscurve van 21 patiënten die nietmyeloablatieve allogene stamceltransplantatie ondergingen. De mediane follow-up bedroeg 9 maanden. kent echter aanzienlijke therapiegerelateerde morbiditeit en sterfte. Om deze reden is de conventionele allogene stamceltransplantatie slechts een behandelingsoptie voor jongere patiënten in een goede conditie en zonder ernstige comorbiditeit. Recent hebben meerdere groepen gerapporteerd over allogene stamceltransplantatie met minder intensieve (dat wil zeggen: niet-myeloablatieve) conditionering. Voorwaarde voor het aanslaan (‘engraftment’) van donorcellen is een voldoende immuunsuppressieve conditionering en een transplantaat met een ruim aantal stamcellen. Doel van de behandeling is eerst het verkrijgen van een gemengd donor-patiëntstamcelchimerisme in het beenmerg, waarna door vermindering van immuunsuppressie of toediening van extra T-cellen een verschuiving naar een volledig donorstamcelchimerisme kan worden geïnduceerd. Op basis van deze gegevens werd in ons ziekenhuis het huidige onderzoek verricht (met het schema ontwikkeld door de Seattle-groep).6 Daarbij werd een patiëntengroep met een hoog risico en van wie de meesten uitgebreid waren voorbehandeld, behandeld met een combinatie van fludarabine en een lage dosis totale lichaamsbestraling, gevolgd door het toedienen van een ongemanipuleerd stamceltransplantaat. Het aanslaan van de stamcellen verliep bij op één na alle patiënten snel, waarbij 9 patiënten 4 weken na de stamcelinfusie al een volledig donorcelchimerisme lieten zien. In totaal waren uiteindelijk 12 patiënten volledig donorchimeer, van wie 1 na donorleukocyteninfusie; 7 patiënten waren nog gemengd chimeer, met 80% donorcellen. Een belangrijk risico bij allogene transplantatie met ongemanipuleerde stamcellen is het optreden van acute en chronische GVHD ten gevolge van grote aantallen Tcellen in het transplantaat. In onze patiëntengroep werd bij 13 patiënten acute GVHD gezien, bij 10 patiënten was deze licht en voorbijgaand. Eén patiënt (G) had een acute GVHD graad 3, die bijdroeg tot zijn overlijden. Ned Tijdschr Geneeskd 2003 22 november;147(47) 2331 Chronische GVHD lijkt de belangrijkste bijwerking te zijn bij de niet-myeloablatieve stamceltransplantatie, waarbij aanvankelijk incidenties zijn gemeld tot 6080%.5-7 Inmiddels is duidelijk geworden dat het zeer geleidelijk en langzaam uitsluipen van de immuunsuppressie dit deels kan voorkomen. In onze groep patiënten ontstond chronische GVHD bij 9 patiënten, inclusief 5 patiënten (24%) met een uitgebreide vorm, waardoor de immuunsuppressie langer moest worden gegeven. Het is mogelijk dat de frequentie van de chronische GVHD nog toeneemt, omdat de mediane follow-up van de patiënten nog betrekkelijk kort is. Er waren in deze patiëntengroep weinig infecties, mogelijk samenhangend met de zeer korte of zelfs afwezige neutropenieduur. Twee patiënten maakten een Cytomegalovirus-reactivering door (met PCR vastgesteld), die bij beiden goed reageerde op behandeling met ganciclovir. Het merendeel van de patiënten had geen transfusies nodig. De opnameduur was kort, bij de meeste patiënten minder dan een week. De respons op de behandeling (71%, inclusief 48% met een complete respons) was opvallend goed voor deze groep van 21 patiënten met een hoog risico. Twee patiënten met refractaire ziekte bereikten alsnog een partiële remissie na infusie met donorleukocyten, zodat de totale respons 85% bedroeg (17 van 20 evalueerbare patiënten). Omdat de follow-up van de patiënten kort was, kunnen wij nog geen uitspraak doen over de responsduur en over de uiteindelijke curatie in deze groep. conclusie Allogene stamceltransplantatie na niet-myeloablatieve conditionering was in ons onderzoek een goed uitvoerbare behandeling met een lage aan de transplantatie gerelateerde sterfte. Het is met name een goede behandelingsoptie voor oudere patiënten die een hoog risicoprofiel wat betreft hun ziekte hebben. De opnameduur was kort, er waren weinig heropnamen en het optreden van GVHD vonden wij acceptabel. In deze prognostisch ongunstige patiëntengroep was de ziekterespons opvallend goed, echter, de langetermijneffecten op ziektecontrole en overleving moeten nog afgewacht worden. Gezien onze ervaring tot nu toe lijkt deze behandeling zich goed te lenen voor poliklinische uitvoering. either younger than 55 but unsuitable for standard allogeneic stem cell transplantation because of co-existing disease, or between the ages of 55 and 70, and they had to have either a HLA-identical donor relative or a donor in which there was only one mismatched antigen. They were treated with a combination of fludarabine and a low dose of total body irradiation, followed by the administration of an unmanipulated stem cell transplantate. Results. Engraftment of the stem cells was rapid in all patients but one, and 9 patients already showed complete donor cell chimerism 4 weeks after the infusion of stem cells. A total of 12 patients ultimately became completely donor chimeric, one of whom had received donor leucocytes; 7 patients were still mixed chimeric, with 80% donor cells. 13 patients developed acute ‘graft-versus-host disease’ (GVHD), but in 10 of these it was mild and transitory. After a median follow-up of 9 months, 5 patients (24%) had died, 4 as a result of disease progression and one from a cause related to the transplantation. Conclusion. Allogeneic stem cell transplantation following non-myeloablative conditioning is a convenient mode of therapy with a low mortality related to the transplantation. It is particularly suitable for the treatment of older patients at high risk with regard to their disease. 1 2 3 4 5 6 7 Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld. abstract Allogeneic stem cell transplantation following non-myeloablative conditioning: favourable results in 21 high-risk patients with haematological malignancies treatment in the Utrecht University Medical Centre, the Netherlands Objective. To describe the results of allogeneic stem cell transplantation after non-myeloablative conditioning in highrisk patients with a haematological malignancy. Design. Prospective and descriptive. Method. In the Utrecht University Medical Centre 21 patients in an advanced stage of various haematological malignancies were treated with allogeneic stem cell transplantation following non-myeloablative conditioning. The patients were 2332 Ned Tijdschr Geneeskd 2003 22 november;147(47) 8 9 10 literatuur Ringden O, Horowitz MM, Gale RP, Biggs JC, Gajewski J, Rimm AA, et al. Outcome after allogeneic bone marrow transplant for leukemia in older adults. JAMA 1993;270:57-60. Klingemann HG, Storb R, Fefer A, Deeg HJ, Appelbaum FR, Buckner CD, et al. Bone marrow transplantation in patients aged 45 years and older. Blood 1986;67:770-6. Giralt S, Estey E, Albitar M, van Besien K, Rondon G, Anderlini P, et al. Engraftment of allogeneic haematopoietic progenitor cells with purine analog-containing chemotherapy: harnessing graft-versusleukemia without myeloablative therapy. Blood 1997;89:4531-6. Slavin S, Nagler A, Naparstek E, Kapelushnik Y, Aker M, Cividalli G, et al. Nonmyeloablative stem cell transplantation and cell therapy as an alternative to conventional bone marrow transplantation with lethal cytoreduction for the treatment of malignant and nonmalignant haematologic diseases. Blood 1998;91:756-63. Khouri IF, Keating M, Korbling M, Przepiorka D, Anderlini P, O’Brien S, et al. Transplant-lite: induction of graft-versus-malignancy using fludarabine-based nonablative chemotherapy and allogeneic blood progenitor-cell transplantation as treatment for lymphoid malignancies. J Clin Oncol 1998;16:2817-24. McSweeney PA, Niederwieser D, Shizuru JA, Sandmaier BM, Molina AJ, Maloney DG, et al. Haematopoietic cell transplantation in older patients with haematologic malignancies: replacing high dose cytotoxic therapy with graft-versus-tumor effect. Blood 2001; 97:3390-400. Giralt S, Thall PF, Khouri I, Wang X, Braunschweig I, Ippolitti C, et al. Melphalan and purine analog-containing preparative regimens: reduced-intensity conditioning for patients with haematologic malignancies undergoing allogeneic progenitor cell transplantation. Blood 2001;97:631-7. Kolb HJ, Mittermuller J, Clemm C, Holler E, Ledderose G, Brehm G, et al. Donor leukocyte transfusions for treatment of recurrent chronic myelogenous leukemia in marrow transplant patients. Blood 1990;76:2462-5. Lokhorst HM, Schattenberg A, Cornelissen JJ, Thomas LL, Verdonck LF. Donor leukocyte infusions are effective in relapsed multiple myeloma after allogeneic bone marrow transplantation. Blood 1997;90:4206-12. Weger RA de, Tilanus MG, Scheidel KC, Tweel JG van den, Verdonck LF. Monitoring of residual disease and guided donor leukocyte infusion after allogeneic bone marrow transplantation by chimaerism analysis with short tandem repeats. Br J Haematol 2000; 110:647-53. Aanvaard op 10 juli 2003