Inductie van geheugen in het aangeboren immuunsysteem van Sus

advertisement
Inductie van geheugen in het aangeboren
immuunsysteem van Sus scrofa
Hans VAN DER WEKEN
Masterproef voorgedragen tot het behalen van de graad van
Master of Science in de Biochemie en de Biotechnologie
Major Biomedische biotechnologie
Academiejaar 2013-2014
Promotoren: prof. dr. Eric Cox en dr. Bert Devriendt
Wetenschappelijk begeleider: dr. Bert Devriendt
Vakgroep Virologie, Parasitologie en Immunologie
Laboratorium voor Immunologie
Dankwoord
Als eerste wil ik prof. Dr. Eric Cox bedanken om mij de kans te geven mijn masterthesis te
volbrengen op het laboratorium voor Immunologie op de faculteit van Diergeneeskunde,
waardoor ik de kans heb gekregen om mijn diploma als master in de biochemie en
biotechnologie te behalen.
Vervolgens wil ik Dr. Bert Devriendt bedanken voor de uitstekende begeleiding en hulp bij
het maken van deze masterthesis. Hoewel hij het soms zeer druk had, vond hij toch steeds
de tijd om mij te helpen. Ik kon steeds terecht bij hem met mogelijke vragen.
Ook wil ik iedereen op het labo bedanken voor de toffe sfeer en hulp. Bedankt Ann, Céline,
Charlotte, Christophe, Cliff, Delphine, Elisa, Evelien, Hanne, Joanna, Jochen, Karen, Kim,
Korneel, Manon, Maria, Rudi, Sarah, Simon en Ut.
Ook mijn professoren wil ik bedanken omdat ze hun kennis met mij hebben willen delen en
mij zo de kans hebben gegeven om mijn doelen te bereiken.
Als laatste wil ik mijn ouders bedanken voor hun steun tijdens deze masterthesis en de
voorbije jaren. Zonder hen was ik hier niet geraakt.
1
Inhoudstafel
Lijst met tabellen/figuren ………………………………………………………………………………….......
p.4
Lijst met afkortingen ……………………………………………………………………………………………….
p.5
Nederlandse samenvatting …………….……………………………………………………………………….
p.8
English summary …………………………………………………………………………………………………….
p.9
Deel 1: Inleiding ………………………………………………………………………………
p.10
1.1 Het aangeboren immuunsysteem ……………………………………………….….…….
p.10
1.1.1 Cellen van het aangeboren immuunsysteem ……………………….
p.11
1.2 Pathogeen herkenning …………………………………………………………………………..
p.12
1.2.1 β-glucanen ……………………………………………………………………………
p.16
1.3 Getrainde immuniteit ……………………………………………………………………………
p.17
1.3.1 Systemic Aquired Resistance (SAR) in planten ……………….…….
p.18
1.3.2 Invertebrata ………………………………………………………………………….
p.19
1.3.3 Vertebraten …………………………………………………………………………..
p.20
1.3.4 Training, priming en immuun tolerantie ………………………………..
p.22
1.3.5 Moleculaire mechanismen voor getrainde immuniteit …..…….
p.22
Deel 2: Doelstelling ………………………………………………………………………...
p.26
Deel 3: Resultaten …………………………………………………………………………...
p.27
3.1 Getrainde immuniteit in neutrofielen …………………………………………………….
p.27
3.1.1 GM-CSF verlengt de levensduur van neutrofielen ………………….
p.28
3.1.2 ROS-productie door neutrofielen …………………………………………..
p.29
3.2 Getrainde immuniteit in monocyten ………………………………………………………
p.31
3.2.1 Aangeboren immuuntraining van monocyten met β-glucanen
p.35
3.2.2 Het belang van epigenetische modificaties bij immuuntraining
p.36
3.2.3 Immuuntraining van CD14+ monocyten met Euglenia gracilis
β-glucanen
p.38
Deel 4: Discussie ……………………………………………………………………………....
p.40
Deel 5: Materialen en methoden …………………………………………………..….
p.44
5.1 Bloedstalen …………………………………………………………………………………………….
p.44
5.2 Cultuurmedia ………………………………………………………………………………………….
p.44
5.3 Isolatie van PBMC’s en neutrofielen ………………………………………………………..
p.44
5.3.1 Aanrijking van monocyten uit de PBMC fractie ………………………
p.45
5.3.2 Productie van monocyt-afkomstige macrofagen ………….…….…
p.45
2
5.4 Flow cytometrie …………………………………………………………………………………….
p.45
5.5 Monocyt stimulatie ……………………………………………………………………………….
p.46
5.5.1 Histon methylatie assay ……………………………………………………….
p.46
5.5.2 Cytokine ELISA’s …………………………………………………………………..
p.47
5.6 Viabiliteitsassay …………………………………………………………………………………….
p.47
5.7 Productie van reactieve zuurstof species door neutrofielen ………….…….
p.47
5.8 Statistische analyse ………………………………………………………………………….……
p.48
Referenties ……………………………………………………………………………………………………….……
p.49
Bijlagen …………………………………………………………………………………………………………….……
p.58
3
Lijst met tabellen/figuren
Tabel 1:
Overzicht van verschillende membraangebonden PRRs met hun ………..
cellulaire lokalisatie, liganden, immuunrespons en doelwit pathogenen
p.14
Figuur 1:
Herkenning van H. pylori door aangeboren immuunsysteem ……………..
p.16
Figuur 2:
Aangeboren immuunrespons na priming van immuuncellen ……………..
p.22
Figuur 3:
Epigenetische histon modificaties ……………………………………………………….
p.24
Figuur 4:
Zuiverheid van de neutrofiel populatie na isolatie ………………………………
p.27
Figuur 5:
Invloed van GM-CSF op de viabiliteit van neutrofielen ………………………..
p.28
Figuur 6:
ROS-productie door neutrofielen na stimulatie met verschillende ……..
reagentia
p.29
Figuur 7:
ROS-productie door neutrofielen 5 dagen na stimulatie ……………………..
p.31
Figuur 8:
Expressie van de merker CD14 in de verschillende cel populaties na ….
isolatie door middel van Percoll densiteitgradiënt centrifugatie
p.32
Figuur 9:
Zuiverheid van de PBMC populatie na Percoll densiteitgradiënt ………….
centrifugatie en CD14 MACS
p.32
Figuur 10:
Zuiverheid van CD14+ celpopulatie na lymphoprep densiteitgradiënt ...
en CD14 MACS
p.33
Figuur 11:
TNFα secretie bij monocyten na stimulatie met MacroGard ………………..
p.33
Figuur 12:
Experimentele methode voor immuuntraining bij monocyten …………….
p.34
Figuur 13:
TNFα secretie door β-glucaan gestimuleerde monocyten tijdens de …..
washout fase
p.34
Figuur 14:
MacroGard blijft aanwezig in het cultuurmedium tijdens de washout ..
fase
p.35
Figuur 15:
β-glucanen induceren immuuntraining in monocyten …………………………
p.36
Figuur 16:
Invloed van MTA op viabiliteit van monocyten …………………………………….
p.36
Figuur 17:
Effect van MTA op de immuuntraining van monocyten door MacroGard p.37
Figuur 18:
Effect van MTA op H3K4 histon trimethylaties ……………………………………..
p.38
Figuur 19:
Immuuntraining van monocyten door β-glucanen afkomstig van ………..
Euglenia gracilis
p.39
4
Lijst met afkortingen
AF647: Alexa Fluor 647
BCA: Bicinchoninic acid
BCG: Baccile Calmette-Guérin
BSA: Bovine serum albumine
CD: Cluster of Differentiation
CIITA: Class II major histocompatibility complex transactivator
CLEC4G: C-type lectin domain family 4 member G
CLR: C-type lectin receptors
CpG: Cytosine-phosphate-guanine
CR3: Complement receptor 3
CXCR6: C-X-C chemokine receptor type 6
DAP: Diaminopimelic acid
DC: Dendritische cel
DC-SIGN: Dendritic cell-specific intercellular adhesion molecule-3-grabbing non-integrin
DMEM: Dulbecco’s minimal essential medium
DPT: Diptheria-pertussis-tetanus
Dscam: Down syndrome cell adhesion molecule
EDTA: Ethyleendiaminetetraazijnzuur
ELISA: Enzyme-linked immunosorbent assay
ETI: Effector-triggered immunity
FACS: Fluorescence-activated cell sorting
FCM: Flow cytometer
FCS: Forward scatter
FITC: Fluorescein isothiocyanate
FREP: Fibrinogen-related proteins
GM-CSF: Granulocyte macrophage colony-stimulating factor
H3K4Me3: Histon 3 lysine 4 trimethylatie
HBSS: Hank's Balanced Salt Solution
HEPES: 4-(2-hydroxyethyl)-1-piperazineethanesulfonic acid
HRP: Horseradish peroxidase
HSV: Herpes simplex virus
IFN: Interferon
5
Ig: Immunoglobuline
IL: Interleukine
IRF: Interferon regulatory factor
JNK: c-Jun N-terminal kinases
LGP2: Laboratory of Genetics and Physiology 2
LPS: Lipopolysacharide
LRR: Leucine rich repeats
mAB: monoclonal Antibody
MACS: Magnetic-activated cell sorting
MAMP: Microbe-associated molecular pattern
MAPK: Mitogen-activated protein kinases
MCMV: Muis cytomegalovirus
M-CSF: Macrophage colony-stimulating factor
MD2: Myeloid differentiation factor-2
MDA-5: Melanoma differentiation-associated protein 5
MDM: monocyte-derived macrophage
MDP: Muramyl dipeptide
MEM-NEAA: Minimal essential médium – non-essential amino acids
MHC: Major histocompatibility complex
MR: Mannose receptor
MTA: 5’-deoxy-5’-methylthioadenosine
MTI: MAMP-triggered immunity
MyD88: Myeloid differentiation primary response gene 88
NADPH: Nicotinamide adenine dinucleotide phosphate-oxidase
NAIP: Neuronal apoptosis inhibitory protein
NFκB: Nuclear factor kappa-light-chain-enhancer of activated B cells
NK: Natural killer
NKp46: Natural killer cell p46-related protein
NLR: NOD-like receptors
NLRC: NOD-like receptor family CARD domain
NLRP: NACHT, LRR and PYD domains-containing protein
NLRX1: NLR family member X1
NOD: Nucleotide-binding oligomerization domain
6
NP40: nonyl phenoxypolyethoxylethanol
P/S: Peniciline/streptamycine
PBMC: Perifeer bloed mononucleaire cel
PBS: Phosphate buffered saline
PI: Propidium iodide
PMA: Phorbol 12-myristate 13-acetate
PRR: Pattern recognition receptor
Raf1: Rapidly accelerated fibrosarcoma 1
RAG: Recombination-associated genes
RIG-I: Retinoic acid-inducible gene 1
RLR: RIG-I-like receptors
RLU: Relative light units
ROS: Reactive oxygen species
RPMI: Roswell Park Memorial Institute medium
SA: Salicylic acid
SAR: Systemic acquired resistance
SDS-PAGE: Sodium dodecyl sulphate - Polyacrylamide gel electrophoresis
SSC: Side scatter
Th: T-helper
TIR: Toll/interleukin-1 receptor
TLR: Toll-like receptors
TNE buffer: Tris-NaCl-EDTA buffer
TNF: Tumor necrosis factor
TRIF: TIR-domain-containing adapter-inducing interferon-β
TSB: Tryptic soy broth
VLR: Variable lymphocyte receptor
WB: Western blot
7
Nederlandse samenvatting
Het immuunsysteem bij vertebraten bestaat uit een aangeboren en een adaptieve
component. Het adaptieve immuunsysteem is in staat om specifieke pathogenen te
herkennen en hiertegen een immunologisch geheugen op te bouwen. Het aangeboren
immuunsysteem daarentegen herkent pathogenen op een aspecifieke manier en kan geen
geheugen opbouwen tegen toekomstige infecties. Recent onderzoek bij de mens en muis
heeft echter aangetoond dat dit huidig model van het immuunsysteem niet volledig correct
is. Blijkbaar kunnen ook cellen van het aangeboren immuunsysteem, zoals monocyten, een
geheugenfunctie opbouwen. De term “trained immunity” of getrainde immuniteit werd
hiervoor geïntroduceerd. We kunnen deze getrainde immuniteit omschrijven als een
verhoogde weerstand van het aangeboren immuunsysteem tegen secundaire infecties na
inductie door een primaire infectie. Hierdoor kunnen aangeboren immuuncellen op een
aspecifieke manier sneller en sterker reageren op een tweede infectie. Zo vertonen
monocyten een verhoogde cytokine secretie na inductie van getrainde immuniteit, waarbij
epigenetische modificaties en meer specifiek trimethylaties op H3K4 aan de basis liggen van
dit mechanisme.
In deze masterthesis werd deze getrainde immuniteit voor de eerste keer aangetoond in
monocyten van het varken. Monocyten, geïsoleerd uit perifeer bloed, vertoonden een
verhoogde TNFα secretie na stimulatie met een partikelvormig β-glucaan afkomstig van de
gist Saccharomyces cerevisiae (MacroGard). Ook de rol van H3K4 histon trimethylaties in het
induceren van getrainde immuniteit in monocyten van het varken werd aangetoond.
Behalve MacroGard induceerde een ander partikelvormig β-glucaan afkomstig van de alg
Euglenia gracilis ook een verhoogde TNFα secretie door monocyten. Deze respons lag zelfs
hoger dan de respons van MacroGard-getrainde monocyten. Dit doet vermoeden dat kleine
structuurverschillen aanleiding kunnen geven tot een verschillend trainingseffect. Verder
onderzoek is echter nodig om deze structuur-functie relatie in de inductie van getrainde
immuniteit door β-glucanen op te helderen. De aanwezigheid van getrainde immuniteit
werd ook onderzocht bij andere aangeboren immuuncellen, namelijk neutrofielen. In
tegenstelling tot monocyten kon echter geen getrainde immuniteit aangetoond worden,
aangezien geen verhoogde ROS productie werd waargenomen na stimulatie met β-glucanen
of andere PRR liganden. Er werd eerder een verlaagde ROS productie gedetecteerd in
vergelijking met de controle cellen, wat kan wijzen op een uitputting van de neutrofielen.
Niettegenstaande het aantonen van getrainde immuniteit in monocyten bij het varken is
verder onderzoek nog vereist om meer reagentia, zoals andere β -glucanen, te screenen op
hun mogelijkheid om getrainde immuniteit op te wekken, hun optimale concentratie voor de
inductie van getrainde immuniteit en de duur van het trainingseffect te bepalen. Bovendien
zou het interessant zijn om de aanwezigheid van getrainde immuniteit in andere aangeboren
immuuncellen, zoals macrofagen te bevestigen.
De resultaten behaald in deze masterthesis kunnen belangrijke implicaties hebben voor de
ontwikkeling van nieuwe vaccins. Zo zouden β-glucanen kunnen worden toegevoegd aan
vaccins om hun beschermende werking te versterken door de inductie van getrainde
immuniteit. De ontwikkeling van nieuwe vaccins, die gebruik maken van het beschermende
effect van getrainde immuniteit, bovenop hun activatie van het adaptief immuunsysteem,
bieden interessante vooruitzichten in de bestrijding van tal van infectieziekten bij zowel
mens als dier.
8
English summary
The immune system in vertebrates consists of an innate and adaptive component. The
adaptive immune system is able to recognize and build up an immunological memory against
specific pathogens. The innate immune system on the other hand recognizes pathogens in a
nonspecific manner and is unable to build up memory against future infections. Recent
research in humans and mice however has shown that the current model of the immune
system is incomplete. Indeed, innate immune cells, such as monocytes, are also capable of
building up an immunological memory. The term “trained immunity” was therefore
introduced. Trained immunity has been defined as a heightened resistance of the innate
immune system against secondary infections after induction by a primary infection. This
results in a faster and increased response to a second infection, albeit in a nonspecific
manner. Monocytes for instance display an increased secretion of pro-inflammatory
ctyokines upon induction of this trained immunity in which epigenetic modifications, more
specific trimethylations on H3K4, regulate this mechanism.
In this master dissertation, we demonstrated for the first time the presence of trained
immunity in porcine monocytes. These monocytes, isolated from peripheral blood, showed
an increased secretion of TNFα upon stimulation with particulate β-glucans, isolated from
the yeast Saccharomyces cerevisiae (MacroGard). In addition, the role of H3K4
trimethylations in the induction of trained immunity in porcine monocytes was
demonstrated. Besides MacroGard, another particulate β-glucan, obtained from the alga
Euglenia gracilis, also elicited an increased TNFα secretion in monocytes. This response was
even higher as compared to training of the monocytes with MacroGard. This suggests that
small structural differences could give rise to different training effects. Further research is
however necessary to elucidate the structure-function relationship in the induction of
trained immunity by β-glucans. The presence of trained immunity was also examined in
other innate immune cells, such as neutrophils. In contrast to monocytes, no trained
immunity could be shown for neutrophils, since no heightened ROS-production could be
observed after stimulation with β-glucans or other PRR ligands. Rather, a decreased ROSproduction was detected in comparison with control cells, which could be an indication of
exhaustion of the neutrophils.
Although trained immunity was demonstrated in porcine monocytes, further research is
required to screen more reagents, like other β-glucans, for their capacity to induce trained
immunity, to determine their optimal concentrations to induce trained immunity and to
pinpoint the duration of this training effect. Furthermore, it would be interesting to confirm
the presence of trained immunity in other innate immune cells, such as macrophages.
The results obtained in this master dissertation could have important implications in the
development of new vaccines. Β-glucans could be added to vaccines to increase their
protective effect by the induction of trained immunity. The development of new vaccines,
which make use of this trained immunity, in addition to their activation of the adaptive
immune system, could offer interesting prospects in fighting numerous infectious diseases in
both animals as humans.
9
Deel 1:
Inleiding
Het
immuunsysteem
wordt
sinds
lang
beschouwd als
een tweedelig
verdedigingsmechanisme tegen pathogenen en ziekteverwekkers. Enerzijds is er het
aangeboren of aspecifieke immuunsysteem, dat een belangrijke rol speelt als eerste
verdedigingslinie tegen indringers (Mair et al, 2014). Anderzijds is er het adaptieve of
specifieke immuunsysteem, dat gebruik maakt van gespecialiseerde immuuncellen, zoals Ben T-cellen. Dit deel van het immuunsysteem is uniek voor vertebraten. Het heeft een
tragere respons tegen infecties dan het aangeboren immuunsysteem, maar is wel in staat
om specifieke pathogenen te herkennen en hiertegen een immunologisch geheugen op te
bouwen. Deze geheugenfunctie wordt ondersteund door speciale geheugencellen, die bij
een secundaire infectie van dezelfde pathogeen een klonale expansie kunnen ondergaan.
Hierdoor ontstaat een pathogeen-specifieke immuunrespons, die veel vlugger opkomt en
sterker is dan bij de eerste infectie (Danilova, 2012). Het aangeboren immuunsysteem
daarentegen heeft een veel vluggere immuunrespons wanneer het een pathogeen herkent,
maar kan hiertegen geen immunologisch geheugen opbouwen. Hierdoor kan er geen
versterkte immuunrespons ontwikkeld worden bij opeenvolgende infecties door dezelfde
pathogeen. In de laatste jaren is dit simplistische dogma, waarbij het aangeboren
immuunsysteem aspecifiek reageert en het adaptieve immuunsysteem een specifieke
respons opbouwt tegen pathogenen echter sterk veranderd. Er blijken complexere
mechanismen van kracht te zijn, waardoor de scheiding tussen de aangeboren en adaptieve
immuunrespons tegen pathogenen vervaagd. Zo wordt de algemene overtuiging dat het
aangeboren immuunsysteem zich niet kan aanpassen aan een voorgaande ontmoeting met
een pathogeen en dus ook geen immunologisch geheugen hiertegen kan opbouwen sinds
kort in twijfel getrokken (Netea et al, 2011). Om de mechanismen die later in deze
literatuurstudie worden besproken beter te kunnen begrijpen, zullen de verschillende
onderdelen van het aangeboren immuunsysteem kort besproken worden.
1.1.
Het aangeboren immuunsysteem
Het aangeboren of aspecifieke immuunsysteem vormt de eerste verdedigingslinie van het
organisme en doet dienst als een fysische en chemische barrière tegen tal van infectueuze
agentia (Cruvinel Wde et al, 2010). In tegenstelling tot het adaptief immuunsysteem, dat
uniek is voor vertebraten, is het aangeboren immuunsysteem zowel aanwezig in vertebraten,
planten, fungi en invertebrata, zoals insecten en weekdieren. Zelfs prokaryoten bezitten een
primitief verdedigingsmechanisme tegen bacteriofagen (Bikard & Marraffini, 2012).
Evolutionair gezien zijn er dus verschillende strategieën ontwikkeld om het organisme te
beschermen tegen pathogenen. Men zou het aangeboren immuunsysteem dus kunnen
beschouwen als een evolutionair oudere verdedigingsstrategie in vergelijking met het
adaptief immuunsysteem (Rinkevich, 1999). Het aangeboren immuunsysteem bij
vertebraten heeft in de loop van de geschiedenis enkele belangrijke functies ontwikkeld,
zoals: 1) de rekrutering van immuuncellen naar de plaats van infectie met behulp van
chemokines, 2) de identificatie en het verwijderen van lichaamsvreemde stoffen door
gespecialiseerde witte bloedcellen, zoals neutrofielen, monocyten en macrofagen, 3) de
activering van het adaptief immuunsysteem door middel van antigeen presentatie door
antigeen presenterende cellen en 4) de activering van de complementcascade voor
pathogeen herkenning, cel activatie en om het opruimen van antilichaam complexen en
10
dode cellen te bevorderen. Deze complement cascade bestaat uit een hele reeks eiwitten,
aanwezig in het bloedplasma, die samenwerken om het celmembraan van vreemde cellen te
vernietigen (Degn & Thiel, 2013). Drie verschillende routes kunnen het complement systeem
activeren: de klassieke , de alternatieve en de mannose-bindende route. De klassieke route
wordt gezien als een onderdeel van een specifieke immuunrespons, omdat deze
antilichamen nodig heeft voor zijn functie. De alternatieve route is aspecifiek en de
mannose-bindende route herkent bacteriën voornamelijk via glycoproteïnen aanwezig op
hun oppervlakte (Brunner et al, 2012).
Bij pathogeenherkenning worden aangeboren immuuncellen aangetrokken naar de plaats
van infectie door inflammatoire mediatoren, zoals TNFα, IL-6 of IL-1β. Deze proinflammatoire cytokinen worden gesecreteerd door (immuun)cellen, zoals macrofagen of
beschadigde/geïnfecteerde cellen en spelen een belangrijke rol in de ontstekingsreactie
tegen de pathogeen (Le Bel et al, 2014). Andere cytokinen, zoals IFN-γ, kunnen belangrijke
antivirale effecten hebben of staan in voor de communicatie tussen de witte bloedcellen
onderling (Sheahan et al, 2014); (Mear et al, 2014).
1.1.1. Cellen van het aangeboren immuunsysteem
Zoals net besproken wordt de verdediging door het aangeboren immuunsysteem
gecontroleerd door witte bloedcellen of leukocyten. Deze leukocyten bevinden zich in de
bloedsomloop en migreren bij detectie van cellulair afval, vreemde deeltjes of
binnendringende micro-organismen naar de plaats van infectie, waar deze cellen instaan
voor het vernietigen van de lichaamsvreemde moleculen of beschadigde cellen. Leukocyten
ontstaan uit multipotente hematopoëtische stamcellen in het beenmerg en worden
onderverdeeld in verschillende celtypes zoals monocyten, macrofagen, neutrofielen, naturalkiller (NK) cellen, mest cellen, eosinofielen, basofielen en dendritische cellen. Elk van deze
cellen heeft een specifieke functie in het aangeboren immuunsysteem.
Monocyten zijn de grootste leukocyten en omvatten ongeveer 2 tot 10% van alle leukocyten.
Onder normale omstandigheden staan zij in voor het aanvullen van residente macrofagen en
dendritische cellen in weefsels. Bij een infectie kunnen monocyten zeer vlug naar de plaats
van infectie migreren, waar ze zullen delen en differentiëren tot macrofagen of dendritische
cellen (Fairbairn et al, 2013). De belangrijkste merkers voor monocyten in het varken zijn
CD14, CD163 en CD172a (Piriou-Guzylack & Salmon, 2008). Macrofagen zijn sterk
gedifferentieerde fagocyten, afkomstig van monocyten. Ze zijn in staat om zich aan te
passen aan hun micro-omgeving, waarbij ze verschillende fenotypes kunnen aannemen. Zo
differentiëren ze tot Kupffer cellen in de lever, Langerhans cellen in de huid of alveolaire
macrofagen in de longen (Geissmann et al, 2010). Hun differentiatie en toekomstig fenotype
is afhankelijk van de concentraties aan M-CSF, GM-CSF, retoïnezuur en lipoproteïnen
(Gordon & Martinez, 2010). Macrofagen hebben een relatief lange levensduur van enkele
maanden en kunnen 10-15% van de totale cel populatie in weefsels uitmaken. Het zijn sterk
gespecialiseerde cellen, die bacteriën en dode of geïnfecteerde cellen vernietigen door
middel van fagocytose en daaropvolgend de productie van reactieve zuurstofradicalen (ROS),
zoals waterstofperoxide (H2O2). Bij detectie van pathogenen produceren macrofagen ook
verschillende cytokines en chemokines, die instaan voor de rekrutering en activering van
andere cellen naar de plaats van infectie (Locati et al, 2013). In het varken kunnen ze
11
herkend worden via de macrofaag-specifieke merker CD169 (Martinez-Pomares & Gordon,
2012). Net als monocyten expresseren ze ook CD14, CD172a en CD163, met het onderscheid
dat hun CD14 expressie veel lager is dan deze in monocyten. Dendritische cellen zijn
professionele antigeen presenterende cellen die vooral aanwezig zijn in weefsels die contact
maken met de externe omgeving, zoals de huid (Langerhans cellen) en het binnenste
slijmvlies van de neus, longen, maag en ingewanden. Ze spelen een belangrijke rol in de
herkenning van pathogenen en de presentatie van antigenen aan naïeve T-cellen (VegaRamos & Villadangos, 2013). In het varken worden ze gekenmerkt door de expressie van
CD135 en het ontbreken van CD14 (Summerfield & McCullough, 2009). Een ander soort
fagocyten zijn de neutrofielen. Het zijn de meest abundante witte bloedcellen in het varken
(40-75%). Deze sterk gedifferentieerde cellen hebben een zeer korte levensduur van slechts
enkele dagen, die bij infectie of inflammatie echter verlengd wordt (Kumar & Sharma, 2010).
Bij een bacteriële of schimmel infectie zijn het meestal de eerste verdedigers. Neutrofielen
bevatten granulen met toxische bestanddelen, zoals defensines of NADPH oxidases. Bij
pathogeen herkenning worden deze bestanddelen vrijgegeven, wat leidt tot hun vernietiging
(Jaillon et al, 2013). In het varken worden ze gekenmerkt door de expressie van SWC1 en
SWC8 (Piriou-Guzylack & Salmon, 2008). Ze zijn ook kleiner dan humane neutrofielen,
vertonen een lagere granuliteit en een hogere activatie grens (Brea et al, 2012). Andere
granulocyten zijn onder andere basofielen en eosinofielen. Deze cellen zijn vooral belangrijk
voor de verdediging tegen parasieten. Tijdens een parasitaire infectie zullen basofielen
histamines vrijlaten, die een belangrijke rol spelen in allergische reacties, zoals astma (Hur et
al, 2008). Net zoals basofielen secreteren ook eosinofielen toxische eiwitten en vrije
radicalen die helpen bij het vernietigen van bacteriën en parasieten (Gauvreau et al, 2009).
NK-cellen zijn cytotoxische lymfocyten van het aangeboren immuunsysteem, die niet
rechtstreeks instaan voor de vernietiging van pathogenen. Ze gaan eerder aangetaste
gastheercellen, zoals tumorcellen of virus-geïnfecteerde cellen, doden door herkenning van
een zogenaamd “missing self” signaal (Souza-Fonseca-Guimaraes et al, 2012). Hierbij wordt
gebruik gemaakt van de cel oppervlakte merker “Major Histocompatibility Complex I”(MHCI).
Deze merker is aanwezig op alle gastheercellen. Tumor cellen of cellen geïnfecteerd met een
virus zullen een verlaagde hoeveelheid van dit MHCI eiwit expresseren op hun membraan,
wat zal leiden tot hun vernietiging door NK-cellen (Borrego et al, 2002). In vergelijking met
humane NK-cellen zijn deze bij het varken kleiner. Ze worden gekenmerkt door CD3-CD8hi
en in tegenstelling tot de mens en andere species expresseren niet alle NK cellen NKp46
(Mair et al, 2012). Een ander type van immuuncellen zijn de aangeboren lymfoïde cellen. Zij
spelen een belangrijke rol in de regulatie van immuniteit, inflammatie en herstel van
weefsels. Het is een zeer heterogene groep, die veel eigenschappen gemeen heeft met de
adaptieve T-helper(Th) cellen. Hierdoor wordt er voorgesteld dat ze de evolutionaire
voorgangers van Th-cellen zijn (Tait Wojno & Artis, 2012).
1.2.
Pathogeen herkenning
Een zeer belangrijk aspect in de initiatie van een immuunrespons tegen een pathogeen is de
herkenning van deze pathogeen door cellen van het aangeboren immuunsysteem.
Herkenning van pathogenen gebeurt door middel van zogenaamde patroon
herkenningsreceptoren (pattern recognition receptors; PRRs), geëxpresseerd op cellen van
het aangeboren immuunsysteem. Deze PRRs herkennen micro-organisme geassocieerde
12
moleculaire patronen (Microbe-associated molecular patterns; MAMPs). MAMPs zijn
evolutionair geconserveerde moleculen afkomstig van bacteriën, virussen, fungi of
parasieten en zijn vaak essentieel voor hun overleving en pathogeniciteit (Kumar et al, 2011).
Er bestaan zowel membraangebonden als intracellulaire PRRs. Onder de
membraangebonden PRRs behoren de Toll-Like Receptoren (TLR), de C-Type Lectin
Receptoren (CLR) en de receptor kinasen. Bij de intracellulaire PRRs horen de NOD-Like
Receptoren (NLR), de RIG-I-Like Receptoren (RLR) en de plant PRRs (Tabel 1). TLRs zijn zowel
in vertebraten als bij invertebrata aanwezig en blijken één van de oudste en meest
geconserveerde componenten van het aangeboren immuunsysteem te zijn. In zoogdieren
zijn, afhankelijk van de soort, 10 tot 15 verschillende TLRs aanwezig. Bij het varken vindt
men net zoals bij de mens 10 verschillende TLRs (TLR1-10) (Sang et al, 2008). Deze kunnen
zowel homodimeren (TLR3-5,7,9) als heterodimeren (TLR1 en 6 met TLR2) vormen. Er
kunnen ook complexen met andere moleculen gevormd worden, zoals TLR4 met MD2 en
CD14 (Kumar et al, 2011). Elke TLR is in staat om een andere MAMP te herkennen. Zo staat
TLR2 in voor de herkenning van β-glucanen, zoals zymosan, die aanwezig zijn op de celwand
van fungi en lipoteichoïnezuur, een belangrijk onderdeel van de celwand van grampositieve
bacteriën. TLR4 herkent lipopolysacharide (LPS), een component van de buitenste
membraan van gramnegatieve bacteriën. TLR9 daarentegen herkent ongemethyleerde CpG
motieven, aanwezig in het DNA van bacteriën en virussen. Een andere groep van
membraangebonden PRRs zijn de CLRs. Zij zijn in staat om suikergroepen, zoals β-glucanen
en mannose te binden. Deze carbohydraten zijn voornamelijk aanwezig in de celwand van
bacteriën en fungi. In het varken zijn dectin-1, DC-SIGN en CLEC4G reeds geïdentificeerd.
(Huang & Meng, 2009; Sonck et al, 2009). Dectin-1 wordt geëxpresseerd door macrofagen,
neutrofielen en dendritische cellen en is belangrijk voor de immuniteit tegen schimmels,
zoals S.cerevisiae en C.albicans. DC-SIGN wordt geëxpresseerd op macrofagen en
dendritische cellen en herkent voornamelijk hoge mannose-bevattende glycoproteïnen,
aanwezig op de enveloppe van virussen of op de celwand van bacteriën en schimmels. NLRs
zijn cytoplasmatische PRRs die bacteriële componenten detecteren. De NOD1 en NOD2
receptoren zijn reeds gekarakteriseerd in het varken (Tohno et al, 2008a; Tohno et al, 2008b).
NOD1 herkent meso-DAP, een peptidoglucaan aanwezig op gram-negatieve bacteriën. NOD2
herkent het intracellulaire muramyl dipeptide (MDP), een peptidoglucaan dat zowel
aanwezig is op gram-negatieve als gram-positieve bacteriën. Net zoals NLRs zijn RLRs ook
aanwezig in het cytoplasma. Deze PRRs herkennen dubbelstrengig RNA en kunnen bijgevolg
infecties van RNA virussen detecteren. In het varken is de rol van RIG-1 en MDA-5 reeds
beschreven (Husser et al, 2011). RIG-1 herkent korte, vrije 5’trifosfaat groepen op dsRNA of
ssRNA. MDA-5 daarentegen herkent eerder lang dsRNA, zoals poly(I:C). In tabel 1 wordt een
uitgebreid overzicht gegeven van de verschillende PRRs, hun cellulaire localisatie, liganden,
de immuunrespons die ze initiëren en de soort pathogenen die ze kunnen herkennen.
13
Tabel 1: Overzicht van de verschillende membraangebonden PRRs met hun cellulaire lokalisatie, liganden, immuunrespons en doelwit pathogenen.
PRRs
Cellulaire lokalisatie
Liganden
Immuunrespons
Pathogenen
Referenties
TLRs
TLR1
Cel oppervlak
Triacylglyceride
Pro-inflammatoire cytokines
G+-bacteriën, fungi
(Kumar et al, 2013)
TLR2
Cel oppervlak
Peptidoglycanen,
Pro-inflammatoire cytokines
G+-bacteriën, fungi
(Kumar et al, 2013)
(Kuzemtseva et al, 2014)
lypoteichoïnezuur
TLR3
Endosoom
ssRNA, dsRNA
Type-1 IFN
RNA virussen
TLR4
Cel oppervlak
LPS, mannaan
Pro-inflammatoire cytokines, Type-1 IFN
G -bacteriën
(Kumar et al, 2013)
TLR5
Cel oppervlak
Flagelline
Pro-inflammatoire cytokines
Geflaggeleerde bacteriën
(Kumar et al, 2013)
TLR6
Cel oppervlak
Diacylglyceride, lipoteichoïnezuur
Pro-inflammatoire cytokines
G+-bacteriën, fungi
(Kumar et al, 2013)
TLR7
Endolysosoom
ssRNA
Type-1 IFN
Endosomale bacteriën, virussen
(Kumar et al, 2013;
-
Kuzemtseva et al, 2014)
TLR8
Endolysosoom
ssRNA
Pro-inflammatoire cytokines
RNA virussen
(Kuzemtseva et al, 2014)
TLR9
Endolysosoom
Ongemethyleerd CpG DNA
Type-1 IFN
Endosomale bacteriën, virussen
(Kumar et al, 2013;
Kuzemtseva et al, 2014)
TLR10
Cel oppervlak
Onbekend
Pro-inflammatoire cytokines
Influenza virus
(Lee et al, 2014)
Dectin-1
Cel oppervlak
β-glucanen
Pro-inflammatoire cytokines, Th1 + Th17 ondersteuning
Fungi
(Saijo & Iwakura, 2011)
Dectin-2
Cel oppervlak
Mannose
Pro-inflammatoire cytokines, Th1 + Th17 ondersteuning
Fungi
(Saijo & Iwakura, 2011)
Mincle
Cel oppervlak
Mannose, glycolipiden
Pro-inflammatoire cytokines, Th1 + Th17 ondersteuning
Fungi, mycobacterium
(Wevers et al, 2014)
MR
Cel oppervlak
Mannose
Cytokine productie, T-cell costimulatie en differentiatie
Fungi
(Hardison & Brown, 2012)
DC-SIGN
Cel oppervlak
Mannose, LPS
Cytokine productie, T-cell costimulatie en differentiatie
Fungi
(Hardison & Brown, 2012)
CLRs
14
Tabel 1: vervolg
PRRs
Cellulaire lokalisatie
Liganden
Immuunrespons
Pathogenen
Referenties
NLRs
CIITA
Cytoplasma
Onbekend
Reguleert MHCII antigen presentatie
Onbekend
(Lupfer & Kanneganti, 2013)
NAIPs
Cytoplasma
Flagelline
Secretie IL-1β en IL-18, pyroptose
bacteriën
(Kumar et al, 2013; Lupfer &
Kanneganti, 2013)
NOD1
Cytoplasma
(NLRC1)
NOD2
Peptidoglycanen, muramyl
Pro-inflammatoire cytokines, Type-1 IFN
bacteriën
(Kumar et al, 2013)
Pro-inflammatoire cytokines, Type-1 IFN
bacteriën
(Kumar et al, 2013)
dipeptide(MDP)
Cytoplasma
(NLRC2)
Peptidoglycanen, muramyl
dipeptide(MDP)
NLRC3
Cytoplasma
Onbekend
Verzwakken van TLR signalisatie
Onbekend
(Zhang et al, 2014)
NLRC4
Cytoplasma
flagelline
Secretie IL-1β en IL-18, pyroptose
Bacteriën
(Kumar et al, 2013)
NLRC5
Cytoplasma
Onbekend
Reguleerd MHCI antigen presentatie
Onbekend
(Neerincx et al, 2013)
NLRX1
Cytoplasma
Viraal RNA
Verzwakken van TLR signalisatie
RNA virussen
(Jaworska et al, 2014)
NLRP1
Cytoplamsa
“lethal factor” van B.anthracis
Secretie IL-1β en IL-18, pyroptose
B.anthracis, T.gondii
(Ewald et al, 2014; Kumar et al, 2013)
NLRP2-
Cytoplasma
Variable, vaak onbekend
Secretie IL-1β en IL-18, pyroptose, Verzwakken
Variabel, vaak onbekend
(Kumar et al, 2013)
9,11-14
NLRP10
van TLR signalisatie
Cytoplasma
Onbekend
Inflammasoom, IL-1β onafhankelijk
C.albicans, fungi
(Damm et al, 2013)
RIG-1
Cytoplasma
dsRNA
Pro-inflammatoire cytokines, Type-1 IFN
RNA virussen
(Szabo & Rajnavolgyi, 2013)
MDA5
Cytoplasma
dsRNA
Pro-inflammatoire cytokines, Type-1 IFN
RNA virussen
(Szabo & Rajnavolgyi, 2013)
LGP2
Cytoplasma
dsRNA
Activeren/inhiberen van RIG-1 en MDA5
RNA virussen
(Szabo & Rajnavolgyi, 2013)
RLRs
15
Micro-organismen bevatten verschillende MAMPs, waardoor ook verschillende PRRs
simultaan geactiveerd kunnen worden tijdens een infectie. Hierdoor is het aangeboren
immuunsysteem in staat om op een gepaste manier te reageren op verschillende
pathogenen (Figuur 1). Bij binding van een ligand op een PRR worden signaalcascades
geactiveerd via signalisatie met TIR of TRIF. Deze signaalcascaden resulteren finaal in de
nucleaire translocatie van pro-inflammatoire transcriptiefactoren zoals NFκB of IRF3/7, met
productie van respectievelijk inflammatoire cytokines en type I interferonen tot gevolg
(Kumar et al, 2011).
Figuur 1: Herkenning van H. pylori door aangeboren immuunsysteem. (Salama et al, 2013)
1.2.1. β-glucanen
Een belangrijke MAMP voor de herkenning van gisten, fungi en bacteriën door cellen van het
aangeboren immuunsysteem zijn β-glucanen. β-glucanen zijn polysachariden van D-glucose
monomeren, aan elkaar gelinkt via 1,3 β-glycoside bindingen. Het is een zeer heterogene
groep, die sterk kan verschillen in oplosbaarheid, primaire structuur, moleculair gewicht,
vertakkingen en lading (Soltanian et al, 2009). Het meest voorkomende β-glucaan is cellulose,
een essentiële component van de celwand in planten. Ook de celwanden van gisten, zoals S.
cerevisiae, fungi, algen en sommige bacteriën bevatten een substantiële hoeveelheid βglucanen (Zekovic et al, 2005). Bij gisten kan de celwand zelfs tot 90% uit polysachariden
bestaan. De β-glucanen staan bekend om hun vermogen om het immuunsysteem te
moduleren (Mahla et al, 2013). Kleine verschillen in β-glucaan verbindingen en chemische
structuur, zoals de frequentie, locatie en lengte van de zijketens kunnen grote verschillen in
oplosbaarheid, werkingsmechanisme en biologische activiteit teweegbrengen (Vetvicka et al,
2008). Afhankelijk van hun structuur, kunnen β-glucanen worden onderverdeeld in 3
verschillende groepen, met verschillende eigenschappen: De oplosbare, gelvormige en
partikel-vormende β-glucanen. Hoe lager de polymerisatiegraad, hoe hoger de
oplosbaarheid (Zekovic et al, 2005). Ook vertakkingen kunnen een gunstig effect hebben op
16
de oplosbaarheid (Ishibashi et al, 2002). Oplosbare β-glucanen blijken bovendien sterkere
immuun-stimulatoren te zijn dan niet-oplosbare (Guo et al, 2009). Voor (1,3) β-glucanen is
aangetoond dat ze een sterk immuun-stimulerend effect hebben in een groot aantal soorten,
zoals aardwormen (Beschin et al, 1998), konijnen (Kennedy et al, 1995), varkens (Stuyven et
al, 2009) en mensen (Kougias et al, 2001). Omdat dit immuun-stimulerend effect actief is
over het gehele evolutionaire spectrum, wordt herkenning van β-glucanen door het
aangeboren immuunsysteem gezien als een evolutionair geconserveerde respons tegen
schimmels (Soltanian et al, 2009). Enkele β-glucanen zijn onder andere scleroglucan,
afkomstig van de schimmel S. glucanicum, macrogard en zymosan, afkomstig van de gist
S. cerevisiae, curdlan, afkomstig van de bacterie A. faecalis en paramylon, afkomstig van de
alg E. gracilis. Beta-glucanen worden herkend door PRRs, zoals Dectin-1 en Complement
Receptor 3 (CR3). Dectin-1 is een CLR, geëxpresseerd op macrofagen, neutrofielen en
dendritische cellen. Bij macrofagen leidt herkenning van β-glucanen via de dectin-1 pathway
tot de stimulatie van fagocytose en de productie van inflammatoire cytokines (Brown, 2006).
Bij neutrofielen en monocyten resulteert β-glucaan herkenning in de productie van reactieve
zuurstofradicalen (Rubin-Bejerano et al, 2007; Sonck et al, 2010). CR3 is opgebouwd uit CD18
en CD11R1 en is een onderdeel van het complement systeem. Expressie van deze
receptoren is afhankelijk van de soort en het celtype. Zo is bij de muis dectin-1 belangrijk
voor de herkenning van β-glucanen. Bij de mens is dan weer CR3 betrokken bij β-glucaan
herkenning door neutrofielen, terwijl macrofagen zowel gebruik maken van dectin-1 als CR3
(van Bruggen et al, 2009). Bij het varken is dectin-1 reeds waargenomen (Sonck et al, 2009),
terwijl voor CR3 beide oppervlakte merkers reeds aangetoond zijn op neutrofielen,
macrofagen en andere immuuncellen (Nochi et al, 2006). Dectin-1 wordt momenteel
beschouwd als de belangrijkste β-glucaan receptor. Ook voor TLR2 en TLR6 is reeds een
belangrijke rol aangetoond in de herkenning van β-glucanen (Batbayar et al, 2011).
Bovendien kunnen dectin-1 en TLR2/6 op een synergistische manier met elkaar
samenwerken om de immuunrespons tegen een pathogeen te versterken (Mukhopadhyay
et al, 2004). Het immuun-stimulerend effect van deze β-glucanen wordt veroorzaakt door
een mechanisme dat men getrainde immuniteit noemt.
1.3.
Getrainde immuniteit
Het aangeboren immuunsysteem word conventioneel gezien als een relatief simpel systeem
dat het organisme moet verdedigen tegen binnendringende pathogenen. Het maakt hierbij
gebruik van zowel chemische, biochemische als mechanische barrières. Het aangeboren
immuunsysteem beschermt niet specifiek tegen een bepaalde pathogeen, maar eerder
tegen een volledige groep van pathogenen, zoals bacteriën, virussen of fungi. Er wordt geen
immunologisch geheugen opgebouwd zoals bij de adaptieve immuunrespons en bijgevolg
kan het ook geen specifieke bescherming geven tegen organismen die voordien reeds zijn
gedetecteerd. In mensen en andere vertebraten wordt langdurige bescherming tegen
herinfectie geleverd door het adaptieve immuunsysteem, waarbij klonaal geëxpandeerde
populaties van antigeen-specifieke lymfocyten instaan voor het immunologisch geheugen
(Amsen et al, 2013).
De laatste jaren is echter gebleken dat de grens tussen het adaptief en het aangeboren
immuunsysteem niet zo duidelijk is als eerst werd aangenomen. Studies in planten,
invertebrata en vertebraten hebben de scheidingslijn tussen aangeboren en adaptief doen
17
vervagen door de ontdekking van een aantal immuun mechanismen die zowel aangeboren
als adaptieve kenmerken bevatten (Netea, 2013). De term “trained immunity” of getrainde
immuniteit werd hierbij geïntroduceerd. We kunnen getrainde immuniteit omschrijven als
een verhoogde weerstand van het aangeboren immuunsysteem tegen secundaire infecties
na inductie door een primaire infectie. Dit gebeurt op een T- en B-cel onafhankelijke manier.
Hoewel deze verhoogde weerstand minder specifiek is dan het adaptief immuunsysteem, is
deze wel in staat om kruisbescherming te geven tegen andere pathogenen (Netea et al,
2011).
Het principe van getrainde immuniteit is reeds in vele soorten waargenomen. Zowel
zoogdieren, planten, vissen, insecten, en zelfs micro-organismen hebben aspecifieke
verdedigingsmechanismen ontwikkeld om zich beter te beschermen tegen pathogenen.
Hieronder volgt een kort overzicht van de verschillende mechanismen die zijn gevonden op
de verschillende evolutionaire niveaus. Samen kunnen ze ons een beter inzicht geven in de
werking van getrainde immuniteit bij zoogdieren en meer specifiek in het varken.
1.3.1. Systemic Aquired Resistance (SAR) in planten
Planten beschermen zichzelf tegen pathogenen via een combinatie van aangeboren en
geïnduceerde weerstand mechanismen. Aangeboren weerstand baseert zich op
mechanismen die reeds aanwezig zijn vooraleer de plant wordt geïnfecteerd door een
pathogeen. Geïnduceerde of verkregen weerstand mechanismen worden pas zichtbaar na
infectie door een pathogeen. Het plant immuunsysteem wordt onderverdeeld in twee grote
groepen: MAMP-triggered immunity (MTI) en effector-triggered immunity (ETI). MTI staat in
voor de basis weerstand, terwijl ETI eerder in een duurzamere weerstand resulteert. Planten
bezitten ook nog een bijkomstig immuunsysteem, genaamd systemisch verkregen weerstand
of SAR (Muthamilarasan & Prasad, 2013). SAR is een beschermingssysteem dat al lang
gekend is bij planten. Het is analoog aan het aangeboren immuunsysteem in dieren en er zijn
bewijzen dat deze twee systemen evolutionair geconserveerd zijn (Durrant & Dong, 2004).
Detectie van microbiële infecties door plant PRRs activeren een immunologische respons,
waarbij de weerstand tegen een specifieke pathogeen verspreid wordt doorheen de
volledige plant, vertrekkend vanuit de plaats van infectie. De weerstand die door SAR wordt
geïnduceerd kan bescherming bieden tegen een brede waaier aan pathogenen (Durrant &
Dong, 2004). Zo zal het inenten van planten met een verzwakt micro-organisme
bescherming bieden tegen zowel bacteriën, virussen en fungi. Enkele belangrijke
mechanismen over de werking van SAR zijn in de laatste decennia geïdentificeerd. Zo wordt
SAR onder andere geassocieerd met de activatie van een groot aantal pathogeengerelateerde genen. Deze genen staan in voor de productie van pathogeen-gerelateerde
eiwitten, die zorgen voor de bescherming van de plant tegen de pathogeen. Endogeen
salicylzuur (SA) speelt hierin een belangrijke rol. Het pathogeen geïnduceerde SA-signaal
activeert een moleculaire signaaltransductieweg, die leidt tot de productie van deze
pathogeen-gerelateerde eiwitten (Fu & Dong, 2013). Ook epigenetische veranderingen
zouden aan de basis liggen van SAR. Zo wordt SAR in A.thaliana geassocieerd met H3K9
acetylatie van salicyl-responsieve promotors en een algemene DNA hypomethylatie, wat
leidt tot een verhoogde transcriptie van pathogeen geassocieerde genen (van den Burg &
Takken, 2009). Bovendien zou deze verhoogde immuniteit kunnen worden doorgegeven
18
over verschillende generaties, wat ook een epigenetische mechanisme suggereert (Slaughter
et al, 2012).
1.3.2. Invertebrata
Niet enkel in planten zijn mechanismen waargenomen die de aangeboren weerstand kunnen
versterken. Omdat adaptieve immuniteit zoals wij die kennen, beperkt is tot de vertebraten,
kunnen invertebrata enkel via aangeboren immuun mechanismen reageren op een infectie.
Ze hebben geen functionele equivalenten van B- en T-cellen ontwikkeld tijdens hun evolutie.
Dit betekent echter niet dat invertebrata geen immunologisch geheugen bezitten. Er zijn
steeds meer studies die aantonen dat invertebrata een verhoogde weerstand kunnen
vertonen tegen secundaire infecties indien er een eerdere ontmoeting is geweest met een
pathogeen (Kurtz, 2005). Twee belangrijke mechanismen worden voorgesteld voor deze
versterkte aangeboren immuunrespons.
Als eerste zijn er meerdere mechanismen die een kwantitatieve versterking van de
aangeboren immuunrespons kunnen veroorzaken tijdens een herinfectie. Zo worden de Toll
en lmd-pathways bij Drosophila opgereguleerd na een infectie met Streptococcus
pneumoniae. Bij een tweede infectie met een dodelijke dosis van S. pneumoniae wordt een
versterkte immuunrespons waargenomen, resulterend in een betere bescherming tegen de
pathogeen. Deze bescherming blijft gedurende het volledige leven van de fruitvlieg aanwezig
(Pham et al, 2007). Ook kwantitatieve en fenotypische veranderingen in immuun cel
populaties kunnen resulteren in een versterkte immuunrespons. Zo heeft onderzoek bij de
mug A. gambiae aangetoond dat een eerdere infectie met Plasmodium kan resulteren in een
verhoogde hoeveelheid aan granulocyten die circuleren in de hemocoel. Dit leidt tot een
verlaagde overlevingskans van plasmodium tijdens een herinfectie (Rodrigues et al, 2010).
Onderzoek bij de meeltor T. molitor heeft aangetoond dat ook een versterking van cellulaire
mechanismen, zoals fagocytose, kan leiden tot een verhoogde immuunrespons. Hierbij
vertoonden larven van de meeltor, die vooraf werden gestimuleerd met LPS, een verhoogde
bescherming tegen de fungus M. Anisopliae (Moret & Siva-Jothy, 2003). Ook de expressie
van specifieke receptoren, zoals peptidoglycaan herkenningsmoleculen en lectine
receptoren kunnen worden opgereguleerd na een eerste infectie (Steiner, 2004). Deze
mechanismen zijn duidelijk verschillend van de adaptieve immuunrespons bij vertebraten.
Ze geven eerder een aspecifieke bescherming tegen herinfectie door een verhoogde respons
te induceren van het aangeboren immuunsysteem.
Als tweede mechanisme voor een versterkte immuunrespons bij invertebrata worden meer
specifieke beschermingsmechanismen voorgesteld. Specifiek geheugen in het adaptieve
immuunsysteem maakt gebruik van somatische diversificatie. Ook hiervan zijn meerdere
mechanismen ontwikkeld gedurende de evolutie. Het klassieke voorbeeld bij de vertebraten
zijn de recombinatie-geassocieerde genen (recombination-associated genes; RAGs). Deze
staan in voor de somatische herschikking van immunoglobulines en T-cel receptoren tijdens
V-D-J-recombinatie (Tsai & Lieber, 2010). Bij invertebrata treden RAG-onafhankelijke
herschikkingen, zoals sterk diverse leucine-rijke herhalingen (LRR). Deze worden voorgesteld
als een nieuw type van variabele lymfocyt receptor (VLR) bij kaakloze vertebraten, zoals de
prik (hyperoartia) of slijmprik (Myxini) (Pancer et al, 2004). Somatische diversificatie hoeft
echter niet samen te hangen met herschikkingen. Zo zijn er tal van diversiteit genererende
19
mechanismen aangetoond bij invertebrata die geen gebruik maken van herschikkingen. Eén
van deze mechanismen die de aangeboren immuunrespons kan versterken is de hoge mate
van diversificatie op genomisch niveau van fibrinogeen-gerelateerde eiwitten (FREPs) in
weekdieren, zoals B. Glabrata (Zhang & Loker, 2004). Een ander mechanisme zijn de
scavenger receptor cysteïne-rijke (SRCS) eiwitten in stekelhuidigen, zoals A. pectinifera (Du
Pasquier, 2005; Furukawa et al, 2012). Ook in insecten, zoals D. melanogaster en A. gambiae
kan alternatieve splicing van het immunoglobuline (Ig) domein-coderende gen, Down
syndroom cel adhesie molecule (Dscam), een duizenden, sterk diverse potentiële splice
varianten produceren. Deze leveren bijkomende mechanismen voor diversiteitsgeneratie,
die kunnen leiden tot de specifieke herkenning van en bescherming tegen bacteriën en
parasieten (Watson et al, 2005).
Voorgaande mechanismen zijn belangrijk om de diversiteitsgeneratie bij invertebrata te
kunnen begrijpen. Ze laten de inductie van een anticiperende immuunrespons toe. Deze
observaties in organismen die geen adaptieve immuunrespons bezitten spreken de
algemene zienswijze dat het aangeboren immuunsysteem zich niet kan aanpassen tegen.
1.3.3. Vertebraten
Ook bij vertebraten zijn aanwijzingen gevonden voor een verhoogde weerstand van het
aangeboren immuunsysteem na een initiële infectie.
Zo is reeds lang bekend dat kinderen, gevaccineerd met het Bacille Calmette-Guérin (BCG)
vaccin, een veel lagere sterftegraad vertonen in vergelijking met kinderen die niet werden
gevaccineerd. BCG is een vaccin dat bescherming biedt tegen tuberculose. De meeste
sterfgevallen worden hierbij vermeden in de eerste levensjaren van het kind, terwijl
tuberculose net slachtoffers maakt op latere leeftijd (Garly et al, 2003). Dit doet vermoeden
dat het BCG vaccin meer doet dan enkel tegen tuberculose beschermen. Het lijkt ook een
niet-specifieke immuniteit te veroorzaken tegen andere ziekten. In verdere studies is
gebleken dat BCG een verlaging in sterftegraad met meer dan 40% kan veroorzaken bij
pasgeboren kinderen, door ademhalingsinfecties en bloedvergiftigingen te voorkomen (Aaby
et al, 2011). Ook bij eerdere studies met muizen, gevaccineerd met BCG, werd een
versterkte immuniteit waargenomen nadat deze werden geïnfecteerd met C. albicans (van 't
Wout et al, 1992).
Een ander voorbeeld van getrainde immuniteit bij vertebraten werd verkregen bij infectie
van muizen met een verzwakte C. albicans stam. Bij herinfectie met een meer virulente stam
vertoonden de muizen bescherming tegen deze stam, maar ook tegen de bacterie S. aureus.
Dit toonde de aanwezigheid van een aspecifieke bescherming aan (Bistoni et al, 1986).
Belangrijker in dit onderzoek was het feit dat deze bescherming ook kon worden
geïnduceerd bij athymische muizen, wat aantoonde dat de bescherming op een T-cel
onafhankelijke manier verliep (Bistoni et al, 1986). Bijkomend onderzoek toonde bovendien
aan dat de bescherming tegen herinfectie afhankelijk was van macrofagen en proinflammatoire cytokine productie, zoals TNFα en IL-1 (Vecchiarelli et al, 1989). Deze
experimenten toonden duidelijk aan dat het aangeboren immuunsysteem een rol speelt in
deze bescherming en daarenboven dat er ook adaptieve kenmerken van kracht zijn.
20
Bij studies van mazelen (Aaby et al, 1995) en pokken (vaccinia)(Mayr, 2004) vaccinatie zag
men ook een voordelig effect dat niet gerelateerd kon zijn aan een specifieke bescherming
tegen de ziekte zelf. Ook hier werd een verlaagde sterftegraad waargenomen bij
gevaccineerde kinderen tegenover ongevaccineerde kinderen. Dit kan enkel verklaard
worden indien het vaccin een niet-specifieke bescherming geeft tegen ziekten die
voornamelijk in de eerste jaren na geboorte voorkomen.
In tegenstelling tot de voordelige effecten van voorgaande vaccins waren er bij vaccinaties
met het kroep-kinkhoest-tetanus (Diphtheria-Pertussis-tetanus; DPT) vaccin net meer
sterftegevallen bij gevaccineerde kinderen in vergelijking met ongevaccineerde kinderen
(Aaby et al, 2012). Dit nadelig effect kan mogelijk verklaard worden door heterologe
immuniteit, gemedieerd door kruisreactiviteit van T-cellen. Hierbij kan een bepaald antigeen,
afkomstig van het vaccin, op een T-cel afhankelijke manier een kruisreactie induceren met
andere pathogenen. Dit effect kan, afhankelijk van de T-cel receptor specificiteit, zowel een
voordelig als een nadelig effect hebben (Welsh & Selin, 2002).
Getrainde immuniteit kan ook een belangrijke rol vervullen bij pasgeborenen. De eerste
dagen na geboorte vormen een periode van extreme stimulatie voor het relatief naïeve
immuunsysteem door blootstelling en kolonisatie met tal van bacteriën. Omdat het
adaptieve immuunsysteem nog niet op punt staat in de eerste dagen tot weken na geboorte,
zijn pasgeborenen erg afhankelijk van het aangeboren immuunsysteem. De immuuncellen
van het aangeboren immuunsysteem vormen tijdens deze periode de belangrijkste
verdediging. De reactie van het aangeboren immuunsysteem stimuleert bovendien het
adaptieve immuunsysteem en draagt bij aan de ontwikkeling van de klassieke immuun
geheugen respons (Levy & Wynn, 2014). Uit onderzoek is gebleken dat het aangeboren
immuunsysteem bij pasgeborenen kan onderscheiden worden van dit op latere leeftijd
(Strunk et al, 2011). Zo zijn er belangrijke leeftijdsafhankelijke verschillen waargenomen in
de TLR-gemedieerde cytokine productie (Kollmann et al, 2012). Hoewel de expressie en
distributie van TLRs in monocyten van pasgeborenen gelijkaardig zijn aan volwassen
monocyten, zijn de functionele gevolgen van deze TLR activering wel verschillend. Zo
vertonen pasgeborenen een verhoogde productie van IL-6 en IL-23, verantwoordelijk voor
Th-17 differentiatie. De productie van pro-inflammatoire cytokines zoals TNF-α, IFN-γ, IL-1β
en IL-12 zijn dan weer lager. Dit draagt waarschijnlijk bij aan de verhoogde vatbaarheid voor
onder andere het herpes simplex virus (HSV), L. monocytogenes en groep B streptococcen in
de eerste weken na geboorte (Kollmann et al, 2012). Deze verlaagde pro-inflammatoire
cytokine productie is deels te wijten aan een verlaagde productie van intracellulaire
mediatoren betrokken in TLR signalisatie, zoals MyD88, IRF5 en p38 (Sadeghi et al, 2007). Dit
kan belangrijk zijn om het risico op een overmatige pro-inflammatoire immuunrespons te
vermijden tijdens de eerste kolonisatie van de huid en het darmkanaal. Deze immuun
tolerantie kan ook belangrijk zijn om de kans op foetale afstoting van de moeder te
verminderen (Kollmann et al, 2012). Bij onderzoek met pasgeboren muizen, blootgesteld aan
lage dosissen van TLR liganden, zoals LPS (TLR4) of imidazoquinoline R-848 (TLR7/8) werd
ook een versterkte aangeboren immuunrespons waargenomen. Hier zag men een significant
overlevingsvoordeel van de voorbehandelde muizen ten opzichte van muizen die een
zoutoplossing toegediend kregen na stimulatie met poly microbiële sepsis (Wynn et al, 2008).
TLR-gemedieerde immuun priming induceerde hierbij verschillende versterkingen in immuun
21
functie, zoals een verhoogde cytokine productie, ROS productie, neutrofiel fagocytose en
een verbeterde verwijdering van bacteriën.
1.3.4. Training, priming en immuun tolerantie
Om training van het aangeboren immuunsysteem goed te kunnen begrijpen is het belangrijk
om een onderscheid te maken tussen training en priming van immuuncellen. Priming is een
bekend fenomeen, waarbij aangeboren immuuncellen worden gestimuleerd, leidend tot een
verhoogde immuunrespons. Wanneer de infectie overwonnen is zal deze verhoogde
immuunrespons terug dalen naar zijn basis niveau (Heremans et al, 1990; Steele et al, 2011).
Bij training krijgen we echter een functionele herprogrammering van de aangeboren
immuuncellen, waarbij deze op een hoger responsniveau blijven staan. Bij een volgende
infectie zullen deze getrainde immuuncellen hierdoor een sterkere immuunrespons
vertonen in verhouding met niet-getrainde immuuncellen (Netea et al, 2011). Immuun
tolerantie daarentegen is het tegenovergestelde van priming. Hierbij wordt tijdens een
infectie het immuunsysteem net onderdrukt in plaats van versterkt (Figuur 2). Zo kan de
binding van LPS aan TLR4 in monocyten de immuunrespons inhiberen. Hierbij is de dosis van
LPS, waaraan de monocyten worden blootgesteld, bepalend of de cellen tolerant dan wel
geprimed worden (Nahid et al, 2011). Epigenetische mechanismen zouden hierbij centraal
staan (Foster et al, 2007). Ook bij macrofagen is de inductie van training of tolerantie
afhankelijk van de concentratie van het ligand (Baker et al, 2014). In het volgende hoofdstuk
zullen deze mechanismen uitgebreid worden besproken.
Figuur 2: Aangeboren immuunrespons na priming van immuun cellen (Netea, 2013)
1.3.5. Moleculaire mechanismen voor getrainde immuniteit
Er zijn reeds tal van mechanismen gevonden die verantwoordelijk zijn voor de aspecifieke
bescherming van het aangeboren immuunsysteem bij vertebraten.
Uit onderzoek is gebleken dat monocyten, die worden gestimuleerd met een MAMP, een
functionele herprogrammering kunnen ondergaan. Hierbij kan zowel een verhoogde als
verlaagde cytokine respons worden waargenomen, afhankelijk van het type ligand en de
gebruikte concentratie. De functionele herprogrammering van de monocyten gaat ook
gepaard met een grotere celvorm, verhoogde granulariteit en opregulatie van cel
oppervlakte merkers, zoals CD14, CD68 en DC-SIGN (Ifrim et al, 2014). Microbiële liganden
22
zoals β(1,3)-glucanen en muramyl dipeptide (MDP) induceren getrainde immuniteit via
respectievelijk dectin-1 en NOD-2 (Kleinnijenhuis et al, 2012; Quintin et al, 2012). LPS
induceert dan weer tolerantie via TLR4 (Fan & Cook, 2004). Niet enkel het ligand zelf, maar
ook de concentratie speelt een belangrijke rol in de inductie van getrainde immuniteit.
Lagere concentraties vertonen vaak een sterkere capaciteit om monocyten te trainen, terwijl
hogere concentraties dan weer vlugger tot tolerantie leiden. Bijkomend onderzoek heeft ook
aangetoond dat getrainde immuniteit afhankelijk is van zowel de MAP kinase-afhankelijke
signaalcascades als van histon methylaties en acetylaties. Inductie van getrainde immuniteit
door β-glucanen, MDP en flagelline is bovendien afhankelijk van de niet-canonieke Raf1, p38
en JNK signaalcascades (Ifrim et al, 2014). Een verhoogde of verzwakte immuunrespons kan
dus afhankelijk zijn van een verschillende activatie van PRRs.
In muizen, deficiënt voor zowel T als B cellen, werd aangetoond dat bescherming tegen
herinfectie met C. albicans op een monocyt-afhankelijke manier gebeurt en dat β-glucanen
in de celwand van C. albicans verantwoordelijk zijn voor de functionele herprogrammering
van deze monocyten na de initiële infectie (Quintin et al, 2012). Tijdens herinfectie werd een
verhoogde secretie aan de inflammatoire cytokines TNFα, IL-1β en IL-6 waargenomen in
vergelijking met controle cellen. De β-glucaan receptor dectin-1 en de niet-canonieke raf-1
signaal transductieweg spelen een belangrijke rol in de inductie van getrainde immuniteit
(Ifrim et al, 2013). Bovendien zijn er sterke correlaties gevonden tussen de β-glucaan
afhankelijke functionele herprogrammering van monocyten en histon trimethylaties op
H3K4, wat alweer een link met epigenetische mechanismen voorstelt (Quintin et al, 2012).
Om deze epigenetische mechanismen beter te kunnen begrijpen, zal eerst een korte
inleiding in de epigenetica worden gegeven. Epigenetische mechanismen kunnen
omkeerbare erfelijke veranderingen introduceren in de activiteit van genen zonder hierbij de
DNA sequentie zelf te veranderen. Er zijn tal van mechanismen die hiervoor kunnen instaan,
maar de meest voorkomende zijn DNA methylaties en histon modificaties, zoals acetylaties,
methylaties, fosforylaties, ubiquitinaties of sumoylaties bevatten. Heel wat enzymen spelen
een rol in deze epigenetische modificaties, zoals DNA methyltransferasen, histon acetyl
transferasen, histon deacetylases, histon methyltransferasen en fosfatasen (Suarez-Alvarez
et al, 2013). DNA methylaties gebeuren voornamelijk op CpG motieven, waarbij cytosine
geconverteerd wordt naar 5-methylcytosine. Hypergemethyleerde regio’s in het genoom zijn
transcriptioneel minder actief, terwijl hypogemethyleerde regio’s net meer actief zijn.
Histonen zijn eiwitten, die het DNA samenpakken en groeperen in nucleosomen. Deze
nucleosomen vormen herhalingseenheden, die samen het chromatine vormen. Afhankelijk
van de structuur van het chromatine spreken we over hetero- of euchromatine.
Heterochromatine is dichter opeengepakt en wordt geassocieerd met geïnactiveerde genen
omdat het DNA moeilijk toegankelijk is voor de transcriptie machinerie. Bij euchromatine zit
het histon-DNA complex daarentegen losser verpakt, waardoor het beter toegankelijk is voor
transcriptiefactoren. Histon modificaties kunnen, afhankelijk van de plaats en het type van
de modificatie, zowel een activerend als inhiberend effect hebben op de transcriptionele
activiteit van genen. Bovendien kunnen verschillende histon modificaties ook een
synergistisch effect hebben op elkaar. Histonen ondergaan deze modificatie meestal op
lysine-residuen in de N-terminale histon staarten. De meest voorkomende activerende
modificaties zijn methylaties op H3K4, H3K9 en H3K27 en acetylaties op H3K9 en H3K27.
Trimethylaties op H3K9 en H3K27 zijn dan weer inactiverend (Figuur 3).
23
Figuur 3: Epigenetische histon modificaties (© Oryzon Genomics)
Zoals eerder vermeld staan epigenetische mechanismen onder andere centraal bij de
ontwikkeling van LPS geïnduceerde tolerantie in monocyten (Foster et al, 2007). LPS kan
hierbij epigenetische modificaties induceren op een cel-type en stimulus-specifieke wijze.
Zogenaamde verborgen enhancers spelen hierin een belangrijke rol (Ostuni et al, 2013).
Enhancers zijn regio’s op het DNA waarop transcriptiefactoren kunnen binden voor inductie
van de transcriptie machinerie. Verborgen enhancers zijn aanwezig bij terminaal
gedifferentieerde cellen, zoals macrofagen of neutrofielen. Ze blijven ongebonden door
transcriptiefactoren, omdat ze de histon merkers ontbreken die normaal aanwezig zijn op
gewone enhancers. Ze verkrijgen deze merkers echter wel in respons op stimulatie, waarna
de transcriptiefactoren kunnen binden. Vele van deze verborgen enhancers zullen na
stimulatie niet terugkeren naar hun oorspronkelijke staat, waardoor ze bij een volgende
stimulatie veel vlugger en sterker kunnen reageren. Dit epigenetische mechanisme geeft het
organisme dus een geheugen van de blootstelling aan de omgeving (Ostuni et al, 2013). Bij
niet-gestimuleerde monocyten zien we een verlaagde cytokine productie, waarbij zowel
histon acetylatie als methylatie merkers afwezig zijn bij immuunrespons genen. Wanneer
deze cellen geactiveerd worden door contact met een ligand, vindt er zowel histon acetylatie
als methylatie plaats, resulterend in een verhoogde transcriptie van de immuunrespons
genen. Een getrainde cel zal na stimulatie zijn acetylatie merkers terug verliezen, waardoor
het zijn actieve transcriptie verliest. De histon methylatie merkers zullen echter behouden
blijven. Hierdoor blijven de promotors van inflammatoire genen gemerkt met histon
methylaties (H3K4Me3) op deze verborgen enhancers (Ostuni et al, 2013). Dit laat een
vluggere en sterkere respons toe bij een volgende stimulatie. Dit concept kan instaan voor
het aspecifieke geheugen van getrainde immuun cellen. Zo kunnen monocyten getraind met
β-(1,3)glucanen afkomstig van C. albicans niet enkel een versterkte respons vertonen bij
herstimulatie met C. albicans, maar ook bij herstimulatie met andere pathogenen zoals S.
aureus (Bistoni et al, 1986).
Uit recent onderzoek is gebleken dat humane monocyten blootgesteld aan BCG een
verhoogde productie van IFN-γ en een verhoogde vrijgave van TNFα en IL-1β vertoonden.
Deze versterkte functie van circulerende monocyten blijft minstens 3 maanden na vaccinatie
24
aanwezig. Bovendien werd een verhoogde expressie van activatiemerkers, zoals CD11b en
TLR4, waargenomen. Dit zou de monocyten beter in staat moeten stellen om infecties te
detecteren. Er werd ook aangetoond dat de monocyten functioneel werden
herprogrammeerd na inductie met BCG. Zowel het toevoegen van TLR2 en TLR4 specifieke
inhibitoren als het gebruik van monocyten van dectin-1 deficiënte individuen had geen
invloed op het trainingseffect van BCG op de monocyten. Bij gebruik van monocyten
afkomstig van NOD2-deficiente individuen werd daarentegen wel een verschil waargenomen
ten opzichte van niet-deficiënte monocyten. Dit geeft een sterk argument dat NOD2 en niet
de TLRs (TLR2/4) of CLRs (dectin-1) verantwoordelijk zijn voor de training van monocyten
door BCG. Verder bewijs voor deze conclusie kon gevonden worden door experimenten,
waarbij het NOD2-specifieke ligand MDP en niet het TLR4 ligand LPS of TLR2 ligand Pam3Cys
in staat was om de effecten van BCG vaccinatie na te bootsen. Bovendien konden verhoogde
H3K4 trimethylaties worden waargenomen na training met BCG op het niveau van cytokine
en TLR4 promotors. Dit toont aan dat histon modificaties, zoals acetylaties en methylaties
een belangrijke rol vervullen in de transcriptionele regulatie tijdens inflammatie. Zo was de
histon methyltransferase inhibitor MTA in staat om het trainingseffect van BCG te niet te
doen (Kleinnijenhuis et al, 2012).
Voorgaande studies geven duidelijk de link weer tussen getrainde immuniteit en epigenetica.
Epigenetische mechanismen geven het aangeboren immuunsysteem de mogelijkheid om
voorgaande infecties te onthouden. Dit is uiteraard verschillend van de geheugenfunctie in
het adaptieve immuunsysteem. Terwijl adaptieve immuuncellen een specifiek antigeen
kunnen herkennen, is dit bij aangeboren immuun cellen duidelijk niet het geval. Dit
aspecifieke geheugen heeft echter wel voordelen tegenover het adaptieve immuun
geheugen. Zo kan er een verhoogde weerstand worden opgebouwd tegen pathogenen
waaraan het organisme nog niet is blootgesteld. Epigenetische veranderingen kunnen ook
worden doorgegeven aan volgende generaties, indien deze plaatsvinden in de kiemcellen.
Het zou dus interessant kunnen zijn om uit te zoeken of deze epigenetische veranderingen
ook plaatsvinden in andere cellen van het organisme, zoals de voortplantingscellen.
Ook bij NK-cellen werden adaptieve immuun kenmerken waargenomen. NK-cellen
expresseren een groot repertoire aan activerende en inhiberende receptoren, die de
controle tussen zelf-tolerantie en het aanvallen van viraal-geïnfecteerde cellen reguleren. Bij
infectie met muis cytomegalovirus (MCMV) wordt het virale eiwit m157, aanwezig op het
oppervlak van geïnfecteerde cellen, herkend door de activerende Ly49H receptor op NKcellen. Bij detectie van m157 ondergaan deze NK-cellen een sterke activatie en
vermenigvuldiging met verwijdering van de geïnfecteerde cellen tot gevolg. Na infectie
zullen een beperkt aantal NK-cellen aanwezig blijven in lymfoïde en niet-lymfoïde organen,
zoals de lever, waar ze enkele maanden kunnen overleven. Bij herinfectie met MCMV zullen
deze zogenaamde “geheugen” NK-cellen zich klonaal uitbreiden op een antigeen-specifieke
wijze. Dit resulteert in degranulatie en vrijlating van cytokines, waarmee een vlugge en
beschermende immuunrespons geïnduceerd wordt (Sun et al, 2009). Dit systeem vertoont
sterke gelijkenissen met de geheugen T-cellen van het adaptieve immuunsysteem. Deze
geheugen NK-cellen blijken zelfs de capaciteit te hebben tot zelf vernieuwing en kunnen tot
enkele maanden na infectie nog een secundaire immuunrespons induceren (Sun et al, 2010).
De chemokine receptor CXCR6 blijkt ook een belangrijke rol te spelen in de opbouw van deze
geheugen NK-cellen in de lever (Paust et al, 2010).
25
Deel 2:
Doelstelling
Recent onderzoek heeft het huidige model van het immuunsysteem, waarbij het aangeboren
immuunsysteem vlug reageert op pathogenen, maar geen geheugen opbouwt, in twijfel
getrokken. Bij zowel mens als muizen werd een geheugenfunctie of training aangetoond bij
cellen van het aangeboren immuunsysteem, meer specifiek monocyten. Hierbij werd
aangetoond dat monocyten na stimulatie met β-glucanen een verhoogde respons
vertoonden na een tweede stimulatie. Epigenetische modificaties, meer bepaald
trimethylaties van H3K4, liggen aan de basis van deze training van het aangeboren
immuunsysteem. Niet enkel β-glucanen maar ook andere PRR liganden zijn in staat om
getrainde immuniteit op een concentratie-afhankelijke manier in humane monocyten te
induceren. Of training van het aangeboren immuunsysteem ook aanwezig is bij andere
diersoorten is voorlopig een raadsel. Bovendien is het nog onduidelijk of training ook
aanwezig is bij andere aangeboren immuuncellen, zoals macrofagen en neutrofielen.
In deze masterthesis willen we dan ook de aanwezigheid van getrainde immuniteit bij
aangeboren immuuncellen, zoals monocyten, macrofagen en neutrofielen van het varken
aantonen. Dit doel past perfect in de onderzoeksactiviteiten van het Laboratorium voor
Immunologie, dat zich voornamelijk toespitst op de ontwikkeling van nieuwe veterinaire
vaccins om enteropathogenen bij varkens, schapen en runderen te bestrijden. Een belangrijk
aspect hierbij is de optimalisatie van de experimentele methoden en voornamelijk de isolatie
van de verschillende aangeboren immuuncellen uit hetzelfde perifeer bloedstaal. Daarnaast
wordt het onderzoek bij neutrofielen belemmerd door hun beperkte levensduur, waardoor
deze cellen niet lang in cultuur kunnen worden gehouden. In dit project willen we dit
probleem omzeilen door hun levensduur te verlengen door het toevoegen van GM-CSF aan
het cultuurmedium. Indien de levensduur van neutrofielen voldoende kan verlengd worden,
dan zal de invloed van verschillende reagentia, zoals β-glucanen, MacroGard, LPS, CpG en
PMA op de aangeboren immuunrespons van neutrofielen onderzocht worden. Zowel de
initiële respons als een potentieel trainingseffect zal worden onderzocht door de productie
van reactieve zuurstofradicalen, een handelsmerk van neutrofielen, te bestuderen.
Onderzoek heeft aangetoond dat behalve β-glucanen ook andere PRR liganden aangeboren
immuuntraining kunnen induceren. Tijdens deze masterthesis zullen verschillende βglucanen gescreend worden op hun capaciteit om getrainde immuniteit bij monocyten van
het varken te induceren. Vorig onderzoek heeft aangetoond dat partikelvormige β-glucanen,
afkomstig van de gist Saccharomyces cerevisiae en de alg Euglena gracilis, een sterk
immuun-stimulerend effect vertonen (Sonck et al, 2010). Optimalisatie van de
experimentele methoden, zoals de β-glucaan concentratie en het bepalen van de optimale
periode tussen de eerste en tweede stimulatie, zal noodzakelijk zijn. Om de training van de
aangeboren immuunrespons bij monocyten na te gaan, zal de secretie van een aantal proinflammatoire cytokines, zoals TNFα, IL-1β en IL-6, geanalyseerd worden. Aangezien histon
methylaties cruciaal zijn in de inductie van getrainde immuniteit bij humane monocyten, zal
het belang van deze epigenetische modificatie in de inductie van aangeboren
immuuntraining door β-glucanen in monocyten van het varken onderzocht worden.
De resultaten bekomen in deze masterthesis zouden later gebruikt kunnen worden bij de
ontwikkeling van nieuwe veterinaire vaccins. Het toevoegen van moleculen, die een training
van het aangeboren immuunsysteem bij het varken opwekken, zou de efficiëntie van
klassieke vaccins kunnen versterken.
26
Deel 3:
3.1.
Resultaten
Getrainde immuniteit in neutrofielen
Aangezien tijdens een infectie neutrofielen één van de eerste immuuncellen zijn die
gerekruteerd worden naar de plaats van infectie, werd de inductie van getrainde immuniteit
eerst onderzocht in neutrofielen. Deze neutrofielen werden uit perifere bloedstalen
geïsoleerd met behulp van een Percoll densiteitgradiënt centrifugatie. De zuiverheid van de
geïsoleerde neutrofielen werd geanalyseerd met behulp van flow cytometrie (Figuur 4).
Hiermee kunnen neutrofielen, perifere bloed mononucleaire cellen (PBMC’s) en afval op
basis van de celgrootte (FSC, forward scatter) en granulariteit (SSC, side scatter) van elkaar
onderscheiden worden. Neutrofielen bevatten veel granulen en vertonen bijgevolg een
hogere SSC-waarde dan PBMC’s. Een gemiddelde zuiverheid van 94,9% ± 5,6% (n = 4) werd
bekomen. De overige cellen waren voornamelijk lymfocyten. Deze zuiverheid was voldoende
hoog om verdere experimenten te kunnen uitvoeren.
Figuur 4: Zuiverheid van de neutrofiel populatie na isolatie. Flow cytometrie (FACSCanto) werd gebruikt om de
verschillende celpopulaties van elkaar te onderscheiden. (A+B) Doublets werden gediscrimineerd op basis van
FSC-H/FSC-A en SSC-H/SSC-A dotplots. (C) De side scatter-area (SSC-A) werd uitgezet tegenover de forward
scatter-area (FSC-A) om de verschillende cel populaties van elkaar te onderscheiden. Minstens 20000 singlets
werden geanalyseerd. De figuren zijn representatief voor 4 onafhankelijke experimenten. Neutrofielen werden
geïsoleerd uit bloed van 4 verschillende dieren.
27
3.1.1. GM-CSF verlengt de levensduur van neutrofielen
Om het trainingseffect bij neutrofielen te bestuderen, is een relatief lange cultuurperiode
nodig. Dit is noodzakelijk om de respons van de cellen na de eerste stimulatie terug te laten
dalen naar het basale niveau van de controle cellen. Omdat neutrofielen echter sterk
gedifferentieerde cellen zijn met een beperkte levensduur, is het noodzakelijk om hun
levensduur te verlengen. Een mogelijke manier bestaat uit de stimulatie van neutrofielen
met groeifactoren, zoals granulocyt-macrofaag kolonie-stimulerende factor (GM-CSF)
(Geering et al, 2013; von Gunten et al, 2009). Vooraleer we het trainingseffect bij
neutrofielen zullen nagaan, zal eerst het effect van GM-CSF op de levensduur of viabiliteit
van de geïsoleerde neutrofielen bepaald worden.
In afwezigheid van GM-CSF werd na een cultuurperiode van 48 h een overlevingspercentage
waargenomen van 45,0 ± 1 % en slechts 20,0 % na 4 cultuurdagen (Figuur 5A). Na 5 dagen
waren nagenoeg alle neutrofielen gestorven. In aanwezigheid van GM-CSF (200 ng/ml)
daarentegen kon het overlevingspercentage van de neutrofielen verhoogd worden tot 61,3 ±
3,5 % na 2 cultuurdagen en tot 37,2 % na 4 cultuurdagen (Figuur 5A). Niettegenstaande het
positief effect van GM-CSF op de viabiliteit van de neutrofielen, werd nog steeds een
celsterfte van 62,8% waargenomen na een cultuur periode van 4 dagen. Als gevolg hiervan
werd in een tweede experiment een tweede dosis GM-CSF (200 ng/ml) toegevoegd 2 dagen
na isolatie van de neutrofielen (Figuur 5B). Hierbij werd op dag 5 en 6 na isolatie nog een
overlevingspercentage van respectievelijk 50,4 % en 40,5 % waargenomen tegenover een cel
sterfte van 96,0 % bij de controle cellen. Deze resultaten geven duidelijk weer dat GM-CSF
een gunstig effect heeft op de celviabiliteit van neutrofielen na isolatie uit perifeer bloed.
Deze verlenging in levensduur geeft ons de mogelijkheid om het trainingseffect bij
neutrofielen te onderzoeken binnen een tijdsspanne van 5 dagen.
A
B
Ctrl
100
Ctrl
100
GM-CSF
% levende cellen
GM-CSF
80
80
60
60
40
40
20
20
0
0
1
2
3
Dagen na isolatie
4
1
2
3
4
Dagen na isolatie
5
6
Figuur 5: Invloed van GM-CSF op de viabiliteit van neutrofielen. GM-CSF (200 ng/ml) werd toegevoegd op (A)
dag 0 of op (B) dag 0 en 2 na isolatie. Bij de controle cellen (Ctrl) werd geen GM-CSF toegevoegd. De
celviabiliteit werd bepaald door een kleuring van de dode cellen met propidiumiodide (PI; 0,3 μg/ml). Elke
meting werd uitgevoerd in duplicaat. (dag 1 en 2, n ≥ 3; dag 3-6, n ≥ 1, ).
28
3.1.2. ROS-productie door neutrofielen
Tijdens een infectie zijn neutrofielen één van de eerste immuuncellen die migreren naar de
plaats van infectie om pathogenen te bestrijden. Wanneer neutrofielen aankomen op de
plaats van infectie, stellen ze na pathogeen herkenning de inhoud van hun granulen vrij aan
de omgeving. Hiertoe behoort onder andere het NADPH oxidase, dat instaat voor de
productie van reactieve zuurstofradicalen (reactive oxygen radicals; ROS). Aangezien de
productie van deze reactieve zuurstofradicalen gezien wordt als één van de kenmerkende
eigenschappen van neutrofielen, zullen we training van neutrofielen via deze ROS-productie
nagaan.
Aangezien β-glucanen training van het aangeboren immuunsysteem opwekken en βglucanen neutrofielen aanzetten tot ROS productie (Sonck et al, 2010), werd ROS productie
door neutrofielen na MacroGard stimulatie bestudeerd. Bovendien werden twee andere PRR
liganden, het TLR4 ligand LPS en het TLR9 ligand CpG, geanalyseerd op hun capaciteit om
ROS productie door neutrofielen te stimuleren. Als positieve controle werd phorbol 12myristate 13-acetate (PMA) toegevoegd aan de cellen. Zoals aangetoond op figuur 6A leidde
stimulatie van neutrofielen met 5 en 50 µg/ml MacroGard, 1 µg/ml CpG en 20 µg/ml PMA
tot een significant hogere ROS-productie ten opzichte van de controle cellen. Bij stimulatie
met 10 µg/ml LPS en 200 ng/ml PMA kon geen significant verschil worden waargenomen in
ROS-productie ten opzichte van de controle cellen (Figuur 6A). Het is mogelijk dat deze
reagentia niet in staat zijn om ROS-productie te induceren bij neutrofielen (LPS) of dat ze aan
een te hoge (LPS) of te lage (PMA) concentratie zijn toegevoegd. De stimulatie van
neutrofielen met 20 µg/ml PMA gaf een relatieve stijging van 127,0 ± 75,5 in ROS-productie,
terwijl voor CpG een stijging van 34,9 ± 29,5 waargenomen werd ten opzichte van de
controle cellen (Figuur 6B). Bij stimulatie met 5 en 50 µg/ml MacroGard werd een stijging
van respectievelijk 3,3 ± 0,5 en 35,5 ± 19,7 waargenomen ten opzichte van de controle cellen.
A 20000
*
RLU
16000
12000
*
*
8000
4000
*
0
ctrl
MG5
MG50
LPS
CpG
PMA0,2 PMA20
29
B
250
Relatieve stijging tov ctrl
200
*
150
100
*
*
50
0
*
MG5
MG50
LPS
CpG
PMA0,2
PMA20
Figuur 6: ROS-productie door neutrofielen na stimulatie met verschillende reagentia. Neutrofielen (2,0 x 105)
werden gestimuleerd met MacroGard (MG; 5 of 50 µg/ml), LPS (10 µg/ml), CpG (1 µg/ml) of PMA (0,2 of 20
µg/ml). HBSS werd toegevoegd als negatieve controle (Ctrl), terwijl PMA (20 µg/ml) gebruikt werd als positieve
controle. De ROS-productie werd bepaald met een luminometer (Luminoskan, Labsystems) en weergegeven als
(A) Relative Light Units (RLU) of (B) als verhouding van de RLU-waarden van de gestimuleerde cellen ten
opzichte van de controle cellen (n = 3). *, p<0.05.
In een tweede experiment werd vervolgens onderzocht als deze reagentia getrainde
immuniteit of immuuntraining kunnen induceren. Hiervoor werden de neutrofielen
gedurende 24 u een eerste keer gestimuleerd (training), gevolgd door een tweede stimulatie
5 dagen na isolatie. Er werd geen significant verschil in RLU-waarden waargenomen ten
opzichte van de controle cellen na een tweede stimulatie met 50 µg/ml MacroGard, 10
µg/ml LPS en 1 µg/ml CpG (Figuur 7A). Enkel een tweede stimulatie van de neutrofielen met
20 µg/ml PMA leidde tot ROS productie (Figuur 7A). Hierbij moet echter opgemerkt worden
dat deze RLU-waarden ongeveer 10 keer lager zijn bij de PMA stimulatie van controle
neutrofielen op dag 5 in vergelijking met de eerste stimulatie (Figuur 6A; PMA20). Een
tweede stimulatie met PMA van controle, LPS- en CpG-gestimuleerde neutrofielen
resulteerde in ROS productie, maar er werden geen verschillen waargenomen tussen de
verschillende condities (Figuur 7). In tegenstelling met deze resultaten werd er een
significante daling in ROS-productie waargenomen bij de PMA-gestimuleerde neutrofielen
na een eerste stimulatie met 5 µg/ml MacroGard en 200 ng/ml PMA ten opzichte van de
controle cellen (Figuur 7). Deze daling kan verschillende oorzaken hebben. Het is mogelijk
dat er een inductie van anergie is opgetreden na de eerste stimulatie met MacroGard of
PMA. Hierdoor zijn de neutrofielen mogelijk tolerant geworden tegen deze reagentia. Het is
wel verwonderlijk dat we dit effect niet waarnemen na een eerste stimulatie met CpG,
omdat hierbij een sterk verhoogde ROS-productie werd waargenomen na de eerste
stimulatie. Een andere mogelijke verklaring is een verhoogde celdood na de eerste stimulatie
van de neutrofielen met 5 µg/ml MacroGard of 200 ng/ml PMA.
30
RLU
3000
2000
A
Training:
ctrl
MG5
LPS
CpG
PMA
1000
*
0
Ctrl
MG50
LPS
CpG
*
PMA
Relatieve stijging van RLU tov ctrl
4000
3,0
2,5
2,0
B
Training:
MG5
LPS
CpG
PMA
1,5
1,0
0,5
*
*
0,0
PMA
5
Figuur 7: ROS-productie door neutrofielen 5 dagen na stimulatie. Neutrofielen (2,0 x 10 ) werden een eerste
keer gestimuleerd (training) met MacroGard (MG5, 5 µg/ml), LPS (10 µg/ml), CpG (1 µg/ml) of PMA (200 ng/ml)
opgelost in HBSS. HBSS werd toegevoegd als negatieve controle (Ctrl). Voor de tweede stimulatie werd gebruik
gemaakt van MacroGard (MG50, 50 µg/ml), LPS (10 µg/ml), CpG (1 µg/ml) of PMA (20 µg/ml). HBSS werd
toegevoegd als negatieve controle (ctrl). ROS-productie werd bepaald met een luminometer en weergegeven als
(A) Relative Light Units (RLU) of (B) als de verhouding van de RLU-waarden van de gestimuleerde neutrofielen
ten opzichte van de controle cellen. *, p<0.05; n = 3 (PMA training: n = 2; CpG training: n = 1; CpG stimulatie: n =
2).
3.2.
Getrainde immuniteit in monocyten
De rol van monocyten in training van het aangeboren immuunsysteem is reeds aangetoond
bij de mens en de muis (Kleinnijenhuis et al, 2012; Quintin et al, 2012). Om dit effect ook aan
te tonen bij het varken, werd eerst de isolatie van monocyten uit perifeer bloed verder op
punt gesteld. PMBCs werden tegelijk met neutrofielen geïsoleerd met behulp van Percoll
densiteitgradiënt centrifugatie. Na isolatie werd de zuiverheid bepaald met behulp van flow
cytometrie op basis van hun granulariteit (SSC) en celgrootte (FSC)(Figuur 8A). Een
gemiddelde zuiverheid van 93,3 ± 4,1% werd behaald over verschillende experimenten (n =
4), waarbij eveneens een kleine neutrofiel populatie (< 5%) waargenomen werd. Monocyten
werden vervolgens via immunomagnetische selectie aangereikt uit deze celpopulatie. In het
varken kunnen monocyten gefenotypeerd worden als CD172a hiCD14hiCD163+ of
CD172ahiCD14hiCD163-, terwijl conventionele en plasmacytoïde DCs CD172aloCD14- zijn
(Summerfield & McCullough, 2009). Alhoewel neutrofielen in de literatuur als CD14- worden
omschreven bij mens en muis, zijn neutrofielen bij het varken CD14 lo (Figuur 8C)(PiriouGuzylack & Salmon, 2008). Niettemin werd beslist om monocyten selectief aan te rijken via
immunomagnetische selectie (MACS) op basis van hun CD14 merker expressie. Na
opzuivering werd de lymfocyt fractie nagenoeg volledig verwijderd (< 5%), terwijl behalve
monocyten eveneens een sterke aanrijking van de neutrofiel populatie werd waargenomen
(>10%)(Figuur 9). Vermoedelijk is dit te wijten aan de overmaat α-CD14 monoklonale
antilichamen die tijdens MACS aan de cellen toegevoegd werden om zoveel mogelijk
monocyten te isoleren. Een verdere optimalisatie van de αCD14 mAb concentratie is
aangewezen.
31
Figuur 8: Expressie van de merker CD14 in de verschillende cel populaties na isolatie door middel van Percoll
densiteitgradiënt centrifugatie. Cellen werden geselecteerd en doublets werden uitgezonderd. (A) De side
scatter-area (SSC-A) werd uitgezet tegenover de forward scatter-area (FSC-A). Monocyten (CD14+ PBMC fractie)
zijn weergegeven in rood, CD14lo neutrofielen in donker blauw. (B en C) CD14+ celpopulaties werden geselecteerd
op basis van een kleuring met α-CD14 mAb (mIgG2b) en geit α-IgG2b-AF647. Een IgG2b isotype controle werd
gebruikt om de aspecifieke binding te controleren. Minstens 20000 singlets werden geanalyseerd. De figuur is
representatief voor 4 onafhankelijke experimenten. PBMC’s werden geïsoleerd uit bloed van 4 verschillende
dieren.
Figuur 9: Zuiverheid van de PBMC populatie na Percoll densiteitgradiënt centrifugatie en CD14 MACS. Cellen
werden geselecteerd en doublets werden uitgezonderd zoals hierboven aangegeven. De side scatter-area
(SSC-A) werd uitgezet tegenover de forward scatter-area (FSC-A). De populaties werden bekeken na Percoll
densiteitgradiënt centrifugatie en CD14 MACS. Minstens 20000 singlets werden geanalyseerd. De figuur is
representatief voor 4 onafhankelijke experimenten. PBMC’s werden geïsoleerd uit bloed van 4 verschillende
dieren.
32
Om de aanrijking van neutrofielen zo veel mogelijk te beperken, werd een andere
densiteitgradiënt op basis van lymphoprep gebruikt om PBMC’s te isoleren uit perifeer bloed.
Dit resulteerde in een veel kleinere neutrofiel populatie (<1 %) en dus werden veel minder
neutrofielen aangerijkt na immunomagnetische selectie op basis van CD14 expressie. De
gemiddelde zuiverheid van de CD14+ monocyt populatie bedroeg 87,1 ± 4,0 % over de
verschillende experimenten (n = 9). De neutrofiel contaminatie was hierbij steeds lager dan
10% (Figuur 10). Dit was voldoende om verdere experimenten uit te voeren. De aanrijking
van neutrofielen zou vermeden kunnen worden door een lagere concentratie aan α-CD14
antilichamen te gebruiken. De geïsoleerde monocyten werden na aanrijking eerst 24 u in
cultuur gehouden om de cellen te laten rusten.
Figuur 10: Zuiverheid van de CD14+ celpopulatie na lymphoprep densiteit gradiënt en CD14 MACS. Cellen
werden geselecteerd en doublets werden uitgezonderd. De side scatter-area (SSC-A) werd uitgezet tegenover
de forward scatter-area (FSC-A). Minstens 20.000 singlets werden geanalyseerd. De figuur is representatief
voor 9 onafhankelijke experimenten. PBMC’s werden geïsoleerd uit bloed van 5 verschillende dieren.
Om aan te tonen dat β-glucanen getrainde immuniteit kunnen induceren bij monocyten,
werd eerst gekeken naar de secretie van het pro-inflammatoire cytokine TNFα na stimulatie
met het partikelvormig β-glucaan MacroGard. Dit β-glucaan werd gekozen, omdat zijn
immuun-stimulerend effect reeds aangetoond is (Sonck et al, 2010). Monocyten
secreteerden significant meer TNFα in het supernatans na stimulatie met 5 of 50 µg/ml
MacroGard in vergelijking met de controle cellen (Figuur 11).
5000
*
TNFa (pg/ml)
4000
*
3000
2000
1000
0
Ctrl
MG5
MG50
Figuur 11: TNFα secretie bij monocyten na stimulatie met MacroGard. Monocyten (5,0 x 105) werden 24 u na
isolatie gestimuleerd met cultuurmedium (Ctrl), 5 of 50 µg/ml MacroGard. TNFα concentraties werden 24 u na
stimulatie bepaald door middel van ELISA (R&D Systems). *, p < 0,05. (Ctrl, n = 8; MG5, n = 6; MG50, n = 3)
33
Indien we de immuun training bij monocyten willen onderzoeken, is het belangrijk dat de
reagentia na 24 uur voldoende verwijderd worden uit de celcultuur om bijkomende
stimulatie te vermijden. Hiervoor werden de cellen 1, 4 en 6 dagen na de eerste stimulatie
gewassen (Figuur 12).
Figuur 12: Experimenteel methode voor immuun training bij monocyten. De geïsoleerde monocyten werden
gedurende 24 u gestimuleerd met de verschillende reagentia. Vervolgens werd het cultuurmedium 1, 4 en 6
dagen na de eerste stimulatie vervangen. Een tweede stimulatie met de verschillende reagentia volgde 7 dagen
na de oorspronkelijke stimulatie en na 24 u werd het supernatans gecollecteerd .
Vervolgens werd de TNFα concentratie bepaald in het cultuurmedium 1, 4 en 6 dagen na
stimulatie. Bij een goede washout verwachten we dat de TNFα secretie ten gevolge van de
eerste stimulatie afneemt en terug daalt naar een basis niveau. Na de eerste stimulatie
daalde de TNFα secretie in het cultuurmedium gedurende de washout fase (Figuur 13). Na
stimulatie met 5 µg/ml MacroGard werd een sterke daling van de TNFα secretie
waargenomen, die na 4 dagen 50 % en na 8 dagen slechts 5% bedroeg van de TNFα
concentratie op dag 1. Indien de monocyten daarentegen gestimuleerd werden met een 10x
hogere MacroGard concentratie (50 µg/ml), daalde de TNFα concentratie minder sterk
tijdens de washout fase. Na 4 dagen werd er geen daling gedetecteerd ten opzichte van dag
1, terwijl 8 dagen na de oorspronkelijke stimulatie de TNFα concentratie nog steeds de helft
bedroeg van die op dag 1 (Figuur 13B). Als partikelvormig β-glucaan is MacroGard blijkbaar
moeilijk weg te wassen bij hoge concentratie, aangezien na 4 dagen nog steeds β-glucaan
partikels werden waargenomen in het cultuurmedium na stimulatie met 50 µg/ml
MacroGard (Figuur 14). Dit was niet het geval na stimulatie met 5 µg/ml MacroGard. Na
stimulatie werd hierbij ook een duidelijke verandering in morfologie waargenomen. Uit deze
resultaten blijkt dat 50 µg/ml MacroGard een te hoge concentratie is om een goede washout
te verkrijgen. De ontwikkeling van een betere was stap is noodzakelijk. hierdoor werd beslist
om monocyten te stimuleren met 5 µg/ml MacroGard om immuun training te induceren.
TNFa (pg/ml)
6000
5000
Reagentia:
Ctrl
MG5
MG50
B
4000
3000
2000
1000
0
1
4
6
Dagen na stimulatie
8
Relatieve TNFa expressie tov dag 1
7000
A
Reagentia:
MG5
MG50
2
1,5
1
0,5
0
4
6
Dagen na stimulatie
8
Figuur 13: TNFα secretie door β-glucaan gestimuleerde monocyten tijdens de washout fase. Monocyten (5,0
5
x 10 ) werden gestimuleerd met MacroGard (MG; 5 of 50µg/ml). Op dag 1, 4, 6 en 8 na stimulatie werd het
cultuurmedium gecollecteerd en vervangen. (A) TNFα concentraties werden bepaald door middel van ELISA
(R&D Systems) en (B) uitgezet ten opzichte van de stimulatie op dag 1. (Ctrl, n = 8; MG5, n = 6; MG50, n = 3)
34
Figuur 14: MacroGard blijft aanwezig in het cultuurmedium tijdens de washout fase. Monocyten (5,0 x 105)
werden gestimuleerd met 50 µg/ml MacroGard. De MacroGard partikels zijn duidelijk zichtbaar zowel 1 dag (A)
als 4 dagen (B) na stimulatie. De afbeeldingen werden bewerkt met ImageJ.
3.2.1. Aangeboren immuun training van monocyten met β-glucanen
Om enerzijds aangeboren immuun training bij monocyten en anderzijds het trainingseffect
van partikelvormige β-glucanen aan te tonen, werden de geïsoleerde CD14+ monocyten
gedurende 24 u gestimuleerd met 5 µg/ml MacroGard. Het cultuurmedium werd vervolgens
vervangen na 1, 4 en 6 dagen stimulatie om MacroGard te verwijderen. Vervolgens werden
de monocyten een tweede keer gestimuleerd met 5 of 50 µg/ml MacroGard gedurende 24 u.
Om de immuun training van de monocyten na te gaan, werd de concentratie van het proinflammatoire cytokine TNFα bepaald. Een eerste stimulatie met 5 µg/ml MacroGard (=
training) resulteerde in een verhoogde TNFα secretie door monocyten na een tweede
stimulatie met 5 of 50 µg/ml MacroGard in vergelijking met niet-gestimuleerde cellen (=
geen training) (Figuur 15A en B). Een significante relatieve stijging in TNFα concentratie van
1,90 ± 0,57 werd waargenomen na stimulatie met 5 µg/ml MacroGard in vergelijking met de
niet-gestimuleerde cellen (p = 0.0097). Bovendien werd na een tweede stimulatie met 50
µg/ml MacroGard een relatieve stijging in de TNFα concentratie van 3,1 ± 0,8 ten opzichte
van de niet-gestimuleerde cellen waargenomen (p = 0.0061) (Figuur 15C). Er werd dus een
duidelijk verschil in cytokine secretie waargenomen na β-glucaan stimulatie tussen de
controle cellen en de monocyten die vooraf met β-glucanen gestimuleerd werden. Deze data
suggereren dat er inderdaad een trainingseffect optreedt in monocyten van het varken na βglucaan herkenning, waardoor deze getrainde monocyten sterker reageren op een tweede
stimulatie.
35
A
600
B
Gemiddelde
TNFa (pg/ml)
TNFa (pg/ml)
500
400
300
200
Relatieve stijging TNFa tov ctrl
Gemiddelde
4000
3000
2000
100
1000
0
0
Ctrl
C
5000
MG5
Ctrl
MG5
5
*
4
3
*
2
1
0
MG5
MG50
5
Figuur 15: β-glucanen induceren immuuntraining in monocyten. Monocyten (5,0 x 10 ) werden gestimuleerd
met cultuurmedium (Ctrl) of 5 µg/ml MacroGard (MG5) gedurende 24 u. Na de washout fase werden deze
cellen opnieuw gestimuleerd met 5 (A) of 50 µg/ml (B) MacroGard. De experimenten werden uitgevoerd op
monocyten afkomstig van 3 tot 4 verschillende varkens. *, p < 0.5 ten opzichte van controle. (MG5, n = 4;
MG50, n = 3)
3.2.2. Het belang van epigenetische modificaties bij immuun training
Recent onderzoek heeft aangetoond dat H3K4 histon trimethylaties een belangrijke rol
spelen bij immuun training (Ifrim et al, 2014). Om het belang van deze histon methylaties bij
immuun training in monocyten van het varken te bestuderen, werd de histon methylase
inhibitor MTA aan de monocyten toegevoegd tijdens de eerste stimulatie. In een eerste stap
werd nagegaan als MTA de viabiliteit van de monocyten beïnvloedde. Na 24 u incubatie met
MTA daalde het aantal levende monocyten van 94,8% bij de controle groep naar 71,4% in de
MTA groep (Figuur 16). Deze daling in celviabiliteit is mogelijk niet het gevolg van MTA zelf,
maar eerder van het oplosmiddel, dimethylformamide. Dit experiment werd bovendien
slechts eenmaal uitgevoerd en moet zeker nog herhaald worden.
% overlevende neutrofielen
100
80
60
40
20
0
Ctrl
MTA
Figuur 16: Invloed van MTA op de viabiliteit van monocyten. De monocyten werden behandeld met
cultuurmedium (Ctrl) of met 1 mM MTA, opgelost in dimethylformamide. Dode cellen werden gekleurd met
0,3 µg/ml PI en geanalyseerd met flow cytometrie (n = 1).
36
Vanwege bovenstaande resultaten werd dimethylformamide toegevoegd aan de controle
cellen, indien de cellen behandeld werden met MTA. Inhibitie van histon methylatie met
MTA had duidelijk een invloed op het trainingseffect van MacroGard. In afwezigheid van
MTA werd opnieuw een trainingseffect van MacroGard waargenomen na stimulatie van de
monocyten met 50 µg/ml MacroGard, indien deze vooraf met 5 µg/ml MacroGard
gestimuleerd werden (Figuur 17). In aanwezigheid van MTA verdween deze immuun training
volledig, aangezien de TNFα secretie van de monocyten na stimulatie met 50 µg/ml
MacroGard sterk daalde. Dit resultaat doet vermoeden dat gelijkaardig aan de aangeboren
immuun training bij humane monocyten, trimethylaties van H3K4 ook bij het varken een
belangrijke rol spelen in de inductie van immuun training door β-glucanen.
1200
Training:
Ctrl
MG5
TNFa (pg/ml)
1000
800
600
400
200
0
MTA-
MTA+
Figuur 17: Effect van MTA op de immuun training van monocyten door MacroGard. De monocyten (5,0 x
105) werden 1 u voor stimulatie behandeld met 1 mM MTA (MTA+) of eenzelfde volume dimethylformamide
(MTA-). Vervolgens werden de monocyten een eerste keer gestimuleerd (training) met cultuurmedium (Ctrl)
of 5 µg/ml MacroGard (MG5) gedurende 24 u. Na de wash out fase werden deze getrainde monocyten een
tweede keer gestimuleerd met 50 µg/ml MacroGard (n = 1).
Om de rol van histon methylatie bij immuun training verder aan te tonen, werd vervolgens
aanwezigheid van H3K4 histon trimethylaties aangetoond via Western blotting op cellysaten
van gestimuleerde monocyten Na stimulatie van de monocyten met 5 µg/ml MacroGard
werd een verhoogde H3K4 histon trimethylatie (17 kDa) waargenomen in vergelijking met
niet gestimuleerde monocyten. Zoals verwacht werd deze verhoogde H3K4 trimethylatie
niet meer waargenomen indien MTA toegevoegd werd 1 u voor stimulatie van de cellen met
MacroGard (Figuur 18). Hierbij moet echter wel opgemerkt dat de geladen eiwitconcentratie
niet gelijk was voor alle condities, aangezien de intensiteit van de actine detectie (42 kDa)
grote verschillen vertoonde. Verder onderzoek is vereist om deze resultaten te bevestigen.
Desalniettemin geven deze resultaten opnieuw aan dat H3K4 trimethylaties belangrijk zijn in
het induceren van getrainde immuniteit bij monocyten in het varken.
37
5
Figuur 18: Effect van MTA op H3K4 histon trimethylaties. Monocyten (2,0 x 10 ) werden 1 u voor stimulatie
behandeld met 1 mM MTA (+MTA) of eenzelfde volume dimethylformamide (-MTA). Vervolgens werden de
monocyten gestimuleerd met cultuurmedium (Ctrl) of 5 µg/ml MacroGard (MG5). De cellen werden 24 u na
stimulatie gecollecteerd en gelyseerd. Deze cellysaten werden geladen op SDS-PAGE (12%) en getransfereerd
op een PVDF membraan met Western blotting. Trimethylaties op H3K4 en actine werden gedetecteerd met
respectievelijk α-H3K4 (Abcam) en α-actine antilichamen, gevolgd door α-konijn IgG HRP (Dako). Banden
werden gevisualiseerd met ECL prime detectie kit (GE Healthcare) en een Chemidoc MP (Biorad). Magic Marker
XP (Life technologies) werd geladen als eiwitladder. De afbeelding werd bewerkt met ImageJ en Paint.
3.2.3. Immuun training van CD14+ monocyten met Euglena gracilis β-glucanen
Uit de bovenstaande resultaten blijkt dat β-glucanen afkomstig van de gist S. cerevisiae
immuun training induceren in monocyten van het varken. In humane monocyten werd deze
immuuntraining aangetoond met β-glucanen afkomstig van C. albicans. Aangezien βglucanen afhankelijk van de bron een verschillende structuur hebben en deze structurele
verschillen de biologische effecten van β-glucanen kunnen beïnvloeden, werd het effect van
β-glucanen afkomstig van de alg Euglena gracilis op immuun training van de monocyten
eveneens onderzocht. Aangezien E. gracilis (EG) β-glucanen slechts minimale structurele
verschillen vertonen met MacroGard, werd een gelijkaardig trainingseffect verwacht.
Om het effect van EG β-glucanen op de immuun training van monocyten aan te tonen
werden de cellen eerst gestimuleerd met 5 µg/ml EG β-glucanen. Na de washout fase
werden deze cellen vervolgens gestimuleerd met 50 µg/ml EG β-glucanen of MacroGard. In
vergelijking met de controle cellen wekte de priming met 5 µg/ml EG β-glucanen eveneens
een hogere TNFα secretie op na stimulatie van de monocyten met 50 µg/ml EG β-glucanen
(Figuur 19A). Alhoewel de respons lager was, werd dit trainingseffect ook waargenomen na
stimulatie met MacroGard. In een vervolg experiment werden de monocyten eerst getraind
met MacroGard, waarna de TNFα secretie gedetecteerd werd na stimulatie van deze
getrainde cellen met MacroGard (5 en 50 µg/ml) of EG β-glucanen (50 µg/ml). Opnieuw
werd een dosis-afhankelijk effect waargenomen na stimulatie van MacroGard-getrainde
monocyten (Figuur 19B). Bovendien werd deze verhoogde TNFα en dus immuun training ook
38
zichtbaar na stimulatie van de MacroGard-getrainde monocyten met EG β-glucanen. Beide
β-glucanen blijken dus in staat te zijn om immuuntraining in monocyten te induceren,
alhoewel verder onderzoek vereist is om het verschil in de sterkte van het trainingseffect
door beide β-glucanen te bevestigen.
TNFa (pg/ml)
2500
B
EG50
MG50
2000
1500
1000
500
0
Ctrl
5
Relatieve stijging TNFa tov ctrl
A 3000
EG5
*
4
3
*
2
1
0
MG5
MG50
EG50
Figuur 19: Immuuntraining van monocyten door β-glucanen afkomstig van E. gracilis. Monocyten (5,0 x 105)
werden een eerste keer gestimuleerd (training) met cultuurmedium (Ctrl) of 5 µg/ml E. gracilis (EG5), waarna
deze getrainde cellen na de washout fase gestimuleerd werden met 50 µg/ml E. gracilis (EG50) of 50 µg/ml
MacroGard (MG50) (A). Monocyten werden getraind met 5 µg/ml MacroGard (MG5) en vervolgens gestimuleerd
met de condities weergegeven op de x-as (B). De experimenten werden uitgevoerd op afzonderlijke varkens.
*p < 0,05; MG5, n = 4; MG50, n = 3; EG50, n = 1
39
Deel 4:
Discussie
Training van het aangeboren immuunsysteem is, zoals eerder beschreven, reeds aangetoond
bij de mens en muis (Quintin et al, 2012). Hierbij werd aangetoond dat zowel monocyten,
macrofagen als NK-cellen op een aspecifieke manier een verhoogde immuunrespons kunnen
vertonen na een tweede stimulatie. Bij humane monocyten werd na priming met β-glucanen,
afkomstig van C. albicans, een verhoogde productie van pro-inflammatoire cytokines, zoals
TNFα en IL-6, waargenomen na herstimulatie (Quintin et al, 2012).
In deze masterthesis werd voor de eerste keer aangetoond dat getrainde immuniteit van het
aangeboren immuunsysteem ook aanwezig is bij het varken. De bekomen resultaten tonen
duidelijk aan dat partikelvormige β-glucanen, afkomstig van de gist S. cerevisiae (MacroGard)
en de alg E. gracilis (EG), getrainde immuniteit kunnen induceren bij monocyten van het
varken, aangezien een verhoogde TNFα secretie werd gedetecteerd door β-glucaangestimuleerde cellen in vergelijking met controle cellen na een tweede β-glucaan stimulatie.
Aangezien het cytokine secretie patroon van monocyten na activatie niet beperkt is tot één
pro-inflammatoir cytokine, zou het in vervolgonderzoek interessant zijn om de invloed van
getrainde immuniteit op de secretie van andere pro-inflammatoire cytokines, zoals IL-6 en
IL-1β, door aangeboren immuuncellen te bestuderen. Het is opmerkelijk dat beide
partikelvormige β-glucanen een gelijkaardige immuuntraining in monocyten kunnen
opwekken. Ondanks hun sterke structurele gelijkenissen, vertonen deze twee β-glucanen
toch enkele belangrijke verschillen. Zo is MacroGard opgebouwd uit β-1,3-verbonden
glucose eenheden met β-1,6 zijvertakkingen, terwijl EG β-glucanen opgebouwd zijn uit
onvertakte β-1,3-verbonden glucose eenheden (Sonck et al, 2010). Deze structuurverschillen
kunnen dus aanleiding geven tot een verschillende immuunrespons en bijgevolg een
verschillende training van het aangeboren immuunsysteem. EG β-glucanen blijken inderdaad
een sterkere immuuntraining te induceren dan MacroGard. Deze resultaten moeten echter
bevestigd worden in herhaal experimenten. Bovendien is verder onderzoek noodzakelijk
indien we het effect van deze structurele verschillen, zoals het ontbreken van β-1,6
zijvertakkingen, op de inductie van getrainde immuniteit willen ontrafelen. Hiervoor zou de
capaciteit van andere β-glucanen met een verschillende structuur, zoals Zymosan of Curdlan,
om immuuntraining te induceren kunnen onderzocht worden. Vermoedelijk resulteren deze
structurele verschillen tot een andere interactie met β-glucaan receptoren. Eerdere studies
hebben reeds aangetoond dat β-glucanen bij de mens herkend worden door dectin-1 en
complement receptor 3 (CR3) (Netea et al, 2008). De expressie van deze receptoren is echter
afhankelijk van het celtype en het organisme. Bij de mens maken neutrofielen voornamelijk
gebruik van CR3, terwijl macrofagen en monocyten zowel CR3 als dectine-1 gebruiken
(verbruggen et al, 2009). Recent onderzoek bij monocyten toonde aan dat partikelvormige βglucanen herkend worden door middel van dectin-1 en dat oplosbare β-glucanen eerder
door CR3 worden herkend (Bose et al, 2014). Dit geeft duidelijk het belang aan van de βglucaan structuur en de interactie met de β-glucaan receptoren in het induceren van een
immuunrespons. Naast dectine-1 en CR3 herkennen ook TLR2 en TLR6 β-glucanen (Batbayar
et al, 2011). Verder onderzoek naar de specifieke receptoren die instaan voor herkenning
van deze β-glucanen en de biochemische pathways die geactiveerd worden kunnen
duidelijkheid scheppen over het exacte moleculaire mechanisme, verantwoordelijk voor de
inductie van getrainde immuniteit door β-glucanen bij het varken.
40
Ook de rol van andere PRR liganden, zoals CpG-motieven of LPS, in het induceren van
getrainde immuniteit bij het varken kan nog verder worden onderzocht. Bij de mens werd
recent aangetoond dat bepaalde PRR liganden afhankelijk van hun concentratie tolerantie of
getrainde immuniteit kunnen induceren in monocyten (Ifrim et al 2014). Daarom zou het
interessant zijn om in de toekomst de minimale concentratie te bepalen van β-glucanen of
andere PRR liganden noodzakelijk voor inductie van getrainde immuniteit. Daarnaast is het
ook nog niet geweten hoelang deze getrainde immuniteit kan behouden worden en als de
duur van deze periode afhankelijk is van de aard van de stimulus.
Ook de rol van epigenetische modificaties, zoals H3K4 methylaties, in het induceren van
getrainde immuniteit is reeds aangetoond bij de mens (Quintin et al, 2012). Tijdens inductie
van aangeboren immuuncellen zijn zowel histon methylaties als histon acetylaties aanwezig
op de promotoren en enhancers van inflammatoire genen, resulterend in hun actieve
transcriptie. Een getrainde immuun cel verliest zijn acetylatie merkers bij het wegvallen van
de stimulus, wat leidt tot het verlies van zijn actieve transcriptie. De promotoren van
bepaalde inflammatoire genen blijven echter wel gemerkt met histon methylaties, die de cel
in staat stellen om vlugger en sterker te reageren op een volgende stimulus. De term “latent
enhancers” werd voorgesteld voor de eenheden die betrokken zijn in deze getrainde
immuniteit (Ostuni et al, 2013). Data uit onze experimenten suggereren dat ook bij het
varken een belangrijke rol is weggelegd voor deze histon methylaties in het induceren van
getrainde immuniteit bij monocyten. Verder onderzoek en optimalisatie van de
experimentele methode zal nog nodig zijn om de rol van H3K4 trimethylaties in de inductie
van getrainde immuniteit in monocyten van het varken definitief te bevestigen.. Bovendien
zou het zeer interessant zijn om de duur van deze epigenetische modificaties en bijgevolg de
getrainde immuniteit na te gaan. Ook immuun tolerantie wordt geassocieerd met
epigenetische veranderingen op het niveau van inflammatoire genen (El Gazzar et al, 2010).
Verder onderzoek zou de rol hiervan bij het varken nog verder kunnen toelichten.
De rol van monocyten en macrofagen in getrainde immuniteit is reeds uitvoerig besproken
(Netea, 2013). Over de rol van getrainde immuniteit bij neutrofielen is daarentegen nog niet
veel geweten. Neutrofielen zijn sterk gedifferentieerde cellen en onderzoek naar hun
functies wordt sterk bemoeilijkt door hun korte levensduur onder homeostatische
omstandigheden. Tijdens infectie of inflammatie kan hun levensduur echter sterk verlengd
worden (Geering et al, 2013). Zoals verwacht tonen onze data aan dat de levensduur van
neutrofielen in vitro verlengd wordt door het toevoegen van de groeifactor GM-CSF. In
tegenstelling tot monocyten, macrofagen en NK-cellen zijn er voor neutrofielen voorlopig
nog geen aanwijzingen gevonden, waarin een bijdrage wordt gesuggereerd in de
geheugenfunctie van het aangeboren immuunsysteem. Neutrofielen zijn één van de eerste
immuuncellen die reageren op een infectie. Wanneer ze de plaats van infectie bereiken,
dragen ze bij tot de rekrutering en activering van andere immuuncellen. Bovendien
produceren ze ook reactieve zuurstofradicalen, resulterend in het afsterven van de
pathogeen. Onze data tonen aan dat MacroGard en CpG-motieven in staat zijn om ROSproductie te induceren bij neutrofielen. Bovendien werd voor MacroGard een dosisafhankelijk effect waargenomen, waarbij hogere concentraties een sterkere ROS-productie
induceerden. Dit effect van MacroGard op de ROS-productie was reeds aangetoond bij
varken neutrofielen (Sonck et al, 2010). Alhoewel TLR9 in het varken reeds beschreven is als
de receptor voor CpG-motieven bij PBMC’s (Dar et al, 2008), is er nog niks geweten over de
41
rol van TLR9 in de herkenning van CpG-motieven door neutrofielen. Voor LPS werd geen
significante immuunrespons waargenomen. Het is mogelijk dat neutrofielen op zichzelf niet
in staat zijn om LPS te herkennen. Bij de mens speelt het TLR4/CD14/MD2 receptor complex
een belangrijke rol bij de herkenning van LPS. Neutrofielen worden omschreven als CD14lo,
waarbij hun expressie van CD14 tot 10 keer lager kan liggen dan die bij monocyten.
Daarnaast bestaan er twee LPS varianten: de S- (Smooth) en R- (Rough) vorm, op
verschillende manieren een immuunrespons induceren (Kapp et al, 1987). De R-vorm
interageert met TLR4 op een CD14-onafhankelijke manier, terwijl voor de herkenning van
het S-LPS CD14 echt noodzakelijk is (Gomes et al, 2010). Dit S-LPS zou hierdoor niet
voldoende herkend door geïsoleerde neutrofielen en zou kunnen verklaren waarom LPS
geen ROS-productie induceerde bij neutrofielen van het varken. Uit onze resultaten kunnen
we echter niet besluiten dat neutrofielen in staat zijn tot immuun training. Ondanks het
toevoegen van GM-CSF werd nog steeds een sterke celdood waargenomen van de
neutrofielen na 5 cultuur dagen. Verdere optimalisatie van de experimentele methode zal
dus nog vereist zijn. We kunnen eventueel de washout periode inkorten of een kortere
eerste stimulatie gebruiken. De data gaven ook een opmerkelijk resultaat, waarbij
neutrofielen vooraf gestimuleerd met MacroGard of PMA een veel lagere immuunrespons
vertoonden na een tweede stimulatie in vergelijking met de andere reagentia. De exacte
reden hiervoor is nog niet geweten. Het is mogelijk dat de neutrofielen een verhoogde cel
sterfte vertoonden door blootstelling aan deze reagentia. Een andere mogelijkheid is dat er
bij deze neutrofielen een inductie van anergie is opgetreden na de eerste stimulatie.
Hierdoor zijn de neutrofielen mogelijk tolerant geworden tegen deze reagentia, resulterend
in de lagere immuunrespons. Het is wel opmerkelijk dat we dit effect niet waarnamen na
stimulatie met CpG, aangezien CpG net als MacroGard en PMA in staat was een verhoogde
ROS-productie te induceren na de eerste stimulatie. Verder onderzoek zal nog nodig zijn om
dit mechanisme verder te ontrafelen.
Hoewel de principes van getrainde immuniteit al een tijdje gekend zijn bij de mens, zijn deze
ogenschijnlijk zeer belangrijke ontdekkingen tot dusver grotendeels genegeerd in de
ontwikkeling van vaccins. Dit komt omdat ze biologisch onwaarschijnlijk leken als men
rekening hield met het oudere model van immuniteit en vaccinaties. Oorspronkelijk lag de
focus van vaccins op het adaptieve immuunsysteem, maar door de recente ontdekkingen
omtrent immuun training van het aangeboren immuunsysteem, is gebleken dat men ook
naar het aangeboren immuunsysteem moeten kijken voor vaccin ontwikkeling. Bevindingen
in de laatste jaren hebben aangetoond dat het huidige begrip van vaccins verder
genuanceerd moet worden. Vaccins geven veel meer dan enkel een specifieke bescherming
tegen de pathogeen van interesse. Een beter inzicht in de rol van aangeboren immuniteit
kan belangrijke consequenties hebben voor de ontwikkeling van nieuwe vaccins. Zo kunnen
bepaalde reagentia, waarvan geweten is dat ze getrainde immuniteit kunnen induceren,
worden toegevoegd aan bestaande vaccins. Dit principe wordt reeds toegepast door het
toevoegen van adjuvanten aan vaccins voor de inductie van het adaptieve immuunsysteem
(Baldwin et al, 2012). De ontwikkeling van nieuwe vaccins, die gebruik maken van het
beschermende effect van getrainde immuniteit bovenop de activatie van het adaptief
immuusysteem, biedt interessante vooruitzichten in de bestrijding van tal van
infectieziekten. Een bijkomstig voordeel van getrainde immuniteit bestaat uit de
mogelijkheid om bescherming te bieden in situaties waar nog geen specifieke vaccins
ontwikkeld zijn door de aangeboren immuunrespons te versterken. Het kan ook zeer
42
interessant zijn om na te gaan in hoeverre de huidige vaccins reeds gebruik maken van deze
getrainde immuniteit. Onderzoek heeft immers aangetoond dat tal van vaccins, zoals BCG,
vaccinia en vaccins tegen mazelen en polio, de niet-specifieke immuunrespons tegen
infecties kunnen verhogen (Aaby et al, 2010; Sorup et al, 2011). Deze mechanismen en de
betrokken componenten zouden nog verder moeten ontrafeld worden. Het is belangrijk dat
de effecten van vaccins op een systematische manier onderzocht worden. Zo hebben
epidemiologische studies reeds aangetoond dat de trainingseffecten sterker zijn bij jongere
individuen (Levy & Wynn, 2014). Getrainde immuniteit kan noodzakelijk zijn voor de immuun
bescherming vlak na geboorte, wanneer het adaptieve immuunsysteem nog niet op punt
staat. Het zou dus interessant zijn om getrainde immuniteit uitvoerig te bestuderen bij
pasgeborenen. Zo worden bepaalde TLRs opgereguleerd bij monocyten en neutrofielen na
de bevalling en is de migratie van neutrofielen verhoogd na blootstelling aan TLR4 liganden
(Molloy et al, 2004; Shen et al, 2009). We zouden kunnen onderzoeken of het immuunstimulerende effect van getrainde immuniteit sterker is bij jongere varkens en of dit
mechanisme gelijkaardig is aan de mens. Andere zaken die we verder kunnen onderzoeken
zijn onder andere de snelheid waarmee het trainingseffect wordt waargenomen en of er ook
negatieve effecten zijn verbonden aan getrainde immuniteit, zoals reeds aangetoond in
onderzoek naar DPT vaccinatie (Aaby et al, 2012). Momenteel zijn er ook nog geen kinetiek
experimenten gedaan, waarbij de beschermingsduur van getrainde immuniteit wordt
nagegaan. Indien getrainde immuniteit gedurende een lange periode aanwezig blijft, kan dit
belangrijke implicaties hebben op het gebruik van immuun training bij vaccins.
Het aantonen van getrainde immuniteit in het varken kan ook belangrijke consequenties
hebben voor het varken als modelorganisme. Het varken is niet enkel anatomisch en
fysiologisch sterk gelijkaardig aan de mens (Bendixen et al, 2010; Groenen et al, 2012; Mair
et al, 2014), ook op immunologisch vlak zijn er sterke gelijkenissen (Dawson et al, 2013).
Hierdoor biedt onderzoek naar getrainde immuniteit in het varken de kans om vaccins te
onderzoeken die aangeboren immuun training kunnen induceren. Niettegenstaande het
belang van knaagdiermodellen in fundamenteel immunologisch onderzoek, kunnen de
resultaten bekomen in deze diermodellen vaak niet worden omgezet in klinische applicaties
voor de mens wegens te sterke verschillen.
43
Deel 5:
5.1.
Materialen en methoden
Bloedstalen
Bloed werd afgenomen uit de halsader van gezonde varkens (10 tot 30 weken oud, Belgisch
Landras, vrouwelijk) op heparine. De dieren werden gehuisvest onder standaard
omstandigheden in de isolatie eenheden van het laboratorium voor veterinaire immunologie
met water en voedsel ad libitum. Alle proefdier experimenten werden goedgekeurd door de
ethische commissie van de Faculteit Diergeneeskunde.
5.2.
Cultuur media
Monocyten werden in cultuur gehouden in monocyt medium, bestaande uit Dulbecco’s
Modified Eagle Medium (DMEM) met HEPES (25 mM) en hoge glucose (25 mM), zonder
natrium pyruvaat en phenolrood (Life Technologies), aangevuld met 100 U/ml penicilline
(Life Technologies), 100 µg/ml streptomycine (Life Technologies) en 10% Foetaal Kalf Serum
(FCS; Integro). Neutrofielen werden in cultuur gehouden in leukocyt medium, bestaande uit
DMEM met HEPES (25 mM), hoge glucose (25 mM) en zonder phenolrood, aangevuld met 1
mM natriumpyruvaat, 1% niet-essentiele amino zuren in minimaal essentieel medium
(MEM-NEAA; Life Technologies), 100 U/ml penicilline, 100 µg/ml streptomycine, 100 µg/ml
kanamycine , 10 µg/ml gentamycine (Life Technologies) en 10 % FCS.
5.3.
Isolatie van PBMC’s en neutrofielen.
Perifere bloed mononucleaire cellen (PBMC) werden geïsoleerd uit perifeer bloed door
middel van densiteitgradiënt centrifugatie (800 g, 18°C, 25’) met lymphoprepTM (1,077 g/ml;
Axis-Shield). De interfase werd gecollecteerd en rode bloedcellen werden gedurende 10
minuten gelyseerd op kamertemperatuur door middel van osmotische shock in een
ammonium chloride buffer. De PBMC’s werden gewassen in koude PBS-EDTA (1 mM EDTA)
en gefiltreerd door een 70 µm celfilter (Falcon®, Corning). Na centrifugatie (350g, 4°C, 10’)
werden de PBMC’s geteld met een hemocytometer (Neubauer) en geresuspendeerd in PBSEDTA.
Om neutrofielen te isoleren werd perifeer bloed verdund (1:1) met koude Roswell Park
Memorial Institute (RPMI) 1640 medium met L-glutamine (Life Technologies) en HEPES (Life
Technologies) en op ijs gezet. Vervolgens werd het bloed op een discontinue 75% en 68%
percoll (GE healthcare Life sciences) gradiënt gebracht. Na centrifugatie (500 g, 4°C, 30’)
werden de PBMC’s en neutrofielen apart gecollecteerd en respectievelijk gewassen met
koude PBS-EDTA en Hank’s Balanced Salt Solution (HBSS) zonder Ca 2+, Mg2+ en phenolrood
(Life Technologies). Rode bloedcellen werden gedurende 10 minuten gelyseerd op
kamertemperatuur. De PBMC’s en neutrofielen werden respectievelijk geresuspendeerd in
monocyt en leukocyt medium. Om de zuiverheid van de PBMC’s en neutrofielen na te gaan
werden 3,0 x 105 cellen geresuspendeerd in koude PBS-EDTA en geanalyseerd met behulp
van flow cytometrie (FACSCanto, BD Biosciences). Analyse van de FACS data gebeurde met
BD FACSDiva software.
44
5.3.1. Aanrijking van monocyten uit de PBMC fractie
Monocyten werden geïsoleerd uit de PBMC’s (Percoll) door middel van plastiek adhesie.
Hiervoor werden 5,0 x 106 PBMC’s in 2 ml RPMI + 10% FCS + 1% P/S geplant in een 6-well
plaat (Greiner Bio-one). Na 2 u incubatie bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid werd het
medium voorzichtig afgenomen en vervangen door 2 ml monocyt medium (37°C) om enkel
de adherente cellen te behouden. De adherente cellen werden vervolgens na 24u incubatie
gecollecteerd. De zuiverheid van de adherente celfractie werd nagegaan met behulp van
flow cytometrie.
Monocyten (lymphoprep) werden aangereikt met behulp van immunomagnetische selectie
zoals beschreven in Devriendt et al (2010). Maximaal 5,0 x 108 PBMC werden gemerkt met
CD14-specifieke monoklonale antilichamen (mIgG1;Mil2) en geit α-muis IgG microparels
(MACS® Microbeads; ). De gemerkte PBMC fractie werd vervolgens op een LS kolom
(Miltenyi biotec) gebracht en in een Quadro MACS separator geplaatst (Miltenyi biotec). De
CD14+ cellen werden vervolgens gecollecteerd en geresuspendeerd in monocyt medium in
een concentratie van 5,0 x 105 cellen/ml.
5.3.2. Productie van monocyt-afkomstige macrofagen
Om monocyt-afkomstige macrofagen (MDM) te genereren werden 5,0 x 105 CD14+
monocyten in 1 ml monocyte medium in 24-well platen gebracht (Greiner Bio-one). Om
monocyten te differentiëren tot macrofagen werd 3 ng/ml M-CSF (R&D systems) toegevoegd
aan de cellen. De cellen werden 1 week in cultuur gehouden bij 37C°, 5% CO 2 en 95%
luchtvochtigheid, waarbij na 3 dagen nogmaals 3 ng/ml M-CSF werd toegevoegd aan de
cellen.
5.4.
Flow cytometrie
Flow cytometrie (FACSCanto, BD Biosciences) werd gebruikt om de zuiverheid van de
geïsoleerde cellen te bepalen. Er werd gebruik gemaakt van de FACSCanto (BD Biosciences).
Cellen werden geselecteerd uit alle gedetecteerde events door de hoogte van de forward
scatter (FSC) uit te zetten tegenover de FSC oppervlakte. Vervolgens werden de singlets
geselecteerd door de hoogte van de side scatter (SSC) uit te zetten tegenover de SSC
oppervlakte. Uit deze singlets werden de geïsoleerde cel populaties geselecteerd door de
oppervlakte van FSC-A uit te zetten tegenover de SSC-A. Data van minstens 20000 singlets
werden opgemeten en geanalyseerd met FACSDiva software.
Om levende cellen van dode cellen te onderscheiden, werden de gecollecteerde cellen
geresuspendeerd in PBS-EDTA + propidium iodide (PI; 0,3 µg/ml kleuring; Sigma) en
overgebracht in een FCM-tube (BD Falcon). De PI-negatieve en PI-positieve cellen werden
van elkaar onderscheiden door de fluorescentie te meten van de singlets bij 565 nm.
De oppervlakte expressie van CD14 op de geïsoleerde cellen werd bepaald door 1,0 x 106
cellen in 150 µl kleuringsmedium (DMEM met phenolrood + 1% FCS) over te brengen naar
een 96-well microplaat (V-bodem, Sigma-aldrich). De cellen werden afgedraaid (400g, 4°C, 3’)
en het supernatans werd verwijderd. Vervolgens werden de cellen gemerkt met α-CD14
antilichamen (mIgG2b) in een finaal volume van 50 µl kleuringsmedium en geïncubeerd op
45
ijs gedurende 20 minuten. Een muis IgG2b antilichaam werd toegevoegd als isotype controle
om de aspecifieke binding uit te sluiten. Na 2 wasstappen met 200 µl kleuringsmedium
werden de cellen gemerkt met geit α-IgG2b-AF647 (Life Technologies) secundaire
antilichamen in 50 µl kleuringsmedium en geïncubeerd op ijs gedurende 20 minuten. De
gemerkte cellen werden vervolgens gecollecteerd (400g, 4°C, 3’), geresuspendeerd in PBSEDTA + PI en overgebracht in een FCM-tube. De merkerexpressie werd bepaald bij minstens
20000 singlets door de fluorescentiewaarden van PI-negatieve cellen te meten bij 652 nm
(APC-A). De FACS data werd geanalyseerd met BD FACSDiva software.
5.5.
Monocyt stimulatie
Om het effect van verschillende reagentia op de cytokine expressie bij varken monocyten te
bestuderen, werden 5,0 x 105 monocyten in monocytmedium (1 ml) in een 24-well plaat
(Greiner Bio-one) gebracht. De platen werden 24 u geïncubeerd bij 37°C, 5% CO2 en 90%
luchtvochtigheid, zodat de monocyten voldoende kunnen adhereren aan de platen.
Vervolgens werden de cellen gestimuleerd met 50 µl MacroGard (5-50 µg/ml;
Saccharomyces serevisiae, Biotech Pharmacon ASA, Noorwegen), Euglenia gracilis (5 µg/ml;
Sigma-Aldrich) of LPS (10 µg/ml; Sigma, E. coli O26:B6). Warm monocytmedium werd
toegevoegd als negatieve controle. Na 24 u incubatie bij 37°C, 5% CO 2 en 90%
luchtvochtigheid werd het medium gecollecteerd en vervangen met warm monocytmedium.
Om de washout van de toegevoegde stimulatoren te controleren, werd het medium na 4 en
6 dagen nogmaals gecollecteerd en vervangen door warm monocytmedium. Na 7 dagen
werden de cellen een tweede keer gestimuleerd met 50 µl MacroGard (5-50 µg/ml), E.
gracilis (50 µg/ml) of LPS (10µg/ml). Warm monocytmedium werd toegevoegd als negatieve
controle. Na 24 u incubatie bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid werd het medium een
laatste maal gecollecteerd. De reagentia werden steeds in duplicaat toegevoegd. Het
gecollecteerde medium werd telkens gecentrifugeerd (350g, 4°C, 10’), waarna het celvrije
supernatans werd overgebracht en bewaard bij -21°C tot de TNFα concentratie bepaald
werd met behulp van ELISA.
5.5.1. Histon methylatie assay
Om na te gaan of epigenetische veranderingen een rol spelen bij de training van varken
monocyten, werd aan 5,0 x 105 CD14+ monocyten de histon methyltransferase inhibitor MTA
(1 mM; 5’deoxy-5’methylthio adenosine, Sigma-Aldrich) toegevoegd. De invloed van
verschillende concentraties MTA op de celviabiliteit van de monocyten werd 24 u na
stimulatie onderzocht met behulp van flow cytometrie. Vervolgens werden de cellen
gedurende 24 u geïncubeerd met MacroGard (5 µg/ml) zoals hierboven beschreven in
aanwezigheid van 1 mM MTA. De cellen werden na deze incubatie periode gecollecteerd
met behulp van trypsine, gewassen in PBS en gelyseerd met lysebuffer (10 % protease
inhibitor en 1,43 % NP40 in TNE buffer). Cellysaten (20 μl) werden geladen op een SDS-PAGE
(12%) en de eiwitten getransfereerd naar een PVDF membraan met Western blot.
Trimethylaties op H3K4 en actine werden respectievelijk gedetecteerd met anti-H3K4
(abcam) en anti-actine antilichamen, gevolgd door anti-konijn IgG HRP (Dako). Banden
werden gevisualiseerd met een ECL prime detectie kit (GE Healthcare) en een Chemidoc MP
(Biorad). Magic Marker XP (Life technologies) werd geladen als eiwitladder.
46
5.5.2. Cytokine ELISA
De concentratie van het pro-inflammatoir cytokine TNFα in het gecollecteerde celvrije
supernatans werd bepaald met behulp van een commerciële ELISA kit (R&D Systems, DuoSet
Sandwich ELISA) volgens de instructies van de producent (zie bijlagen). De optische densiteit
werd gemeten bij 450 nm met behulp van een microplaat lezer (Spectrafluor, Tecan). De
data werden geanalyseerd met Deltasoft software (Biometallics).
5.6.
Viabiliteitsassay
Om na te gaan of GM-CSF de viabiliteit van varken neutrofielen kan verhogen, zoals
beschreven door von Gunten et al (2009), werden 2,0 x 105 neutrofielen in leukocyt medium
met 200 ng/ml GM-CSF (200 µl; R&D systems) in een 96-well microtiter plaat (Greiner Bioone) gebracht. De neutrofielen werden gedurende 7 dagen in cultuur gehouden bij 37°C, 5%
CO2 en 90% luchtvochtigheid. De neutrofielen werden dagelijks gecollecteerd en hun
viabiliteit onderzocht door middel van een propidium iodide (PI; 0,3 µg/ml kleuring, Sigma).
PI positieve neutrofielen werden geanalyseerd met flow cytometrie zoals hierboven
beschreven.
5.7.
Productie van reactieve zuurstof species door neutrofielen
Om het effect van verschillende reagentia op de ROS productie van neutrofielen te
bestuderen, werden 2,0 x 105 neutrofielen in leukocyt medium (200 µl) in een 96-well plaat
(Wit; Greiner Bio-One) gebracht. De platen werden gedurende 2 u geïncubeerd bij 37°C, 5%
CO2 en 90% luchtvochtigheid, zodat de neutrofielen kunnen adhereren aan de plaat. Het
supernatans werd verwijderd en 175 µl luminol (Fluca) werd toegevoegd tot een finale
concentratie van 0,5 mM. De achtergrond luminescentiewaarden werden gedurende 10
minuten gemeten met een luminometer (Luminoskan, Labsystems). De cellen werden
vervolgens gestimuleerd met 25 µl MacroGard (5-50 µg/ml), LPS (10 µg/ml), CpG (1 µg/ml)
of PMA (0,2-20 µg/ml; phorbol 12-myristate 13-acetate, Enzo life sciences). HBSS werd
toegevoegd als negatieve controle. De kinetiek van de ROS productie werd gemeten
gedurende 2 u in de integratiemodus. De reagentia werden steeds in duplicaat toegevoegd.
De ROS-productie werd weergegeven als relatieve licht eenheden (RLU).
Om het trainingseffect van de verschillende reagentia op neutrofielen te onderzoeken,
werden 2,0 x 105 neutrofielen in leukocyt medium + GM-CSF (100 µl) in een 96-well plaat
gebracht. Vervolgens werden deze cellen gestimuleerd met 100 µl MacroGard (5 µg/ml), LPS
(10 µg/ml), CpG (1 µg/ml), PMA (200 ng/ml) of HBSS (negatieve controle). Na 24 u incubatie
bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid werd het medium afgenomen en vervangen door
warm leukocyt medium + GM-CSF (200 µl). Na 24 u werd 50 µl leukocyt medium + GM-CSF
toegevoegd. Na 72 u werden de neutrofielen opnieuw gestimuleerd met MacroGard (50
µg/ml), LPS (10 µg/ml), CpG (1 µg/ml) en PMA (20 µg/ml). HBSS diende als negatieve
controle. De ROS productie werd bepaald zoals hierboven beschreven.
47
5.8.
Statistische analyse
Statistische analyses werden uitgevoerd met behulp van MS Excell 2010. De experimenten
werden minstens 3 keer herhaald op cellen van verschillende varkens. Om het
trainingseffect van de verschillende reagentia te bepalen, werden de niet-getrainde cellen
vergeleken met getrainde cellen na een tweede stimulatie. Het verschil tussen de
verschillende groepen werd geanalyseerd met behulp van een eenzijdige of tweezijdige ttest, uitgaande van gelijke varianties. Resultaten werden als significant gezien, indien pwaarde < 0,05.
48
Referenties
Aaby P, Benn C, Nielsen J, Lisse IM, Rodrigues A, Ravn H (2012) Testing the hypothesis that
diphtheria-tetanus-pertussis vaccine has negative non-specific and sex-differential effects on child
survival in high-mortality countries. BMJ open 2
Aaby P, Martins CL, Garly ML, Bale C, Andersen A, Rodrigues A, Ravn H, Lisse IM, Benn CS, Whittle HC
(2010) Non-specific effects of standard measles vaccine at 4.5 and 9 months of age on childhood
mortality: randomised controlled trial. Bmj 341: c6495
Aaby P, Roth A, Ravn H, Napirna BM, Rodrigues A, Lisse IM, Stensballe L, Diness BR, Lausch KR, Lund
N, Biering-Sorensen S, Whittle H, Benn CS (2011) Randomized trial of BCG vaccination at birth to lowbirth-weight children: beneficial nonspecific effects in the neonatal period? The Journal of infectious
diseases 204: 245-252
Aaby P, Samb B, Simondon F, Seck AM, Knudsen K, Whittle H (1995) Non-specific beneficial effect of
measles immunisation: analysis of mortality studies from developing countries. Bmj 311: 481-485
Amsen D, Backer RA, Helbig C (2013) Decisions on the road to memory. Advances in experimental
medicine and biology 785: 107-120
Baker B, Maitra U, Geng S, Li L (2014) Molecular and cellular mechanisms responsible for cellular
stress and low-grade inflammation induced by super-low dose endotoxin. The Journal of biological
chemistry
Baldwin SL, Bertholet S, Reese VA, Ching LK, Reed SG, Coler RN (2012) The importance of adjuvant
formulation in the development of a tuberculosis vaccine. Journal of immunology 188: 2189-2197
Batbayar S, Kim MJ, Kim HW (2011) Medicinal mushroom Lingzhi or Reishi, Ganoderma lucidum
(W.Curt.:Fr.) P. Karst., beta-glucan induces Toll-like receptors and fails to induce inflammatory
cytokines in NF-kappaB inhibitor-treated macrophages. International journal of medicinal mushrooms
13: 213-225
Bendixen E, Danielsen M, Larsen K, Bendixen C (2010) Advances in porcine genomics and proteomics-a toolbox for developing the pig as a model organism for molecular biomedical research. Briefings in
functional genomics 9: 208-219
Beschin A, Bilej M, Hanssens F, Raymakers J, Van Dyck E, Revets H, Brys L, Gomez J, De Baetselier P,
Timmermans M (1998) Identification and cloning of a glucan- and lipopolysaccharide-binding protein
from Eisenia foetida earthworm involved in the activation of prophenoloxidase cascade. The Journal
of biological chemistry 273: 24948-24954
Bikard D, Marraffini LA (2012) Innate and adaptive immunity in bacteria: mechanisms of programmed
genetic variation to fight bacteriophages. Current opinion in immunology 24: 15-20
Bistoni F, Vecchiarelli A, Cenci E, Puccetti P, Marconi P, Cassone A (1986) Evidence for macrophagemediated protection against lethal Candida albicans infection. Infection and immunity 51: 668-674
Borrego F, Kabat J, Kim DK, Lieto L, Maasho K, Pena J, Solana R, Coligan JE (2002) Structure and
function of major histocompatibility complex (MHC) class I specific receptors expressed on human
natural killer (NK) cells. Molecular immunology 38: 637-660
Bose N, Wurst LR, Chan AS, Dudney CM, LeRoux ML, Danielson ME, Will PM, Nodland SE, Patchen ML,
Dalle Lucca JJ, Lebeda FJ, Vasilakos JP (2014) Differential regulation of oxidative burst by distinct
49
beta-glucan-binding receptors and signaling pathways in human peripheral blood mononuclear cells.
Glycobiology 24: 379-391
Brea D, Meurens F, Dubois AV, Gaillard J, Chevaleyre C, Jourdan ML, Winter N, Arbeille B, Si-Tahar M,
Gauthier F, Attucci S (2012) The pig as a model for investigating the role of neutrophil serine
proteases in human inflammatory lung diseases. The Biochemical journal 447: 363-370
Brown GD (2006) Dectin-1: a signalling non-TLR pattern-recognition receptor. Nature reviews
Immunology 6: 33-43
Brunner J, Prelog M, Riedl M, Giner T, Hofer J, Wurzner R, Zimmerhackl LB (2012) Analysis of the
classical, alternative, and mannose binding lectin pathway of the complement system in the
pathogenesis of oligoarticular juvenile idiopathic arthritis. Rheumatology international 32: 1815-1818
Cruvinel Wde M, Mesquita D, Jr., Araujo JA, Catelan TT, de Souza AW, da Silva NP, Andrade LE (2010)
Immune system - part I. Fundamentals of innate immunity with emphasis on molecular and cellular
mechanisms of inflammatory response. Revista brasileira de reumatologia 50: 434-461
Damm A, Lautz K, Kufer TA (2013) Roles of NLRP10 in innate and adaptive immunity. Microbes and
infection / Institut Pasteur 15: 516-523
Danilova N (2012) The evolution of adaptive immunity. Advances in experimental medicine and
biology 738: 218-235
Dar A, Nichani AK, Benjamin P, Lai K, Soita H, Krieg AM, Potter A, Babiuk LA, Mutwiri GK (2008)
Attenuated cytokine responses in porcine lymph node cells stimulated with CpG DNA are associated
with low frequency of IFNalpha-producing cells and TLR9 mRNA expression. Veterinary immunology
and immunopathology 123: 324-336
Dawson HD, Loveland JE, Pascal G, Gilbert JG, Uenishi H, Mann KM, Sang Y, Zhang J, Carvalho-Silva D,
Hunt T, Hardy M, Hu Z, Zhao SH, Anselmo A, Shinkai H, Chen C, Badaoui B, Berman D, Amid C, Kay M,
Lloyd D, Snow C, Morozumi T, Cheng RP, Bystrom M, Kapetanovic R, Schwartz JC, Kataria R, Astley M,
Fritz E, Steward C, Thomas M, Wilming L, Toki D, Archibald AL, Bed'Hom B, Beraldi D, Huang TH, AitAli T, Blecha F, Botti S, Freeman TC, Giuffra E, Hume DA, Lunney JK, Murtaugh MP, Reecy JM, Harrow
JL, Rogel-Gaillard C, Tuggle CK (2013) Structural and functional annotation of the porcine immunome.
BMC genomics 14: 332
Degn SE, Thiel S (2013) Humoral pattern recognition and the complement system. Scandinavian
journal of immunology 78: 181-193
Devriendt B, Verdonck F, Summerfield A, Goddeeris BM, Cox E (2010) Targeting of Escherichia coli F4
fimbriae to Fcgamma receptors enhances the maturation of porcine dendritic cells. Veterinary
immunology and immunopathology 135: 188-198
Du Pasquier L (2005) Meeting the demand for innate and adaptive immunities during evolution.
Scandinavian journal of immunology 62 Suppl 1: 39-48
Durrant WE, Dong X (2004) Systemic acquired resistance. Annual review of phytopathology 42: 185209
El Gazzar M, Liu T, Yoza BK, McCall CE (2010) Dynamic and selective nucleosome repositioning during
endotoxin tolerance. The Journal of biological chemistry 285: 1259-1271
Ewald SE, Chavarria-Smith J, Boothroyd JC (2014) NLRP1 is an inflammasome sensor for Toxoplasma
gondii. Infection and immunity 82: 460-468
50
Fairbairn L, Kapetanovic R, Beraldi D, Sester DP, Tuggle CK, Archibald AL, Hume DA (2013)
Comparative analysis of monocyte subsets in the pig. Journal of immunology 190: 6389-6396
Fan H, Cook JA (2004) Molecular mechanisms of endotoxin tolerance. Journal of endotoxin research
10: 71-84
Foster SL, Hargreaves DC, Medzhitov R (2007) Gene-specific control of inflammation by TLR-induced
chromatin modifications. Nature 447: 972-978
Fu ZQ, Dong X (2013) Systemic acquired resistance: turning local infection into global defense.
Annual review of plant biology 64: 839-863
Furukawa R, Matsumoto M, Kaneko H (2012) Characterization of a scavenger receptor cysteine-richdomain-containing protein of the starfish, Asterina pectinifera: ApSRCR1 acts as an opsonin in the
larval and adult innate immune systems. Developmental and comparative immunology 36: 51-61
Garly ML, Martins CL, Bale C, Balde MA, Hedegaard KL, Gustafson P, Lisse IM, Whittle HC, Aaby P
(2003) BCG scar and positive tuberculin reaction associated with reduced child mortality in West
Africa. A non-specific beneficial effect of BCG? Vaccine 21: 2782-2790
Gauvreau GM, Ellis AK, Denburg JA (2009) Haemopoietic processes in allergic disease:
eosinophil/basophil development. Clinical and experimental allergy : journal of the British Society for
Allergy and Clinical Immunology 39: 1297-1306
Geering B, Stoeckle C, Conus S, Simon HU (2013) Living and dying for inflammation: neutrophils,
eosinophils, basophils. Trends in immunology 34: 398-409
Geissmann F, Gordon S, Hume DA, Mowat AM, Randolph GJ (2010) Unravelling mononuclear
phagocyte heterogeneity. Nature reviews Immunology 10: 453-460
Gomes NE, Brunialti MK, Mendes ME, Freudenberg M, Galanos C, Salomao R (2010)
Lipopolysaccharide-induced expression of cell surface receptors and cell activation of neutrophils and
monocytes in whole human blood. Brazilian journal of medical and biological research = Revista
brasileira de pesquisas medicas e biologicas / Sociedade Brasileira de Biofisica [et al] 43: 853-858
Gordon S, Martinez FO (2010) Alternative activation of macrophages: mechanism and functions.
Immunity 32: 593-604
Groenen MA, Archibald AL, Uenishi H, Tuggle CK, Takeuchi Y, Rothschild MF, Rogel-Gaillard C, Park C,
Milan D, Megens HJ, Li S, Larkin DM, Kim H, Frantz LA, Caccamo M, Ahn H, Aken BL, Anselmo A,
Anthon C, Auvil L, Badaoui B, Beattie CW, Bendixen C, Berman D, Blecha F, Blomberg J, Bolund L,
Bosse M, Botti S, Bujie Z, Bystrom M, Capitanu B, Carvalho-Silva D, Chardon P, Chen C, Cheng R, Choi
SH, Chow W, Clark RC, Clee C, Crooijmans RP, Dawson HD, Dehais P, De Sapio F, Dibbits B, Drou N, Du
ZQ, Eversole K, Fadista J, Fairley S, Faraut T, Faulkner GJ, Fowler KE, Fredholm M, Fritz E, Gilbert JG,
Giuffra E, Gorodkin J, Griffin DK, Harrow JL, Hayward A, Howe K, Hu ZL, Humphray SJ, Hunt T,
Hornshoj H, Jeon JT, Jern P, Jones M, Jurka J, Kanamori H, Kapetanovic R, Kim J, Kim JH, Kim KW, Kim
TH, Larson G, Lee K, Lee KT, Leggett R, Lewin HA, Li Y, Liu W, Loveland JE, Lu Y, Lunney JK, Ma J,
Madsen O, Mann K, Matthews L, McLaren S, Morozumi T, Murtaugh MP, Narayan J, Nguyen DT, Ni P,
Oh SJ, Onteru S, Panitz F, Park EW, Park HS, Pascal G, Paudel Y, Perez-Enciso M, Ramirez-Gonzalez R,
Reecy JM, Rodriguez-Zas S, Rohrer GA, Rund L, Sang Y, Schachtschneider K, Schraiber JG, Schwartz J,
Scobie L, Scott C, Searle S, Servin B, Southey BR, Sperber G, Stadler P, Sweedler JV, Tafer H, Thomsen
B, Wali R, Wang J, Wang J, White S, Xu X, Yerle M, Zhang G, Zhang J, Zhang J, Zhao S, Rogers J,
51
Churcher C, Schook LB (2012) Analyses of pig genomes provide insight into porcine demography and
evolution. Nature 491: 393-398
Guo Z, Hu Y, Wang D, Ma X, Zhao X, Zhao B, Wang J, Liu P (2009) Sulfated modification can enhance
the adjuvanticity of lentinan and improve the immune effect of ND vaccine. Vaccine 27: 660-665
Hardison SE, Brown GD (2012) C-type lectin receptors orchestrate antifungal immunity. Nature
immunology 13: 817-822
Heremans H, Van Damme J, Dillen C, Dijkmans R, Billiau A (1990) Interferon gamma, a mediator of
lethal lipopolysaccharide-induced Shwartzman-like shock reactions in mice. The Journal of
experimental medicine 171: 1853-1869
Huang YW, Meng XJ (2009) Identification of a porcine DC-SIGN-related C-type lectin, porcine CLEC4G
(LSECtin), and its order of intron removal during splicing: comparative genomic analyses of the
cluster of genes CD23/CLEC4G/DC-SIGN among mammalian species. Developmental and comparative
immunology 33: 747-760
Hur GY, Sheen SS, Kang YM, Koh DH, Park HJ, Ye YM, Yim HE, Kim KS, Park HS (2008) Histamine
release and inflammatory cell infiltration in airway Mucosa in methylene diphenyl diisocyanate
(MDI)-induced occupational asthma. Journal of clinical immunology 28: 571-580
Husser L, Alves MP, Ruggli N, Summerfield A (2011) Identification of the role of RIG-I, MDA-5 and
TLR3 in sensing RNA viruses in porcine epithelial cells using lentivirus-driven RNA interference. Virus
research 159: 9-16
Ifrim DC, Joosten LA, Kullberg BJ, Jacobs L, Jansen T, Williams DL, Gow NA, van der Meer JW, Netea
MG, Quintin J (2013) Candida albicans primes TLR cytokine responses through a Dectin-1/Raf-1mediated pathway. Journal of immunology 190: 4129-4135
Ifrim DC, Quintin J, Joosten LA, Jacobs C, Jansen T, Jacobs L, Gow NA, Williams DL, van der Meer JW,
Netea MG (2014) Trained immunity or tolerance: opposing functional programs induced in human
monocytes after engagement of various pattern recognition receptors. Clinical and vaccine
immunology : CVI 21: 534-545
Ishibashi K, Miura NN, Adachi Y, Ogura N, Tamura H, Tanaka S, Ohno N (2002) Relationship between
the physical properties of Candida albicans cell well beta-glucan and activation of leukocytes in vitro.
International immunopharmacology 2: 1109-1122
Jaillon S, Galdiero MR, Del Prete D, Cassatella MA, Garlanda C, Mantovani A (2013) Neutrophils in
innate and adaptive immunity. Seminars in immunopathology 35: 377-394
Jaworska J, Coulombe F, Downey J, Tzelepis F, Shalaby K, Tattoli I, Berube J, Rousseau S, Martin JG,
Girardin SE, McCullers JA, Divangahi M (2014) NLRX1 prevents mitochondrial induced apoptosis and
enhances macrophage antiviral immunity by interacting with influenza virus PB1-F2 protein.
Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America
Kapp A, Freudenberg M, Galanos C (1987) Induction of human granulocyte chemiluminescence by
bacterial lipopolysaccharides. Infection and immunity 55: 758-761
Kennedy MT, Bates PJ, Wheatley CL, Rohrbach MS (1995) Discrete pathways for arachidonic acid
release from tannin versus beta-glucan-stimulated rabbit alveolar macrophages. Journal of leukocyte
biology 58: 241-248
52
Kleinnijenhuis J, Quintin J, Preijers F, Joosten LA, Ifrim DC, Saeed S, Jacobs C, van Loenhout J, de Jong
D, Stunnenberg HG, Xavier RJ, van der Meer JW, van Crevel R, Netea MG (2012) Bacille CalmetteGuerin induces NOD2-dependent nonspecific protection from reinfection via epigenetic
reprogramming of monocytes. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States
of America 109: 17537-17542
Kollmann TR, Levy O, Montgomery RR, Goriely S (2012) Innate immune function by Toll-like receptors:
distinct responses in newborns and the elderly. Immunity 37: 771-783
Kougias P, Wei D, Rice PJ, Ensley HE, Kalbfleisch J, Williams DL, Browder IW (2001) Normal human
fibroblasts express pattern recognition receptors for fungal (1-->3)-beta-D-glucans. Infection and
immunity 69: 3933-3938
Kumar H, Kawai T, Akira S (2011) Pathogen recognition by the innate immune system. International
reviews of immunology 30: 16-34
Kumar S, Ingle H, Prasad DV, Kumar H (2013) Recognition of bacterial infection by innate immune
sensors. Critical reviews in microbiology 39: 229-246
Kumar V, Sharma A (2010) Neutrophils: Cinderella of innate immune system. International
immunopharmacology 10: 1325-1334
Kurtz J (2005) Specific memory within innate immune systems. Trends in immunology 26: 186-192
Kuzemtseva L, de la Torre E, Martin G, Soldevila F, Ait-Ali T, Mateu E, Darwich L (2014) Regulation of
toll-like receptors 3, 7 and 9 in porcine alveolar macrophages by different genotype 1 strains of
porcine reproductive and respiratory syndrome virus. Veterinary immunology and immunopathology
158: 189-198
Le Bel M, Brunet A, Gosselin J (2014) Leukotriene B4, an endogenous stimulator of the innate
immune response against pathogens. Journal of innate immunity 6: 159-168
Lee SM, Kok KH, Jaume M, Cheung TK, Yip TF, Lai JC, Guan Y, Webster RG, Jin DY, Peiris JS (2014) Tolllike receptor 10 is involved in induction of innate immune responses to influenza virus infection.
Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America 111: 3793-3798
Levy O, Wynn JL (2014) A prime time for trained immunity: innate immune memory in newborns and
infants. Neonatology 105: 136-141
Locati M, Mantovani A, Sica A (2013) Macrophage activation and polarization as an adaptive
component of innate immunity. Advances in immunology 120: 163-184
Lupfer C, Kanneganti TD (2013) Unsolved Mysteries in NLR Biology. Frontiers in immunology 4: 285
Mahla RS, Reddy MC, Prasad DV, Kumar H (2013) Sweeten PAMPs: Role of Sugar Complexed PAMPs
in Innate Immunity and Vaccine Biology. Frontiers in immunology 4: 248
Mair KH, Essler SE, Patzl M, Storset AK, Saalmuller A, Gerner W (2012) NKp46 expression
discriminates porcine NK cells with different functional properties. European journal of immunology
42: 1261-1271
Mair KH, Sedlak C, Kaser T, Pasternak A, Levast B, Gerner W, Saalmuller A, Summerfield A, Gerdts V,
Wilson HL, Meurens F (2014) The porcine innate immune system: An update. Developmental and
comparative immunology 45: 321-343
53
Martinez-Pomares L, Gordon S (2012) CD169+ macrophages at the crossroads of antigen
presentation. Trends in immunology 33: 66-70
Mayr A (2004) Taking advantage of the positive side-effects of smallpox vaccination. Journal of
veterinary medicine B, Infectious diseases and veterinary public health 51: 199-201
Mear JB, Gosset P, Kipnis E, Faure E, Dessein R, Jawhara S, Fradin C, Faure K, Poulain D, Sendid B,
Guery B (2014) Candida albicans airway exposure primes the lung innate immune response against
Pseudomonas aeruginosa infection through innate lymphoid cell recruitment and interleukin-22associated mucosal response. Infection and immunity 82: 306-315
Molloy EJ, O'Neill AJ, Grantham JJ, Sheridan-Pereira M, Fitzpatrick JM, Webb DW, Watson RW (2004)
Labor promotes neonatal neutrophil survival and lipopolysaccharide responsiveness. Pediatric
research 56: 99-103
Moret Y, Siva-Jothy MT (2003) Adaptive innate immunity? Responsive-mode prophylaxis in the
mealworm beetle, Tenebrio molitor. Proceedings Biological sciences / The Royal Society 270: 24752480
Mukhopadhyay S, Herre J, Brown GD, Gordon S (2004) The potential for Toll-like receptors to
collaborate with other innate immune receptors. Immunology 112: 521-530
Muthamilarasan M, Prasad M (2013) Plant innate immunity: an updated insight into defense
mechanism. Journal of biosciences 38: 433-449
Nahid MA, Satoh M, Chan EK (2011) MicroRNA in TLR signaling and endotoxin tolerance. Cellular &
molecular immunology 8: 388-403
Neerincx A, Castro W, Guarda G, Kufer TA (2013) NLRC5, at the Heart of Antigen Presentation.
Frontiers in immunology 4: 397
Netea MG (2013) Training innate immunity: the changing concept of immunological memory in
innate host defence. European journal of clinical investigation 43: 881-884
Netea MG, Brown GD, Kullberg BJ, Gow NA (2008) An integrated model of the recognition of Candida
albicans by the innate immune system. Nature reviews Microbiology 6: 67-78
Netea MG, Quintin J, van der Meer JW (2011) Trained immunity: a memory for innate host defense.
Cell host & microbe 9: 355-361
Nochi H, Shinomiya T, Tamoto K (2006) Characterization of hyaluronan-binding proteins on guinea
pig polymorphonuclear leukocytes: possible involvement of complement receptor type 3 (CR3,
CD11b/CD18) in the hyaluronan-leukocyte interaction. Journal of biochemistry 139: 59-70
Ostuni R, Piccolo V, Barozzi I, Polletti S, Termanini A, Bonifacio S, Curina A, Prosperini E, Ghisletti S,
Natoli G (2013) Latent enhancers activated by stimulation in differentiated cells. Cell 152: 157-171
Pancer Z, Amemiya CT, Ehrhardt GR, Ceitlin J, Gartland GL, Cooper MD (2004) Somatic diversification
of variable lymphocyte receptors in the agnathan sea lamprey. Nature 430: 174-180
Paust S, Gill HS, Wang BZ, Flynn MP, Moseman EA, Senman B, Szczepanik M, Telenti A, Askenase PW,
Compans RW, von Andrian UH (2010) Critical role for the chemokine receptor CXCR6 in NK cellmediated antigen-specific memory of haptens and viruses. Nature immunology 11: 1127-1135
Pham LN, Dionne MS, Shirasu-Hiza M, Schneider DS (2007) A specific primed immune response in
Drosophila is dependent on phagocytes. PLoS pathogens 3: e26
54
Piriou-Guzylack L, Salmon H (2008) Membrane markers of the immune cells in swine: an update.
Veterinary research 39: 54
Quintin J, Saeed S, Martens JH, Giamarellos-Bourboulis EJ, Ifrim DC, Logie C, Jacobs L, Jansen T,
Kullberg BJ, Wijmenga C, Joosten LA, Xavier RJ, van der Meer JW, Stunnenberg HG, Netea MG (2012)
Candida albicans infection affords protection against reinfection via functional reprogramming of
monocytes. Cell host & microbe 12: 223-232
Rinkevich B (1999) Invertebrates versus vertebrates innate immunity: In the light of evolution.
Scandinavian journal of immunology 50: 456-460
Rodrigues J, Brayner FA, Alves LC, Dixit R, Barillas-Mury C (2010) Hemocyte differentiation mediates
innate immune memory in Anopheles gambiae mosquitoes. Science 329: 1353-1355
Rubin-Bejerano I, Abeijon C, Magnelli P, Grisafi P, Fink GR (2007) Phagocytosis by human neutrophils
is stimulated by a unique fungal cell wall component. Cell host & microbe 2: 55-67
Sadeghi K, Berger A, Langgartner M, Prusa AR, Hayde M, Herkner K, Pollak A, Spittler A, Forster-Waldl
E (2007) Immaturity of infection control in preterm and term newborns is associated with impaired
toll-like receptor signaling. The Journal of infectious diseases 195: 296-302
Saijo S, Iwakura Y (2011) Dectin-1 and Dectin-2 in innate immunity against fungi. International
immunology 23: 467-472
Salama NR, Hartung ML, Muller A (2013) Life in the human stomach: persistence strategies of the
bacterial pathogen Helicobacter pylori. Nature reviews Microbiology 11: 385-399
Sang Y, Yang J, Ross CR, Rowland RR, Blecha F (2008) Molecular identification and functional
expression of porcine Toll-like receptor (TLR) 3 and TLR7. Veterinary immunology and
immunopathology 125: 162-167
Sheahan T, Imanaka N, Marukian S, Dorner M, Liu P, Ploss A, Rice CM (2014) Interferon lambda
alleles predict innate antiviral immune responses and hepatitis C virus permissiveness. Cell host &
microbe 15: 190-202
Shen CM, Lin SC, Niu DM, Kou YR (2009) Labour increases the surface expression of two Toll-like
receptors in the cord blood monocytes of healthy term newborns. Acta paediatrica 98: 959-962
Slaughter A, Daniel X, Flors V, Luna E, Hohn B, Mauch-Mani B (2012) Descendants of primed
Arabidopsis plants exhibit resistance to biotic stress. Plant physiology 158: 835-843
Soltanian S, Stuyven E, Cox E, Sorgeloos P, Bossier P (2009) Beta-glucans as immunostimulant in
vertebrates and invertebrates. Critical reviews in microbiology 35: 109-138
Sonck E, Stuyven E, Goddeeris B, Cox E (2009) Identification of the porcine C-type lectin dectin-1.
Veterinary immunology and immunopathology 130: 131-134
Sonck E, Stuyven E, Goddeeris B, Cox E (2010) The effect of beta-glucans on porcine leukocytes.
Veterinary immunology and immunopathology 135: 199-207
Sorup S, Villumsen M, Ravn H, Benn CS, Sorensen TI, Aaby P, Jess T, Roth A (2011) Smallpox
vaccination and all-cause infectious disease hospitalization: a Danish register-based cohort study.
International journal of epidemiology 40: 955-963
Souza-Fonseca-Guimaraes F, Adib-Conquy M, Cavaillon JM (2012) Natural killer (NK) cells in
antibacterial innate immunity: angels or devils? Molecular medicine 18: 270-285
55
Steele L, Errington F, Prestwich R, Ilett E, Harrington K, Pandha H, Coffey M, Selby P, Vile R, Melcher A
(2011) Pro-inflammatory cytokine/chemokine production by reovirus treated melanoma cells is
PKR/NF-kappaB mediated and supports innate and adaptive anti-tumour immune priming. Molecular
cancer 10: 20
Steiner H (2004) Peptidoglycan recognition proteins: on and off switches for innate immunity.
Immunological reviews 198: 83-96
Strunk T, Currie A, Richmond P, Simmer K, Burgner D (2011) Innate immunity in human newborn
infants: prematurity means more than immaturity. The journal of maternal-fetal & neonatal
medicine : the official journal of the European Association of Perinatal Medicine, the Federation of
Asia and Oceania Perinatal Societies, the International Society of Perinatal Obstet 24: 25-31
Stuyven E, Cox E, Vancaeneghem S, Arnouts S, Deprez P, Goddeeris BM (2009) Effect of beta-glucans
on an ETEC infection in piglets. Veterinary immunology and immunopathology 128: 60-66
Suarez-Alvarez B, Baragano Raneros A, Ortega F, Lopez-Larrea C (2013) Epigenetic modulation of the
immune function: a potential target for tolerance. Epigenetics : official journal of the DNA
Methylation Society 8: 694-702
Summerfield A, McCullough KC (2009) The porcine dendritic cell family. Developmental and
comparative immunology 33: 299-309
Sun JC, Beilke JN, Lanier LL (2009) Adaptive immune features of natural killer cells. Nature 457: 557561
Sun JC, Beilke JN, Lanier LL (2010) Immune memory redefined: characterizing the longevity of natural
killer cells. Immunological reviews 236: 83-94
Szabo A, Rajnavolgyi E (2013) Collaboration of Toll-like and RIG-I-like receptors in human dendritic
cells: tRIGgering antiviral innate immune responses. American journal of clinical and experimental
immunology 2: 195-207
Tait Wojno ED, Artis D (2012) Innate lymphoid cells: balancing immunity, inflammation, and tissue
repair in the intestine. Cell host & microbe 12: 445-457
Tohno M, Shimazu T, Aso H, Uehara A, Takada H, Kawasaki A, Fujimoto Y, Fukase K, Saito T, Kitazawa
H (2008a) Molecular cloning and functional characterization of porcine nucleotide-binding
oligomerization domain-1 (NOD1) recognizing minimum agonists, meso-diaminopimelic acid and
meso-lanthionine. Molecular immunology 45: 1807-1817
Tohno M, Ueda W, Azuma Y, Shimazu T, Katoh S, Wang JM, Aso H, Takada H, Kawai Y, Saito T,
Kitazawa H (2008b) Molecular cloning and functional characterization of porcine nucleotide-binding
oligomerization domain-2 (NOD2). Molecular immunology 45: 194-203
Tsai AG, Lieber MR (2010) Mechanisms of chromosomal rearrangement in the human genome. BMC
genomics 11 Suppl 1: S1
van 't Wout JW, Poell R, van Furth R (1992) The role of BCG/PPD-activated macrophages in resistance
against systemic candidiasis in mice. Scandinavian journal of immunology 36: 713-719
van Bruggen R, Drewniak A, Jansen M, van Houdt M, Roos D, Chapel H, Verhoeven AJ, Kuijpers TW
(2009) Complement receptor 3, not Dectin-1, is the major receptor on human neutrophils for betaglucan-bearing particles. Molecular immunology 47: 575-581
56
van den Burg HA, Takken FL (2009) Does chromatin remodeling mark systemic acquired resistance?
Trends in plant science 14: 286-294
Vecchiarelli A, Cenci E, Puliti M, Blasi E, Puccetti P, Cassone A, Bistoni F (1989) Protective immunity
induced by low-virulence Candida albicans: cytokine production in the development of the antiinfectious state. Cellular immunology 124: 334-344
Vega-Ramos J, Villadangos JA (2013) Consequences of direct and indirect activation of dendritic cells
on antigen presentation: functional implications and clinical considerations. Molecular immunology
55: 175-178
Vetvicka V, Vetvickova J, Frank J, Yvin JC (2008) Enhancing effects of new biological response modifier
beta-1,3 glucan sulfate PS3 on immune reactions. Biomedicine & pharmacotherapy = Biomedecine &
pharmacotherapie 62: 283-288
von Gunten S, Jakob SM, Geering B, Takala J, Simon HU (2009) Different patterns of Siglec-9mediated neutrophil death responses in septic shock. Shock 32: 386-392
Watson FL, Puttmann-Holgado R, Thomas F, Lamar DL, Hughes M, Kondo M, Rebel VI, Schmucker D
(2005) Extensive diversity of Ig-superfamily proteins in the immune system of insects. Science 309:
1874-1878
Welsh RM, Selin LK (2002) No one is naive: the significance of heterologous T-cell immunity. Nature
reviews Immunology 2: 417-426
Wevers BA, Kaptein TM, Zijlstra-Willems EM, Theelen B, Boekhout T, Geijtenbeek TB, Gringhuis SI
(2014) Fungal engagement of the C-type lectin mincle suppresses dectin-1-induced antifungal
immunity. Cell host & microbe 15: 494-505
Wynn JL, Scumpia PO, Winfield RD, Delano MJ, Kelly-Scumpia K, Barker T, Ungaro R, Levy O,
Moldawer LL (2008) Defective innate immunity predisposes murine neonates to poor sepsis outcome
but is reversed by TLR agonists. Blood 112: 1750-1758
Zekovic DB, Kwiatkowski S, Vrvic MM, Jakovljevic D, Moran CA (2005) Natural and modified (1-->3)beta-D-glucans in health promotion and disease alleviation. Critical reviews in biotechnology 25: 205230
Zhang L, Mo J, Swanson KV, Wen H, Petrucelli A, Gregory SM, Zhang Z, Schneider M, Jiang Y,
Fitzgerald KA, Ouyang S, Liu ZJ, Damania B, Shu HB, Duncan JA, Ting JP (2014) NLRC3, a member of
the NLR family of proteins, is a negative regulator of innate immune signaling induced by the DNA
sensor STING. Immunity 40: 329-341
Zhang SM, Loker ES (2004) Representation of an immune responsive gene family encoding
fibrinogen-related proteins in the freshwater mollusc Biomphalaria glabrata, an intermediate host for
Schistosoma mansoni. Gene 341: 255-266
57
Bijlagen
Protocols
Tellen van cellen





Voeg 10 μl celsuspensie toe aan 90 μl nigrosine (1/10 verdunning)
Voeg 10 μl van deze 1/10 verdunning toe aan 90 μl nigrosine (1/100 verdunning)
enzovoort tot de gewenste verdunning bereikt is.
Neem 10 μl van de gewenste verdunning (afhankelijk van verwacht aantal cellen) en
pipeteer deze in de telkamer (Neubauer).
De telkamer bevat 4 kwadranten van telkens 4x4 vierkanten. Tel het totaal aantal
cellen in de 4 kwadranten en bepaal hieruit het gemiddeld aantal cellen per kwadrant
door dit aantal te delen door 4.
Om de concentratie van de cellen te bepalen in 1 ml celsuspensie, gebruiken we
volgende formule: a = b * c * d, waarbij: a= aantal cellen per ml celsuspensie;
b=gemiddeld aantal cellen per kwadrant; c = verdunningsfactor (bv: bij 1/100
verdunning  c = 102); d = 104 = correctiefactor van telkamer
Isolatie PBMC’s mbv Lymphoprep
 Neem bloed af van een varken en voeg heparin (anti-coagulant) toe om bloedstolling
te voorkomen.
 Breng dit bloed (20 ml) vervolgens druppelsgewijs op 15 ml lymphoprep (STEMCELL
Technologies)
 Centrifugeer gedurende 25 minuten bij 800g en 18°C.
 Collecteer de interfase band in het midden en breng deze in een nieuwe tube. Leng
vervolgens verder aan tot 40 ml met koude PBS + 1 mM EDTA (PBS-EDTA).
 Centrifugeer 10 minuten bij 400g en 4°C.
 Giet het SN af en resuspendeer de celpellet in 20 ml koude PBS-EDTA.
 Filtreer de celsuspensie door een 70 μm celfilter (Falcon®, Corning) en was de filter
vervolgens met 20 ml koude PBS-EDTA.
 Centrifugeer 10 minuten bij 400g en 4°C.
 Giet het supernatans af en resuspendeer de celpellet in 1 ml koude PBS-EDTA.
 Tel de cellen.
Immunomagnetische selectie (MACS)







Neem 5,0 x 108 PBMC’s
Label de cellen met 15 μl muis α-CD172a (mIgG1, 74-12-15) of 100 μl anti-CD14
hybridoma supernatans per 108 cellen
Incubeer 20 minuten op ijs.
Was de cellen vervolgens met 5 ml koude PBS-EDTA om de ongebonden primaire
antilichamen te verwijderen.
Centrifugeer gedurende 10 minuten bij 350g en 4°C.
Neem het supernatans weg en hersuspendeer de cellen in de restbuffer. Voeg
vervolgens 40 μl geit α-muis IgG microparels (Miltenyi) per 108 cellen toe.
Meng goed en incubeer gedurende 15 minuten op ijs.
58









Plaats ondertussen een voorgekoelde LS kolom (Miltenyi) in het magnetische veld en
bereidt de kolom voor door deze te wassen met 3 ml koude MACSbuffer( PBS/EDTA/1%FCS).
Voeg 5 ml van deze MACS-buffer toe aan de celsuspensie en breng deze celsuspensie
ml per ml over de kolom. Probeer hierbij luchtbellen te voorkomen.
Was de kolom 3 keer met 3 ml MACS-buffer.
Verwijder de LS kolom van het magnetische veld en zet deze op een vooraf gekoelde
opvangbuis.
Voeg 5 ml MACS-buffer toe aan de kolom.
Flush vervolgens de magnetisch gelabelde cellen, door de stamper op de kolom aan
te sluiten en door te duwen.
Tel het aantal CD172a+ of CD14+ cellen.
Centrifugeer gedurende 10min bij 400g en 4°C.
Breng de cellen aan een concentratie van 5,0 x 10 5 cellen /ml in monocyt medium
Stimulatie van monocyten











Breng 5,0 x 105 monocyten in 1 ml over naar een 24-well plaat.
Incubeer de cellen bij 37°C, 5% CO2 e 90% luchtvochtighied gedurende 24 u.
Stimuleer de monocyten vervolgens met 50 µl reagentia aan een gepaste
concentratie.
Incubeer de cellen vervolgens gedurende 24 u bij 37°C, 5% CO2.
Collecteer het cultuurmedium en voeg 1 ml nieuw monocyt-medium (37°C) toe.
Centrifugeer het afgenomen medium 10 min bij 400g, 4°C.
Collecteer het SN en bewaar dit bij -21°C om later een ELISA op uit te voeren.
Herhaal deze stappen op dag 4 en 6.
Voeg op dag 7 opnieuw de reagentia toe.
Incubeer de cellen 24 u bij 37°C, 5% CO2.
Collecteer het SN, centrifigeer 10 min bij 400g en 4°C en bewaar bij -21°C voor latere
ELISA.
Isolatie van PBMCs en neutrofielen mbv percoll










Neem bloed af van een varken en voeg heparin (anti-coagulant) toe om bloedstolling
te voorkomen.
Voeg 10 ml ijskoude RPMI-1640 toe aan 10 ml bloed
Breng 10 ml 75% Percoll in een 50 ml buis op ijs.
Voeg hier druppelsgewijs 10 ml 68% Percoll aan toe, zodat er 2 lagen ontstaan.
Voeg vervolgens 20 ml van het verdunde bloed druppelsgewijs op de Percoll gradient.
Centrifugeer 30’ bij 500g en 4°C.
Collecteer de PBMC’s in de tussenlaag. Let hierbij op dat je niet onder de PBMC laag
gaat met je pipet tip.
Collecteer vervolgens voorzichtig de neutrofielen in de laag eronder.
Leng de PBMC fractie en neutrofielen aan tot 40 ml met respectievelijk PBS-EDTA
(4°C) en HBSS (4°C).
Centrifugeer 10’, 350g, 4°C
59






Verwijder het SN en resuspendeer in 10 ml (PBMC) en 15 ml (neutrofielen)
lysebuffer (op kamertemperatuur)
Incubeer 10’ op KT
Neutraliseer vervolgens de lysebuffer door 20 ml (PBMC) en 15 ml (neutrofielen) PBSEDTA (4°C) toe te voegen.
Centrifugeer 10’, 350g, 4°C en verwijder het SN.
Hersuspendeer de cellen in 1 ml koude PBS-EDTA (PBMC) of HBSS (neutrofielen).
Tel de cellen en bewaar op ijs.
Nagaan van de zuiverheid van PBMC’sen neutrofielen mbv flow cytometrie
 Breng 3,0 x 105 cellen in 300 µl PBS-EDTA in een FM-buis.
 Verdun hiervoor je celsuspensie met
 Analyseer de celpopulaties met de FACSCanto.
 Selecteer de singlets op FSC-H/FSC-A en vervolgens op SSC-H/SSC-A dotplots.
Selecteer vervolgens de cellen op een FSC-A/SSC-A dotplot. Neem minimum 20000
events.
Effect van GM-CSF op de viabiliteit van neutrofielen
 Breng 2,0 x 105 neutrofielen in een 96-well microtiter plaat in 200 µl leukocyt
medium (1% Na-Pyruvaat, 1% Niet-Essentiele AminoZuren (MEM-NEAA), 1% P/S, 1%
Kanamycine, 0,1% Gentamycine, 10% FCS, 25mM HEPES in DMEM).
 Voeg 200 ng/ml GM-CSF of medium.
 Incubeer bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Collecteer dagelijks neutrofielen (met/zonder GM-CSF) en breng deze over in een 1,5
ml epje.
 Centrifugeer (10’, 400G, 4°C), verwijder het SN en resuspendeer in 200 µl koude PBS.
 Voeg 100 µl PBS + 0,3 µg/ml propidium iodide (PI) toe om de dode cellen aan te
kleuren.
 Analyseer het percentage dode neutrofielen mbv de FACSCanto.
Flow cytometrie kleuring











Transfereer 1,0 x 106 cellen naar een 96-well plaat met conische bodem (V-bodem) in
150 µl kleuringsmedium (DMEM + 1% FCS)
Centrifugeer gedurende 3’ bij 400g en 4°C
Verwijder het supernatans (SN)
Voeg de primaire monoklonale antilichamen toe in een finaal volume van 50 µl
kleuringsmedium
Incubeer 20’ op ijs
Voeg 100 µl kleuringsmedium toe
Centrifugeer gedurende 3’ bij 400g en 4°C.
Verwijder het SN
Voeg 150 µl kleuringsmedium toe en resuspendeer goed
Centrifugeer gedurende 3’ bij 400g en 4°C.
Verwijder het SN
60












Voeg nu het correcte fluorescent-gemerkt muis IgG isotype-specific secundaire
antilichaam toe in 50 µl kleuringsmedium (1/250 verdund)
Incubeer 20’ op ijs afgeschermd van licht
Voeg 100 µl kleuringsmedium toe
Centrifugeer gedurende 3’ bij 400g en 4°C.
Verwijder het SN
Voeg 200 µl koude PBS toe
Centrifugeer gedurende 3’ bij 400g en 4°C.
Verwijder het SN
Resuspendeer de cellen in 200 µl PBS
Tranfereer de cellen naar een FCM-buis
Voeg 100 µl PBS + PI toe
Analyseer de merkerexpressie mbv flow cytometer (FACSCanto)
TNFα ELISA (Duoset, R&D systems):

















Verdun het capture antilichaam naar een werkconcentratie in PBS zonder drager
eiwitten.
Coat een 96-well microplaatplaat (MaxiSorp, ThermoScientific) met 100 µl/well
capture antilichaam.
Dek de plaat af en incubeer overnacht bij kamertemperatuur.
Verwijder de volgende dag de vloeistof uit de microplaat en was de wells 3x met
wasbuffer (0,05% Tween20 in PBS; pH 7,2 - 7,4). Verwijder de wasbuffer na elke
wasstap. Na de laatste wasstap verwijderen we de wasbuffer zeer goed door de
plaat uit te kloppen tegen een papieren doekje.
Blokkeer vervolgens de vrije bindingsplaatsen met 200 µl/well blokbuffer (1% BSA
in PBS)
Incubeer 1 u bij kamertemperatuur.
Was de plaat opnieuw 3x met wasbuffer.
Voeg 100 µl van het staal (1/2 verdunning in reagent oplossing) en van een
standaard verdunningsreeks toe.
o Reagent oplossing: 0,1% BSA, 0,05% Tween20 in Tris-gebufferde
zoutoplossing (20 mM TrisBase, 150 mM NaCl), pH 7,2 – 7,4, 0,22 µm
gefilterd.
Dek de plaat af en incubeer 2 u bij kamertemperatuur
Was de plaat 3x met wasbuffer
Voeg 100 µl/well detectie antilichaamn toe verdund in reagent oplossing.
Incubeer 2 u bij kamertemperatuur
Was de plaat 3x met wasbuffer
Voeg nu 100 µl/well streptavidine-HRP toe, 1/200 verdund in reagent oplossing.
Dek de plaat af en incubeer 20’ bij kamertemperatuur en afgeschermd van licht.
Was de plaat 3x met wasbuffer
Voeg vervolgens 100 µl/well van de TMB substraatoplossing toe.
o TMB substraat oplossing: los één TMB tablet op in 100 µl DMSO, voeg toe
aan 10 ml TMB-buffer (0,2 M Na2HPO4, 0,1 M citroenzuur, pH 4,3). Voeg
als laatste 1,3 µl H202 toe.
61




Incubeer 20’ in het donker bij kamertemperatuur.
Voeg 50 µl/well stopoplossing(1M H2SO4) toe. Meng goed.
Bepaal de optische densiteit bij 450 nm mbv een microplaat lezer (Spectrafluor,
Tecan)
Analyseer de data mbv DeltaSoft software (Biometallics).
ROS productie door neutrofielenl
 Tel de neutrofielen
 Centrifugeer 10’ bij 350g en 4°C
 Verwijder het SN en resuspendeer de celpellet in leukocytmedium + 400 ng/ml
GM-CSF zodat een concentratie van 2,0 x 106 cellen/ml bekomen wordt.
 Pipetteer 100 µl (= 2,0 x 105 cellen) van deze celsuspensie in een 96-well
microtiter plaat (wit, open bodem; Greiner Bio one).
 Stimuleer de cellen vervolgens met 100 µl van de reagentia verdund in leukocyt
medium.
 Incubeer 24 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Neem het medium voorzichtig af en ververs met warm leukocytmedium + 200
ng/ml GM-CSF.
 Incubeer 24 h bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Voeg nogmaals 50 µl warm leukocytmedium + 200ng/ml GM-CSF toe aan de
cellen.
 Incubeer 48 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Neem het medium van de cellen en voeg 175 µl luminol (1 mg/ml) toe per well.
 Meet de achtergrondluminescentie met een luminometer (Luminoskan,
Labsystems)
 Stimuleer de cellen vervolgens met 25 µl van de reagentia. We hebben hiervoor
20 minuten tijd na de meting van de basiswaarden.
 Meet vervolgens gedurende 2 u de kinetiek van de chemiluminescentierespons
mbv de luminometer.
Viabiliteitsassay MTA inhibitor
 Breng 5,0 x 105 monocyten in een 24-well plaat 1 ml monocytmedium/well.
 Incubeer 24 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Stimuleer de cellen met MTA (1 mM, opgelost in dimethylformamide) of
monocytmedium.
 Incubeer 24 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Collecteer de cellen en kleur deze aan met propidium iodide in PBS-EDTA
 Analyseer de celviabiliteit mbv flow cytometrie
Effect van histon methylatie op de inductie van immuuntraining in monocyten
 Breng 5,0 x 105 monocyten in een 24-well plaat in 1 ml monocytmedium/well.
 Incubeer 24 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Voeg 1 mM MTA of eenzelfde volume dimethylformamide toe aan de cellen.
 Incubeer 1 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Stimuleer de cellen met 5 µg/ml MacroGard.
62







Incubeer 24 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
Collecteer het medium 1, 4 en 6 dagen na stimulatie en voeg nieuw
monocytmedium toe.
Bewaar het medium na centrifugatie (10’, 400g, 4°C) bij -21°C.
Stimuleer een 2de keer met 50 µg/ml MacroGard na 7 dagen.
Incubeer 24 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
Collecteer het medium na 8 dagen en centrifugeer 10’, 400G, 4°C.
Bepaal de cytokine concentratie in het celvrije cultuurmedium mbv ELISA
Bereiden van cellysaten
 Breng 5,0 x 105 monocyten in een 24-well plaat in 1 ml monocytmedium/well.
 Incubeer 24 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Voeg 1 mM MTA of eenzelfde volume dimethylformamide toe aan de cellen.
 Incubeer 1 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Stimuleer de cellen met 5 µg/ml MacroGard.
 Incubeer 24 u bij 37°C, 5% CO2 en 90% luchtvochtigheid.
 Verwijder het SN.
 Voeg 250 µl trypsinebuffer (0,25% trypsine, 2% verseen, 1% P/S in steriele PBS)
toe aan de cellen.
 Incubeer 10-15’ bij 37°C.
 Voeg 1 ml ijskoude PBS (0.22 µm gefilterd) toe aan de cellen.
 Collecteer de cellen in vooraf gekoelde 15 ml buizen
 Centrifugeer 7’ bij 500g en 4°C.
 Verwijder het SN en hersuspendeer de celpellet in 700 µl ijskoude PBS. Brengde
celsuspensie over naar een vooraf gekoeld steriel epje. Was de buis met 700 µl
PBS en breng over naar het epje.
 Centrifugeer 7’ bij 450g en 4°C.
 Verwijder het SN en resuspendeer de cellen in 50 µl lysebuffer (757 µl TNE buffer,
100 µl protease inhibitor, 143 µl 10% NP40)
 Lyseer de cellen met een naald (1 ml spuit met 21G 40 mm naald), door de cel
suspensie 8 maal op en neer te zuigen.
 Incubeer 30’ op ijs
 Centrifugeer 5’ bij maximum snelheid en 4°C
 Transfereer het SN vervolgens naar een nieuw steriel epje
 Voeg ladingsbuffer (6x) toe en incubeer in een hitteblok (5’, 100°C)
 Laad de stalen op een 12% SDS-PAGE.
SDS-PAGE
 Plaats 0,75 mm glaasjes in de houder en controleer op lekken met H2O.
 Maak de scheidingsgel (12%)(5 ml):
o 1,7 ml H2O
o 2,0 ml 30% acrylamide
o 1,3 ml 1,5 M TrisHCl pH 8,8
o 50 µl 10% SDS
o 50 µl 10% APS
63







o 2 µl TEMED
Voeg deze vlug toe tussen de glaasjes, vooraleer hij stolt. Giet wat H 2O erover om
een vlak oppervlak te krijgen.
Maak de stackingsgel (4%)(5 ml)
o 3,05 ml H2O
o 1,25 ml 0,5 M TrisHCl pH 6,8
o 50 µl 10% SDS
o 650 µl 30% acrylamide
o 50 µl 10% APS
o 10 µl TEMED
Breng deze stacking buffer over op de scheidingsgel
Breng een kammetje in de stackingsgel, voordat deze stolt
Breng de gel en houder over in de buffertank en vul met 1x SDS PAGE running
buffer (3 g TrisBase, 14,4 g glycine, 1,0 g SDS, opgelost in 1l aquadest)
Laad de stalen in de slotjes
Loop de SDS-PAGE op 100V gedurende 1-2 uur tot het front zich aan de
onderzijde van de gel bevindt..
Western Blot en immunodetectie
 Activeer de PVDF membraan in MeOH.
 Haal de SDS-PAGE gel uit de houder en plaats deze in de blotting houder in de
juiste volgorde (negatieve pool – vezeldoek - 2x whatmann papier – gel – PVDF
membraan – 2x whatmann papier – vezeldoek – positieve pool). Week alle
materialen vooraf in transferbuffer. Verwijder eventuele luchtbellen.
 Plaats dit geheel in de buffertank en vul met transferbuffer (28,8 g glycine, 6,06 g
TrisBase, 400 ml MeOH, in 2l aquadest).
 Transfereer de eiwitten van de gel naar de PVDF membraan gedurende 2 uur aan
50 - 100V.
 Verwijder vervolgens het membraan voorzichtig uit de houder en breng deze over
in blokbuffer (PBS + 5% magere melk poeder + 0,2% Tween80)
 Incubeer overnacht bij 4°C
 Was 3x met PBS-T (PBS + 0,2% Tween20)
 Incubeer 1 u met konijn α-actine IgG (1/5000) en konijn α-H3K4 IgG (1/1000) in
blokbuffer
 Was 3x met PBS-T (PBS + 0,2% Tween20)
 Incubeer 1 u met varken α-konijn IgG-HRP (1/500) in blokbuffer
 Was 3x met PBS-T (PBS + 0,2% Tween20)
 Voeg 500 µl detectie reagent 1 (peroxide oplossing) en 500 µl reagent 2 (Luminol
enhancer solution) toe en pipetteer gedurende 1 minuut over de blot.
 Meet de chemiluminescentie op de blot met het Chemidoc TM imaging system van
Biorad
64
Download