BIBLIOTHFEK i RIJKSOi OR OB h WSS£L OLDc.«S • W E R K D O C U M E N T DE TEELT VAN WINTERKOOLZAAD IN DE USSELMEERPOLDERS. I.H.B. DE BIOLOGIE VAN DE BELANGRIJKSTE PATHOGENEN (ALTERNATIS, PHOMA EN WHETZELIANA) EN EEN ONDERZOEK NAAR DE BESTRIJDING VAN ALTERNARIA EN WHETZELIANA door G.H. Horeman stagiaire Landbouwhogeschool Wageningen 1982-97 Abw mei r US ie wqcc 9813 c \ <3|3 ERIE VAN V E R K E E R EN W A T E R S T A A T IENST VOOR DE U S S E L M E E R P O L D E R S S M E D I N G H U I S L E L Y S T A D - 3- INHOUD Biz. VOORWOORD 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5. LANDWINNING De inpoldering van de Zuiderzee De ontginning Het cultuurrijp maken van de grond De uitgifte Literatuurlijst 7 7 9 10 1 1 2. WINTERKOOLZAAD 12 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. Classificatie en morfologie De teelt Ziekten en plagen De afzet De veredeling Literatuur 12 13 15 17 17 19 3. SPIKKELZIEKTE OF VERSLAG 27 3. 1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8. 3.9. Classificatie Morfologie Verspreiding Syraptomatologie Levenscyclus Epidemiologic Invloed op de opbrengst Bestrijding Literatuurlijst 27 27 28 28 29 29 30 31 32 4. PHOMA 36 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5. 4.6. 4.7. 4.8. 4.9. Classificatie Morfologie Verspreiding Syraptomatologie Levenscyclus Epidemiologic I n v l o e d op de o p b r e n g s t Bestrijding Literatuurlijst 36 36 38 38 39 39 43 44 45 5. RATTEKEUTELZIEKTE 48 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8. 5.9. Classificatie Morfologie Verspreiding Symptomatologie Levenscyclus Epidemiologie I n v l o e d op de o p b r e n g s t Bestrijding Literatuurlijst 48 48 49 49 49 50 54 54 56 1. 1916/24-5-1982/MvM - 4 t* Biz, 6. PROEF TER BESTRIJDING VAN SPIKKELZIEKTE EN RATTEKEUTELZIEKTE IN WINTERKOOLZAAD 58 6.1. 6.2. 6.3. 6.4. Inleiding Materiaal en methode Resultaten Conclusies en discussie ^8 7. INVLOED VAN REINIGING OP HET AANTAL SCLEROTIEN IN KOOLZAAD-ZAAD 6 7. 1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5. Inleiding Materiaal en methode Bewerkingen Resultaten Conclusie 67 67 67 68 69 VERKLARENDE WOORDENLIJST 59 62 ? 74 f - 5VOORWOORD Dit verslag is geschreven naar aanleiding van 3 maanden praktijktijd die ik heb doorgebracht bij de afdeling Gewasbescherming van de Rijksdienst voor de Usselmeerpolders. Deze praktijktijd is een onderdeel van mijn studie Planteziektenkunde aan de Landbouwhogeschool te Wageningen. Gedurende deze praktijktijd heb ik mij voornamelijk beziggehouden met koolzaad en de schimmelziekten die er in voorkoraen. Inhoudelijk is dit verslag in 3 gedeelten in te delen. Het eerste gedeelte (hfdst. 1 en 2) geeft een overzicht van de werkzaamheden van de R.IJ.P. en i.h.b. van de teelt van winterkoolzaad. Het tweede gedeelte (hfdat. 3, 4 en 5) geeft een uitvoerig overzicht van de drie belangrijke schimmelziekten bij koolzaad: de spikkelziekte, Phoma en de rattekeutelziekte. Het derde gedeelte (hfdst. 6 en 7) behandelt 2 onderzoeken waarmee ik mij heb beziggehouden. Bij deze wil ik ir. J. Duym, ing. L. Wouters en J. Daling bedanken voor de goede begeleiding die ik gedurende mijn 3 maanden bij de afdeling gewasbescherming ontvangen heb. I - 7 - I. LANDAANWINNING 1.1. De inpolderingen in de vroegere Zuiderzee Het Zuiderzeeproject is gebaseerd op de in 1918 aangenomen Zuiderzeewet. Deze wet bepaalt dat de Zuiderzee zal worden afgesloten en voor een deel zal worden ingepolderd. De belangrijkste onderdelen van het Zuiderzeeproject zijn: 1. Het leggen van een 2| km lange dijk van Noord-Holland naar Wieringen (gereed in 1924) en het leggen van een 30 km lange dijk van Wieringen naar Friesland (gereed in 1932); 2. Het droogmaken van 5 polders. In tabel 1.1. wordt een overzicht van deze polders gegeven. Tabel 1.1. De polders die in de Zuiderzee worden drooggemaakt: hun oppervlakte en de tijdsplanning Polders Wieringerraeer Noordoostpolder Oostelijk Flevoland Zuidelijk Flevoland Markerwaard Opp. in ha 20.000 48.000 54.000 43.000 Dijkbouw 1927 1936 1950 1959 - 1929 1940 1956 1967 Ontwikkelingsperiode 1930 - 1940 1942 - 1962 1957 - 1976 1968 in s t u d i e De werken voor het Zuiderzeeproject werden en worden uitgevoerd door twee diensten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Voorop gaat de Directie Zuiderzeewerken (Z.Z.W.) die, als onderdeel van Rijkswaterstaat, tot taak heeft te zorgen dat er een polder komt. Dit houdt in: het bouwen van dijken, gemalen en sluizen, het droogmalen en het drooghouden van de polder en het baggeren en graven van vaarten, tochten en sloten. Verder behoort ook de ontsluiting door middel van wegen en bruggen tot de taak van deze dienst. Daarna komt de verdere uitvoering door de Rijksdienst voor de U s s e l meerpolders (R.U.P.). Deze heeft tot taak de polders in te richten en tot ontwikkeling te brengen. Laatstgenoemde werkzaamheden bestaan uit: de ontginning, het tijdelijk landbouwkundig gebruik van de gronden, het gereedmaken voor de uiteindelijke bestemmingen door de verpachting van landbouwbedrijven, het stichten van steden en dorpen, de aanleg en het tijdelijk beheer van bossen, stedelijke beplantingen, recreatie- en natuurterreinen en het aantrekken van inwoners voor te vestigen bedrijven en instellingen. De R.IJ.P. voert tevens het tijdelijk beheer over de rijkseigendommen, die in de polders tot stand komen. 1.2. De ontginning Om de drooggevallen grond zo voorspoedig mogelijk te kunnen ontginnen is het belangrijk om de zogenaamde rijping ervan (= de verandering van modder in stevige grond) al voor het aanbrengen van de ontwateringsgreppels zoveel mogelijk te bevorderen. Dit kan worden bereikt door de pas drooggevallen gronden in te zaaien met riet. Riet bevordert de verdamping van het overtollige water waardoor de grond indroogt en draagkrachtiger wordt. Bovendien ontstaan er krimpscheuren in de grond, die enerzijds de lucht toegang verschaffen tot de grond en anderzijds de doorlatendheid voor water sterk vergroten. - 8 - u w o pel U •J W CD • H r3 o a £ a a> CD •rl CD CO CD J= -E p c o HI CO -o •rt CD c 0) 10 U-l P •c-l u -I CD < ca •o 4) oo C 60 c ••-I •o 3 O CD C 3 HI co •!-) 3 M CD •U O 03 Q 51 Cfl 3 CD CD CD U C ID 4J c cfl i-H .C O CO CD J3 CO 5 w M H o a z w o z M H §j HJ P* . r-l - P3 51 • Q tie, o •l-l c • --2 5l ro- l g 8o w H B cn § U CD 00 C H OS 3 w •rl B •3 60 •J ^ CJ 4-1 CO B CD CO p •r-l c c p C o B •.-( a •rJ N tfl 00 cfl CD 60 •H T3 2 r-l CO CO u u a CD CJ B 3 Ji 60 •i-l 3 4-1 ,M h CD 3 60 B •H 4J S r-l o. CD n 60 B •I-I M CD O > P •rt 3 CD ••-I 4J CD U O CD ~-C 00 B •rl M ID o > 4-1 •H 3 1-1 3 3 J= H (E cu •H P CO u -a E p CO •l-l (0 J •H B CD B T3 Cfl CO "4-1 '<~l •H l- o. o o ^s uCD •o CD > oa Figuur. 1.1. Organisatie van de Hoofdafdeling Cultuurtechniek en Recreatie - 9 - Lucht in de grond is noodzakelijk voor de groei van de gewassen. Doorlatendheid is nodig voor de afvoer van overtollig regenwater. Het inzaaien van riet heeft ook nog als voordeel dat het de opkomst en verspreiding van schadelijke onkruiden tegen gaat. Een of twee jaar voor het jaar van ontginning wordt machinaal een voorbegreppeling aangebracht. De afstand tussen de greppels is 48 m. Het doel van deze voorbegreppeling is om het oppervlaktewater te laten af-r vloeien, waardoor de rijping van de grond wordt bevorderd. De eigenlijke ontginningsmaatregelen zijn in 3 bewerkingen in te delen: 1. het vernietigen van de rietmassa; 2. het uitschuiven van de bij het graven op het land gebrachte sloot-, tocht-, en kanaalgrond; 3. het aanbrengen van een ontwateringsstelsel d.m.v. ontwateringsgreppels. De vernietiging van het riet wordt in eerste instantie bereikt met behulp van het bestrijdingsmiddel Dalapon. Dit middel doodt grasachtige planten, waartoe riet behoort. Dalapon wordt in augustus met behulp van vliegtuigen, een of twee jaar voorafgaande aan het jaar van ontginning, in een hoeveelheid van 15 a 20 kg per ha op het rietgewas gespoten. Het riet sterft hierdoor bovengronds af en na het afbranden in het volgende voorjaar lopen de wortelstokken niet meer uit. Het voorlopige ontwateringsstelsel is een begreppeling waarbij de greppels op een afstand van 8 tot 24 m worden gegraven. Er is alleen een oppervlakte-ontwatering mogelijk, omdat de grond ongerijpt en nog slecht doorlatend is. Neerslag stroomt over de oppervlakte en het bovenste al ingedroogde grondlaagje zijdelings naar de greppels. Na enkele jaren verbouwen van landbouwgewassen is de grond zo ver gerijpt dat het voorlopige ontwateringsstelsel vervangen kan worden door een definitief drainagestelsel. Dit betekent dat de greppels door drains kunnen worden vervangen. De afstanden tussen de drains lopen, afhankelijk van de profielopbouw en de rijpingstoestand van de grond, uiteen van 12 tot 48 m. De draindiepte is gemiddeld 1.20 m. Na de aanleg van de drainage kunnen de greppels worden dicht geschoven. 1.3. Het cultuurrijp maken van de grond Na de ontginningswerkzaamheden wordt de grond ingezaaid met landbouwgewassen en ontstaat het tijdelijk grootlandbouwbedrijf. Dit grootlandbouwbedrijf is een onderdeel van de subafdeling Ontginning en Exploitatie (zie fig. 1.1.). De grootte van het bedrijf bedraagt ca. 20.000 ha en is afhankelijk van het tempo van de ontginning en de tijdsduur tussen ontginning en verpachting. Tot voor enkele jaren werd jaarlijks 4.000 ha ontgonnen. De ontgonnen grond kon na 4 a 5 jaar beschikbaar gesteld worden aan de definitieve gebruikers. Hieruit volgt een grootte van het grootlandbouwbedrijf van 16.000 a 20.000 ha. In de meerjarenplanning, inclusief de Markerwaard, werd destijds op deze basis tot het jaar 2000 een sluitend geheel gekregen. De inpoldering van de Markerwaard is onzeker geworden. Dit heeft zijn weerslag op de ontginning en uitgifte van grond in Zuidelijk Flevoland. Het in cultuur brengen en uitgeven van de grond vindt daarom thans in een langzamer tempo plaats. De gronden, die door het grootlandbouwbedrijf voor gebruik gereed gemaakt worden, hebben voor een deel als blijvende bestemming landbouw (zie tabel 1.2.). - 10 - Tabel 1.2. De verdeling van de ingepolderde grond naar besteraming in procenten van de oppervlakte Functie Landbouwgrond Woongebieden Bossen en natuurgebieden Kanalen, tochten, sloten, dijken en wegen W.meer N.O.P. 0.F1. 87 1 3 9 87 1 5 7 75 8 11 6 Z.F1.1) 50 25 18 7 De verdeling van de grond in Zuidelijk Flevoland is globaal aangegeven. Dit houdt in dat, ook al is de rijping en de draagkracht sterk toegenomen, deze definitieve landbouwgrond in de eerste 3 jaren na de ontginning voorzichtig moet worden behandeld en dat de teelt van rooivruchten (aardappelen, suikerbieten, uien) beperkt moet zijn. Het bouwplan omvat daarom hoofdzakelijk granen en winterkoolzaad. In 1980 zag het bouwplan er als volgt uit (afgerond in procenten van de oppervlakte): 28% winteren zomertarwe, 32% zomergerst, 6% haver, 25% koolzaad, 7% contractteelt en 2% diversen. Op de ingepolderde grond wordt winterkoolzaad meestal als eerste gewas verbouwd. De snelle voorjaarsontwikkeling van winterkoolzaad is in het pas ontgonnen gebied met veel onkruidgroei van groot belang. Zo wordt het als wortelonkruid terugkomende riet door koolzaad redelijk goed onderdrukt. De teelt van koolzaad heeft ook als voordeel dat een vervroeging en daarraee een verlenging van de oogstperiode wordt verkregen, omdat koolzaad voor de granen geoogst wordt. Een nadeel is dat de zaaiperiode in de laatste twee weken van augustus en de eerste week van September valt. Dit is de periode dat de oogstwerkzaamheden nog in voile gang zijn. Na koolzaad volgen wintertarwe, zomertarwe en haver of opnieuw koolzaad in het bouwplan. Door de keuze van de gewassen en de oppervlakten waarop de gewassen verbouwd worden, wordt in grote lijnen de volgorde bij de oogst en de duur van de oogstperiode bepaald. De oogstvolgorde is meestal: winterkoolzaad, zomergerst, wintertarwe, haver of zomertarwe. Het grootlandbouwbedrijf voert het merendeel van de werkzaamheden zelf in eigen beheer uit. Dit in tegenstelling tot de werkzaamheden in de civieltechnische en de bouwkundige sfeer (ten behoeve van de aanleg van dorpen en steden), die vrijwel geheel worden aanbesteed. De staat is dus -voorafgaand aan de "grote" boeren- zelf de grootste boer. 1.4. De uitgifte Wanneer de voor landbouw en f r u i t t e e l t bestemde gronden na ca. 5 j a a r c u l t u u r r i j p z i j n , worden ze aan p a r t i c u l i e r e boeren en f r u i t t e l e r s v e r p a c h t of i n e r f p a c h t u i t g e g e v e n . In O o s t e l i j k Flevoland gebeurde d a t tussen 1962 en 1977. Er werden in t o t a a l 779 landbouwbedrijven en 107 f r u i t b e d r i j v e n toegewezen. Van de landbouwbedrijven ( t o t a l e o p p e r v l a k t e c a . 33.500 ha) i s de gemiddelde b e d r i j f s g r o o t t e ongeveer 43 h a . De f r u i t t e e l t b e d r i j v e n ( t o t a l e o p p e r v l a k t e ca. 1.200 ha) z i j n gemiddeld 12 ha g r o o t . In Z u i d e l i j k Flevoland wordt s i n d s 1978 grond in pacht of erfpacht u i t gegeven. Op p a c h t b e d r i j v e n k l e i n e r dan 45 ha bouwt de s t a a t een b e - - 11 - drijfsgebouw en een woning; op de g r o t e r e b e d r i j v e n a l l e e n h e t b e d r i j f s gebouw.'De e r f p a c h t e r s moeten z e l f hun woning en bedrijfsgebouw n e e r zetten. Op 1 j a n u a r i 1980 waren in t e e l t b e d r i j v e n uitgegeven. 3.200 ha) i s de gemiddelde ven ( t o t a l e o p p e r v l a k t e 82 van 16 h a . 1.5. Z u i d e l i j k Flevoland 62 landbouw- en 5 f r u i t Van de landbouwbedrijven ( t o t a l e o p p e r v l a k t e g r o o t t e ongeveer 52 h a . De f r u i t t e e l t b e d r i j ha) hebben een gemiddelde b e d r i j f s g r o o t t e Literatuurlijst Flevoland; f e i t e n en c i j f e r s 1980/1981. Uitgave R . I J . P . Grootlandbouwbedrijf, Het, van de R i j k s d i e n s t voor de U s s e l m e e r p o l d e r s , 1978, F l e v o b e r i c h t 134 R . I J . P . L e l y s t a d . - 12 - 2. WINTERKOOLZAAD 2.1. Classificatie en morfologie Koolzaad (Brassica napus oleifera Metzg. Sinsk.) behoort tot de familie Crucifera en het geslacht Brassica. Tot dit geslacht behoren behalve / oliezaden vele andere nuttige cultuurplanten, zoals de knolgewassen koolraap en stoppelknol, vele koolsoorten die als bladgroente worden gegeten en verschillende specerijen of kruiden, b.v. zwarte mosterd. Het koolzaad bevat evenals de koolraap (beide Brassicae napus L; koolzaad = B. napus oleifera, raapzaad = B. napus rapifera) diploid 38 chromosomen in de kern. Op grond van cytogenetisch onderzoek is vast komen te staan, dat Brassica napus ontstaan is uit een kruising tussen de soorten B. oleracea (= kool, met diploid 18 chromosomen) em B. vampestris (raapzaad of stoppelknol, met diploid 20 chromosomen). Een bewijs hiervan is, dat van B. oleracea en B. campestris een wilde vorm bekend is terwijl die van B. napus niet bekend is. Ook zijn sinds 19 35 meerdere onderzoekers er in geslaagd koolzaad te kweken door kruising van kool- en raapzaad. Koolzaad behoort tot de fijnsoortige zaden. Winterkoolzaad heeft slechts een 1.000-korrelgewicht van 4 tot 6 gram bij 10% vocht. De kleur van de zaden is, afhaneklijk van het ras, roodbruin tot zwartbruin of zwart. Het embryo vult het binnenste van het zaad bijna geheel op; het endodperm is nauwelijks meer dan £en cellaag dik. Winterkoolzaad begint direct na uitzaai in augustus/september te kieraen en vormt kleine planten die overwinteren. Deze planten bezitten een penwortel, een goed ontwikkeld, verhout hypocotyl en een rozet van bladeren. In het voorjaar schiet de Stengel door en vormt een bloeiwijze. De bovenste, zittende en stengelomvattende kladeren zijn bij de koolzaadplant kleiner dan de onderste gesteelde. Verder hebben de bovenste bladeren meestal een gave rand terwijl de onderste bladeren vaak ingesneden zijn. Over de bladeren en de Stengel ligt een blauwachtige waas, als gevolg van de waslaag die de bladeren bedekt. Elke plant brengt een groot aantal bloemen voort, die als bloeiwijze tot trossen verenigd zijn. Op het moment dat de onderste bloemen van een tros zijn uitgegroeid en bloeien, zitten de bovenliggende bloemen van de tros nog in de knop. De bloemknoppen staan aanvankelijk zo dicht opeen, dat de bloeiwijze een scherm lijkt. Tijdens het in bloei komen groeit de bloemsteel uit en wordt een duidelijke tros gevormd. Hoeveel bloemen er aan een tros ontstaan hangt af van de groei van de plant. Krachtige planten hebben veelbloemige trossen, zwakke planten hebben weinig bloemen. Behalve aan de hoofdas worden er in de oksels van de bovenste bladeren ook bloemtrossen gevormd; de zgn. okselstandige trossen. Deze trossen worden later gevormd dan die aan de hoofdas en bloeien daarom ook later. De koolzaadbloem heeft vier smalle, geelgroene kelkbladeren, die afwisselen met vier gele kroonbladeren. Er zijn zes meeldraden waarvan er vier langer ("machtiger") zijn dan de twee andere. De stamper bestaat uit een knopvormige stempel, een korte stijl en een lang bovenstandig vruchtbeginsel. In het vruchtbeginsel zitten de zaadknoppen op twee plaatsen, waaruit volgt dat het uit twee vruchtbladen is opgebouwd. Het vruchtbeginsel is tevens tweehokkig door uitgroeiing van de zaadlijsten tot een vals tussenschot. De bevruchting vindt door kruisbestuiving plaats. - 13 - De hauwen met zaden vormen zich van onder naar boven, aangezien de onderste bloemen van de tros eerder bloeien als de bovenste. Als van een bloem alle bloemdelen, behalve de stamper, afgevallen zijn, groeit het vruchtbeginsel uit, verdroogt de sterapel en blijft de stijl grotendeels op de vrucht zitten. Als de hauwen rijp zijn springen ze langs twee naden open, met twee kleppen, die van onder naar boven opengaan. De zaden blijven eerst even aan de randen van het vliezige tussenschot zitten en vallen, tenzij ze tijdig geoogst zijn, op de grond. 2.2. De teelt Koolzaad werd in vroegere eeuwen in Nederland veel verbouwd. Het olierijke zaad leverde raapolie, waarvan de zuiverste olie gebruikt werd als spijsolie en de minder zuivere olie onder meer diende als grondstof voor de bereiding van zeep. Omstreeks het begin van de 20e eeuw nam de teelt van koolzaad sterk in betekenis af, omdat andere goedkopere oli'en het gebruik van raapolie verminderden. De oppervlakte winterkoolzaad is, gezien de overige gewassen die hier verbouwd worden, in Nederland van beperkte omvang. In 1975 werd ruim 14.000 ha winterkoolzaad verbouwd en in 1980 nog slechts een kleine 8.000 ha. Koolzaad wordt meestal geteeld op klei- en zavelgronden. De belangrijkste teeltgebieden van winterkoolzaad zijn de kleigronden in Groningen en de Usselmeerpolders. In Zuidelijk Flevoland werd in 1981 5.200 ha winterkoolzaad geteeld. Als voorvrucht voor winterkoolzaad komen alleen gewassen in aanmerking die tijdig het veld ruimen, omdat 15 September in de praktijk aangehouden moet worden als uiterste zaaidatum. Zeer geschikte voorvruchten zijn gras (voor zaadteelt), mits vroeg gescheurd, klaver en luzerne. Geschikte voorvruchten zijn: wintergerst, vroege aardappelen, vlas, erwten en (wat minder) zomergerst. Weinig geschikte voorvruchten zijn wintertarwe en haver. Op bedrijven waar vrij veel suikerbieten in het bouwplan voorkomen, is het gewenst geen koolzaad te verbouwen in verband met het bietecystenaaltje. Koolzaad is namelijk een waardplant voor het bietecystenaaltje. In Zuidelijk Flevoland wordt koolzaad hoofdzakelijk verbouwd in een vruchtopvolging met wintertarwe en zomergerst. Winterkoolzaad zaait men van half augustus tot begin September. De zaaidatum wordt vaak bepaald door de oogst van de voorvrucht. In R.I.V.R.O.-rassenproeven van 1978, 1979 en 1980 werden bij inzaai op verschillende tijdstippen de in tabel 2.1. verraelde gemiddelde zaadopbrengsten verkregen. Zaaien in de 2e helft van augustus leverde de hoogste opbrengst op. Tabel 2.1. Gemiddelde zaadopbrengsten bij verschillende zaaitijdstippen Zaaidatum 15-31 augustus 01-10 September 11-20 September Opbrengst 4.040 kg 3.690 kg 3.550 kg Uit de rassenproeven van 1981 van de R.IJ.P. blijkt dat 20 augustus de optimale zaaidatum is en dat elke dag lager zaaien een vermindering van de opbrengst te zien geeft. - 14 - De zaaidatum heeft invloed op de ontwikkeling van de koolzaadplanten voor de winter. De vereiste snelle begingroei van koolzaad vraagt hogere temperaturen dan van wintertarwe of winterraapzaad. Daarom wordt koolzaad tegen het eind van augustus gezaaid. Te vroeg gezaaid koolzaad ontwikkelt zich te welig, met vrij veel stengelvorming voor de winter. De kans op uitwinteren is hierdoor erg groot. Ook laat zaaien (na 10 September) geeft over het algemeen meer uitwintering en uitdunning te zien. In het algemeen doorstaat koolzaad de winter goed bij inzaai tussen ongeveer 20 augustus en 10 September. Koolzaad wordt meestal machinaal op rijen gezaaid en op afstand van 25 of 33 cm en op een diepte van 2 tot 3 cm. Bij goed vochthoudende gronden is een diepte van 1,5 tot 2 cm al voldoende voor een vlotte kieming. Omdat koolzaad bij de kieming hoge eisen stelt aan de vochtvoorziening is een goede zaaibedbereiding noodzakelijk. Vooral in droge perioden is een goede aansluiting met de ondergrond belangrijk. Als zaaizaadhoeveelheid wordt 6-8 kg per ha aangehouden, maar bij een goed zaaibed en vroeg zaaien is 4-6 kg zaaizaad ook vaak voldoende. Daarmee kan een optimaal aantal planten (60-90 per ra2) in de herfst worden verkregen. Om het risico van uitwinteren te verkleinen wordt er naar gestreefd om voor de winter planten met 4 tot 6 bladeren te krijgen. Voldoende wintervastheid is een eigenschap die alle huidige winterkoolzaadrassen wel bezitten, maar in een voor Nederland strenge winter is de kans op uitvriezen toch nog vrij groot. De schade kan niet alleen in de winter optreden, maar ook in het voorjaar als door een plotseling optredende vorstperiode de reeds doorgeschoten planten uitvriezen. Het niet te vroeg doorschieten van een plant in het vroege voorjaar is dan ook van vrij grote betekenis. Koolzaad heeft in de herfst een stikstofbehoefte die ligt tussen de 30 en 60 kg per ha. Deze hoeveelheid kan bij vroege inzaai in veel gevallen uit de bodenrvoorraad worden gedekt. Na de winter, direct na de hergroei, maakt koolzaad een snelle ontwikkeling door, waardoor de plant zeer veel stikstof nodig heeft. De hoogste opbrengst wordt verkregen met een eenmalige gift, die beter vroeg (d.w.z. in maart) dan laat (b.v. in april vlak voor de bloei) kan worden toegediend. Voor de praktijk bedraagt deze gift ruim 200 kg per ha minus de bodemstikstof. De behoefte aan minerale en gemineraliseerde voedingsstoffen kan, voor een normale opbrengst, per ha gesteld worden op: 140 - 180 kg N, 60 - 90 kg P2O5, 120 - 260 kg K 2 0, ca. 160 kg Ca en ca op kg S. Het koolzaad bloeit in de periode van eind april tot half mei. Afhankelijk van de weersomstandigheden duurt de hoofdbloei van het koolzaad 2 tot 4 weken. Dit jaar (1981) bloeide het koolzaad al half april als gevolg van de hoge voorjaarstemperaturen. Als eerder beschreven (in paragraaf 2.1.) bloeien de bloemen aan de tros van beneden naar boven en rijpen de hauwen van beneden naar boven af. Omdat het zaad hierdoor niet gelijktijdig af rijpt is het oogsttijdstip moeilijk te bepalen. Daar de hauwen bij volledige rijpheid van nature openspringen, is de kans op zaadverlies bij maaidorsen van het volledig rijpe gewas "van stam" zo groot dat men er de voorkeur aan geeft om het gewas v56r het volledig rijp zijn van de zaden in de hauwen in het zwad te maaien. In Nederland wordt het gewas in het algemeen eerst met de voormaaier gemaaid en op zwaden gelegd en later uit het zwad gedorst met de van een opraapapparaat voorzieneraaaidorser.Het voormaaien geschiedt op het moment dat de raiddelste hauwen geel tot grijsbeige van kleur zijn en de zaden niet meer groen maar al wat rood of bruin zijn. Er wordt zo hoog gemaaid, dat er - 15 - een lange s t o p p e l van ca. 20 - 30 cm o v e r b l i j f t , waardoor h e t zwad v r i j op de s t o p p e l l i g t . Het t i j d s t i p van voormaaien l i g t ongeveer begin j u l i . Het t i j d s t i p van h e t dorsen wordt bepaald door h e t v o c h t g e h a l t e van h e t zaad en i s daardoor a f h a n k e l i j k van h e t weer. Bij n i e t t e n a t weer kan 10 - 14 dagen na h e t voormaaien u i t h e t zwad gedorst worden. Als maatstaf houdt men een v o c h t g e h a l t e van 15% of l a g e r voor de zaden aan. Het i n h e t zwad liggende gewas kan onder ongunstige weersomstandigheden, z o a l s regen en wind, g r o t e v e r l i e z e n l e i d e n . Het geoogste zaad moet i n verband met de bewaarbaarheid zo s n e l mogel i j k geschoond en, indien h e t vochtpercentage boven de 10% i s , gedroogd worden. V e r o n t r e i n i g d en/of n a t koolzaad gaat door b r o e i s n e l in k w a l i teit achteruit. Het a l s zaaizaad t e gebruiken zaad wordt na h e t schonen en drogen o n t smet tegen kiem- en bodemschimmels a l s A l t e r n a r i a b r a s s i c o l a en A. b r a s s i c a e . Deze o n t s m e t t i n g vond t o t v o r i g j a a r p l a a t s met een o r g a n i s c h kwikmiddel. Het gebruik van o r g a n i s c h kwik i s e c h t e r met ingang van d i t jaar (1981) verboden. Bij de R . I J . P . i s h e t voor zaaizaad b e stemde zaad d i t j a a r dan ook met AAthirara-75-S in s l u r r y - v o r m ontsmet. 2 . 3 . Ziekten en plagen Tijdens de t e e l t van koolzaad kunnen schiramels en i n s e k t e n schade v e r oorzaken aan de p l a n t e n en daardoor i n meer of mindere mate o p b r e n g s t v e r l i e z e n veroorzaken. Een o v e r z i c h t van de b e l a n g r i j k s t e schadeveroorzakers wordt gegeven i n t a b e l 2 . 2 . en 2 . 3 . . Hieronder v o l g t een k o r t e omschrijving van de i n s e k t e n en de schade d i e ze veroorzaken. De b e l a n g r i j k s t e schimmels worden in hoofdstuk 3, 4 en 5 u i t v o e r i g b e s c h r e v e n . Voor de w i n t e r kan koolzaad a a n g e t a s t worden door de k o o l z a a d a a r d v l o , de koolmineervlieg en de g a l b o o r s n u i t k e v e r . De koolzaadaardvlo ( P s y l l i o d e s chrysocephala L.) i s een glanzende blauwzwarte kever, c a . 4 mm lang met s t e r k ontwikkelde d i j e n en een groot springvermogen ( z i e f i g . 2 . 1 . ) . De l a r v e i s l i c h t behaard, c r e m e k l e u r i g , met donkere s p i k k e l s op de r u g z i j d e . De l a r v e i s t a m e l i j k beweeglijk en h e e f t pootjes aan de v o o r s t e d r i e segmenten. De LI i s i e t s meer dan 1 mm lang; de L4 kan een l e n g t e van 8 mm of meer b e r e i k e n . De g r o o t s t e schade wordt a a n g e r i c h t door de l a r v e n . Deze boren zich na h e t uitkomen u i t de e i e r e n in de b l a d s t e l e n en veroorzaken e r v r a a t schade. De e e r s t e a a n t a s t i n g wordt meestal in de 2e h e l f t van oktober of begin november in de o n d e r s t e b l a d s t e l e n gevonden. De aangevreten p l a n t e n z i j n zeer gevoelig voor schimraelinfecties ( b . v . Phoma) en wint e r e n gemakkelijk u i t . De k o o l m i n e e r v l i e g l a r v e (Phytomyza r u p i f e s Meig.) i s aan beide zijden wat t o e g e s p i t s t , w i t a c h t i g , p o o t l o o s , 1 t o t 6 ram lang en aan de kop voorzien van twee donkere mondhaken, die aan de o n d e r z i j d e z i j n v e r bonden ( z i e figuur 2 . 2 . ) . In h e t algemeen treden er 2 g e n e r a t i e s per j a a r op. De larven Ieven in de b l a d s t e l e n van h e t koolzaad. Ze doorboren de b l a d s t e e l in haar geheel in de l e n g t e . De a a n g e t a s t e b l a d e r e n v e r g e l e n en s t e r v e n v r o e g t i j d i g af. De a a n t a s t i n g l i j k t op d i e van de larven van de k o o l z a a d a a r d v l o , maar de a a r d v l o l a r v e n maken onregelmatig gevormde gangen. De l a r v e n van de mineervlo worden in September, oktober en november i n h e t koolzaad a a n g e t r o f f e n . In de U s s e l m e e r p o l d e r s b l i j f t de schade, veroorzaakt door de m e n e e r v l i e g l a r v e n , meestal beperkt t o t de o n d e r s t e b l a d e r e n . - 16 - De galboorsnuitkever (Ceuthorrhynchus pleurostigraa) is grijszwart en ca. 3 mm lang (zie figuur 2.3.). Bij verontrusting blijft hij doodstil op de grond liggen. De larve is pootloos, grauw-wit van kleur, met een duidelijk bruine kop.en een gebogen vorm. De snuitkever legt in het najaar haar eieren bij de wortel van een zich ontwikkelde koolzaadplant. Als gevolg hiervan en van de vraat door de larven ontstaat aan de wortel een gal. De planten ondervinden van deze gal weinig last. Na de winter kan koolzaad aangetast worden door de stengelboorsnuitkever, de koolzaadglanskever, de koolzaadsnuitkever en de koolzaadgalmug. De stengelboorsnuitkever (Ceuthorrhynchus quadridens Panz.) is ca. 3 ram lang, mat grijs van kleur, met op de dekschilden geel-witte vlekken. (zie figuur 2.4.). De larve is 4 a 6 mm lang, wit van kleur, met een helder gele kop. Het wijfje legt jaar eieren meestal in de bladsteel of in de centrale nerf van een koolzaadblad. Ze worden aan de onderkanten hiervan in een holte afgezet (zie figuur 2.5.). Het legsel kan bestaan uit 1 tot 2 eieren. Op de plaats van het legsel verkleurt het weefsel en zwelt op. Na het uitkomen van de eieren maken de larven individuele gangen in de nerven of de bladsteel in de richting van de bladbasis. Hier penetreren de larven de Stengel en vormen gangen in het stengelweefsel. Het tijdstip van de penetratie van de Stengel wordt niet bepaald door de grootte van de larven, maar door de grootte en de fysiologische conditie van de bladsteel. De gangen in de Stengel lopen door tot aan de wortelhals. Als er veel larven in een plant zijn kan dit leiden tot uitholling van de Stengel en daardoor tot een verstoring van de waterhuishouding. De volgroeide larven maken een gaatje in de Stengel en verlaten via dit gaatje de plant om in de grond te gaan verpoppen. Het gaatje wordt meestal op of bij een bladlitteken gemaakt. De koolzaadglanskever (Meligethes aeneis F.) is zwartglanzend, ovaalvormig, ongeveer 2 ram lang en erg beweeglijk (zie figuur 2.6.). De larven worden in koolzaadbloeraen aangetroffen. Ze zijn geelwit en 3,5 a 4,5 mm lang. Ze hebben een donkere kop, 3 paar poten en donkere spikkels op de rugzijde. De kever leeft van het stuifmeel van de koolzaadbloemen. Wanneer de bloemen nog gesloten zijn kunnen de kevers, op zoek naar stuifmeel, de bloemknoppen zodanigbeschadigen dat er geen hauwen worden gevormd. Hauwloze steeltjes onder aan de bloemtros kunnen door vraat van glanskevers veroorzaakt zijn. Wanneer de bloemen geopend zijn richt de kever geen schade meer aan. Ernstige aantastingen door de glanskavers leidt tot een gering aantal hauwtjes per plant en dus tot een lagere opbrengst. Er kan door vorming van grotere hauwen gehele of gedeeltelijke compensatie van de opbrengstverliezen plaatsvinden. De koolzaadsnuitkever (Ceuthorrhynchus assimilis Payk) is donkergrijs en 2 a 3 mm lang (zie figuur 2.7.). De larve is grauwwit, pootloos, als een komroa gebogen, met een duidelijk bruin kopje en een lengte tot 5 mm. De eieren zijn witglanzend, ovaalvormig en ongeveer 0,5 mm lang. De schade wordt grotendeels veroorzaakt door de larven. Het vrouwtje legt haar eieren in de hauwen; meestal een ei per hauw. Na het uitkomen van de eieren voeden de larven zich met de zaden. Een larve kan 1 tot 7 zaden per hauw vernietigen. De volgroeide larven verlaten via een gat in de wand de hauwen. De koolzaadgalmug (Dasyneura brassicae Winn.) is een 1 a 1,5 mm lange slanke galmug met een zwartachtige kop en een naar achteren toegespitst oranje-bruin lichaam (zie figuur 2.8.). De larve is witachtig, 3 a 4 mm lang met een iets afgeronde voorzijde en een toegespitst achterlijf. De Vrouwtjes zoeken naar een zwakke plek in de hauwwand die ze gebruiken om - 17 - hun eieren in de hauw af te zetten. De door de koolzaadsnuitkever veroorzaakte beschadigingen worden vaak door de galmug gebruikt. De galmug moet gebruik maken van zwakke plekken en beschadigingen omdat haar legboor niet zo sterk is. Meerdere galmugwijfjes kunnen van een opening in een hauwwand gebruik maken, zodat soms 20 tot 60 larven in een hauw worden aangetroffen. De larven beschadigen de zaden en de hauwwand. Hierdoor vergelen de hauwen en springen ze voortijdig open. Aantasting door koolzaadgalmuggen wordt voor een groot deel beperkt door bestrijding van de koolzaadsnuitkevers. Kruisbloemige gewassen worden ook aangetast door het bietencystenaaltje (Heterodera schachtii). Bij koolzaad vindt men aantasting en vorming van cysten in het najaar. Behalve in enkele gevallen ontstaat er dan geen opvallende schade aan het koolzaad. Er is echter wel een belangrijke vermeerdering van het aantal aaltjes. Dit is van belang met het oog op de bietenteelt in latere jaren. De gevormde cysten kunnen 9 jaar levensvatbaar blijven. Behalve bovengenoemde schadelijke organismen kan koolzaad schade ondervinden van vogels, vooral hout- en postduiven. Deze vogels eten de bijna rijpe zaden op en kunnen bij massaal optreden flinke opbrengstverliezen veroorzaken. Ook kunnen ganzen en eenden in de winter flinke schade veroorzaken aan het jonge koolzaadgewas. 2.4. De afzet In het kader van het olien- en vettenbeleid van de Europese Gemeenschap geldt voor koolzaad een richtprijs en een basisinterventieprijs. Deze prijsregeling is in 1967 tot stand gekomen. Te zelfder tijd werd er een Europese standaardkwaliteit ingevoerd nl. zaad met 10% vocht, 2% verontreiniging en minimaal 40% olie. Voor zaad dat van de standaardkwaliteit afwijkt is een schema opgezet ter verrekening van de kwaliteitsverschilien. Om de E.E.G.-prijs, die veel hoger is dan de wereldmarktprijs, te realiseren wordt een toes lag gegeven bij de verwerking van E.E.G.-koolzaad in E.E.G.-fabrieken en bij export van E.E.G.-koolzaad naar landen buiten de E.E.G. Als minimumprijs is er een van de boerenrichtprijs afgeleide interventieprijs. Het zaad kan tegen de interventieprijs worden ingeleverd bij het Voedsel In- en Verkoopbureau (V.I.B.) als men door verkoop voor verwerking of export deze prijs niet kan halen. In 1979 is er aan het zaad een extra kwaliteitseis gesteld in de vorm van een maximum gehalte erucazuur van 10%. Voor zaad van de oogst van 1981 is het toegestane gehalte erucazuur tot 7% verlaagd. Het lage erucazuurgehalte heeft de kwaliteit van de koolzaadolie voor menselijke consuraptie verbeterd evenals de uitwisselbaarheid met andere olien. De raogelijkheden voor afzet van de koolzaadolien binnen de Europese Gemeenschap zijn hierdoor guns tig. De oogst van 1081 heeft de R.IJ.P. ca. 17.100 ton koolzaad opgeleverd. Per 100 kg zaad werd een prijs van ca. / 117,— gekregen. De totale opbrengst bedroeg ca. / 20.000.000,—. Van de zaadopbrengst is 11.000 ton verkocht aan bedrijven in Nederland en 6.000 ton in Duitsland verkocht voor de produktie van margarine. 2.5. De veredeling Bij de veredeling van koolzaad streeft men er in de eerste plaats naar de zaadopbrengst en het oliegehalte te verhogen. Punten waarop gelet - 18 - worden zijn wintervastheid, een snelle begingroei in het voorjaar, een zo groot mogelijke resistentie tegen ziekten en plagen, geschiktheid voor machinaal oogsten, niet te vlug openspringende hauwen, een niet te lage vertakking van de hoofdas en stevig schroot. Aanvankelijk werd alleen massaselectie toegepast waarbij uitgaande van het fenotype uit de bestaande rassen planten met overeenkomende gunstige kenmerken werden vermeerderd. Vanwege de langzarae vorderingen die men bij deze methode heeft, wordt tegenwoordig vaak familieselectie volgens de zgn. reservezaadmethode toegepast. Hierbij worden als uitgangsmateriaal landrassen, gekweekte rassen of opzettelijke kruisingen gekozen. De huidige koolzaadrassen voldoen in verschillende mate aan de bovengenoemde punten. Zo is voldoende wintervastheid een eigenschap die alle huidige koolzaadrassen wel bezitten en zijn er koolzaadrassen die een redelijke resistentie tegen de schirarael Phoraa lingam hebben. De veredeling is de laatste jaren bezig met het kweken van 0- en 00-0-0-rassen. Deze nullen houden in: erucazuurarm en glucosinolaatarm. Het zaad van koolzaad bevat ca. 40% olie en het schroot bevat 35% eiwit. Bij erucazuurrijke rassen bestaat ca. 50% van de olie uit erucazuur. Uit onderzoekingen met proefdieren bleek erucazuur afwijkingen aan het hart te kunnen veroorzaken. Het omvangrijke gebruik van koolzaadolie in voedingsmiddelen en het risico van erucazuur voor de gezondheid, heeft geleid tot selectie op erucazuurarme rassen. Het erucazuurarm zijn van koolzaadolie (minder dan 2% erucazuur) wordt bepaald door twee recessieve genen, die gemakkelijk ingekruist kunnen worden. Sinds 1979 mogen voedingsmiddelen in de E.E.G. niet meer dan 5% erucazuur in hun vetaandeel bevatten. Vanaf dit jaar zijn de koolzaadtelers in ons land vrijwel geheel overgegaan op erucazuurarme rassen. Deze overgang heeft op de teelt geen merkbare effecten gehad daar de erucazuurarme rassen in opbrengst niet onderdoen voor de erucazuurrijke rassen. De volgende kwaliteitsverbetering die veredelaars willen bereiken is glucosinolaatarme rassen, waarvan het schroot als eiwitrijke krachtvoer in de veevoedersector kan worden gebruikt. Het hoogwaardige koolzaadeiwit kan tot nu toe slechts beperkt gebruikt worden als varkensof kippevoer, omdat het schroot van de huidige rassen een te hoog glucosinolaatgehalte heeft. Onder glucosinolaten verstaat men een groep van verschillende zwavelhoudende remstoffen, die bitter smaken en bij dieren een vergroting van de schildklier en een verstoring van de stofwisseling kunnen veroorzaken. Voedselrantsoenen met een groot bestanddeel aan koolzaadschroot kunnen leiden tot een verminderde voedselopname en daardoor tot een geringere groei en gewichtstoename van de dieren. Varkens en kippen reageren gevoeliger op de glucosinolaten dan herkauwers, omdat bij herkauwers het grootste deel van de glucosinolaten door de activiteit van de bacteri'en van de voormaag onschadelijk wordt gemaakt. Pogingen om het koolzaad glucosinolaatarm te maken zijn tot op heden nog niet rendabel geweest. De methode die men gebruikt is door middel van genetische veranderingen rassen te krijgen die glucosinolaatarm zijn. - 19 - 2.6. Literatuur Balachowsky, A . S . , 1962, Entomologie; applique a 1 ' a g r i c u l t u r e . Tome I : C o l e o p t S r e s , second volume, 1035-1039 Duym, J . , 1969, Koolzaad een b e l a n g r i j k ontginningsgewas ook in de U s s e l m e e r p o l d e r s . Van zee t o t land; r a p p o r t e n en mededelingen inzake de droogmaking, ontginning en s o c i a a l - e c o n o mische opbouw van de U s s e l m e e r p o l d e r s . S t a a t s u i t g e v e r i j , ' s Gravenhage Robbelen, G., 1980, Stand und Aussichten der Entwicklung von Q u a l i t a t s K o r n e r r a p s s o r t e n . K a l i - B r i e f e (Buntehof) 15 (3) 157-168 T e e l t van w i n t e r k o o l z a a d , 1981, V l u g s c h r i f t voor de landbouw n r . 332 M i n i s t e r i e van Landbouw en V i s s e r i j Wouters. L . J . A . , 1973, Beknopt o v e r z i c h t van de levenswijze en b e s t r i j ding van i n s e c t e n in w i n t e r k o o l z a a d . Werkdocument 1973-12B1 R . I J . P . L e l y s t a d . - 20 KOOLZAADAARDVLO (PSYLLIODES CHRYSOCEPHALA L.) ware grootte I 0 ware -grootte . ^ - Ei. Imago, (volwassen insekt) Larve. Vraatsymptomen aan een jong k o o l z a a d p l a n t j e v e r o o r z a a k t door de kever. Figuur 2.1 v&> Vraatsymptomen van de l a r v e aan de k o o l z a a d b l a d s t e e l . - 21 - DE KOOLMINEERVLIEG (PHYTOMYZA RUFIPES MEIG. ware grootte I Larve Pop Figuur 2.2. - 22 - DE GALBOORSNUITKEVER (CEUTHORRHYNCHUS PLEUROSTIGMA MARSH) ware U I grootte KEVER De vorming van gallen aan de wortel DE STENGELBOORSNUITKEVER Figuur 2.3. V * (CEUTHORRHYNCHUS QUADRIDENS) Figuur 2.4. - 23 - A<; Figuur 2.5. I. vers legsel van Ceuthorrynchus quadridens (doorsnede) II. vervorming van de bladsteel ter hoogte van een oud legsel A. vliesje, afgescheiden door het wijfje - 24 - DE KOOLZAADSNUITKEVER (CEUTHORRHYNCHUS Ware grootte ASSIMILIS PAYCKJ j Ware grootte Imago, (volwassen i n s e k t ) Larve. Ei van de koolzaadsnuitkever met larven van de koolzaadgalmug. Schade aan koolzaadhauwen en bloemen als gevolg van vreterij door de koolzaadsnuitkever en larve. Figuur 2.6. - 25 - KOOLZAADGALMUG (DASYNEURA BRASSICAE WINN.) ware grootte ware grootte Imago, (volwassen i n s e k t ) Larve. Schade door koolzaadgalmuggen aan koo1zaadhauwen. Figuur 2.7. - 26 - Tabel 2.2. Insecten die schade veroorzaken aan koolzaad, het stadium dat de meeste schade veroorzaakt en de veroorzaakte schade Beschadiging Schadebeeld Naam (Latijns) Naam (Nederlands) Schade door Psylliodes chrysocephala koolzaadaardvlo imago larve beschadiging van kiemende zaden vraat in de bladstelen en Stengels Ceuthorrhynchus quadridens s tengelboorsnui tkever larve gangen in bladsteel en Stengel Ceuthorrhynchus pleurostigma galboorsnuitkever ei en larve ontstaan van gallen aan de wortel Ceuthorrhynchus assimilis koolzaadsnuitkever imago larve perforatie van hauwen vraat aan de zaden Dasyneura brassicae koolzaadgalmug larve vraat aan zaden en hauwwand; hauw vergeelt en springt voortijdig open Meligethes aeneus koolzaadglanskever imago vraat aan bloemknop waardoor geen hauw gevormd wordt Phytomyza rupifes koolmineervlieg larve doorboren bladsteel; bladeren vergelen en sterven af Tabel 2.3. Een overzicht van de belangrijkste schimmels die koolzaad aantasten Naam van de schimmel Symtomen Latijns Nederlands Phoma lingam Phoma kiemplant: witte lesies met zwarte puntjes volwassen plant: witte lesie raet zwarte rand op de wortelhals; necrose, veroorzaken een legering (vallers) Whetzeliana sclerotiorum sclerotienrot of rattekeutelziekte volwassen plant: bruine, rottende plakken droge witte raanchetten die de gehele Stengel omgeven Alternaria brassicae en A. brassicicola spikkelziekte of verslag Perenospora brassicae valse meeldauw kiemplant: langwerpige en onregelmatige zwarte vlekjes volwassen plant: ronde gele vlekken vlekken met afwisselend heldere en donkere zones kiemplant + volwassen plant: bovenkant blad: heldere witgele vlekjes; onderkant blad: witachtige dons; bladeren worden geel en sterven af Brotrytis cinerea Botrystis, grauwe schimmel volwassen plant: op stengelbasis en verouderende bladeren: grijs asgrauw tot bruinachtig schira— melpluis Plasmodiophora brassicae knolvoet volwassen plant: wortels met tumoren - 27 - 3 . DE SPIKKELZIEKTE 3.1. dlassificatie De spikkelziekte of "het verslag" bij koolzaad wordt veroorzaakt door de schimmels Alternaria brassicae en Alternaria brassicicola. Deze schimmels worden tot de Deuterimyceten gerekend, omdat er geen geslachtelijk stadium van bekend is. Binnen de Deuteromyceten worden ze ingedeeld bij de Dematiaceae. De indeling binnen de Deuteromyceten vindt plaats op grond van vegetatieve en morfologische eigenschappen; in het bijzonder de aard en structuur van de sporen en de wijze waarop de sporedragers gegroepeerd zijn. Dit is in tegenstelling met de perfecte schimmels (=schimmels waarvan een vegetatieve en generatieve fase bekend is) die op grond van hun generatieve fase worden ingedeeld. De schimmels die tot de Dematiaceae behoren worden gekenmerkt door de vorming van hun sporedragers in kleine groepjes en door de donkere kleur van hun hyfen en conidien. 3 . 2 . Morfologie A l t e r n a r i a b r a s s i c a e h e e f t g e s e p t e e r d e hyfen met een doorsnede van 3-8 y. Ze z i j n h y a l i n e t o t b r u i n - g e e l t o t een t i n t tussen diep b r u i n geel en donker b r u i n - g e e l gekleurd. De c o n i d i o f o r e n z i j n b r u i n - g e e l t o t donker b r u i n - g e e l gekleurd. Ze z i j n ook g e s e p t e e r d , met een t u s s e n r u i m t e van 10-30 y tussen de s e p t a . Op n a t u u r l i j k e media worden de c o n i d i o f o r e n 14-28 y lang en 6-13 u b r e e d , t e r w i j l ze op agar 30 t o t meer dan 200 y lang worden en 4-8 y b r e e d . In de r e g e l z i j n de conidioforen o n v e r t a k t , rechtopstaand en hebben ze een l i d t e k e n . Op n a t u u r l i j k medium z i j n de c o n i d i o f o r e n i n t r o s s e n gevormd, die v i a de stomata naar b u i t e n s t e k e n . In agar worden ze enkelvoudig gevormd a l s z i j v e r t a k k i n g e n van de hyfen of a l s u i t e i n d e van hyfen, waarbij de hyfe overgaat in de c o n i d i o f o o r . De conidien worden op n a t u u r l i j k medium a f z o n d e r l i j k gevormd, t e r w i j l ze op kunstmatige media in reeksen van 2-3 worden gevormd. De conidien hebben een glad oppervlak, z i j n knotsvormig t o t langwerpig ovaal van vorm, waarbij een kant g e l e i d e l i j k overgaat in een r u i t en ze z i j n gesepteerd ( z i e figuur 3 . 1 . ) . De conidien hebben een diep g e e l b r u i n t o t donker g e e l - b r u i n e k l e u r . De conidien kunnen een g r o t e mate van v a r i a b i l i t e i t vertonen en men kan a l l e overgangen tussen de k a r a k t e r i s t i e k e vormen vinden. In h e t algemeen hebben ze een l e n g t e van 76-350 y en een doorsnede van 11-42 y. Het sporelichaam h e e f t h i e r b i j een l e n g t e van 33-147 y en een doorsnede van 11-42 y en heeft 3-18 t r a n s v e r s a l e s e p t a en 0-14 l o n g i t u d i n a l e . De t u i t h e e f t een l e n g t e van 9-148 y, een doorsnede van 3-7,5 y en heeft 0-7 t r a n s v e r s a l e s e p t a . De g r o o t t e van de conidien kunnen k l e i n e c o n s t a n t e v e r s c h i l l e n vertonen b i j i s o l a t e n afkomstig van v e r s c h i l l e n d e media. De v e r k l a r i n g h i e r v o o r i s d a t A. b r a s s i c a e u i t meerdere morfologische rassen b e s t a a t . A l t e r n a r i a b r a s s i c i c o l a h e e f t g e s e p t e e r d e hyfen d i e een doorsnede van 1,5-7,5 y kunnen hebben, maar in de r e g e l een doorsnede van 4-5 y h e b ben. Ze z i j n b r u i n - g e e l t o t donker b r u i n - g e e l gekleurd. De c o n i d i o f o r e n z i j n g e s e p t e e r d , met een tussenruimte van 4-20 y tussen de s e p t a . Ze z i j n donker b r u i n - g e e l t o t g e l i g b r u i n gekeurd. De l e n g t e , b r e e d t e en mate van v e r t a k k i n g worden bepaald door h e t m i l i e u . In n a t u u r l i j k m i l i e u hebben ze een l e n g t e van 5-500 y en een doorsnede van 3-8 y. Ze worden e r enkelvoudig of in t r o s s e n gevormd en komen meestal v i a de stomata - 28 - naar buiten. In agar cultures worden ze als vertakkingen van de hyfen gevormd. Ze zijn vertakt of onvertakt, waarbij ze dan maar enkele y's lang zijn. De conidioforen zijn vaak aan de top een beetje opgezwollen. De conidien worden vaak in rijen van tien gevormd. Ze zijn knots- of kegelvormig, maar kunnen ook langwerpig ovaal en (bij uitzondering) cylindrisch van vorm zijn. Ze hebben een glad oppervlak en de meeste conidien zijn erg regelmatig van vorm, omdat ze symmetrisch zijn langs hun longitudinale as (zie figuur 3.2.). De conidien hebben een lengte van 18-130 y en een doorsnede van 8-30 y. Het sporelichaam kan varieren in kleur van bruin-geel tot bruin, is 7,5-67,5 y lang en heeft I tot 9 transversale septa. In de regel vertonen de sporen geen longitudinale septa, wat betekent dat een of twee sporen iets kunnen vertonen wat op een longitudinaal septum lijkt. De conidien zijn bij uitzondering in het bezit van een tuit. Ze eindigen meestal in een korte apicale eel die 1-3 y lang is, een doorsnede heeft van 3-4 y en meestal lichter van kleur is dan de rest van het sporelichaam. 3.3. Verspreiding A. brassicae en A. brassicicola komen voor in Europa, Amerika en andere gebieden waar kool geteeld wordt. Ge'infecteerde zaden van koolsoorten zijn vaak de oorzaak van de verspreiding. A. brassicae en A. brassicicola komen vooral op Crucuferen voor. A. brassicicola is echter ook op andere soorten aangetoond b.v. op Phaseolus vulgaris. Bij deze aantastingen fungeert A. brassicicola als zwakte parasiet. In pathogeniteitsexperimenten met A. brassicae is gevonden dat deze schimmel twee plantesoorten buiten de Cruciferen kan aantasten; nl» Godetia hybrida (Godetia) en Lactua sativa (sla). 3 . 4 . Symptoraatologie De eerste symptonen van een aantasting door A. brassicae en/of A. brassicicola kunnen bij winterkoolzaad in de herfst verschijnen op de hypocotyle as en op de zaadlobben (zie figuur 3.3.). Op de hypocotyle as verschijnen dan langwerpige bruin-zwarte vlekjes van ca. 2 mm lengte en op de zaadlobben onregelmatige vlekjes met een diameter van ca. 1 mm. Tijdens de winter en de lente kunnen in het vegetatieve stadium aantastingen op de bladeren worden waargenomen. Deze aantastingen bestaan aanvankelijk uit ronde gele vlekjes die naarmate ze ouder worden veranderen in vlekken met afwisselend heldere (necrotische) en donkeren (t.g.v. sporen) zones; vandaar de naam Alternaria. Op de Stengels kunnen bruine langwerpige vlekjes voorkomen van enkeleramlengte. Tijdens de bloei kan de bloeiwijze (bloemstengel en bloem) kleine langwerpige bruine vlekjes vertonen die necrotisch zijn. Deze vlekjes kunnen de vanning van de hauwen beraoeilijken. Tijdens de hauwvorming kunnen kleine ronde grijs-bruin-zwarte vlekken op de hauwen verschijnen. Deze vlekken kunnen zo groot worden dat ze de gehele breedte van de hauw bedekken en een of meer cm lang zijn. Bij ernstige aantasting van de hauwen springen deze, voordat ze rijp zijn, open. A. brassicae en A. brassicicola kunnen bij zaailingen "damping off" veroorzaken. De zaailingen vertonen dan op de wortels, Stengel en bladeren een geel-bruin rot of vele bruine vlekken. Ook kunnen de zaden en zaailingen overdekt zijn met schimmelpluis. - 29 3.5. Levenscyclus De conidien, die afgezet zijn op een waardplant, kiemen in aanwezigheid van water. Uit de meercellige conidien ontwikkelt zich meer dan Sen kiembuis. De gevormde kiembuizen dringen via de stomata de waardplant binnen. Enkele uren na de penetratie verkleuren de celwanden van de sluitcellen van de stomata bruin-zwart en bait de inhoud van deze cellen zich samen en wordt bruingeel van kleur (zie figuur 3.4.). Vervolgens verschrompelen de sluitcellen waardoor het huidmondje wijd open komt te staan. Het sluitingsmechanisme is volkomen verstoord waardoor het huidmondje zich niet meer kan sluiten. De aantasting breidt zich uit met een verkleuring van de cellen die de ademholte omgeven. Ten slotte kleurt het parenchym bruin en worden de vaatbundels geheel of gedeeltelijk door een bruine substantie geblokkeerd (zie figuur 3.5.). Tijdens de verkleuring van het planteweefsel zijn in het weefsel geen hyfen aan te tonen. De dunne myceliumdraden werken zich tussen de celwanden en de intercellulairen door, waarbij ze door het afscheiden van toxische stoffen een reactie van de cellen teweegbrengen. In het beschadigd weefsel wordt een vlechtwerk van myceliumdraden gevormd. Op het mycelium worden de conidioforen gevormd die zich vanuit het weefsel naar de oppervlakte werken. Aan de oppervlakte worden aan de conidioforen de conidien ontwikkeld. Deze ontwikkeling begint bij ernstige beschadiging van het weefsel en wordt gestirauleerd door hoge luchtvochtigheid. De conidien komen via trilling vrij en kunnen voor nieuwe infecties zorgen. Per groeiseizoen kunnen er meerdere infectie-cycli optreden. Aan het eind van een groeiseizoen blijven de pathogenen over op afgestorven plantmateriaal. Van hieruit kunnen ze in het nieuwe groeiseizoen de planten infecteren. Een schema van de levenscyclus van A. brassicae en A. brassicicola wordt gegeven in figuur 3.3. 3.6. Epidemiologie Alternaria brassicae en A. brassicicola zijn parasieten, wat betekent dat ze van levend planteweefsek Ieven. A. brassicae komt gewoonlijk op dezelfde wijze en onder dezelfde omstandigheden voor als A. brassicicola. A. brassicicola is echter in staat meer schade aan te richten dan A. brassicae omdat A. brassicicola zich, door een snelle en overvloedige sporulatie, gemakkelijker in een gewas verspreidt. De infectie in het begin van het groeiseizoen wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door sporen van afgestorven planten, die nog op het veld aanwezig zijn, of van geinfecteerde onkruiden. Sporen aangevoerd door de wind veroorzaken in beperkte mate infectie. De afgezette conidien kiemen het beste in aanwezigheid van water en bij een temperatuur tussen 20° en 23°. De kiembuizen dringen de plant binnen en 4-8 uur na de penetratie zijn de eerste syraptomen waar te nemen. Bij temperaturen boven 18° tast het mycelium het weefsel rondom de huidmondjes aan en verschijnen er zwarte vlekjes. Als de temperatuur beneden 18° komt stopt het mycelium zijn groei totdat de temperatuur weer boven de 18° is. De sporevorraing vindt in hetzelfde temperatuurtraject plaats als de myceliumgroei. De verspreiding van de sporen vindt op drie manieren plaats: - 30 1. door de wind. Deze manier van verspreiding komt voor tijdens een droge periode. De sporen worden op deze manier over een grote afstand verspreid en spelen een geringe rol bij de uitbreiding van de aantasting in het gewas; 2. door spatten of afdruipen van waterdruppels tijdens of na regenbuien. Deze manier van verspreiding is belangrijk voor de uitbreiding van de aantasting in het gewas; 3. door het zich afzetten van met sporen besmette waterdruppels tijdens regenbuien en tijdens de uren die volgen. Dit houdt in: het uitregenen van sporen uit de lucht en het overwaaien van besmette waterdruppels tijdens het opdrogen van het gewas. Deze methode van verspreiding is in belangrijke mate verantwoordelijk voor de infectie van de hauwen. Infectie van koolzaadplanten treedt op wanneer de weersorastandigheden guns tig zijn en er sporen aanwezig zijn. Algemeen geldt dat afwisselend zonnig en regenachtig weer de voorwaarden zijn voor een aantasting door A. brassicae en A. brassicicola. Bij constant zonnig weer met hoge temperaturen is meestal de vochtigheid te laag voor de kieming van de sporen en tijdens lange perioden van regenval zal in de regel de temperatuur niet hoog genoeg zijn om een ernstige aantasting te krijgen. Uit onderzoek blijkt dat reeds in april conidien in het gewas aanwezig zijn. Deze zijn voornamelijk afkomstig van afgestorven plantmateriaal en vormen een belangrijke infectiebron. Tijdens het groeiseizoen wordt er een hoeveelheid conidien in het gewas gevormd die afhankelijk van de weersomstandigheden tot infectie in staat is. De meeste schade wordt veroorzaakt door infectie van de hauwen. Uitbreiding van de aantasting naar de hauwen vondt meestal plaats bij frequent optredende regenbuien, hogere temperaturen en harde wind. Op deze manier komen met sporen besmette waterdruppels op de hauwen en infecteren deze. Na de oogst kunnen de aangetaste stoppelresten en kiemplanten een infectiebron zijn van waarui de conidien via de wind over grote afstanden worden verspreid. De zaden zijn meestal in geringe mate geinfecteerd. Infectie van de zaden moet via de hauwen plaatsvinden. Het geringe infectiepercentage wordt veroorzaakt door de anatomie van de hauwen. De binnenste epidermis van de koolzaadhauw wordt beschermd door een laag sclerenchymcellen (zie figuur 3.6.). Deze laag vormt een barri'ere voor de hyfen. Infectie kan toch voorkomen omdat: 1. de sclerenchyralaag naar de zaadlijsten toe dun uitloopt. Hierdoor is op die plaatsen een smalle doorgang mogelijk voor de hyfen; 2. de hauw door "noodrijpheid" opensprin<»t; 3. bij vroege aantasting van het gewas «.'e sclerenchymlaag zeer dun is en makkelijk te penetreren door de schimmelhyfen (zie figuur 3.7.) 3.7. Invloed op de opbrengst Aantasting door Alternaria brassicae en Alternaria brassicicola veroorzaken een verlaging van de opbrengst. Dit opbrengstverlies is groter naarmate de aantasting heviger is. Uit onderzoek blijkt, dat ernstige aantasting met A. brassicae leidde tot een opbrengstderving van 63% en een raatige aantasting tot een opbrengstderving van 27%. Daarnaast is aangetoond dat A. brassicicola een grotere rol speelt bij de aantastingen dan A. brassicae. Het opbrengstverlies dat t.g.v. een aantasting door A. brassicae en A. brassicicola ontstaat is zowel kwantitatief als kwalitatief. - 31 - Kwantitatief verlies ontstaat door een verlaging van het duizendkorrelgewicht, door vruchtabortie en door voortijdig openen van de hauwen. Verliezen t.g.v. vruchtabortie kunnen echter gecompenseerd worden door grotere hauwen. Kwalitatief verlies ontstaat door een verlaging van het oliegehalte en een verlaging van het eiwitgehalte. Aantasting van de Stengel heeft vooral invloed op het duizenkorrelgewicht en de vruchtabortie. Aantasting van de hauwen leidt tot het voortijdig openen van de hauwen. De hauwaantasting kan grote schade aanrichten als het in het zwad liggende koolzaad door slechte weersomstandigheden niet tijdig geoogst kan worden. 3.8. Bestrijding De bestrijdingsmaatregelen zijn in te delen in: - cultuurmaatregelen - vruchtwisseling - chemische bestrijding - resistentie. Cultuurmaatregelen onderzocht op hun effectiviteit ten aanzien van bestrijding van de spikkelziekte, zijn onderploegen van de stoppelresten en de bemesting. Aangetaste stoppelresten van een geoogst koolzaadgewas kunnen een belangrijke infectiebron voor de omtrek vormen. Aanbevolen wordt om de periode tussen het oogsten en ploegen zo kort mogelijk te houden, omdat dit de mogelijkheid van infectie van pas ingezaaide percelen in de omgeving verkleint. Het kan echter wel tegenstrijdig zijn aan het streven om het uitgevallen zaad eerst te laten kiemen. Onderzoek naar de invloed van bemesting met bepaalde voedselelementen op de mate van aantasting van koolzaad door de spikkelziekte, had als enige conclusie dat een gewas met een volledige N-, P-, en K-bemesting het minst gevoelig is voor aantasting door A. brassicae en A. brassicicola. Vruchtwisseling is als bestrijdingsmaatregel niet erg effectief, omdat aantasting van de planten voor het grootste deel wordt veroorzaakt door inoculum dat via de wind wordt aangevoerd van elders (zie par. 3.6.). Bij het toepassen van chemische bestrijding is het tijdstip van toepassing erg belangrijk. Zo gaat het effect van een bestrijdingsmiddel voor een groot deel verloren wanneer het toegepast wordt nadat de sporen gekiemd zijn en de schimmel de plant is binnengedrongen. Daartegenover staat dat een absolute preventieve bestrijding, dus uitgevoerd voordat aantasting van de plant zichtbaar is, niet aan te bevelen is omdat ieder jaar de kans bestaat dat de aantasting slechts licht of zeer licht zal blijven. Hoewel uit verschillende gegevens kan worden afgeleid, dat dikwijls ook in het voorjaar een depot Alternaria sporen in het gewas aanwezig is, is het voirkomen van een ernstig optreden van de spikkelziekte, door vernietegtng van dit sporendepot behalve uit bovengenoerade overwegingen en ook als gevolg van het niet afdoende effect van deze methode (zie hoofdstuk 6) niet praktisch uitvoerbaar. Dit betekent dat men in de praktijk pas effectief en rendabel in aktie kan komen, wanneer aantasting in verontrustende mate aanwezig is. Dit is gewoonlijk in juni/juli als het gewas rijpende is en het gebruik van rijdende spuitmachines aanzienlijke schade aan het gewas aanricht. Een proef naar de werking van fungiciden te^en de spikkelziekte (zie hoofdstuk 6) laat zien dat Rovral en DifoUtan redelijk tot goed werkzaam zijn tegen de spikkelziekte. Planten behandeld met deze fungiciden waren duidelijk minder aangetast en veel groener van kleur. Deze 2 - 32 - fungiciden gaven echter op den duur geen volledige bescherming. Een bestrijdingsproef met Rovral (niet gepubliceerd) waarbij stroken van een kavel met behulp van een vliegtuig bespoten werden liet duidelijk de werking van Rovral zien. De onbehandelde stroken waren veel heviger aangetast dan de behandelde. Een doeltreffend waarschuwingssysteem ter bestrijding van de spikkelziekte is moeilijk realiseerbaar omdat de sporen erg snel reageren om een verandering van de weersomstandigheden. Het kiemen van de sporen en het binnendringen van de kiembuizen in de plant kunnen zich binnen enkele uren na een regenbui afspelen. Bestrijding met behulp van resistente rassen is op dit moment niet mogelijk omdat deze niet bekend zijn. Wel is er tussen verschillende koolzaadrassen verschil in mate van aantasting, en dus in gevoeligheid gevonden. Vele factoren kunnen bijdragen aan de reactie van koolzaad op A. brassicae en A. brassicicola. Een factor is het niet, op het blad kunnen blijven liggen van waterdruppels, die condien bevatten. Vrij water is nodig voor infectie, en door het afrollen van de druppels wordt de mogelijkheid tot infectie verkleind. De beste methoden om de spikkelziekte te bestrijden zijn op dit moment: 1. de tijd tussen oogst en onderploegen van de stoppel zo kort mogelijk houden; 2. chemische bestrijding (waarbij Rovral en Difolatan redelijke bestrijding te zien gaven) . 3.9. Literatuurlijst Degenhardt, K.J., W.P. Skoropad and Z.R. Kondra, 1974. Effects of alternaria blackspot on yield, oil content and protein content of rapeseed. Can. J. PI. Sci. 54, p 795-799. Glemas, P., 1981. Colza et Tournesol: traitement fongicides. Cultivar, avril p 106-109. Neergaard, P., 1045. Danish species of Alternaris and Stemphiliura; taxonomy, parasitism and economic significance, p 129-148 and 218-233. Tawari, J.P., W.P. Skoropad, 1976. Relationship between epicuticular wax and blackspot caused by Alternaria brassicae in three lines of rapeseed. Can. J. PI. Sci. 56, p 781-785. Quak, F., 1956. De biologie en de bestrijdingsmogelijkheden van de veroorzakers van spikkelziekte (Alternaria spec.) in koolzaad (Brassica napus L . ) . Verslag landbouwkundig onderzoek no 62.8 's Gravenhage. - 33 - LT5 • J -M ^m:m> . > fOCP i . Figuur 3.1. Conidien van Alternatia brassicae (x450) CII^IXDIEDU^ Figuur 3.2. Conidien van brassicicola Alternaria (x450) Figuur 3.4. De eerste symptomen van Alternaria-aantas ting. Verb ruining van celwanden der cellen rondom het stoma, waarvan de sluitcellen verschrompelen - 34 - LEVENSCYCLUS Alternaria brassicae op en van Alternaria brassicicola winterkoolzaad infectie door b e spatten besmetting van de bladeren door snoren symptomen op de kienrblaadjes aangetaste sten,nel en hauwen sporen openspringen van de hauwen besmet zaad wegvallen van de kiemplanten Figuur 3.3. - 35 - Figuur 3.5. Vaatbundel in hauw, gedeeltelijk geblokkeerd als gevolg van aantasting der hauw door Alternaria Figuur 3.6. Schematisch weergegeven dwarsdoorsnede van een volgroeide hauwklep Figuur 3.7. Aanleg van de sclerenchymlaag in een zeer jonge hauw - 36 - 4. PHOMA 4. 1. Classificatie "Vallers" of "Phoma" wordt veroorzaakt door een schimmel waarvan het perfecte stadium, Leptosphaeria maculans (Desm.) Ces & de Not, behoort tot de Ascomyceten en het imperfecte stadium, Phoma lingam (Tode ex Fr.) Desm., tot de Deuteromycetes.De indeling van deze schimmel in twee verschillende klassen is het gevolg van het op verschillende tijden ontdekken van de perfecte en imperfecte stadia. Binnen de Ascomyceten behoort Leptosphaeria maculans tot de sub-klasse Loculoascomycetidae, de orde Pleosporales en tot de fami lie Pleosporaceae. De Loculoascomycetidae worden gekenmerkt door bitunicate asci (zie figuur 4.1.) en een ascostroma dat fungeert als een ascocarp (zie figuur 4.1.). De Pleosporales worden gekenmerkt door asci die tussen pseudoparafysen ontwikkelen en uitgroeien (zie figuur 4.1.). Binnen de Deuteromyceten behoort Phoma lingam tot de orde Sphaeropsidales en de familie Sphaeropsidaceae. De Sphaeropsidales worden gekenmerkt door een voortplanting door middel van conidien die in pycnidien gevormd worden. De Sphaeropsidaceae worden gekenmerkt door hun pycnidien (vorm, kleur enz.) 4.2. Morfologie L. maculans vormt als ascocarp pseudoperithecien; ook wel pseudotheci'en genoemd. Pseudoperithecien onderscheiden zich van echte perithecien door het ontbreken van een wand rondom het centrale deel van de ascocarp. Ze worden gekenmerkt door een holte (=locule) in het stroma waarin de asci gevormd worden en worden daarom ascostroma genoemd. In het stroma kunnen een of meerdere holtes gevormd worden. Als er een holte gevormd wordt is een pseudothecium alleen van een perithecium te onderscheiden door de ontwikkeling van het pseudothecium te volgen. De pseudothecien zijn bolvormig, zwart van kleur en hebben een diameter van 300-500 y (zie figuur 4.1.D). De asci zijn cylindrisch, ongesteeld of met een kort steeltje en hebben een lengte van 80-125 y en een diameter van 15-22 y. Een ascus is bitunicaat en vormt 8 ascosporen (zie figuur 4.1.F). Deze ascosporen worden in twee rijen van vier gevormd. Ascosporen zijn cylindrisch tot elliptisch van vorm en hebben meestal afgeronde uiteinden (zie figuur 4.1.E). Ze zijn geel-bruin van kleur, gesepteerd en zijn vanuit het centrale septum soms een beetje gekromd. Ze hebben een lengte van 35-70 y en een diameter van 5-8 y. De pseudoparafysen zijn steriele hyfen die ontstaan in het stroma waar de ascogonium is gelocaliseerd. Op deze plaats ontstaat ook de holte. De pseudoparafysen zijn draadvormig, gesepteerd en hyaline van kleur (zie figuur 4.1.F). P. lingam kan twee typen pycnidien vormen. Het eerste type heeft een variabele vorm. In het begin is het pycnidium bolvormig, maar naarmate het ouder wordt, wordt het pycnidium afgeplat en heeft soms geheel geen vorm meer. Het pycnidium heeft een diameter van 200-500 y. De opening van het pycnidium wordt gevormd door een nauwe ostiool of porus. De wand van het pycnidium bestaat uit enkele lagen dikwandige cellen (sclerenchymatisch) (zie figuur 4.1.A,B). - 37 - LEPTOSPHAERIA Figuur 4.1. A. B. C. D. E. F. MACULANS Vertikale doorsnede van een pycnidium. Deel van de wand van een pycnidium. Conidien. Vertikale doorsnede van een ascocarp. Ascosporen. Asci en pseudoparafysen. - 38 - Het tweede type is bolvormig, zwart van kleur en heeft een diameter van 200-600 y. De wand van dit type pycnidium bestaat uit cellagen waarvan alleen de buitenste laag uit dikwandige cellen bestaat. De conidien (pycniosporen) zijn hyaline van kleur, kort cylindrisch en meestal recht van vorm. Ze zijn eencellig en hebben een lengte van 3-5 y en een diameter van 1,5-2,0 y (zie figuur 4.1.C). 4.3. Verspreiding Phoma komt zeer verbreid voor; vooral in gematigde streken. Het imperfecte stadium wordt hier veel vaker waargenomen dan het perfecte stadium. Phoma kan vele geslachten van de Cruciferen aantasten. In koele klimaten kunnen deze aantastingen tot grote schade leiden. Het meest voorkomend zijn aantastingen op Brassicae oleracea, B. rapa, B. napobrassicae en B. napus olaifera. 4.4. Symptomatologie In de herfst, kort na opkomst van het koolzaad, verschijnen er ten gevolge van een aantasting door L. maculans witte lesies op de kiemlobben, de blaadjes en de stengeltjes. Deze lesies hebben een diameter van 2-3 mm. Bij ernstige aantasting van de Stengel verkleuren de kiemplantjes en sterven af. Indien de aantasting later in de herfst optreedt ontstaan er op de oudere bladeren lesies met een diameter van 5-15 mm. Deze lesies worden omgeven door een wat donderder gekleurde rand en bevatten zwart gekleurde puntjes (pycnidien). In de herfst of in het voorjaar ontstaan er lesies op de wortelhals die overgaat in een necrose. Bij de meeste aangetaste planten verschijnt deze necrose pas in het voorjaar o.i.v. de stijgende temperaturen. Ter plaatse van de necrose kan een breuk ontstaan, waardoor de plant gaat hangen (=valler). De wortelhals is dan helemaal verrot (droog rot) en vertoont langs de necrose een donkere zone waarop pycnidien gevormd zijn. Planten die zwaar aangetast zijn verkleuren roodachtig. Aangetaste planten zijn in een gewas makkelijk te herkennen aan deze verkleuring en aan de legering t.g.v. het breken van de wortelhals. De mate van aantasting wordt in 9 stadia ingedeeld, wat leidt tot de volgende schaalverdeling: 1. geen aantasting; 2. enkele kleine, oppervlakkige vlekken (alleen de epidermis aangetast) op de Stengel en/of wortelhals; 3. oppervlakkige vlekken op de Stengel en/of geringe, oppervlakkige verkurkingen van de wortelhals; 5. verkurking goed zichtbaar: wortelhals omvattend, maar oppervlakkig of aan een kant dieper verkurkt (ca. J wortelhals) en/of dieper doordringende aantastingen op de Stengel. De plant is bij het zwadmaaien nog groen; 7. wortelhals sterk verkurkt, diepe insnoeringen en/of diep doorgedrongen aantastingen op de Stengel, die hierdoor indroogt of verzwakt wordt. Pycnidien zijn gevormd. De plant begint bij het zwadmaaien te vergelen. 9. wortelhals sterk en zeer diep verkurkt, erg weinig of geen verbinding meer met de wortel en/of uitgebreide diepgaande aantastingen op de Stengel. De plant is noodrijp of voortijdig afgestorven. - 39 De gemiddelde aantasting wordt berekend met de formule (n.xl) + (n2x2) + + (ngx9 = x N waarbij x = nj= i N = gemiddelde aantasting aantal planten met aantasting i 1, 2 9 totaal aantal planten 4.5. Levenscyclus Leptosphaeria maculans begint zijn levenscyclus in de herfst met de vorming van ascosporen. De ascosporen worden in pseudothecien gevormd (zie figuur 4.2.) op stoppelresten van koolzaad. De ascosporen kunnen de jonge koolzaadplanten infecteren. De op de planten terecht gekomen ascosporen kiemen in aanwezigheid van water en vormen een kiembuis. De kiembuis penetreert de epidermis. Behalve door de ascosporen kunnen de plantjes ook geinfecteerd worden door: - mycelium dat op de stoppelresten aanwezig is. Deze manier van infectie komt alleen voor als de wortels van een plantje in contact komen met de geinfecteerde stoppelresten - besmette koolzaadzaden. Deze manier van infectie komt gemiddeld 4%o en maximaal 3% voor. Na de penetratie vormt de schimmel een mycelium en ontstaan er lesies op de geinfecteerde plantedelen (meestal kiemlobben of de bladeren). In de lesies ontstaan pycnidien (zie figuur 4.2.) die ongeslachtelijk pycniosporen vormen. Het mycelium breidt zich uit naar het centrale deel van de plant en groeit langs de vaatbundels naar de wortelhals (zie figuur 4.3.). Op de wortelhals ontstaan hierdoor lesies, die naarmate het mycelium verder uitbreidt overgaan in necroses. Op de rand van de necrose, die zwart gekleurd is, ontstaan pycnidien die de ongeslachtelijke pycniosporen vormen. De pycniosporen veroorzaken een uitbreiding van de aantasting in het gewas met dezelfde symptomen en schade als de ascosporen. De vegetatieve cyclus (pycnidien * pycniosporen •*• pycnidien) kan meerdere keren per groeiseizoen voltooid worden. Na de dood van de planten en na de oogst ontwikkelt de schimmel zich saprofitisch op het dode planteweefsel. Als de omstandigheden gunstig zijn in de herfst vormt de schimmel op zijn mycelium pseudothecien die ascosporen vormen welke zich verspreiden. De geslachtelijke cyclus (pseudothecien-* ascosporen-> pseudothecien) treedt in tegenstelling tot de vegetatieve cyclus maar een maal per groeiseizoen op. 4.6. Epidemiologic Primaire infectie van jonge koolzaadplantjes vindt voornamelijk plaats door de ascosporen. De mate van infectie wordt bepaald door de vorming van de pseudothecien, de verspreiding van de ascosporen en de gevoeligheid van de waardplant. De vorming van de pseudothecien hangt van drie milieufactoren af: 1. de temperatuur; 2. licht; 3. neerslag. - 40 - LEVENSCYCLUS Phoma l i n g a m op van (Leptosphaeria maculans) winterkoolzaad L e s i e s op kieralobben en b l a d e r e n ; begin necrose bij wortelhals pycnidium f (Phoma lingam) "valler" oogst pycniosporen ft stoppelrest met pseudohecien van Leptosphaeria maculans besmetting van jonge k i e m p l a n t j e s ascospore pseudothecium met a s c i Figuur 4.2. - 41 - Aankomst van 4. Doordringen naar wortelhals 2. Al of n i e t v e r s c h i j n e n van vlekJcen op de b l a >ren 3 . M i g r a t i e van mycelium langs nerven en vaten Figuur 4 . 3 . U i t b r e i d i n g van de a a n t a s t i n g van de zaadlobben naar de wortelhals - 42 - De pseudothecien verschijnen wanneer aan het eind van de zomer, na flinke regenbuien de temperatuur daalt tot een gemiddelde van maximaal 15°C. Ze worden gevormd op stoppelresten die aan het licht blootgesteld zijn, omdat licht voor de vorming nodig is. Op ondergeploegde stoppelresten ontstaan ten gevolge van lichtgebrek geen pseudothecien. De omstandigheden die voor vorming van de pseudothecien nodig zijn komen voor in September. Dit heeft tot gevolg dat de verspreiding van ascosporen meestal in September en oktober plaatsvindt, maar door kan gaan tot november. De verspreiding van de ascosporen is goed afgestemd op de teelt van winterkoolzaad. Het vrijkomen en de verspreiding van de ascosporen hangt van drie factoren af nl.; 1. de temperatuur. De meeste pseudothecien rijpen bij ca. 15°C; 2. de hoeveelheid regen. De ascosporen komen vrij in het uur dat volgt op de aanvang van een regenbui tot 4 a 6 uur na het einde van de regenbui; 3. de wind, die de ascosporen over honderden meters kan verspreiden. Wanneer een van deze drie factoren afwijkt vindt er geen emissie en verspreiding plaats. Bij temperaturen boven 5°C komen de ascosporen vrij; maar bij lagere temperaturen niet, zelfs bij voldoende luchtvochtigheid niet. Daar tegenover staat, dat bij temperaturen boven 5°C en droog weer ook geen sporen vrijkomen. De aanwezigheid van ascosporen hoeft niet tot infectie te leiden. Aangetoond is, dat de twee eerste maanden van de vegetatieve groei (stadia: kiemlobben, 1, 2 en 3 bladeren) de koolzaadplanten erg gevoelig zijn voor indectie door ascosporen. Deze gevoeligheid is nog groter wanneer de planten beschadigd zijn. Beschadigingen kunnen ontstaan door aardvlo (Psylliodes chrysocephala) aantastingen en nachtvorst. Na twee maanden neemt de gevoeligheid af en kan de plant resistent worden. Voor beschadigde planten geldt de verminderde gevoeligheid niet. De resistentie wordt bepaald door het onvermogen van de schimmel om de plant binnen te dringen. Infectie door ascosporen vindt overwegend in September en oktober plaats. De ascosporen kiemen onder gunstige omstandigheden (vocht en temperatuur van 14-18°C) in 30 a 40 min. Na de kieming penetreren ze de plant waarna er lesies kunnen ontstaan. Afhankelijk van de temperatuur en de neerslag ontstaan er verschillen in incubatietijd. De incubatietijd is de tijd die nodig is voor het verschijnen van de symptomen. Bij temperaturen hoger dan 10° en veel neerslag is de incubatietijd kort, nl. 12-16 dagen. Maar als de temperaturen niet boven de 5°C komen en het droog blijft kan de incubatietijd wel 34 dagen duren. Hierbij moet dan wel opgemerkt worden dat elke temperatuurverhoging en elke regenbui deze tijd kan verkorten. Verspreiding van de aantasting in het gewas vindt plaats door de pycniosporen. Ze worden in de pycnidien gevormd en m.b.v. rose gekleurd slijm buiten de pycnidien gebracht. Het slijm droogt in en de pycniosporen worden via spattende waterdruppels verspreid in het gewas. De gevoeligheid van de planten voor infectie door pycniosporen is gelijk aan die voor infectie door ascosporen. De pycnopsporen hebben echter een geringer pathogeniteit dan de ascosporen. Pycniosporen kiemen onder vochtige omstandigheden en bij 14-18 C in 10-12 uur. De incubatietijd van pycniosporen is bij 15 ,5 weken en kan 16 weken duren als de infectie vlak voor de winter heeft plaatsgevonden. - 43 - Optimale omstandigheden voor incubatie waarna lesies op de kiemlobben en de bladeren onstaan zijn: een hoge luchtvochtigheid en de eerste 8 dagen een temperatuur van 4-9°C en daarna van 8-15°C. Als er geen lesies t.g.v. ascosporen- of pycniosporeninfectie verschijnen op de bladeren houdt de incubatietijd in: de tijd tussen infectie van de plant (blad) en het verschijnen van lesies op de wortelhals. Bij een temperatuur van 12° is deze incubatietijd 28 dagen. Wanneer men in de winter lesies op de bladeren ziet wil dit niet zeggen dat er in de lente schade aan de planten optreedt. Ook komt voor dat als de plant er gezond uitziet, in de lente toch necrose van de wortelhals kan optreden. De vorming van de necrose ter hoogte van de wortelhals hangt af van het ontwikkelingsstadium van het koolzaad op het moment van infectie, de plaats van infectie, het al of niet aanwezig zijn van een verwonding en van de koolzaad-varieteit. Ook kan vorstschade bepalend zijn voor het al dan niet verschijnen van necrose aan de wortelhals. Na de oogst blijft de schimmel als mycelium op de stoppel over, of als pathogeen van andere cruciferen. Op de stoppel kan de schimmel 3 a 4 jaar overleven en een infectiebron vormen. 4.7. Invloed op de opbrengst Aantastingen in de herfst kunnen tot uitvallen van kiemplanten leiden hetzij door het wegrotten van de planten, hetzij door het uitwinteren van de planten. De invloed van het uitvallen van kiemplanten op de opbrengst is niet duidelijk. Waarschijnlijk blijft de schade beperkt omdat aangrenzende planten door een weligere vegetatieve groei het verlies compenseren. Grote schade ontstaat er wanneer licht aangetaste planten verder groeien en op een later stadium noodrijp worden door een verrotte wortelhals. Deze planten hebben maar een gering aantal zaden gevormd die een laag duizenkorrelgewicht hebben. Algemeen blijkt dat aantasting door Phoma lingam tot gevolg heeft: - lager duizendkorrelgewicht (zie tabel 4.1.); - geringere vertakking; - geringere hauwaanleg. Tabel 4.1. Invloed van aantasting door Phoma lingam op het duizendkorrelgewicht (dkg) van koolzaad Rel. vermindering van dkg (1-3 = 100) Aantastingsgraad 1-3 5 7 9 gezond tot licht aangetast matig aangetast sterk aangetast zwaar aangetast 1977 10 velden 1978 7 velden 1979 7 velden 100 88 79 69 100 100 72 81 Uit: Kali-briefe (Biintehof) 15 (3), 187, 1980) Hoe groter de aantasting door Phoma lingam des te lager is de opbrengst. Dit geldt met name voor de afzonderlijke planten (zie tabel 4.2.). Als er bij het zwadmaaien wordt uitgegaan van een matige aantasting (aantastingsgraad 4 a 5) dan moet er gerekend worden op een opbrengstverlies van 10 a 20% t.g.v. de aantasting door Ph. lingam. - 44 - Tabel 4.2. Opbrengst van afzondelijke planten die aangetast waren door Phoma lingam Opbrengst ^J-J Aantastingsgraad 1-3 5 7 9 jg^g g rel. 57 43 38 13 100 77 68 23 g rel. g rel. g rel. 33 100 19 100 8 100 7 22 2 13 5 67 4.8. Bestrijding De bestrijdingsmaatregelen zijn in te delen in: - cultuurmaatregelen - vruchtwisseling - chemische bestrijding - gebruik van resistente rassen De belangrijkste cultuurmaatregel ter bestrijding van Phoma lingam is het onderploegen van de aangetaste koolzaadstoppel. Dit heeft tot doel de schimmel aan het licht te onttrekken en zo de vorming van pseudothecien en ascosporen te verhinderen. Hierdoor kan infectie van het nieuwe koolzaadgewas voorkomen worden. Om op deze manier tot een goede bestrijding te komen moeten alle aangetaste planteresten geheel ondergeploegd zijn en alle koolzaadtelers deze cultuurmaatregel toepassen. Deze voorwaarden zijn moeilijk te realiseren waardoor de kans op het aanwezig zijn van een infectiebron nog redelijk groot is. Vruchtwisseling heeft tot doel het verminderen van de hoeveelheid inoculum in de grond. Phoma lingam kan gemiddeld 3 a 4 jaar als mycelium op de stoppel blijven Ieven. Dit houdt in, dat als men zo vaak mogelijk koolzaad in de vruchtwisseling wil hebben er om de 3 jaar op hetzelfde veld koolzaad verbouwd kan worden. Als men meer ruimte in het rotatieschema heeft kan men beter wat meer jaren tussen de teelten laten. Over een effectieve chemische bestrijding zijn slechts weinig gegevens bekend. In het algemeen zijn de vooruitzichten voor de chemische bestrijding niet erg gunstig. De ziekte begint in de herfst, waarna infecties gedurende de winter en het voorjaar mogelijk blijven. In de herfst kan aantasting van de bladeren nog voorkomen worden door een bespuiting na het vrijkomen van de ascosporen. De ontwikkeling van de sporen voltrekt zich helaas in meerdere weken en is afhankelijk van het weer. Hierdoor is het tijdstip van vrijkomen van de ascosporen en daarmee het tijdstip van bestrijding moeilijk te bepalen. In het voorjaar is dit nog meer het geval. Daarbij wordt het steeds moeilijker om met een landbouwmachine door het zich ontwikkelende gewas te rijden zonder al te veel schade aan de planten te veroorzaken. Methoden om infecties in volgende groeiseizoenen te beperken zouden kunnen zijn: de bespuiting van de stoppel met een fungicide en het ontsmetten van het zaaizaad. Zaaizaadontsmetting blijft aanbevolen ofschoon infectie via zaaizaad van geringe betekenis is bespuitingen van - 45 - de stoppel zijn, net als bij bespuitingen van het gewas, tot nu toe geen praktisch bruikbare resultaten geboekt zodat deze methode nog niet aan te bevelen is. Resistentie tegen Phoma lingam biedt tot nu toe de beste perspectieven. Er zijn een aantal koolzaadrassen (p.a. Primor, Jet Neuf, Rafal) die resistent zijn tegen Phoma, maar in verschillende mate. De resistentie is niet volledig, waardoor er per cultivar een variabel aantal planten aangetast wordt. De resistentie berust o.a. op de vorming van een mechanische barriere door het fellogeen (zie figuur 4.4.). Het fellogeen produceert naar de buitenkant zeer regelmatige rijen cellen die, of ze verkurkt zijn of niet, kurk worden genoemd. Naar de binnenkant worden in geringere mate niet verkurkte cellen afgesplitst, die het felloderm vormen. Bij gevoelige planten begint de kurkvorming pas 3 maanden na het opkomen van de koolzaadplanten en dan nog maar in geringe mate. De planten zijn hierdoor onbeschermd tegen infectie door de ascosporen. Bij resistente planten wordt bij een leeftijd van 2 maanden een dikke laag kurk gevormd bij de wortel, de wortelhals en ter plaatse van beschadigingen aan de Stengel (zie figuur 4.4.). Deze kurklaag voorkomt penetratie van de schimmel. Behalve de verkurking wordt de resistentie bepaald door een beperking of verdwijning van de mergstralen, de vorming van groepjes sclerenchymvezels en een gediffentieerder houtparenchym waarin de houtvaten regelmatiger verspreid liggen en talrijker en breder zijn dan bij gevoelige planten. Bij resistente planten kan het mycelium makkelijk het xyleem binnendringen, maar het grote aantal kan de obstructie van enkele houtvaten compenseren. Daarnaast vertragen het beperkte aantal mergstralen en de sclerenchymvezels de uitgorie van het mycelium. Resistente planten vertonen daardoor na aantasting pas aan het eind van het groeiseizoen necrose. De beste methode om Phoma lingam te bestrijden is op dit moment: 1. goed onderploegen van de stoppelresten 2. zaaizaad ontsmetten 3. resistente rassen gebruiken 4. vruchtwisseling; koolzaad niet vaker dan een keer per drie jaar. 4.9. Literatuurlijst Alabouvette, C , 1970. Role des pycniospores de Phoma lingam (Tode) Desm. dans la maladie du collet du colza. Journees internationales sur le colza, p 297-299. Paris 26-30 mai. Brunim, B., 1970. Quelques aspects anatomique de varietes sensible et resistantes de colza au cours de l1evolution de la necrose du collet; leur utilisation possible dans les recherches de selection genetique. Journees internationales sur le colza, P 289-291. Paris 26-30 mai. Brunis, B. et J. Maraby, 1970. Aspects statistiques des rendements en colza en fonction des facteurs climatiques favorables a 1'emission des ascospores de Leptosphaeria maculans. Journees internationales sur le colza, p 293-296. Paris 26-30 mai. Kriiger, W., 1976. Die wichtigsten Wutzel- und Stengelkrankheiten des Rapses in Deutschland. Gesunde Pflanzen 28,4. - 46 - Krviger, W., 1980. Wurzel und Stengelkrankheiten des Rapses. Kali-Briefe (Buntehof) 15,3, 179-192. Locoste, L. , 1970. La necrose du collet du colza sous l'action de Phoma lingam (Tode) Desm. et de sa forme sexule Leptosphaeria maculans (Desm.) Ces et de Not, Journees internationales sur le colza, p 279-288. Paris 26-30 mai. Leptosphaeria maculans, 1971, CMI Descriptions of Pathogenic Fungi and Bacteria, no. 331. LEVENSCYCLUS Phoma l i n g a m op van (Leptosphaeria winterkoolzaad maculans) - 47 - Figuur 4.4. Schema van de structuur van de wortelhals van 3 maanden oude koolzaad (x50) A = varieteit Ramses (R 67A): resistent B = varieteit Tilus: gevoelig s = kurk; g = fellogeen; d = felloderm; c = cambium; f.s. = sclerenchym vezels - 48 - 5. RATTEKEUTELZIEKTE 5.1. Calssificatie Whetzeliana sclerotiorum (Lib.) Korf & Dumont (rattekeutelziekte) hoort tot de klasse Ascomycetes, de sub-klasse Euascomycetidae, de orde Helotiales en de familie Sclerotiniaceae. Het geslacht binnen de familie Sclerotiniaceae wordt bepaald door de kenmerken van de sclerotien, de stromata of de stadia van de conidien. Whetzel heeft in 1945 de familie, die meer dan 90 soorten omvat, opnieuw onderverdeeld. Hij onderscheidde 14 geslachten, waarvan vele soorten tot dan toe bij het geslacht Sclerotinia waren ingedeeld. Ook Sclerotinia sclerotiorum werd na 1945 systematisch in een ander geslacht ingedeeld. De naam veranderde in Whetzeliana sclerotiorum. In de praktijk wordt de naam Sclerotinia nog algemeen gebruikt. Taxonomisch bestaat er onenigheid over de plaats van de Sclerotiniaceae binnen de Euascomucetidae. Sommige taxonomen plaatsen deze familie binnen de orde van de Pezizales, anderen binnen de Helotiales. Ik hen de laatste indeling aangehouden vanwege het inoperculaat zijn van de ascus (zie figuur 5.1.B). 5.2. Morfologie De Discomyceten zijn te herkennen aan hun vruchtlichamen, ook wel apothecien genoemd. Bij de meeste soorten zijn de apothecien beker- of schotelvormig; maar andere vormen komen ook voor. De apothecien hebben als gemeenschappelijke kenmerken: 1. ze zijn open; 2. de asci staan op de oppervlakte of in lange open holtes; 3. ze stoten de sporen in wolken uit. Een apothecium bestaat uit drie delen: het hymenium, het hypothecium en het exipulum (zie figuur 5.2.). Het hymenium is de laag van ascii, het hypothecium is een dunne laag van gevlochten hyfen en het exipulum is het vlezige deel van het apothecium. Whetzeliana sclerotiorum vormt de aptheci'en enkelvoudig of in kleine groepjes op de sclerotien die zich in of op de grond bevinden. De sclerotien worden gevormd in rottend planteweefsel van kruidachtige planten of op de aangetaste plantedelen tussen dicht mycelium. De pas gevormde sclerotien zijn wit en worden na verloop van tijd aan de buitenkant zwart. De sclerotien zijn onregelmatig van vorm en 1 tot enkele mm in doorsnede (zie figuur 5.3.). De apothecien zijn bekervormig, geelbruin en staan op zeer kleine Stengels die licht bruin gekleurd en 3 tot 6 mm lang zijn. Een apothecium is gemiddeld 3 en maximaal 10 mm in doorsnede. Elk apothecium bevat duizenden cylindrisch gevormde asci, die elk 8 ascosporen bevatten. Een ascus heeft een doorsnede van 7-10 y en een lengte van 112-156 y. De ascus is inoperculaat, d.w.z. dat de sporen via een ronde perforatie (porus) aan de top van de ascus vrijkomen. Deze porus kleurt met iodine blauw. De ascosporen zijn eenzijdig, elliptisch, hyaline, met een doorsnede van 4-10 y en een lengte van 9-16 y. Een apothecium kan in enkele dagen meer' dan 2x 10 ascosporen verspreiden. W. sclerotiorum kan in elke fase van zijn levenscyclus microconidien (3-4 y doorsnede) vormen. Functioneren van deze conidien in genetische voortplanting of waardplantinfectie is nog niet waargenomen. - 49 - 5.3. Verspreiding Whetzeliana sclerotiorum komt als pathogeen over de gehele wereld voor. Het veroorzaakt de meeste schade in de gematigde streken van het noordelijk halfrond, maar kan ook een probleem vormen in ge gebieden met een tropisch of aride klimaat, zoals in Argentinie, Brazilie, Mexico. W. sclerotiorum is polyfaag. Planten die door de schimmel aangetast kunnen worden zijn: - tuinbouwgewassen b.v. sla, kool, tomaat, komkommer, wortel, radijs; - landbouwgewassen b.v. rijst, koolzaad, karwij, gele mosterd, suikerbiet, aardappel, vlas, peulgewassen, zonnebloem; - sierplanten b.v. zinnia, petunia, iris, gerbera. 5.4. Symptomatologie De infectie door Whetzeliana sclerotiorum kan voorkomen: 1. op kneuzingsplekken, op geknakte Stengels en op plaatsen met insektenvraat; 2. bij de stengelbasis; 3. op de vruchttrossen; 4. op willekeurige hoogte van de Stengel. Op de geinfecteerde plaats verschijnt een bruine, natte, rottende plek, waarop bij voldoende vochtigheid mycelium groeit. Spoedig na de infectie worden op en in het planteweefsel sclerotien gevormd. Het geinfecteerde weefsel wordt na verloop van tijd droog en kleurt wit. Bij koolzaad ontstaat er geen natte rottende plek, maar direct een witachtig verkleurde plek die de gehele Stengel omvat (manchet). Deze verkleuring kan zich, afhankelijk van het tijdstip van infectie tot een lengte van 30 cm uitbreiden. De buitenste rand van de verkleuring is altijd wit, terwijl het centrale deel iets grauwer getint is. Inwendig verdwijnt het parenchym en worden sclerotien gevormd, die los in de Stengel komen te zitten (de zgn. rattekeutels). Bij aardappelen wordt na infectie het weefsel erg waterig. Het parenchym blijft in de Stengel aanwezig, waardoor de sclerotien in een waterige massa zitten. Het plantedeel boven de infectie sterft af. Bij koolzaad is dit goed zichtbaar. De verwelkte (gele planten) steken wat boven het gewas uit, omdat ze niet zoals de gezonde planten doorbuigen onder het gewicht van de hauwen. 5 . 5 . Levenscyclus Sclerotien zijn de primaire overlevingsstructuren van Whetzeliana sclerotiorum. Ze worden in of op het weefsel van aangetaste plantedelen gevormc en komen door oogstwerkzaamheden of het onderploegen van de stoppel op of in de grond terecht. Sclerotien hebben een rustperiode van minimaal 6 maanden (soramige auteurs noemen 4 maanden) nodig alvorens te kunnen kiemen. Ze kunnen echter ook in rust blijven en pas jaren later kiemen. Vastgesteld werd dat sclerotien langer dan 6 jaren kiemkrachtig kunnen blijven. Sclerotien kunnen hun levensduur verlengen door de vorming van secondaire sclerotien. Sclerotien kunnen afhankelijk van de milieufactoren op twee manieren kiemen: 1. via de vorming van een mycelium. Deze manier vindt op geringe diepte plaats als het sclerotium direct in contact komt met de waardplant. Het mycelium dat op deze manier ontstaat is in staat de wortelhals van de waardplant te infecteren; - 50 - 2. via de vorming van een apothecium. Deze manier vindt tot een diepte van 5 cm plaats onder invloed van licht, temperatuur en vocht. Het apothecium is de geslachtelijke vorm van de schimmel en ontstaat uit hyfen die uit de steelcel omhoog groeien (zie figuur 5.2.). Op de hyfen ontstaan vrouwelijke en mannelijke gametangia (= voortplantingsorganen) nl. ascogonia en spermatien. De spermatien bevruchten het ascogonium. Er wordt daarbij alleen versmelting van het plasma plaats (= plasmogamie) en nog geen versmelting van de kernen (= karyogamie). Op het ascogonium ontstaan ascogene hyfen waarin de kernen paarsgewijs liggen. Aan de top van een ascogene hyfe ontstaat een ombuiging, een haak, waarin de twee kernen geconjugeerd delen en septa aangelegd worden. In de topcel van de haak vindt karyogamie plaats. De diploide eel die ontstaat wordt onmiddellijk gevolgd door een meiose en twee mitosen. Op deze wijze worden er per ascus 8 haploide ascosporen gevormd. Voor een overzicht van de vorming van de ascosporen zie figuur 5.4. Elke ascogene hyfe vertakt vele malen en vormt een groepje asci. De asci vormen samen met de parafysen het hymenium. Als de asci rijp zijn worden de sporen bij een plotselinge verandering van de vochtigheid weggeschoten, waarna ze verder door de wind verspreidt worden. De ascosporen zijn het primaire inoculum van Whetzeliana sclerotiorum. Infecties op willekeurige hoogte van de Stengel en,op beschadigde plakken, zijn aan de ascosporen te wijten. De afgezette sporen kiemen via een of meerdere kiembuizen en vormen appressoria. Uit het appressorium ontstaat een infectieuze hyfe die door middel van mechanische scheuring van de cuticula de waardplant binnendringt. Na de penetratie worden er tussen de cuticula en de epidermale lagen blaasjes gevormd. Uit deze blaasjes ontstaan weer hyfen die zich vertakken en inter- en intracellulair uitgroeien. Plaatselijk treden er verdichtingen van het mycelium op. Deze verdichtingen verharden zich en vormen sclerotien. De sclerotien komen in de grond terecht en de cyclus is gesloten. De kolonisatie van het planteweefsel wordt vergemakkelijkt door de produktie van stoffen die een rol spelen in het ziekteproces. Zo vormt W. sclerotiorum o.a. endo- en exopolygalacturonase, pectine-methylesterase en oxaalzuur. M.b.v. deze stoffen wordt de celwand afgebroken en ontstaat het waterig rot. W. sclerotiorum kan tijdens elke fase van zijn levenscyclus microconidien vormen. Microconidien zijn kleine conidien die zich als spermatien gedragen, maar ook kunnen kiemen en een mycelium vormen. Men heeft tot nu toe de functie van deze microconidien niet kunnen vaststellen. W. sclerotiorum vormt geen (macro-)conidien en heeft daardoor geen repeterende infectiecyclus tijdens het groeiseizoen (de bovenste helft van figuur 5.4. geldt dus niet voor W. sclerotiorum). 5.6. Epidemiologic De verspreiding van Whetzeliana sclerotiorum vindt hoofdzakelijk via de sclerotien plaats. De sclerotien kunnen bij het oogsten in het zaad of op de grond terecht komen. Via het zaad kunnen sclerotien over grote afstand worden verspreid. De op de grond terecht gekomen sclerotien kunnen hooguit over het veld en in het bodemprofiel worden verdeeld door grondbewerkingen. In de bodem kunnen de sclerotien een aantal jaren overleven. De overlevingsduur van sclerotien op verschillende dieptes wordt bepaald door: 1. de temperatuur; 2. het vochtgehalte van de grond. - 51 - CSSS3 Figuur 5 . 1 . V e r s c h i l l e n d e typen opening b i j een a s c u s . A: geen o p e n i n g ; B: p o r u s ; C: operculum Ascus Ascospore Parsphysi* Hypothecium EcUl excipulum (detail) Apothecium Medullary excipulum Figuur 5.2. Dwarsdoorsnede door een apothecium. Het vruchtlichaam bestaat uit verschillende celweefsels 1 •£: Vl II Figuur 5.3. Sclerotien gevormd door de rattekeutelziekte - 52 - Levenscyclus-patroon van de Euascomycet idae Conidien Kieming Conidioforen Mycelium Kieming (Ascocarp) \ / Gametangien Ascosporen 4 1 „M .i t,o„s e. Meiose Jonge DIPLOPHASE asci \ Karyogamie Figuur 5.4. 1 1 HAPLOPHASE | I I ^ Gameten 5=a: : = ===fe. Plasmogamie Ascogene / hyfen Ascus m o e d e r e e l - 53 Sclerotien overleven goed in bodems met een temperatuur tot 30° en een vochtgehalte boven 30% van de watercapaciteit. In grond verzadigd met water sterven sclerotien af ten gevolge van zuurstofgebrek. Dit laatste komt vaak voor bij sclerotien op grote diepte. Sclerotien die zich op of vlak bij het grondoppervlak bevinden lopen ook een groter risico af te sterven, dan sclerotien op geringe diepte. Als grond met sclerotien aan de lucht wordt gedroogd en weer wordt vochtig gemaakt gaat de inoculumdichtheid achteruit. De oorzaken hiervan zijn dat de sclerotien voedingsstoffen lekken en door bodem mi'croorganismen worden aangetast. Het aantal sclerotien dat nodig is om een merkbare infectie te krijgen is niet bekend. Waargenomen inoculum hoeveelheden zijn: 0,7 sclerotien/ m2 en 1-3 sclerotien per kg grond. Infecties vanuit de sclerotien vinden hoofdzakelijk plaats via de ascosporen. Infecties door mycelium vinden weinig plaats aangezien het mycelium in steriele grond maar een lengte van 30 mm kan bereiken en in niet steriele grond maar een lengte van 5 mm. Daarnaast is de kans dat een sclerotium in contact komt met de plant erg klein. De mate van infectie door de ascosporen wordt indirect bepaald door de apothecienvorming. De apothecien zijn in het voorjaar en de zoraer, tot en met augustus, te vinden. In het voorjaar (maart/april) stimuleert een gemiddelde bodemtemperatuur van 6-10°C de kieming van de sclerotien, zodat er begin mei apothecien gevormd worden (zie figuur 5.5.). Treedt er echter tijdens maart en april een koude periode op dan kan een vertraging van de apothecienvorming van 3-6 weken optreden. Behalve de temperatuur is ook de grondvochtigheid belangrijk voor de vorming van de apothecien. In een droge bodem vormen de sclerotien geen apothecien; zo wordt in een kleigrond met een vochtgehalte van 12% de apothecienvorming geremd. Behalve de apothecienvorming hebben ook de sporulatie en de weersomstandigheden invloed op de mate van infectie door de ascosporen. Apothecien sporuleren 2-17 dagen, met een gemiddelde van 9 dagen. Nadelig voor de sporulatie is een droge periode eind mei of in juni, maar ook een periode van aanhoudende regen. In een droge periode verdrogen de apothecien en verspreiden veel minder ascosporen. Aanhoudende regen veroorzaakt uitspoeling van de ascosporen uit de apothecien waardoor zij onschadelijk worden. Tijdens de sporulatie worden de ascosporen door de asci over een afstand van 10-15 cm weggeschoten, waarna ze verder door de wind verspreid worden. De meeste ascosporen worden dicht bij de verspreidingsbron afgezet. Infectie van gewassen is maar tot 0,8 km van de bron waargenomen. De ascosporen behouden tijdens het transport hun levensvatbaarheid aangezien ze een lange levensduur hebben en erg resistent zijn tegen droogte en U.V.-straling. Ascosporen kunnen bij uiteenlopende temperaturen kiemen. De optimale kiemingstemperatuur is 20-25°C. Voor de kieming is een waterfilm op de planten nodig, die een bepaalde tijd aanwezig moet blijven. Sommige auteurs noemen een tijd van 39 a 42 uren (= lj a 2 dagen). Aantastingen door ascosporen vinden vaak op de Stengel plaats. Vooral bladoksels en vertakkingen, waarin afgevallen bloemblaadjes terecht zijn gekomen, zijn gunstige infectieplaatsen. Wisselvallig weer, waarin periodes van overvloedige regenval afwisselen met droge periodes is erg gunstig voor infectie door W. sclerotiorum. Tijdens de droge periodes kan de sporulatie en depositie plaatsvinden, tijdens de regenval de infectie. Verdere uitbreiding van de aantasting - 54 - door conidien treedt niet op. In drogere jaren bepaalt daarom de ascosporeninfectie in mei-juni het aantastingsbeeld. In nattere jaren komen bij legering van het gewas zieke planten in contact met gezonde planten en kunnen de gezonde planten via het mycelium geinfecteerd worden. Op deze wijze ontstaan er in het gewas duidelijke infectiehaarden. 5.7. Invloed op de opbrengst Aantastingen door Whetzeliana sclerotiorum komen niet zo vaak voor. Hierdoor zijn er weinig gegevens voorhanden over opbrengstverliezen van door rattekeutelziekte aangetaste koolzaadgewassen. In Flevoland blijft de opbrengstderving door rattekeutelziekte bij de intensieve teelt duidelijk beneden 5% (1980). In Frankrijk (Cher) trad in 1971 een zware aantasting door de rattekeutelziekte op. Bij de aangetaste percelen werd een stengelaantasting van 30 a 50% en meer dan 50% van de planten vastgesteld. Dit leidde tot een opbrengstderving van 200-800 kg/ha bij een totaalopbrengst van 2.440 kg/ha. Een aantasting van meer dan 50% kwam op ca. 27% van de percelen voor. De koolzaadplanten die aan de Stengel aangetast zijn sterven voortijdig af of worden noodrijp. De noodrijpe planten hebben zaden met een laag duizendkorrelgewicht die bij de oogst verloren gaan omdat de verdroogde hauwen voortijdig openspringen. Bij een vroege stengelaantasting gaat de gehele plant voor de oogst verloren. Bij late stengelaantasting kan de plant normaal geoogst worden, maar het duizendkorrelgewicht van de zaden is lager dan de gemiddelde waarde. De meeste stengelaantastingen leiden tot het noodrijp worden van de planten en daardoor tot een vermindering van de opbrengst. Aantasting van de hauwen leidt tot geringere opbrengstverliezen omdat de niet aangetaste hauwen nog wel zaden kunnen vormen. 5.8. Bestrijding Maatregelen ter bestrijding van Whetzeliana sclerotiorum zijn in te delen in: - cultuurmaatregelen; - vruchtwisseling; - gebruik van antagonisten; - chemische bestrijding; - gebruik van resistente rassen. Deze maatregelen zijn ook in te delen als: het vernietigen van de sclerotien of het verhinderen van hun kieming, het beschermen van de koolzaadplanten en het kiezen van resistente rassen. De sclerotien vormen de belangrijkste infectiebron. De meest radicale bestrijdingsmiddelen zijn die middelen die de sclerotien zouden kunnen vernietigen. Bij het oogsten van koolzaad komen er door het dorsen sclerotien op de grond terecht. Daarbij blijft een deel van de sclerotien die in een aangetaste plant gevormd zijn door de holle Stengel in de stoppel achter. Bij het onderploegen van de stoppel komen de sclerotien in de grond terecht. Een bestrijding van de sclerotien is diepploegen omdat op grote diepte de sclerotien eerder afsterven als gevolg van zuurstofgebrek. Ook kunnen de sclerotien op grote diepte geen apothecien vormen en het koolzaad dan ook niet infecteren. Deze methode van bestrijding blijkt in de praktijk niet te voldoen omdat andere cultuurmaatregelen nodig zijn tijdens het verbouwen van koolzaad, die de sclerotien weer in hogere grondlagen brengen. - 55 - LEVENSCYCLUS Whetzeliana sclerotiorum op van winterkoolzaad infectie ascosporen ••••'.">."•'• • • •» -. **• : . liVJVverschijnen van sympthomen apothecien LENTE HERFST & ZOMER & WINTER sclerotien oogsten onderploegen stoppels vorming van sclerotien in Stengel en hauwen Figuur 5.5. - 56 - De sclerotien kunnen in de grond meer dan 6 jaar kiemkrachtig blijven. Dit betekent dat een effectieve vruchtwisseling een rotatie van meer dan 6 jaar moet inhouden. Meestal wordt daarom een rotatie van 8 jaar aangehouden. Bij deze rotatie moet wel rekening worden gehouden met de polyfaagheid van de schimmel. Gewassen die voor de vruchtwisseling gebruikt kunnen worden zijn de granen, omdat ze niet door W. sclerotiorum aangetast worden. Veel bodem micro-organismen kunnen een degradatie of het niet kiemen van de sclerotien veroorzaken. Geen van deze antagonisten is echter tot nu toe met succes gebruikt ter bestrijding van de rattekeutelziekte onder veldomstandigheden. Chemische bestrijding van de sclerotien zou mogelijk kunnen zijn door middel van grondontsmetting. Dit is echter onder praktijkomstandigheden onuitvoerbaar en te kostbaar. Andere mogelijkheden van chemische bestrijding zijn bescherming en zaaizaadontsmetting. Zaaizaadontsmetting wordt in de praktijk toegepast, maar is waarschijnlijk niet zo effectief omdat de planten hierdoor niet beschermd worden tegen aantasting via de sclerotien (apothecien). Bescherming van de koolzaadplanten tegen aantasting door W. sclerotiorum door chemische middelen hangt af van de tijd van toepassing en de doordringbaarheid van het gewas. Omdat de schimmel een langdurige natte periode (ca. 42 uur) nodig heeft valt te overwegen de planten vlak na zo'n periode te bespuiten. De fungiciden hebben een optimale werking als ze worden toegepast in de periode: 15 dagen voor tot 4 dagen na infectie. Als er pas gespoten wordt op het moment dat de symptomen zichtbaar zijn, is de bespuiting te laat om nog effect te hebben op de schimmel. Om zeker te zijn van een goede chemische bestrijding moet er preventief gespoten worden, al dan niet aan de hand van de weersvoorspellingen. Het probleem blijft hierbij of de bespuiting rendabel zal zijn. Indien een bespuiting nodig is moet deze voor mei/juni uitgevoerd worden. Spuiten na half mei betekent dat het koolzaad een hoog gewas vormt en dat er t.g.v. spuitsporen verliezen van 300 a 400 kg/ha kunnen ontstaan. Daarbij moet het fungicide op de Stengel terecht komen, wat gezien de dichte structuur van het gewas moeilijk realiseerbaar is. Spuiten begin mei betekent dat het onzeker is of er infectie optreedt en dus onzekerheid over het rendement. Fungiciden die gebruikt kunnen worden zijn Ronilan en Rovral. Resistente rassen zijn tot nu toe niet gevonden. Rekening houdend met de polyfaagheid van de schimmel is het duidelijk dat resistentie moeilijk te vinden is. Er wordt op dit moment veel onderzoek naar resistente rassen gedaan omdat resistentie een goede oplossing is voor de problemen die bij het voorkomen van infectie bestaan. De conclusie is dat de rattekeutelziekte moeilijk te bestrijden is. Een combinatie van vrij diep ploegen, vruchtwisseling en schoon zaaizaad zal veelal aantasting voorkomen. 5.9. Literatuurlijst Adams, P.B., 1975. Factors affecting survival of Sclerotinia sclerotiorum in soil. Plant disease Reporter 59, 7, pp 599-603. Alexopoulos, C.J., 1962. Introductory Mycology. New York pp 217-345. Bessey, E.A., 1950. Morphology and taxonomy of fungi. Toronto pp 232-233. - 57 Dennis, R.W.G., 1960. British cup fungi and their allies. An introduction to the Ascomcetes. London p 58-61 Glemas, P., 1981. Colza et Tourne'sol: traitements fongicide; la sclerotiniose. Cultivar, april, p 107-109. Guillaumin, J.J., 1976. Le tournesol, une culture en extension, et ses maladie cryptogamique. Phytoma-Defense des cultures vol. 28, p. 5-11. Kriiger, W., 1976. Die wichtigsten Wurzel- und Stengelkrankheiten des Rapses in Deutschland. Gesunde Pflanzen 28,4. Kriiger, W., 1980. Wurzel- und Stengelkrankheiten des Rapses. Kali-Briefe (B'untehof) 15, 3, s 179-192. Maas Geesteranus, H.P., I960. Verslag Werkzaamheden. Stichting Oliehoudende zaden. Mededeling no. 6. biz. 16-17. Maas Geesteranus, H.P., 1964. Verslag Werkzaamheden. Stichting Oliehoudende zaden. Mededeling no. 7. biz. 26-29. Schwartz, H.F. and J.R. Steadman, 1978. Factors Affecting Sclerotium Populations of, and Apothecium Production by, Sclerotinia sclerotiorum. Phytopathology 68, 3, pp 383-388. Schwartz, H.F. and G.E. Galvez, 1980. Bean production problems. Disease, Insect, Soil and Climatic Constraints of Phaseolus vulgaris Chapter 7: White^Mold. pp 113-126. Columbia. Sclerotinia, sclerotina sclerotiorum CETIOM - 58 - 6. PROEF TER BESTRIJDING VAN SPIKKELZIEKTE EN RATTEKEUTELZIEKTE IN WINTERKOOLZAAD 6.1. Inleiding In 1952 heeft de spikkelziekte flinke schade veroorzaakt in de winterkoolzaadteelt in de Usselmeerpolders. Sindsdien is de spikkelziekte niet meer in zo'n ernstige mate voorgekomen; waarschijnlijk is dit een gevolg van de zaadontsmetting met kwik, die men is gaan toepassen. De laatste 2 jaren treedt de spikkelziekte echter weer in hevige mate op. Behalve de spikkelziekte treedt ook de rattekeutelziekte de laatste 2 jaren in hevige mate op. Ernstige aantastingen door de rattekeutelziekte zijn in voorgaande jaren niet gemeld in de Usselmeerpolders. Hoe groot de opbrengstderving t.g.v. een aantasting door de rattekeutelziekte kan zijn is daarom niet bekend. Deze proef is uitgevoerd om inzicht te krijgen in de schade die de spikkelziekte en de rattekeutelziekte kunnen veroorzaken en in de methoden van chemische bestrijding die aantasting kunnen voorkomen. 6.2. Materiaal en methoden De bestrijdingsproef is uitgevoerd door de afdeling Gewasbescherming en de proefboerderij "De Schreef" van de Rijksdienst voor de Usselmeerpolders op kavel QZ 16 in Zuidelijk Flevoland. Op QZ 16 zijn van 1971 tot 1976 in een 3-jarige rotatie wintertarwe, zomergerst en koolzaad geteeld. Van 1977 tot 1980 is er wintertarwe, zomergerst, zomergerst en koolzaad verbouwd. QZ 16 is als proefveld gekozen omdat in 1980 het koolzaad er sterk was aangetast door de spikkelziekte en de rattekeutelziekte. De proef bestaat uit 45 objecten met 3 herhalingen. De objecten worden gekenmerkt door: 1. zaaizaadbehandeling I geen behandeling II behandeld met Aabiton(3 cc/kg zaad) III behandeld met Rovral (3 cc/kg zaad) I, II en III zijn behandeld met Gamma.col (30 ml/kg zaaizaad) tegen aardvlooien; 2. fungicide bespuiting(en): 1. onbehandeld 2. met Rovral (iprodion) 3. met Bavistin (carbendazim) 4. met Ortho Difolatan (captafol) 5. met Ronilan (vinchlozolin); 3. bespuitingstijdstip: a. begin mei, (vlak) voor de bloei b. na de bloei, jonge hauwen gevormd c. op beide tijdstippen. De proef is verdeeld in 135 proefveldjes van 15,5x5ra.Voor een verdeling van de objecten over deze veldjes zie figuur 6.1. De proef is uitgevoerd met het winterkoolzaadras Rafal. Het koolzaad is gezaaid op 23 augustus 1980 met een rijenafstand van 25 cm. Bij het zaaien is uitgegaan van 3 partijen zaaizaad, met de bovengenoemde zaaizaadbehandelingen. Met elke partij is een strook van het proefveld ingezaaid, waarbij indeling in kleine proefveldjes na de winter is uitgevoerd door de tussenliggende planten te maaien. De bespuitingen met fungiciden zijn op 14 april 1981 en op 27 mei 1981 uitgevoerd. Per behandeling is gebruikt: Rovral 50% spuitpoeder 1 kg/ha, Bavistin spuitpoeder 1 kg/ha, Ortho Difolatan spuitpoeder 2 kg/ha en Ronilan spuitpoeder 1,5 1/ha. De objecten zijn bespoten met 430 1/ha met een proefveld-spuitmachine. - 59 - De bespuiting op 14 april heeft plaatsgevonden bij schraal, zonnig weer met een matige N.O.-wind (4 m/s), een temperatuur van + 14°C en een relatieve luchtvochtigheid van 60%. Op 14 april bloeiden bij enkele koolzaadplanten de eerste bloemtrossen. De bespuiting op 27 mei heeft plaatsgevonden bij bewolkt weer, met een matige W.N.W.-wind, een temperatuur van + 15°C en een relatieve luchtvochtigheid van 70%. Op 27 mei waren bij de koolzaadplanten de hauwen net gevormd. Het koolzaad is op 6 juli 1981 gezwadmaaid en op 23 juli (objecten I en II) en 27 juli (object II) gedorst. Object II werd onder minder goede omstandigheden gedorst. Aan de planten zijn de volgende waarnemingen verricht: 1. bepalen van de mate van aantasting door Alternatia brassicae en A. brassicicola; 2. bepalen van de mate van aantasting door Whetzeliana sclerotiorum; 3. bepalen van de opbrengst. De mate van aantasting door Alternatia brassicae en Alternaria brassicicola is bepaald.door de 3 randrijen te beoordelen. Op 15 juni, 22 juni en 6 juli 1981 is dit gedaan door de mate van aantasting met een cijfer van 0 tot 10 aan te duiden (0 = niet aangetast; 10 = zwaar aangetast). Bij twijfel is een extra gradatie, in de vorm van een half punt, gebruikt. Op 29 juni is bij 10 planten (per proefveldje) de mate van aantasting beoordeeld. Gekeken werd naar de aantasting van de Stengel en van de hauwtjes (ca. 100 hauwtjes zijn beoordeeld per 10 planten). Deze beoordelingen zijn door meerdere personen uitgevoerd. Dit heeft als gevolg dat de resultaten hierdoor beinvloed kunnen zijn, waardoor (kleine) verschillen een gevolg kunnen zijn van deze werkwijze. De mate van aantasting door Whetzeliana sclerotiorum is bepaald aan de hand van stoppelresten. Per 0,25 m2 grondoppervlak is het totaal aantal stoppels en het aantal aangetaste stoppels geteld. De opbrengst is per proefveldje bepaald, waarbij de buitenste 3 rijen buiten de bepaling vielen. Deze rijen zijn buiten de bepaling gehouden om te voorkomen dat er randeffecten zouden optreden en omdat deze planten gebruikt zijn om de mate van aantasting te bepalen. De opbrengst is van een oppervlakte van 15,5x3,5 m bepaald. 6.3. Resultaten De cijfermatige beoordeling van de spikkelziekte (A. brassicae en A. brassicicola) is weergegeven in tabel 6.1. Algemeen blijkt er uit dat: a. de mate van aantasting voor de gehele proef tussen 0,5 en de 7,5 ligt; b. bijna elk object in de loop van de tijd een toename van de aantasting te zien geeft; c. de onbespoten objecten van I, II en III ongeveer dezelfde mate van aantasting te zien geven, waardoor er geen duidelijke verschillen in de mate van aantasting bestaan tussen de verschillende zaaizaadbehandelingen; d. er duidelijke verschillen bestaan in de mate van aantasting tussen objecten met een verschillend tijdstip van bespuiten; e. er duidelijke verschillen bestaan in de mate van aantasting tussen objecten behandeld met verschillend fungicide. Ad. a. Het verschil in de mate van aantasting is ook duidelijk zichtbaar aan de kleur van het gewas. De licht aangetaste planten zijn veel groener dan de zwaar aangetaste planten. - 60 M M H o cr w < 3 < 0 \ [U\ 0 \ O* OV ^ a rl ro 3 cr i—1 3 O CU\ fD HD.- ro S to •p- rs H n N a. H. fD rr Ha" 3 - - 1—' OX) o ro eg to cn fD r r H- r - 0 adb ft> LO >J 03 f0 cn X> C 3 ro B cr o H <• <Q_.. cr »-• r o — cn + + H o U) Ld 3 n o P- CO oo 1 — tori .p1 m CO 1 CO < Hi •P- TO H OJ CJ ro o* ro w ro n LO n to to s ro - J .p. r t i 1 H. H - Ln -P-T5 1 I •P- Ut IJI LO LO p» r""« *1J TO O Ln •p- n LO •P- U1 Ln to IB cr H< rt i— •J 3 c CO <: H IB 7T 7T ro to .p- co Ln Ln Co ro in •P-to r o (u I 00 DQ W ~J Ln I Ln a4 — O — cr ro u" 00 c n .c- L O 50 O o n 3 rr p- cr H O to 3 O H< Iti (-• O 1 C t• ca rr i_n to O 3 O C» 09 O H- •fc- Ln ro LO LO •P- LO Ln .p- to Ln to LO LO LO Ln CT ro Ln r o — cn CD JO ca o <J < H » B rt H H3 Ln o L n S-S o 5^3 cn X) Cn • 13 - 3 • • T3 • CO CO •3 1 o rt fD co 3 3 fD rt Ln o co to tO •P- LO ro Ln LO LO to P- O cr .P- o •• to •p- Ln •P- --,s-a 1 r- (0 •o •p- u Lo p- c/i ^ 00 ^ a 3" to to * - pr 00 (JO a* to a- Ln M to O" Ln to •P- •P- Ln ro ro Lo Co n Ln •P- to n -P- to Ln Ln ro CO to to CO Ln -p- Ln n LO n Ln 01 LO Figuur 6 . 1 . & TO » > — n> 3 ro a. ca a" - 61 - Ad. b. Alle waarnemingen zijn gedaan nadat de behandelingen uitgevoerd waren. Mogelijke oorzaken voor uitbreiding van de aantasting zijn: 1. het fungicide werkt niet tegen de spikkelziekte; 2. het fungicide beschermt de koolzaadplanten maar gedeeltelijk tegen de spikkelziekte; 3. het fungicide heeft een beperkte werkingsduur, waardoor een extra bespuiting nodig was. Een algemene oorzaak is niet aan te geven omdat de behandelingen per object in grote mate verschillen. Ad. c. De onbehandelde objecten geven het resultaat van de zaadontsmetting weer. Het feit dat er weinig verschil in aantasting is bij deze objecten toont aan dat zaaizaadontsmetting met de gebruikte fungiciden weinig effect heeft op de spikkelziekte. Ook blijkt eruit dat het economisch rendement van de zaaizaadbehandeling laag is. Ad. d. De behandelde objecten a vertonen een veel grotere aantasting dan de objecten b en c. Dit toont aan dat de eerste bespuiting weinig effect heeft gehad op de spikkelziekte. De tweede besouiting heeft wel effect gehad. Tussen b en c zijn geen duidelijke verschillen in de mate van aantasting. Er is bij object c dus geen sprake van een cumulatief effect van de beide behandelingen. Ad. e. Vergeleken met de onbehandelde objecten (1) vertonen de behandelingen met Rovral (2) en Ortho Difolatan (4) de minste aantasting. Dit verschil is het duidelijkst bij de tweede bespuiting. Na de eerste bespuiting vertoont Ronilan (5) de minste aantasting. De behandeling met Bavistin vertoont dezelfde mate van aantasting als de behandelde objecten. Opgemerkt moet wel worden dat alle koolzaadplanten in meer of mindere mate aangetast waren door de spikkelziekte. De beoordeling van de Stengels en hauwen op aantasting door de spikkelziekte (tabel 6.2. en 6.3.) geeft dezelfde tendens te zien als de cijfermatige beoordeling. Dit geldt voor zowel de Stengel als de hauwaantasting. Bij deze beoordeling is vanwege tijdgebrek alleen gekekert naar objecten van zaaizaadbehandeling I en III. De resultaten geven duidelijk weer, dat de behandelingen met Rovral en Ortho Difolatan de minste aantasting vertonen, waarbij de bespuiting op 26 mei veel effectiever is geweest dan de bespuiting op 14 april. Opvallend is dat in deze resultaten Ronilan (waarvan geen effect tegen Alternatia werd verwacht) ook een geringe tot matige aantasting vertoont. Uit deze resultaten blijkt ook, dat geen van de toegepaste behandelingen een volledige bescherming tegen de spikkelziekte biedt. De opbrengstcijfers zijn in overeenstemming met het boven beschreven beeld (tabel 6.4.). De (geringe) aantasting leidt bij enkele behandelingen tot een duidelijk hogere opbrengst (tot 21% hoger dan bij de onbehandelde). De opbrengstcijfers geven voor sommige objecten een vrij grote variantie. Dit doet over het algemeen geen afbreuk aan de conclusie dat van de 4 gebruikte fungiciden Rovral en Ortho Difolatan de spikkelziekte het beste bestrijden. De bepalingen van de mate van aantasting door de rattekeutelziekte (Whetzeliana sclerotiorum) uitgevoerd na de oogst leidden tot 0% aan- - 62 - tasting. De beoordeling na het maaien kan als nadeel hebben dat aantastingen boven een hoogte van 20 a 25 cm niet kunnen worden waargenomen. Bij eerdere beoordelingen aan het gewas konden wel enkele aangetaste planten worden waargenomen. Exacte tellingen zijn echter niet uitgevoerd. Conclusies over de werking van de fungiciden op rattekeutelziekte zijn niet te trekken omdat de invloed van de enkele aangetaste planten op de opbrengst niet is na te gaan. 6.4. Conclusies en discussie Uit de resultaten is te r.oncluderen dat de zaaizaadbehandeling weinig effect heeft gehad op de spikkelziekte. Deze conclusie sluit goed aan bij het gegeven dat de infectie in het begin van het groeiseizoen hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door sporen die afkomstig zijn van afgestorven bladmateriaal. Toch moet deze conclusie met de nodige voorzichtigheid betracht worden, omdat er in deze proef alleen maar gekeken is naar aantasting van volgroeide planten. Zaaizaadbehandeling werkt echter vooral tijdens de kieming door de kiem en de kiemplant tegen aantasting te beschermen. D.m.v. zaaizaadbehandeling kan voorkomen worden dat kiemplanten wegvallen. Het wegvallen van kiemplanten leidt tot minder planten per m2 en kan tot een lagere opbrengst leiden als de omringende planten het verlies niet kunnen goedmaken. De objecten waarvan het zaaizaad behandeld is met Rovral hebben ongeveer dezelfde opbrengsten als de objecten met onbehandeld zaaizaad. Aangezien er geen lagere opbrengst waargenomen is kan worden geconcludeerd dat het rendement van de behandeling erg klein was. Het tweede bespuitingstijdstip (27 mei) heeft een betere bescherming tegen de spikkelziekte gegeven dan het eerste. Dit blijkt zowel uit de mate van aantasting als uit de opbrengsteijfers. De vroege bespuiting met Rovral, Ortho Difolatan en Ronilan heeft (gemiddeld over de 3 zaaizaadbehandelingen) respectievelijk 5, 2 en 4% opbrengstverhoging tot gevolg gehad. De late bespuiting met dezelfde middelen heeft een opbrengstverhoding van respectievelijk 14, 12 en 8% tot gevolg gehad. De belangrijkste oorzaak hiervan was dat de weersomstandigheden half april niet gunstig waren voor de ontwikkeling van de spikkelziekte. Na de tweede bespuiting waren de weersomstandigheden wel gunstig. De eerste bespuiting geeft wel een kleine invloed op de opbrengst te zien. Dit kan een gevolg zijn van een vermindering van de inoculumdichtheid. Bij de objecten die op beide tijdstippen zijn bespoten komt dit effect niet duidelijk tot uiting. De bespuitingen in deze proef zijn uitgevoerd met een proefveldspuitmachine waarbij de objecten door brede paden van elkaar gescheiden zijn. Het gevolg van deze brede paden is, dat er geen opbrengstverliezen zijn door spuitsporen. Een bestrijding uitvoeren in een koolzaadveld na de bloei heeft als nadelen:l. verliezen t.g.v. spuitsporen; 2. het middel bereikt moeilijk de plantedelen die het moet beschermen. Ad. 1. Verliezen t.g.v. spuitsporen kunnen 300 a 400 kg/ha (= / 300 a / 400 per ha) bedragen. Dit betekent dat het rendement van de bespuiting erg groot moet zijn als men dit verlies wil compenseren. Een andere manier van bestrijding is m.b.v. een vliegtuig spuiten. De ligging van het veld moet zich hiervoor lenen. Daarnaast - 63 - is het de vraag of het middel de te beschermen plantendelen dan bereikt. Ad. 2. Na de bloei is het koolzaad erg uitgestoeld en vormt een hoog en dicht gewas. Het wordt daardoor erg moeilijk effectieve bespuitingen uit te voeren tegen een stengelaantasting. Een bestrijding van de spikkelziekte v86r de bloei heeft als nadelen dat de ziekte nog niet in het gewas aanwezig is, waardoor de bestrijding preventief wordt uitgevoerd. Het is hierdoor op het tijdstip van bestrijding niet bekend of de ziekte zal gaan optreden en wat het rendement van de bespuiting is. Daarnaast worden chemische bestrijdingsmiddelen in het milieu gebracht zonder aanwijsbare noodzaak. Het juiste bestrijdingstijdstip is uit de weergegevens af te leiden. De mate van aantasting en het opbrengstverlies zijn moeilijker te voorspellen. Dit betekent dat een bespuiting op grond van de weersomstandigheden alleen een onzekerheid vertoont met betrekking tot de rentabiliteit. Wachten op een geringe aantasting verkleint de onzekerheid, maar vraagt een intensieve observatie van het gewas. Uit de resultaten blijkt, dat Rovral en Ortho Difolatan de beste bescherming en het beste opbrengstresultaat geven. Gezien de kosten van de r-iddelen (bij Rovral lx / 105,—/kg = / 105,—/ha en bij Ortho Difolatan 2x / 32,—/kg = / 64,—/ha) en de opbrengstverhoging van respectievelijk 14 en 12% (= 410 en 370 kg koolzaad per ha) is de late bespuiting rendabel geweest. Bavistin en onbehandeld geven de slechtste resultaten. Ronilan neemt een tussenpositie in en heeft hogere opbrengsten gegeven dan verwacht kon worden gezien de mate van aantasting. Ook de late bespuiting met Ronilan is rendabel geweest gezien de kosten van de bespuiting (1,5 x / 86,—/j = / 129,—/ha) en de opbrengstverhoging van 8% (= 250 kg koolzaad per ha). Wat betreft de werking van deze fungiciden tegen de rattekeutelziekte valt er uit deze proef niets te concluderen. Op QZ 16 zijn dit jaar niet veel planten aangetast door deze schimmel, maar op andere kavels wel. In gedachten houdend dat de rattekeutelziekte ook aardappelplanten aantast en dat de sclerotien meer dan 6 jaar kiemkrachtig kunnen blijven is uitgebreid onderzoek naar de bestrijding van de rattekeutelziekte wel gewenst. - 64 - Tabel 6.1. Mate van aantasting van winterkoolzaad (Rafal) door Alternaria brassicae en A. Brassicicola beoordeeld op 3 tijdstippen (15 juni, 22 juni en 6 juli 1981) Object Aantasting Object 15-6 22-6 6-7 Aantasting Object 15-6 22-6 6-7 Aantasting 15-6 22-6 6-7 I I I I I la 2a 3a 4a 5a 3,5 2,5 4,5 2,5 3 6 6 6 5,5 5,5 7 6,5 7 6,5 6,5 II II II II II la 2a 3a 4a 5a 4.,5 2,,5 4,,5 4 3 5,5 3,5 5 6,5 4,5 7,5 5 7 7 6,5 III III III III III la 2a 3a 4a 5a 5,5 3,5 6 5 4 6,5 3,5 5,5 6 5 7,5 7 7,5 7 6,5 I I I I I lb 2b 3b 4b 5b 4,5 1 3,5 1 2 6 1 5,5 2 3 6,5 3 6,5 5 5 II II II II II lb 2b 3b 4b 5b 3 0,.5 4 1 1 5,5 2 5,5 1 3,5 7 2,5 6,5 2,5 4,5 III III III III III lb 2b 3b 4b 5b 5,5 1 3,5 2,5 4 6,5 2,5 5 2,5 4,5 7,5 2,5 5,5 2,5 6 I I I I I 1c 2c 3c 4c 5c 4 1 4 1,5 1,5 4 0,5 A,5 1,5 3,5 7 2,5 7 3,5 5 II II II II II 1c 2c 3c 4c 5c 4 6 1,5 5,5 1 3,5 7,5 2 7,5 2,5 5 III III III III III lc 2c 3c 4c 5c 6 1,5 5 1,5 2,5 6,5 1,5 6,5 1,5 4,5 7,5 2,5 7 2,5 5 o,,5 3,,5 1 1,5 Tabel 6.2. Het aantal koolzaadplanten aangetast door Alternaria Brassicae en A. Brassicicola bepaald aan ca. 30 planten: de mate van stengelaantasting Object Aantasting van de sten gel (aantal) - + + ++ Object Aanta:;ting van de s tengel (aantal) - + + ++ I I I I I la 2a 3a 4a 5a 0 0 0 0 0 18 19 4 7 20 11 10 9 17 5 1 0 17 6 5 III III III III III la 2a 3a 4a 5a 0 0 0 0 0 0 4 3 2 3 2 15 14 15 15 28 11 12 13 11 I I I I I lb 2b 3b 4b 5b 0 0 0 0 0 9 25 0 23 19 9 3 12 7 9 12 0 18 0 1 III III III III III lb 2b 3b 4b 5b 0 1 1 0 0 6 24 13 21 17 13 4 5 8 11 11 1 10 0 1 I I I I I lc 2c 3c 4c 5c 0 0 0 0 0 7 28 4 12 13 13 1 15 13 12 10 0 10 4 3 III III III III III lc 2c 3c 4c 5c 0 0 0 1 0 2 26 1 18 19 14 3 16 10 7 14 0 13 0 3 - 65 - Tabel 6.3. Het aantal koolzaadplanten aangetast door Alternaria brassicae en A. brassicicola bepaald aan ca. 30 planten: de mate van hauwaantasting Object I I I I I la 2a 3a 4a 5a I I I I I lb 2b 3b 4b 5b I I I I I lc 2c 3c 4c 5c Aantasting van de hauwen + + Obj.2Ct (%) ++ Niet Totaal 3,9 5,1 6,5 3,3 3,2 96,1 94,9 93,5 96,7 96,8 45,0 36,5 25,4 30,0 46,7 29,6 37,4 36,9 41,7 35,9 21,5 21,0 31,1 25,0 14,2 Ill III III III III la 2a 3a 4a 5a 4,2 95,8 41,7 94,5 71,0 92,8 23,2 40,1 31,3 48,1 51,7 53,3 19,4 45,0 17,0 31,2 18,2 III III III III III lb 2b 3b 98,7 62,4 93,9 66,8 94,4 45,1 50,0 26,1 35,8 37,8 36,7 16,8 9,7 2,8 47,9 19,6 44,3 19,9 11,5 12,3 48,3 5,5 29,0 7,2 1.3 37,6 6,1 33,2 5,6 1,6 0 5,9 9,8 III III III III III 4b 5b lc 2c 3c 4c 5c Aantasting van de hauwen + (%) Niet Totaal 0,8 2,8 0,2 6,4 1,7 99,2 97,2 99,8 93,6 98,3 17,0 35,2 10,5 29,1 18,8 48,1 41,7 33,6 42,0 35,9 34,0 20,3 55,9 22,6 43,7 0,4 99,6 63,3 83,1 57,7 78,9 22,7 45,0 37,5 48,2 59,0 49,5 13,0 33,7 27,4 8,2 1,3 2,7 93,6 61,8 95,4 56,1 82,4 35,0 48,4 30,5 37,1 56,7 38,2 10,3 33,3 15,0 22,8 36,7 16,9 42,3 21,1 6,4 38,2 4,6 43,9 17,6 + 17,3 ++ 5,4 11,9 17,3 3,2 31,7 4,0 2,9 - 66 - X 01 T3 o — o o r-- CS ~3 O - J N CM OH o — — o o — CM 00 • * CT> O IT) O oo ON C I m Ol —o O O — ON O I N O l cr. — c •H o in 01) C 01 Li 43 O. 43 crj •H o h rt X 01 T3 o uo I O m - J vo ON — o\ — o c 0J 00 4<S a o o 3 O O r-» ON m — oo CN ON O O — CS cs o cs — cs o +I+I+I+I+I • 1+1+l+l+l c i - j - co as cs in vc co — r— A M O - t « A oco A ci co c i cn cn cn CO 43 43 43 43 43 o — CS -a- m — cs c i sr in 0) •H M M M M M H H M M IH M H M K O 00 OJ o 8 CO III •t-l m o i"^ + 1+1+ l + l + l co rt u-i oo cs o o co o> — o — o •l-l u rt cjj U a) o 31,2 31,5 30,1 31,9 32,4 cO O •H 0) B cfl H H r. r. r, i~ . ON in ON i n cs CS CO CS CO CO y u y y y M M M M IH M M M M — cs co -<r m M M IH H M IH M M M M M IH H IH M CO vO ON < O O £n, cn 60 C cs >o o a O O O o — o —— - 3 00 O CS — ON — — c •H M u cn CJ 41 o •0 4= O o > o c • H v£> 05 00 c 01 L. 43 >•• 0) •3 C a. o c " 01 U 01 N 00 O " CO c •H .H 0) Q. o •a -a C « W co 42 01 60 4.5 CM H •° 8 co — o cs o\ r"» ON m CT\ o o \ o o N£J On ON ON o — U"l CS C I M ? O ON m oo — —— — o O — — O CO — — cs — o — •1+|+|+1*| +I+I+I+I+I + I+I+I+I+1 CS C I Clin CN r~ oo — o o co o\ o oo c i o c i cs cs co cn cn cn ON CO ON CS CO CN CO CS CO CO 00 T — CO o co co OJ — CS "-i 43 O CN r-» o cs co N CS C I 4J N O O ' O - 3 v£J 00 ON — ON O O IH M cfl CO co -3 m M H IH M M M H M o * 43 43 43 43 43 y y — cs c i - * in — cs co -3- m M M IH M M M M y y y IH M M M H H IH M M M o o co — — m o — o — o H H H M IH 01 j d T3 K C OJ 01 -" <-< c t-l -H 0 Ul 01 > -r-l -H aj T3 •H 3 43 01 5 cn Li 00 43 C 0) • c cn 00 B 0J u •a o u < X OJ •3 C •H Cn O O Oh o CS o O O o - —o o 0) 00 Oh O cs o o cs cs co ON <r o — o o o — to cs cs m o — o — o CS r o cs - * CS 0 3 O cs ON r . o m o o \0 u h cfl O O CO iH O CJ o CO cn •u to •a O m O vO .. » .> • » o o — o o + 1 +• + 1 + 1 +I+I+I+I+I oo co m o CS 3 C I c o ~1 O o r-. ^ ^ . + I+I+I+I+I u-i -3- -<f r-» r-» o o o — c i cn — -» — co cs — <j — vr cs CO CO CO CO CO CO CO CO CO CO ON ON -3 m -3 ifl 1—1 to 43 CO H CJ 0) • t - 43 O CO rt — CS IH rt M M CO M cO IH 43 43 43 43 43 y y y y o IH I H M M — cs co -3- m —• cs co -3 m IH M M IH IH M - 67 - 7. INVLOED VAN REINIGING OP HET AANTAL SCLEROTIEN IN KOOLZAADZAAD 7.1. Inleiding Koolzaadzaad geoogst door de R.IJ.P. wordt afgevoerd naar een silo, waar het wordt opgeslagen, bewerkt en op transport gesteld naar de uiteindelijke bestemming (zie figuur 7.1.). Het aantal bewerkingen die het zaad ondergaat hangt af van de kwaliteit van het zaad en van de bestemming. Als het zaad verkocht wordt gelden de eisen: 1. het zaad mag maximaal 2% verontreiniging bevatten; 2. het zaad mag maximaal 10% vocht bevatten. Als het zaad als zaaizaad gebruikt wordt is het beter het percentage verontreiniging zo klein mogelijk te houden in verband met het zaad van schadelijke onkruiden (zoals kleefkruid) en schimmelsporen. Dit onderzoek is uitgevoerd om na te gaan in hoeverre sclerotien die in het geoogste koolzaadzaad zitten door middel van reinigingsverwerkingen uit het zaad gehaald kunnen worden. 7.2. Materiaal en methode Het onderzoek is uitgevoerd tijdens de oogst van 1981 bij koolzaad dat getransporteerd was naar silo "de Hoge Vaart". Voor een schematisch overzicht van dit bedrijf zie figuur 7.2. Tijdens de bewerking van de oogst zijn een aantal monsters genomen van het koolzaad. Ook zijn monsters genomen van het afval dat uitgeschoond werd. De monsters zijn geanalyseerd op hoeveelheid sclerotien, hoeveelheid onkruidzaden en hoeveelheid andere verontreinigingen. 7.3. Bewerkingen Om een beter beeId van het onderzoek en de resultaten te kunnen geven worden in het kort de verschillende bewerkingen beschreven. De voorreiniger bestaat uit een buitenmantel en een kegelvormige binnenmantel (zie figuur 7.3.). De buitenmantel is in het midden voorzien van kleine openingen. Hierdoor zuigt een ventilator de lucht uit de omgeving naar binnen. Boven in het midden is de stortpijp aangesloten. Naast de stortpijp bevindt zich een luchtleiding, die voorzien van een regelschuif naar de ventilator loopt. Onderaan zit een trechtervormige uitlaat waarin het graan voor verder transport terecht komt. De kegelvormige binnenmantel is op veren geplaatst. Onder aan de binnenmantel is een vibrator gemonteerd die de mantel en het graan in lichte trilling brengt waardoor een betere afscheiding van het vuil mogelijk is. Het koolzaad komt via een lopende band boven in de voorreiniger, stuit op de kegelvormige binnenmantel, waarna het fijn verdeeld naar beneden in de trechter valt. Over de gehele oppervlakte van de binnenmantel komt het koolzaad in aanraking met een luchtstroom, in tegenovergestelde richting, die het vuil raeeneemt. De sterkte van de luchtstroom moet zodanig geregeld zijn dat de zaden niet mee gezogen worden. De nareiniger bestaat uit een zevenkast met drie zeven boven elkaar en uit een ventilator met 2 afzuigkanalen (zowel bij de in- als bij de afvoerzijde van de machine. De drie zeven zijn: - 68 - 1. de bovenzeef: dient voor afscheiding van grof vuil uit het koolzaad; 2. de middenzeef: dient voor afscheiding van grove zaden en stukjes hauw uit het koolzaad; 3. de onderzeef: dient voor afscheiding van zand en te kleine korrels uit het koolzaad. Het koolzaad komt via een lopende band boven in de machine. In de toevoeropening van de machine is een draaibare klep gemonteerd om het koolzaad beter de gehele oppervlakte van de zeven te laten passeren. Na het passeren van de twee bovenste zeven valt het koolzaad op de onderzeef en gaat daarna naar de elevator voor verder transport. De droger droogt het koolzaadzaad tot een vochtgehalte van 10%. Het zaad wordt in de droger niet gereinigd. 7.4. Resultaten De zaadmonsters afkomstig uit de voorreiniger geven de resultaten weergegeven in tabel 7.1. Tabel 7.1. Analyse van zaadmonsters afkomstig uit de voorreiniger (in grammen) Monster 1 Monster 2 Koolzaadzaden Verontreiniging 9,5 9,6 3,5 3,1 De verontreiniging in monster 1 is 26,9% van het totale gewicht (19 gram) en bevat aan onkruidzaden: 1 muurzaadje en 1 kleefkruidzaadje en aan schimmelstrueturen: 1 sclerotium. De verontreiniging in monster 2 is 24,4% van het totale gewicht (12,7 gram) en bevat geen onkruidzaden, maar wel 2 sclerotien. Het percentage verontreiniging in deze twee zaadmonsters ligt duidelijk boven het maximum toegelaten percentage. De afvalmonsters uit de voorreiniger geven het volgende resultaat: monster 1: +_ 1 gr afval bevat: - 12 koolzaadzaden die slecht gevuld zijn - stukjes en zaadhuidjes van koolzaadzaden - muurzaadjes - schrootresten monster 2: _+ 1 gr afval bevat: - 4 koolzaadzaden die slecht gevuld zijn - stukjes en zaadhuidjes van koolzaadzaden - muurzaadjes - schrootresten. Kenmerkend voor de bestanddelen van het afval is dat het licht materiaal is, dat makkelijk door de lucht meegenomen kan worden. De zwaardere sclerotien en kleefkruidzaden komen niet in het afval terecht. Dit omdat het gewicht hiervan gelijk is aan of zelfs groter dan de koolzaadzaden. Koolzaad gereinigd met een voorreiniger en een nareiniger geeft de resultaten weergegeven in tabel 7.2. - 69 - Tabel 7.2. Analyse van zaadmonsters afkomstig uit de nareiniger Gewicht (g) Verontreiniging (g) Sclerotien Monster 1 +_ 3 +_ 0,4 1 (3 mm lang) Monster 2 O +_ 0,4 2 ( l m m lang) 1) het zaad is door de voorreiniger en de nareiniger 1 maal gereinigd. De verontreiniging in monster 1 en 2 is 13,3% van het totale gewicht. Naast een of enkele sclerotien bestaat de verontreiniging uit gekiemde zaden, halve zaden, zaadhuidjes en schrootresten. Het percentage verontreiniging ligt lager dan bij koolzaadzaad alleen met een voorreiniger bewerkt, maar ligt nog boven het maximum toegelaten percentage. In beide monsters komen sclerotien voor. Een afvalmonster uit de nareiniger geeft het volgende resultaat: +_ 1 gr bevat: - 10 erg kleine koolzaadzaden - gekiemde koolzaadzaden, halve zaden, zaadhuidjes, muurzaden en schrootresten. Dit monster was afkomstig van de onderste zeef. Het afval afkomstig uit de twee bovenste zeven bevatte veel schrootresten en steentjes en zaadresten. Opvallend was dat er geen sclerotien in het afval gevonden werden en ook geen kleefkruidzaden. Volledig bewerkt koolzaad (voorreiniger, 2x drogen, 2x nareiniger) geeft de resultaten weer in tabel 7.3. Tabel 7.3. Analyse van volledig bewerkt koolzaad Gewicht Monster 1 + 3 gr Verontreiniging + 0,2 gr De verontreiniging bedraagt 6,7% van het totaal gewicht en bestaat hoofdzakelijk uit gekiemde zaden, halve zaden, zaadhuidjes en schrootresten. Het monster bevat aan onkruidzaden 3 kleefkruidzaden en aan schimraelstructuren 1 sclerotium van 3 mm lengte. Een afvalmonster van ca 1 gr uit de nareiniger bestaat uit: - stukjes zaad - kleine schrootresten - 4 kleine zaden. 7.5. Conclusie Het aantal onderzochte monsters is te klein om er een algemene conclusie uit te trekken. Maar de resultaten geven wel de indicatie dat sclerotien moeilijk m.b.v. de voorreiniger en de nareiniger uit het zaad te verwijderen zijn. In geen van de afvalmonsters werden namelijk sclerotien gevonden, terwijl in de zaadmonsters steeds sclerotien werden aangetroffen. Een verklaring hiervoor is, dat sclerotien even groot of iets groter dan koolzaadzaden zijn en dat hun gewicht ook ongeveer even groot is als van koolzaadzaden. De bewerkingen zijn erop gericht zoveel mogelijk verontreiniging uit het zaad te halen waarbij ze weinig mogelijk zaden - 70 - verloren gaan. Dit principe gaat voor sclerotien echter niet op, vanwege hun grootte en gewicht. Bij zwaar aangetast koolzaad kunnen veel sclerotien met het zaad geoogst worden. De sclerotien worden voor het grootste deel niet uit het zaad gehaald. Bij gebruik van dit zaad als zaaizaad worden de sclerotien meegezaaid en vormen in het voorjaar infectiebronnen. Een methode om sclerotien te scheiden van koolzaadzaden is niet bekend. Beter is het daarom een aantasting door de rattekeutelziekte te voorkomen . - 71 - V.R. v OP5LAG w i-sc/^* 2X(30 N.R. Ion/UUR 6 ZAAlZAnD N.R. AANVOER Figuur 7.1. Werkingsschema van een graanverwerkingsbedrijf v.r. = voorreiniger; n.r. = nareiniger - 72 - OPSLAG GRANEN voorreiniger* £JO- /r*a—i 0 stookruimtc vtol «n vuilafvoer ( - relnlger L _ _ - Z J / 0 MACHINEHAL / bedieningichakclkast droger STORTHAL WEEG BRUG Figuur 7.2. Schematisch overzicht van een silo - 73 - Figuur 7.3. Doorsnede door een voorreiniger - 74 - VERKLARENDE WOORDENLIJST Agar : voedingsbodem, verkregen uit bepaalde zeewieren Apicaal : top Apressorium : een verbrede, meestal schotelvormige, structuur in of aan de top van een hyfe van parasitaire schimmels van waaruit de waardplant wordt binnengedrongen : een vruchtlichaam dat asci bevat Ascocarp : de vrouwlijke voortplantingsstructuur bij AscoAscogonium myceten Ascostroma : een stromatisch vruchtlichaam dat de asci direct in holtes in het stroma draagt Ascus : een zak-achtige structuur dat meestal een vast aantal ascosporen bevat : een ascus waarvan de binnenste wand elastisch Bitunicaat is en zoals op het moment van het vrijkomen van de sporen ver buiten de buitenwand uitbreidt : een asexueel gevormde spore, meestal aan de top Conidium of de zijkant van een hyfe : een gespecialiseerde hyfe die conidien draagt Conidioforen : het proces waarmee een deeltje zijn vlucht beDepositie eindigt en landt op de bodem, op planten of andere voorwerpen : uitzending Emissie : buitenste laag cellen van een plant Epidermis Fellogeen : kurkcambium Fenotype : uiterlijke verschijningsvormvan plant of dier, waarin evenwel niet alle erfelijke eigenschappen aan het licht treden Hyaline : glasachtig Hyfe : de structurele eenheid van een schimmel; een buisvormige vezel : onvolledig Imperfect : besmetting Infectie : deeltjes die in staat zijn een ziekte te verInoculum oorzaken of voor dat doel gebruikt worden. Intercellulair : tussen de cellen Intracellulair : binnen de eel Isolaat : een enkele spore of zuivere cultuur en de subculturen die ervan afgeleid zijn Karyogamie : de versmelting van 2 kernen Klasse-subklasse-orde •familie-geslacht-soort: taxonomische eenheden; worden gebruikt om planten en dieren te classificeren Lesie : verkleuring van de waardplant rond het punt van infectie Longitudinaal : in de lengterichting Medium (m.v. media) : een voedingsbodem van uitgebalanceerde chemische samensteiling, die in een laboratorium gebruikt wordt om micro-organismen op te kweken Meiose : delingen van een paar kernen in snelle opeenvolging; een van de delingen is een reductiedeling. Als resultaat van de meiose worden 4 haplolde cellen gevormd - 75 - Mergstralen Mitose Morfologisch Mycelium Necrose Ostiool Pathogeen Pathogeniteit Perfect Plasmogamie Polyfaag Porus Pseudoparafysen Pycnidium Saprofitisch Sclerenchym Septum Spermatium Sporuleren Stomata Symptoom Transversaal Vegetatief Waardplant Xyleem brede banden van parenchymatisch weefsel proces waarbij de kern zich in tweeen splitst en de rest van de eel ook; reductiedeling de vorm betreffend het geheel van hyfen dat het schimmellichaam vormt afsterven van de waardplant rond het punt van infectie een flesachtige structuur van een ascocarp, eindigend in een porus. Het kan ook de opening van een pycnidium zijn een organisme dat in staat is een ziekte te veroorzaken het vermogen om een bepaalde reeks planten ziek te maken. volledig de versmelting van 2 protoplasten voedt zich op een uiteenlopende reeks planten; tast een uiteenlopende reeks planten aan ronde opening steriele draden die zowel aan de boven als onderkant van de ascocarp vastzitten een ongeslachtelijk, hoi, vruchtlichaam, aan de buitenzijde bezet met conidioforen levens van door organisch materiaal weefsel, dat mechanische steun geeft aan een plant een tussenwand in een hyfe een niet bewegelijk, eencellig, sporevormig mannelijke structuur die zijn inhoud tijdens plasmogamy leegt in een receptieve vrouwelijke structuur het vrijkomen van sporen huidmondjes, openingen in de epidermis waardoor uitwisseling van gassen plaatsvindt ziektebeeld dwars plantaardig, niet geslachtelijk een plant waarop of waarin een parasiet leeft en op grond waarvan de parasiet zijn bestaansrecht ontleent houtvaten en houtparenchym