Inventarisatiegids Natuurboeren

advertisement
Inventarisatiegids
Natuurboeren
Woord vooraf
Boerenzwaluwen op het erf, korenbloemen in de akkers, fladderende
citroenvlinders tussen de schuren. Deze veldgids is geschreven als
ondersteuning voor vrijwilligers die de erven gaan monitoren van
Natuurboeren. Natuurboeren voeren de werkzaamheden op hun bedrijf
met zorg en aandacht voor flora en fauna uit. Naast een brede inzet
om biologische en natuurvriendelijke producten in de winkels te krijgen
willen we ook laten zien wat natuurvriendelijk boeren oplevert voor
mens, plant en dier.
Door het monitoren van verschillende vogels, vlinders en planten
krijgen we een goed inzicht van de biodiversiteit op de erven. Deze
gids geeft een overzicht van de soorten die op de erven voor kunnen
komen en die wij mee willen nemen in de monitoring van de biodiversiteit op de erven. Deze monitoring wordt enkele jaren achtereen
uitgevoerd zodat ook de ontwikkelingen van de biodiversiteit in kaart
gebracht kunnen worden.
In deze veldgids vind je een omschrijving en beeldmateriaal van de
verschillende soorten vogels, vlinders en planten die we middels het
monitoringssysteem (Gaiameetlat) willen gaan meten. Deze gids kan als
ondersteuning voor de herkenning gebruikt worden.
We hopen dat deze veldgids met veel plezier gebruikt wordt en dat hij
het herkennen van de soorten vergemakkelijkt.
Bij vragen kunt u bellen met het algemene nummer van Landschap
Overijssel: 0529 - 401 731. Als u duidelijk maakt dat u belt i.v.m.
monitoring Natuurboeren word u doorverbonden met de juiste persoon.
Meer informatie over dit project vindt u op:
www.landschapoverijssel.nl
www.natuurboeren.nl
Pagina 2
Inhoud
Vogels: pagina 4 - 15
Vlinders: pagina 16 - 23
Planten: pagina 24 - 40
Pagina 3
Boerenzwaluw | Zomergast | 18-20 cm
De boerenzwaluw is een ware
luchtacrobaat; al vliegend vangt
hij allerlei kleine insecten.
Ze zijn te herkennen aan de
glanzend blauwzwarte bovenzijde,
roomwitte buik en stuit, roodbruine
keel en een diepgevorkte staart.
Het geluid is een ratelend
gekwetter. Boerenzwaluwen zijn
veelal te zien rondom stallen en
in de buurt van water. Ze broeden
vrijwel uitsluitend in agrarische
gebouwen en maken het nest van
klei, stro en mest. Ze arriveren
vaak in de 1e of 2e week van april
weer op hun oude broedplaats in
Nederland, daarin zijn ze bijzonder
trouw.
Huiszwaluw | Zomergast | 27-29 cm
Ook de huiszwaluw kan haast
niet meer zonder de mens. Ze
nestelen onder de overstek van
onze daken. Je vindt hem dus
rondom bebouwing en in de buurt
van water, waar veel insecten
te vinden zijn. Qua vorm de
huiszwaluw lijkt wel een vliegende
torpedo. De bovenzijde is zwart
met op de schouders een blauwe
glans, onderzijde is geheel wit. In
vlucht snel te onderscheiden van
de boerenzwaluw door de witte
stuit die ook aan de bovenzijde
zichtbaar is. Ook is de gevorkte
staart minder diep dan die van de
boerenzwaluw.
Pagina 4
Huismus | Standvogel | 14-16 cm
De huismus heeft zich onlosmakelijk
met de leefomgeving van de mens
verbonden; ze houden van een
rommelige menselijke omgeving. Je
ziet hem rondom erven en schuren,
weilanden en struikgewas. Het
vrouwtje is lichtbruin, met subtiele
donkerder bruine tekening. Het
mannetje is duidelijk van het
vrouwtje te onderscheiden door
het donkerbruine verenkleed waar
meer contrast in zit en de grijze
kruin. De grijze kruin onderscheidt
het mannetje ook van de ringmus.
Ringmus | Standvogel | 12-14 cm
In tegenstelling tot huismussen
zien bij ringmussen de mannetjes
en vrouwtjes er hetzelfde uit. De
meest typerende kenmerken zijn
een chocoladebruine kop, zwarte
keel en zwarte vlek in de nek en een
witte ring om de nek. In de zomer
leeft de ringmus voornamelijk in
boomrijk cultuurlandschap, maar
in het najaar verzamelen de vogels
zich in groepjes en worden ze
vaker gezien in dorpen en steden.
Het getsjilp van de ringmus klinkt
bijna hetzelfde als dat van de
huismus, met oefening is er een
subtiel verschil te horen.
Pagina 5
Kerkuil | Standvogel | 80-95 cm
De kerkuil jaagt in kleinschalig
agrarisch gebied en ruigtes
op allerlei soorten muizen.
Overdag zoekt hij beschutting,
bijvoorbeeld in een nestkast,
een oude ongebruikte schuur of
een holle boom. Maar heel soms
tref je overdag er een rustend op
een tak. Dan is hij onmiskenbaar
de herkennen: Een lichtbruin en
grijs gevlekte rug, wit ‘gezicht’
met daaromheen een hartvormige
sluier.
Steenuil | Standvogel | 23-28 cm
Extensief cultuurlandschap of jonge
heideontginningen met een groot
aantal graslandjes en erven vindt
de steenuil een fijne leefomgeving.
Hier
vangt
hij
insecten,
regenwormen, amfibieën, vogels
en andere kleine zoogdieren. De
steenuil broedt in open agrarische
gebieden, met name bij weilanden
met boomgroepen, hagen en
bebouwing. De steenuil is de
kleinste uil van Nederland. Hij
heeft een grote, brede, ronde kop
met lange poten en een korte
staat. De bovenzijde is bruin met
witte spikkels, de onderzijde is
wit met bruine lengtestrepen. De
opvallende witte wenkbrauwen en
gele ogen geven hem een streng
uiterlijk.
Pagina 6
Geelgors | Standvogel | 15-17cm
De geelgors is een vogel die leeft in
diverse halfopen landschappen op
de hogere zandgronden en zoeken
vaak enkele struikjes op aan de
rand van graslanden. Hier eten
ze zaden en kleine insecten. Het
verenkleed is een combinatie van
geel en bruine strepen. Vooral het
mannetje heeft in de broedperiode
een helder gele kop. Wanneer hij
opvliegt zijn de witte veren aan
beide zijdes van de staart te zien.
De zang is te onthouden door het
ezelsbruggetje: mamamamama, ik
wil een ijsje!
groenling | Standvogel | 14-16 cm
De groenling houdt van plekken met
dichte struiken zoals kleinschalige
cultuurlandschappen,
tuinen,
parken en bosranden en allerhande
andere struikrijke plaatsen. Met
hun stevige snavel kraken ze
zaden. De groenling lijkt qua
grootte en bouw op de vink. Hij
heeft een overwegend geelgroen
en grijs verenkleed met gele
streep op de vleugel. Het vrouwtje
is doffer van kleur. De groenling
heeft een lieflijk bubbelend liedje,
ter afwisseling laat hij ook een
langzaam in toonhoogte dalend,
nasaal snerpend ‘dsrjuuuuuuuuuh’
horen.
Pagina 7
Gele kwikstaart | Zomergast | 15 -16 cm
De
gele
kwikstaart
heeft
een
voorkeur
voor
open
landbouwgebieden
met
een
dichte vegetatie van 40 tot 65
cm hoogte. Deze insecteneter is
te herkennen aan de gele buik,
geelgroenige bovenkant en een
grijze kop met witte oogstreep.
Kwikstaarten danken hun naam
aan de typische gewoonte om
veelvuldig hun staart op en neer
te bewegen. Het geluid, een kort
‘tzieziet’ lijkt sterk op dat van de
witte kwikstaart, maar is iets feller
en krachtiger.
Witte kwikstaart | Jaarvogel | 16-19 cm
De witte kwikstaart kun je vrijwel
overal tegenkomen. Het enige wat
hij nodig heeft is een goed beschut
plekje om te broeden en voedsel.
Vaak zie je hem in de buurt van
een trekker of van vee, daar vangt
hij insecten die opvliegen. Broeden
gebeurt in dicht struikgewas,
maar ook in gebouwen of onder
dakpakken. Met zijn zwart-witte
uiterlijk is de witte kwikstaart een
makkelijk te herkennen soort.
Net als zijn gele familielid wipt
hij veelvuldig met zijn staart.
In vlucht is de witte kwikstaart
makkelijk te herkennen aan de
lange staart en de stuiterende
manier van vliegen. Bij vrijwel elke
reeks korte vleugelslagen hoor je
een kort ‘tzieziet’.
Pagina 8
Grasmus | Zomergast | 13-15 cm
De grasmus verbergt zich graag in
struwelen en ruigtes. Het is een
erg beweeglijk vogeltje en laat zich
maar kort zien. Het mannetje zingt
een snel en krassend liedje, veelal
vanuit een top van een struik. Als
je hem ziet herken je hem aan
de lichtbruine buik, roestbruine
vleugels met donker strepen en
de grijze kop met witte keel.
Roodborsttapuit | Jaarvogel | 11-13 cm
De roodborsttapuit is een vogel
van structuurrijke open gebieden,
dus met de nodige boompjes
en struikjes.. Je vindt ze veel
op heideterreinen. Maar ook
braakliggende agrarische grond
met struiken in de buurt is geschikt
terrein. Het mannetje heeft een
zwarte kop, een witte vlek in de
hals. De borst is helderoranje.
De bovenzijde is donkerbruin
tot zwart. De tekening van het
vrouwtje is komt overeen maar
is minder uitgesproken. Met
hun spitse snavel eten ze vooral
insecten, maar ook slakken, bessen
en zaden. Let op! Een vrouwtje
roodborsttapuit lijkt sterk op
het paapje. Die vogelsoort heeft
echter een lichte streep boven
het oog die bij de roodborsttapuit
ontbreekt.
Pagina 9
Veldleeuwerik Zomergast | 16-18 cm
De veldleeuwerik hoort thuis in
boomloze open gebieden met
een korte vegetatie; graanakkers,
weidegebieden
en
vooral
heidevelden. De insectenetende
veldleeuwerik is een onopvallend
gekleurde vogel, een bruin
gestreepte rug en een lichte buik
met in de hals en borststreek wat
donkere streepjes. De baltsvlucht
met
bijbehorende
zang
is
daarentegen wel opvallend. Eerst
klimmen ze tot een hoogte van
soms meer dan honderd meter,
luid zingend dalen ze weer af om
bij het vrouwtje in de buurt te
landen.
Graspieper Standvogel | 14-16 cm
Pagina 10
De graspieper geeft de voorkeur
aan open terrein en is aan te
treffen op grasland, akkers,
heide, kwelders en hoogveen.
Bovendelen zijn olijfbruin met
donkere strepen. De borst is gelig
of grijzig getint met zwarte strepen.
De buik en staartzijden zijn wit.
De graspieper lijkt qua kleur en
grootte sterk op de veldleeuwerik,
maar onderscheid zich door de
dunnere snavel en langere staart.
Net als leeuweriken hebben ook
piepers een zangvlucht, waarbij
de vogel opstijgt en al zingend
omhoog vliegt om daarna met
gespreide vleugels als een
parachute af te dalen.
Groene specht | Standvogel | 30-35 cm
Groene spechten leven in open loofbossen, hoogstamboomgaarden,
parken en oude houtsingels. Ze
broeden meestal in een zelfgehakt
hol in een oude loofboom. Het
voedsel bestaat uit grote mieren
(vooral rode bosmieren) en wordt
meestal op de grond verzameld.
De groene specht heeft een olijfgroen verenkleed op zijn rug, naar
de stuit toe wordt het geel. Op zijn
kop heeft hij een zwart masker en
een rode pet. Het mannetje heeft
ook een rode vlek onder zijn oog,
bij vrouwtjes is deze plek zwart.
De lachende roep ‘kluu-kluu-kluukluu’ is zeer herkenbaar.
grote bonte specht | Standvogel | 30-35 cm
Van alle spechten komt de grote
bonte specht het meest algemeen
voor. Ze zijn te vinden in loofen gemengde bossen, parken en
tuinen. De grote bont specht is
zwart-wit en heeft een rode ‘broek’.
In de (golvende) vlucht vallen
de grote witte schoudervlekken
op. Het mannetje heeft een rode
vlek op het achterhoofd. Deze
ontbreekt bij het vrouwtje. In het
voorjaar kun je het territoriale
geroffel veel horen. Ook hebben
ze een roep die klinkt als ‘kiep!’
Pagina 11
Patrijs | Standvogel | 28-32 cm
De patrijs komt van oorsprong voor
op steppes maar paste zich aan
op het leven op het kleinschalig
agrarische landschap. Ze leven
in paartjes of kleine groepjes
op akkers, vooral waar ruige
dijken, slootranden, houtwallen
en heggen in de buurt zijn. Ze
eten zowel plantaardig (zaden
en knoppen) als dierlijk voedsel
(kleine insecten). De patrijs is
te herkennen aan de grijze hals
en borst, bruingevlekte vleugels
en met witte streepjes. Het
meest opvallende kenmerk is de
roodoranje kop. Het geluid van de
patrijs ‘kir-IK’ is vooral ’s avonds
en ’s nachts te horen.
Kwartel | Zomergast | 16-18 cm
‘kwik me dit’ of ‘kwik kik kik’. Om
de aanwezigheid van de kwartel te
ontdekken moet je vooral letten
op dat geluid. Je hoort het vooral
in de schemering van een rustige
zomeravond. Als je hem te zien
krijgt mag je jezelf heel gelukkig
prijzen. Met zijn bruingestreepte
camouflagepak scharrelt hij rond
in graanakkers, korenvelden en
weilanden waar genoeg dekking
te vinden in, zoals hoog gras en
houtwallen.
Pagina 12
Torenvalk | Jaarvogel | 31-37 cm
Boven wegbermen en weilanden
zie je ze vaak: biddende
torenvalken. Door stil te hangen
kunnen ze bewegingen op de
grond goed waarnemen. Zo
speuren ze naar vooral naar
veldmuizen. De onderkant van de
buik en vleugels zijn lichtbeige
met donkerbruine streepjes. De
staart heeft aan het einde een
brede zwarte band. Zittend op
een paaltje herken je ze aan hun
roestbruine verenkleed met veel
donkere vlekken en strepen.
Het mannetje verschilt van het
vrouwtje door zijn blauwgrijze kop
en aan de bovenzijde blauwgrijze
staart.
Ooievaar | Jaarvogel | 180-220 cm
De ooievaar is met zijn zwart-witte
verenkleed en lange oranje/rode
snavel haast niet te verwarren
met een andere vogel. Hij zoekt
zijn voedsel vooral in vochtige
weiden, moerassen en ondiep
water. Daar jaagt de ooievaar
op insecten, kikkers, muizen en
verorbert soms zelfs een konijn.
Ook zie je de ooievaar vaak
op het nest. Hoog op het dak,
elektriciteitsmast of door mensen
gemaakte ooievaarsplatforms.
Pagina 13
Wulp | Jaarvogel | 48-57 cm
Deze vogel van fors formaat zie
je vooral in graslanden. Met hun
lange, naar beneden gebogen
snavel zoeken in de grond
naar regenwormen en andere
ongewervelde bodemdiertjes. De
roep van de wulp is een zeer luid
‘koerlie’, in de broedtijd is een
zang te horen die bestaat uit een
reeks luide tonen die oplopen in
snelheid en toonhoogte en worden
gevolgd door een triller.
Grutto | Zomergast | 37-42 cm
Grutto’s broeden bij voorkeur
op vochtige graslanden en leven
van insecten, wormen, slakken en
ander klein gedierte dat op of in
de bodem leeft. De grutto heeft
een lange rechte snavel: geel/
oranje met een zwarte punt. De
bovenzijde is grijsbruin, de buik is
lichtbeige met zwarte vlekken. In
de broedperiode is de kop, hals
en borst roestbruin gekleurd. De
grutto laat je weten dat hij er is
door steeds zijn eigen naam te
herhalen: ‘grrruu-to grrruu-to’
Pagina 14
Kievit | Jaarvogel | 28-31 cm
De kievit is een vogel van akkers
en weilanden waar hij allerlei
insecten eet. De zwarte rug laat
in direct zonlicht een prachtige
groenpaarse glans zien. Wanneer
hij vliegt zie je zijn zwarte
vleugeleinden en witte oksels. Aan
de kop pronkt een lange kuif. De
kievit heeft een zeer kenmerkende
baltsvlucht met veel acrobatische
capriolen waarbij ook het zeer
typische geluid waarin ook zijn
eigen naam te horen is. ‘Tjoewiet,
tjoewiet’.
Pagina 15
Atalanta | Vliegtijd: Maart - oktober
Voorvleugellengte: 26-32 mm.
De atalanta is een vrij grote zwarte
vlinder en komt algemeen voor. In
de vleugelpunt van de voorvleugel
enkele witte vlekken; vanaf de
voorrand loopt een oranjerode
band dwars over de vleugel naar
de binnenrandhoek. Langs de
achterrand van de achtervleugel
is een oranjerode band zichtbaar.
Atalanta’s zijn vaak te vinden
op plaatsen met veel zon en
nectarrijke planten vaak en
vliegt dan in grotere aantallen.
Zwervende atalanta´s kunnen
vrijwel overal gezien worden. Wel
goed opletten: Hij scheurt je zo
voorbij met zo’n 14 km/u!
Dagpauwoog | Vliegtijd: half juli - half september
Voorvleugellengte: 24-31 mm.
De dagpauwoog is een wat
grotere vlinder en oogt in zijn
geheel roodbruin. Het is een
zeer
herkenbare
algemeen
voorkomende vlinder met vier
grote opvallende oogvlekken op
de bovenkant van de vleugels.
De onderkant van de vleugels zijn
donkerbruin tot zwart met een
fijne tekening. Je ziet hem vooral
in ruige graslanden, bloemrijke
randen van bos- en heidegebieden,
dijken, parken en tuinen.
Pagina 16
Bont zandoogje | Vliegtijd: Half april - oktober
Voorvleugellengte: 19-22 mm.
De bovenkant van de voorvleugel
is donkerbruin met een geeloranje
vlekkenpatroon en een witgekernde
zwarte oogvlek. Op de bovenkant
van de achtervleugel bevinden
zich drie of vier zwarte vlekken.
In deze zwarte vlekken zie je een
klein wit stipje. Vooral windluwe
en zonbeschenen plekken; ook in
tuinen en parken in een bosrijke
omgeving. De vlinder is niet overal
te vinden, maar komt op geschikte
plekken met meerdere exemplaren
tegelijk voor.
Bruin zandoogje | Vliegtijd: Begin juni – eind augustus
Voorvleugellengte: 21-28 mm.
Het bruin zandoogje is een grotere
vlinder. Landelijk is het ook de
meest geteld vlinder. Het mannetje
is aan de bovenzijde geheel bruin
met een kleine zwarte stip op de
voorvleugel. Aan de onderzijde
heeft deze stip een klein wit
stipje erin. Het vrouwtje is aan
de bovenzijde ook overwegend
bruin, maar heeft een oranje veld
rondom de grotere zwarte stip
met witte kern. Soms hebben
vrouwtjes twee witte stipjes in
de zwarte stip. Bruine zandoogjes
leven in ruigere graslanden en
ruigten met structuren in het
landschap
zoals
houtwallen,
hagen, bermen of slootkanten;
ook landbouwgebieden, stedelijk
groen en braakliggende terreinen.
Pagina 17
Oranjetipje | Vliegtijd half april - begin juni
Voorvleugellengte: circa 20 mm.
Vaak één van de eerste vlinders
die je ziet in het jaar. Van enige
afstand is het mannetje van
deze soort direct te herkennen
door de grote oranje vlek in de
voorvleugelpunt. Bij het vrouwtje
onbreekt deze karakteristieke
vlek. Bij zowel man als vrouw
is de achtervleugel geelgroen
gemarmerd. Het oranjetipje is een
soort van beschutte plaatsen in
vochtige hooilanden en zonnige
ruigten in bosranden waar de
waardplanten
groeien,
zoals
pinksterbloem en look-zonderlook.
Citroenvlinder | Vliegtijd: februari - half oktober
Pagina 18
Voorvleugellengte: 27-30 mm.
Deze citroengele, wat grotere
vlinder is door zijn kleur snel
te herkennen. De voorvleugel
is puntig gevormd. Ook aan
de achtervleugel bevindt zich
halverwege de achterrand een
duidelijk puntje. Het vrouwtje
is bleekgeel of soms bijna wit.
De onderkant van de vleugels
is groenachtig van kleur. Vooral
zonnige plaatsen in open bosjes
en langs bosranden, struwelen
op braakliggende percelen en
houtwallen in landbouwgebieden.
De vlinder is een algemene
verschijning.
Landkaartje | Vliegtijd: Half april - half september
Voorvleugellengte:
- voorjaarsgeneratie 16-18 mm
- zomergeneratie 17-21 mm
Een middelgrote vlinder. Het
landkaartje heeft twee generaties
die sterk in uiterlijk verschillen.
De bovenkant van de lentevorm
is oranje met veel bruinzwarte
vlekken. In de punt van de
voorvleugel zijn witte vlekken te
zien. De zomervorm heeft zwarte
vleugels met een onderbroken
witte band in het midden. Naar
de rand toe is ook een fijne
oranjerode band te zien.
De zomervorm lijkt sterk op
de kleine ijsvogelvlinder, maar
deze heeft geen oranje band en
leeft in vochtige loofbossen. Het
landkaartje vind je in bosranden,
heggen en houtwallen.
Lente
Lente
Zomer
Zomer
Pagina 19
Gehakkelde aurelia | Vliegtijd: maart - oktober
Voorvleugellengte: 20-26 mm.
De gehakkelde aurelia dankt zijn
naam aan de sterk gekartelde rand
van zijn vleugels. De bovenkant
van de vleugels heeft een oranje
grondkleur met zwarte vlekken. De
rand van voor- en achtervleugel is
zwart. Op de onderkant van de
achtervleugel bevindt zich een
kleine witte C. Je ziet hem langs
bosranden, op open plekken in
het bos, in parken en tuinen. De
vlinders voeden zich met nectar
van verschillende planten en
drinken ook van plassen of mest;
in het najaar zijn ze geregeld aan te
treffen op rottend fruit. Het is een
algemeen voorkomende vlinder,
maar wel in kleinere aantallen.
Kleine vos | Vliegtijd: februari - oktober
Voorvleugellengte: 22-25 mm.
Het meest in het oog springende
kenmerk is de zwarte rand
met blauwe vlekjes langs de
achterrand van zowel voor- als
achtervleugel. Langs de voorrand
van de voorvleugel bevinden zich
afwisselend enkele zwarte en lichte
vlekken en in het midden van de
voorvleugel liggen drie zwarte
vlekken. De achtervleugel is bruin
en rood. Je ziet kleine vossen op
allerlei plaatsen waar voldoende
nectar te vinden is, zoals tuinen,
parken, bosranden, ruigten, dijken
en bermen.
Pagina 20
Kleine vuurvlinder | Vliegtijd: eind april - eind oktober
Voorvleugellengte: circa 13 mm
De bovenkant van de voorvleugel
is oranje met onregelmatige
zwarte vlekken. De bovenkant van
de achtervleugel is overwegend
bruin met een oranje band langs
de achterrand. De onderkant van
de achtervleugel is grijsbruin met
kleine vlekjes. Dit is het meest
onderscheidend kenmerk ten
opzichte van de andere vuurvlindersoorten. Je ziet hem door de
gehele provincie in vrij open en
meestal droge gebieden, zoals
schrale plekken in graslanden,
braakliggende gronden, tuinen
en bermen. Zelden in grote(re)
aantallen.
Hooibeestje | Vliegtijd: half mei – september
Voorvleugellengte: circa 15 mm.
De bovenkant van de vleugels is
oranje met een bruine rand. In de
vleugelpunt van de voorvleugel
bevindt zich op de bovenkant een
kleine zwarte oogvlek, die ook aan
de onderkant van de vleugel te
zien is en daar witgekernd is. Deze
oogvlek is bij het vrouwtje op de
bovenkant scherper afgezet dan
bij het mannetje. Het hooibeestje
lijkt op het bruin zandoogje, het
hooibeestje is echter kleiner en
heeft zachtere kleuren. Je ziet
het hooibeestje vooral op de
zandgronden. In open, droge tot
vrij vochtige en vrij voedselarme
graslanden, heiden.
Pagina 21
Icarusblauwtje | Vliegtijd : begin mei- begin oktober
Voorvleugellengte: circa 15 mm.
De bovenkant van de vleugels is
bij het mannetje blauw en bij het
vrouwtje bruin met oranje vlekjes
rand de rand. Sommige vrouwtjes
hebben een sterke blauwe bestuiving, maar er komen ook zuiver
bruine vrouwtjes voor. Langs de
achterrand van beide vleugels
hebben ze eerst een smalle
zwarte band, daarbuiten een zuiver witte franjerand. De vlekken
op de onderkant van de voor- en
de achtervleugel zijn even groot.
Icarusblauwtjes leven in allerlei kruidenrijke vegetaties, zoals
halfnatuurlijke graslanden, lage
pioniersvegetaties, parken, wegbermen en dijken. Ze bezoeken
graag vlinderbloemigen. Redelijk
algemeen voorkomende vlinder.
Groot dikkopje | Vliegtijd: begin juni – half augustus
Pagina 22
Voorvleugellengte: 12-15 mm.
De vleugels zijn oranjegeelachtig,
met lichtbruine vlekken. Het mannetje heeft op de bovenkant van
de voorvleugel een duidelijke
geurstreep in de vorm van een
langgerekte S. De sprietknoppen
hebben een haakje. hij vliegt in
beschutte, vrij vochtige graslanden en ruigten, zoals vochtige
heide met pijpenstrootje, grazige
ruigten in graslanden, open plekken in bossen en langs bosranden. Vaak op braam struwelen
en windluwe plekken.
Bruine vuurvlinder | Vliegtijd: Begin mei - eind augustus
Voorvleugellengte: circa 14 mm.
Een kleine en schaars voorkomende
vlinder. De bovenkant van de
voorvleugel van het mannetje
is bruin met enkele zwarte en
oranje vlekjes. Bij het vrouwtje is
de bovenkant van de voorvleugel
oranje met zwarte vlekken en is de
oranje band op de achtervleugel
iets breder. De onderkant van de
achtervleugel heeft een geelbruine
grondkleur. Zowel op de voorals op de achtervleugel bevinden
zich oranje achterrandvlekken
die scherp zwart zijn afgezet.
Je ziet de bruine vuurvlinder
in zowel in droge gebieden op
de zandgronden, zoals schrale,
bloemrijke graslanden als in
vochtige gebieden, zoals schraal
kruidenrijk grasland.
Zwartsprietdikkopje | Vliegtijd: Eind juni - eind augustus
Voorvleugellengte: 12-14 mm.
Een kleine en schaars voorkomende vlinder. De vleugels zijn
lichtbruin tot geel zonder tekening
op de bovenkant van de vleugels.
Op de onderkant van de vleugels
zijn egaal lichtbruin. De onderkant
van de sprietknop is zwart. Zwartsprietdikkopjes zijn de vinden in
droge graslanden en ruigten met
overjarige grassen en nectarrijke
kruiden. Vaak langs bosranden, in
bermen en op dijken.
Pagina 23
Klimop | Bloeitijd: september – december
Hoogte: 30 cm – 12 meter.
Een algemene soort in onze rijkere
loofbossen en groeit met zijn
vuistdikke wortels tegen bomen
op of over de bosbodem. Met
een soort wortels grijpt de plant
zich vast aan de boombast. Muren
van huizen en bomen in tuinen
zijn ook ideale groeiplaatsen voor
de Klimop. De bloeiwijzen zijn
bolvormig en de bladeren aan de
niet bloeiende stengelwortels zijn
vijflobbig en aan de bloeiende
stengels
ruitvormig.
Goede
nectarplant voor onder andere
citroenvlinder en bont zandoogje.
Hulst | Bloeitijd: mei – juni
Hoogte: tot 10 meter.
De
takken
met
stevige,
donkergroene, vaak stekelige
bladeren en rode bessen belanden
vaak als kerstversiering in ons
huis. Hulst bloeit met vele kleine
witte bloemen. Hulst groeit van
nature in oudere loofbossen.
Pagina 24
Wilde kamperfoelie | Bloeitijd: juni – oktober
Lengte: tot 3 m!
De
wilde
kamperfoelie
is
een
bladverliezende
groene
klimplant, met houtige stengels.
De bloemen staan in hoofdjes
en zijn vaak geelachtig wit en
aan de buitenkant roodachtig
aangelopen. De bladeren zijn
eirond. Wilde kamperfoelie komt
op veel plaatsen voor (op het
erf of in houtwallen en singels),
maar soms ook aan slootkanten.
Het is een goede nectarplant voor
insecten.
Brem | Bloeitijd: mei-juni, september
De brem is een struik uit de
vlinderbloemenfamilie. De taaie,
onbehaarde takken en vijfkantige
twijgen van zijn donkergroen van
kleur. De grote gele bloemen
ruiken opvallend. Ze staan alleen
of met tweeën bijeen aan kromme
stelen in de bladoksels.
Als
de planten wat ouder worden,
vormen ze op de diepe penwortel
een stammetje van hard hout dat
bruin van kleur is. Brem staat op
voedselarme zanderige bodems,
in heidevelden op taluds langs
wegen en voedselarme hellingen.
Pagina 25
Driekleurig viooltje | Bloeitijd: april – oktober
Hoogte 5 – 40 cm.
Dit viooltje dankt zijn naam aan de
veelkleurige bloemen. De bovenste
kroonbladen zijn paars tot blauw,
de twee daaronder staande
zijdelingse kroonbladen zijn lila tot
lichtblauw met een gele voet en
het onderste grootste kroonblad
is gelig met een roomwitte rand.
De spatelvormige blaadjes hebben
een gelobde rand. Het driekleurig
viooltje groeit op akkers, in bermen
en op braakliggende grond op
zandgronden. Meest voorkomend
in centraal Overijssel en Twente.
Akkerviooltje | Bloeitijd: april – oktober
Hoogte: 5 – 30 cm.
De bloemen zijn 0,8 tot 1,5 cm in
doorsnede. De kelk is even lang
of vaak langer dan de kroon, vaak
steken de toppen van de kelken
buiten de bloemkroon uit. De
kroonbladen zijn geelachtig wit
en naar het midden van de bloem
donkergeel. De onderste bladen
zijn vrijwel rond en de bovenste
langwerpig en ondiep gekarteld.
Algemeen
voorkomend
op
open, vochtige tot droge, matig
voedselrijke zandgrond in akkers
en bermen. Vooral in de randen
van zandige akkers kan de soort
algemeen voorkomen. Verder niet
talrijk.
Pagina 26
Korenbloem | Bloeitijd: juni – augustus
Hoogte: 30 – 60 cm.
De korenbloem springt in het oog
dankzij zijn helderblauwe bloemen.
De buitenste trompetvormige
bloemen stralen in een krans naar
buiten. De Korenbloem houdt van
veel licht en weinig vocht. Hij
komt voor op zandige en lemige
of kalkhoudende bodems. Komt
in Overijssel het meest voor in
matig voedselrijke akkers.
Slofhak | Bloeitijd: mei – juli
Hoogte: 20 – 60 cm. Een grassoort
van akkers en zandige ruderale
bermen en braakstukken op de
zandgronden. De soort komt voor
in matig tot weinig bemste akkers
en verdwijnt snel bij intensievere
bemesting. Is nauw verwant met
het reukgras, waar deze soort ook
wel een beetje op lijkt.
Pagina 27
Grote klaproos | Bloeitijd: mei – juni
Hoogte: 20 – 60 cm.
De grote klaproos valt op door
zijn meestal vuurrode bloem die
aan het einde van een harige
stengel groeit. De bladeren zijn
langwerpig en zien er stekelig uit.
De grote klaproos houdt van
omgewerkte grond, zoals akkers,
bermen en braakliggende grond.
Kan verward worden met andere
klaproos soorten, maar deze zijn
veel minder algemeen.
Echte kamillle | Bloeitijd: mei – herfst
Hoogte: 10 – 40 cm.
Echte kamille is te herkennen
aan de vele hoofdjes met gele
buisbloemen en witte lintbloemen.
Ook heeft kamille fijne en sterk
vertakte bladeren. De sterke geur
is ook een goed kenmerk. Ook
de bloemen hebben nog iets
typisch: tijdens de bloei groeit de
bloembodem sterk omhoog, zodat
die aan het eind van de bloei 2-3
maal zo hoog als breed is. Bij
Echte kamille slaan de lintbloemen
na de bloei sterk naar beneden
terug. Hij groeit veel in bermen en
graslanden. De soort lijkt veel op
andere kamillesoorten!
Pagina 28
Stinkende gouwe | Bloeitijd: mei – herfst
Hoogte 30 – 90 cm.
Licht beschaduwde (soms zonnige)
plaatsen op droge tot vochtige,
matig voedselrijke tot zeer
voedselrijke grond. De bloemen
zijn helder geel en de vier gele
kroonbladen staan in volle bloei
vaak wijd open. De bladeren zijn
diep geveerd en licht behaard. Op
omgewerkte grond kan deze soort
in grote aantallen voorkomen.
Boerenwormkruid | Bloeitijd: juli – september
Hoogte: 60 – 120 cm
Het boerenwormkruid groeit in
forse groepen. Met zijn dicht
op elkaar staande, op knoopjes
lijkende, gele bloemen is het een
opvallende verschijning. Als je
een bloem van dichtbij bekijkt, zie
je dat het allemaal buisvormige
bloemen zijn. De bloemen staan
op lange, stevige stengels waar
veervormige, gekartelde bladeren
aan zitten. Hij groeit op zonnige
plekken op zand en rivierklei,
zelden op veen en zeeklei. Je ziet
de soort ook veel in de bermen
en op taluds van autowegen
staan. Algemene soort in extensief
beheerde plekjes.
Pagina 29
Grote kaardenbol | Bloeitijd: juli – september
Hoogte 90 – 200 cm.
Aan zijn grote eivormige stekelige
hoofdjes met daarin lila bloemen
is de Grote kaardebol in de zomer
goed te herkennen. Heel typisch
is dat de bloei op het midden van
het ‘ei’ begint, en daarna zich naar
boven en onderen verspreid. Ook
de stekelige bladeren en stengels
vallen direct op. De naar boven
wijzende bladeren zijn rondom
de stengel vergroeid waardoor
ze een badkuipje vormen waar
regenwater in blijft staan. De plant
staat vaak in ruigten, maar ook wel
in bermen en op de hellingen van
dijken. Zelden in grote aantallen.
Grasklokje | Bloeitijd: juni – september
Hoogte: 15 – 60 cm.
Een
bloeiend
grasklokje
kun je haast niet missen. Ze
hebben hangende blauwpaarse
klokvormige bloemen. De stengel
is grotendeels kaal en alleen aan
de voet zeer kort behaard. De lage
bladeren zijn rondachtig met een
hartvormige voet en een gekartelde
rand. De hogere stengelbladen
zijn smal lijnvormig met een gave
rand. Het grasklokje groeit in
extensief beheerde graslanden,
bermen en bosranden.
Pagina 30
Dagkoekoeksbloem | Bloeitijd: april – herfst
Hoogte: 30-90 cm.
Het meest opvallend zijn de
regelmatige,
roze
tot
rode
bloemen. De vijf kroonbladen
zijn elk in het midden diep
ingesneden, hetgeen haast de
illusie wekt van tien kroonbladen.
Het is een tweehuizige bloem, wat
te zien is aan dat sommige smalle
slanke kelken hebben, en andere
opgezwollen, dikke kelken. Als
je die twee typen bloemen nader
bekijkt zul je in de slanke alleen
meeldraden vinden en in de dikke
het vruchtbeginsel en de stempels.
Je zult hem vaak vinden in lichte
loofbossen, struweelranden en
aansluitende graslanden, aan
sloot- en waterkanten.
Moerasspirea | Bloeitijd: juni – augustus
Hoogte: 60 – 120 cm.
De bloeiwijze van moerasspirea
is een sterk vertakte tuil met
veel roomwitte bloemetjes.. De
regelmatige bloemen hebben vijf,
soms zes kroonbladen. Ook de
bladeren zijn erg karakteristiek;
langs de stengel puntig ovaal, aan
het eind van een tak in drie delen
gespleten zoals een esdoorn.
Alle bladeren zijn sterk gezaagd.
Hij groeit in natte overhoekjes in
graslanden, bermen en ruigten en
langs waterkanten.
Pagina 31
Grote kattenstaart | Bloeitijd: juni – september
Hoogte: 60 – 120 cm.
De grote kattenstaart valt in het
veld snel op door zijn grote, roodpaarse aarvormige bloeiwijze.
De rechtopstaande stengels, die
zich bovenin kunnen vertakken,
zijn vierkant of zeskantig. De
bladeren zijn lancetvorming en
hebben een gave rand. Ze staan
tegenover elkaar en vormen dan
een kruisgewijze bladstand, maar
ze kunnen ook in kransen van
drie staan. De grote kattenstaart
groeit in natte en voedselrijke
graslanden en langs waterkanten.
Kan vrij talrijk voorkomen.
Fluitenkruid | Bloeitijd: april tot juni
Hoogte 60 – 150 cm.
Fluitenkruid heeft holle, gegroefde
stengels. De bladeren zijn tweetot drievoudig geveerd, de
onderzijde is zachtbehaard. De
kleine witte bloemetjes hebben
vijf kroonbladeren en staan in
een scherm. Het is een algemeen
voorkomende soort in vochtige
graslanden, bermen, in randen
tegen struweel en in vochtige
bossen.
Pagina 32
Pinksterbloem | Bloeitijd: April – juni
Hoogte: 15-50 cm.
De 4 kroonbladeren zijn 8-15
mm lang en staan als een kruis
tegenover elkaar. De kleur varieert
van wit tot lila, soms zijn ze zelfs
bijna paars. Over de kroonbladeren
loopt een aantal (meestal vijf)
donkerpaarse aderen. De stijl is
stomp en als een klein schijfje in
de bloem te zien. De helmknoppen
van de zes meeldraden zijn geel;
in de bloem staan vier grote en
twee korte meeldraden. Aan de
rolronde tot iets kantige, holle en
gladde stengel vind je veerdelige
bladeren waarbij de 4-7 parige
gaafrandige
deelblaadjes
lijnvormig tot elliptisch zijn.
Algemene soort in vochtige hooien graslanden.
Echte koekoeksbloem | Bloeitijd: mei – juli
Hoogte: 30-90 cm.
De bloemen van de echte
koekoeksbloem hebben roze
kleur en de in vier delen
opgesplitste kroonbladen lijken
net confettislierten.
In
tegenstelling
tot
de
dagkoekoeksbloem
is
hij
eenhuizig; in elke bloem vind je
vijf stempels en veel meeldraden.
Je ziet hem in natte, matig
voedselrijk hooilanden, vooral op
veengronden.
Pagina 33
Dotterbloem | Bloeitijd: april -mei, augustus – september
Hoogte: 15-50 cm.
De plant heeft een rechtopstaande
stengel, die bovenin vertakt; elke
vertakking eindigt in een opvallend
grote dooiergele bloem met vijf tot
acht kroonbladen. Ze hebben een
stevig, vlezig, rond hartvorming
blad. Je vindt de dotterbloem op
zeer natte plekken, vaak langs
beken. Vooral in het rivierengebied
en in laagveengebieden. De soort
geeft aan dat er invloed is van
grondwater.
Kale jonker | Bloeitijd: juni – september
Hoogte: 60 – 150 cm.
De kale jonker is te herkennen
aan zijn roodpaarse bloemen en
stakerige uiterlijk.
De lange rechtopstaande stekelige
stengels zijn weinig vertakt. De
bloemhoofden staan altijd met
vier of meer bij elkaar. Kale jonker
staat in vochtig tot zeer vochtige
graslanden, bijvoorbeeld langs
sloten en in de vochtige randen
van loofbossen.
Pagina 34
Grote ratelaar | Bloeitijd: mei – oktober
Hoogte: 10-80 cm.
De grote ratelaar is te herkennen
aan zijn typische bloemen. Hij
heeft onbehaarde, lichtgroene
vergroeide
kelken.
Daaruit
steken 1,5 tot 2,5 cm grote
felgele tweelippige bloemen.
Aan de vierkante stengel zitten
lichtgroene, smalle, gezaagde
bladeren. Deze staan twee aan
twee, kruislings tegenover elkaar.
Je vindt de soort in redelijk
voedselrijke,
vochtige
tot
natte graslanden. Toch is het
geen algemene verschijning.
Bijzonderheid van deze plant is
dat hij parasiteert op grassen.
Scherpe boterbloem | Bloeitijd: april – herfst
Hoogte: 30-90 cm.
Met de typerende heldergele
bloemen
is
de
scherpe
boterbloem een algemene soort
in
vochtige graslanden. Met
name in het voorjaar kan de soort
massaal voorkomen. Ondanks
dat de bloemen veel op andere
boterbloem soorten lijken, kan
hij niet met veel van deze andere
soorten verward worden. De
scherpe boterbloem is hoger en
ranker dan de andere soorten. De
bladeren zijn handvormig, diep
ingesneden en hebben 5 tot 7
slippen.
Pagina 35
Veldzuring | Bloeitijd: mei – juni
Hoogte: 50-100 cm.
Veldzuring komt voor in niet te
zwaar bemeste graslanden en staat
vaak op de overgang van nattere
naar drogere stukken. De bloemen
groeien in een losse slanke pluim
en kleuren diep rood vanaf eind
mei. Soms ook witachtig groen.
De bladeren kennen de vorm van
een spies en zijn 6 keer zo lang
als breed.
Duizendblad | Bloeitijd: juni – herfst
Hoogte: 15-50 cm.
Duizendblad heeft zijn naam te
danken aan het dubbel veerdelige
blad, waardoor het lijkt of het uit
zeer veel kleine blaadjes bestaat.
Aan de rechtopstaande stengel
zitten de van boven behaarde
bladeren verspreid. De kleine
witte bloemetjes zitten dicht bij
elkaar en vormen als het ware een
groot breed scherm. De geur doet
denken aan kamille. Het is een
soort die houdt van open zandige
plekken, maar ook in minder
bemeste graslanden voorkomt.
Daarnaast te vinden op akkers en
in ruderale terreinen en ruigten.
Pagina 36
Knoopkruid | Bloeitijd: mei – oktober
De soort heeft een grote variatie
in verschijningsvorm en varieert
in grootte van 10 tot 120 cm. Het
is een dof groene overblijvende
zomer- en herfstbloeier die een
wortelstok heeft en min of meer
rechtopstaande of opstijgende
soms vertakte stengels. Aan de
basis tref je een rozetachtige
structuur aan. De bloem heeft
wel wat weg van een distel.
Een bruine geschubde bol met
bovenaan paarse buisvormige
bloemen. De soort is aan te
treffen in diverse iets minder
voedselrijke graslandmilieus en
siert bermen en dijkhellingen.
Margriet | Bloeitijd: mei – augustus
Hoogte: 30 – 60 cm.
De margriet is net een reuzenversie
van het madeliefje. Op de hoge
steel staat één hoofdje met gele
buisbloemen en daaromheen een
krans van witte lintbloemen. De
bladeren onderaan de stengel
zijn spatelvormig, naar boven
toe worden ze langwerpig. Alle
bladeren hebben een gekartelde
bladrand met afgeronde tanden.
Je vindt de margriet in grasen hooilanden, braakliggende
akkers, in bermen en langs
struwelen.
Pagina 37
Witte klaver | Bloeitijd: mei – oktober
Hoogte: 5-25 cm
De bolvormige bloeiwijzen met
veel witte vlinderbloemen in
onze bermen en graslanden
zijn gemakkelijk herkenbaar als
Witte klaver. De zeer algemene
plant is in vrijwel alle gras- en
hooilanden te vinden. De stengels
van de Witte klaver kruipen over
de bodem en wortelen telkens
opnieuw op de knopen. Daardoor
kan de soort grote oppervlakken
bezetten. De bloemen worden
bezocht door honingbijen, die
voor de bestuiving zorgen.
Rode klaver | Bloeitijd: mei – herfst
De rode klaver lijkt sprekend op
de witte klaver. De bloemen zijn
roodpaars, maar kunnen variëren
van vleeskleurig tot wit. De blaadjes
van rode klaver zijn langwerpiger
en puntiger dan die van witte
klaver. Over het algemeen is de
witachtige v-vormige vlek scherper
afgetekend. Rode klaver zie je
veel in weinig tot niet bemeste
graslanden, maar ook in ruigtes.
Pagina 38
Eikvaren
Hoogte: 10-60 cm.
De zwak gekartelde bladeren
zijn wintergroen, langwerpig, tot
50 cm lang. Ze zijn enkelvoudig
veervormig en bijna tot de
hoofdnerf
ingesneden.
De
deelblaadjes hebben een iets
afgeronde top en een brede
voet. Van juli tot september
heeft de eikvaren oranjerode,
ronde sporenhoopjes aan de
onderzijde van de bladeren. Je
kunt hem tegenkomen op droge
zandgronden in lichte naald- en
loofbossen, houtwallen, in bermen
aan de voet van loofbomen, oude
muren, schorsspleten van gevelde
stammen en in knotwilgen.
Grote muur | Bloeitijd: april – juni
Hoogte: 15 – 50 cm.
De grote muur lijkt wel een mix
tussen gras en een madeliefje:
Lange stengels met smalle,
langwerpige blaadjes met witte
bloemen. De bloem heeft 5
kroonbladen die elk tot op de helft
zijn ingesneden. Hij vormt grote,
bodembedekkende plakkaten op
niet te voedselarme leembodems
in loofbossen en aan bos- en
struweelranden. Bloeit relatief
vroeg in het voorjaar (medio april).
Pagina 39
Bosanemoon | Bloeitijd: maart – mei
Hoogte: 5 – 25 cm
Met zijn wortelstokken is de
bosanemoon in staat grote
groepen te vormen. Zo vormen ze
een groen tapijt met witte bloemen.
De stuifmeeldraden zijn opvallend
geel. De 3 stengelbladen staan
op een steel en bijna tot de voet
gedeeld in 3 of 5 langwerpige,
eironde grof gezaagde slippen.
Hij groeit in het vroege voorjaar
op
vochtige,
voedselrijke,
schaduwrijke plekken in bossen,
struwelen en houtwallen.
Pagina 40
Download