PGS 15 - asecos

advertisement
TOP KWALITEIT DIRECT VAN PRODUCENT
PGS 15
Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
Een uitgave van VROM / InfoMill > Externe veiligheid
December 2011
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 1 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Opslag van verpakte
gevaarlijke stoffen
Richtlijn voor opslag en tijdelijke opslag met
betrekking tot brandveiligheid,
arbeidsveiligheid en milieuveiligheid
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2011 versie 1.0 (december 2011)
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 2 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 3 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Ten geleide
De Publicatiereeks is een handreiking voor bedrijven die gevaarlijke stoffen produceren,
transporteren, opslaan of gebruiken en voor overheden die zijn belast met de
vergunningverlening en het toezicht op deze bedrijven. De publicatiereeks geeft de stand van
de techniek weer en daar waar relevant wordt verwezen naar regelgeving en voorschriften.
Deze publicatiereeks is het referentiekader, ter invulling van de eigen verantwoordelijkheid van
de bedrijven, en kan gebruikt worden bij vergunningverlening, het opstellen van algemene
regels en het toezicht op bedrijven. Hoe om te gaan met verwijzingen vanuit wet- en
regelgeving naar PGS publicaties staat beschreven in paragraaf 1.1. In de publicatiereeks wordt
op integrale wijze aandacht besteed aan arbeidsveiligheid, milieuveiligheid, transportveiligheid
en brandveiligheid.
De richtlijnen zijn dusdanig geformuleerd dat in voorkomende gevallen een bedrijf op basis van
gelijkwaardigheid voor andere maatregelen kan kiezen.
De PGS 15 uit 2005 en de daarop volgend gepubliceerde errata zijn geïntegreerd en
gedeeltelijk herzien door PGS-team 15. Dit team is samengesteld uit inhoudelijk deskundigen
van het bedrijfsleven en de overheid. De leden van het team zijn opgenomen in bijlage I.
De inhoud van de publicatie is vastgesteld door de PGS Programmaraad. Deze is gevormd
door vertegenwoordigers vanuit de overheden (het Interprovinciaal Overleg (IPO), de
Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Arbeidsinspectie, de Nederlandse Vereniging voor
Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) en het Ministerie van I & M), het bedrijfsleven
(VNO/NCW en MKB Nederland) en werknemersorganisaties.
De Publicatiereeks wordt actueel gehouden door de PGS-beheerorganisatie onder aansturing
van de PGS programmaraad.
Meer informatie over de PGS en de meest recente publicaties zijn te vinden op:
www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl.
Een overzicht van het werkveld van de Publicatiereeks met daarin ook een overzicht van
relevante wet-en regelgeving en de betrokken partijen is opgenomen in de notitie 'juridische
context Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen'. Deze is te downloaden via genoemde website.
De voorzitter van de PGS Programmaraad,
Gerrit J. van Tongeren
december 2011
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 4 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 5 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Inhoud
Ten geleide
4
Inhoud
6
Leeswijzer
9
0
Inleiding
0.1 Aanleiding voor actualisatie
0.2 Relatie met wet- en regelgeving
0.3 Betrokken overheidsinstanties
11
11
11
16
1
Toepassing van de publicatie
1.1 Algemeen
1.2 Doelstelling
1.3 Toepassingsgebied
1.4 Gelijkwaardigheidsbeginsel
1.5 Gebruik van normen en richtlijnen
1.6 Gemotiveerd afwijken
1.7 Gebruik van eenheden
18
18
18
18
21
21
21
22
2
Systematiek
23
3
Algemeen
Wabo, AI
3.1 Het opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen
3.2 Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening (m.u.v.
Wabo
brandveiligheidsopslagkasten)
Wabo
3.3 Kwaliteit vloeren
Wabo, AI
3.4 Stellingen
AI
3.5 Aarding en bliksembeveiliging
AI
3.6 Explosieveiligheid
AI
3.7 Vrijkomende dampen van verpakte gevaarlijke stoffen
Wabo
3.8 Voorkomen van verontreinigd hemelwater
Wabo, AI
3.9 Productopvang
Wabo, AI
3.10 Brandveiligheidsopslagkasten
Wabo, AI
3.11 Verpakking en etikettering
Wabo, AI
3.12 Onverenigbare combinaties
Wabo, AI
3.13 Gebruik opslagvoorziening
Wabo, AI
3.14 Incidenten met gemorste gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
Wabo, AI
3.15 Rook- en vuurverbod, blustoestellen
Wabo, AI
3.16 Veiligheidheidsignalering, veiligheidsinformatiebladen, instructies
Wabo, AI
3.17 Vakbekwaamheid
Wabo, AI
3.18 Journaal en registratie
Wabo, AI
3.19 Intern noodplan
Wabo, AI
3.20 Toegankelijkheid voor onbevoegden
Wabo, AI
3.21 Toegangsdeuren en vluchtroutes
AI
3.22 Noodverlichting en vluchtrouteaanduiding
Wabo, AI
3.23 Verwarming
AI
3.24 Nooddouche en oogspoelvoorziening
AI
3.25 Persoonlijke beschermingsmaatregelen
24
24
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 6 VAN 124
26
32
33
34
34
35
35
36
36
37
38
39
39
40
40
41
41
42
43
43
43
43
44
44
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
AI
3.26 Bedrijfshulpverlening (BHV)
AI
3.27 Hygiëne, 'good housekeeping'
45
45
4
Opslagvoorzieningen groter dan 10 000 kg
4.1 Inleiding
Wabo
4.2 Bereikbaarheid opslagvoorziening
Wabo, AI
4.3 Scheiding tussen de vakken
Wabo, AI
4.4 Vakindeling en maximale oppervlakte opslagvoorziening
Wabo, AI
4.5 Beschermingsniveaus
Wabo
4.6 Bluswateropvangvoorzieningen
Wabo
4.7 Productopvang
Wabo, AI
4.8 Brandbeveiligingsinstallaties
46
46
46
47
47
48
49
50
51
5
Voorschriften voor de opslag van (tank)containers geladen met gevaarlijke stoffen en/of
CMR-stoffen
5.1 Inleiding
Wabo, AI
5.2 Algemeen
Wabo
5.3 Blusleidingen en brandkranen
Wabo
5.4 Bereikbaarheid terrein
Wabo, AI
5.5 Middelen en maatregelen in geval van calamiteiten
Wabo, AI
5.6 De opslag van (tank)containers met gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen
5.7 Maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van het oppervlaktewater en ter
Wabo
bescherming van het riool
5.8 Opstelplaatsen voor voertuigen met verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMRWabo, AI
stoffen
56
56
56
57
58
58
60
62
62
6
Opslag van gasflessen
6.1 Inleiding
Wabo, AI
6.2 Voorschriften voor de opslag van gasflessen
Wabo, AI
6.3 Opslag van gasflessen in een brandveiligheidsopslagkast
63
63
65
69
7
Opslag van spuitbussen en gaspatronen
7.1 Inleiding
Wabo, AI
7.2 Bepaling grenswaarden voor vaststellen beschermingsniveau
Wabo, AI
7.3 Algemene opslagvoorschriften
7.4 Het opslaan van maximaal 10 000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder
Wabo, AI
de gezamenlijke opslag met andere gevaarlijke stoffen
7.5 Het opslaan van meer dan 10 000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder
Wabo, AI
de gezamenlijke opslag met andere (gevaarlijke) stoffen
71
71
72
72
Opslag verpakte gevaarlijke stoffen klasse 4.1, 4.2 en 4.3
8.1 Inleiding
8.2 Brandgevaarlijke vaste stoffen (klasse 4.1)
8.3 Voor zelfontbranding vatbare stoffen (klasse 4.2)
8.4 Stoffen met gevaar van ontwikkeling van brandbare gassen in contact met water
(klasse 4.3)
8.5 Voorschriften voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen klasse 4.1, 4.2 en
Wabo, AI
4.3
75
75
76
76
Opslag van een beperkte hoeveelheid organische peroxiden
9.1 Inleiding
Wabo, AI
9.2 Voorschriften
81
81
82
8
9
10 Voorzieningen voor de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
10.1 Inleiding
10.2 Toepassingsgebied
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 7 VAN 124
74
74
77
77
84
84
84
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
10.3 Systematiek
10.4 Algemene voorschriften voor de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
Wabo
en/of CMR-stoffen
10.5 Tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen, ten hoogste
10 000 kg per brandcompartiment
10.6 Tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen, ten hoogste
10 000 kg per brandcompartiment, uitsluitend tijdens aanwezigheid van
Wabo
deskundig personeel
10.7 Tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen, ten hoogste
30 000 kg per brandcompartiment, uitsluitend tijdens aanwezigheid van
deskundig personeel Wm
85
85
87
88
89
Bijlage A
Begrippenlijst
90
Bijlage B
Normen
99
Bijlage C
Borden ten behoeve van de veiligheidsignalering
101
Bijlage D
Voorkomen van onverenigbare combinaties door stoffenscheiding
104
Bijlage E
Eisen aan brandveiligheidsopslagkasten
107
Bijlage F
Brandbeveiligingsinstallaties: kenmerken en parameters
108
Bijlage G
Overzicht normen brandbestrijdingsinstallaties
119
Bijlage H
Overzicht van veel voorkomende gassen (niet limitatief)
122
Bijlage I
Samenstelling PGS-team
124
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 8 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Leeswijzer
In deze leeswijzer staat beschreven hoe PGS 15 is opgebouwd en wat de wijzigingen zijn ten
opzichte van PGS 15:2005. Bovendien geeft de leeswijzer instructies hoe om te gaan met
eenheden en met de voorschriften.
In hoofdstuk 0 wordt ingegaan op de aanleiding van de herziening van PGS 15:2005 naar
PGS 15:2011. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de relatie met de belangrijkste weten regelgeving en de betrokken overheidsinstanties voor vergunningverlening en toezicht.
Hoofdstuk 1 bevat informatie over de doelstelling en toepassing van deze richtlijn. In dit
hoofdstuk zijn twee tabellen opgenomen waarin wordt bepaald welke stoffenklassen in het
toepassingsgebied van PGS 15 vallen en welke ondergrenzen hierbij van toepassing zijn.
Daarnaast wordt kort ingegaan op het gelijkwaardigheidsbeginsel en het gebruik van normen en
richtlijnen.
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de systematiek die is gebruikt bij deze richtlijn.
Hoofdstuk 3 bevat algemene voorschriften. De algemene voorschriften zijn van toepassing voor
alle opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen. Het betreft het
basisvoorzieningenniveau waarin de bepalingen die aanvullend zijn op het Bouwbesluit m.b.t.
de brandwerendheid van bouwconstructies en de algemene bepalingen die voortvloeien uit
arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving zijn opgenomen. Daarnaast zijn onder meer
voorschriften opgenomen voor het veilig inrichten en gebruik van opslagvoorzieningen en zijn
voorzieningen en maatregelen voorgeschreven voor het omgaan met incidenten met gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen. Indien opslagvoorzieningen met een opslagcapaciteit tot ten hoogste
10 000 kg aan de van toepassing zijnde voorschriften uit hoofdstuk 3 voldoen, is een toereikend
beschermingsniveau bereikt.
In hoofdstuk 4 zijn voorschriften opgenomen die gelden voor opslagvoorzieningen met een
opslagcapaciteit groter dan 10 000 kg. Voor de zeer giftige stoffen (ADR-klasse 6.1
verpakkingsgroep I of stoffen van klasse 8, verpakkingsgroep I, met aanvullend etiket modelnr.
6.1) geldt dit hoofdstuk vanaf 1 000 kg. De algemene voorschriften uit hoofdstuk 3 zijn
eveneens van toepassing op deze opslagvoorzieningen.
Hoofdstuk 5 bevat voorschriften voor opslagplaatsen voor containers met verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen. Dit hoofdstuk bevat tevens een inleiding waarin het soort bedrijven is
beschreven waar dergelijke activiteiten met containers plaatsvinden. De voorschriften die
voortvloeien uit arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en de voorgeschreven
voorzieningen en maatregelen voor het omgaan met incidenten met gevaarlijke stoffen en/of
CMR-stoffen uit hoofdstuk 3 zijn eveneens van toepassing. In de inleiding in hoofdstuk 5 is
aangegeven om welke paragrafen van hoofdstuk 3 het gaat.
Hoofdstuk 6 beschrijft opslagvoorzieningen voor gasflessen. Het gaat hierbij om de meest
voorkomende situaties, zowel qua opslagvoorzieningen als qua soorten gassen. Het
basisvoorzieningenniveau met de bepalingen die aanvullend zijn op het Bouwbesluit m.b.t. de
brandwerendheid van bouwconstructies en de algemene bepalingen die voortvloeien uit
arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving uit hoofdstuk 3 zijn eveneens van toepassing op de
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 9 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
opslag van gasflessen. In de inleiding in hoofdstuk 6 is aangegeven om welke paragrafen van
hoofdstuk 3 het gaat.
In hoofdstuk 7 zijn de voorschriften voor de opslag van spuitbussen opgenomen. Hier worden
zowel de situatie beschreven dat spuitbussen tezamen met andere verpakte gevaarlijke stoffen
worden opgeslagen als de situatie dat een opslagvoorziening uitsluitend voor de opslag van
spuitbussen is bestemd. De relatie met hoofdstuk 3 is in de inleiding van hoofdstuk 7
behandeld.
In de hoofdstukken 8 en 9 is een aantal bijzondere klassen gevaarlijke stoffen behandeld. Het
gaat in hoofdstuk 8 om klassen 4.1 (brandbare vaste stoffen), 4.2 (voor zelfontbranding vatbare
stoffen) en 4.3 (stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen) en in hoofdstuk
9 om klasse 5.2 tot 1 000 kg (organische peroxiden). In het algemeen kunnen deze stoffen
tezamen met andere verpakte gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Hoofdstuk 3 is tevens
van toepassing.
Hoofdstuk 10 is een nieuw hoofdstuk dat is bedoeld voor de tijdelijke opslag van verpakte
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die voorafgaand of aansluitend aan transport buiten een
opslagvoorziening conform de hoofdstukken 3 t.m 9 verblijven. Er is daarbij onderscheid
gemaakt naar tijdelijke opslag tot 10 000 kg onder werktijd en buiten werktijd, en de opslag tot
30 000 kg onder werktijd. Voor bedrijven die buiten werktijd meer dan 10 000 kg willen opslaan
gelden de ‘normale’ voorschriften uit voorgaande hoofdstukken.
In bijlage A zijn alle definities en afkortingen behandeld.
In deze PGS publicatie zijn de voorschriften genummerd en in blauwe kaders weergegeven.
In deze richtlijn zijn paragrafen met voorschriften van een codering voorzien. Deze codering
geeft aan welke overheidsdiscipline in de uitvoering, vergunningverlening, toezicht of advisering
van het desbetreffende voorschrift voorziet. De volgende codes zijn gehanteerd: Wabo (Wet
algemene bepaling omgevingsrecht); AI (Arbeidsinspectie).
Op de website is een document opgenomen waarin de belangrijkste wijzigingen ten opzichte
van de voorgaande PGS 15 versie (2005) zijn omschreven.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 10 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
0 Inleiding
0.1
Aanleiding voor actualisatie
De Sandoz-ramp in Basel in 1986 is de aanleiding geweest voor de ontwikkeling van een aantal
richtlijnen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, de CPR 15-richtlijnen. Deze
richtlijnen zijn in 2005 in geactualiseerde vorm samengevoegd in een nieuwe richtlijn in de
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 15:2005. Daaropvolgend is een tiental errata
uitgebracht en zijn een behoorlijk aantal vragen en opmerkingen over PGS 15 neergelegd bij de
InfoMil Helpdesk.
In 2009 heeft de PGS Programmaraad besloten tot een partiële herziening van PGS 15 om in
ieder geval de errata te integreren in de publicatie, deze in lijn te brengen met nieuwe en
gewijzigde wet- en regelgeving (o.a. Activiteitenbesluit ter vervanging van enkele 8.40 AMvB’s,
vervallen Wet millieugevaarlijke stoffen en nieuwe stellingen-norm) en om onduidelijkheden,
zoals die naar voren komen uit de vele vragen en opmerkingen die zijn binnengekomen, zoveel
mogelijk weg te nemen. Deze herziening is tevens aangegrepen om PGS 15 over te zetten in
de nieuwe PGS-huisstijl.
0.2
0.2.1
Relatie met wet- en regelgeving
Introductie
Een groot deel van de eisen danwel voorschriften die aan het gebruik van gevaarlijke stoffen
worden gesteld, zijn vastgelegd in wetgeving, al dan niet gebaseerd op Europese richtlijnen of
volgen rechtstreeks uit Europese verordeningen. De PGS-publicaties beogen een zo volledig
mogelijke beschrijving te geven van de wijze waarop bedrijven kunnen voldoen aan de eisen
die uit wet- en regelgeving voortvloeien.
In dit overzicht is een onderverdeling gemaakt in de volgende categorieën:




algemeen;
bedrijfsvoering;
eisen aan ruimtelijke context;
ADR.
Voor de meest actuele versie van de wet- en regelgeving adviseren wij u de website wetten.nl
te raadplegen.
0.2.2
0.2.2.1
Algemeen
Wet algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo)
Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van kracht
geworden, met het bijbehorende Besluit omgevingsrecht (Bor) en met de bijbehorende
Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Op basis van de Wabo (danwel bijlage 1 van het
Bor) zijn ruim 30 000 bedrijven vergunningplichtig voor het oprichten en het veranderen van de
inrichting. Dit wordt aangeduid in de omgevingsvergunning, tot 1 oktober 2010 was dat een
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 11 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vergunning Wet milieubeheer. Wanneer bij een inrichting sprake is (of zal zijn) van activiteiten
die vallen binnen de reikwijdte van een PGS-publicatie, zijn de voorschriften van de PGSrichtlijn het uitgangspunt voor de vaststelling van vergunningvoorschriften.
0.2.2.2
Beste beschikbare techniek
Volgens artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) moet het bevoegde gezag voor het
verlenen van een vergunning rekening houden met de voor de inrichting in aanmerking
komende Beste Beschikbare Technieken (BBT). In tabel 2, bijlage 1 Aanwijzing BBT
documenten van het Mor staan de PGS-publicaties die zijn aangemerkt als Nederlandse BBTinformatiedocumenten.
0.2.2.3
Activiteitenbesluit
Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim ofwel Activiteitenbesluit)
geeft algemene milieuregels voor bedrijven die niet vergunningplichtig zijn. Daarnaast bevat het
besluit voor bepaalde activiteiten voorschriften, die ook van toepassing zijn op
vergunningplichtige inrichtingen. Bij ministeriële regeling verwijst de wetgever voor bepaalde
activiteiten naar specifieke PGS-voorschriften.
In het Activiteitenbesluit wordt onderscheid gemaakt in drie typen inrichtingen: A, B en C. Type
A- en type B-inrichtingen vallen volledig onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit,
waarbij voor type A-inrichtingen, vanwege hun geringe milieubelasting, het 'lichte regime' en
geen meldingsplicht geldt. Type B-inrichtingen zijn inrichtingen waarvoor de vergunningplicht
wordt opgeheven maar die wel meldingsplichtig zijn. Type C-inrichtingen moeten beschikken
over een vergunning, waarbij voor bepaalde activiteiten de voorschriften uit hoofdstuk 3 van het
Activiteitenbesluit en enkele andere voorschriften van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van
toepassing zijn en daarom niet in de vergunning hoeven te worden opgenomen.
0.2.2.4
Wet bodembescherming
De Wet bodembescherming (Wbb) bevat algemene regels om bodemverontreiniging te
voorkomen. De wet bestaat (in hoofdlijnen) uit een drietal regelingen, te weten, een regeling
voor:



0.2.2.4.1
de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de plicht voor veroorzakers alles
wat zij toegevoegd hebben aan verontreiniging te verwijderen;
de aanpak van overige bodemverontreiniging op land;
de aanpak van overige bodemverontreiniging in de waterbodem.
Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB)
De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) heeft als
uitgangspunt een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren door een combinatie van
maatregelen en voorzieningen.
0.2.2.5
REACH
REACH is een Europese verordening voor chemische stoffen. De afkorting staat voor
Registratie, Evaluatie en Autorisatie van CHemische stoffen. De kern van REACH is dat een
bedrijf in principe van alle stoffen die het produceert, verwerkt of doorgeeft aan klanten de
risico's moet kennen en maatregelen moet benoemen (en voor het eigen bedrijf ook moet
nemen) om die risico's te beheersen. Met de invoering van REACH is de verantwoordelijkheid
voor een adequate risicobeheersing van chemische stoffen naar het bedrijfsleven verschoven.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 12 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Het doel van REACH is bij de productie en het gebruik van chemische stoffen een hoog
veiligheidsniveau te waarborgen voor mens en milieu, terwijl het concurrentievermogen van de
industrie behouden blijft of verbetert. Om dit te realiseren zal door REACH informatie
beschikbaar komen over gebruikte stoffen en zal de communicatie over deze stoffen in de keten
van de producent tot en met de eindgebruiker worden verbeterd (zowel upstream als
downstream).
0.2.2.6
CLP-verordening (Classification, Labelling en Packaging)
De CLP-Verordening EG 1272/2008 (Classification, Labelling en Packaging) in Nederland met
werktitel EU-GHS aangeduid, geeft nieuwe Europese regels voor indeling, etikettering en
verpakking. Deze geldt voor stoffen vanaf 1 december 2010. Voor mengsels (voorheen
preparaten genoemd) geldt een overgangstermijn tot 1 juni 2015. Hoewel de CLP/EU-GHS qua
classificatie en etikettering in veel gevallen overeenkomt met het ADR, zijn er ook nog een
aantal stoffen waarvoor dat niet het geval is; Verdere harmonisatie van CLP/EU-GHS en
vervoer wordt wel nagestreefd. Dat proces zal nog een aantal jaren duren. Voor het bepalen
van de gevarenclassificatie is het ADR leidend voor die situaties waarbij het niet gaat om de
kankerverwekkend, mutagene en reprotoxische (CMR) stoffen. Voor de classificatie van de
CMR-stoffen geldt de indeling volgens Bijlage I van de verordening EG 1272/2008. De juiste
classificatie kan worden achterhaald via o.a. het veiligheidsinformatieblad, Bijlage VI van de
verordening EG 1272/2008, het UN-nummer op de verpakking (vermelding verplicht) of de
vrachtbrief.
0.2.3
0.2.3.1
Bedrijfsvoering
Wetgeving explosieve atmosferen (ATEX 137)
ATEX (ATmosphère EXplosible) is het synoniem voor twee Europese richtlijnen op het gebied
van explosiegevaar. Binnen bedrijven waar explosiegevaar bestaat, moet worden voldaan aan
de ATEX 137 richtlijn (Richtlijn 1999/92/EG). Deze verplichting is in Nederland in het
Arbeidsomstandighedenbesluit vastgelegd.
ATEX 137 beschrijft de minimum veiligheidseisen om een gezonde en veilige werkomgeving te
creëren voor werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. Voor
Nederland zijn deze richtlijnen opgenomen in de ARBO wet- en regelgeving. Werkgevers zijn
verplicht de volgende maatregelen te treffen:



het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk voorkomen;
het vermijden van de ontsteking van explosieve atmosferen;
het beperken van de schadelijke gevolgen van een explosie.
De werkgever moet de risico’s in een explosieveiligheidsdocument beschrijven alsmede welke
maatregelen getroffen zijn. Dit explosieveiligheidsdocument mag onderdeel uitmaken van de
Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) op grond van de Arbeidsomstandighedenwet.
0.2.3.2
Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo 1999)
Het Besluit risico’s zware ongevallen vormt een belangrijk deel van de implementatie van de
Seveso II-richtlijn. Het bevat eisen aan bedrijven die werken met substantiële hoeveelheden
gevaarlijke stoffen. Deze eisen hebben zowel betrekking op de technische kant van veiligheid,
als op de bedrijfsvoeringsaspecten zoals veiligheidsbeleid, procedures en communicatie. Een
Brzo-bedrijf moet een samenhangend veiligheidsmanagementsysteem invoeren dat een veilige
bedrijfsvoering waarborgt. Een specificatie van een veiligheidsmanagementsysteem voor
risico’s van zware ongevallen is gegeven in NTA 8620. De grotere Brzo-bedrijven moeten
bovendien een veiligheidsrapportage hebben, met daarin een identificatie van gevaren en een
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 13 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
beschrijving van de risicobeheersing op het gebied van interne veiligheid, externe veiligheid,
milieuveiligheid en rampenhulpverlening. Daarnaast moeten de grotere Brzo-bedrijven ook een
intern noodplan opstellen. Bovendien kunnen de vergunningverlenende en handhavende
overheden van deze grotere bedrijven een kwantitatieve risicoanalyse eisen.
0.2.3.3
ARIE-regeling
Bedrijven waar een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in installaties aanwezig is of kan
worden gevormd (ongeacht beoogde handelingen), moeten een Aanvullende RisicoInventarisatie en -Evaluatie (ARIE) uitvoeren gericht op het voorkomen van zware ongevallen
en op basis daarvan een pakket maatregelen nemen.
0.2.3.4
Risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E)
Elk bedrijf met personeel moet (laten) onderzoeken of het werk gevaar kan opleveren of schade
kan veroorzaken aan de gezondheid van de werknemers. Dit onderzoek heet een RI&E en
moet schriftelijk worden vastgelegd.
0.2.3.5
Arbeidsomstandigheden
De Arbeidsomstandighedenwet geeft de rechten en plichten aan van zowel werkgever als
werknemer op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbeidsomstandighedenwet geldt
overal waar arbeid wordt verricht. Niet alleen bij bedrijven, maar ook bij verenigingen of
stichtingen.
In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een uitwerking van de Arbeidsomstandighedenwet,
staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om
arbeidsrisico's tegen te gaan (doelvoorschriften). Er staan ook afwijkende en aanvullende regels
voor een aantal sectoren en categorieën werknemers in.
Werkgevers en werknemers hebben in de in 2007 hernieuwde Arbowet meer ruimte en
verantwoordelijkheid gekregen om zelf invulling te geven aan de wijze waarop zij binnen de
eigen branche aan de wet voldoen. Dit heeft als voordeel dat in ondernemingen arbobeleid kan
worden gevoerd dat rekening houdt met de specifieke kenmerken van de sector.
De overheid zorgt via de Arbeidsomstandighedenwet voor een helder wettelijk kader
(doelvoorschriften) met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en
werknemers maken samen afspraken over de wijze waarop zij aan de door de overheid
gestelde voorschriften kunnen voldoen. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in
zogenoemde arbocatalogi.
Hierin staan de verschillende methoden en oplossingen beschreven die werkgevers en
werknemers samen hebben afgesproken om aan de doelvoorschriften die de overheid stelt te
voldoen. Bijvoorbeeld met beschrijvingen van technieken en methoden, goede praktijken,
normen en praktische handleidingen.
Indien een branche geen initiatief neemt om een Arbocatalogus voor de desbetreffende
branche op te stellen, kan de AI het initiatief nemen om een Arbobranche brochure op te
stellen.
Conform de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit moet elke
organisatie beschikken over een deskundige bedrijfshulpverleningsorganisatie.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 14 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
0.2.4
Eisen aan ruimtelijke context
Naast de technische integriteit en de bedrijfsvoering is ook de ruimtelijke context van opslag- en
verladingsinstallaties van belang om de gevaren die zijn verbonden aan een dergelijke
installatie te beoordelen en de risico’s te beheersen.
0.2.4.1
Bouwbesluit
In het Bouwbesluit zijn algemene regels opgenomen voor brandwerendheid, brandoverslag en
branddoorslag. Voor regels over bestaande gebouwen wordt verwezen naar experimentele
bepalingen in de normen NEN 6068 en NEN 6069, voor nieuwbouw wordt verwezen naar
methoden voor rekenkundige bepaling beschreven in NEN 6071, 6072 en 6073. Voor het
bepalen van de vuurbelasting verwijst het Bouwbesluit naar NEN 6090. Zie verder 3.2.
0.2.4.2
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Door het Bevi - gekoppeld aan de Wet milieubeheer - kunnen nadere eisen worden gesteld aan
de externe veiligheid van bedrijven met specifieke risico's voor personen buiten het terrein van
de inrichting. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden
blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen tot een vastgestelde grens
te beperken. Door het Bevi is het bevoegde gezag sinds oktober 2004 verplicht bij het verlenen
van vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer en bij relevante ruimtelijke
ontwikkelingen (met name bestemmingsplannen) rekening te houden met de externe veiligheid
(plaatsgebonden risico en groepsrisico). Op grond van het Bevi worden in een ministeriële
regeling (Regeling externe veiligheid inrichtingen) voor een aantal bedrijfssectoren de aan te
houden afstanden voorgeschreven. Voor de overige bedrijven, bijvoorbeeld Brzo-bedrijven,
moet de aan te houden afstand met een risicoberekening te worden bepaald aan de hand van
de rekenregels genoemd in het Bevi. Indirect worden hiermee veiligheidsnormen opgelegd aan
bedrijven die door gebruik, opslag, transport of productie van gevaarlijke stoffen een risico
vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein.
Het Bevi op hoofdlijnen:




het Bevi regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen die
buiten een bedrijf met gevaarlijke stoffen verblijven;
het Bevi legt het plaatsgebonden risico vast. Daarmee kunnen gemeenten en provincies
veiligheidsafstanden rond risicobedrijven bepalen;
het Bevi legt een verantwoordingsplicht op voor het groepsrisico. Daarmee kunnen
gemeenten en provincies veiligheidsafstanden rond risicobedrijven bepalen;
wanneer bedrijven te dicht bij bijvoorbeeld woningen staan, zijn extra
veiligheidsmaatregelen nodig. In het uiterste geval kunnen gemeenten en provincies een
bedrijf laten verplaatsen of woningen laten slopen.
Indien een inrichting onder het Bevi valt, is het een type C-inrichting uit het Activiteitenbesluit.
0.2.5
Gebruiksbesluit
Gebouwen moeten brandveilig worden gebruikt. Per 1 november 2008 gelden daarvoor
landelijke eisen die zijn vastgelegd in het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, kortweg
Gebruiksbesluit.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 15 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
0.2.6
ADR
In PGS 15 zijn de uitgangspunten geïntegreerd die vanuit de Wabo, de
Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en aanvullend op het Bouwbesluit aan de opslag
van verpakte gevaarlijke stoffen worden verbonden. In PGS 15 is voor de indeling en definiëring
van gevaarlijke stoffen met uitzondering van CMR-stoffen aangesloten bij de Wet vervoer
gevaarlijke stoffen. De classificatie van gevaarlijke stoffen vindt plaats conform de Europese
overeenkomst ADR (Accord Européen relatif au transport international des marchandises
dangereuses par route). Het ADR kent dertien klassen van gevaarlijke stoffen. In tabel 0.1 zijn
deze klassen omschreven en voorzien van voorbeelden.
Tabel 0.1 — ADR-klassen van gevaarlijke stoffen
0.3
ADR-klasse
Omschrijving
Voorbeelden
1
Ontplofbare stoffen en voorwerpen
Zwart buskruit, springstoffen, ontstekers,
vuurwerk
2
Gassen
Propaan, zuurstof, stikstof, argon,
kooldioxide, acetyleen, aerosolen
(spuitbussen)
3
Brandbare vloeistoffen
Bepaalde oplosmiddelen, inkten,
harsoplossingen, aardolieproducten
4.1
Brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste
stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet
explosieve toestand
Wrijvingslucifers, zwavel, metaalpoeders
4.2
Voor zelfontbranding vatbare stoffen
Fosfor (wit of geel), diethylzink
4.3
Stoffen die in contact met water brandbare
gassen ontwikkelen
Magnesiumpoeder, natrium, calciumcarbide
5.1
Oxiderende stoffen
Kaliumpermanganaat, natriumchloraat
5.2
Organische peroxiden
Dicumyl peroxide, di-propionyl peroxide
6.1
Giftige stoffen
Chloroform, arseen, kaliumcyanide
6.2
Infectueuze stoffen (besmettelijke stoffen)
Bacteriën, virussen, parasieten, schimmels,
ziekenhuisafval
7
Radioactieve stoffen
Uranium-238, kobalt-60
8
Bijtende stoffen
Natriumhydroxide, zwavelzuur, zoutzuur
9
Diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen
Polychloorfenolen, lithiumbatterijen,
aquatoxische stoffen, genetisch
gemodificeerde organismen
Betrokken overheidsinstanties
De volgende overheidsinstanties zijn onder meer betrokken bij de op- en overslag van verpakte
gevaarlijke stoffen.
0.3.1
Gemeente en Provincie
Voor de meeste bedrijven is de gemeente het bevoegde gezag voor de Wabo. De provincies
zijn voor de meeste grotere en vaak risicovollere bedrijven of bedrijven met een zwaardere
milieubelasting het bevoegde gezag. Er kan worden gekozen om voor de uitvoering van taken
van het bevoegde gezag gebruik te maken van een regionale uitvoeringsdienst (RUD).
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 16 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
0.3.2
Brandweer/veiligheidsregio
Met komst van de Veiligheidsregio’s verdwijnen de gemeentelijke en regionale
brandweerkorpsen en gaan zij, als onderdeel brandweer, op in deze veiligheidsregio’s.
In het kader van de brandveiligheid kan de veiligheidsregio vanuit twee invalshoeken betrokken
zijn. Ten eerste vanuit haar wettelijke adviestaak in de situatie waarbij er sprake is van een
bedrijf dat onder het Brzo 1999 en/of het Bevi valt. Ten tweede kan de veiligheidsregio
(voorheen de gemeentelijke brandweer) door het bevoegde gezag worden geraadpleegd bij het
vaststellen van eisen aan brandpreventieve en brandrepressieve voorzieningen die in
omgevingsvergunningen kunnen worden vastgelegd.
Daarnaast is de brandweer ook betrokken als dé hulpdienst die bij incidenten zal moeten
optreden. Om te kunnen optreden, moeten er een aantal voor de brandweer bestemde
maatregelen zijn getroffen. Ten slotte zal de brandweer voor het optreden zich moeten
voorbereiden en dus op de hoogte moeten zijn van de situatie.
0.3.3
Arbeidsinspectie
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is verantwoordelijk voor alle
regelgeving met betrekking tot arbeidsomstandigheden. De Arbeidsinspectie ziet toe op de
naleving van deze regelgeving.
0.3.4
Inspectie verkeer en waterstaat
De Inspectie Verkeer en Waterstaat ziet toe op de naleving van de voorschriften ten aanzien
van het vervoer van gevaarlijke stoffen en voeren regelmatig broncontroles uit bij verladers en
op- en overslagbedrijven. Bovendien zijn zij aangewezen om toezicht te houden op een juiste
classificatie van verpakte gevaarlijke stoffen.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 17 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
1 Toepassing van de publicatie
1.1
Algemeen
Toezicht, handhaving en vergunningverlening zijn geregeld in de betreffende wetgeving.
Bedrijven moeten aan de beschreven stand der techniek voldoen, wanneer vanuit een bindend
document wordt verwezen naar de PGS. Een bindend document is bijvoorbeeld het
Activiteitenbesluit of een omgevingsvergunning. Voor de werknemersbescherming kan de
beschreven stand der techniek in een Arbocatalogus zijn opgenomen, waarmee het voor de
betreffende branche (of doelgroep) het referentiepunt voor toezicht is. Een andere mogelijkheid
is dat PGS voorschriften via een eis tot naleving door de Arbeidsinspectie worden opgelegd aan
een bedrijf.
Voor de toepassing van een geactualiseerde PGS voor vergunningverlening in het kader van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kunnen we onderscheid maken tussen de
volgende situaties:



nieuw op te richten bedrijf;
uitbreiding resp. wijziging van een bestaand bedrijf;
bestaand bedrijf.
Voor een aantal vragen over de toepassing van een geactualiseerde PGS in bestaande
situaties of bij een uitbreiding resp. wijziging van een bestaand bedrijf kunt u terecht bij de
‘Vragen en antwoorden’ op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl.
1.2
Doelstelling
In de publicatie zijn de regels opgenomen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en
CMR-stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt
gerealiseerd. Voor de bepaling van het vereiste beschermingsniveau is uitgegaan van de
huidige stand der techniek die geldt voor de bouwkundige uitvoering van opslagvoorzieningen,
brandbestrijdingssystemen en arbeidsmiddelen.
1.3
Toepassingsgebied
Het toepassingsgebied van PGS 15 heeft betrekking op een groot aantal ADR-klassen (zie
tabel 0.1). Voor een aantal ADR-klassen is de opslag echter in separate wet- en regelgeving
ondergebracht en is de onderliggende publicatie niet van toepassing. In de onderstaande tabel
1.1 is de werkingssfeer van de publicatie verduidelijkt.
Tabel 1.1 — Toepassingsgebied PGS 15
Omschrijving stof
of ADR klasse
Wel in toepassingsgebied
PGS 15
1
2
Niet in toepassingsgebied
PGS 15
Alle stoffen
-
spuitbussen
gaspatronen
aanstekers
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 18 VAN 124
Gasflessen met giftige of bijtende inhoud
(behoudens ammoniak en ethyleenoxide)
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
-
3
gasflessen met verstikkende,
oxiderende, of brandbare stoffen en
ammoniak en ethyleenoxide
Alle stoffen, m.u.v. hiernaast genoemde stoffen
-
-
Alcoholhoudende dranken in
consumentenverpakking
Dieselolie, gasolie of lichte stookolie
met een vlampunt tussen 60 ºC
en 100 ºC
Stoffen met UN-nummer 3256
(verwarmde brandbare vloeistof)
Niet-giftige, niet-bijtende en nietmilieugevaarlijke viskeuze oplossingen
en homogene mengsels met een
vlampunt van 23°C en hoger, die niet
zijn onderworpen aan de voorschriften
van het ADR (ADR 2.2.3.1.5) (zie
bijlage A Begrippenlijst: viscositeitsregel
ADR).
4.1
Alle stoffen
4.2
Alle stoffen
4.3
Alle stoffen
5.1
Alle stoffen m.u.v. vaste minerale
anorganische meststoffen
Vaste minerale anorganische meststoffen
(PGS 7)
5.2
LQ verpakkingen die stoffen bevatten
met UN-nummer 3103 t.m. UN nummer
3110 (type C t.m F zonder
temperatuurbeheersing) tot maximaal
1000 kg (zie hfst 9)
Overige stoffen (PGS 8)
6.1
Alle stoffen
6.2
Classificatiecode I3 en I4 (UN 3291, UN Overige stoffen
3373)
7
Alle stoffen
8
Alle stoffen
9
Milieugevaarlijke stoffen, in ieder geval
classificatiecode M6 & M7 (UN 3077,
UN 3082) m.u.v. genetische
gemodificeerde organismen
CMR-stoffen
Alle stoffen
Afvalstoffen
Met dezelfde chemische
of fysische eigenschappen als
bovengenoemde gevaarlijke stoffen en
CMR-stoffen
Gewasbescherming ≥ 400 kg indien valt onder één van
smiddelen en
bovengenoemde criteria
biociden
Genetisch gemodificeerde organismen,
overige stoffen
Overige afvalstoffen
< 400 kg ((valt onder de
zorgplichtbepaling, artikel 18 van de wet
gewasbeschermingsmiddelen en
biociden))
PGS 15 heeft naast ADR geclassificeerde stoffen tevens betrekking op CMR-stoffen. Deze
bevatten bepaalde gevaaraspecten.
In de paragraaf Informatie t.b.v. het vervoer van een veiligheidsinformatieblad (VIB) wordt
doorgaans aangegeven of de desbetreffende stof aan de viscositeitsregel voldoet. Stoffen die
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 19 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
onder de hiervoor genoemde viscositeitsregel van het ADR vallen worden in deze publicatie als
niet-ADR geclassificeerde stoffen beschouwd.
Ondergrenzen
Ten behoeve van de werkingssfeer van PGS 15 zijn ondergrenzen vastgesteld. Daarbij is
rekening gehouden met zowel de gevaaraspecten die bepaalde stoffen kunnen bezitten als wel
de hoeveelheid verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen die voor een goede bedrijfsvoering
als werkvoorraad mag worden beschouwd. In tabel 1.2 zijn de te hanteren ondergrenzen
genoemd. Het hangt van het karakter en de grootte van het bedrijf af of de ondergrenzen per
inrichting, gebouw, opslagvoorziening of anderszins gelden. Zie hiervoor ook de toelichting op
voorschrift 3.1.2.
Tabel 1.2 — Te hanteren ondergrenzen en vrijstellingen
Gevaar conform de klasse
zonder bijkomend gevaar b
Verpakkingsgroep
Ondergrens/vrijstelling
kg of l a
Alle klassen
I
1
CMR-stoffen
n.v.t.
1
2 (UN 1950 Spuitbussen en UN
2037 Houders, klein, gas)
n.v.t.
50
3
II
25
3
III
50
4.1, 4.2, 4.3
II en III
50
5.1
II en III
50
5.2
LQ verpakkingen die stoffen
bevatten met UN-nummer 3103
t.m. UN nummer 3110 (type C t.m
F zonder temperatuurbeheersing)
30c
6.1
II en III
50
6.2 categorie I3, I4
II en III
50
8
II en III
250
9
II en III
250
Totaal
-
50
voor klasse 8 en 9: 250 d
2 (Gasflessen)
n.v.t.
125 l waterinhoud
a
b
c
d
Voor de interpretatie van kg of l, zie paragraaf 1.7. Bij overschrijding is PGS 15 van
toepassing. Voor verpakking(en) die onder het regime van gelimiteerde hoeveelheden (LQ,
zie paragraaf 3.4 van het ADR) of vrijgestelde hoeveelheden (E, zie paragraaf 3.5 van het
ADR) vallen geldt een aanvullende vrijstelling tot in totaal de dubbele hoeveelheid van de in
tabel 1.2 genoemde hoeveelheid. Deze aanvullende vrijstelling geldt alleen indien de stoffen
in de transportverpakking zijn opgeslagen.
Voor stoffen met een bijkomend gevaar is de laagste ondergrens/vrijstelling bepalend.
Hiermee wordt aangesloten op de in PGS 8 gehanteerde ondergrens.
Indien er sprake is van verschillende stoffen waarvoor verschillende ondergrenzen gelden,
wordt de ondergrens overschreden wanneer de uitkomst (U) van de volgende formule gelijk
is aan of groter is dan 1.
U
q1 q 2 q 3 q 4



 ....
Q1 Q2 Q3 Q4
waarin:
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 20 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
qx
is de hoeveelheid van een bepaalde klasse in de desbetreffende verpakkingsgroep,
conform de indeling in de eerste twee kolommen van Q tabel 1.2;
Q
is de bij die klasse/verpakkingsgroep vermelde ondergrens conform derde kolom van
tabel 1.2.
Opgemerkt wordt dat hoeveelheden van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die de
voornoemde ondergrenzen niet overschrijden wel verantwoord moeten worden opgeslagen. Dat
wil zeggen dat opslag niet op de werkvloer mag plaatsvinden tenzij het gaat om een
hoeveelheid die als werkvoorraad kan worden aangeduid.
1.4
Gelijkwaardigheidsbeginsel
Voor de toepassing van PGS 15 geldt het gelijkwaardigheidsbeginsel. Dit houdt in dat andere
maatregelen kunnen worden getroffen dan in de voorschriften van PGS 15 zijn opgenomen. In
de praktijk betekent dit dat tijdens het vooroverleg of in de vergunningaanvraag gegevens
moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat minimaal een gelijkwaardige bescherming van het
milieu, arbeidsbescherming of brandveiligheid kan worden bereikt. Het bevoegd gezag
beoordeelt in het kader van de vergunningverlening uiteindelijk of met de toepassing van het
andere middel een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt. De AI beoordeelt dit bij
inspecties in het kader van de handhaving van de Arbeidsomstandighedenwetgeving.
1.5
Gebruik van normen en richtlijnen
Daar waar naar andere normen en richtlijnen (bijv. NEN, ISO, BRL) wordt verwezen, geldt die
versie die ten tijde van publicatie van deze PGS van kracht is.
1.6
Gemotiveerd afwijken
In deze PGS zijn in voorschriften eisen opgenomen voor de opslag van verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen. Deze voorschriften zijn voor het merendeel van de situaties
toepasbaar. Er zijn echter situaties waarbij deze algemene eisen niet toepasbaar zijn omdat er
sprake is van een specifieke situatie en deze situatie zich moeilijk in eenduidige regels laat
beschrijven. Voorbeeld is het opslaan op een verdieping van meer dan 500 kg (vs. 3.2.10). In
sommige gevallen is bij het voorschrift aangegeven dat er ‘gemotiveerd kan worden afgeweken.
In dat geval kan met het bevoegd gezag worden besloten tot gemotiveerd afwijken en worden
vervolgens de eventuele extra voorschriften en beperkingen duidelijk vastgelegd (bijv. in de
omgevingsvergunning). Vanzelfsprekend moet het niveau van veiligheid geborgd blijven.
NB. ‘Gemotiveerd afwijken’ moet niet worden verward met het ‘gelijkwaardigheidsbeginsel’. Bij
het gelijkwaardigheidsbeginsel wordt er aan het vereiste niveau van bescherming voldaan
(gelijkwaardig), alleen wordt er in de uitvoering een andere manier gekozen.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 21 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
1.7
Gebruik van eenheden
Bij het vaststellen van hoeveelheden, grenzen en dergelijke kan voor het gebruik van inhoud- of
gewichtseenheden aangesloten worden bij de terminologie van het ADR. Dat betekent:


voor vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen, sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte
gassen en onder druk opgeloste gassen, de nettomassa in kg;
voor vloeistoffen en samengeperste gassen, de nominale inhoud van houders in l.
Indien de aanduidingen op of aan de verpakking afwijken van bovengenoemde regel uit het
ADR dan mogen de aanduidingen (voor gewicht of inhoud) op of aan de verpakking worden
gevolgd.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 22 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
2 Systematiek
In PGS 15 zijn regels opgenomen om tot een aanvaardbaar beschermingsniveau te komen voor
de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen. Daarbij is een onderscheid
gemaakt in kleine opslagen van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen tot en met 10 000 kg en
grote opslagen van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen vanaf 10 000 kg.
Voor opslagvoorzieningen waar tot en met 10 000 kg verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen wordt opgeslagen kan met een basisvoorzieningenniveau worden volstaan. In bepaalde
opslagsituaties wordt vanaf een opslaghoeveelheid van 2 500 kg een branddetectiesysteem
met doormelding geëist. Bij opslagvoorzieningen waar meer dan 10 000 kg verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen wordt opgeslagen wordt het te hanteren beschermingsniveau
bepaald door de gevaaraspecten van de stoffen die worden opgeslagen en het soort
verpakkingsmateriaal van die stoffen. In de regels van deze publicatie worden daartoe voor
opslagen vanaf 10 000 kg drie verschillende beschermingsniveaus onderscheiden. Naarmate
de brandbaarheid van een stof toeneemt, is een zwaarder beschermingsniveau noodzakelijk. In
de regels van deze publicatie is dit onder meer vertaald in de eisen die aan de aanwezigheid en
uitvoering van branddetectie, bluswateropvang, brandbestrijding- en brandbeveiligingssystemen
moeten worden gesteld.
Om tot een aanvaardbaar beschermingsniveau te komen voor de opslag van verpakte
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen zijn in deze publicatie voorschriften opgenomen. Van
deze
voorschriften kan men
afwijken. Voor dergelijke gevallen geldt het
gelijkwaardigheidsbeginsel zoals behandeld in paragraaf 1.4. De regels met betrekking tot
brandpreventieve bouwkundige voorzieningen vloeien voort uit het Bouwbesluit.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 23 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
3 Algemeen
3.1
Het opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen
Wabo, AI
vs 3.1.1 Verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen moeten, met uitzondering van de
noodzakelijke werkvoorraad, worden opgeslagen in een daarvoor bestemde
opslagvoorziening. In de opslagvoorziening mogen daarnaast uitsluitend aanverwante
stoffen worden opgeslagen. Van de verpakte gevaarlijke stoffen van klasse 9 moeten
uitsluitend de milieugevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening worden opgeslagen. Van
de verpakte gevaarlijke stoffen van klasse 5.2 mag onder de voorwaarden van hoofdstuk
9 ten hoogste 1 000 kg worden opgeslagen. Gasflessen (zie hoofdstuk 6) moeten,
gescheiden van overige gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen, worden opgeslagen in een
aparte opslagvoorziening. De volgende klassen verpakte gevaarlijke stoffen mogen niet in
de bovengenoemde opslagvoorziening aanwezig zijn:
•
•
•
klasse 1 (ontplofbare stoffen en voorwerpen);
klasse 6.2 (infectueuze stoffen) met uitzondering van categorie I3 en I4;
klasse 7 (radioactieve stoffen).
Toelichting:
Onder aanverwante stoffen worden grondstoffen of chemicaliën verstaan, die niet onder het
ADR vallen. Deze aanverwante stoffen sluiten bijv. qua verpakking en toepassingsgebied wel
aan bij gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen. Indien de wens bestaat andere goederen
gezamenlijk met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen op te slaan, behoort te worden nagegaan
of met behoud van het veiligheidsniveau van dit voorschrift gemotiveerd kan worden
afgeweken. In een opslagvoorziening mogen in ieder geval geen stoffen of producten aanwezig
zijn die op enigerlei wijze het risico van de opslag verhogen.
De milieugevaarlijke stoffen van klasse 9 betreffen in ieder geval de stoffen van klasse 9 met
classificatiecode M6 (UN 3077) en M7 (UN 3082). Voor de opslag van stoffen behorende tot
klasse 2 wordt verwezen naar hoofdstuk 6 Opslag van gasflessen en hoofdstuk 7 Opslag van
spuitbussen en gaspatronen van deze richtlijn. Voor de opslag van stoffen behorende tot klasse
5.2 tot een hoeveelheid van 1 000 kg wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van deze richtlijn. Voor
het verbod om stoffen van klasse 6.2 op te slaan wordt een uitzondering gemaakt voor
ziekenhuisafval en diagnostische monsters. In dat geval behoort te worden nagegaan of in de
vergunning aandacht wordt besteed aan de wijze van opslag, bijv. met betrekking tot
gescheiden opslag, veiligheidssignalering en hulpmiddelen. Een opslagvoorziening kan zowel
inpandig als uitpandig zijn gesitueerd, en zowel bouwkundig als prefab zijn uitgevoerd.
vs 3.1.2 Voorschrift 3.1.1 is niet van toepassing indien de in tabel 1.2 genoemde hoeveelheden
niet worden overschreden.
Toelichting:
Afhankelijk van het karakter en de grootte van het bedrijf zal moeten worden bepaald of
genoemde ondergrenzen per inrichting, per gebouw, per afdeling of anderszins gelden. Het is
denkbaar dat in bepaalde situaties beperkte hoeveelheden (beneden de ondergrens) verpakte
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen verspreid over het bedrijf worden opgeslagen. Dit behoort
in samenhang met het begrip werkvoorraad (voorschrift 3.1.3) te worden beoordeeld. Met
voorschrift 3.1.3 wordt beoogd dat niet te grote hoeveelheden verpakte gevaarlijke stoffen en/of
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 24 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
CMR-stoffen in werkruimtes worden neergezet en zo een verkapte opslag ontstaat. Indien een
bedrijf naast de noodzakelijke werkvoorraden op meerdere locaties in het bedrijf hoeveelheden
verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen beneden de ondergrenzen opslaat, zal de
functionaliteit hiervan moeten kunnen worden aangetoond.
vs 3.1.3 Onder een werkvoorraad verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen als genoemd in
voorschrift 3.1.1 wordt verstaan de voorraad verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen welke ten behoeve van de bedrijfsvoering/productie in een
productieruimte/werkruimte of nabij een procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld.
•
•
•
•
•
•
De werkvoorraad moet strikt noodzakelijk zijn;
Per gevaarlijke stof mag ten hoogste één aangebroken verpakkingseenheid aanwezig
zijn, plus één reserve;
De werkvoorraad mag zich niet bevinden in een rijroute van vorkheftrucks of andere
transportmiddelen;
De werkvoorraad mag het vluchten niet belemmeren;
Gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die als werkvoorraad in een productie- of
werkruimte of nabij een procesinstallatie aanwezig zijn, moeten worden bewaard in
deugdelijke verpakking, die bestand is tegen de desbetreffende gevaarlijke stof;
Indien de werkvoorraad bestaat uit een hoeveelheid van meer dan 50 l dan moet de
verpakking zijn geplaatst boven een lekbak of een gelijkwaardige voorziening. Hiervan
kan worden afgeweken als (het desbetreffende deel van) de vloer van de desbetreffende productie/werkruimte ten minste vloeistofkerend is. Voor brandbare
vloeistoffen is echter altijd een lekbak of een andere gelijkwaardige voorziening
vereist.
Het bevoegd gezag kan nadere voorschriften opnemen met betrekking tot het veilig
gebruik van de werkvoorraad, teneinde blootstelling aan gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen, of brand- en explosiegevaar tegen te gaan.
Toelichting:
De werkvoorraad moet zodanig zijn dat de productie normaal doorgang kan vinden. Deze moet
evenwel niet zodanig groot zijn dat meerdere niet-geopende eenheden onnodig dagenlang of
zelfs wekenlang in een werkruimte of dergelijke verblijven. Dan zou er sprake zijn van ‘verkapte
opslag’. Deze eenheden behoren dan te worden bewaard in een opslagruimte. Waar exact de
grens ligt is moeilijk aan te geven. Het is aan het bedrijf om aannemelijk te maken dat de
verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen binnen een redelijke tijd (enkele dagen of
hooguit enkele weken) inderdaad zullen worden gebruikt in het productieproces.
De werkvoorraad hoeft niet aan het eind van iedere dag worden overgebracht naar een
opslagruimte (en vice versa aan het begin van een werkdag): de risico’s van transport zijn
groter dan van de stationaire werkvoorraad. Bij batchgewijze productie en bij volcontinubedrijven heeft de werkvoorraad deels een doorstroomkarakter en moet per situatie worden
beoordeeld wat vereist is voor een goede procesvoering.
De ratio van de eis van een lekbak bij een hoeveelheid van meer dan 50 liter brandbare stoffen
is het verkleinen van het verdampingsoppervlak in geval van een lekkage. Bij het werken met
toxische of brandbare stoffen is het mogelijk dat aanvullende eisen nodig zijn zoals verhoogde
ventilatie.
Een laskar met gasflessen kan ook als werkvoorraad worden beschouwd.
vs 3.1.4 In een opslagvoorziening mogen, met uitzondering ten behoeve van monstername en ter
bestrijding van een lekkage of calamiteit, geen aftap- of overtapwerkzaamheden
plaatsvinden. Ompakwerkzaamheden mogen slechts plaatsvinden indien de primaire
verpakking niet wordt geopend.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 25 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Toelichting:
Indien in een ruimte zowel opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen als aftapof overtapwerkzaamheden van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen plaatsvinden, is er geen
sprake meer van een opslagvoorziening. In PGS 15 is hiermee geen rekening gehouden. In
dergelijke situaties kunnen voorschriften voor een deel worden ontleend aan PGS 15,
aanvullend behoren extra voorschriften in verband met mogelijke blootstelling, verhoogd
brandgevaar en ongevallenrisico’s te worden overwogen.
vs 3.1.5 Lege, ongereinigde verpakking moet worden opgeslagen overeenkomstig de
voorschriften van dit hoofdstuk (met uitzondering van paragraaf 3.9), tenzij geschikte
maatregelen zijn genomen om mogelijke gevaren uit te sluiten. Deze gevaren zijn
uitgesloten indien geschikte maatregelen zijn genomen om alle voor de desbetreffende
stof van toepassing zijnde gevaren van ADR- klassen 1 t.m. 9 op te heffen.
Toelichting:
Dit voorschrift sluit aan op de definitie en bepalingen rond lege ongereinigde verpakkingen in
het ADR. Een verpakking is leeg wanneer de inhoud is verwijderd met behulp van de voor de
desbetreffende stof en verpakking gebruikelijke technieken, bijv. gieten, pompen, zuigen,
schudden, schrapen, of een combinatie van deze technieken. In voorkomende gevallen zijn
hiermee echter nog niet alle gevaren weggenomen, bijv. in geval van explosieve of giftige
dampen die achterblijven in de verpakking. Het verdient aanbeveling om een specifieke
werkwijze af te spreken met het bevoegd gezag over het uitsluiten van de gevaren en dit indien
gewenst te formaliseren (in de vergunning of door maatwerk aan te vragen).
3.2
3.2.1
Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening (m.u.v.
brandveiligheidsopslagkasten) Wabo
Ligging van de opslagvoorziening
Er wordt onderscheid gemaakt tussen inpandige en uitpandige opslagvoorzieningen. Onder
inpandige opslagvoorzieningen worden alle voorzieningen verstaan die in een (ander)
bouwwerk zijn gelegen. Ook kant en klare opslagsystemen kunnen inpandig worden gebruikt.
Een uitpandige opslagvoorziening is bijv. een vatenpark, een in de buitenlucht geplaatst kanten-klaar opslagsysteem, een vrijstaand opslaggebouw of een met een ander bouwwerk
geschakeld opslaggebouw.
Met onderstaande figuur wordt een en ander verduidelijkt.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 26 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
I = inpandig
II = uitpandig
Figuur 3.1 — Schematische weergave van een inpandige en uitpandige opslag
Voor (de eisen m.b.t.) brandveiligheidskasten wordt verwezen naar paragraaf 3.10.
3.2.2
Relatie met bouwregelgeving
Een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen is een constructie
die valt onder de bouwtechnische voorschriften van het Bouwbesluit. De voorschriften van het
Bouwbesluit zijn echter niet toereikend voor de veilige opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen. Daardoor zijn aanvullende eisen nodig. Ook de bestrijding, door de
brandweer, van incidenten met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen is risicovoller waardoor er
meestal voor een defensieve aanpak zal worden gekozen. Ook stelt dit hogere eisen aan de
constructies. Omdat het (kortweg) juridisch niet mogelijk is om in het kader van een
omgevingsvergunning af te wijken van het Bouwbesluit zullen deze extra maatregelen (als
voorschrift aan een omgevingsvergunning of rechtstreeks werkend via een AMvB zoals het
Activiteitenbesluit) moeten worden voorgeschreven.
De extra eisen die worden gesteld, hebben betrekking op:
a)
b)
c)
de beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie;
de beperking van ontwikkeling van brand;
de beperking van uitbreiding van brand.
Ad a
Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
Het Bouwbesluit biedt voor sommige situaties de mogelijkheid dat een dak van een bouwwerk
niet niet-brandgevaarlijk hoeft te worden uitgevoerd. Het is niet wenselijk dat dit voor
opslagvoorzieningen van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen ook zou mogen.
Daarom wordt voorgeschreven dat het dak moet zijn geconstrueerd van niet-brandgevaarlijk
materiaal, bepaald conform NEN 6063. Dit is om te voorkomen dat het dak van een bouwwerk
door een onverhoedse aanraking met vuur in brand vliegt. Het gaat hierbij om vliegvuur zoals in
de rook van een open haard of in geval van een vonkenregen, afkomstig van een nabijgelegen
brandend bouwwerk.
Ad b
Beperking van ontwikkeling van brand
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 27 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie
Het Bouwbesluit biedt de mogelijkheid dat brandwerende constructies worden opgebouwd uit
brandbare materialen. Omdat dit voor de opslag van bepaalde klassen verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen niet veilig is, worden in deze PGS aanvullende eisen gesteld aan het
gebruik van bouwmaterialen en bouwkundige constructies.
Ad c
Beperking van uitbreiding van brand
Compartimentering
De doelstelling van het Bouwbesluit met betrekking tot het beperken van uitbreiding van brand
(brandcompartimentering) is om een brand te kunnen beheersen. Dit kan door de oppervlakte
van dit compartiment te maximaliseren of een gevaarlijke activiteit te isoleren. Gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen zijn echter niet specifiek gedefinieerd in het Bouwbesluit. Een
opslagvoorziening wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in
het Bouwbesluit.
Het Bouwbesluit schrijft in beginsel (voor nieuwbouw) voor dat industriegebouwen moeten zijn
ingedeeld in brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan
1 000 m². Over het algemeen is de gebruiksoppervlakte van opslagen tot 10 000 kg kleiner dan
2
1 000 m , en hoeft gelijkwaardige veiligheid niet te worden aangetoond.
Voor opslagvoorzieningen met een opslagcapaciteit van meer dan 10 000 kg en een
2
gebruiksoppervlakte van meer dan 1 000 m is de gelijkwaardige veiligheid vastgelegd in
hoofdstuk 4 van PGS 15 en is ook geen onderzoeksrapport volgens genoemde methodiek
nodig.
Uitvoering weerstand
opslagvoorziening
tegen
branddoorslag
en
brandoverslag
(WBDBO)
van
een
De WBDBO moet conform het Bouwbesluit worden bepaald overeenkomstig NEN 6068, een
rekenmethode waarbij als ingangsgegevens onder meer worden gebruikt de oppervlakte van
het compartiment en de warmte-inhoud (vuurlast) van de in dat compartiment aanwezige
stoffen. Een brandcompartiment moet worden gezien als een kubus die 'rondom' (wanden,
gevels en afdekking) dezelfde WBDBO heeft. Deze eis geldt van buiten naar binnen en van
binnen naar buiten. Het begrip WBDBO bevat twee aspecten; de weerstand tegen
branddoorslag (WBD) en de weerstand tegen brandoverslag (WBO). Branddoorslag houdt in
dat (na een kortere of langere tijd) een brand zich doorzet door een scheidende constructie bijv.
een wand of een deur. Bij brandoverslag zet een brand zich via de atmosfeer door naar een
ander compartiment, bijv. via een dak. Beide waarden (WBD en WBO) mogen in voorkomende
gevallen (bijvoorbeeld een wand in combinatie met een vrije afstand) bij elkaar opgeteld worden
(zie ook voorschrift 3.2.8).
a)
De weerstand tegen branddoorslag volgens NEN 6068 wordt bepaald door de
brandwerendheid van alle onderdelen van de scheidingsconstructie. Het traject tussen
twee ruimtes met de minste brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie (de
weg met de minste weerstand) bepaalt de weerstand tegen branddoorslag tussen deze
twee ruimtes. De brandwerendheid van een constructiedeel als een wand, deur of
doorvoering kan experimenteel worden bepaald volgens NEN 6069 of berekend volgens
NEN-EN 1992-2, NEN-EN 1993-2, NEN-EN 1994-2, NEN-EN 1995-2, NEN-EN 1996-2 of
NVN-ENV 1999-2. De brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie is niet
groter dan de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van de scheidingsconstructie.
NEN 6069 kent de volgende criteria:

R = bezwijken;
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 28 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN



E = vlamdichtheid betrokken op de afdichting;
I = thermische isolatie betrokken op de temperatuur (voor sommige producten zoals
deuren is er onderscheid tussen I1 en I2);
W = thermische isolatie betrokken op warmtestraling.
Het brandgedrag van gevaarlijke stoffen is echter anders, waardoor de criteria W en I2
onvoldoende zijn. Dit komt met name voor bij een aantal deurconstructies, glas en
brandwerende gordijn-/doekconstructies.
In afwijking van paragraaf 7.2.1 van NEN 6068 moet een geveldeel als semi-opening worden
beschouwd als de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie hoger is dan 5
min maar lager dan de WBDBO-eis.
b)
De weerstand tegen brandoverslag wordt praktisch gezien bereikt door afstand tussen
ruimten. Om te voorkomen dat bij elke opslagvoorziening een volledige berekening moet
worden gemaakt, is voor horizontale brandoverslag een praktische benadering te hanteren
met betrekking tot de mate waarin de afstand tussen ruimten kan bijdragen aan de
WBDBO:

in de buitenlucht wordt een afstand van 5 m gelijkgesteld aan een WBDBO van
30 min;

in de buitenlucht wordt een afstand van 10 m gelijkgesteld aan een WBDBO van
60 min.
Hoewel er in sommige situaties door toepassing van deze praktische benadering niet letterlijk
aan NEN 6068 wordt voldaan, wordt toch geacht in alle redelijkheid een voldoende weerstand
tegen branddoorslag en brandoverslag te zijn verkregen. Voor de opslag van gasflessen geldt
een afwijkende praktische benadering die is weergegeven in vs 6.2.5 van hoofdstuk 6
Toelichting:
De Europese Richtlijn Bouwproducten regelt erkende kwaliteitsverklaringen, zie ook artikel 1.7
Bouwbesluit: Indien bij of krachtens dit besluit een eis is gesteld ten aanzien van een
bouwproduct of bouwproces en daarvoor een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring is
afgegeven op basis van een door Onze Minister erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor
de bouw, is aan de betreffende eis voldaan indien dat product, of dat proces overeenkomstig de
kwaliteitsverklaring is toegepast.
3.2.3
Voorschriften voor opslagvoorzieningen
Voorschriften voor opslagvoorzieningen m.u.v. brandveiligheidsopslagkasten, zie 3.10.
vs 3.2.1 Het dak van een opslagvoorziening mag niet brandgevaarlijk zijn conform NEN 6063.
Toelichting:
Dit voorschrift is opgenomen om te voorkomen dat een dak gemakkelijk in brand raakt (door
vliegvuur) als gevolg van een brand in de omgeving.
vs 3.2.2 De vloer van een opslagvoorziening, een eventueel noodzakelijke afdekking van de
(hoofd)draagconstructie, alsmede de afdekking aan de binnenzijde van de
opslagvoorziening van wanden en dak (voor zover aanwezig) moeten zijn vervaardigd van
materiaal, beoordeeld over de gehele dikte of ten minste de eerste 10 mm van die
afdekking, dat ten minste voldoet aan Euroklasse A1 (onbrandbaar) conform NEN-EN
13501-1.
Toelichting:
Dit voorschrift voorkomt dat er brandbare materialen in de constructie, wanden en dak van de
opslag worden gebruikt.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 29 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 3.2.3 Een opslagvoorziening is een brandcompartiment met een oppervlakte van maximaal
1 000 m².
Toelichting:
Dit voorschrift is ontleend aan het Bouwbesluit. In bepaalde gevallen wordt in deze PGS van dit
voorschrift afgeweken. Zie ook het onderzoeksrapport ‘Methode Beheersbaarheid van Brand
(uitgave 2007).
vs 3.2.4 De WBDBO tussen een opslagvoorziening en een andere ruimte (waaronder ook een
andere opslagvoorziening, veelal aangeduid als geschakelde loodsen) moet ten minste 60
min bedragen in beide richtingen. Deuren, ventilatieopeningen, leidingdoorvoeren of
rookluiken in deze constructie mogen geen afbreuk doen aan de vereiste WBDBO.
vs 3.2.5 Voor de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie moeten de volgende
criteria van NEN 6069, worden aangehouden:
•
•
•
•
•
R voor draagconstructies zowel onder, boven als ten behoeve van de opslag zelf;
REI voor dragende wanden en vloeren;
RE voor daken
EI voor niet-dragende wanden;
EI1 voor deuren.
Toelichting:
Voor een toelichting op de criteria van NEN 6069, zie de inleiding van deze paragraaf onder
Ad. c.
vs 3.2.6 Indien meerdere opslagvoorzieningen naast elkaar zijn gelegen, moeten tevens
maatregelen worden genomen om te voorkomen dat een incident zich van de ene naar de
andere opslagvoorziening kan verplaatsen, bijv. t.g.v. een uitstromende vloeistof.
vs 3.2.7 Indien een constructie met een bepaalde brandwerendheid moet zijn uitgevoerd, moet een
in deze constructie aangebrachte deur zelfsluitend zijn uitgevoerd. Een dergelijke deur
mag uitsluitend in geopende stand zijn vastgezet, indien een voorziening is aangebracht
die in geval van brand de deur automatisch sluit.
vs 3.2.8 Voor uitpandige opslagen geldt dat: de WBDBO van 60 minuten ook behaald kan worden
met afstand:
•
•
•
indien de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander
bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 m
bedraagt, de brandwerendheid van de wanden, het dak en de draagconstructie van de
opslagvoorziening ten minste 30 min moet bedragen. Deuren, ventilatieopeningen,
leidingdoorvoeren of rookluiken in deze constructie mogen geen afbreuk doen aan de
vereiste brandwerendheid;
indien de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander
bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 m
bedraagt er ten aanzien van de brandwerendheid van de wanden, het dak en de
draagconstructie geen eis van toepassing is;
en dat binnen deze afstanden geen opslag van brandbare stoffen dan wel
brandgevaarlijke activiteiten plaatsvinden die een brand kunnen veroorzaken of
waarlangs een brand zich kan voortplanten naar de opslagvoorziening.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 30 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Toelichting:
Dit betekent dat in de praktijk hier wel materialen kunnen voorkomen die niet brandbaar zijn
(mits ze het vluchten en de brandbestrijding niet belemmeren). Zo zullen bijv. fietsen, al dan niet
in een stalen fietsenhok en een houten hekje, geen problemen opleveren maar voertuigen,
afvalcontainers en stapels hout e.d. wel. Praktisch gezien moet een opslagvoorziening die aan
één zijde tegen een ander bouwwerk aanstaat aan drie zijden en het dak brandwerend zijn
uitgevoerd. Binnen een straal van tien meter van de vierde zijde geldt een gebruiksbeperking.
vs 3.2.9 In een inpandige opslagvoorziening mag ten hoogste:
•
2 500 kg verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen aanwezig zijn. Door
gemotiveerd afwijken kan een grotere hoeveelheid worden toegestaan (tot maximaal
10 000 kg) indien zonodig extra maatregelen of voorzieningen zijn aangebracht ter
beperking van de risico’s. De aanvullend te treffen maatregelen of voorzieningen zijn
afhankelijk van de hoeveelheden opgeslagen stoffen, de brandbaarheid, giftigheid enz.
Hiervoor kan aansluiting worden gezocht bij de methodiek en grenswaarden in de
tabellen 4.1 en 4.2. Een gecertificeerde brandmeldinstallatie
overeenkomstig NEN 2535 met doormelding naar een 24-uurs bezette post voldoet hier
in ieder geval aan.
Of
•
10 000 kg verpakte gevaarlijke stoffen van uitsluitend klasse 8, verpakkingsgroep II
of III, zonder bijkomend gevaar aanwezig zijn.
Toelichting:
De beperkingen tot respectievelijk 2 500 kg en 10 000 kg gelden voor inpandig gesitueerde
opslagvoorzieningen die niet zijn uitgevoerd met voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 4.
vs 3.2.10 Op een verdieping van een gebouw mag maximaal 500 kg of 500 l verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen worden opgeslagen. Hierbij wordt een kelder wel als een
verdieping beschouwd en de begane grond van een gebouw niet. Door gemotiveerd
afwijken in de omgevingsvergunning of bij bedrijven waarvoor algemene regels gelden op
grond van de Wm, kan hiervan worden afgeweken. De voorwaarde is dat m.b.v. het
gemotiveerde afwijken aanvullende eisen worden gesteld aan de brandwerende
voorzieningen of branddetectie en de aanwezigheid van opgeleid en getraind deskundig
personeel dat binnen de inrichting aanwezig moet zijn.
Toelichting:
Met dit voorschrift wordt onder voorwaarden ruimte geboden om gemotiveerd af te wijken. De
verwachting is dat dit bij een beperkt aantal bedrijven van toepassing zal zijn. Het gaat
voornamelijk om grote en complexe bedrijven waar men gewend is te werken met interne
werkprocedures voor arbeids- en milieuveiligheid. Bij de beoordeling van gemotiveerd afwijken
spelen ook de staat van onderhoud van het gebouw, de brandcompartimenten, de losse
brandveiligheidskasten, maar ook de installaties en organisatie van het bedrijf een rol. Voor de
toetsing en borging van de voorschriften kan bijv. worden aangesloten bij de ontwikkelingen van
de IBB (Integrale Brandveiligheid Bouwwerken). Het IBB is te vinden op de website van
BrandweerKennisNet (http://www.brandweerkennisnet.nl, zoekterm:IBB).
vs 3.2.11 Voorschriften 3.2.1, 3.2.4, 3.2.5, 3.2.8 en 3.2.10 zijn niet van toepassing indien uitsluitend
verpakte gevaarlijke stoffen van klasse 8, verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend
gevaar worden opgeslagen.
Toelichting:
Aan een ruimte waarin uitsluitend stoffen worden opgeslagen van klasse 8, verpakkingsgroep II
en III, kunnen deels lichtere eisen worden gesteld dan aan ruimten waarin ook andere
gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen worden opgeslagen. Voor ruimten waarin uitsluitend stoffen
worden opgeslagen van klasse 8, verpakkingsgroep II en III gelden geen WBDBO-eisen met
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 31 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
betrekking tot andere ruimten c.q. eisen met betrekking tot de brandwerendheid van de
scheidingen (wanden e.d.). Dat betekent dat deze stoffen in een aparte ruimte kunnen worden
opgeslagen zonder dat de wanden, plafond en vloer een WBDBO hebben van 60 minuten. Het
betekent dat deze stoffen kunnen worden opgeslagen in een deel van een grotere ruimte,
zonder dat er een brandwerende scheiding is tussen het opslaggedeelte en de rest van die
ruimte. Daarbij geldt alsnog dat:



het gedeelte waar opslag plaatsvindt, alleen voor de opslag van die stoffen mag worden
benut;
dit duidelijk moet zijn aangegeven met gevaarspictogrammen en een fysieke afscheiding
zoals gaas of hekwerk;
onverkort de eisen gelden zoals productopvang, onverenigbare combinaties en (voorzover
van toepassing) de andere eisen zoals geformuleerd in de paragrafen van hoofdstuk 3.
vs 3.2.12 Een opslagvoorziening mag niet in een vluchtroute zijn gelegen en mag het vluchten niet
belemmeren.
3.3
Kwaliteit vloeren Wabo
vs 3.3.1 Binnen een opslagvoorziening of bij een overslag- of laad- en losgedeelte als bedoeld in
hoofdstuk 10 moeten bodembeschermende voorzieningen en maatregelen zijn getroffen
die in combinatie leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico conform de Nederlandse
Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB). In de vloer van een
opslagvoorziening mogen zich geen openingen bevinden die in directe verbinding staan
of kunnen worden gebracht met een riolering of met het oppervlaktewater.
Toelichting:
Het verwaarloosbaar bodemrisico behoort te worden gerealiseerd door:
a)
b)
een vloeistofdichte vloer of verharding, voorzien van een verklaring vloeistofdichte
voorziening op grond van de CUR/PBV-aanbeveling 44, met de daarbij behorende
bedrijfsinterne inspecties, of;
indien gebruik wordt gemaakt van de juiste en gesloten verpakking, een kerende vloer
en/of lekbak met de daarbij behorende maatregelen. Maatregelen bestaan uit algemene
zorg en faciliteiten en personeel zoals gesteld in de NRB. Verwaarloosbaar bodemrisico
wordt alleen bereikt als naast het gebruik en in stand houden van goede voorzieningen
(inspectie, onderhoud, reparatie), invulling wordt gegeven aan incidentenmanagement.
Incidentenmanagement is het overkoepelende begrip van algemene zorg en faciliteiten en
personeel. Dit wordt toegepast als een lekkage of morsing wordt geconstateerd. Door
toepassen van incidentmanagement worden geconstateerde morsingen en lekkages
opgeruimd en verholpen. Hiermee wordt verspreiding naar de bodem voorkomen of zoveel
mogelijk beperkt.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het mogelijk is dat in bepaalde doelgroep
convenanten specifieke afspraken zijn gemaakt over voorzieningen en maatregelen.
vs 3.3.2 Indien een vloer of verharding vloeistofdicht is uitgevoerd, moet deze vloer of verharding
onder certificaat zijn aangelegd of hersteld overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, of
moet deze vloer of verharding als vloeistofdicht zijn beoordeeld na een inspectie
overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit.
Toelichting:
In geval van certificatie verstrekt de aannemer bij oplevering een Bewijs van Aanleg Onder
Certificaat (BAOC) op basis van BRL 2319, BRL 2362, BRL 2371 of BRL 2372. In geval van
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 32 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
inspectie verstrekt de deskundig inspecteur bij goedkeuring een verklaring Vloeistofdichte
Voorziening (VVV) op basis van CUR/PBV-aanbeveling 44.
vs 3.3.3 Indien een vloer vloeistofkerend is uitgevoerd, moet de vloer periodiek visueel worden
geïnspecteerd en moet het opruimen van gelekte of gemorste stoffen zijn gewaarborgd.
Hiertoe moet binnen de inrichting een procedure incidentenmanagement aanwezig zijn.
Toelichting:
De procedure incidentenmanagement moet geschikt zijn om ingrijpen bij incidenten bij alle
vloeistofkerende vloeren en vloeistofdichte lekbakken die binnen de inrichting aanwezig zijn
mogelijk te maken. Aandacht moet zijn besteed aan instructies van het personeel,
aanwezigheid van absorptiematerialen (op welke locaties binnen de inrichting aanwezig),
overzicht van uitgevoerde en uit te voeren periodieke visuele inspecties, en de te treffen
handelingen indien een vloer niet meer vloeistofkerend of een lekbak niet meer vloeistofdicht is.
3.4
Stellingen Wabo, AI
vs 3.4.1 Een stelling moet bestand zijn tegen de opgeslagen verpakte gevaarlijke stoffen en
stabiel zijn. Een stelling mag niet zwaarder worden belast dan waarvoor deze ontworpen
is. De geschiktheid van een stelling moet kunnen worden aangetoond.
Toelichting:
Verkeerd ontwerp, montage of gebruik van stellingen kan tot incidenten of calamiteiten met
gevaarlijke stoffen leiden.
In de praktijk zijn vooral de stellingen voor de opslag van pallets, die worden bediend met
heftrucks, het meest kritisch. Voor het constructief ontwerp van palletstellingen wordt verwezen
naar bijvoorbeeld:


NEN-EN 15512 Steel static storage systems - Adjustable pallet racking systems Principles for structural design met daarbij behorend;
NEN 5056 Niet-verrijdbare stalen opslagsystemen - Constructief ontwerp van verstelbare
palletstellingen.
Toepassing van NEN-EN 15512 is gebaseerd op drie andere normen uit de serie Steel static
storage systems: NEN-EN 15620 ‘Application and maintenance of storage equipment’.
De Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 5054:2006 Palletstelling - Bediening door magazijntrucks Projectspecificatie’ in samenhang met ‘Verklaring van toegelaten gebruik behandelt op een
overzichtelijke wijze NEN-EN 15620, NEN-EN 15629 en NEN-EN 15635.
NPR 5055-1:2009 Magazijnstellingen - Arboverantwoordelijkheden en controlelijsten voor de
periodieke inspectie op juist gebruik en staat van onderhoud - Deel 1: Palletstellingen geeft
concreet invulling aan de eisen van borging van veilig gebruik zoals vereist in NEN-EN 15635.
vs 3.4.2 Een stelling moet zonodig tegen aanrijden zijn beveiligd. Vrijstaande, afdoende
aanrijdbeschermers zijn dan vereist op hoeken van stellinggangen en -onderdoorgangen
(zie NEN-EN 15635).
Toelichting:
Indien in een magazijn geen bewegingen met een heftruck plaatsvinden, hebben beveiligingen
geen zin. Maar ook in magazijnen waar wel bewegingen plaatsvinden, zal een stelling nooit
volledig tegen aanrijdingen kunnen worden beveiligd. Immers, men zal altijd pallets moeten
kunnen afzetten en uitnemen. Afhankelijk van de gebruiksituatie kan worden overwogen om alle
gang-zijdige stellingstaanders te voorzien van een vrijstaande aanrijdbescherming. Een lay-out
en stellingconfiguratie conform NEN-EN 15620 in combinatie met goed opgeleide en
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 33 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
geïnstrueerde heftruckchauffeurs scheppen de randvoorwaarde dat de kans op aanrijdingen
klein zal zijn.
vs 3.4.3 Indien tijdens het gebruik van een stelling een stellingonderdeel blijvend is vervormd,
moeten onmiddellijk passende maatregelen worden genomen. Alvorens de stelling
opnieuw in gebruik wordt genomen, moeten beschadigde onderdelen worden vervangen
of gerepareerd.
Toelichting:
Voorbeeld van een passende maatregel in geval van een palletstelling: indien een ligger is
beschadigd, moet deze onmiddellijk vrij worden gemaakt van opslag. Indien een staander of
een staaf van het jukvakwerk is beschadigd, moeten de liggers aan weerszijden van de
staander onmiddellijk vrij van opslag worden gemaakt.
vs 3.4.4 De stellingconstructie moet ten minste jaarlijks visueel op doelmatigheid, juist gebruik en
eventuele beschadigingen worden geïnspecteerd. De resultaten van de inspectie moeten
worden geregistreerd en minimaal vijf jaar worden bewaard.
vs 3.4.5 De regels met betrekking tot gescheiden opslag uit paragraaf 3.12 zijn eveneens van
toepassing op de opslag in een stelling.
Toelichting:
Met dit voorschrift wordt beoogd dat ook in verticale zin opslag van onverenigbare combinaties
moet worden voorkomen. Dus stoffen die met elkaar kunnen reageren mogen niet boven elkaar
in stellingen zijn geplaatst.
3.5
Aarding en bliksembeveiliging AI
Voor aarding en bliksembeveiliging wordt een apart document opgesteld. Zodra het document
beschikbaar is geldt deze ook voor PGS 15.
3.6
Explosieveiligheid AI
vs 3.6.1 In een opslagvoorziening moeten de wettelijke eisen ten aanzien van explosieveiligheid in
acht worden genomen. Deze eisen zijn opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet- en
regelgeving. Een gevarenzone-indeling kan hiervan onderdeel uitmaken.
Toelichting:
In artikel 3.5a t.m. 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit is richtlijn 1999/92/EG (ATEX
137) opgenomen. Voor een gevarenzone-indeling met betrekking tot gasexplosiegevaar kan
bijvoorbeeld de NPR 7910-1 worden toegepast. Wanneer wordt voldaan aan de overige
bepalingen uit PGS 15, wordt stofexplosiegevaar bij normaal bedrijf uitgesloten.
UN-gekeurde verpakkingen voor brandbare stoffen in opslagvoorzieningen als bedoeld in
PGS 15 hoeven niet als secundaire gevarenbron te worden beschouwd. In opslagvoorzieningen
met uitsluitend opslag van brandbare stoffen in dergelijke UN-gekeurde verpakkingen zijn
daarom geen maatregelen noodzakelijk ter beperking van explosiegevaar bij normaal bedrijf.
Deze uitzondering geldt ook voor verpakkingen die onder het regime van gelimiteerde
hoeveelheden (LQ, zie paragraaf 3.4 van het ADR) vallen.
Verpakkingen die worden geopend om de inhoud te gebruiken in de procesvoering en
vervolgens deels gevuld worden teruggeplaatst in de opslag moeten wel als gevarenbron
worden beschouwd.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 34 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
In alle andere vormen van opslag van brandbare stoffen, zoals de opslag van:



aanstekers;
IBC-verpakkingen die buiten de beproevingstermijn worden gebruikt;
andere niet gekeurde verpakkingen.
is eveneens sprake van secundaire gevarenbronnen. Deze bronnen zullen leiden tot een
gevarenzone, en de daaruit voortvloeiende noodzakelijke veiligheidsmaatregelen moeten
worden getroffen.
Overigens is het mogelijk dat bij calamiteiten aanvullende maatregelen ten aanzien van
explosieveiligheid, zoals de inzet van geschikt materieel, noodzakelijk zijn.
3.7
Vrijkomende dampen van verpakte gevaarlijke stoffen AI
vs 3.7.1 Als er noodzaak is om vrijkomende dampen af te voeren uit een opslagvoorziening,
moeten doeltreffende maatregelen worden genomen.
Toelichting:
Het is mogelijk dat bij normaal gebruik van verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen er
onbedoeld dampen kunnen vrijkomen, die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van
gebruikers van de opslagvoorziening of eventueel zelfs kunnen zorgen voor een explosieve
atmosfeer. Dit moet worden voorkomen. Het is aan de eigenaar van de opslagvoorziening om
na te gaan of er schadelijke dampen kunnen vrijkomen en welke maatregelen moeten worden
genomen.
Het bepalen van de noodzaak om na te gaan of er dampen kunnen vrijkomen is gelegen in het
Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin is aangegeven dat risicobronnen moeten worden
onderzocht en, indien noodzakelijk, maatregelen moeten worden genomen (RI&E). Voor het
nemen van maatregelen kan bijv. worden gedacht aan het ventileren van een
opslagvoorziening. Het nemen van maatregelen ter voorkoming van de aantasting van de
gezondheid van werknemers is geregeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dit geldt ook
voor het nemen van maatregelen ter voorkoming of beperking van een explosieve omgeving
(zie 3.6).
De Arbeidsinspectie heeft haar standpunt gepubliceerd over de noodzaak voor het nemen van
maatregelen om een explosieve atmosfeer te voorkomen bij de opslag van UN-gekeurde
verpakkingen en verpakkingen onder het LQ-regime.
Dit voorschrift geldt voor bouwkundige opslagvoorzieningen en losse
brandveiligheidsopslagkasten.
De milieurelevantie van de vrijkomende dampen is zeer beperkt. De verwachting is dat in
verreweg de meeste situaties er geen noodzaak is om maatregelen te nemen ter voorkoming
van emissie naar de lucht op grond van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (NeR).
3.8
Voorkomen van verontreinigd hemelwater Wabo
vs 3.8.1 Een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening moet zodanig zijn geconstrueerd dat
hemelwater niet op de vloer van de opslagvoorziening kan geraken dan wel dat
hemelwater regelmatig van de vloer kan worden verwijderd.
Toelichting:
Het doel van dit voorschrift is beheersing van het, potentieel vervuilde, regenwater. Dit kan door
een afdak worden gerealiseerd, maar ook op andere wijze (opvang, afvoer, controle, lozing,
behandeling).
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 35 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
3.9
Productopvang Wabo, AI
vs 3.9.1 Een opslagvoorziening moet zodanig zijn geconstrueerd dat gelekte of gemorste
gevaarlijke vloeistof redelijkerwijs niet uit de voorziening kan stromen. Daartoe moet de
opslagvoorziening een opvangcapaciteit hebben van ten minste 110 % van de inhoud van
de grootste verpakking, doch (als dat méér is) ten minste 10 % van de totale inhoud van
de verpakkingen tezamen. De opvangvoorziening moet voldoende bestand zijn tegen de
opgeslagen stoffen.
Toelichting:
De opvangcapaciteit geldt alleen voor vloeistoffen. Lege ongereinigde verpakkingen tellen
daarbij niet mee.
3.10
Brandveiligheidsopslagkasten Wabo, AI
Voor de eisen die worden gesteld aan een brandveiligheidsopslagkast voor gasflessen en de
opstelling van deze kasten binnen de inrichting wordt verwezen naar paragraaf 6.3.
vs 3.10.1 Een brandveiligheidsopslagkast, waarvan het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1
januari 2006, moet aan NEN-EN-14470-1 voldoen. Een brandveiligheidsopslagkast
waarvan het eerste gebruik dateert van vóór die datum moet ten minste voldoen aan
NEN 2678. Bij het gebruik van de brandveiligheidsopslagkasten moet tevens worden
voldaan aan de eisen van bijlage E.
Toelichting:
NEN-EN-14470-1 kent vier categorieën van brandwerendheid, te weten 15 min, 30 min, 60 min
en 90 min. Afhankelijk van de toepassing van een brandveiligheidsopslagkast moet gekozen
worden voor een bepaalde veiligheidsklasse (30, 60 of 90). In bijlage E is ingegaan op de
verschillende eisen die bij de desbetreffende veiligheidsklassen behoren. Voor de opslag van
verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die onder PGS 15 vallen is het type met 15 min
brandwerendheid niet geschikt.
vs 3.10.2 Binnen de inrichting moet voor de brandveiligheidsopslagkast waarvan het eerste gebruik
heeft plaatsgevonden na 1 januari 2006 een productcertificaat aanwezig zijn, waaruit blijkt
dat de brandveiligheidsopslagkast voldoet aan de norm als bedoeld in voorschrift 3.10.1.
Toelichting:
Zowel voor de gebruiker als voor de toezichthoudende instanties moet duidelijk zichtbaar zijn
aan welke brandveiligheidsnorm de kast voldoet alsook aan welke prestatie.
Overeenkomstig NEN-EN-14470-1 moet op de voorkant (buitenkant) van de kast op een goed
zichtbare plaats de volgende informatie zijn aangebracht:
a)
b)
c)
d)
e)
deuren sluiten (wanneer kast niet wordt gebruikt);
gevaarsymbool 'Vuur, open vlam, roken verboden' overeenkomstig bijlage C;
gevaarsymbool 'Brandgevaarlijke stoffen' overeenkomstig bijlage C;
de van toepassing zijnde norm, voor kasten die na 1 januari 2006 in gebruik zijn genomen
is NEN-EN 14470-1 van toepassing;
de brandwerendheidsprestatie van de kast, aangegeven in type 30, 60 of 90.
Tevens moet in of op de kast de volgende informatie zijn aangebracht:
f)
g)
h)
naam of merk van de producent;
typenummer en jaar van productie;
maximale toegelaten emballage;
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 36 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
i)
maximale belasting van het legbord.
vs 3.10.3 Op een verdieping mogen per brandcompartiment maximaal twee
brandveiligheidsopslagkasten worden opgesteld. Dit voorschrift is niet van toepassing
indien uitsluitend gevaarlijke stoffen van klasse 8, verpakkingsgroep II of III, zonder
bijkomend gevaar worden opgeslagen.
Toelichting:
Als op een verdieping meerdere brandcompartimenten zijn gerealiseerd, is het toegestaan om
meer dan twee brandveiligheidsopslagkasten te gebruiken. Als er bijv. vier
brandcompartimenten zijn gerealiseerd, is het toegestaan om acht
brandveiligheidsopslagkasten te gebruiken voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen. Hiermee is het mogelijk dat er op een verdieping meer dan 500 kg of 500 l
verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen wordt opgeslagen (zie voorschrift 3.2.10). In
voorschrift 3.10.3 is echter de (beperkte) faalkans meegenomen dat er een calamiteit ontstaat
terwijl de deur(en) van een brandveiligheidsopslagkast op dat moment open staat (n).
vs 3.10.4 Het is mogelijk gemotiveerd af te wijken van voorschrift 3.10.3. De voorwaarde is dat
m.b.v. voorschriften aanvullende eisen worden gesteld aan de brandwerende
voorzieningen of branddetectie en/of de aanwezigheid van opgeleid en getraind
deskundig personeel dat binnen de inrichting aanwezig moet zijn.
Toelichting:
De verwachting is dat dit bij een beperkt aantal bedrijven (met name laboratoria en
ziekenhuizen) van toepassing zal zijn. Het gaat dan voornamelijk om bedrijven waar men
gewend is om te werken met interne werkprocedures voor arbeids- en milieuveiligheid. Bij de
beoordeling van voorschriften bij het gemotiveerd afwijken spelen ook de staat van onderhoud
van het gebouw, de brandcompartimenten de losse brandveiligheidsopslagkasten, maar ook de
installaties en organisatie van het bedrijf een rol. Voor de toetsing en borging van de
voorschriften kan bijv. worden aangesloten bij de ontwikkelingen van de IBB (Integrale
Brandveiligheid Bouwwerken).
vs 3.10.5 Een brandveiligheidsopslagkast mag niet in een vluchtroute zijn gelegen en mag het
vluchten niet belemmeren.
3.11
Verpakking en etikettering Wabo, AI
vs 3.11.1 De verpakking van de in een opslagvoorziening aanwezige gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen moet zodanig zijn dat:
•
•
•
niets van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen;
het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen kan
worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen een reactie
kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;
de verpakking tegen normale behandeling bestand is.
Toelichting:
Over het algemeen bevinden gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen in een opslagvoorziening
zich in de zogenoemde UN-gekeurde verpakking. Daarnaast zijn er omverpakkingen die zijn
verpakt conform het regime van de zogenoemde gelimiteerde hoeveelheden (limited quantities /
LQ) of vrijgestelde hoeveelheden (excepted quantities/E) van de wetgeving vervoer gevaarlijke
stoffen zijn samengesteld. In deze verpakkingen is een dermate geringe hoeveelheid
gevaarlijke stof aanwezig dat er slechts een beperkter risico ontstaat indien deze hoeveelheden
vrijkomen ten opzichte van reguliere verpakkingen. De LQ en E-regelingen beschrijven de wijze
waarop deze hoeveelheden moeten worden behandeld en welke vrijstellingen daarvoor gelden.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 37 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
De regelingen zijn van toepassing op land-, zee- en luchtvervoer. (secties 3.4 en 3.5 van het
ADR behandelen de wijze waarop deze hoeveelheden moeten worden behandeld en welke
vrijstellingen daarvoor gelden).
Breekbare verpakking moet in een opslagvoorziening (m.u.v. de werkvoorraad) zoveel mogelijk
conform de vervoersregelgeving worden opgeslagen als samengestelde verpakking (zie
subsecties 1.2.1 en 4.1.1.5 van het ADR).
vs 3.11.2 De etikettering van de in een opslagvoorziening aanwezige gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen moet zodanig zijn dat de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot
uiting komen.
Toelichting:
Conform de wetgeving vervoer gevaarlijke stoffen UN-regelgeving, respectievelijk het ADR
(paragraaf 5.2) moet elk collo (buitenverpakking) voor het vervoer zijn voorzien van
gevarenetiket(ten) en UN-stofnummer voorafgegaan door de letters 'UN'. Verpakkingen met
gelimiteerde (LQ) of vrijgestelde hoeveelheden (E) zijn niet gekenmerkt met een gevarenetiket
van de gevarenklasse zoals vermeld in de wetgeving vervoer gevaarlijke stoffen. Indien er
sprake is van samengestelde verpakkingen met gelimiteerde hoeveelheden gevaarlijke stoffen
(LQ), dan moet de verpakking zijn voorzien van de kenmerking voor het vervoer van
gelimiteerde hoeveelheden. Verpakkingen met vrijgestelde hoeveelheden (E) worden
gekenmerkt met een label E en daarin vermeld het nummer van het eerste of enige
gevaaretiket van de gevarenklasse. Zie Bijlage C.3 voor de kenmerking van LQ en E. Tevens
moeten gebruiksverpakkingen zijn voorzien van gevaaraanduidingen op grond van CLPverordening EG 1272/2008 of, indien het voor intern gebruik is, zijn voorzien van
werkpleketiketten conform de Arbeidsomstandighedenwet. Dit geldt uiteraard niet voor
afvalstoffen.
vs 3.11.3 De verpakking van in de buitenlucht opgeslagen gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
moet bestand zijn tegen alle mogelijke weersinvloeden.
vs 3.11.4 Voorzieningen moeten zijn getroffen om beschadiging van verpakkingmateriaal ten
gevolge van transportactiviteiten te voorkomen.
3.12
Onverenigbare combinaties Wabo, AI
vs 3.12.1 Verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen die met elkaar gevaarlijke reacties kunnen
aangaan waarbij sterke verhoging van temperatuur of druk optreedt of waarbij gassen
kunnen ontstaan die giftiger of brandbaarder zijn dan op grond van de eigenschappen
van de gevaarlijkste stof van de opgeslagen stoffen is te verwachten, moeten gescheiden
van elkaar worden opgeslagen. Dit voorschrift is niet van toepassing voor stoffen die
vallen onder het regime van gelimiteerde hoeveelheden (LQ) of vrijgestelde hoeveelheden
(E) (resp. paragraaf 3.4 en 3.5 van het ADR).
Toelichting:
Het doel van het gescheiden opslaan van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen is dat bij het
vrijkomen van de stof uit de verpakking voorkomen wordt dat door de vrijgekomen stof een
groter (vervolg)effect ontstaat dan op grond van de eigenschappen van de desbetreffende stof
verwacht kan worden. In bijlage D is weergegeven hoe in praktische zin deze doelstelling kan
worden gerealiseerd. In de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 zijn voor de in deze hoofdstukken
behandelde categorieën verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen bijzondere bepalingen
opgenomen voor de gezamenlijke opslag met andere gevaarlijke stoffen. Gelimiteerde
hoeveelheden betreffen kleine verpakkingen met een tweede (om)verpakking. Bij een lekkage
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 38 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
komt er een kleine hoeveelheid vrij, die weinig vervolgschade kan aanrichten; een escalerende
reactie met een ander product is dan minder waarschijnlijk. De uitzondering voor gelimiteerde
hoeveelheden geldt alleen indien de stoffen in de transportverpakking zijn opgeslagen.
3.13
Gebruik opslagvoorziening Wabo, AI
vs 3.13.1 Indien verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen gestapeld worden opgeslagen, moet
de verpakking op veilige wijze gestapeld zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de
sterkte van de verpakking.
vs 3.13.2 Pallets met verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die zijn gestapeld, moeten van
een deugdelijke constructie zijn. Voor iedere wijze van verpakking moet afhankelijk van
gewicht en sterkte van de verpakking een maximale stapeling worden vastgesteld.
vs 3.13.3 Breekbare (glazen) enkelvoudige verpakking mag niet worden gestapeld.
vs 3.13.4 In een opslagvoorziening mogen geen gemotoriseerde transportmiddelen aanwezig zijn,
anders dan ten behoeve van en slechts gedurende de tijd van het laden en lossen.
Toelichting:
Het stallen van vorkheftrucks in een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen en/of
CMR-stoffen wordt beschouwd als een activiteit waardoor het risico toeneemt. Indien het echter
gaat om een vorkheftruck die volledig aan de ATEX-richtlijn voldoet, of indien een vorkheftruck
in een apart vak wordt gestald, kan van dit voorschrift worden afgeweken.
vs 3.13.5 De opslagvoorziening moet regelmatig worden gecontroleerd op lekkages of
beschadiging van de aanwezige verpakkingen.
3.14
Incidenten met gemorste gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
Wabo, AI
vs 3.14.1 Gemorste of gelekte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die in een opslagvoorziening
zijn vrijgekomen moeten zo snel mogelijk worden opgeruimd. Daartoe moeten in of nabij
de opslagvoorziening materialen aanwezig zijn om deze stoffen te immobiliseren, te
neutraliseren of te absorberen. De aard en hoeveelheid van deze materialen moeten zijn
afgestemd op de aard en hoeveelheid van de opgeslagen gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen, en de grootte van de aanwezige verpakkingen. Indien een verpakking lekt, moet
deze lekkage onmiddellijk worden verholpen, bijv. door lekkende vaten in overmaatse
vaten te plaatsen. Bij lekkage moet ontwikkeling en verspreiding van giftige of explosieve
stoffen of stankstoffen tot een minimum worden beperkt door doelmatige ventilatie,
beperking van verspreiding van de vloeistof en snelle opname door absorptiemateriaal.
vs 3.14.2 Ten behoeve van de veiligheid van de werknemers moet binnen de inrichting een
instructie aanwezig zijn die de te nemen maatregelen bij een lekkage of een incident met
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen beschrijft. De bedrijfsleiding moet deze instructie
actueel houden en werknemers hierover inlichten.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 39 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Toelichting:
Indien het gevaarlijke stoffen van klasse 6.2 (uitsluitend categorie I3 of I4) betreft, moet in het
bijzonder aandacht worden besteed aan het tijdig inschakelen van ter zake deskundigen.
vs 3.14.3 Op een duidelijk zichtbare plaats bij de toegang tot de inrichting of bij de portier moet een
duidelijk leesbare instructie zijn aangebracht over de te nemen maatregelen in het geval
van een calamiteit. Deze instructie moet gegevens bevatten van instanties of personen
waarmee in het geval van een calamiteit contact moet worden opgenomen.
3.15
Rook- en vuurverbod, blustoestellen Wabo, AI
vs 3.15.1 Binnen een opslagvoorziening en tevens binnen een afstand van 2 m daarbuiten mag niet
worden gerookt en mag geen open vuur aanwezig zijn. Aan de buitenzijde van de
opslagvoorziening moet op daartoe geschikte plaatsen met betrekking tot dit verbod een
pictogram overeenkomstig NEN 3011 zijn aangebracht.
vs 3.15.2 Voor elke 200 m2 vloeroppervlakte van een opslagvoorziening moet ten minste één
draagbaar blustoestel aanwezig zijn met een vulling van ten minste 6 kg of 6 l blusstof.
Het blustoestel moet tegen weersinvloeden zijn beschermd. De keuze van het type
blustoestel moet zodanig zijn dat deze geschikt is om een beginnende brand van de
opgeslagen stoffen te blussen.
3.16
Veiligheidheidsignalering, veiligheidsinformatiebladen,
instructies Wabo, AI
vs 3.16.1 Aan de buitenzijde van een opslagvoorziening, nabij de toegangsdeur(en) moeten op
duidelijk zichtbare plaatsen waarschuwingsborden worden geplaatst, welke het gevaar
van de opgeslagen gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen aanduiden. Op daartoe
geschikte plaatsen moeten de desbetreffende gevaarsymbolen zijn aangebracht conform
het ADR of de Europese CLP- Verordening over de indeling, etikettering en verpakking
van chemische stoffen en mengsels, EG 1272/2008 (Classification, Labelling and
Packaging: CLP).
Toelichting:
Bij alle opslagvoorzieningen moet het verbodsbord 'vuur, open vlam en roken verboden' zijn
aangebracht. In plaats van bovengenoemde symbolen mogen ook de 'grote etiketten' (zoals
nader omschreven in paragraaf 5.3.1 van het ADR) worden geplaatst.
Indien in een open opslagvoorziening verschillende stoffen in vakken, clusters, of secties zijn
opgeslagen, volstaat het om per vak, cluster of sectie het gevarensymbool aan te brengen.
Toelichting:
De Europese CLP-Verordening dient ter implementatie van GHS binnen de lidstaten. In bijlage
C zijn voorbeelden weergegeven van de gevaarsymbolen die voor de veiligheidssignalering
gebruikt moeten worden.
vs 3.16.2 Voor stoffen waarvoor REACH dit verplicht, heeft de inrichting de bijgeleverde
veiligheidsinformatiebladen beschikbaar. De VIB’s moeten voldoen aan bijlage II van EGverordening nr. 1907/2006 (REACH).
Toelichting:
REACH verplicht het binnen de inrichting aanwezig zijn van VIB’s o.a niet voor afvalstoffen en
voor de volgende mengsels in afgewerkte vorm die voor de eindgebruiker zijn
bestemd: geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik, cosmetische
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 40 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
producten, in levensmiddel of veevoeder. Dit is precies omschreven in artikel 2 lid 6 REACH.
Veiligheidsinformatiebladen (ook wel genoemd 'material safety data sheets', MSDS) mogen ook
digitaal in de inrichting beschikbaar zijn.
3.17
Vakbekwaamheid Wabo, AI
vs 3.17.1 Indien in een inrichting meer dan 2 500 kg verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
worden opgeslagen, moet tijdens het verrichten van werkzaamheden met gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen in een opslagvoorziening minimaal één door het bedrijf
aangestelde deskundige in de inrichting aanwezig zijn, met voldoende vakbekwaamheid
op het gebied van het omgaan met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen en het bestrijden
van calamiteiten met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen. Informatie over de
vakbekwaamheid van de deskundige moet binnen de inrichting aanwezig zijn.
Toelichting:
De vakbekwaamheid van de deskundige moet aantoonbaar zijn, bijv. aan de hand van
gevolgde relevante opleidingen of certificaten. In de RI&E moet hier aandacht aan zijn besteed.
3.18
Journaal en registratie Wabo, AI
vs 3.18.1 Indien in een inrichting meer dan 2 500 kg verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
worden opgeslagen, moet van de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen die in de inrichting aanwezig zijn een actueel journaal worden bijgehouden. Het
journaal moet van een datum zijn voorzien. Het journaal moet in de inrichting op een
plaats ter inzage liggen, die direct toegankelijk is voor hulpverlenende diensten. Het
journaal moet ten minste de volgende onderdelen bevatten:
•
•
•
•
•
de juiste vervoersnaam, aangevuld met, zover van toepassing, de technische
benaming (zie 3.1.2 ADR/IMDG-code) en de klasse van de stof zoals vermeld in het
ADR of de IMDG-code;
de hoeveelheid van de stof;
de verpakkingsgroep (indien toegewezen);
het UN-nummer van de stof als mede de modelnummers van de gevaarsetiket(ten)
conform art. 5.2 van het ADR;
CMR-stoffen moeten in het journaal zijn opgenomen met hun chemische naam en de
vermelding CMR.
Het journaal moet tevens een actuele tekening bevatten waarop het volgende is
aangegeven:
•
•
•
•
de lay-out van de inrichting;
de plaats van de gebouwen en de te onderscheiden activiteiten;
de plaats waar de verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen zijn opgeslagen;
een noordpijl. Het journaal moet zijn voorzien van een instructie met de namen en
telefoonnummers van personen waarmee hulpverlenende diensten in het geval van
een calamiteit contact kunnen opnemen.
Toelichting:
Het journaal heeft als doel hulpdiensten in geval van een calamiteit inzicht te geven in soort,
hoeveelheid en locatie van opgeslagen gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen. Voorschrift 3.18.1
is een voorbeeld (bijv. voor de transportsector) van de wijze waarop de journaalverplichting in
een vergunning kan worden opgenomen. Indien bijv. in een inrichting weliswaar meer dan 2 500
kg verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen aanwezig zijn, maar deze uitsluitend in kasten
worden opgeslagen, is het niet zinvol om in het journaal per kast de in het voorschrift genoemde
gegevens te verlangen. Ten behoeve van het formuleren van de journaalverplichting kunnen de
volgende aandachtspunten worden genoemd:
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 41 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
h)
3.19
indien in de inrichting (tank)containers aanwezig zijn, moeten deze ook in het journaal
worden vermeld;
indien meerdere opslagvoorzieningen elk met een capaciteit van meer dan 10 000 kg
binnen de inrichting aanwezig zijn, moet per opslagvoorziening inzicht worden gegeven
welke gevarenklassen per opslagvoorziening aanwezig zijn;
in overleg met het Wm-bevoegd gezag en op advies van de brandweer kan voor een
andere vorm van het journaal worden gekozen;
inrichtingen die onder Brzo 1999 vallen en VR-plichtig zijn, hebben al de verplichting om
een stoffenlijst bij te houden; het advies is om in de omgevingsvergunning hierbij aan te
sluiten en geen separaat journaal te verlangen;
de verplichting een journaal bij te houden geldt vanaf een hoeveelheid van 2 500 kg
verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen per inrichting; het kan echter wenselijk zijn
om ook bij kleinere opslaghoeveelheden een journaal voor te schrijven, bijv. als er opslag
plaatsvindt van bijv. zeer toxische stoffen of de inrichting in de nabijheid ligt van kwetsbare
bestemmingen of oppervlaktewater;
door de modelnummers van een gevaarsetiket conform 5.2 van het ADR in het journaal op
te nemen zijn alle relevante gevaren van een stof bekend (bijv. een klasse 3 met bijkomend
gevaar 6.1, dan moet vermeld worden 3 + 6.1);
indien ADR-klasse, UN-nummer, verpakkingsgroep en hoeveelheid van de opgeslagen
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen niet frequent wijzigen (niet-vervoergebonden
inrichting) kan eventueel worden volstaan met een eenmalige lijst van de maximale opslag
(bijv. het gevaarlijke stoffenoverzicht uit de omgevingsvergunning-aanvraag), de soort
gevaarlijke stof en de plaats van opslag (bijv. een tekening). Indien in een
opslagvoorziening stoffen qua soort en hoeveelheid dagelijks drastisch wijzigen, moet het
journaal dagelijks worden geactualiseerd;
indien een actueel intern noodplan aanwezig en beschikbaar is voor hulpverlenende
diensten, is het niet nodig om een tekening en persoonsgegevens in het logboek op te
nemen.
Intern noodplan Wabo, AI
vs 3.19.1 Indien in de inrichting meer dan 10 000 kg verpakte gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen
worden opgeslagen, meer dan 1 000 kg zeer giftige verpakte stoffen (ADR-klasse 6.1
Verpakkingsgroep I) worden opgeslagen of gasflessen met giftig/bijtende of giftige
inhoud met een totale waterinhoud van meer dan 250 l worden opgeslagen, moet in de
inrichting een actueel intern noodplan aanwezig zijn, waarin de getroffen
organisatorische en technische maatregelen ter bestrijding van een redelijkerwijs te
verwachten ongeval of incident zijn omschreven. In het noodplan moet onder andere een
lijst met telefoonnummers opgenomen zijn voor gebruik bij incidenten.
Toelichting:
In hoofdstuk 6 van deze richtlijn wordt aandacht besteed aan de opslag van gasflessen. Naast
verstikkende en brandbare gassen is dit hoofdstuk ook van toepassing op de opslag van
gasflessen met ammoniak en ethyleenoxide.
vs 3.19.2 Ten minste eenmaal per drie jaar moet het intern noodplan worden geëvalueerd, beproefd
en zonodig gewijzigd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met veranderingen die
zich in de inrichting hebben voorgedaan, en met nieuwe kennis en inzichten.
Toelichting:
Indien een intern noodplan als bedoeld in artikel 22 van het Brzo 1999 is opgesteld of een
noodplan conform de ARIE, wordt aan dit voorschrift voldaan. De frequentie voor evaluatie en
beproeving is in overeenstemming met het Brzo 1999.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 42 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
3.20
Toegankelijkheid voor onbevoegden Wabo, AI
vs 3.20.1 Een open opslagvoorziening mag niet ongecontroleerd toegankelijk zijn voor
onbevoegden. Hieraan is voldaan als het terrein als geheel afdoende is afgeschermd door
muren (gebouwen), hekken, sloten van voldoende breedte en dergelijke.
Indien dit niet het geval is moet het toegankelijke deel van de opslagvoorziening zijn
afgeschermd door een vast en ten minste 1,8 m hoog hek- of gaaswerk van onbrandbaar
materiaal met ten minste twee toegangsdeuren.
3.21
Toegangsdeuren en vluchtroutes Wabo, AI
vs 3.21.1 Een toegangsdeur tot een betreedbare opslagvoorziening moet van buitenaf met een slot
en sleutel of op een andere gelijkwaardige wijze afsluitbaar zijn, doch van binnenuit
zonder sleutel kunnen worden geopend. Een toegangsdeur moet bij afwezigheid van
deskundig personeel ter plaatse van de opslagvoorziening zijn afgesloten, tenzij de
toegangsdeur verbinding geeft met een aanmaak-, verwerkings- of verkoopruimte.
Een opslagvoorziening moet met ten minste twee vluchtroutes hebben, die zoveel als
mogelijk in tegenoverstelde zijden zijn gesitueerd zijn. Indien in een opslagvoorziening de
afstand van het verst gelegen punt tot de deur minder bedraagt dan 15 m, kan met één
deur worden volstaan. Deuren in deze vluchtroute draaien niet tegen de vluchtrichting in.
Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.
Toelichting:
Doelmatige maatregelen moeten zijn genomen teneinde het mogelijk te maken dat een
werknemer, indien een toestand ontstaat waarin direct gevaar voor zijn veiligheid of gezondheid
aanwezig is, zich snel via de kortst mogelijke weg in veiligheid kan stellen. Met de terminologie
is, aangezien het bouwkundige voorschriften zijn, zoveel mogelijk aangesloten bij het
bouwbesluit.
3.22
Noodverlichting en vluchtrouteaanduiding AI
vs 3.22.1 Een betreedbare opslagvoorziening moet zijn voorzien van adequate noodverlichting en
vluchtrouteverlichting conform NEN-EN 1838.
Toelichting:
In kleine besloten ruimten en bij overzichtelijke opslagvoorzieningen in de buitenlucht, kan van
deze eis worden afgeweken.
3.23
Verwarming Wabo, AI
vs 3.23.1 Indien verwarming plaatsvindt, moet dit door een centrale verwarmingsinstallatie of
verwarmingstoestellen waarvan de verbrandingsruimte niet in open verbinding staat of
kan worden gebracht met de opslagvoorziening en waarvan de delen, die in direct contact
staan met deze plaats geen hogere oppervlaktetemperatuur hebben dan 250 °C, en
waarbij aanraking van de opgeslagen stoffen met deze delen is uitgesloten of door een
verwarmingstoestel dat voldoet aan NEN 1078 en aan NPR 3378-23 (nl).
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 43 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
3.24
Nooddouche en oogspoelvoorziening AI
vs 3.24.1 Indien stoffen behorende tot verpakkingsgroep I worden opgeslagen, meer dan 2 500 kg
verpakte gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of indien in de opslagvoorziening
vorkheftrucks worden gebruikt, moeten in of nabij een betreedbare opslagvoorziening
een nooddouche en een oogspoelvoorziening aanwezig zijn die te allen tijde goed
bereikbaar zijn. Een nooddouche moet zijn aangesloten op het waterleidingnet en
voldoende capaciteit hebben. Een oogspoelvoorziening moet:
•
•
•
•
voldoende snel bereikbaar zijn in geval van een ongeval;
eenvoudig bedienbaar zijn;
zodanig zijn uitgevoerd dat zonodig beide ogen voldoende lang gespoeld kunnen
worden;
zodanig zijn uitgevoerd dat indien de ogen worden gespoeld, deze wel snel worden
gereinigd, maar niet worden beschadigd.
Toelichting:
De richtwaarde voor de capaciteit van een nooddouche is 80 l/min. Indien uit de RI&E blijkt dat
een nooddouche niet noodzakelijk is, kan van dit voorschrift worden afgeweken. Een
oogspoelvoorziening kan worden gerealiseerd door een op de waterleiding aangesloten
oogdouche.
3.25
Persoonlijke beschermingsmaatregelen AI
vs 3.25.1 Indien in een opslagvoorziening gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van een
werknemer aanwezig is of kan ontstaan, moeten voor werknemers die aan dat gevaar
blootstaan of kunnen blootstaan persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal
beschikbaar zijn en moet ervoor worden gezorgd dat werknemers, indien daartoe
aanleiding is, die middelen gebruiken. Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten
worden onderhouden, gerepareerd en hygiënisch worden gehouden.
Toelichting:
Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn mede bedoeld om personen te beschermen bij
onvoorziene voorvallen en incidenten met verpakkingen. Bij persoonlijke
beschermingsmiddelen welke aan een houdbaarheidsdatum zijn gerelateerd mag de op de
verpakking vermelde houdbaarheidsdatum niet overschreden worden. Persoonlijke
beschermingsmiddelen moeten te allen tijde voor een ieder duidelijk zichtbaar, gemakkelijk
bereikbaar en voor direct gebruik gereed zijn. Alvorens een persoonlijk beschermingsmiddel te
kiezen maakt de werkgever, in het kader van de risico-inventarisatie en evaluatie, een
beoordeling van de uitrusting die hij voornemens is ter beschikking te stellen. Deze beoordeling
omvat:
a)
b)
c)
een inventarisatie en evaluatie van de gevaren die niet met andere middelen kunnen
worden vermeden;
een omschrijving van de kenmerken die de persoonlijke beschermingsmiddelen moeten
bezitten om de hierboven vermelde gevaren te kunnen ondervangen, rekening houdend
met eventuele gevaarsbronnen die de persoonlijke beschermingsmiddelen zelf kunnen
vormen;
een inventarisatie en evaluatie van de kenmerken van de desbetreffende persoonlijke
beschermingsmiddelen die beschikbaar zijn, vergeleken met de onder b bedoelde
kenmerken.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 44 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
3.26
Bedrijfshulpverlening (BHV) AI
vs 3.26.1 Conform de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit moet elke
organisatie beschikken over een deskundige bedrijfshulpverleningsorganisatie.
Het verlenen van deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening houdt in
elk geval in:
a.
b.
c.
d.
het verlenen van eerste hulp bij ongevallen;
het beperken en het bestrijden van brand en het voorkomen en beperken van
ongevallen;
het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en andere
personen in het bedrijf of de inrichting;
het alarmeren van en samenwerken met hulpverleningsorganisaties in verband met
de in de onderdelen a t.m. c bedoelde bijstand.
De bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring en
uitrusting, zijn zodanig in aantal en zodanig georganiseerd dat zij de voornoemde taken
naar behoren kunnen vervullen.
3.27
Hygiëne, 'good housekeeping' AI
vs 3.27.1 De werkgever stelt regels en procedures vast voor het omgaan met verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen, reiniging van de werkplek en persoonlijke hygiëne waaraan de
medewerkers zich moeten houden. De werkgever ziet toe op de naleving van deze
procedures en regels. De werkgever richt voorzieningen in en verstrekt middelen
(werkkleding) aan werknemers voor een optimale hygiëne op plaatsen waar gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen aanwezig zijn. Indien op de arbeidsplaats gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen aanwezig zijn, wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid en
ordelijkheid in acht genomen en er is sprake van 'good housekeeping'. Werk- en
opslagruimten worden zo schoon mogelijk gehouden. In werk- en opslagruimten wordt
niet gerookt, gegeten of gedronken en geen voedsel bewaard.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 45 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
4 Opslagvoorzieningen groter dan
10 000 kg
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk zijn voorschriften opgenomen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen in hoeveelheden van meer dan 10 000 kg. De voorschriften uit hoofdstuk 3
Algemeen zijn eveneens van toepassing op deze opslagvoorzieningen. Zeer giftige stoffen
(ADR-klasse 6.1 verpakkingsgroep I of stoffen van klasse 8, verpakkingsgroep I, met
aanvullend etiket modelnr. 6.1) moeten vanaf een hoeveelheid van 1 000 kg worden
opgeslagen in een opslagvoorziening zoals beschreven in dit hoofdstuk. De opslag van
(tank)containers met verpakte gevaarlijke stoffen (zie hoofdstuk 5), de opslag van gasflessen,
spuitbussen en gaspatronen (zie hoofdstuk 6 en 7), de opslag van stoffen van klasse 4 (zie
hoofdstuk 8) en klasse 5.2 (zie hoofdstuk 9) vallen niet onder hoofdstuk 4.
Het belangrijkste verschil tussen enerzijds de voorschriften voor opslagen tot 10 000 kg en
anderzijds die voor opslagen groter dan 10 000 kg, is dat voor de eerste categorie kan worden
volstaan met bouwkundige voorzieningen, gescheiden opvangfaciliteiten (productopvang) en
brandpreventieve maatregelen. Bij opslagen groter dan 10 000 kg zijn veelal verdergaande
voorzieningen noodzakelijk met betrekking tot brandbestrijding, met betrekking tot de opvang
van bluswater en organisatorische maatregelen.
De voorschriften voor opslaghoeveelheden groter dan 10 000 kg met betrekking tot
brandpreventie
en
bluswateropvang
zijn
onderverdeeld
in
drie
zogenoemde
beschermingsniveaus:
a)
b)
c)
Beschermingsniveau 1 kenmerkt zich door een doelmatige detectie in geval van brand en
een blussing die binnen korte tijd (semi-)automatisch wordt ingezet.
Bij beschermingsniveau 2 moet evenzeer een beheersing en blussing van een brand
mogelijk zijn door een goed voorbereide blusactie. In deze situaties wordt echter
geaccepteerd dat de blusactie niet ‘automatisch’ wordt ingezet.
Beschermingsniveau 3 betreft situaties waarin de kans op een (omvangrijke) brand klein
wordt geacht. Verdergaande eisen met betrekking tot brandpreventie en bluswateropvang
worden dan niet als een redelijkerwijs te verlangen maatregel beschouwd. Volstaan kan
worden met maatregelen in de preventieve sfeer, welke overigens ook gelden voor de
beschermingsniveaus 1 en 2.
vs 4.1.1 De voorschriften van hoofdstuk 3 zijn eveneens van toepassing op opslagvoorzieningen
voor de opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR stoffen in hoeveelheden groter dan
10 000 kg.
4.2
Bereikbaarheid opslagvoorziening Wabo
vs 4.2.1 De opslagvoorziening moet goed bereikbaar zijn voor voertuigen ten behoeve van de
bestrijding van calamiteiten. Toegangsdeuren tot een opslagvoorziening en eventuele
aansluitpunten voor blussystemen moeten te allen tijde vrij worden gehouden.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 46 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
4.3
Scheiding tussen de vakken Wabo, AI
vs 4.3.1 De in een opslagvoorziening aanwezige verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
moeten in vakken zijn opgeslagen. Scheiding tussen vakken kan plaatsvinden door:
•
•
een gangpad van ten minste 3,5 m, of;
een scheidingsconstructie met een brandwerendheid van ten minste 30 min.
Indien een scheidingsconstructie tussen twee vakken is aangebracht, mogen verpakte
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen niet hoger worden gestapeld dan tot 0,5 m onder de
bovenrand van een scheidingsconstructie. Bovendien mogen verpakte gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen niet worden opgeslagen binnen 0,5 m van de open zijde van het vak.
Toelichting:
In hoogstapelmagazijnen wordt de maximale vakgrootte en de wijze waarop vakken worden
gerealiseerd, bepaald door de ontwerpeisen van de automatische blusinstallatie en de wijze
waarop deze zijn vastgelegd in het uitgangspuntendocument (UPD), zie 4.8.2.
vs 4.3.2 Indien in een vak stoffen van klasse 3 in niet-metalen verpakking, of vloeistoffen met een
vlampunt tussen 60 °C en 100 °C in niet-metalen verpakking zijn opgeslagen, moeten
voorzieningen zijn getroffen om te voorkomen dat product of bluswater kan uitstromen
naar naastgelegen vakken.
Toelichting:
Naast het voorkomen van brandoverslag naar een ander vak moet een vak zodanig zijn
ontworpen en uitgevoerd dat lekvloeistof en bluswater niet naar een ander vak kan uitstromen.
Afvoervoorzieningen moeten zodanig zijn ontworpen dat een brandende vloeistof zich niet
brandend buiten een opslagvoorziening kan begeven. Indien een vak niet aan deze
uitgangspunten voldoet, moeten voorzieningen voor product- en bluswateropvang worden
gedimensioneerd op basis van de totale oppervlakte van een opslagvoorziening.
4.4
Vakindeling en maximale oppervlakte opslagvoorziening Wabo, AI
vs 4.4.1 De grootte van een overeenkomstig voorschrift 4.3.1 afgescheiden vak mag ten hoogste
300 m² bedragen.
vs 4.4.2 In afwijking van voorschrift 3.2.3 geldt dat de vloeroppervlakte van een opslagvoorziening
zoals bedoeld in dit hoofdstuk ten hoogste 2 500 m² mag bedragen.
Toelichting:
Het Bouwbesluit schrijft in beginsel (voor nieuwbouw) voor dat industriegebouwen moeten zijn
ingedeeld in brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1 000 m².
Bij opslagvoorzieningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1 000 m² moet er rekening
mee worden gehouden dat in het kader van de omgevingsvergunning of de gebruiksvergunning
voor wat betreft de veiligheid van het grote brandcompartiment ten genoegen van het
gemeentelijk bevoegd gezag moet worden aangetoond dat een gelijkwaardige veiligheid is
verkregen als met het Bouwbesluit is beoogd. Dit kan door het onderzoeksrapport Methode
Beheersbaarheid van Brand 2007. Voor wat betreft de milieuaspecten bij een brand in een
groot brandcompartiment kan een dergelijk onderzoek ook worden verlangd in het kader van de
omgevingsvergunning.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 47 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
4.5
Beschermingsniveaus Wabo, AI
vs 4.5.1 In een opslagvoorziening moet, afhankelijk van de eigenschappen van de opgeslagen
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen, het verpakkingsmateriaal en de hoeveelheid
opgeslagen stoffen, een bepaald beschermingsniveau zijn gerealiseerd conform tabel 4.1.
Tabel 4.1 — Vereiste beschermingsniveaus voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen
Brandbaarheid
Gevaar conform de
klasse zonder
bijkomend gevaarb
Vlampunt≤
60˚ C
Vlampunt>
60˚ C en ≤
100˚ C
Vlampunt>
100˚ C
Brandbare
vaste stoffen
Onbrandbare
stoffen
(vast,vloeibaar,
gas)
3
1/1 of 2/2a
-
-
-
-
5.1
-
-
-
-
3/3
6.1
1/1
1/2
2/3
2/3
3/3
a
8
1/1 of 2/2
2/2
2/3
3/3
3/3
9
-
1/2
2/3
3/3c
3/3
CMR-stoffen
1/1
1/2
2/3
2/3
3/3
a
In deze gevallen mag beschermingsniveau 2 worden toegepast indien minder dan 100 000 kg in
een opslagvoorziening wordt opgeslagen. Deze uitzondering geldt voor klasse 3 alleen indien het
verpakkingsgroep II of III betreft. Daarnaast zal deze uitzondering kritisch worden beoordeeld door
het bevoegd gezag en de lokale brandweer op onder meer aspecten als de noodzakelijke veel
grotere bluswateropvang, het grotere indirecte ruimtebeslag op grond van het BEVI, de gevolgen
van de vuurbelasting in geval van brand voor de omgeving, opslaglocatie van schuimvormend
middel en inzetbaarheid lokale brandweer.
b
Voor stoffen met een bijkomend gevaar moet ook het bijkomend gevaar worden beoordeeld. Voor
de desbetreffende stof geldt het zwaarste beschermingsniveau. Per vak zijn twee cijfers (1/1, 2/3
enz.) genoemd. Het eerste getal betreft het vereiste beschermingsniveau voor stoffen in nietmetalen verpakkingen. Het tweede getal betreft het vereiste beschermingsniveau voor metalen
verpakkingen.
c
Stoffen die voldoen aan alle onderstaande voorwaarden worden voor het bepalen van het vereiste
beschermingsniveau ingedeeld als klasse 9, brandbare vaste stoffen. De voorwaarden zijn dat de
stoffen moeten voldoen aan:
- gevaar conform klasse 9;
- vlampunt van 23 ˚ C en hoger;
- bij de beproeving van afscheiding van oplosmiddel (zie het Handboek beproevingen en criteria,
deel III, subsectie 32.5.1) de hoogte van de afgescheiden laag oplosmiddel kleiner is dan 3 %
van de totale hoogte;
- in de uitloopbeker cornform ISO 2431:1993 bij 23 ˚C een uitlooptijd hebben van >60 sec of een
uitlooptijdhebben van >40 sec en niet meer dan 60 % stoffen van klasse 3 bevatten.
(-)
De horizontale streepjes in de tabel betekenen dat de desbetreffende combinaties van
gevaarsklasse en brandbaarheid niet voorkomen.
Toelichting:
Indien in een opslagvoorziening gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen met verschillende
eigenschappen zijn opgeslagen, moet het overeenkomstig voorschrift 4.5.1 vastgestelde
beschermingsniveau zijn gebaseerd op de combinatie van de grootste gevaarseigenschappen
van de opgeslagen stoffen. Indien een opslagvoorziening zowel gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen in metalen verpakking als in niet-metalen verpakking aanwezig is, moet het
noodzakelijke beschermingsniveau zijn gebaseerd op niet-metalen verpakking. Indien in een
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 48 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
opslagvoorziening niet ADR-geclassificeerde stoffen aanwezig zijn, moet de brandbaarheid van
deze stoffen ook worden meegewogen bij het vaststellen van het vereiste beschermingsniveau,
tenzij de desbetreffende stoffen in een apart vak zijn opgeslagen.
vs 4.5.2 Bij het vaststellen van het vereiste beschermingsniveau, moeten per opslagvoorziening
de in tabel 4.2 genoemde grenswaarden zijn aangehouden, waarboven met een stofklasse
of verpakkingsmateriaal rekening moet worden gehouden, waarbij geldt dat in het geval
van een bijkomend gevaar het gevaar met de laagste grenswaarde bepalend is.
Tabel 4.2 — grenswaarden voor het vaststellen van een beschermingsniveau
Gevaar conform
klasse zonder
bijkomend gevaar a
Omschrijving en specificatie
Grenswaarde
kg
3
Brandbare vloeistoffen met een vlampunt tot 60 ºC
400
-
Brandbare vloeistoffen met een vlampunt tussen 60 ºC en
100 ºC
1 000
-
Brandbare vloeistoffen met een vlampunt groter dan
100 ºC
2 500
Brandbare vaste stoffen
2 500
Totale hoeveelheid brandbare stoffen (vast en vloeibaar)
2 500
5.1
Oxiderende stoffen
2 500
6.1
Giftige stoffen
2 500
8
Bijtende stoffen
2 500
9
Milieugevaarlijke stoffen
2 500
CMR-stoffen
2 500
Totale hoeveelheid giftige, bijtende en milieugevaarlijke
stoffen en CMR-stoffen
2 500
Gevaarlijke stoffen in niet-metalen verpakkingen
2 500
a
Voor stoffen met een bijkomend gevaar moet ook het bijkomend gevaar worden beoordeeld. Voor
de desbetreffende stof geldt de laagste grenswaarde.
Toelichting:
Met dit voorschrift wordt voorkomen dat een beperkte hoeveelheid van een stof al leidt tot het
voor die stof noodzakelijke beschermingsniveau.
4.6
Bluswateropvangvoorzieningen Wabo
vs 4.6.1 Indien in een opslagvoorziening conform voorschrift 4.5.1 beschermingsniveau 1 moet
zijn gerealiseerd, moet de nominale bluswateropvangcapaciteit worden bepaald met
behulp van de in bijlage F vermelde parameters.
Indien stoffen zijn opgeslagen van klasse 6.1 of een overeenkomstig bijkomend gevaar
hebben, stoffen van klasse 9 (milieugevaarlijk) of CMR-stoffen, moet de werkelijke grootte
van de bluswateropvangvoorziening ten minste gelijk zijn aan de nominale
opvangcapaciteit (100 %). Indien stoffen zijn opgeslagen van klasse 8, moet de werkelijke
grootte van de bluswateropvangvoorziening ten minste 50 % bedragen van de nominale
capaciteit. Indien stoffen van klasse 3 zijn opgeslagen, moet de werkelijke grootte van de
bluswateropvangvoorziening ten minste 25 % bedragen van de nominale capaciteit.
Afhankelijk van de wijze waarop een vak is gescheiden van andere vakken moet een
veiligheidsfactor worden gehanteerd (zie bijlage F).
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 49 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 4.6.2 Indien in een opslagvoorziening conform voorschrift 4.5.1 beschermingsniveau 2 moet
zijn gerealiseerd, moet de nominale bluswateropvangcapaciteit worden berekend aan de
hand van inzettijd van de lokale brandweer of bedrijfsbrandweer.
Indien de brandweer aantoonbaar binnen 15 min inzetbaar is, bedraagt de nominale
opvangcapaciteit 0,5 m3/ m2 vak. Indien de brandweer aantoonbaar binnen 6 min inzetbaar
is, bedraagt de nominale opvangcapaciteit 0,3 m3/m2 vak.
Afhankelijk van de wijze waarop een vak is gescheiden van andere vakken moet een
veiligheidsfactor worden gehanteerd (zie bijlage F).
Indien in een opslagvoorziening waar beschermingsniveau 2 moet zijn gerealiseerd, stoffen zijn
opgeslagen van klasse 3 of een overeenkomstig bijkomend gevaar, van klasse 6.1 of een
overeenkomstig bijkomend gevaar, van klasse 9 (milieugevaarlijk) of CMR-stoffen, moet de
werkelijke grootte van de bluswateropvangvoorziening ten minste gelijk zijn aan de nominale
opvangcapaciteit (100 %). Indien stoffen van klasse 8 zijn opgeslagen moet de werkelijke
grootte van de bluswateropvangvoorziening ten minste 50 % bedragen van de nominale
opvangcapaciteit.
vs 4.6.3 Indien de bluswaterafvoer van meerdere opslagvoorzieningen is aangesloten op één
centrale opvangvoorziening kan de opvangcapaciteit worden gedimensioneerd op de
grootste opslagvoorziening. Dit geldt niet indien de bluswateropvangvoorziening in de
opslagvoorziening zelf is gerealiseerd.
4.7
Productopvang Wabo
vs 4.7.1 In de opslagvoorziening moet de productopvangcapaciteit zijn berekend aan de hand van
tabel 4.3.
Tabel 4.3 — Productopvangcapaciteit per beschermingsniveau
Vlampunt ≤ 60 ºC
Vlampunt > 60 ºC
Beschermingsniveau 1
100 % van de aanwezige
vloeistoffen in het grootste vak,
10 % indien de aanwezige
vloeistoffen zich uitsluitend in
metalen verpakking bevinden
10 % van de aanwezige
vloeistoffen in het grootste vak
Beschermingsniveau 2
100 % van de aanwezige
vloeistoffen in de
opslagvoorziening
10 % van de aanwezige
vloeistoffen in de
opslagvoorziening
Beschermingsniveau 3
n.v.t.
10 % van de aanwezige
vloeistoffen in het grootste vak
Toelichting:
De totaal benodigde opvangcapaciteit wordt bepaald door de som van
bluswateropvangcapaciteit en productopvangcapaciteit. Dit mag in dezelfde opvangvoorziening
zijn gerealiseerd.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 50 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
4.8
4.8.1
Brandbeveiligingsinstallaties Wabo, AI
Algemeen
vs 4.8.1 Indien overeenkomstig voorschrift 4.5.1 in een opslagvoorziening beschermingsniveau 1
moet zijn gerealiseerd, moet een geschikte brandbeveiligingsinstallatie aanwezig zijn die
bedrijfsgereed is.
Toelichting:
In bijlage F is een overzicht gegeven van de gangbare brandbeveiligingsinstallaties. Bovendien
zijn in deze bijlage belangrijke kenmerken van deze brandbeveiligingsinstallaties beschreven.
vs 4.8.2 Indien overeenkomstig voorschrift 4.5.1 in een opslagvoorziening beschermingsniveau 2
moet zijn gerealiseerd, moet een brandbeveiligingsinstallatie aanwezig zijn die
bedrijfsgereed is en die ten minste bestaat uit de volgende voorzieningen en maatregelen:
•
•
•
•
•
in de opslagvoorziening moet een snel branddetectiesysteem zijn geïnstalleerd;
de lokale brandweer moet binnen 15 min inzetbaar zijn, dan wel binnen de
inrichting moet een bedrijfsbrandweer aanwezig zijn;
in de opslagvoorziening moet een rook- en warmteafvoerinstallatie (RWA) zijn
aangebracht;
in de inrichting moet nabij de opslagvoorziening een voorraad schuimvormend
middel aanwezig zijn omdat bij een mogelijke blussing moet worden uitgegaan van
toepassing van schuim;
de in tabel 4.4 genoemde maximale oppervlakten voor opslagvoorziening en
vakgrootte moeten worden gehanteerd.
Tabel 4.4 — Maximale oppervlakten opslagvoorziening en vakgrootte bij
beschermingsniveau 2
Hoeveelheid brandbare
vloeistoffen in kg
Maximaal toegelaten oppervlakte in m² van de
opslagvoorziening bij beschermingsniveau 2
Niet metaal
(vakgrootte maximaal 100 m²)
Metaal
(vakgrootte maximaal 300 m²)
≤ 60 ºC
> 60 ºC
≤ 60 ºC
> 60 ºC
≤ 2 500
1 500
1 500
1 500
2 500
> 2 500
800
800
800
1.500
Toelichting:
Tabel 4.4 geeft samenvattend weer wat het maximale vloeroppervlakte van een
opslagvoorziening mag zijn die is uitgevoerd bij beschermingsniveau 2. Ten eerste is het van
belang hoe groot de maximale hoeveelheid brandbare vloeistoffen is en of het vloeistoffen
betreft met een vlampunt hoger of lager dan 60 ºC. Vervolgens is het van belang of deze
brandbare vloeistoffen in metalen of in niet-metalen verpakking worden opgeslagen. Naarmate
het vlampunt van de brandbare vloeistoffen hoger is, en indien deze vloeistoffen in metalen
verpakking worden opgeslagen, mogen grotere vakken en grote vloeroppervlakten van de
opslagvoorziening worden toegepast.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 51 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
4.8.2
Beoordeling, certificatie en goedkeuring van brandbeveiligingsinstallaties
vs 4.8.3 Indien in een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
waarin conform voorschrift 4.5.1 beschermingsniveau 1 moet zijn gerealiseerd, en waarbij
een brandbeveiligingsinstallatie 2.2, 2.3, 2.4, 2.6 of 2.7 uit bijlage F is toegepast, moet de
vergunninghouder beschikken over een uitgangspuntendocument (UPD), waarin alle van
belang zijnde gegevens zijn opgenomen ten behoeve van een goed ontwerp en een goede
werking van de brandbeveiligingsinstallatie. In het uitgangspuntendocument moeten ten
minste zijn opgenomen:
1.
2.
3.
4.
5.
informatie over het gebruik van de opslagvoorziening, de soort opgeslagen
stoffen en de wijze van opslag;
de resultaten van een risicoafweging die ten grondslag ligt aan het te kiezen
brandbeveiligingsinstallatie (onder vermelding van de gebruikte normen en
voorschriften);
een opsomming van de bouwkundige, installatietechnische en organisatorische
brandbeveiligingsmaatregelen die tijdens het gebruik van de opslagvoorziening
beschikbaar moeten zijn;
de kwaliteitscriteria, de prestatie-eisen en ontwerpnormen voor de bouwkundige,
installatietechnische en organisatorische brandbeveiligingsmaatregelen;
de wijze waarop en de frequentie waarin de vergunninghouder aantoont dat de
bouwkundige, installatietechnische en organisatorische
brandbeveiligingsmaatregelen voldoen aan de gestelde kwaliteitscriteria.
De onderdelen van het uitgangspuntendocument die betrekking hebben op de goede
werking van de brandveiligheidsinstallatie moeten zijn beoordeeld door een inspectieinstelling. Bij deze beoordeling moet worden nagegaan of het uitgangspuntendocument
in overeenstemming is met de voor de desbetreffende brandbeveiligingsinstallatie
geldende ontwerpnorm. Deze inspectie-instelling moet voor het uitvoeren van
beoordelingen en inspecties van brandbeveiligingsinstallaties geaccrediteerd zijn door de
Stichting Raad voor Accreditatie conform
NEN-EN-ISO/IEC 17020 als type A inspectie-instelling. Het uitgangspuntendocument,
inclusief het bewijs van beoordeling door de inspectie-instelling, moet zijn goedgekeurd
door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg van de brandbeveiligingsinstallatie(s)
wordt begonnen. Het uitgangspuntendocument, alsmede het bewijs van beoordeling door
de inspectie-instelling moet binnen de inrichting aanwezig zijn.
Elke vijf jaar moeten de onderdelen van het goedgekeurde uitgangspuntendocument die
betrekking hebben op de goede werking van de brandbeveiligingsinstallatie op actualiteit
worden beoordeeld door een inspectie-instelling als in de vorige alinea bedoeld. De
beoordeling bestaat in ieder geval uit een beoordeling van de gehanteerde
uitgangspunten en normen in het uitgangspuntendocument in relatie tot de op het
huidige moment te hanteren uitgangspunten en normen en in relatie tot eventuele
doorgevoerde wijzigingen.
Toelichting:
Het uitgangspuntendocument heeft de volgende belangrijke functies:
1.
2.
3.
4.
herleidbaar maken van risicoafweging en maatregelkeuze;
weergave van de argumentatie voor de keuze van de brandbeveiligingsinstallatie(s) en
andere gekozen brandbeveiligingsoplossingen;
vastlegging van de afspraken over de brandbeveiligingsmaatregelen in de inrichting;
vastleggen van de normen op basis waarvan de brandbeveiligingsmaatregelen worden
ontworpen, aangelegd, beheerd en onderhouden.
Ad 1. informatie over opgeslagen stoffen: wat betreft informatie over soort opgeslagen stoffen
en wijze van opslag valt te denken aan aspecten als verpakking, logistiek systeem
(stellingen/gestapeld/hoogte), maximale eenheidsgrootte, welke stoffen in welke ruimte e.d.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 52 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Ad 2. risicoafweging: Het gaat bij deze risico-afweging niet om een daadwerkelijke QRA, maar
met name om de navolgbaarheid van de stappen die tot de uiteindelijke keuze voor een
bepaalde brandbeveiligingsinstallatie hebben geleid. Uit de risico-afweging moet vast komen te
staan dat de gekozen installatie daadwerkelijk een brand in een opslagvoorziening kan
beheersen of blussen.
Ad 3. opsomming van maatregelen: in het uitgangspuntendocument behoren de bouwkundige,
installatietechnische en organisatorische maatregelen te worden benoemd die t.b.v. de
brandbeveiligingsinstallatie worden getroffen. De samenhang van deze drie categorieën
maatregelen bepaalt immers de effectiviteit van de brandbeveiliging.
Onder organisatorische maatregelen behoren in ieder geval te worden begrepen:



het beheer en onderhoud van de brandbeveiligingsinstallatie (een en ander conform de
norm die op die installatie van toepassing is);
vakindeling- en vakgrootte;
per opslagruimte de soort stoffen die er (kunnen) worden opgeslagen.
Ad 4. Bij de risicoafweging en het ontwerpen, aanleggen en onderhouden van
brandbeveiligingsinstallaties behoort dezelfde norm te worden aangehouden. Voorbeeld: indien
een automatische blusinstallatie wordt ontworpen en aangelegd conform de normen van NFPA,
moet ook de risicoafweging plaatsvinden conform de NFPA-methodiek, en moet de installatie
worden beheerd en onderhouden conform NFPA. Het zonder onderbouwing combineren van
verschillende normen leidt tot brandbeveiligingsoplossingen waarvan niet is zekergesteld dat
deze in de gegeven omstandigheden passen bij het risico.
Het uitgangspuntendocument en de bepalingen in de vergunning moeten op elkaar aansluiten.
Het gestelde in de vergunning over de uitgangspunten voor de brandbeveiliging in de inrichting
is leidend.
Doelstelling van de vijfjaarlijkse beoordeling door de inspectie-instelling van het
uitgangspuntendocument is de beoordeling van de actualiteit van het uitgangspuntendocument,
met name voor wat betreft de in het uitgangspuntendocument gehanteerde uitgangspunten en
normen. Het beoordelingsrapport bevat een overzicht van de wijzigingen die in de periode van
vijf jaar in uitgangspunten en normen zijn doorgevoerd. De inspectie-instelling geeft een oordeel
over de betekenis van de wijzigingen voor de doelmatigheid van de brandbeveiliging. Het is aan
de vergunninghouder of het bevoegd gezag om op basis van de rapportage beslissingen te
nemen over eventuele aanpassing van de brandbeveiliging van de opslag van verpakte
gevaarlijke stoffen. In dat geval moet een nieuw uitgangspunten document worden opgesteld.
De vijfjaarlijkse beoordeling kan ook worden aangewend om bestaande Programma’s van Eisen
(PvE’s) of andere vormen van uitgangspuntendocumenten te beoordelen en waar nodig aan te
passen aan de in 4.8.2.1 genoemde criteria. Het is niet zo dat alle bestaande en goedwerkende
uitgangspuntendocumenten moeten worden aangepast.
In de praktijk rijzen vaak vragen over de herbeoordeling van bestaande installaties, indien in de
tussentijd normen e.d. zijn veranderd. In paragraaf 1.1 en de daar genoemde ‘vragen en
antwoorden (F.A.Q.’s) wordt hier in algemene zin op ingegaan.
Ter informatie is er een voorbeeld-document beschikbaar voor een uitgangspuntendocument
voor opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen waarop PGS 15 van toepassing is. Dit
voorbeeld-document is te vinden op de website van het CCV: www.hetccv.nl.
Naast het voorbeeld-document is het ook mogelijk om op andere wijze in een
uitgangspuntendocument de essentiële punten te beschrijven voor het goed functioneren van
de brandbeveiligingsinstallatie(s). Net als voor bovengenoemd voorbeeld-document geldt voor
dergelijke alternatieve uitgangspuntendocumenten dat ze moeten voldoen aan het gestelde in
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 53 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
paragraaf 4.8, moeten worden beoordeeld door een inspectie-instelling, moeten worden
goedgekeurd door het bevoegd gezag, en vijfjaarlijks op actualiteit moeten worden beoordeeld.
vs 4.8.4 Indien in een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
waarin conform voorschrift 4.5.1 beschermingsniveau 1 moet zijn gerealiseerd, en waarbij
een brandbeveiligingssysteem 2.5, 2.8, of 2.9 uit bijlage F is toegepast, moet de
vergunninghouder alle van belang zijnde uitgangspunten ten behoeve van een goed
ontwerp en/of een goede werking van het brandbeveiligingssysteem vastleggen en laten
goedkeuren door het bevoegd gezag. De volgende uitgangspunten moeten ten minste zijn
vastgelegd:
1.
2.
3.
4.
5.
informatie over het gebruik van de opslagvoorziening, de soort opgeslagen
stoffen en de wijze van opslag;
de resultaten van een risicoafweging die ten grondslag ligt aan het te kiezen
brandbeveiligingsinstallatie (onder vermelding van de gebruikte normen en
voorschriften);
een opsomming van de bouwkundige, installatietechnische en organisatorische
brandbeveiligingsmaatregelen die tijdens het gebruik van de opslagvoorziening
beschikbaar moeten zijn;
de kwaliteitscriteria, de prestatie-eisen en ontwerpnormen voor de bouwkundige,
installatietechnische en organisatorische brandbeveiligingsmaatregelen;
de wijze waarop en de frequentie waarin de vergunninghouder aantoont dat de
bouwkundige, installatietechnische en organisatorische
brandbeveiligingsmaatregelen voldoen aan de gestelde kwaliteitscriteria.
Elke vijf jaar, of bij significante wijzigingen binnen de inrichting moeten de
uitgangspunten door de vergunninghouder op actualiteit worden beoordeeld en waar
nodig worden geactualiseerd.
Toelichting:
De vorm waarin de vergunninghouder de uitgangspunten zoals bedoeld in
vs 4.8.2.2 vastlegt is vrij. Als deze maar vastgelegd zijn en ter goedkeuring aan het bevoegd
gezag worden aangeboden. De vergunninghouder kan er voor kiezen om de uitgangspunten
vast te leggen in bijvoorbeeld een bedrijfsbrandweerrapportage of in een veiligheidsrapport
conform het Besluit risico’s zware ongevallen 1999.
vs 4.8.5 Een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen waarin
conform voorschrift 4.5.1 beschermingsniveau 1 moet zijn gerealiseerd, en waarbij een
brandbeveiligingsinstallatie 2.2, 2.3, 2.4, 2.6 of 2.7 uit bijlage F is toegepast, mag niet
eerder in gebruik worden genomen dan nadat een goedkeurend inspectierapport door een
voor deze verrichting geaccrediteerde inspectie A-instelling is afgegeven of nadat een
certificaat door een daartoe op basis van EN 45011 door de Raad voor Accreditatie1
geaccrediteerde certificatie-instelling is afgegeven. De inspectie-instelling moet op basis
van NEN-EN-ISO/IEC 17020 zijn geaccrediteerd door de Stichting Raad voor Accreditatie.
Uit het goedkeurend inspectierapport of het certificaat moet blijken dat de
brandbeveiligingsinstallatie is aangelegd en opgeleverd conform de door het bevoegd
gezag goedgekeurde uitgangspunten als bedoeld in voorschrift 4.8.2.1. Het goedkeurend
inspectierapport of het certificaat moet binnen de inrichting aanwezig zijn.
1
Of door een accreditatie-instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een
staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die aan ten
minste een gelijkwaardig niveau voldoet.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 54 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 4.8.6 Iedere twaalf maanden na aanleg van een brandbeveiligingsinstallatie zoals bedoeld in
voorschrift 4.8.2.3 moet door een inspectie-instelling als bedoeld in voorschrift 4.8.2.3
worden beoordeeld of de brandbeveiligingsinstallatie functioneert en is onderhouden
conform de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten. De
inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig. Een opslagvoorziening mag niet in
gebruik zijn indien uit een inspectierapport blijkt dat een brandbeveiligingsinstallatie niet
voldoet aan de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten zoals bedoeld in
voorschrift 4.8.2.1. Het goedkeurend inspectierapport of het certificaat moet binnen de
inrichting aanwezig zijn.
Toelichting:
De inspectietermijn is één keer per jaar tenzij er aanwijzingen zijn die een frequentere inspectie
noodzakelijk maken, of er in het UPD een hogere frequentie is opgenomen als gevolg van
bijvoorbeeld de gehanteerde norm(en). Omdat bij een inspectie naast het inspectiebureau ook
vaak de leveranciers van de installatie ( blusinstallatie, detectiesysteem, watervoorziening e.d.)
en een medewerker van het bedrijf aanwezig moeten zijn brengen frequente inspecties voor het
bedrijfsleven veel extra kosten met zich mee. Voor een frequentere inspectie dan 1 jaar dienen
daarom aantoonbare redenen te zijn. Aantoonbare redenen zijn bijvoorbeeld: “Het tijdens de
jaarlijkse inspectie vaststellen dat er aan de installatie geen of onvoldoende onderhoud wordt
gepleegd en of dat het bedrijf zelf geen of veel te weinig (voorgeschreven) periodieke controles
uitvoert. Als het bevoegd gezag van mening is dat een hogere inspectiefrequentie noodzakelijk
is, dan zal deze noodzaak door het bevoegd gezag moeten worden gemotiveerd en vervolgens
vastgelegd in het UPD of de vergunning.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 55 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
5 Voorschriften voor de opslag van
(tank)containers geladen met
gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen
5.1
Inleiding
Dit hoofdstuk handelt over het zogenoemde 'nederleggen tijdens transport' en niet om de
stationaire opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen in een container. Hoofdstuk 10
behandelt de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die niet zich niet in een
container bevinden. Hoofdstuk 5 beperkt zich tot de activiteiten met (tank)containers in de
volgende typen bedrijven:
a)
b)
c)
d)
containerterminals (bedrijven waar (tank)containers van en op schepen worden geplaatst
en waar uitwisseling plaatsvindt tussen een of meer vervoersmodaliteiten);
RoRo-terminals (bedrijven waar trailers en (tank)containers op chassis van en op schepen
worden geladen en gelost; het gaat bij deze bedrijven veelal om short-sea vervoer);
railservices centra (railservices centra zijn gespecialiseerd in het laden en lossen van
trailers en (tank)containers, eventueel op chassis, van treinen op andere treinen of het
wegvervoer);
inland terminals (inland terminals zijn gespecialiseerd in de overslag van trailers en
(tank)containers, eventueel op chassis, tussen binnenvaart, weg of spoor).
Samenhang met hoofdstuk 3:
vs 5.1.1 De paragrafen 3.6, 3.17 t.m. 3.20 en 3.24 t.m. 3.26 van hoofdstuk 3 zijn eveneens van
toepassing op opslagplaatsen voor (tank)containers geladen met gevaarlijke stoffen of
CMR-stoffen.
5.2
Algemeen Wabo, AI
vs 5.2.1 In de inrichting mogen uitsluitend verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen worden
opgeslagen, die krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen voor het vervoer zijn
toegelaten.
vs 5.2.2 (Tank)containers met gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen moeten tegen aanrijding zijn
beschermd door organisatorische of fysieke maatregelen.
Toelichting:
Het betreft hier bijv. technische maatregelen als aanrijdbescherming op risicovolle plaatsen of
organisatorische maatregelen als routering van voertuigen binnen de inrichting.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 56 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 5.2.3 In de inrichting moet een actueel handboek aanwezig zijn. De te onderscheiden
onderwerpen moeten zijn uitgewerkt in concrete procedures of werkinstructies. Het
handboek moet actueel worden gehouden. De volgende onderwerpen moeten ten minste
in het handboek zijn opgenomen:
• de voorschriften van de omgevingsvergunning(en) op het gebied van de activiteit
milieu;
• een overzicht van opleidingen en trainingen op het gebied van het bedienen van
transportmaterieel, de voorbereiding op noodsituaties, de kennis van gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen;
• taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
• het interne noodplan;
• het uitvoeren van bedrijfsinterne inspecties.
vs 5.2.4 Materieel voor het vervoeren van (tank)containers moet zodanig zijn ontworpen,
onderhouden en worden gebruikt, dat een veilige behandeling van (tank)containers
voldoende is gewaarborgd.
Toelichting:
Voor kranen en alle hijsmiddelen gelden de verplichtingen in het kader van de
arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.
5.3
Blusleidingen en brandkranen Wabo
vs 5.3.1 In de inrichting moeten blusleidingen en brandkranen aanwezig zijn. De afstand tussen de
brandkranen onderling mag ten hoogste 200 m bedragen. Indien zich tussen de
brandkranen opstallen bevinden of goederen aanwezig zijn, moet deze afstand ten
hoogste 80 m bedragen. Een brandkraan moet zijn aangesloten op een waterleiding of
een ander gelijkwaardig watertoevoersysteem. De toevoercapaciteit moet ten minste
3 000 l per min bedragen, zodat bij gelijktijdig gebruik van twee brandkranen een
waterlevering per brandkraan van 1 500 l per min bij een minimale dynamische druk van
100 kPa constant verzekerd is. Een brandkraan moet te allen tijde vrij gehouden worden.
Toelichting:
a)
b)
in het operationele gebied moeten bij voorkeur bovengrondse brandkranen worden
toegepast; nabij kantoren kunnen door het Wm-bevoegd gezag en op advies van de lokale
brandweer ook eventueel ondergrondse hydranten worden toegelaten;
combineren van lichtmasten en brandkranen heeft de voorkeur mits wordt voldaan aan de
vereiste afstanden tussen de brandkranen onderling.
vs 5.3.2 De blusleidingen moeten volledig als een ringleiding worden aangelegd. Blokafsluiters
moeten aanwezig zijn om delen van het bluswaternet bij storingen, onderhoud of
leidingbreuk te kunnen afsluiten zodanig dat het bluswaternet altijd kan worden gebruikt.
Ondergrondse stalen bluswaterleidingen moeten corrosievast zijn uitgevoerd.
vs 5.3.3 Ondergrondse brandkranen moeten voldoen aan NEN -EN 14439. Bovengrondse
brandkranen die na 1 maart 2008 worden geïnstalleerd moeten voldoen aan NEN-EN
14384:2005. Bovengrondse brandkranen welke zijn geïnstalleerd vóór deze datum moeten
voldoen aan DIN 3222 of NEN-EN 14384:2005.
Toelichting:
Bij vervanging (al of niet als gevolg van onderhoud) van een bovengrondse brandkraan na 1
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 57 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
maart 2008, moet een brandkraan worden geïnstalleerd die voldoet aan
NEN-EN 14384:2005.
vs 5.3.4 Brandkranen moeten elke drie jaar door een deskundige worden gecontroleerd op de
vereiste waterdruk en wateropbrengst. De meetmethode moet voordat de meting wordt
uitgevoerd in overleg met de gemeentelijke brandweer worden vastgesteld. Van de
resultaten en bijzonderheden van de meting moet een rapport worden opgemaakt. Dit
rapport moet in de inrichting ter inzage liggen. Bovendien moeten de brandkranen en de
ondergrondse leidingen tweemaal per jaar worden doorgespoeld.
5.4
Bereikbaarheid terrein Wabo
vs 5.4.1 Het terrein van de inrichting moet via twee zover mogelijk uit elkaar gelegen zijden te
allen tijde toegankelijk zijn voor hulpverlenende diensten. De minimale breedte van de
toegangswegen moet 3,5 m zijn. Het terrein moet ontoegankelijk zijn voor onbevoegden.
5.5
Middelen en maatregelen in geval van calamiteiten Wabo, AI
vs 5.5.1 Bij de toegangspoort van de inrichting moet een duidelijk leesbare instructie zijn
aangebracht met betrekking tot de veiligheidshandelingen, de eerste hulp bij ongevallen
en een alarmregeling.
vs 5.5.2 Het personeel dat toegang heeft tot de inrichting moet op de hoogte zijn van de aard en
de gevaarsaspecten van de opgeslagen gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen en de te
nemen maatregelen bij onregelmatigheden. Deze personen moeten tevens voldoende op
de hoogte zijn van het interne noodplan.
vs 5.5.3 In de inrichting moeten voldoende middelen voorhanden zijn om in geval van een incident
met gevaarlijke stoffen onmiddellijk de nodige maatregelen te kunnen nemen. Onder deze
middelen wordt onder meer begrepen:
•
•
•
•
•
•
•
•
onafhankelijke en afhankelijke adembescherming (ten minste twee
ademluchttoestellen met bijbehorende uitrusting en aangepaste filterbussen);
beschermende kleding, veiligheidsbrillen, rubberen of plastic handschoen en laarzen;
overmaatse vaten of bergingsverpakkingen afgestemd op de grootste aanwezige
verpakkingen (niet zijnde tankcontainers), ten minste twee stuks;
vatensleutels en bondels, bezem en schop;
reparatiemiddelen, zoals kunstharspasta, kleefband en plastic zakken;
materiaal om rioolputten af te dekken;
een vatenpomp met slangen, waarmee op eenvoudige wijze de inhoud van een
(beschadigd) vat kan worden overgepompt;
voldoende absorptiemiddelen.
Toelichting:
Soort, hoeveelheid en geschiktheid van de persoonlijke beschermingsmiddelen zal moeten
blijken uit de RI&E.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 58 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 5.5.4 In de inrichting moet ten behoeve van (tank)containers of voertuigen, waarvan wordt
geconstateerd dat daar lekkende verpakking aanwezig is, een daarvoor speciaal ingericht
terreingedeelte aanwezig zijn. Deze calamiteitenplaats moet:
•
•
•
duidelijk zijn gemarkeerd of duidelijk door borden zijn aangegeven;
altijd goed bereikbaar zijn;
conform voorschrift 3.3.1 als bodembeschermende voorziening zijn uitgevoerd en
bestand zijn tegen de aanwezige gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen. Voorzieningen
moeten zijn getroffen om te voorkomen dat gemorste gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen in de bodem, in de openbare riolering of in het oppervlaktewater kunnen
geraken.
Toelichting:
Ook een wasplaats of vergelijkbare voorziening kan dienst doen als een calamiteitenplaats, mits
deze in geval van een calamiteit voldoende snel kan worden vrijgemaakt. Bij het openen van de
container behoort voor wat betreft het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen rekening
te worden gehouden met de eigenschappen van de in de container vervoerde stoffen.
vs 5.5.5 Op de calamiteitenplaats moet voor twee 45 voets-(tank)containers ruimte worden
vrijgehouden, zodat in geval van een lekkage of een beschadiging de desbetreffende
(tank)container voor verdere behandeling op de calamiteitenplaats kan worden geplaatst.
Rondom deze locatie moet een ruimte van 2 m worden vrijgehouden voor de
bereikbaarheid. De locatie van de calamiteitenplaats moet in overleg met het bevoegd
gezag worden vastgesteld.
Toelichting:
Een locatie voor twee (tank)containers is noodzakelijk i.v.m. het eventueel overpompen of
overpakken van lading vanuit een lekkende (tank)container.
vs 5.5.6 Indien een (tank)container die is beladen met gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen of
bodembedreigende stoffen lekt of er een vermoeden hiervoor bestaat, moet deze
(tank)container direct op de calamiteitenplaats worden geplaatst voor verdere
behandeling of reparatie op voorwaarde dat veilig intern vervoer kan worden
gewaarborgd.
vs 5.5.7 In de inrichting moet een verrijdbare opvangbak aanwezig zijn, waarin een beschadigde of
lekkende (tank)container naar de calamiteitenplaats kan worden vervoerd. Deze
opvangbak moet:
•
•
•
•
vloeistofdicht zijn uitgevoerd;
zijn voorzien van een opstaande rand van ten minste 30 cm;
voldoende groot zijn voor een 45 voets-(tank)container;
zijn voorzien van een afsluiter om hemelwater uit de opvangbak te kunnen verwijderen.
Deze afsluiter wordt regelmatig onderhouden en ten minste eenmaal per half jaar getest;
•
de opvangbak moet na ieder gebruik grondig worden gereinigd, zodat geen
productresten meer in de bak aanwezig zijn.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 59 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 5.5.8 In de inrichting moet een calamiteitenploeg aanwezig zijn, tenzij het door het bevoegd
gezag goedgekeurde interne noodplan anders aangeeft. De calamiteitenploeg moet onder
leiding van een deskundig persoon staan die te allen tijde bij onregelmatigheden met
gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen, zoals lekkages, morsingen en fustbreuk, direct
adequate maatregelen kan treffen, die er op gericht zijn de gevolgen van deze
onregelmatigheden te beperken. De calamiteitenploeg moet regelmatig met de
veiligheidsmiddelen oefenen. De grootte van de calamiteitenploeg moet afgestemd zijn op
de grootte van het bedrijf.
5.6
De opslag van (tank)containers met gevaarlijke stoffen of CMRstoffen Wabo, AI
vs 5.6.1 In de inrichting mogen gevaarlijke stoffen uit de ADR/IMDG-code klasse 2 t.m. 9 en CMRstoffen worden opgeslagen.
Toelichting:
Voor de opslag van radioactieve stoffen (klasse 7) is de minister van I&M het bevoegde gezag.
Om tegenstrijdigheden met een vergunning krachtens de Kernenergiewet te voorkomen is de
opslag van klasse 7 in deze vergunning niet nadrukkelijk uitgezonderd. De opslag van
explosieven (klasse 1) valt niet onder de werkingssfeer van PGS 15. Indien opslag van
explosieven zich kan voordoen, moet hier in de vergunning nadrukkelijk aandacht aan worden
besteed.
vs 5.6.2 (Tank)containers met gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen moeten worden opgeslagen op
een voor de opslag van (tank)containers bestemd deel van het open terrein van de
inrichting.
vs 5.6.3 De vloer van het terreingedeelte waar (tank)containers met gevaarlijke stoffen of CMRstoffen worden opgeslagen, moet zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Een vloer
moet voldoende stabiliteit bieden en geëgaliseerd zijn.
vs 5.6.4 Open-top containers waarin zich niet-waterdicht verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen bevinden moeten tegen inregenen zijn beschermd.
vs 5.6.5 (Tank)containers met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen moeten zodanig zijn
opgesteld, dat ze altijd voor inspectie bereikbaar zijn en kunnen worden afgevoerd naar
de calamiteitenplaats.
Toelichting:
De ruimte aan de deurzijde van een container behoort zodanig te zijn bemeten dat uitwendige
inspectie van een container te allen tijde mogelijk is. Voor een eventuele inspectie is een ruimte
van + 0,5 m zeker noodzakelijk.
vs 5.6.6 Op een open-topcontainer mag geen andere (tank)container worden gestapeld, tenzij de
containers door twistlocks worden gekoppeld. Dit voorschrift is niet van toepassing
indien verplaatsing van een container ten gevolge van stoten niet mogelijk is, bijv. indien
stapeling plaatsvindt onder een brugkraan of in een automatische stack.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 60 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 5.6.7 (Tank)containers met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen moeten in de buitenste rijen
van de stapeling zijn geplaatst.
Toelichting:
De doelstelling van dit voorschrift is het realiseren van bereikbaarheid van (tank)containers met
verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen t.b.v. het ingrijpen bij een calamiteit. Met dit
voorschrift wordt geen scheiding tussen (tank)containers met gevaarlijke en ongevaarlijke
lading beoogd.
vs 5.6.8 Voor (tank)containers gevuld met stoffen van de ADR-klassen 3, 5.1 en 5.2 geldt het
volgende. Voornoemde (tank)containers gevuld met stoffen van dezelfde ADR-klasse
mogen boven elkaar worden gestapeld en direct naast elkaar worden geplaatst.
Voornoemde (tank)containers gevuld met stoffen van verschillende ADR-klassen mogen
niet boven elkaar worden gestapeld of direct naast elkaar worden geplaatst.
Toelichting:
De plaatsing van (tank)containers, beladen met een gevaarlijke stof van de ADR-klasse 3 of 5.1
of 5.2 behoort dusdanig te zijn, dat deze (tank)containers onderling niet boven elkaar en ook
niet direct naast elkaar staan. Niet direct naast elkaar betekent minimaal (horizontaal gemeten)
een containerbreedte (2,5 m) van elkaar gescheiden. Het stapelen en/of direct naast elkaar
plaatsen van (tank)containers, gevuld met verpakte gevaarlijke stoffen van dezelfde klasse, is
toegelaten.
vs 5.6.9 Voordat (tank)containers met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen in de stapeling
worden geplaatst, moeten zij aan de buitenkant visueel worden geïnspecteerd om
mogelijke onregelmatigheden zoals lekkages vast te stellen.
Toelichting:
Dit voorschrift is niet van toepassing als aan de landzijde bij binnenkomst en aan de zeezijde bij
lossing al is geïnspecteerd.
vs 5.6.10 Lege ongereinigde tankcontainers waarin gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen vervoerd
zijn, moeten worden behandeld als gevulde tankcontainers.
vs 5.6.11 (Tank)containers moeten zodanig worden geplaatst dat minimaal één gevaarsetiket
zichtbaar blijft.
vs 5.6.12 Een tankcontainer die is voorzien van een etiket modelnummer 2.3 van het ADR en een
tankcontainer van klasse 8 die ook moet zijn voorzien van een etiket modelnummer 6.1,
moet op het maaiveld worden geplaatst.
Toelichting:
Het betreft onder meer ammoniak, chloor en zwaveldioxide (klasse 2) en fluorwaterstof en
broom (klasse 8). In het ADR, tabel 3.2 kolom 5, is bepaald welke (tank)containers met stoffen
uit IMDG-klasse 8 aanvullend moet worden geëtiketteerd met een etiket model 6.1.
vs 5.6.13 Tankcontainers geladen met gevaarlijke stoffen, zoals genoemd in voorschrift 5.6.12,
moeten ten minste 5 m verwijderd blijven van (tank)containers met brandbare vloeistoffen
met een vlampunt lager dan 60 °C, alsmede van (tank)containers met brandbare gassen.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 61 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 5.6.14 De afstand van een tankcontainer met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen tot een
container met stoffen van klasse 7 moet ten minste 50 m bedragen. De afstand van een
boxcontainer met verpakte gevaarlijke stoffen tot een container met stoffen van klasse 7
moet ten minste 25 m bedragen.
Toelichting:
Afstanden tot vuurwerk zijn vastgelegd in De handreiking voor nederleggen tijdens vervoer voor
vuurwerk.
5.7
Maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van het
Wabo
oppervlaktewater en ter bescherming van het riool
vs 5.7.1 Er moeten maatregelen worden genomen om, in geval van lekkage, te voorkomen dat
gelekte vloeistof in het oppervlaktewater of het riool geraakt.
Toelichting:
In geval van nieuw te bouwen inrichtingen kan dit door afsluiters aan te brengen daar waar het
hemelwater op het oppervlaktewater wordt geloosd. Bij bestaande bedrijven behoren
organisatorische maatregelen te worden getroffen (instructies) om in geval van lekkage
rioolputten af te dichten. De in de organisatorische maatregelen voorgeschreven technische
voorzieningen behoren direct beschikbaar te zijn.
5.8
Opstelplaatsen voor voertuigen met verpakte gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen Wabo, AI
De voorschriften voor het parkeren van voertuigen gelden uitsluitend bij het parkeren en
opstellen van voertuigen met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen zonder toezicht. De
voorschriften zijn niet van toepassing voor het opstellen van voertuigen in verband met
aanmelden of andere formaliteiten (aanmelden, douane enz.). Onder voertuigen worden ook
verstaan trailers of opleggers zonder trekker.
vs 5.8.1 Rond elk, op het open terrein van de inrichting geparkeerd voertuig, dat met gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen is beladen, moet, horizontaal gemeten een ruimte van 2 m vrij
zijn. Dit geldt niet voor voertuigen met een lading uit dezelfde gevarenklasse.
Toelichting:
Aan dit voorschrift kan bijv. worden voldaan door voertuigen beladen met verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen afwisselend op te stellen met voertuigen met een ongevaarlijke
lading.
vs 5.8.2 De voertuigen met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen moeten zodanig zijn geparkeerd,
dat deze te allen tijde uit de opstelplaats kunnen worden weggereden.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 62 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
6 Opslag van gasflessen
6.1
Inleiding
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de opslag van gasflessen. Paragraaf 6.2 bevat algemene
voorschriften voor de opslag van gasflessen. Paragraaf 6.3 bevat specifieke voorschriften voor
de opslag van gasflessen in een brandveiligheidsopslagkast.
Hoewel uniformiteit met de voorschriften voor verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
(hoofdstuk 3) zoveel mogelijk is nagestreefd wijken de voorschriften voor gasflessen enigszins
af vanwege het specifieke karakter. Onder meer geldt dat voor de buitenopslag tegen een
gevel. Voor dergelijke situaties zijn in dit hoofdstuk brandveiligheidseisen opgenomen. De
voorschriften zijn gebaseerd op de systematiek van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de
weg (ADR). De classificatie en definities zijn ook conform VLG/ADR. De voorschriften zijn van
toepassing op het opslaan van gasflessen bij uiteenlopende categorieën bedrijven. Hieronder
vallen bijv. gebruikers, handelaren, distributeurs en producenten.
De opslag van gasflessen moet bij voorkeur in de buitenlucht plaatsvinden. Daarmee worden
drukgolven, die bij inpandige opslag in een gebouw kunnen ontstaan in geval van een
calamiteit, vermeden. Tevens is een opslag van gasflessen in de buitenlucht beter bereikbaar
voor hulpdiensten.
6.1.1
Toepassingsgebied
De voorschriften zijn van toepassing voor de opslag van hoeveelheden groter dan 125 l en
hebben betrekking op een aantal hervulbare verpakkingen van ADR-klasse 2. Dat betreft
gasflessen, gasflessenbatterijen en gesloten cryohouders, die tot het vervoer (VLG/ADR) zijn
toegelaten. Deze worden in de voorschriften alle aangeduid met het verzamelbegrip ‘gasfles’.
Spuitbussen vallen hier niet onder en derhalve ook niet onder het bereik van dit hoofdstuk (zie
hoofdstuk 7).
In veel situaties is het vanuit risico-oogpunt toelaatbaar dat gasflessen via vaste leidingen zijn
aangesloten in ruimten waar ook opslag plaatsvindt. Eventueel aanvullende voorschriften die
gelden voor de gebruikssituatie waarvan dan formeel sprake is, zijn niet opgenomen in dit
hoofdstuk.
Dit hoofdstuk is ook van toepassing op lege gasflessen.
De voorschriften hebben betrekking op de meest frequent voorkomende situaties. Daarbij gaat
het om de gassen met als algemene gevaarseigenschappen:
a)
b)
c)
verstikkend;
oxiderend;
brandbaar.
Verder betreft het de volgende specifieke gassen:
d)
e)
samengeperste lucht;
ammoniak (giftig/bijtend);
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 63 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
f)
g)
koelgassen;
ethyleenoxide (giftig/brandbaar).
In bijlage H is een meer gedetailleerd overzicht opgenomen. Bijlage H is geen complete
opsomming van alle gassen, maar een overzicht van de meest voorkomende gassen. Voor
overige gassen zullen zo nodig aanvullende vergunningvoorschriften moeten worden opgesteld.
vs 6.1.1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de opslag van drukhouders met CO2
('koolzuurcilinders') bij horecagelegenheden, of de opslag van koolzuurcilinders met een
doelmatige drukontlastvoorziening bij distributiebedrijven zoals drankengroothandels. Dit
hoofdstuk geldt ook niet voor gasflessen die t.b.v. een blusgasinstallatie zijn opgesteld.
Toelichting:
Horecagelegenheden moeten bijvoorbeeld voldoen aan Beleidsregel 4.4.-6 van de
Arbeidsinspectie “Voorkomen van verstikking of bedwelming bij toepassing van kooldioxide”, in
plaats van de voorschriften uit dit hoofdstuk.
6.1.2
Kenmerking en etikettering
Gasflessen zijn op de schouder voorzien van een verflaag. De kleur is een verwijzing naar de
gassoort of de gevaareigenschap van het gas welke is vastgelegd in NEN-EN 1089-3. Dit geldt
niet voor gasflessen bestemd voor propaan, butaan of koelgassen.
vs 6.1.2 Gasflessen moeten duidelijk leesbaar en duurzaam (door inslagen of etiketten) de
volgende opschriften dragen:
a)
b)
c)
het UN-nummer en de juiste vervoersnaam van het gas(mengsel);
het gevaarsetiket zoals voorgeschreven in het VLG/ADR, IMDG en/of CLP. Bij
gasflessen mag dit etiket aangebracht zijn op het niet-cilindrische deel (schouder)
van de fles. Etiketten mogen elkaar gedeeltelijk overlappen;
datum (jaar) van het volgende periodieke onderzoek.
Voor samengeperste gassen moet bovendien zijn aangegeven:
d)
e)
f)
de beproevingsdruk in bar;
de lege massa in kg;
de bedrijfsdruk in bar.
Voor vloeibaar gemaakte gassen:
g)
h)
i)
j)
de beproevingsdruk in bar;
de waterinhoud in l;
de lege massa in kg;
de maximale vulmassa en de eigen massa van de houder met uitrustingsdelen of de
bruto massa, alles in kg.
Toelichting:
Gevaaretiketten (ook wel genoemd veiligheidsetiketten) hebben de vorm van een op zijn punt
staand vierkant. Deze geven door hun kleur en opschrift de gevaarseigenschappen van de
inhoud aan (ADR 5.2.2). De volgende enkelvoudige etiketten komen voor:
a)
b)
c)
2.2. Niet-brandbare, niet-giftige gassen (verstikkende gassen), groen met symbool gasfles,
'2' in benedenhoek.
2.1. Brandbare gassen, rood met symbool vlam, '2' in benedenhoek.
2.3 Giftige gassen, wit met symbool doodshoofd met gekruiste beenderen, '2' in
benedenhoek.
Ook komen combinaties voor. Onderstaande combinaties zijn voorbeelden:
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 64 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
d)
e)
f)
6.1.3
2.2 + 5.1. Oxiderende gassen, etiket 2.2, groen zoals eerder vermeld, etiket 5.1, geel met
symbool vlam boven een cirkel, '5.1' in benedenhoek.
2.3 + 8. Giftige en bijtende gassen, etiket 2.3, wit zoals eerder vermeld, etiket 8, zwart/wit
met symbool twee reageerbuisjes waaruit druppels vallen die een hand en metaal
aantasten, '8' in benedenhoek.
2.3 + 2.1. Giftige en brandbare gassen, etiket 2.3, wit zoals eerder vermeld, etiket 2.1, rood
zoals eerder vermeld.
Keurmerken
vs 6.1.3 Elke gasfles moet voorzien zijn van een ingeslagen keurmerk en de datum waarop het
eerste onderzoek en eventuele herkeuringen (periodiek onderzoek) hebben
plaatsgevonden. Het keurmerk van het eerste onderzoek wordt gevormd door het
onderscheidingsteken of waarmerk van de onderzoeksinstantie die door de bevoegde
autoriteit in het land van toekenning is geregistreerd en door de bevoegde autoriteit in
Nederland is toegelaten. Het keurmerk van het periodiek onderzoek is het geregistreerde
kenmerk van de onderzoeksinstantie die door de bevoegde autoriteit in Nederland is
toegelaten.
Toelichting:
In de praktijk kunnen de volgende situaties zich voordoen:
a)
b)
Oudere flessen: deze zijn reeds ten minste één keer aan periodiek onderzoek onderworpen
geweest. Van belang is de datum(jaar) van het volgende periodieke onderzoek. Deze is
d.m.v. een etiket of inslag aangegeven. De datum(jaar) van het meest recente periodieke
onderzoek is ingeslagen bij het (her)keurmerk. Het (her)keurmerk is het pi-merk of het
leeuw-merk van het Stoomwezen.
Nieuwe flessen: deze zijn nog niet aan periodiek onderzoek onderworpen geweest. Ook
hier is de datum(jaar) van het volgende periodieke onderzoek, aangegeven met een etiket
of inslag, van belang. Het keurmerk is ingeslagen bij de datum(jaar) van het eerste
onderzoek. Dit is het keurmerk van de onderzoeksinstantie die door de bevoegde autoriteit
in Nederland is toegelaten. Veelal zijn dit bekende keurmerken van buitenlandse
keuringsorganisaties in combinatie met het epsilonteken. Ook kan het keurmerk bestaan uit
het pi-merk.
Samenhang met hoofdstuk 3:
vs 6.1.4 De voorschriften van hoofdstuk 3 zijn eveneens van toepassing op opslagvoorzieningen
voor gasflessen, met uitzondering van de paragrafen 3.3, 3.8, 3.9, 3.10, 3.12, 3.13, 3.14 en
3.24.
6.2
Voorschriften voor de opslag van gasflessen Wabo, AI
vs 6.2.1 Gasflessen, waarvan de gezamenlijke waterinhoud meer bedraagt dan 125 l, moeten, met
uitzondering van werkvoorraden, of op een laskar geplaatste gasflessen of gasflessen die
zijn aangesloten aan een verzamelleiding, worden opgeslagen in een daarvoor bestemde
opslagvoorziening. In een opslagvoorziening mogen geen andere goederen aanwezig zijn
die voor het beheer van de gasflessen niet functioneel zijn.
vs 6.2.2 De voorschriften van hoofdstuk 6 zijn ook van toepassing op lege gasflessen.
Toelichting:
Een cilinder zonder afsluiter is ‘ijzer’, ofwel geen gasfles meer. Zolang er een afsluiter aanwezig
is, is er sprake van een risico en dus van een gasfles.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 65 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 6.2.3 Gasflessen moeten zijn voorzien van de vereiste gevaarsetiketten conform ADR, IMDG
en/of CLP.
vs 6.2.4 Indien opslag van gasflessen plaatsvindt tegen de gevel van een tot de inrichting
behorend bouwwerk moet deze wand een brandwerendheid van ten minste 60 minuten
bezitten. Indien de wand meer dan vier meter hoog is, geldt deze eis alleen voor de eerste
vier meter; indien de wand aan weerszijden van de opslag verder dan 2 meter doorloopt,
geldt de eis alleen voor de eerste twee meter links en rechts van de opslag.
vs 6.2.5 In afwijking van voorschrift 3.2.8 gelden de in tabel 6.1 genoemde afstanden van de
(half)open opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens of tot bouwwerken die tot de
inrichting behoren dan wel andere brandbare objecten, afhankelijk van totale hoeveelheid
opgeslagen gasflessen en de brandwerendheid van een eventueel aanwezige wand
tussen de opslag en de inrichtingsgrens, bouwwerk of brandbaar object.
vs 6.2.6 Van de eisen in de voorschriften 6.2.4 en 6.2.5 kan worden afgeweken indien de maximale
stralingsbelasting aantoonbaar niet hoger kan zijn dan 10 kW/m2.
Toelichting:
(bij 6.2.3 t.m. 6.2.6) Onder een (half)open opslag wordt verstaan een opslag tegen een muur of
een opslag (al dan niet met een dak) met (geheel of gedeeltelijk) rondom vrije ruimte. Doel van
deze voorschriften is het beschermen van de gasflessen tegen warmte-aanstraling van
buitenaf: het risico vanuit de gasflessen is niet zodanig dat dit een veiligheidsafstand vereist.
In de meeste situaties kan worden voldaan aan de eisen, zoals genoemd in 6.2.4 of 6.2.5. Een
gelijkwaardige oplossing is bij opslag tegen een gevel het aanbrengen van zijmuren en/of een
dak met een brandwerendheid van 60 minuten (een ‘bushokje’), deze moeten dan zodanige
afmetingen hebben dat de kortste afstand van de openingen in de wand, om die zijmuur of dak
heen, tot aan de gasflessen alsnog minimaal vier resp. twee meter bedraagt.
Bij een te korte afstand van de opslag tot de inrichtingsgrens is een gelijkwaardige oplossing
het plaatsen van een muur, bijvoorbeeld op de inrichtingsgrens, om zo alsnog een WBDBO van
60 minuten te bereiken.
Een andere - meer algemene - gelijkwaardige oplossing houdt in dat van (bouwkundige of
afstands-)eisen geheel of gedeeltelijk kan worden afgeweken als aannemelijk gemaakt kan
2
worden dat de stralingsbelasting nimmer hoger zal worden dan 10 kW/m . Dit doet zich bij de
inrichtingsgrens bv. voor indien zich aan de andere zijde een openbaar water of een terrein met
agrarische bestemming (zoals weilanden, akkers en dergelijke, niet zijnde bebouwing) bevindt.
Bij interne afstanden doet zich dat bv. voor als er weliswaar brandbare objecten zijn, maar deze
een geringe warmte-inhoud hebben. Voor meer achtergrond wordt verwezen naar PGS 19, par.
4.2.2 aanhef en onder a en b.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 66 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Tabel 6.1 — Afstanden van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens/bouwwerken van de
inrichting of brandbare objecten
Totale waterinhoud van de opgeslagen
gasflessen minder dan 2 500 l
Brandwerendheid
Afstand in m tot
de
inrichtingsgrens
Afstand in m tot
bouwwerk of
brandbaar object
binnen de
inrichting
Totale waterinhoud van de opgeslagen
gasflessen meer dan 2 500 l
60 min
30 min
0 min
60 min
30 min
0 min
0
1
3
0
3
5
0
3
5
0
5
10
vs 6.2.7 Gasflessen moeten door vastzetten of anderszins tegen omvallen zijn beschermd.
Toelichting:
Gasflessen waarvan de constructie zodanig is dat zij stabiel staan, behoeven niet te worden
vastgezet; dit geldt over het algemeen voor propaan/butaan cilinders en andere (gelaste)
cilinders met een grote doorsnede. Als de opslag van gasflessen tegen een achterwand/muur
plaatsvindt, moet de gasfles met behulp van een ketting of beugel zijn vastgezet aan die
achterwand/muur. Als gasflessen in een vak of compartiment zijn opgeslagen dan zijn de
gasflessen afdoende tegen omvallen beschermd wanneer aan de volgende voorwaarden wordt
voldaan:
a)
b)
c)
d)
het vak behoort aan drie zijden gesloten te zijn door een muur of een staalconstructie met
een hoogte welke toereikend is om omvallen te voorkomen;
de gasflessen behoren zo dicht mogelijk bij elkaar en bij de wanden te worden neergezet
om volledig omvallen te voorkomen;
de voorzijde van het vak behoort te zijn voorzien van een constructie (ketting, beugel of
spanband) waarmee het omvallen van gasflessen wordt voorkomen; deze voorziening
behoeft niet in gebruik te zijn indien er gedurende werktijd aan- en afvoer van gasflessen in
het vak plaatsvindt;
indien in het vak gasflessen van verschillende grootte worden opgeslagen, behoort het
beschermingsniveau tegen omvallen voor alle gasflessen gelijk te zijn. De gebruikelijke
transportpallets voor gasflessen voldoen aan bovenstaande eisen.
vs 6.2.8 De totale waterinhoud van een (gas)flessenbatterij mag niet meer bedragen dan 3 000 l,
met uitzondering van batterijen bestemd voor het vervoer van giftige gassen van ADRklasse 2 die moeten worden beperkt tot een totale inhoud van 1 000 l waterinhoud.
vs 6.2.9 De vloer van de opslagvoorziening mag niet lager zijn gelegen dan de omliggende vloer,
van aangrenzende ruimten of van het omringende maaiveld. Deze vloer moet vlak zijn, en
zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Bij een open opslagvoorziening moet deze
afwaterend zijn uitgevoerd. De vloer moet zodanig zijn uitgevoerd dat zich onder de vloer
geen gas kan verzamelen.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 67 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 6.2.10 De vergunninghouder moet er op toezien dat de herkeuringstermijn van de in gebruik
zijnde gasflessen en de binnen de inrichting aanwezige gasflessen niet is verstreken. Bij
het inwisselen/omruilen/vullen moet met de naderende keuringstermijn rekening worden
gehouden.
Indien aantoonbaar ten gevolg van een langere gebruiksperiode, dan wel lage
gebruiksfrequentie een gasfles na de herkeuringstermijn nog in gebruik is, wordt dit voor
zover de gasflessen ten minste zichtbaar in goede staat van onderhoud verkeren
overeenkomstig NEN-EN 1968 toegestaan tot ten hoogste tweemaal de keuringstermijn.
Het vullen van gasflessen na het verstrijken van de herkeuringstermijn is niet toegestaan.
Toelichting:
Het in opslag of gebruik hebben van gasflessen waarvan de herkeuringstermijn is verstreken
dient zoveel mogelijk worden voorkomen door de vergunninghouder. Gasflessen dienen na
lediging zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk te worden teruggestuurd naar de leverancier.
Overschrijding van de herkeuringstermijn is overeenkomstig de eisen gesteld in NEN-EN 1968
artikel 3: “Intervals between periodic inspection and testing” toegestaan vooropgesteld dat de
gasfles onder normale bedrijfsomstandigheden wordt opgeslagen en/of gebruikt en de gasfles
in goede staat verkeerd.
vs 6.2.11 In een opslagvoorziening mogen geen afsluiters worden geopend. Aan de buitenzijde van
de opslagplaats moet op daartoe geschikte plaatsen met betrekking tot dit verbod met
duidelijk leesbare letters, hoog ten minste 5 cm, het opschrift zijn aangebracht: 'OPENEN
VAN AFSLUITERS VAN GASFLESSEN VERBODEN' overeenkomstig NEN 3011. Het is
echter toegelaten dat in combinatie met opslag, gasflessen via een verbinding met vaste
leidingen zijn gekoppeld aan een installatie waar deze gassen worden toegepast. Het
hiervoor genoemde verbod tot openen van afsluiters geldt niet voor deze gasflessen.
vs 6.2.12 Het stapelen van gasflessen is alleen toegelaten indien de constructie van de gasflessen
hierin voorziet. Bij het stapelen in staande toestand mogen niet meer dan drie lagen
gasflessen op elkaar zijn geplaatst, behoudens wanneer gebruik wordt gemaakt van
pallets die een hogere stapeling toelaten. Het is verboden gasflessen die zijn gevuld met
een giftig of brandbaar gas dat tot vloeistof is verdicht of in vloeistof is opgelost, in
liggende toestand op te slaan of te stapelen.
Toelichting:
In afwijking van dit voorschrift mogen lege gasflessen wel in liggende toestand worden
gestapeld.
vs 6.2.13 Gasflessen met gassen met gelijksoortige gevaarseigenschappen moeten bij elkaar
worden opgeslagen. Lege gasflessen mogen apart worden opgeslagen.
Toelichting:
Het is gebruikelijk om gasflessen met gassen met overeenkomstige gevaarseigenschappen bij
elkaar op te slaan. De gasflessen met eenzelfde verfkleur op de schouder worden bij elkaar
opgeslagen. Hiermee wordt de kans op verwisseling van gassoorten verkleind en kan bij
calamiteiten effectief worden opgetreden.
vs 6.2.14 Zichtbaar beschadigde of lekkende gasflessen moeten apart worden gezet op een locatie
waar het uitstromende gas zo weinig mogelijk gevaar oplevert.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 68 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 6.2.15 Natuurlijke ventilatie moet steeds zijn gewaarborgd. Een eventueel dak moet van
onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd en zodanig zijn uitgevoerd dat eventueel
vrijgekomen gassen zich daaronder niet kunnen ophopen.
vs 6.2.16 Indien opslag plaatsvindt van gasflessen met brandbare gassen die zwaarder zijn dan
lucht zoals propaan en butaan, moet een afstand worden aangehouden van ten minste
5 m tot kelderopeningen, putten en straatkolken die in open verbinding staan met de
riolering en van ten minste 5 m tot aanzuigopeningen van ventilatiesystemen die zijn
gelegen op minder dan 1,5 m boven het maaiveld.
vs 6.2.17 In situaties waarin gevaar bestaat op beschadiging van gasflessen ten gevolge van
frequente voertuigbewegingen moet dat deel van de opslagvoorziening waar frequente
voertuigbewegingen plaatsvinden, zijn voorzien van een aanrijdbeveiliging.
vs 6.2.18 Van een inpandige opslagvoorziening moet ten minste één wand een buitenmuur zijn
waarin zich ten minste één deur bevindt.
Toelichting:
Het doel van dit voorschrift is de brandweer de mogelijkheid te bieden de gasfles(sen) van
buitenaf te koelen.
6.3
Opslag van gasflessen in een brandveiligheidsopslagkast Wabo, AI
vs 6.3.1 De voorschriften 6.1.4, 6.2.1, 6.2.2, 6.2.3 en 6.2.7 tot en met 6.2.16 zijn van
overeenkomstige toepassing op de opslag van gasflessen in een
brandveiligheidsopslagkast.
vs 6.3.2 Een brandveiligheidsopslagkast voor de opslag van gasflessen moet voldoen aan
NEN-EN-14470-2 en een brandwerendheid hebben van ten minste 60 min.
Toelichting:
N.B. Conform de genoemde norm is bij de opslag van gasflessen in een
brandveiligheidsopslagkast ventilatie (op de buitenlucht) afgestemd op de gevaarsaspecten van
de opgeslagen gassen altijd noodzakelijk.
vs 6.3.3 Binnen de inrichting moet voor de brandveiligheidsopslagkast voor gasflessen een
productcertificaat aanwezig zijn, waaruit blijkt dat de brandveiligheidsopslagkast voldoet
aan de norm als bedoeld in voorschrift 6.3.2.
Toelichting:
Zowel voor de gebruiker als voor de toezichthoudende instanties moet duidelijk zichtbaar zijn
aan welke brandveiligheidsnorm de kast voldoet alsook aan welke prestatie.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 69 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 6.3.4 Overeenkomstig de Europese norm NEN-EN-14470-2 moet op de voorkant (buitenkant)
van de kast op een goed zichtbare plaats de volgende informatie te zijn aangebracht:
a) de classificatie van de kast, aangegeven in type G60 of G90;
b) deuren sluiten;
c) gevaarsymbool (Vuur, open vlam, roken verboden);
d) gevaarsymbool (gasflessen onder druk);
e) de van toepassing zijnde norm: NEN-EN-14470-2;
f) naam of merk van de producent;
g) modelnummer en jaar van productie.
vs 6.3.5 De opslag in een brandveiligheidsopslagkast voldoet aan de volgende eisen:
•
•
de brandveiligheidsopslagkast bevindt zich op maximaal 5 m van een buitendeur.
Op de deur is het gevaarsymbool voor drukhouders (ADR-klasse 2, inclusief
bijkomend gevaar) aangebracht;
de brandveiligheidsopslagkast bevindt zich niet in een kelder, of op een verdieping.
Toelichting:
De maximale afstand tot een buitendeur heeft als doel de brandweer de mogelijkheid te bieden
de gasfles(sen) van buitenaf te koelen.
vs 6.3.6 Het is mogelijk gemotiveerd af te wijken van voorschrift 6.3.5. De voorwaarde is dat m.b.v.
voorschriften aanvullende eisen worden gesteld aan de brandwerende voorzieningen of
branddetectie en/of de aanwezigheid van opgeleid en getraind deskundig personeel dat
binnen de inrichting aanwezig moet zijn.
Toelichting:
De verwachting is dat dit bij een beperkt aantal bedrijven (met name laboratoria en
ziekenhuizen) van toepassing zal zijn. Bij dergelijke bedrijven gaat het dan voornamelijk om
bedrijven waar men gewend is om te werken met interne werkprocedures voor arbeids- en
milieuveiligheid. Bij de beoordeling van de voorschriften bij het gemotiveerd afwijken spelen ook
de staat van onderhoud van het gebouw, de brandcompartimenten, de losse
brandveiligheidsopslagkasten, maar ook de installaties en organisatie van het bedrijf een rol.
Voor de toetsing en borging van de voorschriften kan bijv. worden aangesloten bij de
ontwikkelingen van de IBB (Integrale Brandveiligheid Bouwwerken).
vs 6.3.7 Een brandveiligheidsopslagkast mag niet in een vluchtroute zijn gelegen en mag het
vluchten niet belemmeren.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 70 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
7 Opslag van spuitbussen en
gaspatronen
7.1
Inleiding
Binnen de vervoerswetgeving worden spuitbussen en gaspatronen beschouwd als drukhouders
die vallen onder klasse 2.
Er wordt voor de vervoerswetgeving onderscheid gemaakt op grond van de aard van het
drijfgas (inert, zeer licht ontvlambaar of licht ontvlambaar) of de te vernevelen stof. Bij
zogenoemde samengestelde verpakkingen met gelimiteerde hoeveelheden (LQ) wordt op de
omverpakking (doos of krimpfolie) van spuitbussen het LQ-label aangebracht, voor spuitbussen
en gaspatronen bestaan er geen vrijgestelde hoeveelheden (E).
Spuitbussen en gaspatronen die betrokken raken bij een brand kunnen gaan rocketeren,
ongeacht of de inhoud bestaat uit een inerte of (licht) ontvlambare stof. De spuitbus of het
gaspatroon gedraagt zich hierbij als een voortgestuwd projectiel. Inslag van een dergelijke
spuitbus of gaspatroon kan leiden tot domino-effecten, wat resulteert in uitbreiding van het
oorspronkelijke incident.
De gevolgen van deze effecten zijn te voorkomen of te beperken door organisatorische en
technische maatregelen te nemen. De voorschriften die in dit hoofdstuk worden beschreven
voor de opslag van spuitbussen en gaspatronen zijn afgeleid van internationaal voorkomende
normen en standaarden (o.a. NFPA 30B).
De in dit hoofdstuk beschreven maatregelen zijn van toepassing op de volgende situaties:
a)
b)
opslag van spuitbussen en gaspatronen in de zin van het ADR in combinatie met andere
gevaarlijke stoffen;
opslag van spuitbussen en gaspatronen met een gezamenlijke inhoud van meer dan 50 kg
(nettogewicht), waarvan de inhoud (zowel het drijfgas als de stof die verneveld moet
worden) conform CLP-verordening EG 1272/2008 aangemerkt moet worden als een zeer
licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare, toxische, corrosieve of oxiderende stof.
Het bovenstaande betekent dat indien spuitbussen of gaspatronen gezamenlijk met andere
gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, er geen onderscheid wordt gemaakt naar inhoud. Het
uitgangspunt is dat elke spuitbus of gaspatroon, onafhankelijk van de inhoud, een risico vormt
voor de overige gevaarlijke stoffen.
Indien er geen gezamenlijke opslag met andere gevaarlijke stoffen plaatsvindt, is als
uitgangspunt gehanteerd dat de inhoud van de spuitbussen en gaspatronen bepalend is voor
het van toepassing zijn van opslageisen. In dat geval moeten de spuitbussen dus vanaf de voor
die categorie geldende ondergrens in een speciaal daarvoor bestemde opslagvoorziening
worden opgeslagen. Dit komt er op neer, dat PGS 15 van toepassing is op de opslag van
spuitbussen en gaspatronen met een inhoud (drijfgas dan wel werkzame stof) die is ingedeeld
als (zeer) (licht) ontvlambaar, toxisch, corrosief of oxiderend. Daarbij geldt een ondergrens van
50 kg.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 71 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bij het samenstellen van de voorschriften is in alle situaties uitgegaan van een
brandcompartiment. Indien er situaties voorkomen dat spuitbussen of gaspatronen worden
opgeslagen in open opslagvoorziening dan kan hier gemotiveerd worden afgeweken.
Samenhang met hoofdstuk 3:
vs 7.1.1 De algemene voorschriften van hoofdstuk 3 zijn eveneens van toepassing op
opslagvoorzieningen voor spuitbussen en gaspatronen, met uitzondering van de
paragrafen 3.3, 3.8, 3.9, 3.10, 3.14 en 3.24.
7.2
Bepaling grenswaarden voor vaststellen beschermingsniveau
Wabo, AI
De voorschriften van hoofdstuk 4 zijn van toepassing voor het vaststellen van het gewenste
beschermingsniveau van opslagvoorzieningen voor spuitbussen en gaspatronen in een
hoeveelheid van meer dan 10 000 kg, dit al dan niet in combinatie met andere gevaarlijke
stoffen.
Voor het bepalen van de grenswaarden waarboven voor het vaststellen van het
beschermingsniveau met een stof rekening moet worden gehouden (paragraaf 4.5, tabel 4.2),
wordt de spuitbus beoordeeld op basis van de indeling van de inhoud conform de CLPVerordening EG 1272/2008, of het ADR.
Spuitbussen en gaspatronen met een brandbare inhoud (al dan niet in combinatie met
bijkomende gevaren) moeten, bij het bepalen van de grenswaarden in paragraaf 4.5 tabel 4.2,
worden geteld als ADR-klasse 3 brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 60 °C of minder
(grenswaarde 400 kg).
Voor spuitbussen en gaspatronen waarvan de inhoud niet is ingedeeld als brandbaar en
uitsluitend een andere gevaarindeling hebben, geldt de grenswaarde behorend bij de
overeenkomende klassering zoals opgenomen in tabel 4.2 van paragraaf 4.5.
7.3
7.3.1
Algemene opslagvoorschriften Wabo, AI
Voorkomen opwarming van spuitbussen of gaspatronen tijdens opslag
vs 7.3.1 Opwarming van spuitbussen of gaspatronen boven de 50 °C door (directe) zonnestraling
of andere verwarmingsbronnen moet worden uitgesloten.
Toelichting:
Spuitbussen of gaspatronen mogen niet worden opgeslagen boven kachels of
verwarmingsbronnen (denk ook aan verlichting) en niet binnen een afstand van 1 m daarvan,
tenzij de oppervlaktetemperatuur van deze kachels, verwarmingselementen of verlichting nooit
hoger kan worden dan 60 °C.
vs 7.3.2 Als in een opslagvoorziening spuitbussen of gaspatronen met een brandbare inhoud
worden bewaard, mag de verwarming van de opslagvoorziening uitsluitend geschieden
door verwarmingstoestellen waarvan de verbrandingsruimte niet in open verbinding staat
of kan worden gebracht met de opslagvoorziening. De oppervlaktetemperatuur van een
verwarmingstoestel mag niet hoger worden dan 200 °C.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 72 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
7.3.2
Opslagvoorziening, gebruik, stapeling
vs 7.3.3 Opslagvoorzieningen voor de opslag van spuitbussen en gaspatronen moeten als
brandcompartiment zijn uitgevoerd.
vs 7.3.4 Voor de opslag van spuitbussen en gaspatronen in opslagvoorzieningen geldt dat de
ruimte tussen de opgeslagen goederen en de onderzijde van de dakplaten ten minste 0,5
m moet bedragen.
Toelichting:
De afstand geldt vanaf de buitenverpakking van de spuitbussen of gaspatronen tot aan het
plafond of de onderzijde van het dak. Hierbij tellen de dakspanten of vergelijkbare
constructieonderdelen niet mee. Deze ruimte behoort te worden aangehouden in verband met
de noodzakelijke luchtcirculatie in de opslagvoorziening en opwarming van het dak door
zonnestraling. Indien een opslagvoorziening met een brandbeveiligingsinstallatie is uitgevoerd,
behoren conform paragraaf 4.8.2 de maatregelen voor het borgen van de brandveiligheid van
de opslag te zijn uitgewerkt in de uitgangspunten voor ontwerp, aanleg, onderhoud, beheer,
opleveringsinspectie en periodieke inspectie van de brandbeveiligingsinstallatie.
vs 7.3.5 Voor de opslag van spuitbussen en gaspatronen geldt een maximale stapelhoogte van
3,60 m, indien er geen gebruik wordt gemaakt van stellingen. Dit geldt voor
opslagvoorzieningen tot 10 000 kg; in grotere opslagvoorzieningen wordt de stapelhoogte
bepaald in de uitgangspunten voor ontwerp, aanleg, onderhoud, beheer,
opleveringsinspectie en periodieke inspectie van de brandbeveiligingsinstallatie (zie ook
paragraaf 7.5).
Toelichting:
In de praktijk is de stapelhoogte op een pallet circa 1,80 m. Dit betekent dat in
opslagvoorzieningen zonder stellingen twee pallets hoog kan worden gestapeld, indien de
hoogte van de opslagvoorziening dit toelaat. De afstand tussen de verpakking en het dak (zie
voorschrift 7.3.4) moet daarbij in acht worden genomen.
Indien door het treffen van maatregelen de brandveiligheid is gewaarborgd en een kleinere
afstand kan worden aangehouden, kan van dit voorschrift gemotiveerd worden afgeweken. Of
dit het geval is kan bijv. worden meegenomen bij de bepaling van de uitgangspunten voor
ontwerp, aanleg, onderhoud, beheer, opleveringsinspectie en periodieke inspectie van de
brandbeveiligingsinstallatie.
Voor een snelle inschatting van de hoeveelheid spuitbussen/gaspatronen in een opslag (meer
of minder dan 10 000 kg) kan gebruik worden gemaakt van een vuistregel dat een hoeveelheid
van 15 - 20 pallets met spuitbussen / gaspatronen en een hoogte van ca. 1,80 m ongeveer
overeenkomt met 10 000 kg.
N.B. De vullingsgraad en de netto-inhoud is voor spuitbussen erg verschillend, Voor een
nauwkeurige berekening van de opgeslagen nettohoeveelheid gewicht moet gebruik worden
gemaakt van de dichtheid van de inhoud als alleen het nettovolume wordt vermeld op de bus.
De dichtheid is vermeld in het veiligheidsinformatieblad of kan worden opgevraagd bij de
leverancier en producent. De netto-inhoud is alles wat wordt verspoten, dus alleen het gas en
de werkstof exclusief blik-spuitkop-beschermkap.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 73 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
7.4
Het opslaan van maximaal 10 000 kg spuitbussen of
gaspatronen, met of zonder de gezamenlijke opslag met andere
gevaarlijke stoffen Wabo, AI
vs 7.4.1 De opslag van spuitbussen of gaspatronen in een opslagvoorziening waarvan de
vloeroppervlakte 100 m2 is of minder, hoeft niet te worden gescheiden van de opslag van
andere gevaarlijke stoffen.
vs 7.4.2 Wanneer de vloeroppervlakte van de opslagvoorziening groter is dan 100 m2 moeten:
•
•
7.5
spuitbussen of gaspatronen gescheiden van andere gevaarlijke stoffen worden
opgeslagen. Gescheiden opslag moet plaatsvinden door een afscheiding van gaas van
voldoende sterkte bestaande uit staaldraad met een vrije opening van maximaal 5 cm
(bijv. harmonicagaas van ten minste 2,9 mm dikte) dan wel door opslag in een separaat
brandcompartiment.
spuitbussen of gaspatronen opgeslagen worden op een oppervlakte van ten hoogste
100 m2. Indien de gescheiden opslag van spuitbussen of gaspatronen plaatsvindt in
een separaat brandcompartiment is een maximale oppervlakte tot 300 m2 toegelaten.
Het opslaan van meer dan 10 000 kg spuitbussen of
gaspatronen, met of zonder de gezamenlijke opslag met andere
(gevaarlijke) stoffen Wabo, AI
vs 7.5.1 De totale vloeroppervlakte van de opslagvoorziening mag maximaal 2 500 m2 bedragen.
Ten hoogste 1 900 m2 mag in gebruik zijn voor de opslag van spuitbussen of
gaspatronen.
vs 7.5.2 Er moet een geschikte brandbeveiligingsinstallatie aanwezig zijn die voldoet aan de eisen
van beschermingsniveau 1 (zie hoofdstuk 4 en bijlage F). Hierbij moet worden voldaan
aan de voorschriften van de paragrafen 4.6, 4.7 en 4.8 (bluswateropvangvoorzieningen,
productopvang en de beoordeling- en goedkeuring van de brandbeveiligingsinstallatie.
Toelichting:
In paragraaf 7.5 is conform de in PGS 15 gehanteerde systematiek gekozen voor een maximale
2
oppervlakte van 2 500 m . Hierbij is ook rekening gehouden met bestaande
opslagvoorzieningen, die multifunctioneel worden toegepast. De beperkte oppervlakte die door
spuitbussen mag worden bezet is ontleend aan de NFPA 30B. NFPA 30B geeft aan dat er in
dat geval nog sprake kan zijn van het doelmatig functioneren van het blussysteem dat op basis
van deze norm is ontworpen. In geval van kleinere opslagvoorzieningen moet per geval worden
nagegaan wat de te gebruiken oppervlakte is - rekening houdende met vuurlast, voorzieningen
die effecten te niet doen en overige stoffen die worden opgeslagen.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 74 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
8 Opslag verpakte gevaarlijke stoffen
klasse 4.1, 4.2 en 4.3
8.1
Inleiding
De gevaarlijke stoffen behorende tot ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3 hebben specifieke fysische
eigenschappen en gevaarsaspecten waardoor het basisvoorzieningenniveau zoals vastgelegd
in hoofdstuk 3 en de systematiek voor het bepalen van het noodzakelijke beschermingsniveau
zoals vastgelegd in hoofdstuk 4, niet toereikend zijn.
In tabel 8.1 zijn enkele voorbeeldstoffen uit klasse 4 weergegeven.
Tabel 8.1 — Overzicht klasse 4 met enkele voorbeeldstoffen
Klasse
Verpakkingsgroep
Voorbeeld
4.1
I
UN 1310 Ammoniumpikraat bevochtigd
UN 1320 Dinitrofenol >15 % water
UN1356 Trinitrotolueen >30 % water
UN 3317 2-Amino- 4,6-dinitrofenol >20 % water
II
UN 1309 Aluminium poeder (gecoat)
UN 1333 Cerium
UN 2989 Loodfosfiet (indien losgestort dan VG III)
III
UN 1350 Zwavel
I
UN 1381 Fosfor wit/geel
UN 2005 Difenylmagnesium
II
UN 1362 (actieve) kool (een beperkt aantal soorten)
UN 1385 Natriumsulfide
III
UN 1363 Copra
UN 3174 Titaandisulfide
I
UN 1295 Trichloorsilaan
UN 1360 Calciumfosfide
UN 2257 Kalium
II
UN 2624 Magnesiumsilicide
III
UN 1408 Ferrosilicium
UN 1403 Calciumcyaanamide
4.2
4.3
Samenhang met hoofdstuk 3
vs 8.1.1 De voorschriften uit hoofdstuk 3 zijn eveneens van toepassing op opslagvoorzieningen
voor klassen 4.1, 4.2 en 4.3. Hoofdstuk 8 is niet van toepassing op opslag van stoffen van
klasse 4.1, 4.2 of 4.3 in een brandveiligheidsopslagkast.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 75 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
8.2
8.2.1
Brandgevaarlijke vaste stoffen (klasse 4.1)
Indeling
ADR klasse 4.1 omvat:
a)
b)
c)
d)
vaste stoffen en voorwerpen die gemakkelijk brandbaar zijn;
zelfontledende vaste stoffen of vloeistoffen;
vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand;
stoffen, verwant met zelfontledende stoffen.
De stoffen en voorwerpen van klasse 4.1 zijn als volgt onderverdeeld:
















8.3
8.3.1
F: brandbare vaste stoffen, zonder bijkomend gevaar;
F1: organisch;
F2: organisch, gesmolten;
F3: anorganisch;
FO: brandbare vaste stoffen, oxiderend;
FT: brandbare vaste stoffen, giftig;
FT1: organisch, giftig;
FT2: anorganisch, giftig;
FC: brandbare vaste stoffen, bijtend;
FC1: organisch, bijtend;
FC2: anorganisch, bijtend;
D: ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zonder bijkomend gevaar;
DT: ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand, giftig;
SR: zelfontledende stoffen;
SR1: waarvoor temperatuurbeheersing niet is vereist;
SR2: waarvoor temperatuurbeheersing is vereist.
Voor zelfontbranding vatbare stoffen (klasse 4.2)
Indeling
Klasse 4.2 omvat:
a)
b)
Pyrofore stoffen; dit zijn stoffen, met inbegrip van mengsels en oplossingen (vloeibaar of
vast), die in contact met lucht, zelfs in kleine hoeveelheden binnen 5 min ontbranden. Dit
zijn de stoffen van klasse 4.2 die het sterkst voor zelfontbranding vatbaar zijn.
Voor zelfverhitting vatbare stoffen en voorwerpen; dit zijn stoffen en voorwerpen met
inbegrip van mengsels en oplossingen, die in contact met lucht zonder toevoer van energie
voor zelfverhitting vatbaar zijn. Deze stoffen kunnen slechts in grote hoeveelheden
(verscheidene kilogrammen) en na lange tijdsduur (uren of dagen) ontbranden.
De stoffen en voorwerpen van klasse 4.2 zijn als volgt onderverdeeld:





S: voor zelfontbranding vatbare stoffen, zonder bijkomend gevaar;
S1: organische stoffen, vloeibaar;
S2: organische stoffen, vast;
S3: anorganische stoffen, vloeibaar;
S4: anorganische stoffen, vast;
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 76 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN












8.4
8.4.1
SW: voor zelfontbranding vatbare stoffen die in contact met water brandbare gassen
ontwikkelen;
SO: voor zelfontbranding vatbare stoffen, oxiderend;
ST: voor zelfontbranding vatbare stoffen, giftig;
ST1: organische stoffen, giftig, vloeibaar;
ST2: organische stoffen, giftig, vast;
ST3: anorganische stoffen, giftig, vloeibaar;
ST4: anorganische stoffen, giftig, vast;
SC: voor zelfontbranding vatbare stoffen, bijtend;
SC1: organische stoffen, bijtend, vloeibaar;
SC2: organische stoffen, bijtend, vast;
SC3: anorganische stoffen, bijtend, vloeibaar;
SC4: anorganische stoffen, bijtend, vast.
Stoffen met gevaar van ontwikkeling van brandbare gassen in
contact met water (klasse 4.3)
Indeling
Klasse 4.3 omvat stoffen die als gevolg van een reactie met water brandbare gassen
ontwikkelen die met lucht ontplofbare mengsels kunnen vormen, alsmede voorwerpen die
stoffen van deze klasse bevatten. De stoffen en voorwerpen van klasse 4.3 zijn als volgt
onderverdeeld:















8.5
8.5.1
W: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zonder bijkomend
gevaar, en voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten;
W1: vloeistoffen;
W2: vaste stoffen;
W3 voorwerpen;
WF1: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vloeibaar,
brandbaar;
WF2: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vast, brandbaar;
WS: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, voor zelfverhitting
vatbaar, vast;
WO: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, oxiderend, vast;
WT: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, giftig;
WT1: vloeistoffen;
WT2: vaste stoffen;
WC: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, bijtend;
WC1: vloeistoffen;
WC2: vaste stoffen;
WFC: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, brandbaar, bijtend.
Voorschriften voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
klasse 4.1, 4.2 en 4.3 Wabo, AI
Algemeen
Gevaarlijke stoffen van klassen 4.1, 4.2 en 4.3 kennen een grote variëteit aan specifieke
gevaarseigenschappen. Het is daarom meestal nodig om gemotiveerd af te wijken van de eisen
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 77 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
in deze PGS waarbij rekening moet worden gehouden met de desbetreffende specifieke
gevaarseigenschappen en de (soms lastige) brandbestrijdingsmogelijkheden.
Bij het opstellen van voorschriften moet onderscheid gemaakt worden tussen twee aspecten:
a)
b)
Het vereiste voorzieningenniveau.
Het (al dan niet) kunnen toelaten van de opslag van andere stoffen in de opslagruimten.
Met betrekking tot het eerste aspect zijn in tabel 8.2 algemene eisen opgenomen voor de meest
voorkomende situaties. In vergunningvoorschriften kan hiervan worden afgeweken.
Met betrekking tot het tweede aspect zijn in de paragrafen 8.5.2 t.m. 8.5.4 (niet-limitatief)
aanvullende voorschriften opgenomen m.b.t. niet-verenigbare combinaties van stoffen. Ook
hiervan kan bij vergunningvoorschrift worden afgeweken indien de gezamenlijke opslag niet
risicoverhogend is en dit de brandbestrijding niet belemmert, met name indien de verschillende
opgeslagen stoffen niet de inzet vereisen van verschillende blussystemen en/of niet onderling
brandbevorderend zijn.
vs 8.5.1 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen van klasse 4.1, 4.2 of 4.3 moet conform tabel 8.2
plaatsvinden. Na instemming van het bevoegd gezag kan hiervan worden afgeweken.
Toelichting:
De brandweer kan worden geraadpleegd voor advies.
Tabel 8.2 — Beschermingsniveaus voor opslag van stoffen van klasse 4.1, 4.2 en 4.31
ADR 4.13
Kg
VG I
< 2 500
2 500 10 000
ADR 4.23
VG II
ADR 4.33
VG III
VG I
VG II
VG III
VG I
VGII
VG III
Maatwerk 3
3
3 (xx)
3 (x)
3 (x)
3 (xx)
3 (xx)
3 (x)
Maatwerk 3+
3
3+ (xx)
3+ (x)
3 (x)
3+ (xx)
3 (xx)
3 (x)
3+
1 (xx)
1 (x)
3+ (x)
1 (xx)
1 (xx)2
3+ (x)
> 10 000 Maatwerk 1
1
( ) voor de betekenis van de beschermingsniveau-indeling wordt verwezen naar hoofdstuk 4
met name de voorschriften in paragraaf 4.6, 4.7 en 4.8.
2
( ) In plaats van beschermingsniveau 1 kan worden gekozen voor beschermingsniveau 3 indien
het om stoffen gaat met de gevaarsaspecten W2, W3, WT2 of WC2 en er in de ruimte geen
andere brandbare materialen staan (een enkele pallet of kartonen doos is toegelaten, maar
geen grote hoeveelheden, het moet te blussen zijn met een draagbaar blustoestel) en de ruimte
aantoonbaar beschermd is tegen het indringen van vocht. Hierbij moet ook worden uitgesloten
dat verpakkingen direct op de vloer staan (optrekkend vocht) en er mogen geen te openen
luiken/constructies in het dak aanwezig zijn.
3
( ) Indien beschermingsniveau 1 is voorgeschreven en er voor de opgeslagen stoffen geen
automatisch blussysteem bestaat (bijv. indien blussen met water, schuim en/of CO2 niet
mogelijk is en er uitsluitend droge blusmiddelen zijn toegestaan) dan moet maatwerk worden
toegepast.
(x) In deze opslagvoorziening mogen geen gevaarlijke stoffen van klasse 3 worden opgeslagen.
(xx) in deze opslagvoorziening mogen geen andere gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
worden opgeslagen, tenzij is aangetoond dat de risico’s niet significant verhoogd worden. Denk
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 78 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
hierbij aan de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid, type handelingen en onverenigbare
combinaties. Dit betekent in ieder geval dat een incident in de opslag, inclusief alle opgeslagen
stoffen, met eenzelfde type blusmiddel bestreden moet kunnen worden en bij een
brandbeveiligingsinstallatie dat type blusmiddel ook gebruikt wordt (hierbij moet ook rekening
gehouden worden met eventuele reacties van opgeslagen stoffen, met name bij klasse 4.3).
Daarnaast moet worden voldaan aan scheiding van onverenigbare combinaties, moet de opslag
goed bereikbaar zijn en er moet bij de inschatting van de verandering van de risico’s rekening
worden gehouden met eventuele extra handelingen door de opslag van meerdere typen stoffen.
(+) beschermingsniveau aangevuld met geschikte detectie en signalering; voor alle klassen en
verpakkingsgroepen geldt, dat het toepassen van de aanvullende voorzieningen (detectie, soort
signalering en eventuele doormelding) op basis van maatwerk (o.a. soort stof, hoeveelheid en
uitvoering opslagvoorziening) beoordeeld moet worden. Daarbij moet het beoogde doel (een
snelle signalering van een mogelijk incident en de wijze van snel ingrijpen om de omvang van
het incident te beperken) worden gewaarborgd.
8.5.2
Aanvullende voorschriften voor stoffen van klasse 4.1 in verpakkingsgroep
II en III
vs 8.5.2 Voor de stoffen van klasse 4.1 verpakkingsgroep II en III met de gevaarsaspecten D of DT
geldt dat deze wel met elkaar maar niet gelijktijdig met andere stoffen of goederen mogen
worden opgeslagen. Stoffen met het gevaarsaspect SR2 mogen niet gelijktijdig met
andere stoffen of goederen worden opgeslagen.
8.5.3
Aanvullende voorschriften voor stoffen van klasse 4.2 in verpakkingsgroep
III
vs 8.5.3 In een opslagvoorziening met meer dan 10 000 kg verpakte gevaarlijke stoffen van klasse
4.2 in verpakkingsgroep III mogen gevaarlijke stoffen van klasse 3 verpakkingsgroep III
worden opgeslagen indien deze is uitgevoerd met beschermingsniveau 1. De stoffen van
klasse 4.2 in verpakkingsgroep III moeten in een dergelijke situatie worden opgeslagen in
aparte vakken van maximaal 300 m² die aan drie zijden zijn omgeven door een muur die
ten minste 30 min brandwerend is uitgevoerd.
8.5.4
Aanvullende voorschriften voor stoffen van klasse 4.3
vs 8.5.4 Een hoeveelheid van meer dan 10 000 kg stoffen van klasse 4.3 in verpakkingsgroep II of
III, uitgezonderd de stoffen met gevaarsaspecten W1, WF1, WF2, WS, WT1 of WC1, moet
worden opgeslagen in een opslagvoorziening die ten minste is uitgevoerd met
beschermingsniveau 3, aangevuld met een brand- of gasdetectiesysteem en doormelding.
vs 8.5.5 In afwijking van voorschrift 8.5.4 mag bij opslag van uitsluitend stoffen met de
gevaarsaspecten W2, W3, WT2 of WC2 worden volstaan met een doelmatige ventilatie van
de opslagvoorziening. De ventilatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat geen hemelwater in
de opslagvoorziening kan geraken.
vs 8.5.6 In afwijking van voorschrift 8.5.4 moet een hoeveelheid van meer dan 10 000 kg stoffen
van klasse 4.3 in verpakkingsgroep III met de gevaarsaspecten W1, WF1, WF2, WS, WT1
of WC1 worden opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd met
beschermingsniveau 1.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 79 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 8.5.7 In afwijking van voorschrift 8.5.6 mogen in een opslagvoorziening met meer dan 10 000 kg
verpakte gevaarlijke stoffen van klasse 4.3 in verpakkingsgroep III, gevaarlijke stoffen van
klasse 3 verpakkingsgroep III worden opgeslagen indien deze is uitgevoerd met
beschermingsniveau 1. De stoffen van klasse 4.3 in verpakkingsgroep III moeten in een
dergelijke situatie worden opgeslagen in aparte vakken van maximaal 300 m² die aan drie
zijden zijn omgeven door een muur die ten minste 30 min brandwerend is uitgevoerd.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 80 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
9 Opslag van een beperkte
hoeveelheid organische peroxiden
9.1
Inleiding
Organische peroxiden (klasse 5.2) moeten worden opgeslagen conform de richtlijn PGS 8. In
de praktijk komt het regelmatig voor dat naast de reguliere gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
ook organische peroxiden worden opgeslagen. In dit hoofdstuk is ingegaan op de
randvoorwaarden waaronder een dergelijke gecombineerde opslag mogelijk is.
vs 9.1.1 Een maximale opslaghoeveelheid van 1 000 kg organische peroxiden per
opslagvoorziening, onder PGS15-condities, is toegelaten.
Deze uitzondering is beperkt tot de organische peroxiden met UN-nummer 3103 tot en
met UN-nummer 3110 (type C t.m. F zonder temperatuurbeheersing) en geldt uitsluitend
voor de genoemde organische peroxiden verpakt als ‘limited quantities’ (LQ) (3.2.1 en 3.4
van het ADR).
Toelichting:
Genoemde organische peroxiden in LQ zijn voor het ADR vanwege hun geringe gevaar
vrijgesteld van de eisen die voor transport van klasse 5.2 van toepassing zijn (3.4.5 van het
ADR).
Organische peroxiden van type G kunnen worden vrijgesteld van de richtlijn PGS 8. Tevens zijn
zij voor het ADR vrijgesteld van klasse 5.2 (2.2.5 en 2.1.6 van het ADR). Indien deze stoffen op
basis van hun gevaarseigenschappen niet in een ander klasse van het ADR worden ingedeeld,
vallen zij conform het ADR niet onder de noemer gevaarlijke stoffen. Omdat peroxiden van type
G worden beschouwd als aanverwante stoffen is opslag in een opslagvoorziening toegestaan.
De voorschriften van paragraaf 9.1 en 9.2 zijn voor peroxiden van type G niet van toepassing.
N.B. Wanneer men meer dan 1 000 kg in één opslagvoorziening wil opslaan, dan geldt PGS 8.
Hieronder wordt gemotiveerd aangegeven waarom afgeweken kan worden van PGS 8. Het
toelaten van organische peroxiden is bedoeld voor opslag van kleinverpakkingen (zoals tubes
met hardener of twee-componenten lijm). Om deze reden worden voorwaarden gesteld. In het
algemeen kunnen de gevaren van organische peroxiden als volgt worden omschreven:
a)
b)
c)
d)
ontledingsreactie bij temperatuurverhoging;
ontledingsreactie kan door contaminatie (verontreiniging) worden veroorzaakt;
hoge brandsnelheid;
moeilijk te ontsteken (eerst moet een ontledingsreactie in gang worden gezet).
Het beperkt toelaten kan worden gemotiveerd door bovengenoemde gevaren te reduceren.
Deze reductie van de gevaren wordt bereikt door:
a)
alleen thermisch stabiele peroxiden (geen Tc) en opslag in aparte vakken of aparte
opslagvoorzieningen toe te staan;
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 81 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
b)
reductie van de verpakkingsgrootte. Reductie van de verpakkingsgrootte heeft twee
effecten:

De brandsnelheid is afhankelijk van het type peroxide en afhankelijk van de gebruikte
verpakking. De in de PGS 8 gehanteerde brandsnelheid is die voor de maximale
toegestane verpakkingsgrootte, vaak 50 kg. De maximale verpakkingsgrootte voor LQ
is 500 g voor vaste stoffen en 125 ml voor vloeistoffen (afhankelijk van het UNnummer).

De ontledingssnelheid zal worden geremd. Een langzame ontledingsreactie zal geen
of slechts een langzame drukopbouw veroorzaken.
Genoemde organische peroxiden in LQ zijn voor het ADR vanwege hun geringe gevaar
vrijgesteld van de eisen die voor transport van klasse 5.2 van toepassing zijn (3.4.5 van het
ADR).
Organische peroxiden van type G kunnen worden vrijgesteld van de richtlijn PGS 8. Tevens zijn
zij voor het ADR vrijgesteld van klasse 5.2 (2.2.5 en 2.1.6 van het ADR). Indien deze stoffen op
basis van hun gevaarseigenschappen niet in een ander klasse van het ADR worden ingedeeld,
vallen zij conform het ADR niet onder de noemer gevaarlijke stoffen. Omdat peroxiden van type
G worden beschouwd als aanverwante stoffen is opslag in een opslagvoorziening toegestaan.
De voorschriften van paragraaf 9.1 en 9.2 zijn voor peroxiden van type G niet van toepassing.
Samenhang met hoofdstuk 3
vs 9.1.2 De voorschriften uit hoofdstuk 3 zijn eveneens van toepassing op de opslag van een
beperkte hoeveelheid organische peroxiden in een opslagvoorziening.
9.2
Voorschriften Wabo, AI
vs 9.2.1 In een opslagvoorziening die is uitgevoerd voor opslag van meer dan 10 000 kg verpakte
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen overeenkomstig hoofdstuk 4 moet:
•
•
•
opslag van organische peroxiden plaatsvinden in een apart vak gescheiden van
andere gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen of in een uitsluitend daarvoor bestemde,
gesloten, brandveiligheidsopslagkast die is voorzien van een nooddrukontlasting van
0.25 m²;
de opslagvoorziening uitgevoerd zijn conform beschermingsniveau 1;
bij het aparte vak of op de kast het peroxide-etiket (voor transport) zijn aangebracht.
vs 9.2.2 Voor een opslagvoorziening die is uitgevoerd voor de opslag van minder dan 10 000 kg
geldt dat:
•
•
•
•
•
deze uitpandig moet zijn;
deze voorzien moet zijn van een fysieke scheiding tussen organische peroxiden en
andere producten;
de maximale toegestane hoeveelheid organische peroxiden in de opslagvoorziening
gelimiteerd moet zijn tot 10 % van de totale opslag in de opslagvoorziening;
bij de peroxide-opslag moet het peroxide-etiket (voor transport) zijn aangebracht;
om drukopbouw bij ontleding te voorkomen, moet de opslag zodanig geventileerd zijn
dat dit overeenkomt met een nooddrukontlasting van 0,25 m².
Toelichting:
De reden voor het aanbrengen van een fysieke scheiding is het voorkomen van eventuele
compatibiliteitsproblemen. Vanwege de geringe hoeveelheid peroxiden, maximaal 10 % van het
totaal, is het effect van een peroxidenontleding of -brand gering. De fysieke scheiding is
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 82 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
bedoeld om de kans op een incident als gevolg van contact van peroxide met andere stoffen te
voorkomen. Met andere woorden elke fysieke scheiding, bijv. een aparte lekbak, die dit contact
voorkomt is voldoende.
vs 9.2.3 Als verwarming in een opslag noodzakelijk is, bijv. ten behoeve van vorstvrije opslag, dan
moet deze voldoen aan paragraaf 4.1.2 van PGS 8.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 83 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
10 Voorzieningen voor de tijdelijke
opslag van verpakte gevaarlijke
stoffen
10.1
Inleiding
Dit hoofdstuk is bedoeld voor de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen die, voorafgaand aan of aansluitend op transport, buiten een reguliere
opslagvoorziening conform hoofdstuk 3 t.m. 9 verblijven. In de branche wordt dit ook wel
aangeduid als “overslag” of “crossdocking” en heeft doorgaans tot doel om ladingen te
hergroeperen voor verder vervolg in de logistieke keten (aansluitend transport, al dan niet
onderbroken door reguliere opslag). Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ontvangst van
gevaarlijke stoffen en/of CMR stoffen voor gebruik binnen de eigen inrichting. Hiervoor geldt dat
deze stoffen direct kunnen en moeten worden overgebracht naar een geschikte
opslagvoorziening conform de overige hoofdstukken van PGS 15. Dit hoofdstuk is niet van
toepassing op de (tijdelijke) opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen in
(tank)containers. Voorschriften voor de opslag van (tank)containers geladen met gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen zijn opgenomen in hoofdstuk 5.
Een voorziening voor de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen is
een laad-of losgedeelte, vak, `paardenbox’ of ruimte welke conform hoofdstuk 10 van de PGS
15 is uitgevoerd en wordt gebruikt.
10.2
Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing voor de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of
CMR-stoffen in hoeveelheden van ten hoogste 30 000 kg. Een afzender of tussenschakel in de
transportketen kan van deze opslagvorm gebruik maken. Voor bedrijven die meer dan 30 000
kg per brandcompartiment tijdelijk willen opslaan en/of permanent van de voorziening voor de
tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen gebruik willen maken in
hoeveelheden van meer dan 10 000 kg, moet maatwerk worden toegepast met als basis de
uitgangspunten en voorschriften van hoofdstuk 4 van deze PGS. Maatwerk moet ook worden
toegepast voor tijdelijke opslag in de buitenlucht.
De tijdelijkheid van de opslag is in 10.5 beperkt door adressering aan derden. In het geval er
sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen voor de inrichting zelf of een
klant, dient de opslag plaats te vinden overeenkomstig de hoofdstukken 3 t.m. 9 van deze PGS.
In 10.6 en 10.7 is de tijdelijkheid geregeld door een link te leggen met de (fysieke)
aanwezigheid van deskundig personeel; na het einde van de werkdag of tijdens de sluiting van
een bedrijf in het weekeinde of feestdagen kan er geen gebruik worden gemaakt van deze
faciliteit en moet alles ‘regulier’ worden opgeslagen overeenkomstig de andere hoofdstukken
van deze PGS.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 84 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 10.2.1 Dit hoofdstuk is in lijn met de overige hoofdstukken van PGS 15 niet van toepassing op
stoffen met de volgende gevaareigenschappen;
•
•
•
•
•
ADR, verpakkingsgroep I;
ADR, klassen 1, 2.3 en 7;
ADR klasse 5.2 (m.u.v. LQ tot 1 000 kg);
ADR klasse 6.2, (m.u.v. UN3291 en UN3373);
gasflessen (tenzij de tijdelijke opslag in de buitenlucht plaats vindt).
Indien er een behoefte bestaat om deze stoffen tijdelijk op te slaan zal in overleg met het
bevoegd gezag aan de hand van de gevaareigenschappen van de betreffende stoffen
moeten worden bekeken welke eventuele extra voorschriften en beperkingen nodig zijn
en moeten deze duidelijk worden vastgelegd (bijv. in de omgevingsvergunning).
Voorwaarde is steeds dat de tijdelijke opslag van de in dit voorschrift genoemde
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen op een veilige wijze plaatsvindt.
Dit hoofdstuk is ook niet van toepassing op verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen in
een geparkeerd transportmiddel, of de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of
CMR-stoffen in een reguliere opslagvoorziening conform deze PGS. In een reguliere
opslagvoorziening is immers reeds een optimaal veiligheidsniveau gerealiseerd.
10.3
Systematiek
In dit hoofdstuk wordt een aantal verschillende voorzieningen voor de tijdelijke opslag
behandeld. Er wordt onderscheid gemaakt tussen voorzieningen met maximaal 10 000 kg
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen per brandcompartiment en voorzieningen met meer dan
10 000 kg en minder dan 30 000 kg gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen per
brandcompartiment. Daarbij wordt in dit hoofdstuk een brandcompartiment als in het
bouwbesluit bedoeld, met een WBDBO van ten minste 60 minuten. De benodigde WBDBO mag
in overeenstemming met voorschrift 3.2.8 van deze richtlijn ook behaald worden door middel
van afstand.
Voor de situaties waar minder dan 10 000 kg gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen per
brandcompartiment aanwezig is, wordt onderscheid gemaakt tussen voorzieningen waar ook
buiten werktijd de tijdelijke opslag voortduurt (zie 10.5), en situaties waar uitsluitend tijdens
werktijd gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen in de voorziening aanwezig zijn (zie 10.6). De
werktijden kunnen per bedrijf en of periode sterk verschillen. In dit kader wordt daarom onder
werktijd verstaan: de tijdspanne waarbinnen deskundig personeel aanwezig is. Op de wijze
zoals in 10.7 is omschreven, kunnen tijdens werktijd grotere hoeveelheden verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen aanwezig zijn in de voorziening voor tijdelijke opslag. Gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen mogen na werktijd niet meer in de voorziening aanwezig zijn.
In paragraaf 10.4 is een aantal algemene voorschriften opgenomen voor de tijdelijke opslag van
verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR stoffen.
10.4
Algemene voorschriften voor de tijdelijke opslag van verpakte
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen Wabo
vs 10.4.1 De locatie van een voorziening als bedoeld in dit hoofdstuk is goed bereikbaar voor
hulpdiensten ten behoeve van de bestrijding van calamiteiten.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 85 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
vs 10.4.2 Binnen een voorziening als bedoeld in paragraaf 10.5 en 10.6 is een hoeveelheid van
maximaal 2 000 kg/l brandbare vloeistoffen, voorzien van ADR-etiket nummer 3, aanwezig.
Toelichting:
Dit voorschrift is eveneens van toepassing op stoffen van de andere klassen met als bijkomend
gevaar klasse 3. Dit voorschrift is niet van toepassing op gelimiteerde en of vrijgestelde
hoeveelheden verpakte gevaarlijke stoffen (respectievelijk LQ en E conform het ADR), deze
hebben geen ADR-etiket nummer 3.
vs 10.4.3 In de voorzieningen van dit hoofdstuk mogen uitsluitend gevaarlijke stoffen, volgens
ADR, IMDG, CMR-stoffen en stoffen, voorwerpen en goederen die ingevolge RID, IATA en
CLP zijn aangewezen als gevaarlijke stof en samengestelde zendingen als bedoeld in
voorschrift 10.4.6 aanwezig zijn.
vs 10.4.4 Binnen een inrichting is niet meer dan 10 000 kg/l aan gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen per brandcompartiment tijdelijk opgeslagen in voorzieningen als bedoeld in de
paragrafen 10.5 en 10.6, of niet meer dan 30 000 kg/l gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
per brandcompartiment in voorzieningen als bedoeld in de paragraaf 10.7.
vs 10.4.5 Indien in een inrichting verschillende tijdelijke opslagvoorzieningen in verschillende
brandcompartimenten aanwezig zijn, moeten maatregelen worden genomen om te
voorkomen dat een incident zich van het ene naar het ander brandcompartiment kan
verplaatsen, bijv. als gevolg van een uitstromende vloeistof.
vs 10.4.6 Samengestelde zendingen, bijvoorbeeld pallets, waar naast verpakte gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen ook niet-gevaarlijke stoffen op staan, moeten eveneens in een
daarvoor bestemde voorziening als bedoeld in dit hoofdstuk worden geplaatst.
vs 10.4.7 Stoffen moeten conform de regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van elkaar
gescheiden aanwezig zijn.
vs 10.4.8 Voorschrift 3.2.9 evenals de paragrafen 3.3, 3.4, 3.6, 3.8, 3.9, 3.11, 3.13 tot en met 3.18 (met
uitzondering van voorschrift 3.16.2) en 3.20 tot en met 3.27 van deze PGS zijn
overeenkomstig van toepassing op de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen.
vs 10.4.9 De voorschriften van dit hoofdstuk 10 zijn niet van toepassing op de tijdelijke opslag van
gevaarlijke stoffen en/of CMR stoffen in de buitenlucht. Hiervoor moet maatwerk worden
toegepast.
Toelichting:
Bij het bepalen van maatwerk ten behoeve van de tijdelijke opslag in de buitenlucht spelen in
elk geval de volgende aspecten een rol:
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 86 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN






10.5
Gevaarseigenschappen en hoeveelheid van de betreffende stoffen;
Aanwezigheid van deskundig personeel;
Bereikbaarheid voor hulpdiensten ten behoeve van de bestrijding van calamiteiten;
Afstand tot gebouwen;
Onderlinge afstand tussen de voorzieningen voor tijdelijke opslag;
Aanwezigheid van hulpmiddelen.
Tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen, ten hoogste 10 000 kg per brandcompartiment
vs 10.5.1 In afwijking van voorschrift 3.1.1 mogen verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
die:
•
•
•
•
tijdelijk worden opgeslagen;
zijn geadresseerd aan derden;
zich in de ongeopende ADR goedgekeurde verpakking bevinden; en
voorafgaand of aansluitend op transport buiten een daarvoor bestemde
opslagvoorziening verblijven;
worden geplaatst in een of meerdere voorzieningen voor de tijdelijke opslag van
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen conform voorschrift 10.5.2.
Toelichting:
De primaire verpakking dient ongeopend te blijven. De omverpakking mag wel worden
geopend.
vs 10.5.2 De voorziening voor de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen als
bedoeld in voorschrift 10.5.1 is zodanig geconstrueerd dat deze ten minste aan drie zijden
wordt omgeven door wanden met een minimale hoogte van 3 meter en waarmee een
brandwerendheid van ten minste 60 min ten opzichte van een naastgelegen ruimte wordt
bereikt.
vs 10.5.3 Goederen binnen een voorziening als bedoeld in voorschrift 10.5.1 moeten worden
opgeslagen op ten minste 50 cm van de open zijde en gestapeld tot een hoogte van ten
hoogste 50 cm onder de bovenrand van de scheidingswand. De wanden aan de
buitenkant van de voorziening moeten binnen een afstand van 1 m worden vrijgehouden
en aan de open zijde moet 2 m worden vrijgehouden.
vs 10.5.4 De afstanden in voorschrift 10.5.3 moeten op een voor een ieder duidelijk zichtbare wijze
worden gemarkeerd op de wanden en de vloer.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 87 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
10.6
Tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen, ten hoogste 10 000 kg per brandcompartiment,
uitsluitend tijdens aanwezigheid van deskundig personeel Wabo
vs 10.6.1 In afwijking van voorschrift 3.1.1 en voorschrift 10.5.1 mogen verpakte gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen die:
• tijdelijk worden opgeslagen;
• zich in de ongeopende ADR goedgekeurde verpakking bevinden;
• voorafgaand of aansluitend op transport buiten een daarvoor bestemde
opslagvoorziening verblijven en
• uitsluitend gedurende werktijd in de voorziening als bedoeld in deze paragraaf
verblijven worden geplaatst binnen een vak dat op een duidelijke wijze is gemarkeerd.
Toelichting:
De primaire verpakking dient ongeopend te blijven. De omverpakking mag wel worden
geopend.
vs 10.6.2 Binnen 2 m rondom het vak als bedoeld in voorschrift 10.6.1 mogen zich geen andere
stoffen, goederen of brandbare delen van bebouwing bevinden.
vs 10.6.3 De afstand van 2 m als bedoeld in voorschrift 10.6.2 wordt op een voor eenieder duidelijk
zichtbare wijze aangeduid op de wanden en de vloer.
vs 10.6.4 Verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen mogen uitsluitend in een voorziening
overeenkomstig voorschrift 10.6.1 aanwezig zijn tijdens de aanwezigheid van deskundig
personeel als bedoeld in voorschrift 3.17.1.
vs 10.6.5 In afwijking van voorschrift 10.4.4 geldt voor de tijdelijke opslag zoals bedoeld in deze
paragraaf een maximum van 10 000 kg/l tijdelijk opgeslagen gevaarlijke stoffen en/of CMR
stoffen per inrichting, indien de tijdelijke opslagvoorziening niet is gesitueerd in een
brandcompartiment met een WBDBO van 60 minuten of hoger.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 88 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
10.7
Tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen, ten hoogste 30 000 kg per brandcompartiment,
uitsluitend tijdens aanwezigheid van deskundig personeel Wm
vs 10.7.1 In afwijking van de voorschriften 3.1.1, 10.5.1 en 10.6.1 mogen verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen die:
• tijdelijk worden opgeslagen;
• zich in de ongeopende ADR goedgekeurde verpakking bevinden; en
• voorafgaand of aansluitend op transport buiten een daarvoor bestemde
opslagvoorziening verblijven in een hoeveelheid van meer dan 10 000 kg/l per
brandcompartiment en ten hoogste 30 000 kg/l per brandcompartiment worden
geplaatst in een of meerdere voorzieningen voor de tijdelijke opslag van verpakte
gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen, indien deze voorziening is voorzien van een
gecertificeerde brandmeldinstallatie overeenkomstig de NEN 2535 met doormelding
naar een 24-uurs bezette post. In de voorziening moet een rook- en warmte
afvoerinstallatie zijn aangebracht.
Toelichting:
De primaire verpakking dient ongeopend te blijven. De omverpakking mag wel worden
geopend.
vs 10.7.2 De verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen moeten zijn geplaatst in vakken van ten
hoogste 100 m2 die op een duidelijke wijze zijn gemarkeerd, en door gangpaden van ten
minste 3,5 m breedte zijn gescheiden, of voorzien zijn van een scheidingsconstructie met
een WBDBO van ten minste 30 min.
vs 10.7.3 Verpakte gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of aanverwante stoffen mogen uitsluitend in
een voorziening overeenkomstig voorschrift 10.7.1 aanwezig zijn tijdens de aanwezigheid
van deskundig personeel als bedoeld in voorschrift 3.17.1.
vs 10.7.4 Naast de in voorschrift 10.4.8 genoemde voorschriften zijn ook de paragrafen 3.2, 3.7 en
3.19 van toepassing.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 89 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bijlage A Begrippenlijst
A.1 Afkortingen
ADR
Accord européen relatief aux transport internationaux de marchandises dangereuses par route.
AFFF
Aqueous Film Forming Foam.
ARIE
Aanvullende Risico-Inventarisatie en Evaluatie conform de Arbeidsomstandighedenwet.
BEVI
Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen.
Brzo 1999
Besluit risico’s zware ongevallen 1999.
CUR/PBV
Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/Projectbureau Plan
Bodembeschermende Voorzieningen.
Eural
Europese afvalstoffenlijst.
EQ
Excepted Quantities, Vrijgestelde hoeveelheden.
ICAO
International Civil Aviation Organisation.
IATA
International Air Transport Association.
IMDG-code
International Maritime Dangerous Goods Code.
LQ
Limited Quantities, Gelimiteerde hoeveelheden.
NRB
Nederlandse Richtlijn Bodembescherming.
PBZO
Preventie Beleid Zware Ongevallen.
PvE
Programma van Eisen, zie ook UPD.
QRA
Quantitative Risc Analysis (kwantitatieve risicoanalyse).
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 90 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
RID
Règlement international concernant le transport des marchandises dangereuses par chemin de
fer (Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen).
R&IE
Risico-Inventarisatie en Evaluatie conform de Arbeidsomstandighedenwet.
UN-code
United Nations Code for Trade and Transport Locations.
UPD
Uitgangspuntendocument.
VLG/ADR
VLG staat voor regelement betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen, waarin het
ADR een bijlage is.
VR
Veiligheidsrapport.
VG
Verpakkingsgroep.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 91 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
A.2 Definities
45 voets-(tank)container
Container van 13,70 meter lang (en 2,44 m breed).
Bouwwerk (Modelbouwverordening)
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats
van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect
steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
Toelichting:
Hoewel de Woningwet geen definitie geeft van het begrip bouwwerk wordt in de jurisprudentie
aangesloten bij de definitie die de Modelbouwverordening geeft.
Brandbare vloeistof (ADR)
Een vloeistof die, in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt.
Brandbare vaste stof
Een vaste stof vallend onder klasse 4.1 van het ADR.
Brandcompartiment (Bouwbesluit)
Brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit (gedeelte van één of meer gebouwen
bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand).
Brandmeldinstallatie
Een samenstelsel van detectoren, bekabeling, een brandmeldcentrale en een
doormeldinstallatie, dat nodig is voor ontdekken van een brand, het melden van brand en het
geven van stuursignalen ten behoeve van andere installaties.
Brandmeldinstallatie met volledige bewaking
Brandmeldinstallatie met automatische melders in alle ruimten met uitzondering van natte
ruimten en dergelijke (zie NEN 2535).
Brandwerendheid
Brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie bepaald conform NEN 6069.
Brandveiligheidsopslagkast
Een zelfstandige niet betreedbare opslagvoorziening voor de opslag van gevaarlijke stoffen
en/of CMR-stoffen.
Bijkomend gevaar
Een stof of voorwerp wordt aan de hand van de grootste gevaarseigenschap ingedeeld in een
gevarenklasse van het ADR. Heeft die stof of voorwerp nog bijkomende gevaren die van belang
kunnen zijn maar niet het grootste gevaar is, dan wordt dit als een bijkomend gevaar benoemd.
Box container
Container die is gesloten aan alle kanten, meestal met alleen aan de achterkant deuren.
Wordt ook wel General Purpose, kortweg GP container genoemd, omdat er diverse
mogelijkheden met deze containers zijn.
Categorie 1 bedrijfsbrandweer
Bedrijfsbrandweer behorend tot categorie 1 is vol-continu en direct inzetbaar op het bedrijf
aanwezig en binnen 6 min ter plaatste inzetbaar. De sterkte aan personeel en materiaal
bedraagt minimaal twee blusvoertuigen met volledige bemanning.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 92 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Categorie 2 bedrijfsbrandweer
Bedrijfsbrandweer behorend tot categorie 2 is vol-continu en direct inzetbaar o het bedrijf
aanwezig en binnen 6 min ter plaatste inzetbaar. De sterkte aan personeel en materiaal
bedraagt minimaal een blusvoertuigen met volledige bemanning. Het resterend gedeelte van de
bedrijfsbrandweer is oproepbaar en binnen 10 min ter plaatse.
CMR-stoffen
Stoffen die:
a)
b)
c)
In bijlage VI, tabel 3.1 van verordening 1272/2008 zijn vermeld als Kankerverwekkend,
Mutageen of ‘Voor de voortplanting giftig’ categorie 1A, 1B of 2; of,
Volgens bijlage I, sectie 3.5, 3.6 en 3.7 van verordening 1272/2008 zijn geclassificeerd als
Kankerverwekkend, Mutageen of ‘Voor de voortplanting giftig’ categorie 1A, 1B of 2; of
In bijlage VI, tabel 3.2 van verordening 1272/2008 zijn vermeld als Kankerverwekkend,
Mutageen of ‘Voor de voortplanting giftig’ categorie 1 of 2.
Mengsels die volgens:
a)
b)
Europese Richtlijn 1999/45/EG geclassificeerd zin als Kankerverwekkend, Mutageen of
‘Voor de voortplanting giftig’, categorie 1 of 2; of
Bijlage I, sectie 3.5, 3.6, 3.7 van verordening 1272/2008 zijn geclassificeerd als
Kankerverwekken, Mutageen of ‘Voor de voortplanting giftig’, categorie 1A, 1B of 2.
Toelichting:
Bijlage VI bevat de geharmoniseerde indeling van CMR-stoffen. D.w.z. deze indeling is op
Europees niveau vastgesteld en moet verplicht worden gebruikt. Daarnaast gelden voor
Arbeidsomstandigheden in Nederland ook de SZW-lijsten opgesteld door het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het gaat hier om aanvullend beleid:
a)
b)
c)
SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen;
SZW-lijst van mutagene stoffen;
Niet-limitatieve lijst van voor de voortplanting giftige stoffen.
Deze lijst is ook te vinden op het Arboportaal van het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid:
www.arboportaal.nl/types/wetgeving/Niet-limitatieve-lijst-van-voor-de-voortplanting.html
Cryo-houder (ADR)
Een cryo-houder is een verplaatsbare drukhouder met warmte-isolerende bescherming voor het
vervoer van sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen met een inhoud van ten hoogste
1 000 l.
Drukhouder (ADR)
Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten
cryohouders en flessenbatterijen omvat.
Drukvat (ADR)
Een gelaste verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van meer dan 150 l en niet meer
dan 1 000 l (bijv. cilindervormige houders met rolbanden en bolvormige houders op sleden).
Excepted Quantities (E)
In het ADR 2009 zijn naast de gelimiteerde hoeveelheden (LQ) ook uitzonderingen
geïntroduceerd voor Excepted Quantities (E), ofwel vrijgestelde hoeveelheden. Zie paragraaf
3.5 van het ADR. Het gaat daarbij om gevaarlijke stoffen in zeer kleine hoeveelheden per
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 93 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
binnenverpakking (maximaal 30 ml of g per binnenverpakking en maximaal 1 l of kg per
buitenverpakking), afhankelijk van de klasse-indeling.
Gas (ADR)
Een stof die bij 50 °C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar), of bij 20 °C en de
standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is.
(Gas)fles (cilinder) (ADR)
Een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van niet meer dan 150 l.
Toelichting:
Een gasfles voor een blusgasinstallatie valt buiten deze definitie. Voor veiligheidsaspecten van
blusgasinstallaties wordt verwezen naar het SVI-blad ‘blusgasinstallaties, veiligheidsaspecten’,
http://www.syntaxmedia.nl.
(Gas)flessenbatterij (cilinderpakket) (ADR)
Een verzameling flessen die aan elkaar zijn bevestigd en onderling door een verzamelleiding
zijn verbonden en die als ondeelbare eenheid wordt vervoerd.
Toelichting:
De term 'flessenbatterij' kan aanleiding geven tot misverstand. In deze richtlijn en in het ADR
wordt hiermee een verpakking bedoeld zoals hier omschreven, vaak ook genoemd
cilinderpakket, pakket of palletpakket. In andere publicaties is in het verleden de term
'flessenbatterij' ook gebruikt voor de installatie waarbij één fles (of meer flessen) aangesloten
staat (staan) op een aan de wand gemonteerde verzamelleiding met reduceertoestel waarmee
een leidingwerk wordt gevoed.
Gaspatroon (ADR)
Zie Houder, klein, met gas.
Gebouw (Woningwet)
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt.
Gelimiteerde hoeveelheden (LQ)
Dit zijn gevaarlijke goederen in kleine hoeveelheden verpakt in verpakkingen die
overeenkomstig hoofdstuk 3.4 van het ADR worden gebruikt.
Toelichting:
Waar in de richtlijn melding is gemaakt van uitzonderingen voor gelimiteerde hoeveelheden,
geldt dat uitsluitend indien de gelimiteerde hoeveelheden zich in de oorspronkelijke
transportverpakking bevinden.
Gesloten container
Container die aan alle zijden gesloten is.
Gevaarlijke stof
Stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer conform het ADR is verboden of slechts onder
daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen
aangeduid in de IMDG-Code.
Gevaarlijke afvalstof
Afvalstof die als zodanig is aangewezen op grond van de Eural-regelgeving.
Toelichting:
De gevaarlijke afvalstoffen zijn in de Eural-lijst aangegeven met een sterretje. Daarnaast zijn er
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 94 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
in de Eural nog stoffen met een c achter de code. Dit zijn de complementaire stoffen. Dat
betekent dat voor dat specifieke geval bepaald moet worden of het gaat om een gevaarlijke of
een niet-gevaarlijke afvalstof. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de VROMpublicatie Handreiking Eural van september 2001. Code: VROM 010014/b/09-01 14264/174.
Groot brandcompartiment (Bouwbesluit)
Brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1 000 m², als bedoeld in
afdeling 2.22 van het Bouwbesluit.
Grote cilinder ('tube') (klasse 2) (ADR)
Een naadloze verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van meer dan 150 l en niet meer
dan 3 000 l.
Houder, klein, met gas (gaspatroon) (ADR)
Een niet-hervulbare houder, die een gas of gasmengsel onder druk bevat. De houder kan zijn
voorzien van een afsluitventiel.
Houder (ADR)
Een omhulsel, bestemd om stoffen of voorwerpen op te nemen en te bevatten met inbegrip van
alle sluitingsmiddelen. Reservoirs vallen niet onder deze definitie.
Inpandige opslagvoorziening
In een (ander) bouwwerk gesitueerde opslagvoorziening.
Intermediate Bulk Container (IBC) (ADR)
Een stijve of flexibele verpakking die in paragraaf 6.5 van het ADR is genoemd.
Journaal van gevaarlijke stoffen
Een register van de gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen, die in een inrichting aanwezig zijn.
Lege gasfles
Gasfles waarvan de druk dusdanig laag is dat de inhoud niet bruikbaar is.
Lege gereinigde verpakking
Een verpakking is leeg wanneer de inhoud is verwijderd met behulp van de voor de
desbetreffende stof en verpakking gebruikelijke technieken, bijv. gieten, pompen, zuigen,
schudden, schrapen, of een combinatie van deze technieken.
Lege ongereinigde verpakking
Alle overige lege verpakkingen, niet zijnde lege gereinigde verpakkingen.
Lekbak
Vloeistofdichte voorziening met beperkte opvangcapaciteit, waarvan de bodembeschermende
werking door gericht toezicht en doelmatig ledigen wordt gewaarborgd. De lekbak moet zodanig
zijn uitgevoerd dat deze bestand is tegen de inwerking van vloeistoffen die er boven worden
opgeslagen.
NEN-normen
Norm uitgegeven door het Nederlandse Normalisatie Instituut. Zie www.nen.nl
Niet brandgevaarlijk
Niet brandgevaarlijk, bepaald conform NEN 6063.
Noodplan
Een overzicht van de door een bedrijfsorganisatie genomen maatregelen en voorzieningen om
effecten van calamiteiten te minimaliseren en te bestrijden.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 95 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Onbrandbaar
Onbrandbaar, bepaald conform NEN 6064.
Open opslagvoorziening
Een open opslagvoorziening is een ruimte welke ten minste aan één zijwand geheel open is (al
dan niet afgescheiden door een hek- of gaaswerk) zodat deze in vrij contact staat met de
buitenlucht en geen gassen zich kunnen ophopen of zich vlak boven de vloer kunnen
verzamelen.
Open-top container
Container die aan de bovenzijde open is. Er is geen dak aanwezig (meestal een zeil).
Opslag
In deze PGS wordt onder opslag verstaan het bewaren van verpakte gevaarlijke stoffen en/of
CMR-stoffen in een daartoe bestemde voorziening, waarbij de verpakking gesloten is.
Zie ook de termen opslagvoorziening, werkvoorraad en tijdelijke opslag.
Opslagvoorziening
Vaste ruimte bestemd voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen
uitgevoerd als een brandcompartiment conform Bouwbesluit met een weerstand tegen
branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten (60 WBDBO). Indien dit expliciet in de
voorschriften van deze PGS is vermeld (klasse 8, verpakkingsgroep II en III en tijdelijke opslag
hoofdstuk 10) is een lagere WBDBO toegestaan.
Paardenbox
Voorziening voor de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen welke is
uitgevoerd en wordt gebruikt overeenkomstig 10.5.
REACH
(Registratie en Evaluatie en Autorisatie en beperkingen van chemische stoffen).
REACH legt de ondernemingen die chemische stoffen produceren, importeren en gebruiken de
verplichting op informatie te verzamelen over de eigenschappen van een stof, de aan het
gebruik verbonden risico's te beoordelen en de nodige maatregelen te nemen om de eventuele
door hen geconstateerde risico's te beheren.
Snelle detectie
(synoniem is snelle branddetectie)
Installatie die autonoom een beginnende brand in een dusdanig vroeg stadium kan ontdekken,
lokaliseren en signaleren, dat het bestrijden ervan tijdig kan plaatsvinden en maatregelen
kunnen worden getroffen om mens, dier, inventaris, gebouw en miliu veilig te stellen, waardoor
ongevallen en/of schade wordt beperkt respectievelijk voorkomen.
Spuitbus (aërosol) (ADR)
Een niet-hervulbare houder van metaal, glas of kunststof die een samengeperst, vloeibaar
gemaakt of opgelost gas bevat, al dan niet met een vloeibare, pasteuze of poedervormige stof,
en voorzien van een aftapinrichting die het mogelijk maakt, dat de inhoud wordt uitgestoten in
de vorm van een suspensie van vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in de vorm van schuim,
pasta of poeder of in vloeibare of gasvormige toestand.
Tankcontainer
Een container met reservoir en uitrustingdelen conform paragraaf 6.8 van het ADR.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 96 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Tijdelijke opslag
(Synoniemen zijn: 'overslag', 'cross-docking')
Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die, voorafgaand aan of aansluitend
op transport, buiten een opslagvoorziening conform hoofdstuk 3 t.m. 9 verblijven. De eisen aan
de opslagvoorziening voor tijdelijke opslag zijn conform hoofdstuk 10.
Transporttank
Een multimodale tank conform paragraaf 6.7 van het ADR.
Toelichting:
In de regelgeving van ADR/IMDG-code wordt zowel het begrip tankcontainer als transporttank
gebruikt. In de toekomst zal uitsluitend nog het begrip transporttanks worden gebruikt
Transportverpakking (ADR)
Verpakking die voldoet aan de algemene voorschriften uit ADR hoofdstuk 4.1 en de specifieke
ADR verpakkingsinstructies.
UN-nummer
De Verenigde Naties kent aan gevaarlijke stoffen een stofidentificatienummer toe, het
zogenaamde UN-nummer. Een complete lijst van al deze stoffen en hun nummers is onder
andere te vinden op UN ECE website.
Uitgangspuntendocument (UPD)
Document met gegevens voor een goed ontwerp en een goede werking van de
brandbeveiligingsinstallatie, dat voldoet aan de eisen zoals gesteld in vs 4.8.2.1.
Uitpandige opslagvoorziening
Een niet in een bouwwerk gesitueerde opslagvoorziening.
Toelichting:
Een uitpandige opslagvoorziening kan wel aan een of meer zijden grenzen aan een bouwwerk.
Vak
Opslaggedeelte binnen een opslagvoorziening.
Vaste stof (ADR)
Een stof met een smeltpunt of een beginsmeltpunt hoger dan 20 °C bij een druk van 101,3 kPa,
of een stof die conform de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 niet vloeibaar is en die
conform de criteria van de in paragraaf 2.3.4 van het ADR beschreven beproevingsmethode
voor de bepaling van het vloeigedrag (penetrometermethode) dikvloeibaar is.
Verpakking
Een verpakking die is toegelaten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, inclusief grote
verpakking en IBC.
Verpakkingsgroep
Een groep, waarin bepaalde stoffen op grond van hun gevaarlijkheid tijdens het vervoer
conform het ADR zijn ingedeeld voor verpakkingsdoeleinden. Verpakkingsgroep I: zeer
gevaarlijke stoffen Verpakkingsgroep II: gevaarlijke stoffen Verpakkingsgroep III: minder
gevaarlijke stoffen.
Viscositeitsregel ADR
De viscositeitsregel in het ADR, onder 2.2.3.1.5. is als volgt: Niet giftige, niet bijtende en niet
milieugevaarlijke oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt van 23 °C en hoger
(viskeuze stoffen, zoals verven en lakken, uitgezonderd stoffen die meer dan 20 %
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 97 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
nitrocellulose bevatten) verpakt in houders met een inhoud van ten hoogste 450 l, zijn niet
onderworpen aan de voorschriften van het ADR, indien bij de beproeving van afscheiding van
oplosmiddel (zie het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 32.5.1) de hoogte
van de afgescheiden laag oplosmiddel kleiner is dan 3 % van de totale hoogte, en indien deze
stoffen in de uitloopbeker conform ISO-norm 2431:1993 met een uitloopopening van 6 mm
middellijn bij 23 °C een uitlooptijd:
a)
b)
van ten minste 60 s, of;
van ten minste 40 s bezitten en niet meer dan 60 % stoffen van klasse 3 bevatten.
Vlampunt (ADR)
De laagste temperatuur van een vloeistof, waarbij de damp daarvan met lucht een ontvlambaar
mengsel vormt.
Vloeistof (ADR)
Een stof die bij 50 °C een dampdruk heeft van ten hoogste 300 kPa (3 bar), en bij 20 °C en een
druk van 101,3 kPa niet volledig gasvormig is, en die a) bij een druk van 101,3 kPa een
smeltpunt of beginsmeltpunt heeft van 20 °C of lager, of b) die conform de beproevingsmethode
ASTM D 4359-90 vloeibaar is, of c) conform de criteria van de in 2.3.4 van het ADR beschreven
beproevingsmethode voor de bepaling van het vloeigedrag (penetrometermethode) niet
dikvloeibaar is.
Vloeistofkerende vloer
Vloeistofkerende vloer conform de NRB.
WBDBO (Bouwbesluit)
Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag in min. Conform NEN 6068.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 98 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bijlage B Normen
NEN 1078:2004
Voorziening voor gas met een werkdruk tot en met 500
mbar - Prestatie-eisen - Nieuwbouw
NEN-EN 1089-3:2004
Verplaatsbare gasflessen - Identificatie van gasflessen
(exclusief LPG) - Deel 3: Kleurcodering
NEN-EN 1838:1999
Toegepaste verlichtingstechniek - Noodverlichting
NEN-EN 1992-2:2005
Eurocode 2: Ontwerp en berekening van betonconstructies
- Bruggen
NEN-EN 1993-2:2007
Eurocode 3: Ontwerp en berekening van staalconstructies Deel 2: Stalen bruggen
NEN-EN 1994-2:2006
Eurocode 4: Ontwerp en berekening van staalbetonconstructies - Deel 2: Algemene regels en regels voor
bruggen
NEN-EN 1995-2:2005
Eurocode 5: Ontwerp en berekening van houtconstructies Deel 2: Bruggen
NEN-EN 1996-2:2006+NB:2011
Eurocode 6: Ontwerp en berekening van constructies van
metselwerk - Deel 2: Ontwerp, materiaalkeuze en uitvoering
van constructies van metselwerk
NVN-ENV 1999-2:1998
Eurocode 9: Ontwerp en berekening van
aluminiumconstructies - Deel 2: Constructies gevoelig voor
vermoeiing.
NEN 2535:2009
Brandveiligheid van gebouwen - Brandmeldinstallaties Systeem- en kwaliteitseisen en projectierichtlijnen
NEN 2678:1988
Losse kasten voor de opslag van brandbare vloeistoffen Algemene eisen en beproevingsmethode ten aanzien van
het brandgedrag
NEN 3011:2004
Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de
openbare ruimte
DIN 3222:1986
Fire hydrants, above ground (10-2005 vervangen door
NEN-EN 14384)
NEN 5056:2011
Niet-verrijdbare stalen opslagsystemen - Verstelbare
palletstellingsystemen - Technische grondslagen voor het
ontwerp - Afwijkingen van en aanvullingen op NEN-EN
15512:2009
NEN 6063:2008
Bepaling van het brandgevaarlijk zijn van daken
NEN 6064:1991
Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen
NEN 6068:2008
Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en
brandoverslag tussen ruimten
NEN 6069:2005
Experimentele bepaling van de brandwerendheid van
bouwdelen en bouwproducten en het classificeren daarvan
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 99 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
NEN-EN 13501-1:2007
Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen - Deel
1: Classificatie op grond van resultaten van beproeving van
het brandgedrag
NEN-EN 14384:2005
Brandkranen
NEN-EN 14439:2005
Ondergrondse brandkranen
NEN-EN-14470-1
Brandveiligheidsopslagkasten - Deel 1:Veiligheidskasten
voor brandbare vloeistoffen
NEN-EN 14470-2
Brandveiligheidsopslagkasten - Deel 2:
Veiligheidsopslagkasten voor gasflessen onder druk
NEN-EN 15512:2009
Stalen opslagsystemen - Verstelbare pallet
stellingsystemen - Principes voor constructief ontwerpen
NEN-EN 15620:2008
Niet-verrijdbare stalen opslagsystemen - Verstelbare
palletstellingen - Toleranties, vervormingen en
veiligheidsafstanden
NEN-EN 15629:2008
Niet-verrijdbare stalen opslagsystemen - Specificatie van
magazijnstellingen
NEN-EN 15635:2008
Niet-verrijdbare stalen opslagsystemen - Gebruik en
onderhoud van magazijnstellingen
NEN-EN-ISO/IEC 17020:2004
Algemene criteria voor het functioneren van verschillende
soorten instellingen die keuringen uitvoeren
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 100 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bijlage C Borden ten behoeve van de
veiligheidsignalering
C.1 Verbodsborden
Intrinsieke kenmerken:
a)
b)
rond;
zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het
pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn. De rode kleur
beslaat ten minste 35 % van de oppervlakte van het bord.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 101 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
C.2 Gevaarsymbolen
Bron: http://www.unece.org/trans/danger/publi/ghs/pictograms.html
Hieronder zijn de EU-GHS gevaarsymbolen weergegeven. Deze zijn anders dan de oude ADR
symbolen.
Explosief
Ontvlambaar
Gassen onder druk
Corrosief
Irriterend, sensibiliserend,
schadelijk
lange termijn
gezondheidsgevaarlijk
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 102 VAN 124
Oxiderend
Giftig
Gevaarlijk voor het
aquatisch milieu
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
C.3 Kenmerken voor
hoeveelheden
gelimiteerde
(LQ)
Label gelimiteerde hoeveelheden
Land- en zeevracht
Luchtvracht
Label vrijgestelde hoeveelheden
Legenda
* gevaarsklasse
** naam afzender of geadresseerde
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 103 VAN 124
en
vrijgestelde
(E)
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bijlage D Voorkomen van onverenigbare combinaties
door stoffenscheiding
D.1 Uitgangspunt scheiding van verpakte gevaarlijke stoffen
Indien bij het gelijktijdig vrijkomen van twee gevaarlijke stoffen uit de verpakking er een groter
(vervolg) effect ontstaat dan op grond van de eigenschappen van de afzonderlijke stoffen kan
worden verwacht, moeten deze stoffen gescheiden worden opgeslagen. Bij deze beoordeling
moeten alle eigenschappen van een gevaarlijke stof worden beschouwd, dus ook de
bijkomende gevarenlabels conform het ADR.
Het ontstaan van giftige verbrandingsgassen vormt geen onderdeel van dit uitgangspunt. De
eigenschappen van een stof zijn immers niet bepalend voor de mate van toxiciteit van de
verbrandingsproducten. Indien sprake is van zeer toxische stoffen (klasse 6.1 verpakkingsgroep
I) of CMR-stoffen moet wel rekening worden gehouden met onverbrand product dat zich
tezamen met de verbrandingsgassen zal verspreiden.
Enkele voorbeelden van het gelijktijdig vrijkomen van twee gevaarlijke stoffen.
a)
Een brandbare stof (klasse 3) zal indien deze vrijkomt en bij een brand betrokken raakt:

wel een groter effect opleveren als in hetzelfde vak brandbevorderende stoffen
(klasse 5.1 en klasse 5.2) worden opgeslagen → gescheiden opslaan (omdat de
onverbrande producten wel een groter effect geven);

geen groter effect optreden als in hetzelfde vak brandbare stoffen (klasse 3) worden
opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk;

geen groter effect optreden als in hetzelfde vak natriumcarbonaat/soda (geen ADRstof) worden opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk.
b)
Een bijtende stof (klasse 8, zuur) zal bij vrijkomen:

wel een groter effect opleveren als in hetzelfde vak een bijtende stof (klasse 8, base)
worden opgeslagen → gescheiden opslaan;

geen groter effect optreden als in hetzelfde vak milieugevaarlijke stoffen (klasse 9)
worden opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk.
D.2 Categorieën gevaarlijke stoffen die gescheiden moeten worden
opgeslagen
In onderstaande tabel is weergegeven welke combinaties zich kunnen voordoen, waarbij voor
alle ADR-klassen voorbeelden zijn uitgewerkt. Van de tabel kan gemotiveerd worden
afgeweken op basis van bijv. veiligheidsinformatiebladen of indien de stoffen chemisch gezien
wel kunnen reageren maar ten gevolge van de beperkte concentratie van de stoffen er geen
reacties hoeven te worden verwacht met excessieve warmteontwikkeling of andere bijzondere
gevaren. Bij de opslag van gewasbeschermingsmiddelen, waarbij veel verschillende producten
met verschillende gevaaretiketten per product in kleine verpakkingseenheden worden
opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd op beschermingsniveau 1, is het niet
zinvol om deze scheidingsregels te hanteren.
De tabel is niet van toepassing op:
a)
b)
c)
klasse 2 (zie hiervoor hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7);
klasse 4 (zie hoofdstuk 8);
klasse 5.2 (zie hoofdstuk 9).
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 104 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Tabel D.1 — Combinaties klassen in opslag
Gevaar conform de klasse zonder
bijkomend gevaar
Klasse
3
Klasse 5.1 Klasse
6.1 +
CMR
Klasse 3 (brandbare vloeistoffen)
-
V
Klasse 5.1 (oxiderende stoffen)
V
Ba of V
a
Klasse
8
Klasse Overige
9
Chemicaliën
(H9 Wm +
ongevaarlijk)
B
B
-
B
B
-
-
B
Klasse 6.1 (giftige stoffen) CMR-stoffen Ba of V
Ba
-
Ba
Ba
-a
Klasse 8 (bijtende stoffen)
B
B
Ba
B
B
-
Klasse 9 (alleen de milieugevaarlijke
stoffen)
B
B
Ba
B
-
-
Overige Chemicaliën (H9 Wm +
ongevaarlijk)
-
-
-a
-
-
-
V
Opslag van te scheiden stoffen in aparte vakken.
B
Gescheiden opslag tenzij is beoordeeld dat de stoffen niet met elkaar reageren of dat beide stoffen
als vaste stof zijn ingedeeld. Voor de beoordeling (B) wordt in principe uitgegaan van de informatie
zoals die in de Veiligheidsinformatiebladen (VIB, SDS of MSDS) wordt vermeld; voor generieke
producten kan ook gebruik worden gemaakt van informatie zoals vermeld in het
Chemiekaartenboek.
-
Gescheiden opslag niet noodzakelijk.
a
Stoffen van klasse 6.1 verpakkingsgroep I moeten in een apart brandcompartiment, of een apart
deel van een brandcompartiment (aan drie zijden afgescheiden met een muur met een
brandwerendheid van ten minste 30 min) of met een 5 m vrije zone worden opgeslagen. In afwijking
hier van is opslag in aparte vakken toegelaten indien deze stoffen niet hoger dan 1,80 m worden
opgeslagen en indien het UN-goedgekeurde verpakking betreft (ADR schrijft voor deze
verpakkingsgroep voor dat verpakkingen getest moeten zijn op een valhoogte van 1,80 m en dat de
verpakking daarbij geen lekkage mag vertonen) en dat het vak waar deze stoffen zijn opgeslagen
zodanig moet zijn gekenmerkt dat de medewerkers zich extra bewust zijn van de gevaren. Voor de
overige giftige stoffen is het gewenst om, waar mogelijk, vakscheiding aan te houden met stoffen
van klasse 3.
De kans op domino-effecten bij gasflessen is niet uitgesloten, maar de kans hierop is gering.
Om die reden is voorschrift 3.12 uitgezonderd voor de opslag van gasflessen en is er ook geen
noodzaak voor het plaatsen van gasflessen met verschillende inhoud in gescheiden vakken of
compartimenten. Dit is mede gebaseerd op TNO-rapport: 2006-A-R0140/B.
Bij calamiteiten met gasflessen bestaat in principe de mogelijkheid op domino-effecten. Als er
sprake is van fragmentatie dan kan elke gassoort een domino-effect veroorzaken tot op relatief
grote afstand. Overigens is de trefkans door een fragment van een cilinder gering wat, ook geldt
voor het vrijkomen van gevaarlijke stof uit de getroffen cilinder. De domino-effecten worden
voornamelijk veroorzaakt door verhitting van naastgelegen gasflessen (wanneer de
warmtestraling hoog genoeg is lang genoeg duurt en koeling niet plaatsvindt). Dit kan dus ook
bij brandbare gassen onderling. De enige maatregel hiertegen is koeling wat veelal moet
geschieden door de brandweer. Hierom gaat de voorkeur uit naar een buitenopslag en moet de
locatie goed bereikbaar zijn (paragraaf 6.1).
In voorschrift 6.2.13 is opgenomen dat gasflessen die gevuld zijn met gassen met gelijksoortige
eigenschappen, bij elkaar moeten worden opgeslagen. Dit is echter uitsluitend bedoeld om de
kans op verwisseling bij gebruik te voorkomen en het bevorderen van het optreden bij
calamiteiten en sluit dus niet uit dat verschillende soorten gassen dicht bij elkaar worden
opgeslagen.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 105 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
D.3 Methoden om scheiding van gevaarlijke stoffen te realiseren
In bovenstaande tabel worden drie scheidingsniveaus genoemd.
Opslag van te scheiden stoffen in aparte vakken (V) zal in het algemeen alleen mogelijk zijn
indien er sprake is van een opslagvoorziening voor meer dan 10 000 kg. Voor het begrip vak
gelden de overeenkomstige voorschriften uit hoofdstuk 4 (maximaal 300 m², onderlinge afstand
3,5 m). Te scheiden stoffen mogen dus wel in dezelfde opslagvoorziening aanwezig zijn, maar
moeten in aparte vakken worden opgeslagen. Indien geen vakken kunnen worden gerealiseerd
(wat vaak het geval zal zijn bij opslagvoorzieningen kleiner dan 10 000 kg), moet opslag in een
apart brandcompartiment plaatsvinden, m.a.w. een aparte opslagvoorziening.
Indien gescheiden opslag noodzakelijk is (B) kan dit worden gerealiseerd door de te scheiden
stoffen op te slaan in aparte delen van een vak. Scheiding binnen een vak kan worden
gerealiseerd door een vrije afstand van ten minste 2 m of door een opslag een andere klasse
gevaarlijke stoffen over een breedte van ten minste 2 m waarmee wel gezamenlijke opslag is
toegelaten. Deze vorm van scheiding zal in het algemeen in opslagvoorzieningen voor meer
dan 10 000 kg worden toegepast (zie ook voorschrift 4.3.1). Ook kan scheiding worden
gerealiseerd door de te scheiden stoffen op te slaan in aparte lekbakken. Deze methode zal in
het algemeen worden gerealiseerd in opslagvoorzieningen tot 10 000 kg.
Tenslotte kan scheiding worden gerealiseerd door de te scheiden stoffen op te slaan in aparte
brandcompartimenten of door een stof op te slaan in een apart deel van een
brandcompartiment dat aan drie zijden is afgescheiden door een muur met een
a
brandwerendheid van ten minste 30 min. Het betreft hier de met een aangeduide situaties in
bovenstaande tabel.
Opmerking:
Indien de beoordeling van stoffenscheiding tot onoverkomelijke problemen leidt, kan ook
worden gekozen voor het systeem om producten met verschillende gevaarseigenschappen
(etiketten) in aparte opslagvoorzieningen op te slaan. Deze systematiek is echter niet mogelijk
voor bijtende stoffen met etiket nr. 8 wegens het feit dat die zowel zuur als basisch kunnen
reageren; voor deze groep stoffen behoort altijd te worden beoordeeld of ze onderling niet aan
de criteria zoals vermeld in paragraaf 3.12 voldoen.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 106 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bijlage E Eisen aan brandveiligheidsopslagkasten
Tabel E.1 — Eisen aan brandveiligheidsopslagkasten
Overeenkomstig
NEN 2678
NEN-EN-14470-1
Type 30
NEN-EN-14470-1
Type 60
NEN-EN-14470-1
Type 90
Brandwerendheid
40 min
veiligheidsperiode
30 min
60 min
90 min
Max. hoeveelheid
(L)
150
150
250
250
Opslag van
Gevaarlijke stoffen
Behorende tot de
ADR-klassen:
2a, 3, 4.1, 4.2, 4.3,
5.1, 6.1, 8 , 9 en
3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1,
6.1, 8 , 9 en CMR-
2a, 3, 4.1, 4.2, 4.3,
5.1, 6.1, 8 , 9 en
2a, 3, 4.1, 4.2, 4.3,
5.1, 6.1, 8 , 9 en
CMR-stoffen
CMR-Stoffen
CMR-stoffen
CMR-stoffen
Klasse 5.2 conform
PGS 8 b
Klasse 5.2 conform
PGS 8 b
Klasse 5.2 conform
PGS 8 b
Klasse 5.2 conform
PGS 8 b
Kan plaatsvinden
door het plaatsen
van de
verschillende
categorieën stoffen
in afzonderlijke
lekbakken. Voor
iedere te
compartimenteren
categorie moet er
een lekbak
aanwezig zijn
Kan plaatsvinden
door het plaatsen
van de
verschillende
categorieën stoffen
in afzonderlijke
lekbakken. Voor
iedere te
compartimenteren
categorie moet er
een lekbak
aanwezig zijn.
Kan plaatsvinden
door het plaatsen
van de
verschillende
categorieën stoffen
in afzonderlijke
lekbakken. Voor
iedere te
compartimenteren
categorie moet er
een lekbak
aanwezig zijn.
Kan plaatsvinden
door het plaatsen
van de
verschillende
categorieën stoffen
in afzonderlijke
lekbakken.Voor
iedere te
compartimenteren
categorie moet er
een lekbak
aanwezig zijn.
Compartimentering
a
b
Klasse 2: Voor zover spuitbussen.
Tenzij wordt voldaan aan hoofdstuk 9.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 107 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bijlage F Brandbeveiligingsinstallaties: kenmerken en
parameters
F.1 Inleiding
F.1.1 Algemeen
In deze bijlage zijn de brandbeveiligingsinstallaties beschreven die momenteel als stand der
techniek worden beschouwd voor opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen en/of
CMR-stoffen. In de inleiding zijn de van belang zijnde kenmerken en parameters toegelicht. Niet
elk brandbeveiligingsinstallatie is geschikt voor alle categorieën gevaarlijke stoffen en/of CMRstoffen. Beperkingen in de toepassing zijn in de ontwerpnorm vastgelegd. De brandblussende
of brandbeheersende prestaties van dergelijke brandbeveiligingsinstallaties zijn aan de hand
van genormaliseerde testmethodieken (bijv. de CEN/ISO/UL-brandproeven) vastgesteld door
een daartoe geaccrediteerde certificatie-instelling. Voor brandbeveiligingssystemen zijn dit
vooralsnog VdSZ, LPCB, FM, UL. In principe kunnen nieuwe blussystemen of blustechnieken
worden geaccepteerd voor toepassing in een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke
stoffen en/of CMR-stoffen, indien aan navolgende voorwaarden is voldaan:
a)
b)
c)
d)
Er moet voor de vaststelling van de blussende werking op specifieke stoffen een
genormaliseerde testmethodiek vastgelegd zijn, en de test moet door een daartoe
geaccrediteerde instelling zijn uitgevoerd.
Er moet voor het systeem een (internationaal) geaccepteerde ontwerpnorm voor de
beoogde blustechniek bestaan. Dit kunnen voorschriften zijn van bijv. ISO, CEN, NFPA, FM
Global, LPCB/ BRE, VdS of CEA.
Berekenings- en ontwerpfactoren moeten door van expliciete testen vastgelegd zijn.
Van voornoemde testen moeten rapportages beschikbaar zijn.
In PGS 14 zijn de verschillende type installaties verder uitgewerkt. PGS 14 kan als handvat
gebruikt worden.
Het systeem 'droog blussysteem met lokale brandweer' is in deze bijlage niet meer behandeld.
In het algemeen kan worden gesteld dat met name vanwege de vereiste aanrijtijden voor de
brandweer niet meer zonder meer kan worden voldaan aan de randvoorwaarden die voor een
dergelijk systeem zouden moeten gelden. In voorkomende gevallen is het van belang dat
bevoegd gezag, bedrijf en lokale brandweer in gezamenlijk overleg nagaan of er bijzondere
omstandigheden zijn waarmee snelle aanrijtijden gegarandeerd kunnen worden.
F.1.2 Bluswateropvangcapaciteit
Bij de berekening van de bluswateropvangcapaciteit wordt onderscheid gemaakt tussen de
nominale bluswateropvangcapaciteit en de werkelijke bluswateropvangcapaciteit. De nominale
bluswateropvangcapaciteit is de capaciteit, die op grond van het brandbeveiligingsinstallatie,
het blusmiddel en de eventuele vakindeling wordt berekend. De werkelijke
bluswateropvangcapaciteit is de vereiste fractie van de nominale bluswateropvangcapaciteit,
die afhankelijk is van het beschermingsniveau en de aard van de opgeslagen stoffen en de
verpakking. Het type brandbeveiligingsinstallatie bepaalt hoeveel bluswater moet worden
opgevangen. De capaciteit moet worden berekend aan de hand van de bij de
brandbestrijdingssystemen vermelde parameters, waarbij bij de meeste systemen wordt
uitgegaan van een vanuit de PGS 15 opgelegde fictieve blustijd of ruimtevulling, die af kan
wijken van de blustijd op basis van de gehanteerde ontwerpnorm van de
brandbeveiligingsinstallatie.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 108 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
F.1.3 Vakindeling en veiligheidsfactoren
Afhankelijk van de wijze waarop vakindeling is uitgevoerd moet voor de oppervlakte waarop de
bluswateropvangcapaciteit wordt gedimensioneerd, een veiligheidsfactor worden gehanteerd.
De redenen hiervoor zijn dat brandoverslag naar een ander vak niet is uit te sluiten en een
blussysteem in een ander vak onnodig in werking kan treden. De veiligheidsfactoren zijn:
a)
b)
c)
vak aan vier zijden omgeven door wanden en deur: factor 1;
vak aan drie zijden omgeven door wanden en aan één zijde een gangpad: factor 2;
vak aan twee of meer zijden omgeven door gangpaden: factor 3.
De grondslag van de berekening van de nominale bluswateropvangcapaciteit is het
vermenigvuldigen van de blustijd met de sproeidichtheid en de te blussen oppervlakte.
Afhankelijk van de wijze waarop de vakindeling is gerealiseerd, moet voor de te blussen
oppervlakte een veiligheidsfactor in rekening worden gebracht. Zie onderstaande formule.
Bn  b t  s  ob  v
waarin:
Bn
is de nominale bluswateropvangcapaciteit;
bt
is de blustijd [min] conform PGS 15;
s
is de sproeidichtheid of doseersnelheid, in l/min/m conform de ontwerpnorm;
ob
is de blusoppervlakte, in m ;
v
is de veiligheidsfactor indien toepasbaar, afhankelijk van compartimentering.
2
2
De formule voor de berekening van de werkelijke bluswateropvangcapaciteit is
Bw  fi  Bn
waarin:
Bw
is de werkelijke bluswateropvangcapaciteit;
fi
4.6);
is de factor afhankelijk van beschermingsniveau en aard van de stof (zie paragraaf
Bn
is de nominale bluswateropvangcapaciteit.
Opmerking:
a)
b)
Voor blusgas, hi-ex installaties en voor het systeem ‘Bedrijfsbrandweer met ter plaatse
blussen (binnenaanval)’ geldt een afwijkende bepaling van de bluswateropvangcapaciteit
(zie onder kenmerken van deze systemen).
Het product ‘ob * v’ bedraagt ten hoogste het maximale sproeivlak van de
brandbeveiligingsinstallatie. Het is namelijk niet reëel rekening te houden met een brand
groter dan het maximale sproeivlak (dit zou betekenen dat er een verkeerde
brandbeveiligingsinstallatie is aangelegd) én boven het maximale sproeivlak is ook de
parameter ‘s’ onbepaald.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 109 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
F.1.4 Detectie en doormelding
Onafhankelijk van de gekozen brandbeveiligingsinstallatie is een doelmatig detectiesysteem
alsmede een automatische doormelding naar de alarmcentrale van de overheids- of
bedrijfsbrandweer of een daaraan gelijkwaardige voorziening (zie ook voorschrift 3.2.9). Hierbij
wordt opgemerkt dat een doormeldinstallatie, behorende bij een automatische
sprinklerinstallatie, wordt beschouwd als doelmatig detectiesysteem.
Een doelmatig detectiesysteem moet een op het object afgestemd ontwerp hebben, daarbij
gebruik makend van de specifieke kenmerken van de toe te passen detectietechniek en de te
detecteren brandverschijnselen in de geprojecteerde omgeving.
F.1.5 Blustijd
De blustijden die als parameter bij de verschillende systemen zijn genoemd, geven geen
indicatie over de werkelijk te verwachten duur van een brand dan wel de effectiviteit van de
brandbestrijding. De vermelde blustijden zijn fictief en dienen uitsluitend om de gewenste
bluswateropvangcapaciteit te dimensioneren.
Een automatisch werkende brandbeveiligingsinstallatie moet na inwerkingtreding na een
bepaalde tijd handmatig worden afgesloten. In de regel zal dit tijdstip worden bepaald door de
lokale brandweer. De brandweer moet zich in de ontwerpfase reeds verdiepen in de wijze hoe
kan worden geconstateerd of de automatisch blusinstallatie mag worden uitgezet. Met andere
woorden of de brand geblust is. Dit kan bijv. bij een hi-ex installatie een inspectieluik zijn in het
dak van de opslagvoorziening.
In verband met aanrijtijd en beoordelingstijd is het noodzakelijk, er rekening mee te houden dat
alvorens het brandbeveiligingsinstallatie kan worden uitgezet een termijn van 30 min kan
verstrijken. De meeste brandbestrijdingssystemen (zoals bijv. sprinkler- en delugesystemen)
moeten op basis van de ontwerpnorm al langer dan 30 min continu automatisch kunnen
functioneren, zodat hieraan vanzelf wordt voldaan. Bij andere systemen (zoals bijv. de hi-ex
systemen) wordt vanuit de ontwerpnorm toegelaten automatisch intermitterend te functioneren
gedurende meer dan 30 min, zodat op deze wijze ook invulling wordt gegeven aan het 30 min
criterium. Hi-ex installaties vragen om een standtijd van 60 min, te realiseren door bijv.
intermitterend schuimen.
F.1.6 Rook en warmte afvoerinstallatie
Een rook- en warmteafvoerinstallatie is een samenstel van apparatuur, dat ertoe dient om in
geval van brand vanaf een bepaald tijdstip de afvoer van rook en hete verbrandingsgassen in
een bepaalde (aangenomen) hoeveelheid door rook- en warmteafvoer luiken in het dak zeker te
stellen.
Bij bepaalde brandbestrijdingssystemen heeft dit een positieve invloed op de effectiviteit van de
brandbestrijding
hetgeen
leidt
tot
een
geringere
blustijd.
Voor
bepaalde
brandbestrijdingssystemen is de aanwezigheid van een rook- en warmteafvoerinstallatie zelfs
noodzakelijk. Voorwaarde is dat eerst de brandbeveiligingsinstallatie aanspreekt alvorens de
rookluiken worden geopend. Er zijn echter ook brandbeveiligingsinstallaties waarbij het gebruik
van een rook- en warmteafvoerinstallatie niet is toegelaten.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 110 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
F.1.7 Buitenopslag
Indien er sprake is van een buitenopslag zonder overkapping, is als detectiesysteem uitsluitend
een detectiesysteem op basis van vlammenmelders nog toepasbaar. Hiermee wordt systeem 8
(bedrijfsbrandweer
met
ter
plaatse
blussen)
uitvoerbaar.
Als
automatische
brandbeveiligingsinstallatie kan daar een delugesysteem aan worden toegevoegd, al zal dit
betekenen dat een aanzienlijke hulpconstructie temidden van de buitenopslag noodzakelijk is,
om het delugesysteem te kunnen monteren. Hiermee worden de automatische delugeinstallatie, automatische monitorinstallatie en bedrijfsbrandweer met handbediende delugeinstallatie in principe uitvoerbaar.
Indien er sprake is van een buitenopslag met overkapping, zijn (uiteraard) bovengenoemde
systemen eveneens mogelijk. Door de overkapping wordt het ook mogelijk detectie systemen
op basis van temperatuurmeting toe te passen. Als brandbeveiligingsinstallatie is het ook
mogelijk een automatische sprinklerinstallatie toe te passen. Dit systeem wordt dan als droog of
pre-action systeem uitgevoerd, waardoor het leidingnet pas met water (of water/schuim
mengsel) wordt gevuld als er daadwerkelijk brand wordt gedetecteerd. Kleine sprinklersystemen
mogen ook als antivriessysteem worden uitgevoerd.
Bij het (eventueel) toepassen van schuimvormend middel moet extra aandacht worden besteed
aan de opslag, dan wel aan voldoende voorraad op mobiele apparatuur. Schuimvormende
vloeistof is afhankelijk van type bestand tegen vorst (meestal tot -15 ºC). Vorstvrije opslag is
niet per se noodzakelijk, wel moet aandacht zijn besteed aan watervoerende delen.
Geschiktheid brandbeveiligingsinstallatie voor verschillende categorieën gevaarlijke
stoffen
Elke brandbeveiligingsinstallatie moet zodanig worden ontworpen dat een brand van de
desbetreffende opgeslagen gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen adequaat kan worden
bestreden. Dit vereist speciale aandacht voor het type goederen dat wordt opgeslagen. Geen
van de brandbeveiligingsinstallaties is geschikt voor alle categorieën gevaarlijke stoffen en/of
CMR-stoffen. De effectiviteit van brandbestrijding verschilt per systeem en is daarenboven
afhankelijk van de soort opgeslagen gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen. Elke ontwerpnorm,
behorend bij een bepaalde brandbeveiligingsinstallatie, geeft inzicht en eisen met betrekking tot
de opgeslagen goederen en de wijze van opslag. De meeste ontwerpnormen maken hiertoe
gebruik van een eigen goederenclassificatie. Het is dus van belang de opgeslagen goederente
classificeren op basis van de goederenclassificatie van de desbetreffende ontwerpnorm.
Uitsluitend op deze wijze kunnen de ontwerpspecificaties van een brandbeveiligingsinstallatie
goed worden vastgesteld. Het is evenzeer van belang deze vertaalslag eenduidig en
traceerbaar vast te leggen in het UPD.
Soms is het reëler vast te leggen welke stoffen bij een bepaald brandbeveiligingsinstallatie niet
mogen worden opgeslagen. Ook hier geldt dat de ontwerpnorm in nagenoeg alle gevallen daar
stringente regels voor bevat en ook dit aspect moet in het UPD eenduidig en traceerbaar
worden vastgelegd. Het verdient aanbeveling om dit ook in de vergunning als voorschrift op te
nemen. Door deze materie in het UPD vast te leggen en door inspecties de
brandbeveiligingsinstallatie en de daarbij behorende opslag van goederen periodiek te toetsen
aan dit document, wordt de kwaliteit van de totale brandbeveiliging gewaarborgd.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 111 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
F.2 Overzicht
toepasbare
beschermingsniveau 1
brandbestrijdingssystemen
bij
F.2.1 Algemeen
Bij de keuze van een brandbeveiligingsinstallatie zijn een groot aantal aspecten van belang
zoals de aard van de stoffen die zullen worden opgeslagen, de afmetingen van de
opslagvoorziening, de wijze van opslag en de opslaghoogte, de locatie van het gebouw,
mogelijkheden voor bluswateropvang, benodigde bouwkundige voorzieningen, bestaande
voorzieningen, investeringskosten. In het overzicht in deze bijlage wordt een aantal kenmerken
van brandbestrijdingssystemen gepresenteerd.
N.B Onder kenmerken van een aantal systemen staat ook een minimale brandwerendheid
vermeld. Het aantal minuten dat op die plekken is vermeld wordt minimaal nodig geacht om de
werking van het brandbeveiligingsinstallatie te garanderen. De in de voorschriften van PGS 15
opgenomen WBDBO-eisen kunnen leiden tot een hogere brandwerendheid van bouwdelen dan
die nodig zijn voor de werking van de installaties. In alle gevallen is de hoogste waarde
maatgevend.
F.2.2 Automatische sprinklerinstallatie (gesloten sprinklers)
Principe: Een wijd vertakt met water gevuld en onder druk staand leidingnet is voorzien van
sproeikoppen (sprinklers). Elke sprinkler wordt gesloten gehouden door een warmtegevoelig
element. Indien dit element te warm wordt, zal het bezwijken, waarna water uit de sprinkler zal
stromen.
Beperkingen in toepassing:
a)
b)
c)
het systeem is sterk afhankelijk van soort goederen en type opslag;
er zijn opslagconfiguraties denkbaar ( naar de huidige inzichten) die niet met sprinklers zijn
te blussen (bijv. de combinatie van grote kunststof verpakking en (licht)ontvlambare
vloeistoffen);
de ontwikkeling in sprinklerbeveiliging wordt bepaald door grootschalige testen. Dit kan in
de toekomst leiden tot beperkingen en uitbreidingen van het toepassingsgebied van
sprinklerinstallaties.
Kenmerken:
a)
b)
c)
d)
e)
f)
te allen tijde temperatuurdetectie; als blusmiddel kan water of water met schuimtoevoeging
(middel of zwaar) worden toegepast;
2
maximale oppervlakte van de opslagvoorziening is 2 500 m ;
het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen ten aanzien van de
WBDBO vanuit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte;
bij inwerkingtreding van de sprinklerinstallatie wordt alleen de oppervlakte onder de door de
brand geactiveerde sprinklers besproeid;
een automatische rook- en warmteafvoerinstallatie mag niet worden toegepast;
indien brandbare vloeistoffen worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is
aangebracht, geldt een maximale oppervlakte van de opslagvoorziening van 800 m².
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 112 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
a)
b)
c)
d)
e)
de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale
sproeidichtheid en het maximale sproeivlak, inclusief de nominale capaciteit van eventuele
stellingsprinklers conform de ontwerpnorm;
de bluswateropvangcapaciteit kan worden gereduceerd door vakindeling; afhankelijk van
de wijze van vakindeling moet een veiligheidsfactor worden gehanteerd;
zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de
ontwerpnorm;
de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 min;
met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.
F.2.3 Automatische deluge-installatie
Principe: Een wijd vertakt leidingnet is voorzien van open sproeikoppen (sproeiers). Het
leidingnet wordt voorzien van water op basis van een brandalarm van een automatische
brandmeldinstallatie, waarna water uit alle sproeiers tegelijk zal stromen. De installatie kan ook
van sectie-afsluiters worden voorzien.
Kenmerken:
a)
b)
c)
d)
e)
f)
alle detectiemethoden zijn toepasbaar, mits aan de norm wordt voldaan;
als blusmiddel kan water of schuim (zwaar of AFFF) worden toegepast;
2
maximale oppervlakte van de opslagvoorziening is 2 500 m ;
het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen ten aanzien van de
WBDBO vanuit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte;
bij inwerkingtreding van de installatie wordt een gehele sectie (aantal en grootte afhankelijk
van ontwerp) besproeid, het sproeioppervlak wordt door de grootte van de sectie (vak)
bepaald;
indien brandbare vloeistoffen worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is
aangebracht, geldt een maximale oppervlakte van de opslagvoorziening van 800 m² en
moet de bluswateropvangcapaciteit worden gedimensioneerd op het totale oppervlak van
de opslagvoorziening.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
a)
b)
c)
d)
e)
de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale
sproeidichtheid en het sproeivlak van de sectie(s);
indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden van andere secties, behoeft geen
veiligheidsfactor te worden gehanteerd;
zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de
ontwerpnorm;
de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 min;
met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.
F.2.4 Automatische blusgasinstallatie
Principe: Een ruimte wordt gevuld met blusgas op basis van een brandalarm van een
automatische brandmeldinstallatie, waardoor de brand dooft door zuurstofverdringing of
chemische beïnvloeding van de brandreactie en/of koeling, afhankelijk van het toegepaste
blusgas.
Beperkingen in toepassing:
a)
b)
de opslagvoorziening moet voldoende gasdicht zijn;
opgeslagen stoffen dicteren de blusgasconcentratie.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 113 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Kenmerken:
a)
b)
c)
d)
e)
snelle detectiemethode toepassen;
als blusmiddel mogen alle blusgassen worden toegepast;
2
toepasbaar in ruimten met een oppervlakte van ten hoogste 2 500 m ;
de brandwerendheid van deuren, wanden en plafonds vanuit de opslagvoorziening naar de
omliggende ruimten en de buitenruimte moet overeenkomen met de WBDBO-eis die in de
ontwerpnorm of het UPD is vastgelegd, maar ten minste 30 min bedragen;
een rook- en warmteafvoerinstallatie mag niet worden toegepast.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
bij een blusgassysteem hoort geen bluswateropvang, tenzij het scenario voorziet in nablussing
met water, dan gelden de volgende parameters:
a)
b)
c)
de benodigde bluswateropvangcapaciteit wordt uitsluitend bepaald door de nablustijd
(nabluscapaciteit is 800 l/ min) gedurende 60 min;
vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswateropvangcapaciteit;
in verband met eventuele kernbranden en daarop mogelijk volgende herontsteking moet
rekening worden gehouden met een nablustijd van ten minste 20 min. De standtijd moet
ten minste 30 min bedragen in verband met de aanrijtijd van de brandweer.
F.2.5 (Semi-) Automatische monitorinstallatie
Principe: Vast opgestelde water / schuim kanonnen rondom een in de buitenlucht gesitueerde
opslagvoorziening (vatenpark en dergelijke), die in een automatisch heen en weer gaande
beweging de opslagvoorziening besproeien met als doel de brand te controleren of te blussen.
Beperkingen in toepassing:
a)
b)
c)
opgeslagen stoffen moeten met water of schuim kunnen worden geblust;
uitsluitend toepasbaar bij een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening, waarbij als
criterium voor buitenopslag geldt dat de opslagvoorziening rondom moet kunnen worden
aangesproeid;
personeel moet getraind zijn in het gebruik van de installatie.
Kenmerken:
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
h)
als detectiemethoden zijn alleen warmtebeeld camera’s of UV/IR melders toepasbaar in
combinatie met een 24 uurs bemande controlekamer of volledig geautomatiseerd;
als blusmiddel kan water of zwaar schuim worden toegepast;
maximale oppervlakte van de opslagvoorziening is 2 500 m², sproeipatroon van alle
kanonnen samen bedekt de gehele opslagvoorziening;
watertoevoer wordt automatisch of handmatig op afstand aangestuurd. Watertoevoer moet
voldoende capaciteit hebben om minimaal twee kanonnen gelijktijdig in werking te hebben;
de kanonnen sproeien in een automatisch heen en weer gaande beweging van de
kanonnen volgens een vast patroon;
het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen, afstand tot belendingen
te bepalen met een warmtestralingberekening;
bij inwerkingtreding van de installatie wordt een sectie (omvang afhankelijk van ontwerp,
doch nooit kleiner dan een vak ) besproeid, het sproeioppervlak is gelijk aan de grootte van
de sectie;
indien stoffen van klasse 3 worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is
aangebracht, geldt een maximale oppervlakte van 800 m² en moet de
bluswateropvangcapaciteit worden gedimensioneerd op de totale oppervlakte van de
opslagvoorziening.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 114 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
a)
b)
c)
d)
e)
de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale
sproeidichtheid en het sproeivlak van een sectie(s);
indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden van andere secties, behoeft geen
veiligheidsfactor te worden gehanteerd;
zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de
ontwerpnorm;
de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 min;
met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.
F.2.6 Automatische hi-ex outside-air installatie
Principe: Na activering door een automatische brandmeldinstallatie wordt een
opslagvoorziening volgeschuimd. De benodigde lucht om schuim te vormen, wordt van buitenaf
aangezogen. Om verstikking te bewerkstelligen moet de brand door het schuim kunnen worden
ingekapseld.
Beperkingen in toepassing:
a)
b)
niet alle stoffen kunnen worden opgeslagen (zie norm);
ruimte moet voldoende dicht zijn.
Kenmerken:
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
snelle detectiemethode toepassen;
als blusmiddel wordt licht schuim toegepast, expansievoud 500 tot 1 000;
maximale oppervlakte van opslagvoorziening is 2 500 m²;
de brandwerendheid van deuren, wanden en plafonds vanuit de opslagruimte naar de
omliggende ruimten en de buitenruimte moet ten minste 30 min bedragen;
bij inwerkingtreding van de installatie wordt een gehele ruimte overeenkomstig de
ontwerpnorm binnen de vereiste tijd (vastgesteld in de NFPA 11) tot het vereiste niveau
volgeschuimd;
de toepassing van een luchtafvoerinstallatie (bijv. dakluiken) is noodzakelijk;
outside-air-schuimgeneratoren, waarbij de lucht die gebruikt wordt om het schuim te
maken, van buiten het gebouw wordt aangezogen.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
a)
b)
c)
de doseersnelheid van het water/schuimmengsel moet worden bepaald aan de hand van
de totale inhoud van de opslagvoorziening en het verschuimingsgetal van de
desbetreffende schuimsoort waarbij als uitgangspunt het vereiste schuimniveau in de
ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm wordt gehanteerd;
de bluswateropvangcapaciteit bedraagt drie (ruimte)vullingen (volume berekend vanuit de
afmetingen van de opslagvoorziening);
vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswateropvangcapaciteit.
F.2.7 Automatische hi-ex inside-air installatie
Principe: Na activering door een automatische brandmeldinstallatie wordt een
opslagvoorziening volgeschuimd. De benodigde lucht om schuim te vormen wordt van binnen
aangezogen. Om verstikking te bewerkstelligen moet de brand door het schuim kunnen worden
ingekapseld.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 115 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Beperkingen in toepassing:
a)
b)
c)
niet alle goederen kunnen worden opgeslagen;
de opslagvoorziening moet voldoende dicht zijn;
afhankelijk van de gepleegde opslag kan het systeem gevoelig zijn voor
verbrandingsproducten en rook;
de NFPA 11 met bijbehorend memorandum 61 gaat uitvoerig op de beperkingen in.
Testen van de kwaliteit van het schuimvormend middel
Aangetoond moet worden dat het toegepaste schuim kan worden gevormd onder zware
condities. De testmethodiek is vastgelegd in brief IBP 31195002 van 31.1.1995 (Ministerie
VROM). De testopzet voor deze grootschalige test moet ten minste worden voorgelegd aan
onderzoeksinstituten zoals het RIVM (Centrum Externe Veiligheid en Vuurwerk) of het NIBRA.
Tevens moet de uitvoering van de test in overleg met deze instanties hebben plaatsgevonden.
Kenmerken:
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
snelle detectiemethode toepassen;
als blusmiddel wordt een goedgekeurd schuimconcentraat toegepast, expansievoud
conform NFPA 11, dat bestand is tegen zuur en kan worden gevormd met zeer agressieve
verbrandingsgassen;
maximale oppervlakte van opslagvoorziening is 2 500 m²;
de brandwerendheid van deuren, wanden en plafonds van de opslagruimte naar de
omliggende ruimten en de buitenruimte moet ten minste 30 min bedragen;
bij inwerkingtreding van de installatie wordt een gehele ruimte overeenkomstig de
ontwerpnorm binnen de vereiste tijd tot het vereiste niveau volgeschuimd;
de toepassing van een rook- en warmteafvoerinstallatie is niet toegelaten;
schuimgeneratoren moeten zijn opgesteld in de te beveiligen ruimte.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
a)
b)
c)
de doseersnelheid van het water/schuimmengsel moet worden bepaald aan de hand van
de totale inhoud van de opslagvoorziening en het verschuimingsgetal van de
desbetreffende schuimsoort waarbij als uitgangspunt het vereiste schuimniveau in de
ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm wordt gehanteerd;
de bluswateropvangcapaciteit bedraagt drie (ruimte)vullingen (volume berekend vanuit de
afmetingen van de opslagvoorziening);
vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswateropvangcapaciteit.
F.2.8 Bedrijfsbrandweer met handbediende deluge-installatie
Principe: Een wijd vertakt leidingnet is voorzien van open sproeikoppen (sproeiers). Het
leidingnet wordt door de bedrijfsbrandweer voorzien van water, nadat de bedrijfsbrandweer is
gealarmeerd op basis van een brandalarm van een automatische brandmeldinstallatie. Na
aansluiting door de bedrijfsbrandweer zal er water uit alle sproeiers tegelijk stromen. De
installatie kan ook van sectie afsluiters worden voorzien.
Beperkingen in toepassing:
a)
b)
toepassing om grote opslag (tanks) te koelen tegen brand van buitenaf;
door afhankelijkheid van brandweer is deze uitvoering van een deluge-installatie traag en
daarom niet geschikt voor opslag van brandbare vloeistoffen.
Kenmerken:
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 116 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
alle detectiemethoden zijn toepasbaar, mits aan de norm wordt voldaan;
als blusmiddel kan water of schuim (middel of zwaar) worden toegepast;
maximale oppervlakte van opslagvoorziening is 2 500 m²;
de brandwerendheid van deuren, wanden en plafonds vanuit de opslagvoorziening naar de
omliggende ruimten en de buitenruimte moet 30 min bedragen;
bij inwerking treden van de installatie wordt een gehele sectie (aantal en grootte afhankelijk
van ontwerp) besproeid, het sproeioppervlak wordt door de grootte van de sectie (vak)
bepaald;
zowel een bedrijfsbrandweer categorie 1 als een bedrijfsbrandweer categorie 2 kan worden
toegepast;
indien brandbare vloeistoffen worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is
aangebracht, geldt een maximale oppervlakte van de opslagvoorziening van 600 m², en
moet de bluswateropvangcapaciteit worden gedimensioneerd op de totale oppervlakte van
de opslagvoorziening.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
a)
b)
c)
d)
e)
de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale
sproeidichtheid en het sproeivlak van de sectie(s);
indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden van andere secties, behoeft geen
veiligheidsfactor te worden gehanteerd;
zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de
ontwerpnorm;
de bluswateropvangcapaciteit worden gedimensioneerd op 40 min; de toepassing van een
rook- en warmteafvoerinstallatie geeft een reductie van 5 min op de blustijd;
met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.
F.2.9 Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen (binnenaanval)
Principe:
Bedrijfsbrandweer blust zelf, daartoe gealarmeerd door en automatische brandmeldinstallatie.
Beperkingen in toepassing:
Bestrijding is afhankelijk van menselijke inzet. De ruimte moet dus wel bij brand kunnen worden
benaderd en betreden, wat beperkingen met betrekking tot aard en omvang van de opslag met
zich mee kan brengen.
Kenmerken:
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
h)
een snelle detectiemethode moet worden toegepast (geen temperatuurdetectie);
als blusmiddel kan water of schuim (middel of zwaar) worden toegepast;
maximale oppervlakte van opslagvoorziening is 1 500 m²;
de opslagvoorziening moet zijn verdeeld in vakken van ten hoogste 300 m²;
de brandwerendheid van deuren, wanden en plafonds vanuit de opslagvoorziening naar de
omliggende ruimten en de buitenruimte moet 60 min bedragen; voor een bestaande
opslagvoorziening is 30 min voldoende;
de toepassing van een rook- en warmte-afvoerinstallatie is noodzakelijk;
dit systeem is uitsluitend aanvaardbaar indien een bedrijfsbrandweer categorie 1 op het
bedrijf aanwezig is;
indien brandbare vloeistoffen worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is
aangebracht, geldt een maximale oppervlakte van de opslagvoorziening van 300 m², en
moet de bluswateropvangcapaciteit worden gedimensioneerd op de totale oppervlakte van
de opslagvoorziening.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 117 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
a)
b)
de bluswateropvangcapaciteit in een opslagruimte die kleiner is dan 500 m² moet ten
3
3
minste 100 m bedragen; indien de opslagruimte groter is dan 500 m² moet 10 m per
100 m² vloeroppervlakte extra bluswateropvangcapaciteit aanwezig zijn;
Toepassing van snellere detectiemethoden geeft 10 % reductie op de
bluswateropvangcapaciteit.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 118 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bijlage G Overzicht normen
brandbestrijdingsinstallaties
De onderstaande tabel geldt als illustratie en behoort indicatief te worden gehanteerd. Te allen
tijde geldt dat normen van onder meer CEN, NEN, ISO, CENELEC en algemeen erkende
voorschriften uitgegeven door instituten als NFPA, VdS, LPCB, DIN, CEA en FM kunnen
worden gehanteerd. In de door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten voor de
brandbeveiliging (UPD) moet worden vastgelegd welke normen van toepassing zijn.
Tabel G.1 — Uitleg afkortingen in bijlage G
CEA
Comité Européen des Assurances
CEN
Comité Européen de Normalisation
CENELEC
Comité Européen de Normalisation Electrotechnique
DIN
Deutsches Institut für Normung
FM
Factory Mutual
ISO
International Standard Organisation
LPCB
Loss Prevention Certification Board
NEN
Nederlands Normalisatie-instituut
NFPA
National Fire Protection Association
VdS
Vertrauen durch Sicherheit (v.m. Verband der Schadenversicherer)
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 119 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Tabel G.2 — Informatieve tabel met normen voor brandbestrijdingssystemen
Brandbestrijdingssystemen
Type
NEN(-EN)(-ISO)
Automatische brandmeldinstallatie
2535
Rook- en Warmte afvoerinstallatie (RWA)
6093, 6095,
12101
Automatische sprinklerinstallatie (evt met
schuimbijmenging)
Ten behoeve van de 12845, 12259
opslag van standaard
(basis) producten
CEA
NFPA
standards
codes
FM
Overige
(uitgevende
partij)
8-9, 2-8(N)
VAS (NCP)
2095, 2496
4020
204
2098
4001
13
2092
Ten behoeve van de
opslag van
brandgevaarlijke
vloeistoffen
12845
30, 16
7-29
VAS (NCP)
Ten behoeve van de
opslag van
spuitbussen
12845
30B
7-31
VAS (NCP)
Automatische deluge-installatie (evt.
schuimbijmenging)
15, 16, 11
Automatische monitorinstallatie (evt. met
schuimbijmenging)
11, 24
Automatische blusgasinstallatie
VdS
CO2
4007, 4019
Chemische blusgas
14520, 12094
Inerte blusgassen
14520, 12094
4008
2109
4-1(N)
12
2093
4-11(N)
2001
2381
2001
2380
SVI publicatie
‘blusgasinstallaties,
veiligheidsbepalingen’
4-9
Zie vervolg
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 120 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Tabel G.2 (einde)
Brandbestrijdingssystemen
Type
Hi-ex systeem
Outside-air
Inside-air
Bedrijfsbrandweer
NEN(-EN)(-ISO)
CEA
NFPA
standards
codes
VdS
FM
Overige
(uitgevende
partij)
11
4-3(N)
Memorandum 48 (NCP)
11
4-3(N)
Memorandum 48en
61(NCP),circulaire IBP
31195002 (VROM)
artikel 31 Wet op de
veiligheidsregio’s
Opmerking:
a)
b)
c)
d)
Schuimvormend middel moet aantoonbaar geschikt zijn voor het betrokken risico.
Van de toe te passen normen behoort de meest recente uitgave te worden toegepast.
Waar van toepassing wordt in de meeste ontwerpnormen verwezen naar productnormen en onderhoudsnormen.
Voor hoge opslag van goederen in verpakking en toepassing van een delugesysteem moet naast NFPA 15 en/of 16 de NFPA 13 en/of 30 worden toegepast.
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 121 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bijlage H Overzicht van veel voorkomende gassen
(niet limitatief)
Tabel H.1 geeft geen complete opsomming van alle gassen, maar een overzicht van de meest
voorkomende gassen.
Tabel H.1 — Overzicht meest voorkomende gassen
Keuringsinterval
in jaren
ACETYLEEN, OPGELOST
4F
2.1
X
-
10
1006
ARGON, SAMENGEPERST
1A
2.2
X
-
10
1072
ZUURSTOF, SAMENGEPERST
1O
2.2 + 5.1
X
-
10
1049
WATERSTOF, SAMENGEPERST
1F
2.1
X
-
10
1046
HELIUM, SAMENGEPERST
1A
2.2
X
-
10
1013
KOOLDIOXIDE (KOOLZUUR)
2A
2.2
X
-
10
1066
STIKSTOF, SAMENGEPERST
1A
2.2
X
-
10
1070
DISTIKSTOFOXIDE (LACHGAS)
2O
2.2 + 5.1
X
-
10
1971
METHAAN, SAMENGEPERST OF
AARDGAS SAMENGEPERST (met
hoog methaan gehalte)
1F
2.1
X
-
10
1962
ETHYLEEN (ETHEEN)
2F
2.1
X
-
10
1002
LUCHT, SAMENGEPERST
1A
2.2
X
-
10
1060
MENGSELS VAN
METHYLACETYLEEN EN
PROPADIEEN, GESTABILISEERD
(Mapp, Apachi, Tetreen)
2F
2.1
X
-
10
1956
SAMENGEPERST GAS, N.E.G.
(Argon/koolzuur gasmengsel,
Argon/koolzuur/zuurstof gasmengsel,
Stikstof/waterstof gasmengsel,
Stikstof/koolzuur gasmengsel,
Stikstof/argon gasmengsel,
Stikstof/zuurstof gasmengsel)
1A
2.2
X
-
10
1954
SAMENGEPERST GAS,
BRANDBAAR, N.E.G.
(Stikstof/waterstof gasmengsel,
Argon/waterstof gasmengsel)
1F
2.1
X
-
10
Etiketten
Cryohouders
Benaming en
beschrijving
1001
Flessen
FlessenBatterijen
UN-NUMMER
Classificatiecode
Verpakking
Zie vervolg
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 122 VAN 124
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Keuringsin
terval
in jaren
Benaming
en
beschrijvi
ng
1965
MENGSELS VAN
KOOLWATERSTOFGASSEN,
VLOEIBAAR GEMAAKT, N.E.G.
(mengsel C, propaan)
2F
2.1
X
-
10/15
1965
MENGSELS VAN
KOOLWATERSTOFGASSEN,
VLOEIBAAR GEMAAKT, N.E.G.
(Mengsel A0, A02, A01 of A, butaan)
2F
2.1
X
-
10/15
1005
AMMONIAK, WATERVRIJ
2TC
2.3 + 8
X
-
5
1040
ETHYLEENOXIDE OF
ETHYLEENOXIDE MET STIKSTOF
(tot een druk van ten hoogste 1 Mpa bij
50º C)
2TF
2.3 + 2.1
X
-
5
3156
SAMENGEPERST GAS,
OXIDEREND, N.E.G. (mengsel
zuurstof/lachgas)
1O
2.2 + 5.1
X
-
10
1014
MENGSEL VAN ZUURSTOF EN
KOOLDIOXIDE, SAMENGEPERST
1O
X
-
10
1033
DIMETHYLETHER (DME)
2F
2.1
X
-
10
1977
STIKSTOF, STERK GEKOELD,
VLOEIBAAR
3A
2.2
-
X
10
1073
ZUURSTOF, STERK GEKOELD,
VLOEIBAAR
3O
-
X
10
1951
ARGON, STERK GEKOELD,
VLOEIBAAR
3A
2.2
-
X
10
3159
1,1,1,2-tetrafluorethaan (koelgas R 134
A)
2A
2.2
X
-
10
3337
Pentafluorethaan, 1,1,1-trifluorethaan
en 1,1,1,2-tetrafluorethaan (koelgas R
404 A)
2A
2.2
X
-
10
1078
1,1,1-trifluorethaan en 1,1,1,2,2pentafluorethaan (koelgas R 507)
2A
2.2
X
-
10
1078
1,1,1,2,2-pentafluorethaan en
difluormethaan (koelgas R 410 A)
2A
2.2
X
-
10
3340
Difluormethaan en pentafluorethaan en
1,1,1,2-tetrafluorethaan (koelgas R 407
C)
2A
2.2
X
-
10
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 123 VAN 124
Etiketten
UNNUMMER
Classificat
iecode
Tabel H.1 (einde)
Verpakking
2.2 + 5.1
2.2 + 5.1
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Bijlage I
Samenstelling PGS-team
Deelnemer
Organisatie
De heer Eddy Alders
VNO-NCW
De heer Marius van Alphen
VNCI
De heer Sjaak Beers
VKCN
Mevrouw Paula Bohlander
PGS projectbureau
De heer Wim Derksen
IPO
De heer Rene Entken
VNCW
Mevrouw Linda van Gaalen
VHCP
De heer Luciën Govaert
VNCW
Mevrouw Astrid de Haes
TLN
De heer Rikkert Hansler
Ministerie van SZW (RIVM)
De heer Louis van der Hoeven
MKB-Nederland
De heer Gerrit Jonkers
VVVF
Mevrouw Saskia Kamphuis
NVBR
De heer Macco Korteweg Maris
VNCI
De heer Jeffrey Kruis
VNG
De heer Wim Mak, agendalid
TNO
De heer Hans Martens
VFIG
De heer Dré Mevissen
VHCP
De heer Wilco Nellen
Gemeente Eindhoven
De heer Walter Oudshoorn
Infomil/Agentschap NL
De heer Piet Pasveer
Op eigen titel
De heer Robbert Plarina
PGS projectbureau
De heer Hans Razenberg, agendalid
NVZ
De heer Conno de Ruijter
Agrodis
De heer Johan Scholtanus
NAV
De heer Peter Stoffer
Deltalinqs
De heer Lex Wagemaker
Milieudienst DCMR
PGS 15:2011 VERSIE 1.0 (DECEMBER 2011) - PAGINA 124 VAN 124
Download